top
terug
banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal

BINNENVAARTTAAL


de binnenvaart encyclopedie op internet


Aanvullingen en correcties zijn welkom.



Woordenlijst D




~D1-olie:
(productnaam) sterk impregnerend conserveringsmiddel voor hout, zowel zonder als met verdere afwerkingslaag, bij voorkeur D2-olie, te gebruiken.

~D2-olie:
(productnaam) op blanke lak gelijkend conserveringsmiddel voor hout, wat als afwerking van met D1-olie behandeld hout gebruikt wordt.

~daal:
TEN DAAL VAREN, TE DAL VAREN
op de rivieren: met de stroom mee varen.
Het woord is afkomstig van het Duitse 'Tahl' = dal.

Gerelateerde termen: bergvaart, opvaart, afvaart, daalvaart, dalvaart.

~daalder:
klein houten schijfje of korte dikke pen waarmee, bij houten schepen of dekken, schroef- en klinkgaten afgedekt worden. Ook bekend als prop en als dekdop.

~daalreis:
een grote verplaatsing van een schip over de rivier, in het bijzonder de Rijn, die het schip naar een verder stroomafwaarts gelegen plaats brengt.
Gerelateerde term: bergreis.

~daalschutting:
op de bovenrivieren een schutting naar een lager deel.

~daalvaart:
de schepen, die op de grote rivieren met de stroom mee varen. Door sommigen dalvaart genoemd.
Gerelateerde termen: bergvaart, opvaart, afvaart, te daal varen.
Welke van de twee termen is de meest juiste; dalvaart of daalvaart?
De algemene zoekresultaten van Google geven een duidelijke voorkeur voor dalvaart te zien, maar bij de zoekresultaten op gespecialiseerde pagina's ontlopen beide termen elkaar nauwelijks. De termen dalvaart en daalvaart zijn onder Duitse invloed ontstaan en om misverstanden met de Duitse collega's te voorkomen, door de Nederlandse schippers overgenomen (het zijn dus Germanismen). De Duitsers spreken van Bergfarht en Ta(h)lfaht (spreek uit: taalfaart). Het is dus waarschijnlijk dat men oorspronkelijk van daalvaart sprak en pas later, onder invloed van het Nederlandse dal en berg, er dalvaart van gemaakt heeft. Ik geef dus de voorkeur aan daalvaart.


~D.A.F.:
ondermeer een fabrikant van scheepsdieselmotoren. Zie verder bij van Doorne's Automobiel Fabriek.

~dagboek:
soort agenda waarin men de dagelijkse activiteiten met betrekking tot de vaart bij houdt. Zie bij ook journaal.

~daghuur:
IN DAG HUUR VAREN
: betaalt krijgen over het aantal dagen waarvoor men besproken is.
Bij daghuur verhuurde men zich voor een bepaalde periode aan een reder of verlader. Men krijgt vervolgens betaalt voor elke dag dat men verhuurd is, ongeacht of men vaart of niet. Indien men vaart krijgt men per kilometer nog een brandstoftoeslag per kilometer. In veel gevallen is men vrij in het aantal dagen dat men over een reis wenst te doen, als het maar binnen de termijn valt. Moet een lading echter binnen een bepaalde tijd echter afgeleverd zijn, dan bekomt men een extraatje, de reizenpremie/ het streckengeld.

Gerelateerde termen: brandstoftoeslag, deklastvergoeding.

~dagkaap:
bepaald soort baken, gewoonlijk slechts kaap genoemd.

~dagmaat:
de doorsnede van het gat waardoor het licht kan vallen bij een patrijspoort of lichtrand.
Zie ook dagwijdte.

~dagmotorpassagiersschip, dmps.:
een dagpassagiersschip of rondvaartboot.
De term wordt bijna uitsluitend in de vorm van de afkorting gebruikt
.

~dagpassagiersdienst:
regelmatig gehouden dienst met een dagpassagiersschip.

~dagpassagiersschip:
motorvaartuig ingericht voor het vervoer van personen waarmee meestal meerdere uren durende rondvaarten gemaakt worden. Het dagpassagiersschip onderscheidt zich van de rondvaartboot niet alleen in formaat, ze zijn meestal groter en hoger, maar vooral ook door de aanwezigheid van een keuken en buffet aan boord. [Afbeelding] Het onderscheid zich van het rijnpassagiersschip, door de afwezigheid van de mogelijkheid tot overnachting voor de betalende gasten.
- Een dagpassagiersschip kan ook als partyschip, evenementenschip, of als rondvaartboot gebruikt worden. Het kan ook op lijn-, veer-, tram- of spoordiensten ingezet worden.


~dagregister:
soort agenda waarin men de dagelijkse activiteiten met betrekking tot de vaart bij houdt. Zie journaal.

~dagschot:
1> het hoekwant de zelfde dag dat het geschoten is, weer inhalen. Dit wordt plaatselijk (o.a. te Volendam) ook dagtoek genoemd
Gerelateerde term: dubbelschot, nachtschot.

2> het geen er tijdens een dagschot gevangen wordt.

~dagsein:
visueel signaal dat overdag gezien kan worden. Zie dagteken en scheepvaartteken.

~dagtank:
brandstoftank, die direct op de hoofdmotor aangesloten is en vanuit een voorraadtank gevuld dient te worden.
De dagtank is, min of meer, uit noodzaak ontstaan. Vooral bij de oude motoren kon de brandstof niet door het systeem zelf aangezogen worden en moest de onderkant van de tank dus boven de brandstofpompen liggen. De motoren waren hoog en dat hield dus in dat de tank ook hoog geplaatst moest worden. Voor een grote tank was daar geen plaats, dus gebruikte men een kleine tank die uit een grote tank bijgevuld diende te worden. Latere (matig-snellopende) motoren zijn vaak uitgerust met een extra pompje. Dit pompje heeft in de eerste plaats tot doel voldoende druk op de hogedrukpompen te houden, maar is tevens in staat brandstof (van geringe hoogte) op te zuigen (mits er geen lucht in de leidingen zit). In veel gevallen bleef de dagtank echter behouden. Dankzij de dagtank heeft men een beter inzicht in de brandstofvoorraad (voor die dag), het verbruik en ook zullen de meeste grove verontreinigen, die in de brandstof zitten, zullen in de voorraadtank, de bunker, achterblijven, waardoor de brandstoffilters minder belast worden. De dagtank dient (tegenwoordig) officieel een inhoud te hebben van 6 liter per kW motorvermogen (ca. 4,5 liter per pk). In vroeger tijd nam men op diverse schepen, er vanuit gaand dat men geen 24 uur per dag vol gas voer, echter genoegen met beduidend kleinere tanks.


~dagteken:
bij daglicht duidelijk zichtbaar teken dat een deelnemer aan het scheepvaartverkeer of objecten ten dienste van dit verkeer in bepaalde gevallen moeten of kunnen tonen. Ook wel dagsein of kortweg sein genoemd. [Afbeeldingen] In vroeger tijden kende men alleen vlaggen en wimpels voor dit doel. In de loop van de negentiende eeuw komen daar borden, bollen, kegels, en dergelijke bij, terwijl in de laatste decennia ook lichten een toenemende rol gaan spelen. Een eeuw geleden leek men van afstandssein te spreken.
Gerelateerde termen: blokband, kegel, korf, scheepvaartteken, vlag, enz.

~dagtoek:
hoekwant de dag dat het geschoten is, weer inhalen. Zie verder bij dagschot.

~dagvaart:
men spreekt van dagvaart wanneer er hooguit 16 uur per dag gevaren wordt. Zie ook: continuvaart en exploitatiewijze binnenvaart.

~dagvisser:
persoon die dagvisserij bedrijft.
Te vinden in: Nieuwsblad van het Noorden 20-10-1982 via Delpher.


~dagvisserij:
visserij waarbij men de gevangen vis nog dezelfde dag aan land brengt.
Te vinden in: Verslag van de handelingen der Staten-Generaal, Deel 1, Volume 3 via Google books.


~dagvloed:
hoogwater dat bij daglicht valt.
Genoemd in de Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.

~dagwerk:
de hoeveelheid turven, die een ploeg veengravers in één dag kon opleveren.
Verschillende bronnen hanteren verschillende getallen. Dat niet alleen voor de hoeveelheid turf, maar ook voor de grootte van de ploeg veengravers. Een ploeg van 7 man kon tot ca. 12.500 turven komen, maar ook 6 man en acht tot tienduizend stuks wordt genoemd. In het Rapport van de Commissie van Advies voor de Veenafgraving. Algemeene landsdrukkerij,1928. wat te vinden is op Delpher worden een aantal voorbeelden gegeven. Interessant is ook de vermelding in Vier eeuwen turfwinning: de verveningen in Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel tussen 1550 en 1950 door M. A. W. Gerding die stelt dat een grote tjalk (25,5 x 5,5 x 2m) bijna 73m³ turf of wel 4 tot 5 dagwerken kon laden.


~dagwijdte:
de werkelijk bruikbare maat (meestal breedte of doorsnede) van een opening, tot het doorlaten van objecten, water, lucht of licht.
Gerelateerde termen: dagmaat, doorvaartopening, doorvaartbreedte, enz.

~dak:
stuk visnet tussen de vleugelnetten van de aalfuik en tegen de bovenzijde van de opening daarvan gebreid of geknoopt. [Links: Diverse termen inzake het vistuig.]
Het dak voorkomt dat de aal langs de bovenkant van de opening van de fuik wegglipt.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.


~daklozenboot:
SCHIP dat gebruikt wordt voor de opvang van thuis- en daklozen.
Bron. nhnieuws.nl 1-7-2021. In dit geval ging het niet om een boot maar om een rijnpassagiersschip dat tijdens de Covid-19 uitbraak als tijdelijk(?) onderkomen gebruikt werd.


~dal:
1> verkorting van golfdal.

2> stroomafwaarts in "te dal varen". Zie verder bij daal en daalvaart.

~dalvaart:
stroomafwaarts varen. Zie verder bij daalvaart.

~dalwaarts:
op de rivieren stroomafwaarts. Half een Germanisme.

~dam:
1> dwarsverbinding in een kettingschalm, soms toegepast bij ankerkettingen. Ook bekend als schalmmannetje of korter: mannetje.

2a> tegenwoordig: waterkering of andere gesloten constructie, die een scheiding tussen het water(peil) aan de ene kant en de andere kant van de dam, te weeg brengt.
Over het algemeen spreekt men tegenwoordig van een dam, wanneer er permanent water aan weerszijden van de kering zichtbaar aanwezig is. Is dat niet het geval dan spreekt men van een dijk. Vroeger was deze scheiding in gebruik niet zo sterk. In feite is er ook geen verschil. Beide constructies hebben tot doel mogelijke verschillen in waterstand van elkaar te scheiden.

b> In samenstellingen iets dat er uit ziet als een dam of dijk.
Gerelateerde termen: golfbreker, havendam, krib, leidam, schutdam, strekdam, enz.

3> de tussenschotten, die bij blokken met meerdere schijven, tussen de schijven geplaatst zijn. [Links: takelen en blokken.]
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.


4> verouderde term voor een tijdelijke houten stut, die men aan boord gebruikt.
Bron: W.A. Winschooten, Seeman, Leiden 1681


~dameskajuit:
vertrek op vaartuig waar mannelijke passagiers niet toegelaten worden. De wat luxere benaming is: damessalon. Diverse vaartuigen kenden tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw dergelijke vertrekken. Het ging daar veelal om vaartuigen met een publiekelijke functie; ponten, veerschepen, e.d.

~damessalon:
vertrek op vaartuig waar mannelijke passagiers niet toegelaten worden. Ook wel dameskajuit genoemd. Diverse vaartuigen kenden tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw dergelijke vertrekken. Het ging daar veelal om vaartuigen met een publiekelijke functie; ponten, veerschepen, e.d.

~damgeld:
geld dat men voor het gebruik of het liggen aan een laaddam moet betalen.

~damhouder:
persoon die belast is met het toezicht op een in een dam gelegen overtoom, spuisluis of sluis.
De term werd ondermeer gebruikt voor de bewaarder van verlaten te Leidschendam.


~damketting:
ketting met dwarsverbindingen, dammen of mannetjes genoemd, in de schalmen. Ook bekend als: mannetjesketting, terwijl men vroeger wel van een kabelketting sprak. Veelvuldig gebruikt als ankerketting in de zeevaart, minder gebruikelijk in de binnenvaart.

~Damkraak:
18de eeuws type vrachtschip. Circa 17,5 x 4,5 meter. Haalmeijer en Vuik opperen de mogelijkheid dat dit een damschuit van het type Kraak zou kunnen zijn. Ook wel bekend onder de naam Damkraakschuit.
Zie ook tekst Houten Kraken.
In feite kan men eigenlijk stellen dat (bijna) elke Kraak een damschuit was. In advertenties maakt men echter vaker de (mijns inziens onterechte) verbinding met de damloper. Daar worden ook afmetingen als 18,1x3,5 meter en 17x3,6 meter genoemd.


~Damkraakschuit:
18de eeuws type vrachtschip. Zie verder bij Damkraak.

~Damloper:
1> verzamelnaam voor diverse oude scheepstypes tot circa 20 - 30 ton, die geschikt waren om van een overtoom gebruik te maken of volgens Wigardus Winschooten's Seeman: "damlooper, een klein binnelands, of nog eigendlijker Noordhollands Vaartuig, dat bequaam is om oover Dijken en Dammen, en oovertoomen oovergehaald te worden." Mr. J. van Lennep Zeemanswoordenboek 1856 hanteert een zelfde omschrijving.
De schepen moesten dus een vrij breed vlak hebben dat, dwarsscheeps gezien, geheel of bijna geheel vlak was. Damlopers waren, omdat een beladen schip op de overhaal niet gesteund wordt door het water, wat steviger gebouwd dan andere schepen. Ze waren tot circa 16 meter lang en niet meer dan 32 ton groot.
Vooralsnog krijg ik de indruk dat de term voornamelijk gebruikt werd in de Hollandse gewesten. (Elders waren, voor zover ik weet, overhalen geen algemeen verschijnsel.) Het is dus vanzelfsprekend dat de term 'damloper' gekoppeld werd aan de scheepstypes in die gewesten. Welke scheepstypes dat precies waren, is mij nog niet bekend.
Damlopers waren in het algemeen verenigd in de schuitengildes en behoorden dus tot de kleinere vaartuigen.
De door Reinier Nooms afgebeelde Kaag was geen Damloper; daar was hij te groot voor. Het tafreel toont waarschijnlijk een experiment.


2> geregeld gebruikt als synoniem van damschuit.
De woorden 'damloper' en 'damschuit' zijn in het verleden meermaals door elkaar heen gebruikt. Later heeft men opnieuw getracht een onderscheid tussen de twee termen aan te brengen. Mijns inziens staat de term damloper niet voor een bepaald type schip, maar voor alle schepen die geschikt waren om OVER de dam gehaald te worden. De damschuiten, schepen die middels een sluis DOOR de dam (lees dijk) gingen, geleken kleine smalschepen zegt men. Cornelis van IJk (blz. 312) stelt echter duidelijk dat de door hem genoemde damloper DOOR de duiker (overwelfde sluis) van Leidschendam moest passen: een Leidschendammer dus. Ook Kraken worden vaak als damschuit betiteld.


~damlopersgilde:
gilde van schippers op kleinere vaartuigen. Zie verder bij schuitenvoerdersgilde.

~damplank:
plank van een houten beschoeiing, die opgebouwd is uit verticale planken en een gordingbalk.

~damrak:
recht stuk, bevaarbaar, water dat door een dam begrensd wordt.

~Damscut:
oud type vrachtschip. Oude schrijfwijze voor Damschuit.

~damschip:
oud type vrachtschip. Het zelfde als een damschuit.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten; meetbrief H261N. Gezien de maten van circa 12 x 3 meter ia het een verschrijving en had het (Langedijker) damschuit moeten zijn.


~Damschuit:
1> vermoedelijk sinds de 18de eeuw de naam voor schepen die in hun afmetingen beperkt werden door de aanwezigheid van een bepaalde sluis in het gebruikelijke vaargebied van deze schepen; maatschepen dus. Vroeger ook geschreven als damscut.
Als veel voorkomende maat wordt die van de damsluis te Leidschendam genoemd. Deze maat was zo belangrijk dat men Leidschendammer vaak als synoniem voor damschuit hanteert. Een andere belangrijke maat waren de doorvaartmaten van Gouda. Deze leidde tot de begrippen smalschip en wijdschip. Vanzelfsprekend zijn er ook damschuiten met andere maten; bijv. de Langedijker damschuit [Afbeelding].


2> geregeld gebruikt als synoniem van damloper.
De woorden 'damloper' en 'damschuit' zijn in het verleden meermaals door elkaar heen gebruikt. Later heeft men opnieuw getracht een onderscheid tussen de twee termen aan te brengen. Mijns inziens staat de term damloper niet voor een bepaald type schip, maar voor alle schepen die geschikt waren om over de dam gehaald te worden. De damschuiten, schepen die middels een sluis door de dam (lees dijk) gingen, geleken kleine smalschepen zegt men. van IJk stelt duidelijk dat de door hem genoemde damloper DOOR de duiker (overwelfde sluis) van Leidschendam moest passen....


~damschutter:
sluiswachter op een damsluis.
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.


~Damscut:
houten vrachtschip uit het eind van de 17de eeuw. Zie verder bij damschuit.
Bron: bijschrift bij een ets van Reinier Nooms.


~Damskipje:
houten vrachtscheepje soms met luikenkap. Zie Hoogelandsesnik.

~damsluis:
1> een sluis, die in een dam (lees: dijk) gelegen is.

2> keersluis die, ter inundatie van een gebied, voor een opstuwing van het water dient te zorgen. [Links: Diverse termen inzake sluizen, stuwen, enz.].
De damsluis heeft vaak meerdere pijlers/sluishoofden waartussen een dubbele schotbalkwand geplaatst kan worden. De ruimte tussen de wanden kan dan gevuld worden met aarde. Sommige damsluizen beschikken daarbij bovendien over een doorvaart waarin puntdeuren aangebracht zijn. Zo kan men de sluiting van de dam grotendeels voorbereiden, terwijl de scheepvaart nog doorgang vindt. Een bijzondere vorm van een damsluis is de plofsluis.

Het begrip is ondermeer te vinden in: Sluizen en Stuwen door G.J. Arends Delft 1994.


~damwand:
nagenoeg verticale wand op gebouwd uit platen staal met een speciale vorm, vroeger waren damwanden echter van hout.

~damwandluik:
metalen luik met damwandprofiel, waarmee het ruim afgedekt kan worden.

~damwandprofiel:
een profiel dat lijkt op dat van een stalen damwand.

~dansen:
van een schip: sterk met de golfslag mee bewegend.

~Danser:
bekende familienaam in de binnen-, kust- en zeevaart.
In de binnenvaart is het vooral de Danser Containerline die bekendheid geniet.
Voor zover bekend betreft het allen leden van de Danser-familie die oorspronkelijk uit Meppel komt. Het zijn afstammelingen van Hein Danser (1824-1907), wiens vader Frerik Harms Danser (1791-1835), grootvader Harm Fredrik Danser (1766-1818), overgrootvader Fredrik Harms Danser (1735-1806) en betovergrootvader Harmen Freeriks Danser (jaartallen onbekend) ook al in de binnenvaart actief waren. Hein Dansers zoons Frederik (1861-1939), Willem (1863-1929) en Hendrik (1858-1937) en kleinzonen Jan (1891-1968) en Hein (1888-1967) zijn schippers. (Een zeil waar de laatst genoemde nog meegevaren heeft wordt elders besproken. [Verhaal: Een zeilgarderobe van Wouda.])
Het zijn vooral, maar niet uitsluitend, de nazaten van deze Hein Danser, wier naam de laatste halve eeuw in scheepvaartkringen klinkt. De gelijknamige kleinzoon van deze Danser was de oprichter van de Danser Containerline.
Gegevens ontleend aan: 'Meppelder Familie Danser 'danste' vooral op de golven' door Symen Kingma in samenwerking met Hillard van der Steeg.


~Danser Containerline:
in 1984 door Hein Danser (1938-2004) opgerichte onderneming, die zich toe legt op het vervoer van containers in de binnenvaart. Thans onderdeel van de Danser Group waartoe ook Danser Benelux en Danser Zwitserland behoren. [Website: danser.nl]
Hein Danser begon begin jaren tachtig zijn container-loopbaan met de in 1974 aangekochte 'Marla', een schip van 2000 ton, 95 meter lang en 11,4 meter breed. In deze tijd was het aanbod aan te vervoeren containers echter nog te gering om een rendabele vaart mogelijk te maken en werden containers in combinatie met staalplaat, stukgoed, grind, e.d. vervoerd. In 1985 was het vervoer echter al dermate toegenomen dat Hein Danser het varen niet langer kon combineren met het organiseren van transporten en van af de wal het roer in handen moest gaan nemen. In 1986 volgde een samenwerking met de 'Schweizerische Reederei und Neptun AG' en 'Natural van Dam AG', later sloten de 'CFNR' en 'Conteba' zich bij het samenwerking verband 'Fahrgemeinschaft Oberrhein' aan en ging men verder als 'Penta Container Line AG'.
In 1999 volgt de overname van 'Eurobarge van de Koninklijke Nedlloyd Groep'. Naast het traject Rotterdam-Basel is Danser Containerline dan ook op het traject Rotterdam-Antwerpen actief. In 2006 volgt de overname van 'Natural van Dam AG' het huidige 'Danser Zwitserland'.
Bronnen: Website Danser Group en het verenigingsblad van de Vereniging 'De Binnenvaart' nr.6 jaargang 2006.


~datumreis:
een transport van goederen, dat vóór of op een vastgestelde datum op de overeengekomen bestemming dient te zijn. Ook wel datumwerk genoemd.
Over het algemeen mocht(mag) de schipper zelf weten hoe lang hij over een reis wou(wilt) doen. Men ging(gaat) er vanuit dat de schipper zoveel mogelijk wenste(wenst) te verdienen en dus de reis in de korst mogelijk tijd zou(zal) voltooien. Voor ladingen die met een zeeschip mee moeten, is het vaak noodzakelijk dat deze voor een bepaalde datum afgeleverd wordt. Een datumreis betaalt over het algemeen beter, dan een gewone reis.
Wanneer de termijn waarbinnen de lading afgeleverd dient te worden erg kort is, noemt men het een expresreis.

~datumwerk:
vervoer dat op een bepaalde dag afgerond dient te zijn. Zie datumreis.

~dauwspoelen:
'smorgens, het liefst voor zonsopkomst, het schip en in het bijzonder de houten luiken, afspoelen. Voor sommigen gelijk aan dauwwassen.
Ook nu nog, nu houten luiken in beroepsvaart nauwelijks voorkomen, zijn sommige schippers 'smorgens in de weer met het schoonhouden van het schip.
De redenen voor al deze activiteiten zijn:
- Vroeger:
Oud schippers zeiden dat de dauw aan je (bruine) teer (op de luiken) vreet. Dat klopt echter niet helemaal. Wel is het zo dat bij een geregeld onderhoud van de luiken de bruine (Stockholmer) teer steeds vrij zacht en waterafstotend blijft. Bij dauw vormen er zich druppels de teer. Na het opdrogen laat het vuil wat zich in de druppels verzamelt heeft, kleine vlekjes op de teer achter, dit is een rot gezicht maar schaadt niet (bij andere waterafstotende oppervlaktes treed dit effect ook op, maar deze zijn of te glad, waardoor het vuil gauw weer weg is, of te hard, waardoor het vuil niet hecht, of te ruw, waardoor je het vuil niet ziet). Al deze vlekjes zijn natuurlijk een rot gezicht op een goed onderhouden schip.
Erger wordt het als in de vroege ochtend de zon schijnt. Elk dauwdruppeltje werkt als lensje als zal de teer verwarmen, een heel klein deel van de teer zal zich werkelijk oplossen, zodra men gaat varen komen de druppels in beweging en dan kan er dus inderdaad een beetje teer (in het gangboord) verdwijnen. Vele kleine beetjes vormen samen een heleboel en ook laten deze 'aangetaste' plekjes vaak een beetje ruwe kuiltjes achter, waarin zich makkelijk vuil kan verzamelen.
- Tegenwoordig:
Verse dauw is vrij schoon water. Het bevat wel wat vuil (stuifmeel, roetdeeltjes, stof) maar geen agressieve chemicaliën. Hetzelfde geldt voor regen, al komen daar wat meer verontreinigen in voor. Dauw en regen zijn dus op zich niet erg schadelijk voor je verf of het kunststof. Laat je je schip echt vuil worden dan moet je schoonmaakmiddelen gebruiken en de meeste daarvan zijn een ramp voor kunststof (dus ook voor verf). Door nu geregeld schoon te maken, voorkom je dat zich op bepaalde plaatsen vuil hecht. Op verticale vlakken heb je de beruchte regenstrepen. Deze zijn, als ze de tijd krijgen om in de verf te trekken (verf is tenslotte ook poreus) zeer moeilijk weer weg te krijgen. Verder heb je natuurlijk alle hoekjes en gaatjes. Het meeste vuil komt daar terecht. Laat je het zitten, dan ontstaat er een vochtige koek, die niet alleen de verf aantast, maar ook de roestvorming bevordert. Door geregeld te dweilen hou je ook een schoon schip dus blijven ook je kleren en die van de visite schoon. Door 'smorgens te dweilen ben je ook meteen alle spinnenwebben kwijt. Al met al heb je er misschien wel meer werk aan, maar van dweilen wordt je niet vuil en het maakt geen herrie. Bikken, schuren meniën geeft wel dat soort ongerief!


~dauwwassen:
mogelijke samenvoeging van dauwspoelen en dekwassen, meestal gebruikt in de zin van 'smorgens dekwassen.

~davit:
1> stalen constructie waaraan zaken zoals de bijboot en het anker gehesen kunnen worden.
[davit met bijboot, Afbeelding ankerdavit.]
De davit bestaat over het algemeen uit een, draaibare, stevige, verticale paal (de 'mast', staander of koning), een vrij zware, schuinopwaarts gerichte, al dan niet beweeglijk verbonden, 'arm', giek of uithouder genoemd en een verbinding tussen de top van de koning en de nok van de uithouder.
Deze laatste verbinding bestaat meestal uit twee zware stalen strips, soms een enkele zware staaf en heel soms, bij de lichter uitgevoerde davits, uit een stuk ketting of staaldraad.
Van de nok van de uithouder lopen vaak 2 draden waarmee men de davit in een bepaalde stand kan fixeren. Bij ankerdavits noemt men deze soms stagen, het zijn echter meer een soort gaarden.

Gerelateerde termen: ankerdavit, bootdavit, klapdavit, slangendavit, sloepdavit, enz.

2> op vissersschepen soms gebruikt als synoniem voor de lantaarnscepter bij de voorsteven.

~davitlier:
klein hijslier, draadlier, vaak zelfremmend of met vang, dan wel een hooiberg- of trailerlier. Zoals de naam al zegt worden deze lieren meestal gebruikt aan anker- en bijbootdavits. Ook bootlier genoemd. [Afbeeldingen]

~davitpot:
zware ronde bus waarin de koning van een davit staat.

~debarkeren:
van boord gaan, ontschepen, soms ook lossen. In de binnenvaart wordt deze term nauwelijks gebruikt. In reglementen en voorschriften voor de binnenvaart soms wel.
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.


~debiet:
de hoeveelheid water die door een rivier stroomt. Zie bij rivierafvoer.
Bron: vanDale online


~De Bug:
(merk- of productnaam) Magnetisch brandstoffilter dat tot doel heeft micro-organismen in de brandstof te vernietigen.

~declinatie:
het verschil tussen de richting die door een kompas aangegeven wordt en het geografische Noorden. In het Nederlands miswijzing genoemd.
De miswijzing is de algebraïsche som van kompasfout, deviatie, variatie en soms ook inclinatie. Lees verder bij: kompas.
Bron: Handboek voor de Binnenvaart door A. Dolfin, Born, Assen 1946


~decompressiehandel:
voorziening op dieselmotoren, die aangeslingerd kunnen worden, waarmee voorkomen wordt, dat er in de cilinders compressie opgebouwd wordt. Ook bekend als kleplichter en als decompressie-inrichting.
AUTOMATISCHE DECOMPRESSIE-INRICHTING
: decompressie-systeem dat zich na enkele omwentelingen vanzelf uitschakelt.

~decompressieventiel:
inrichting waarmee een verbinding tussen de verbrandingsruimte van een motor en de buitenlucht tot stand gebracht kan worden. Ook bekend als decompressiekraan, maar vreemd genoeg ook als compressiekraan.
Deze inrichting was op grote langzaamlopende motoren aanwezig om het tornen van de motor bijvoorbeeld bij het starten en het onderhoud te vergemakkelijken.


~Dedemsvaarder:
de term kan gebruikt worden voor een Dedemsvaartse kast, Dedemsvaartse kempenaar, een Dedemsvaartse spits en mogelijk ook nog voor andere schepen met het voorvoegsel Dedemsvaart.

~Dedemsvaartse aak:
niet bekend. Mogelijk een Hasselteraak met de Dedemsvaartse maten (Zie ook maatschip.).

~Dedemsvaartse maat:
De maten waarmee de Dedemsvaart (tot Lutterhoofdwijk, ca. 7 km. oost van Dedemsvaart) bevaren mocht worden: 40 x 5,85 x <2m. Ik heb mij laten vertellen dat men met deze maten een bocht te Hasselt niet kon nemen en dat schepen met deze lengte en een breedte tot 5,95m. van Dedemsvaart via de Lutterhoofdwijk en Coevorden moesten varen. (gegevens gebaseerd op een opgave uit 1930).

~Dedemsvaartse kast:
1> te Dedemsvaart, bij scheepswerf Peters?, gebouwde Friese motorkast (31,5 x 5,4m.)

2> maatschip. Een kast met de maximale maten waarmee de Dedemsvaart bevaren mocht worden: 40 x 5,85 x <2m. Zie ook Dedemsvaarder.

~Dedemsvaartse kempenaar:
een modern vrachtschip, vanaf ca. 1957 tot ca, 1968 bij scheepswerf Peters te Dedemsvaart gebouwd. Afmetingen: ca. 40 x 5,95 x 2,5 m. ca. 400 ton. Later vaak met ca. 9 meter verlengd tot 50 meter schip.
De naam 'Dedemsvaartse kempenaar' is dus onterecht toegekend. In aanvang te smal en te kort voor een Kempenaar en na verlenging natuurlijk nog steeds veel smaller dan de zeszestig van de 'echte Kempenaar'.



~Dedemsvaartse spits:
te Dedemsvaart, bij scheepswerf Peters?, gebouwde (Hollandse) spits.
Het ontbreekt mij helaas nog steeds aan goede beschrijvingen van de verschillende types spitsen.


~deek:
deel van de visbun. Zie verder bij deken.

~deel:
1> een flinke plank. Zie ook: post.

2> verkorte vorm van dekdeel.

3>
OP DEEL VISSEN
: als loon een deel der verdienste krijgen. Ondermeer van toepassing in de zegenvisserij. Gerelateerde term: deelvisser.
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.


~deelbaar:
van schepen: de mogelijkheid biedend het schip op een bepaalde plaats in twee delen te splitsen zonder dat elk der delen daarbij zijn drijfvermogen verliest.
De eis tot deelbaarheid van een schip is tegenwoordig van toepassing op zeer lange schepen die de Rijn bevaren. Zij kunnen dan bij stranding in twee delen gesneden worden, zodat men het vaarwater weer eerder vrij heeft, dan wanneer dat niet het geval zou zijn.
Bron: Bekendmaking aan de Rijnscheepvaart nr. 4A/2001. Staatscourant 14 november 2001


~deelfactor:
in vroeger tijden, bij scheepsmetingen gehanteerde factor, waarmee het product van de gemeten uitwendige lengte, en inwendige breedte en holte, gedeeld moest worden om het toegestane gewicht van de lading van het schip te kunnen bepalen. Ook bekend als divisore.
De uitkomst van de meting was in kubieke voeten; de uitkomst van de berekening in lasten. Elk type schip had zijn eigen factor. De meeste rond gebouwde schepen hadden een divisore van circa 180. Ze hadden dus voor elke last (ca. 2000 kg) 180 kubieke voeten (van ca. 30 liter) nodig. Snel en slank gebouwde schepen hadden dus een hogere divisore dan volle plompe schepen. Doordat de breedte inwendig gemeten werd hadden ongewegerde schepen een hogere divisore dan gewegerde. E.W. Petrejus (blz. 38 e.v.) geeft een uitgebreide verhandeling over dit onderwerp. Zie ook Van IJk blz. 347.


~deelgenoot:
een verzekerde bij een onderlinge verzekeringsmaatschappij.

~deelgenootschap:
bij een onderlinge verzekeringsmaatschappij aangesloten zijn; het deelgenoot zijn.

~deelvisser:
1> iemand die samen met anderen vist en als loon een deel van de opbrengst verkrijgt.
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.


2> iemand die in water en/of met de uitrusting van een ander vist. Deze moest als huur een deel van de opbrengst afstaan; het andere deel was zijn inkomen.
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland. Blz. 17


~defensiesleepboot:
sleepboot in beheer bij of eigendom van, het ministerie van defensie. Niet noodzakelijkerwijs een binnenvaartuig.

~defensievaartuig:
vaartuig in beheer bij of eigendom van, het ministerie van defensie. Niet zoodzakelijkerwijs een binnenvaartuig.

~deformeren:
een vaartuig uit een samenstel losmaken. Ook ontkoppelen genoemd.
Gerelateerde termen: opbreken, formeren.

~deico:
turbo woord voor deinigs-compensatie. Het gaat hier om een techniek die de spanning op de kopdraad van een sleepzuiger constant moet trachten te houden. Vermoedelijk alleen gebruikt op zuigers die in de zeegaten werkzaam zijn.
Genoemd in: Optimalisatie van het baggerproces door Bart van de Velden.


~deining:
trage lage golfslag. Op het binnenwater is er zelden deining. Alleen golven van schepen, die op grote afstand langs komen varen veroorzaken deining.

~deinzen:
1a> het schip, door de wind achteruit laten blazen.
b> met het schip door de wind achteruit geblazen worden. Ook als deizen of deisen, beiden vormen zijn verouderd, geschreven.
Dit komt ondermeer voor na een mislukte poging tot overstag gaan. Om vervolgens toch slaags te raken legt men het roer dwars achter het schip, maar dan tegengesteld aan de oorspronkelijke stand, want men vaart nu immers achteruit. Vandaar de uitdrukking Als het schip deinst, dan legt men het roer verkeerd aan boord. [Lijst: Uitdrukkingen e.d.]
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.


2> de weerkaatsing van de golven tegen de oever. Ook als deizen of deisen, beiden vormen zijn verouderd, geschreven.
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.


~deisen:
verouderde vorm van deinzen, door de wind achteruit drijven. Ook het weerkaatsen van golven.

~deizen:
verouderde vorm van deinzen, door de wind achteruit drijven. Ook het weerkaatsen van golven.

~dek:
1> uitwendig vast deel van een schip waarop gelopen KAN worden. Verkorting van scheepsdek. Soms ook als verdek betitelt. [Afbeeldingenmenu dekken]
Gerelateerde termen: voordek, achterdek, achterplecht, brugdek, buddeling, buikdenning, deken, dekstringerplaat, gangboord, heuning, hoofddek, klapmuts, klapmutsdeksel, laning, overloop, plecht, roefdek, sloependek, stelling, stringerplaat, stuurplecht, tussendek, vloering, vlonder, voorplecht, wafeldek, zolder, enz.
BEPLANKT DEK
: dek, van een willekeurig materiaal, dat met houten planken, dekdelen, bedekt is.
HOUTEN DEK
: dek van aaneengesloten houten planken, de dekdelen, die direct op de dekbalken e.d. bevestigd zijn.
Gerelateerde termen: daalder, dekdeel, droge naad stuk, grietje, hollijst, inlaat, karing, klamaai, lijfhout, scheerstok, vissingstuk, waterlijst, enz.

2> bij uitbreiding de gehele bovenkant van het schip.
DE DEKKEN SPOELEN
: tijdens het zeilen zo scheef gaan dat er vast water op het dek of in de gangboorden komt, of zo zwaar geladen zijn dat het water in het gangboord staat. [Afbeelding]
HET DEK TE WATER VAREN
: tijdens het zeilen zo scheef gaan dat er vast water op het dek of in de gangboorden komt.
DE DEKKEN LICHTEN
: het aanbrengen van kalffdekken.

3> D.E.K. afkorting voor Dortmund-eemskanaalschip.

~dekaak:
1> term die in verband met houten voorlopers van de latere Amsterdamse dekschuit opduikt. [Links: Diverse termen inzake dek- en zolderschuiten.]

2> in meetbrieven en de bijbehorende liggers gebruikte term voor een niet nader omschreven vaartuig.
De term dekaak, dekaakschip, zolderschuit, zolderbak en dekschuit komen in de liggers naast elkaar voor. Of het werkelijk verschillende vaartuigen zijn of dat de ene scheepsmeter de voorkeur geeft aan de ene dan wel de andere term, is niet bekend.
Vreemd genoeg treft men de term 'dekaak' het vaakst aan bij die vaartuigen die in Amsterdam gemeten zijn. De meer Amsterdamse term zolderschuit treft men, tegen de verwachting in, verspreid door het gehele land aan.



~dekaakschip:
waarschijnlijk synoniem met dekaak.
Gerelateerde term: motordekaakschip.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten. De benoeming van het scheepstype, de scheepssoort is soms sterk afhankelijk van de scheepsmeter en kan daardoor afwijken van hetgeen gebruikelijk is.


~dekbaard:
weinig gebruikte term voor, rond de kettingkluis, op het dek aangebrachte kluisring, een baard.

~dekbak:
mogelijk een elevatorbak, in dat geval ook als elevatordekbak omschreven. Het is echter ook mogelijk dat er een dekschuit, een ponton of ander aanverwant vaartuig mee bedoeld wordt.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten, Meetbrief A5435N, Meetbrief A9287N, en Kadasterkaart 470 B Haarl 1942,


~dekbalk:
dwarsscheepse balk of hoeklijn onder het dek. Ook dekband en vroeger zwalp genoemd. [Afbeelding.]
In het Vlaams spreekt men van plechtbalken en rekent men ze samen met andere dwarsscheepse balken tot de gebinten. Alleen de balken onder een paviljoendek schijnt men dan wel dekbalk te noemen. Bron: Maurice Kaak.


~dekband:
ongebruikelijke naam voor dekbalk.

~dekbeslag:
houten of metalen delen die tot de vaste uitrusting van het schip behoren en op of aan het dek, of onderdeel daarvan, bevestigd zijn.
In de meeste gevallen gaat het om metalen delen op een houten schip of ondergrond. De term is echter in de binnenvaart niet echt ingeburgerd.


~dekblok:
onbeweeglijk blok waarvan de schijf haaks op de ondergrond staat. [Afbeelding] Dekblokken worden vooral toegepast om draden of touwen te geleiden. Men treft ze voornamelijk op werkschepen aan.
Voor gerelateerde termen zie bij blok.

~dekboegband:
boegband die tevens steun geeft aan het dek.

~dekdeel:
een plank van een houten dek. Ook wel dekschroot of dekplank genoemd of verkort tot deel.
Bijvoorbeeld in: De delen van het dek die niet rot waren...., maar zoiets blijft natuurlijk voor tweeërlei uitleg vatbaar.


~dekdoorvoer:
op, in of onder een gat in het dek gemonteerde constructie die, een door het gat gaand touw, staaldraad, leiding of slang beschermt.

~dekdop:
1> In het dek aangebrachte bus, waarin een stop gedraaid wordt; een vuldop.
Dezen worden ondermeer gebruikt om de tanks te kunnen vullen.


2> een houten propje waarmee men gaten in het hout afdekt. Volgens ingewijden daalder geheten.

~deken:

1> de bovenkant van een visbun. Het dek naast de trog. [Afbeelding] Een visbun zonder deken was de bakka. Verder kent men termen als deek, bundeken en ook bundek.
Bij Waalschokkers ligt de rest van de kuipvloer gelijk met de bovenkant van de visbun en steekt alleen de buntrog er boven uit.


2> elk der delen waaruit de deken opgebouwd is.
In sommige gevallen noemt men men de delen die tegen de scheepshuid liggen de kantdelen (kantplanken, kantstukken). Ondermeer bij de Botter krijgt men vervolgens een deek/deken, dan een taps deel dat men geer noemt en vervolgens een deek/deken die tegen de trog aanligt. De stukjes aan voor en achterzijde van de trog noemt men kakstukken.

~dekenka:
een visbun met deken, dit ter onderscheid van de bakka.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.


~dekennaad:
naad tussen het lijfhout van de deken en het daar binnen liggend deel.

~dekenpoot:
stevige verticale knie, die als spant fungeert, en die op de deken geplaatst is.
O.a. voorkomend in: Peter Dorleijn, De bouwgeschiedenis van een botter. Uitgeverij van Wijnen 1999.


~Dekenpunter:
vermoedelijk slechts een minder gebruikelijke naam voor de Grote of Zeepunter en geen apart type. Een punter voor de visserij voorzien van een bun. Verwant aan deze Dekenpunter is de Kaarpunter. Het verschil tussen de Deken- en de Kaarpunter schijnt de positie van de bun (hier dus de ene keer kaar en de andere keer deken genoemd), waarbij er bij de Dekenpunter wel ruimte tussen de mastdoft en de bun schijnt te zitten, terwijl dat bij de Kaarpunter niet het geval is.
Bronnen: G.L. Berk, De Punter op blz. 43 e.v, en Sulziger Kroniek nr. 72, 2014.

Gerelateerde term: Zegenpunter.

~dekgang:
een strook van achter elkaar liggende dekdelen.
De term wordt zelden gebruikt.
Ondermeer te vinden in: Het stalen schip: een handboek over de samenstelling en het onderhoud van den scheepsromp. uitgave van Duwaer & Van Ginkel,1921. Via Delpher.


~dekglas:
een, in het dek aangebracht, rond of rechthoekig glas. [Afbeeldingen]. Soms ook (wat verwarrend) deklicht of lichtrand genoemd.
Oorspronkelijk waren dekglazen dikke rechthoekige stukken glas, die dusdanig in de dekdelen ingelaten werden dat de bovenkant gelijk lag met het dek. Later kreeg het glas aan de onderzijde een prismatische doorsnede waardoor het licht beter door de ruimte verspreid werd. Zie citroen en dekprisma.
Ook ging men, om lekkage en beschadiging te voorkomen, de naad aan de bovenzijde met dunne strippen staal, messing of koper afdekken.
Na de komst van de lichtranden gebruikte men in stalen dekken meestal van lichtranden afgeleide constructies bij wijze van dekglas. Het glas in deze lichtranden is, in afwijking van de normale lichtrand, zo dik dat de buitenzijde gelijk ligt met de bevestigingsring van de lichtrand. In veel gevallen wordt het glas alleen door zijn eigen gewicht en de stopverf of kit op zijn plaats gehouden. Slechts in een enkel geval is het glas aan de rand ingeslepen en wordt het met een extra ring vast gezet. Ook het glas van deze dekglazen is soms dusdanig gevormd dat het licht beter door de onderliggende ruimte verspreid wordt. Dit werd ondermeer bereikt met stervormige rillen, waardoor de bijnaam citroen(pers) ontstond. In verband met de kostprijs van dergelijke glazen ging men er bij breuk vaak toe over dik vlak glas te combineren met een tegen de binnenzijde aangebrachte 'kap' die het licht verdeeld. Als 'kap' werden onder andere vrij platte glazen lampenkappen, zoals van de Spitfire gebruikt.


~dekhoekijzer:
hoeklijn onder langs de den. Zie verder bij dekhoekstaal.

~dekhoekstaal:
hoeklijn langs de voet van de den. Ook dekhoekijzer genoemd.
Deze hoeklijn werd op veel schepen rood geschilderd. Met de komst van gelaste schepen verdween de hoeklijn, maar sommige schippers waren zo aan deze rode bies gehecht, dat ze hem bleven schilderen. [Tekening.]
Gerelateerde term: karveelhout.

~dekhoogte:
het niveau waarop het dek ligt.

~dekhout:
hout dat voor de dekken gebruikt wordt.
Gerelateerde term: dekdeel.

~dekhuis:
1> op het dek geplaatste opbouw van redelijke omvang. Zie ook dekhut.

2> door sommigen gebruikt voor een op het dek geplaatste, of slechts weinig verzonken, roef van flinke afmetingen.

~dekhuisverf:
vermoedelijk gebruikt voor lichtgekleurde verven op basis van gebleekte lijnolie.
De term komt voor in een advertentie uit 1916 van verffabriek Premier Dordrecht.


~dekhut:
1> op het dek geplaatste opbouw geschikt om personen tot verblijf te dienen. In de meeste gevallen zijn dekhutten niet erg groot, het meest zijn ze te vinden op werkschepen. Er zijn echter ook enkele gevallen waarin men twijfelt tussen de term (voor)roef of theehut enerzijds en dekhut anderzijds, in een dergelijk geval gebruiken sommigen de term dekhuis. [Afbeelding] Verwante termen: salonroef, kot, durk, theehut, dekhut, salon, dekroef, paviljoen.

2> op passagiersschepen: kleine (zit-)slaapkamer, een hut, die op het hoofddek gelegen is.

~dekindeling:
1> de wijze waarop de dekken, op een schip met meerdere dekken, ten opzichte van elkaar liggen.

2> de wijze waarop de vaste delen, die op het dek staan of die door het dek steken, geplaatst zijn.
De tekening die de dekindeling weergeeft noemt men het dekplan.

~dekinventaris:
alle spullen die zich aan dek bevinden of daar behoren te zijn.

~dekken:
1> van dekken en/of gangboorden voorzien.
GEDEKTE BOOT
: een boot (dus eigenlijk een geheel open vaartuig) dat grotendeels van een dek voorzien is.
HALF-GEDEKTE BOOT
: een boot, die gedeeltelijk, meestal het gedeelte voor de mast, van een dek voorzien is.

2> van een dak voorzien.
GEDEKTE KUIP
: een kuip met een dak er boven. Een gedekte kuip bezit meestal tevens een stuurstand.
GEDEKTE STUURSTAND
: een stuurstand met een dak er boven.

3> van een luikenkap voorzien. Zie ook overdekt.
OPEN DEKKEN
: de luikenkap open leggen.
DICHT DEKKEN
: de luikenkap open leggen.
Bron: open/dicht dekken: kustvaartforum.com


~dekkenverf:
verf die men voor de dekken (waar op men loopt) gebruikt. Zie verder bij dekverf.

~dekkleed:
katoenen of kunststoffen kleed om lading of de luikenkap af te dekken. Zie verder bij dekzeil.

~dekkledenverhuur:
bedrijf dat dekzeilen verhuurt. De term 'dekzeil(en)verhuur' ben ik tot op heden nog niet tegen gekomen; wel dekkleedverhuur.
Het verhuur van dekzeilen was vroeger een vrij gebruikelijke aangelegenheid. Er werd niet alleen aan schippers verhuurd; er werd namelijk overal en nergens, ook veel gewoon op de wal, niet alleen op kades, maar ook op bedrijfsterreinen e.d., opgeslagen.
Bekende verhuurders waren Kwint te Rotterdam, Groningen, Leeuwarden...., Waterborg: Amsterdam, Groningen,...., Bingham / van Vollenhove: Rotterdam, Amsterdam,....


~dekkluis:
pijp in het dek waardoor de ankerketting naar het ankerkluisgat gaat. Zie verder bij kettingkluis.

~dekknecht:
bemanningslid dat voornamelijk aan dek werkzaam is. Tegenwoordig vaak met matroos aangeduid. Zie ook schippersknecht.
In de binnenvaart vond men 'dekknechten' voornamelijk aan boord van de raderstoomboten, radersleepboten en dergelijken.


~dekknie:
min of meer driehoekige metalen plaat tussen scheepshuid of spant en een dekbalk. Zie ook bij knie! [Afbeeldingen, meer.....]

b> zware houten klos tussen de scheepshuid en het dek, gangboord of dekbalk.

~deklading:
lading, die op het dek vervoerd wordt, dus zoals bij dekschuiten en pontons. Ook opperlast genoemd. Vaak verward met deklast.
Vrij weinig gebruikte term. [Afbeeldingen] [Verhaal deklasten stro en vlas.]
Op gewone vrachtschepen kwam het vroeger geregeld voor dat deklast en deklading gecombineerd werden. Daardoor is een duidelijk onderscheid moeilijk te maken. Bovendien betekenen beide woorden eigenlijk hetzelfde: last is immers lading.


~deklager:
bovenste lager van de roerkoning bij een doorgestoken roer. Soms ook een ander op of vlak boven het dek geplaatst lager. Bijvoorbeeld een dekpot.
Bron en tekening: A. Spruijt, Samenstelling en Onderhoud van Binnenvaartschepen, div. drukken. Uitg. Born, Assen.


~deklangsbalk:
weinig gebruikt synoniem voor dekstringer of dekweger.

~deklast:
1> het gedeelte van een normale lading, dat niet onder de luikenkap van een vrachtschip past. Ook bovenlast, opperlast of wat minder juist deklading genoemd. [Afbeeldingen deklast.] [Tekst deklast-deklading.]
Op gewone vrachtschepen kwam het vroeger geregeld voor dat deklast en deklading gecombineerd werden. Daardoor is een duidelijk onderscheid moeilijk te maken, bovendien betekenen beide woorden ook hetzelfde: last is immers lading. De term bovenlast is in feite een betere benaming, maar het woord is vrijwel in onbruik geraakt. Vooral in officiële teksten wil men de term deklast echter vaak reserveren voor lading die op dek en luiken gestuwd is, en bovenlast voor het uitbouwen van de lading boven de den uit.
[Verhaal: Varen met stro.]

EEN DEKLAST ZETTEN
: een deel van de lading boven de bovenrand van de den moeten laden.
Wanneer grote voorwerpen, of containers, of in bergen gestort zand, grind, enz. boven de den uitsteken, wordt dat geen deklast genoemd.

Gerelateerde termen: boekser, dekkleed, deklastkleed, deklastschot, deklaststut, helmstokbeugel, hogelast, kantkleed, kraam, lastketting, lasttakel, loefgang, loegen, loeggang, mastbeugel, mastspoor, potkast, spoorkleed, steekleer, stuurstelling, zomerroef, enz.

2> geregeld gebruikt als synoniem voor deklading.

~deklasthaak:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk een haak waarmee de deklast/deklading gesjord kan worden, mogelijk gecombineerd met een spanschroef en/of pelikaanhaak/sliphaak.

~deklastschot:
aantal aan elkaar geklampte planken (soms afgedankte of blinde luiken), die gebruikt worden om, met behulp van deklaststutten, de den te verhogen, wanneer men een deklast moet zetten. Ook bietenschot genoemd. De zo gevormde ruimte noemen sommigen een kraam. [Tekst: Deklasten en dekladingen.]
Het was de gewoonte zo veel mogelijk de eigen luiken als deklastschot te gebruiken.


~deklaststut:
stevige stalen constructie, die over de bovenrand van de den geschoven kan worden en waartussen men vervolgens luiken of deklastschotten plaatst. In het spraakgebruik vaak verkort tot stut en lokaal ook wel stiep genoemd.
Bij het bietenvaren sprak men gewoonlijk van een peestut.
Afbeeldingen bietenvaren.

~deklastvergoeding:
toeslag die men krijgt wanneer men in daghuur vaart en een deklast moet zetten.

~deklat:
door G.J. Schutten verklaard met: "lat die bovenop de bovenste gang is gespijkerd om deze te beschermen of om een verticale naad af te dekken, zie schandeksel".
Verder heb ik deze term niet in relatie met de binnenvaart aangetroffen.


~deklegger:
ongebruikelijke naam voor dekbalk.

~deklicht:
1> lamp, die het dek verlicht.

2> in het dek aangebracht glas. Een dekglas.

3> op het dek geplaatste constructie waardoor in de ruimte daaronder licht kan toetreden. Ongebruikelijk synoniem voor hemellicht/koekoek.

~deklichter:
niet bekend. Vermoedelijk een soort dekschuit.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten.


~deklichtkleed:
een pasgemaakt kleedje voor de koekoek waarmee men deze spatwaterdicht kan afdekken.
Ondermeer aangetroffen op schifffahrtslexikon.de


~deklijn:
lijn, die in het lijnenplan het verloop van het dek aangeeft. [Afbeelding]

~dekluik:
houten of stalen, meestal scharnierende, vlakke, afdichting van een opening in het dek. Ook deksel genoemd. [Afbeelding]

~dekmatje:
spiraalsgewijs, plat op het dek gelegd, opgeschoten touw. [Afbeelding]
Deze wijze van touw opklaren moet afgeraden worden. Onder en tussen het touw wordt te veel vuil en vocht vastgehouden


~dekmotor:
op het dek geplaatste motor. [Afbeelding] Ze zijn te onderscheiden in motoren voor de voortstuwing, meestal hoofdmotor genoemd en motoren voor hulpwerktuigen, zoals een ankerliermotor, hijsmotor, pompmotor, aggregaatmotor.
Verbrandingsmotoren die als dekmotor gebruikt worden, worden meestal door een motorkast of kist tegen weersinvloeden beschermd.


~deknaad:
willekeurige naad in het dek.
Dit kan dus zowel een lasnaad, als een klinknaad, als een naad tussen twee dekdelen zijn.


~dekoog:
op het dek bevestigde vaste of beweeglijke ring, waaraan zaken bevestigd kunnen worden.

~dekopbouw:
opbouw die, niet verzonken, maar bovenop het dek geplaatst is.

~dekopening:
opening in het dek, meestal een luikopening.

~dekplaat:
1> een der platen waaruit een stalen dek bestaat.
Gerelateerde term: kantplaat.

2> op het dek bevestigde stalen plaat, waar een onderdeel aan bevestigd of op geplaatst is.
Gerelateerde termen: dekoog, oogplaat.

~dekplan:
tekening behorend tot het lijnenplan, waarop de indeling van het dek weergegeven is.

~dekplank:
1> elk der planken waaruit het dek bestaat. 'Lekenterm' voor een dekdeel.

2> plank vaak voorzien van dwarslatjes onder het helmhout, dat de stuurman bij het bediening van het roer meer grip op het dek moet geven. Lekenterm voor een stuurplank.

3> Vlaams voor gangboord.
Op sommige Vlaamse scheepstypes verdeeld in de buitendekplank en de binnendekplank. Zie ook bij gangboord.
Bron: Maurice Kaak, Vlaamse en Brabantse Binnenschepen uit de 18de en 19de eeuw, Gent 2010.


~dekponton:
ponton met een geheel gesloten dek, hetgeen zeer gebruikelijk is bij een ponton.
Deze ongebruikelijke term werd aangetroffen in de liggers van de scheepsmeetdienst.


~dekpoort:
gat in het dek waardoor de mast steekt. Gewoonlijk mastgat genoemd.
De omschrijving heeft betrekking op de (Waal)schokkers in de riviervisserij.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.


~dekpot:
1> deklager van de roerkoning of mogelijk ook alleen het metalen gedeelte daarvan waarin de pokhouten lagerdelen hun plaats vonden.
Bron, tekening: A. Spruijt Samenstelling en Onderhoud van Binnenvaartschepen, div. drukken. Uitg. Born, Assen.


2> willekeurige op of in het dek geplaatste pot.
Gerelateerde term: davitpot.

~dekprisma:
in het dek gemonteerd rechthoekig stuk glas, dat het daglicht in de onderliggende ruimte verspreid. In 'De bouwgeschiedenis van een botter' door Peter Dorleijn uit 1999 wordt het een patentglas genoemd. Zie verder bij dekglas. Tegenwoordig wordt de term dekprisma ook voor andere prismatische dekglazen gebruikt. Afbeeldingen.


~dekrand:
de buitengrens van een dek.

~dekrandhoekijzer:
hoeklijn langs de rand van het vaartuig: het bestekhoekstaal.
Bron: P. Versnel Vakwoordenboek
.

~dekring:
eventueel met behulp van een dekplaat of oogbout aan het dek bevestigde ring.
Gerelateerde term: oogplaat.

~dekroef:
1> vrij onbekende Friese term voor een roef die niet verheven is, dus niet boven de luikenkap uitsteekt.
Bron: Skipperstaal, Jansma en Kuipers online via Skutsjehistorie.


2> roef die niet verzonken is, dus waarvan de vloer op het dek rust.
Ondermeer genoemd in: Schuttevaer 27-06-1914. Via Delpher.


~dekronding:
1> dwarsscheepse bolling van een dek. Ook bekend als dekrondte.

2> volgens P. Versnel's Vakwoordenboek ook een ander woord voor zeeg.
Vermoedelijk een fout van de samensteller.


~dekrondte:
de 'bolling' (dwarsscheeps) van het dek. Zie verder bij dekronding.

~dekruimte:
de oppervlakte van dekken en aansluitende gangboorden, soms echter wordt de oppervlakte van de gangboorden buiten beschouwing gelaten.

~deksalon:
op passagiersschepen: een salon, die niet of nauwelijks verzonken is.

~dekschip:
1> een vrachtschip met een ruim, maar zonder roef, paviljoen of andere boven het dek uitstekende, voor bewoning geschikte, opbouwen.

2> vaartuig met een geheel gesloten dek. Moderne dekschepen worden, als ze een rechthoekige vorm hebben, pontonschepen genoemd.

3> ander woord voor dekschuit.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten.


~dekschoor:
soort pilaartje onder een dek of dekbalk. Zie ook dekstijl.

~dekschroot:
een plank van het dek (m.u.v. de lijfhouten en kantdelen). Beter bekend als dekdeel.
Bron: Scheepsbouw; G. J. van der Werff, Hoogezand, weekblad Schuttevaer 27 november 1937.


~dekschuit:
1a> algemene term voor een vaartuig, zonder mechanische voortstuwing en zonder tuigage, met een, van voor- tot achtersteven, gesloten dek, dat gelijk met de bovenzijde van de romp ligt. [Afbeelding] Vaak ook zolderschuit genoemd.
De bekendste dekschuiten zijn de Amsterdamse dekschuit en de Motordekschuit.
Gerelateerde termen: Amsterdamse lichter, boomschuit, bakdekaak, bakschuit, dekaak, kipbak, kolenbord, pont, vlotschuit, vuilschuit, zolderbak, beundekschuit(?).
b> algemene term voor dekschuiten met het Amsterdamse model, die geen geheel gesloten dek hebben. Het gaat hierbij meestal om diverse soorten bakschuiten en werkschuiten met een lage opbouw.
De gebruikers van de term in deze betekenis noemen een dekschuit met een gesloten dek: een zolderschuit.


2> in sommige kringen, buiten in de hiervoor genoemde gevallen, ook gebruikt voor wat ook een zelfvarend ponton of een pontonschip genoemd wordt.

~dekschuitenbouwer:
werf of persoon, die voornamelijk dekschuiten en aanverwante vaartuigen bouwt. Ook dekschuitenwerf, scheepsbouwer of schuitenmaker genoemd.

~dekschuitenverhuur:
1> activiteit: het, tegen betaling, uitlenen van dekschuiten.

2> instelling: bedrijf dat dekschuiten, tegen betaling, uitleent. Ook dekschuitenverhuurderij genoemd.

~dekschuitenverhuurderij:
bedrijf dat dekschuiten tegen betaling uitleent.
Naamlijst voor den interlocalen telefoondienst 1931 via Delpher


~dekschuitenwerf:
werf die voornamelijk dekschuiten en aanverwante vaartuigen bouwt en repareert. Zie ook dekschuitenbouwer.

~dekschuithuur:
het bedrag dat men voor het huren van een dekschuit moet betalen.

~dekschuitnummer:
kenmerk dat bepaalde vaartuigen in een bepaalde periode dienden te voeren en dat grotendeels uit cijfers bestond.
Voordat er voor vaartuigen (boven een bepaalde grootte) een landelijke verplichting tot het voeren van een herkenningsteken (bijv. een naam of kenteken) bestond, waren dusdanige verplichtingen een plaatselijke aangelegenheid (meestal in de vorm van een verordening). Zo waren in Amsterdam vaartuigen zoals dekschuiten volgens een Algemene Politie Verordening tot het voeren van een nummer verplicht. Deze verplichting bestond vanaf september 1888 (Gemeenteblad 1888, afdeling 3, nummer 43) tot circa 1925. In dat laatste jaar werden, voor zover bekend de hoogste nummers (tot 7918) toegekend. Mogelijk dat de invoering van een nieuwe wet in zake de teboekstelling (eind 1924, stb 573) daar invloed op gehad heeft. Later aangebrachte of hogere nummers behoren misschien niet tot de officieel toegekende serie.
De term dekschuitnummer is echter slechts in beperkte kring in gebruik.

Gerelateerde term: Delflandnummer.

~deksel:
vlak of bijna vlak, luik dat een opening in een horizontaal vlak afdekt. Zie bij klapluik.

~dekslof:
schoeisel. Bepaalde muilvormige instapper van oliebestendig kunststof. Ze stonden onder andere bekend onder de merknaam Dumanex.

~deksloof:
balk bovenaan een houten beschoeiing. Zie verder bij sloof.

~deksman:
officiële kwalificatie voor een, voor de binnenvaart ongeschoolde, hulp aan boord. Deze hulp dient tenminste 16 jaar oud te zijn. In de binnenvaart een vrij nieuwe (1980?) term. Vroeger sprak men gewoon van 'een jongen' of van een knecht.
Gerelateerde termen: lichtmatroos, matroos, volmatroos, matroos-motordrijver, stuurman, machinist, schipper.

~dekspijker:
spijker met een vrij kleine kop waarmede dekdelen op houten dekbalken vastgezet worden. Acht-en-een-half tot vijftien centimeter lang en onder de kop 7 tot 13 millimeter dik. De grootste maten werden voornamelijk in de zeevaart gebruikt.
Bron: Handleiding tot de Kennis van het Schip. Met platen. Door G. P. J. Mossel 1859.


~deksprong:
1> (object) de overgang tussen twee dekken, die op verschillend niveau liggen.

2> (maat) het hoogteverschil tussen twee aangrenzende dekken.

~deksteun:
soort pilaartje onder een dek of dekbalk. Zie ook dekstijl.

~dekstijl:
een verticaal geplaatste balk dan wel een staalprofiel (bijv. een buis) die een dek of dekbalk steunt. Ook dekstut, deksteun en dekschoor genoemd.
Ondermeer toegepast onder de dekken van passagiersschepen en dekschuiten.
Vermeld in: Geïllustreerd woordenboek der Nederlandsche taal, R.K. Kuipers, Elsevier,1901. Via Delpher.


~dekstoel:
1> op het dek geplaatste steun- of scharnierpunt.

2> zitplaats welke door personen, die op het dek zijn, gebruikt kan worden.

~dekstopper:
1> in de binnenvaart: soort stalen handspaak, variabel van afmetingen, waarmee men een spaakmoer los of vast kan draaien.
Er bestaan verschillende uitvoeringen;
- aan de ene zijde een rechthoekige bus, aan de andere zijde een soort handgreep.
- aan de ene zijde een rechthoekige bus, aan de andere zijde een rechthoekige of ronde pen, die in de gaten van de spaakmoer past. [Afbeelding]
- aan de ene zijde een rechthoekige of ronde pen, die in de gaten van de spaakmoer past, aan de andere zijde een soort handgreep. Ook handspaak genoemd.
- aan beide zijdes een pen, rechthoekig of rond, soms aan de ene zijde, van de steel, rond aan de andere zijde rechthoekig, vaak met één van de pennen onder een hoek van ca. 45 t.o.v. de steel. [Afbeelding] Indien beide pennen in lijn met de steel liggen, kan men het ook een handspaak noemen.
Van de drie hier genoemde betekenissen is dit de meest gebruikte; het is echter, in mijn ogen de minst correcte. De handspaak heeft namelijk weinig met het dek en het stoppen van de ankerketting te maken.


2> in de kettingpijp aangebrachte 'grendel' waarmee men de ankerketting vastzet. Voorgaande handspaak ontleent zijn naam waarschijnlijk aan deze toepasselijke benaming van deze kettinggrendel. Lees de toelichting aldaar.

3> in de zeevaart: touw, ketting, grendel of klem waarmee men de ankerketting of een tros tussen een lier of spil en een kluis vastgezet kan worden. Voor zover mij bekend, wordt de term in de binnenvaart weinig gebruikt. [Afbeelding]
Om verwarring met de tweede betekenis zoveel mogelijk te voorkomen is het misschien raadzaam de term boegstopper te gebruiken, want ook de term kettingstopper die door sommigen gebruikt wordt, kan tot verwarring lijden.



~dekstringer:
langsscheepse stalen versteviging onder of op het dek. Ongebruikelijk is de term deklangsbalk.

~dekstringerhoekijzer:
vaak gebruikt als synoniem voor dekstringerhoekstaal:

~dekstringerhoekstaal:
stalen, langsscheepse hoeklijn, in de hoek tussen scheepshuid en dek. Kan zowel onder- als bovendeks [afbeelding] aangebracht zijn. Ook bekend als dekstringerhoekijzer, dekstringer en soms als bestekhoekstaal. [tekeningen]

~dekstringerplaat:
de horizontale staalplaat waaraan de dekstringer zit. Bij binnenvaartschepen zal dat dus vaak het gangboord zijn.
Bron: Technisch vademecum. Stam,1940. Via Delpher.


~dekstut:
verticale buis of balk, waarmee een bovenliggend dek gesteund wordt. Ook dekstijl genoemd en soms ingekort tot niet meer dan stut.

~dektankschip:
beetje ongebruikelijke term voor een dekschuit die tevens een tankschip is.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten.


~dektjalk:
tjalk zonder statie, roef of paviljoen.

~dekuitrusting:
volgens sommigen: alles wat zich vast of los aan dek bevindt of kan bevinden, volgens anderen alleen de losse zaken, die gewoonlijk aan dek worden gebruikt. Zie ook dekinventaris.

~dekverloop:
schuinte, dekrondte, deksprong en zeeg van een dek.

~dekverf:
verf die gebruikt wordt om de dekken (waarop gelopen wordt) te schilderen. Ook wel geschreven als dekkenverf en soms in de vorm van antislipverf.

~dekwaskwast:
soort stokkwast, met een kop van 70mm doorsnede, die gebruikt werd voor het boenen van lastige hoekjes. Door sommigen ook boenkop genoemd.
Bron: overlevering via kustvaartforum.com.


~dekwasleiding:
stalen pijpleiding, ca. 3,5 à 5 cm in doorsnede, waardoor buitenwater, om de dekken te spoelen, gepompt kan worden. Vaak tegen de buitenzijde van de den aangebracht. [nr.6 in afbeelding]

~dekwaspomp:
pomp waarmee buitenwater, om het schip mee schoon te spoelen, opgepompt wordt.
Men maakt tegenwoordig gebruik van benedendeks vastopgestelde door de hulpmotor aangedreven pompen. Vooral in de beginjaren van dit comfort, daarvoor deed met alles nog met de puts, waren echter losse verplaatsbare motorpompjes populair. Een bekende combinatie was de Storkpomp met een kleine benzinemotor als van Briggs and Stratton of Bernard.


~dekwaspompleiding:
leiding verbonden met de dekwaspomp waardoor buitenwater stroomt.

~dekwassen:
het, met buitenwater, afspoelen van het schip. Daarom ook wel aangeduid met spoelen.
Gerelateerde termen: ankerluiwagen, dauwspoelen, dekwaskwast, spieborstel, roefborstel, dekwasleiding, dekwasslang, dekwaspomp en dekwaswater.

~dekwasslang:
slang aangesloten op de dekwaspomp of dekwasleiding, waarmee men de dekken spoelt. [nr.4 in afbeelding]

~dekwaswater:
het water waarmee men de dekken schoon spoelt. In het bijzonder het water dat een dekwaspomp oppompt, dus geen putswater. Ook wel spoelwater genoemd.

~dekweger:
1> langsscheepse houten dekbalk. Ook wel deklangsbalk genoemd.

2> langsscheepse balk waarop de uiteinden van de dekbalken rusten. Ook bekend als draam.
De dekweger is net als de kimweger vaak wat dikker dan de rest van de wegering; men noemt ze daarom balkwegers.


~dekwegering:
1> houten afscherming, een wegering, tegen de onderzijde van het dek. Deze wegering kwam bijvoorbeeld bij stalen aardappelschepen voor.

2> de bovenste, vaak dikkere, en niet uitneembare, houten plank van de wegering. Eigenlijk dekweger geheten.
Gerelateerde term: bandweger.

~dekwerktuig:
aan dek opgesteld mechanisch werktuig; bijvoorbeeld een lier.

~dekzeeg:
de algemene langsscheepse lijn, de zeeg, van het dek.
De zeeg van het dek kan afwijken van de zeeg van het berghout of van die van het bovenboord.


~dekzeil:
katoenen of kunststoffen kleed, meestal langs de randen voorzien van, met zeilkousen versterkte, gaten, o.a. bedoeld om de lading of de luikenkap af te dekken.
Ook dekkleed of simpel weg kleed dan wel afdekzeil genoemd. Vroeger sprak men (vooral in de zeevaart) nog al eens van presenning.
gerelateerde termen: dekkledenverhuur, buiskleed, gonjekleed, kantkleed, kledenpap, reddingkleed, schalken, enz.
DEKKLEDEN VERZEKERING
: onder schippers gebruikte aanduiding voor een verzekeringsmaatschappij, die niet in het verzekeren van schepen gespecialiseerd of geen onderlinge is.
Naar men zegt spreekt men in deze gevallen van een dekkledenverzekering omdat dit soort bedrijven wel vrij vlot zouden zijn met het uitbetalen van kleine schades, maar bij grote schades gauw 'moeilijk gaan doen'.


~dekzeilrand:
tegen de den geklonken of gelaste rand, waarop de dekzeilen vastgezet kunnen worden. Afhankelijk van de uitvoering ook bulb of bulbijzer, denneboomhoekijzer of denneboomhoekstaal, dan wel keggenbank genoemd.
Behalve deze functie heeft deze rand tevens tot doel de stijfheid van de den te vergroten.


~dekzerk:
aan de bovenkant van sluiswanden aangebrachte afdekking. Deze dekzerk is bij gemetselde sluiswanden vaak van natuursteen. Opdat de trossen niet te veel schavielen is de zerk aan de sluiszijde afgerond. In plaats van dekzerken worden bij kleine sluizen ook wel rollagen toegepast.
Bij betonnen sluizen wordt ook beton als dekzerk gebruikt. De rand aan de sluiszijde is dan vaak met een stalen halfronde dekzerk afgewerkt.
[Links: Diverse termen inzake sluizen en stuwen.]

~dekzwabber:
ongebruikelijke term voor een stokdweil.

~del:
1> soort zeewier in de Zeeuwse wateren.

2> door uitslijting ontstane kuil. Vaak van toepassing op kuilen in het zaat.
Verouderde term, mogelijk in het zuidelijk taalgebied nog in gebruik.
Ondermeer te vinden in: de Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.


~delf:
gegraven (bevaarbaar) water. Zie ook delte. Tegenwoordig meestal een vaart genoemd.
De term vind men vrijwel alleen in plaatsnamen terug. In Delfzijl bijv.


~delflandnummer:
kenmerk bestaande uit de combinatie van de letters 'DL' gevolgd door een nummer, dat elk motorvaartuig in het daartoe bepaalde gebied van het Hoogheemraadschap Delfland zichtbaar op het schip moest voeren.
Het nummer had een relatie met de vergunning die men voor het bevaren van de wateren van het Westland nodig had. De periode waarin deze regeling van kracht is geweest is mij nog niet bekend. Bron: oudhonselersdijknaaldwijk.nl


~DELFTship®:
tekenprogramma voor de computer waarmee men op vrij eenvoudige wijze rompvormen kan tekenen, waarop dan door het programma allerhande hydrostatische berekeningen uitgevoerd kunnen worden.
Het tekenprogramma lijkt voornamelijk ontworpen te zijn om een voorwerp te maken, waarop berekeningen uitgevoerd kunnen worden. Het programma is daardoor niet of slechts ten dele geschikt om allerhande constructiedetails uit te tekenen. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat ik alleen ervaring heb met de gratis versie van dit programma uit 2011.


~delte:
een kleine vaart, een sloot.

~demonstratieschip:
vaartuig, gebouwd, verbouwd, of ingericht om een zeker nieuw product te kunnen demonstreren.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten.


~demonstratievaartuig:
vaartuig, gebouwd, verbouwd, of ingericht om een zeker nieuw product te kunnen demonstreren. Gerelateerde term: reclameschip.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten.


~dempsel:
in een beperkte kring gebruikte term voor een stempel om een lekkage te dichten.

~den:
1> boven het dek uitstekende wand van het ruim. Soms ook denneboom, rijswaring, rijswaarden en luikenhoofd genoemd. Niet te verwarren met denning.
De term geldt ook voor de 16de eeuwse schepen, waar de den rond stond en samen met eventuele luiken een soort van huif over het ruim vormde.
In sommige oude geschriften lijkt het woord DEN vrij veel omvattend. Het valt echter altijd terug te voeren naar de bovenopening van het ruim of de afdekking daarvan, dan wel naar ondersteunende balkjes.


ROEF AAN DE DEN
:
een roef, die direct achter de luikenkap begint.
De standaard roef op (bijna) alle schepen (met uitzondering van de klipper), die oorspronkelijk als zeilschip gebouwd zijn.
HOGE DEN
: rekbaar begrip. Voor ca. 1930 een den, die duidelijk boven de potdeksel of settelboorden uitstak, later een den met een hoogte van ca. 1m. of meer.
VERHOOGDE DEN
: den, die door het aanklinken of oplassen van een strook staal, hoger gemaakt is.

2> zware balk of staalprofiel, o.a. bij het bergen van schepen gebruikt.

3> zware balk als fundatie voor een helling.

4> in oude geschriften soms verklaard met:
- het ruim van een schip.
- het dek waar dit boven het ruim van het schip ligt.
- een luikenkap luik (een kapluik)
- een scheerbalk, gebint of merkel (dat is me niet duidelijk)
Mogelijk zijn er door de oude vorm van de den waar er met brede dakpansgewijs gelegde planken een ronde huif van boord tot boord over het ruim gevormd werd, enige misverstanden ontstaan. Ook kleine schuitjes werden soms van boord tot boord met dwarsgelegde brede planken, als een soort van plat dak, gedekt.
- Bronnen: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org. Waar genoemd zijn voor ruim: Het Recht der stad Reimerswaal 1363-1585, | voor dek e.d.: N. Witsen, N. Aeloude en hedendaegsche Scheeps-bouw en bestier 1671, | voor luikenkap e.d.: D. Erasmus, Colloquia Familiaria of Gemeensame t'samen-spraken 1644, | voor scheerbalk, bint e.d.: Idioticon van het Antwerpsch Dialect door P.J. Cornelissen en J.B. Vervliet.


~Denderpleit:
scheepstype, dat verwant is aan een Pleit. Het zijn echter echte platbodems met hoekige kimmen en voorzien van leesten.
Bron: Maurice Kaak, Vlaamse en Brabantse Binnenschepen.
Om ook bij hoogwater onder het schot van de sluis bij Liederkerke te kunnen, waren deze schepen niet alleen de roerkop, maar ook een deel van de statie, de keete, en een deel van de steven, de ezel, wegneembaar.
Men zegt dat ze ook bovenschepen of bovenpleiten genoemd werden, dit om dat ze het stroomgebied van de bovenschelde en haar zijtakken bevoeren. Anderen stellen echter dat ze regelmatig op de Rijn voeren en daarom bovenschepen heten.


~Denderschip:
schip dat geschikt is om de Dender te bevaren dat houdt in dat ze de sluis te Liedekerke moesten kunnen passeren. Ondanks het feit dat het om een sluis met een forse kolk gaat wordt de scheepsbreedte door de krappe in- en uitvaart tot circa 3,7 meter, later circa 3,95 meter beperkt. Ook de hoogte is door de toepassing van hefdeuren sterk beperkt. Halverwege de negentiende eeuw lijkt het knelpunt in de vaarweg zich verplaatst te hebben naar de oude sluis te Geraardsbergen die geen grotere breedte toelaat dan 4,25 meter. Rond 1880 wordt het gebied voor schepen met spitsenmaat bereikbaar. Behalve de Denderpleit zijn mij geen andere types, die naar de Dender genoemd zijn, bekend.

~dendeur:
oud Nederlands (17de eeuws) voor het deurtje tussen het ruim (den) en het vooronder. Later bekend als dievendeurtje.
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org. Niet kunnen achterhalen waar de term echt vandaan komt. Ook genoemd in: Waasch idioticon, Amaat Joos, Siffer [etc.],1900. via Delpher.


~Denemarkenvaarder:
modern motorvrachtschip dat gebouwd is om de grote binnenwateren te bevaren, maar tevens voldoet aan de eisen voor de vaart naar Denemarken. Zie ook Hamburgvaarder en binnen-buitenvaarder genoemd.
Volgens het Loodsplichtbesluit 1995 was een Denenmarkervaarder een schip van maximaal 80 meter, 1600 ton bruto inhoud en een motorvermogen van maximaal 1500 pk. Een binnen-buitenschip is volgens hetzelfde besluit maximaal 110 meter.


~denneboom:
1> de opstaande wanden rond het ruim. De den, inclusief de luikenhoofden. Ook geschreven als dennenboom.

2> het geheel van denneboom, scheerbalk en merkels. Ook geschreven als dennenboom.

~denneboomhoekijzer:
ongebruikelijke naam voor dekzeilrand, bulb.

~denneboomplaat:
onvoldoende bekend. Mogelijk de dubbeling bovenlangs de den, mogelijk de stofplaat, mogelijk echter de gehele staalplaat die de den vormt.

~denneboomhoekstaal:
ongebruikelijke naam voor dekzeilrand, bulb.

~dennen:
volgens Mr. J. van Lennep Zeemanswoordenboek 1856 het dek op binnenvaartschepen.
Vermoedelijk gaat het om een afwijkende schrijfwijze van denning.


~denning:,
1> vloer of vlonder op de bodem van een open boot. Ook delling of dennen genoemd.

2> oud Nederlandse vorm en/of verkorting van buikdenning. Ook delling genoemd.

3> oud Nederlands voor het dek van het schip. (Eigenlijk elke houten vloer, die ergens boven ligt (ook een zoldervloer). Ook dennen genoemd.
Delling is mogelijk een streekgebonden 'verbastering' van denning.

Bronnen: ondermeer de Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org. en Mr. J. van Lennep Zeemanswoordenboek 1856


~denschild:
boven het dek uitstekende, dwarsscheepse, begrenzing van het ruim, waarop de luikenkap rust. Meestal wordt dit echter een ruimschild en soms luikenhoofd genoemd.

~densimeter:
toestel om de soortelijke massa van vloeistoffen te bepalen. Ook wel een hydrometer genoemd. Voor ketelwater van stoominstallaties gebruikt men echter een salino meter.
Behalve de overbekende accuzuurweger had men vroeger, toen men nog geregeld het gewicht van de lading door het opnemen van de ijken bepaalde, ook een toestel aan boord voor het bepalen van de soortelijke massa van het buitenwater. Het was niet meer dan een soort dobber, die men in een puts met buitenwater liet drijven, waarna op de pen de vermenigvuldigings factor af te lezen was. Door deze factor toe te passen op de centimeterlijst kon men vrij adequaat het gewicht der lading bepalen.


~denstringer:
langsscheepse versteviging van de den. Meestal uitwendig aangebracht. Vroeger vaak tevens dekzeilrand, tegenwoordig vaak ook loopbaan voor de schuifluiken.

~denstrop:
tot denstut omgezette dekbalk. Zie verder bij denstut.
Bron: kustvaartforum.com.


~denstut:
verticale versteviging van de den.
UITWENDIGE DENSTUT
: denstut tegen de buitenzijde van de den.
INWENDIGE DENSTUT
: soort verticale verlenging van de dekbalken, die onder het gangboord liggen, tegen de binnenzijde van de den. Ook wel denstrop, stropknie of strop genoemd.

~denverhoging:
1> strook waarmee een reeds bestaande den verhoogd is.

2> het resultaat van het verhogen van de den, hetzij door bovenlangs een extra strook staal aan te brengen, hetzij door het vervangen van de complete den door een nieuwe, hogere den.

~depotbevoorading:
het aanvoeren van brandstoffen naar de verschillende brandstofdepots.

~depottankschip:
een tankschip waarin men tijdelijk brandstofvoorraden bewaard.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten.


~depotwerk:
het varen met een tanker, die tot taak heeft de verschillende distributiecentra in ons land te bevoorraden.

~derdehand:
1> verkorte vorm van derdehandtakel.

2> eenvoudig, meestal zelfgemaakt stuk 'gereedschap', dat moet voorkomen dat men voor het uitvoeren van een bepaalde arbeid een extra persoon, een derde hand, nodig heeft.
De term wordt in diverse beroepen voor uiteenlopende zaken gebruikt en is dus geen specifieke binnenvaartterm.


~derdehandtakel:
1> een derdelasttakel bestaande uit twee blokken. Het lastblok met één schijf, hondsvot en haak en het vaste blok met twee schijven en een neut. Ook drieloper of derdehand genoemd.
Gewoonlijk wanneer men over een takel of talie zondermeer spreekt, bedoelt men een derdehand.
Wanneer men een derdehand 'op zijn kop' gebruikt, wordt het een vierdelasttakel. In dat geval is namelijk ook de kracht die men op het halende part uitoefent, een kracht die de last omhoogbrengt.


2> door sommigen gebruikt als synoniem voor een dubbeljol.


~derdelasttakel:
takel waarbij de kracht die op het halende part uitgeoefend moet worden een derde van het gewicht van de last (plus de wrijving in de blokken) is. Ook drielasttakel genoemd. De term wordt echter ook gebruikt als synoniem voor derdehand, drieloper enz.

~derivaat:
van een normaal bruikbaar (natuur)product afgeleid (bewerkt) product. In de binnenvaart is dat oa. sojaschroot, citruspellets, tapiocapellets, copra e.d.

~derivatenlosser:
op een graanelevator lijkende inrichting. Zie ook elevator en jacobsladder.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten.


~De Steenkolen:
bijnaam van de Nederlandse Rijnvaart Vereniging.

~detentieboot:
een drijvende gevangenis. Zie bij detentieplatform.

~detentieplatform:
groot ponton waarop men een gevangeniscomplex geplaatst heeft. Ook bekend als detentieboot.
De term detentieboot kan gezien worden als een volkse benaming. Ook de term bajesboot behoort tot die orde.
Twee van dit soort drijvende inrichtingen hadden ligplaats te Zaandam. Ze maten 102 bij 21 meter staken 3,6 meter diep terwijl de hoogte bovendeks 8 meter bedroeg. Er waren ondermeer 144 twee-persoonscellen op ondergebracht. In 2012 werden deze complexen buiten gebruik gesteld.


~Detroit Diesel:
Amerikaans merk scheepsdiesel. Andere naam van G.M. scheepsmotoren. Zie ook Lijst: motoren; GM.

~deur:
ondermeer de verkorte vorm van sluisdeur.

~deunkomen:
het dwars op het schip draaien van de ankerkuil of de raamkuil. Het tegengestelde is inkomen. [Links: Diverse termen inzake het vistuig.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.


~deurgrendel:
inrichting die moet voorkomen dat gesloten sluisdeuren door ongewenste invloeden van buitenaf open gaan.
Genoemd in: Doelen en resultaten op rijkswaterstaat.nl (september 2023).
Dit soort grendels kunnen zowel bij spui- als bij schutsluizen aangebracht zijn.


~deurkas:
uitsparing in het sluishoofd of de sluiswand waarin de geopende sluisdeur past. Ook bekend als deurnis. [Links: Diverse termen inzake sluizen, stuwen, enz.]

~deutel:
eikenhouten (soms ook beukenhouten) wig, waarmee duvels/nagels en doken geborgd werden. Ook keilpen genoemd.
Zie ook ark, nagel, deuvel en spijkerpen.
Oorspronkelijk stelde men dat de deutel of plug een piramide-vorm had. De ark had een wigvorm. Tegenwoordig is de term ark in onbruik geraakt en goeddeels verdwenen. Voor de deutel ingeslagen wordt maakt men met het zogenoemde plug- of deutelijzer een vierhoekig piramidaal gat in de nagel. Voor de ark sloeg men met een beitel een klein gleufje in de houten nagel.
Sommige bronnen melden dat arken buiten, en deutels, binnen zaten.
Bronnen ondermeer: Handleiding tot de kennis van het schip. Door G.P.J. Mossel (1859).


~deutelen:
duvels van deutels/arken voorzien. Door sommigen gelijk gesteld aan pennen.

~deutelijzer:
1> vierzijdig in een punt uitlopend, stuk ijzer, waarmee men een voor-opening in houten duvels en doken maakt. In deze opening wordt een deutel geslagen.

2> later een soort beiteltje waarmee men een kleine vooropening voor de deutel, eigenlijk ark, slaat.

~Deutz:
bekende Duitse fabrikant van scheepsdiesels en hulpmotoren.
[Afbeeldingenmenu Deutz motoren] [Opsomming types]
De fabriek werd in 1864 in Keulen door Eugen Langen en Nicolaus Otto onder de naam: N.A. Otto & Cie opgericht. In 1872, nadat het bedrijf 3 jaar eerder naar het plaatsje Deutz tegenover Keulen verhuisd was, wijzigde men de naam in Gasmotoren-Fabrik Deutz AG. In 1930 fuseerde men met machinefabriek Humbolt AG uit Keulen en acht jaar later ontstond een verbintenis met Klöckner-Werke AG uit Duisburg en was Klöckner Humbolt Deutz of wel KHD, een feit. In 1997 volgde de laatste naamswijziging en kreeg de firma de naam: Deutz AG.
Het bekende embleem is pas sinds 1964 het algemeen logo van KHD. Daarvoor was het alleen in gebruik op Deutz voertuigen. Het embleem is dat van de, in 1936 door Humbolt-Deutz opgekochte voertuigfabriek, Magirus uit Ulm. Het embleem bestaat uit een M aan de voet van het gestileerde silhouet van de kathedraal van Ulm. Bron: Duitse Wikipedia.

Bekend in de binnenvaart zijn ondermeer:


~Deutz gasgenerator:
naam van diverse door Deutz gemaakte gasinstallaties. De meeste van deze installaties waren voor zuiggasmotoren.
Bron: Oliemotoren voor de Binnenvaart, Hun aanpassing aan gasvormige brandstof en Gasgeneratoren door C. Noorlander, Born's Uitgeversbedrijf N.V. Assen 1944.


~deuvel:
1> houten pen voor het maken van verbindingen. Zie verder bij duvel.

2> weinig gebruikt synoniem voor deutel.
Bron: Website Aebelina-skûtsjemuseum.


~deuvelen:
met houten pennen vast zetten. Zie verder bij duvelen.

~deuvik:
grote houten stop, bijv. in het watervat of in het loosgat van een bijboot.


Volgende






Sitemap

© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Amsterdam.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site,
noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden! Veel inzenders zullen echter een verzoek tot het (her)gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)
Kopieën naar Facebook, Pinterest, en andere doorgeefluiken zijn echter niet toegestaan!

Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar ALLEN, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.



Statistieken