top
terug
banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal

BINNENVAARTTAAL


de binnenvaart encyclopedie op internet


Aanvullingen en correcties zijn welkom.



Woordenlijst Stag




~stag:
1> touw, staaldraad, ketting, of stang, waarmee een rondhout, gesteund wordt. Alle stagen tesamen vormen het staande want.
Gerelateerde termen: achterstag, bakstag, bakstagsmantel, bakstagstalie, boegstag, doodshoofd, hangerspan, hommerwant, hoofdtouw, jufferblok, knikstag, maststag, oortouw, stagstrop, stagtalie, topoortouw, topstag, voorstag, voorstaghaak, want, wanthaak, wantspanner, wanttalie, waterstag, zeilstag, zijstag, enz..

2>: gespannen touw, staaldraad of stang uitsluitend bedoeld om het voorlijk van een zeil in positie te houden. Ook zeilstag genoemd.





~stagbank(je):
bergkist voor kleding e.d. in het vooronder.
Bron: 'Wal tegen Water' door Jan Zwiers. (Friese Koerier 12-09-1962.), Lezing Glavimans Symposion 1991: 'Mededelingen over de inventaris van de grote praam' door G.J. Schutten.
Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het 'stapbank' (bijv. Schuttevaer 13-06-1908) moet zijn. Een vergissing is gauw gemaakt en ook makkelijk overgenomen, helaas.






~stagblok:
1> blok aan het einde van een stag. Zie ook schinkel.

2> in het algemeen: jufferblok of doodshoofd aan de voorstag, waarmee de voorstagnaaiing gemaakt wordt. Niet te verwarren met het stagtalieblok.
Om onbekende reden geeft men er de voorkeur aan om de blokken aan de zijstagen jufferblokken dan wel doodshoofden te noemen, terwijl men een soortgelijk blok aan de voorstag een stagblok noemt.

Zie ook stag-, wantjuffer en een verdere opsomming van blokken, takels, hijsgerei.





~stagbocht:
bij het maken van de mast, tussen mastkoker en hommer, aangebrachte kromming. Bij het gaffeltuig is deze achterwaarts, bij het spriettuig meestal voorwaarts gericht.





~stagbout:
lange stalen, aan het boven uiteinde van een oog voorziene, bout die ter bevestiging van de voorstag dwars door de (houten) voorsteven van het schip bevestigd is.
Gerelateerde term: putting.





~stagdraad:
stug staaldraad, opgebouwd uit weinig dikke draden, met een staaldraad als hart. Deze draden vertonen weinig rek. Ook wel wantdraad of mastdraad genoemd.
Dit soort draad wordt meestal aangeduid als 7 x 7 of 6 x 7 + tk. Zeven keer zeven is 6 strengen bestaande uit 6 staaldraden en een staaldraad als hart met een kern die eveneens bestaat uit 6 staaldraden met 1 staaldraad als hart. De zes keer zeven plus tk is 6 strengen bestaand uit 6 staaldraden en een staaldraad als hart met een kern uit touw.
De term wantdraad schijnt minder correct te zijn.






~stagernaat:
bepaalde takel, gebruikt bij het laden en lossen. Andere schrijfwijze voor staggranaat.
Bron: Schiemanswerk, T.J. Noordraven 1948. Via Delpher.






~stagfok:
fok, waarvan het voorlijk, op regelmatige afstanden, met de voorstag verbonden is. Het gebruikelijke type in de binnenvaart.





~staggarnaat:
bepaalde takel, gebruikt bij het laden en lossen. Andere schrijfwijze voor staggranaat.
Bron: De Volmaakte bootsman, Symon van de Molen, 1818 Via Googlebooks.






~staggenaar:
bepaalde takel, gebruikt bij het laden en lossen. Andere schrijfwijze voor staggranaat.
Bron: Nederland blijft varen, P. Verhoog 1945 Via Delpher.






~staggennaad:
bepaalde takel, gebruikt bij het laden en lossen. Andere schrijfwijze voor staggranaat.
Bron: Beknopte handleiding voor het mastenmaken, masten en tuigen van schepen, Robert Kipping, 1861 Via googlebooks.






~staggilling:
gilling langs de voorzijde van een stagzeil ook voorgilling genoemd.





~staggranaat:
term die door enkelen gebruikt wordt voor een bepaalde takel, gebruikt bij het laden en lossen.
Oorspronkelijk een term uit de zeevaart. Aldaar een takel, te weten een karnaat, die aan de stag welke boven het luik liep, opgehangen werd. Soms ook staggarnaat, stagernaat, staggennaad, staggenaar of stagkarnaat genoemd.
Bron: Handleiding tot de kennis van het tuig, de masten, zeilen. J.C. Pilaar, G.P.J. Mossel, 1858 Via googlebooks.






~stagjuffer:
een gestropt rond blok zonder schijven, maar met drie, soms ook vier, verspreid geplaatste, gaten, meestal kortweg juffer genoemd. De juffer aan de voorstag, dus van de voorstagnaaiing, noemt men wel het stagblok. De juffers van de zijstagen, het want, noemt men stag- of wantjuffer.
Bron: T.J. Noordraven, De uitrusting : een handboek over het tuig, de leidingen en de uitrusting van zeeschepen. Duwaer, 1926. blz. 107 e.v. Via Delpher.
In genoemde bron gebruikt men de termen want- en stagjuffer (uitsluitend) voor de bovenste jufferblokken van de (zij)stagen of dat in de binnenvaart ook zo geweest is, is me niet bekend.

Verdere opsomming: blokken, takels, hijsgerei.





~stagkarnaat:
bepaalde takel, gebruikt bij het laden en lossen. Andere schrijfwijze voor staggranaat.
Bron: Praktische zeevaartkunde, Pieter Le Comte, 1842. Via googlebooks.






~stagketting:
ketting die als verstaging gebruikt wordt of een ketting tussen de eigenlijke stag en putting. Zie ook staafketting.
Stagen die geheel uit ketting bestaan zal men zelden aantreffen. Vroeger kwam het echter nog wel eens voor dat men het onderste deel van de zij- of bakstagen door ketting had vervangen. Mogelijk heeft dit te maken met aanpassingen vanwege slijtages. Ook kon men op die manier rek en krimp makkelijk opvangen en hield men dus de naaiingen kort.






~stagkikker:
houten kikker die met een bindsel aan een stag gebonden kan worden. Ook stagklamp genoemd.





~stagklamp:
houten kikker/belegklamp die met een bindsel aan een stag gebonden kan worden. Ook stagkikker genoemd.





~stagkous:
driehoekige beugel gebruikt voor de zijstagnaaiing. Een talreepkous.
Bron: Handleiding tot de kennis van het tuig, de masten, zeilen, enz. van het schip. J.C. Pilaar, G.P.J. Mossel. 1858. Memorandum voor den jeugdigen Zee-officier, P.A. van Rees, 1859.
Van Lennep stelt de stagkous echter gelijk aan een doodshoofd. Qua functie klopt dat wel, qua uitvoering zijn zij echter zeer verschillend.






~stagkrans:
soort mastband met daaraan de bevestigingen voor de voorstag, fokkeval en een kraanlijntje(?) op onder meer de Botter. Ook wel alleen krans genoemd.
Op de Botter was deze stagkrans een scharnierende klemband die met een wig gesloten werd. Op de meeste andere vaartuigen maakt men meestal gebruik van een geheel gesloten mastband en slechts soms van een muil- of trekband.
Op blz. 120 van zijn boek "De bouw van een botter...." tekent P. Dorleijn een masttop met een 8-hoekige verdikking die hij krans noemt, iets daarboven komt een tweede band die dan hommer genoemd wordt. Over de scharnierende stagkrans schrijft hij vervolgens: "Deze vorm is noodzakelijk omdat de (stag)krans enerzijds rust op een achtkante verdikking, terwijl direct er boven de hommer zit; hij kan dus niet over de top op zijn plaats geschoven worden." Andere bronnen zwijgen over het bestaan van de combinatie van een krans samen met een hommer. De meeste bronnen zien de termen zelfs als synoniemen.
Op oude (ca.1900) foto's van (Volendammer) Botters is inderdaad een enkele maal een extra verdikking boven het aangrijpingspunt van de voorstag te zien. Latere foto's (van Volendammers) tonen echter vaak in het geheel geen verdikking rond de mast; niet boven de stagkrans en er niet onder. Bij Dorleijn wordt verklaard dat dit vaak vermaakte masten van de Volendammer kwak zijn. Op recente foto's die ik ontving van Botters in de haven van Spakenburg hebben bijna alle Botters een normale 8-kante verdikking onder een stagkrans of mastband. Er moet hierbij wel opgemerkt worden dat krans en/of hommer op foto's slechts zelden echt duidelijk te onderscheiden zijn.
Het lijkt er op als of de extra verdikking boven de stagkrans een plaatselijke gewoonte was, die tegen het midden van de twintigste eeuw verdwenen is.






~staglat:
halfronde lat aan de bovenzijde van de voorstevenbalk net boven de taliegaten, dus bij gebruik van een voorstagnaaiing. Plaatselijk gebruikt synoniem voor talielat.





~stagleuver:
metalen verbinding tussen het voorlijk van een stagzeil en de stag. Ook stagring of alleen leuver genoemd.
Vroeger mogelijk ook stagzeilring, stagring en nog eerder zuiger genoemd.
De oude stagleuvers en ringen werden met schiemansgaren aan de leuver van het zeil, of direct door de zeilkousen die ter plaatse aangebracht waren geknoopt.






~stagloper:
loper van de voorstagtalie.
Eigenlijk: de loper van een willekeurige stagtalie, dus ook van een wanttalie.
De voorstagtalie is op veel schepen tevens de strijktalie in welk geval men de stagloper ook als strijkreep kan zien.






~stagoog:
metalen oog waaraan een stag bevestigd kan worden.
Stagogen bevinden zich meestal aan stagputtings.






~stagputting:
een putting ter bevestiging van de stagen.





~stagring:
ijzeren ring, al dan niet gesloten, die rond het voorstag geschoven als leuver fungeert. Zie ook stagleuver.





~stagspanner:
spanschroef, meestal voorzien van gaffels, die gebruikt wordt om een stag op spanning te brengen. Ook wantspanner genoemd.





~stagstrop:
1> oog waarmee de stag rond de masttop ligt.

2> ander woord voor talreep.
Het woord wordt gebruikt in de verklaring voor het doodshoofd in Mr. J. van Lennep's Zeemanswoordenboek 1856. Vermoedelijk berust dit op een verschrijving. Zie ook stagkous.





~stagtakel:
takel waarmee men de voorstag op spanning brengt. Zie ook stagtalie.





~stagtalie:
1> vaak gebruikt synoniem voor voorstagnaaiing.

2> takel waarme men een stag, op spanning brengt. Ook stagtakel genoemd.
Meestal bedoelt men met stagtalie de takel van de voorstag, deze dient tevens vaak als strijktalie.

Gerelateerde termen: voorstagtalie, bakstagtalie, waterstagtalie, boegstagtalie.





~stagtalieblok:
1a> het bovenste blok van de strijktalie.
b> meestal een enkelschijfs, soms een dubbelschijfs, haakblok met een erg slank gevormd huis zodat de leuvers van de fok (die toen veel ruimer waren dan nu) over het blok naar beneden konden glijden. Het fungeert als bovenblok van de takel waarmee men de voorstag op spanning trekt. Deze takel fungeert meestal (maar niet altijd?) ook als strijktalie.





~stagtouwtje:
touwtje van een leuver op ongeveer een derde van de halshoek aan het onderlijk van de botterfok naar de voorstag.
Met het stagtouwtje kan het onderlijk een eindje opgetrokken worden wanneer men een beter uitzicht over de kop wenst.

Gerelateerde term: buiketouw.





~stagzeil:
zeil, dat langs een stag gehesen wordt; in het algemeen de fok of de kluiver. Ook wel snijzeil genoemd.





~stagzeilring:
een gesloten ijzeren ring, die rond het voorstag geschoven als leuver fungeert. Ook stagring genoemd.






~stahoogte:
de ruimte tussen vloer en plafond in bewoonde vertrekken.





~stakelen:
met licht of vuur noodseinen geven. Vroeger ook flambouwen of blikken genoemd.





~stakellicht:
1> eigenlijk elke lichtbron (dus ook vuur) waarmee gestakeld kan worden.
Gerelateerde termen: ernstvuurwerk, blikvuur.

2> verkorting van handstakellicht.





~stakelpot:
soort van metalen kan, waarin het handstakellicht gedoofd kan worden.





~stal:
verkorte vorm van visstal.
Misschien ook verkorting van veerstal?






~stalbedde:
met in de grond gestoken, al dan niet in een gevlochten, takkenbossen omgeven ruimte waarbinnen de vis bij vallend water ingesloten raakt, waarna deze makkelijk gevangen kan worden. Gewoonlijk visstal genoemd, maar in sommige streken spreekt men van stalrisse.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stalrisse:
met in de grond gestoken, al dan niet in een gevlochten, takkenbossen omgeven ruimte waarbinnen de vis bij vallend water ingesloten raakt, waarna deze makkelijk gevangen kan worden. Gewoonlijk visstal genoemd, maar in sommige streken spreekt men van stalbedde.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stalvisserij:
het vangen van vis met behulp van een visstal.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stampen:
van een schip: sterk door de golven rond de dwarsscheepse as bewogen worden, met andere woorden: als de kop naar beneden gaat, komt de kont omhoog en omgekeerd. Gerelateerde termen: gieren, heien, hobbelen, rijden, rollen, dompen(2).





~stampinstallatie:
mechanische inrichting aan boord van ijsbrekers, die voor een stampende beweging van het voorschip moet zorgen. Deze inrichting bestaat (meestal) uit een groot langzaam draaiend (bijv. 40 tpm) rad, met de as dwarsscheeps, dat eenzijdig verzwaard is. Het geheel is zover mogelijk voor in het schp geplaatst. Op sommige (grote) ijsbrekers is ook het achterschip van een dergelijke installatie voorzien.





~stampstok:
rondhout tussen de boegspriet en de waterstag. Zie ook Spaanse ruiter.





~stand:
OP STAND ZETTEN
: het vliegwiel van een motor, die met behulp van startlucht start, tornen tot deze in de stand staat, waarop de motor gestart kan worden.
De stand van de zeilen
: de hoek die de zeilen ten opzichte van de lengteas van het vaartuig maken.





~standaard:
1> onderdeel van het spriettuig. Een touw of langschalmige ketting, van de hommer naar de voet van de spriet. Ook wel reep genoemd. [Tekst: Spriettuig.]

2> verticale as van het roer of een kaapstander. Ook stander maar gewoonlijk meestal koning genoemd.





~standaardblok:
vreemde naam voor zwaardstaanderblok.





~stander:
a> verticale as van het roer of een kaapstander. Gewoonlijk koning genoemd.
b> verticale as van de verplaatsbare spil, de kaapstand zoals gebruikt bij de zegenvisserij. [Links: Diverse termen inzake de visserij.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~standerblok:
blok dat onbeweeglijk aan het schip zit, vaak gezien als verkorting van zwaardstaanderblok.





~standolie:
8 tot 10 uur lang, tot ca. 300 graden, verhitte lijnolie. De lijnolie wordt daardoor dik en stroperig.
Standolie vormde net als lijnolie de basis voor een aantal verven.






~standpijp:
in het vlak uitmondende, verticale pijp, met vrij redelijke diameter, die tot boven de lastlijn reikt en van boven niet geheel gesloten is. Op de standpijp worden aanzuigleidingen voor buitenwater aangesloten. Met de standpijp wordt voorkomen dat er te veel lucht in de aanzuigleidingen komt.
Gerelateerde term: kroosemmertje, koelwaterpomp, buitenwaterkoeling, enz.





~Stânfries :
(onvolledige) naam van  N.V. Reederij Stânfries (1933-1948) en haar schepen, die een beurtdienst tussen Friesland en Amsterdam onderhielden.
Het is een alom heersende misvatting dat zolang er schepen met de naam "Stânfries" voeren, ook de rederij die naam droeg.


Chronologisch overzicht van de  "Stânfries"
1898
"
Leeuwarder Stoomboot Maatschappij
". Schepen: Stânfries I en II
ca 1911 "
Nieuwe Leeuwarder Stoomboot Maatschappij
": een samengaan van de "Leeuwarder Stoomboot Maatschappij" en de "Friesch-Noord-Hollandsche Stoombootmaatschappij" (opgericht 1876, schepen Friesland I, II, III en IV.)
1912 "
Scheepvaartmaatschappij Holland-Friesland
" een samengaan van de "Nieuwe Leeuwarder Stoomboot Maatschappij" en Rederij "Saint-Martin" (vanaf 1860 beurtdienst met de stoomschepen Leeuwarden I en II. Sinds 1880 gestage vlootuitbreiding met de namen: Leeuwarden, Harlingen, Sneek, Dokkum, Heerenveen, Drachten, Franeker en Bolsward, gevolgd door een nummer. In 1912 in het totaal 25 schepen.)
1924 Algemene leiding van de beurtdienst komt bij Verschure & Co's "Algemene Binnenlandsche Stoomvaart Maatschappij".

1932
naamswijziging in "
N.V. Reederij Stanfries
" (19 stoomboten, 7 motorboten, en 7 lichters met de namen: Friesland-Holland of Stanfries met daarbij een nummer).
1948
Rederij Stanfries gaat op in de
SBS NV
(van der Schuijt, Van der Boom en Stanfries NV.)
ca. 1963 beeindiging beurtvaart activiteiten.
2008?
einde van het bestaan van "Van der Schuyt, van der Boom en Stanfries N.V."






~Stanfriesboot:
elk der SCHEPEN met de naam 'Stanfries', van de gelijknamige rederij.





~stap:
voorwaartse verplaatsing die een zuiger met kantelbare spudpalen kan maken. Deze afstand ligt op ca. 30 tot 70 cm. Zie ook slag en overige gerelateerde termen.
Bron: bodemrichtlijn.nl/Bibliotheek/bodemsaneringstechnieken .






~stapbank:
1> zitplaats die tevens als opstapje of traptrede dient.
O.a. in: Schuttevaer 13-06-1908.


2> plaatselijke term voor treedoft.





~stapbankklamp:
plaatselijke term voor de kardoes van een treedoft.





~stapel:
1a> aantal , twee aan twee, haaks op elkaar gelegde, balken (de stapelblokken), waarop het schip, wanneer het op de werf staat, rust. Ook stapeling genoemd. De stapels worden, meestal onder het vlakste gedeelte van het schip geplaatst.
Het gebruik van stapelingen en de vorm er van is sterk afhankelijk van het model en formaat van het vaartuig.

Gerelateerde term: werfstoel.
b> het geheel van stapels en stapelbalken; kortom de bouwhelling. [Uitdrukkingen e.d.]
VAN STAPEL LOPEN
: te water laten, een NIEUW schip van de werf in het water brengen.
Een schip dat ter reparatie op de werf staat en daarna in het water gebracht wordt, loopt dus NIET van stapel. Het wordt te water gelaten, het loopt of het komt de helling af.

OP STAPEL STAAN
: in aanbouw, in wording zijn.

2> de langsscheepse tilling van het vlak. Meestal stapeling genoemd.
Bron: Handleiding tot den burgerlijken scheepsbouw, Folkert Nicolaas Loon. blz.71


3> de doorbuiging van het vlak dwarsscheeps. Ook kimtilling genoemd.





~stapelbalk:
zware balk, als onderdeel van een bouwhelling. De bovenkant van deze balken lag, bij de bouw van grotere schepen op ca 60 cm. boven de grond. Ze lagen dwars op de lengterichting van het schip. Voor kleine schepen werden ze niet gebruikt. Daarbij gebruikte men een vlakke vloer of één zware balk in de lengterichting.
Zie ook stapelhout, stapel en schammel/schamel.
Bron: Scheepsbouw; G. J. van der Werff, Hoogezand, weekblad Schuttevaer v.a. 6 november 1937.






~stapelblok:
vrij korte dikke balk, meestal nagenoeg vierkant in doorsnede, waarmee men stapelingen vormt.
Bron: Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandsche taal. 1914.






~stapelbocht:
zekere bocht in de hoogte der stapelingen.
De stapelbocht bepaalt dus in welke mate het vlak aan voor- en achterzijde getilt is. Ook op het ogenschijnlijk rechte deel houdt men soms een lichte kromming aan. Zodat het vlak altijd een lichtelijk hol staat. Men zegt dat dit was om te voorkomen dat het schip wanneer het in het water ligt kop en kont zou laten hangen. Anderen zeggen dat het veroorzaakt wordt doordat het hout van vlak en kimmen altijd nat blijft, dus uitzet, waardoor de bovenkant van het schip als het ware iets te kort is en het schip hol trekt.
Bij de hedendaagse schepen bouwt men, naar men zegt, soms met een vlak dat in de lengterichting bol staat. Het schip krijgt daardoor een katterug. Wordt een dergelijk schip beladen dan drukt de lading het schip weer recht.






~stapelen:
het maken van een stapeling.





~stapelhoogte:
de werkelijke verticale afstand tussen het laagste punt van het vlak en een punt langs de zijkant van het vlak. Ook stapel of opstapel genoemd.
Naar men zegt was dat vroeger (bij ronde schepen?) gelijk aan de hoogte van de stapeling. M.a.w. het vlak vormde een soort schaaltje met over al een even hoge rand.






~stapelhout:
een stapelbalk of een stopblok.





~stapeling:
1> een aantal houten balken of klossen, waarmee de vlakgangen, tijdens de bouw van een houten vaartuig, opgedrukt worden, om zo het vlak de gewenste tilling te geven. Ook stapel genoemd.

2> de langsscheepse tilling van het vlak. Gerelateerde term: heef.

3> aantal blokken hout die een schip op de werf ondersteunen; een stopping. Ook stapel genoemd.





~stapelloop:
een schip van de bouwhelling in het water brengen. Ook tewaterlating genoemd.
Het woord stapelloop vindt zijn oorsprong in het feit dat het schip, tijdens de bouw, op stapels staat.

Gerelateerde termen zie bij werf.





~stapelplaats:
1> plaats, haven waar goederen voor verdere distributie/transport verzameld worden.
In veel gevallen vormen zeehavens een stapelplaats en zorgt de binnenvaart voor verder vervoer. Maar een plaats als Dordrecht was bijvoorbeeld een stapelplaats voor het met houtvlotten uit Duitsland aangevoerde hout, voordat dat verder naar Holland en Zeeland getransporteerd werd.


2> plaats waar het stapelrecht uitgeoefend wordt.





~stapelrecht:
een recht dat sommige plaatsen zich toe-eigenden dan wel verkregen, wat inhield dat alle goederen die langs die plaats vervoerd werden, daar eerst opgeslagen en te koop aangeboden moesten worden. Na dit gebeuren kon men dan met het restant zijn reis vervolgen. Dit recht werd in 1815 officieel afgeschaft. In Vlaanderen gebruikt men hiervoor ook de term etappe-recht.
Stapelrecht bestond onder meer in Dordrecht, Antwerpen en de Stad Groningen. Soms had het betrekking op bepaalde goederen, soms op alle goederen die verschepet werden.
Het stapelrecht bestond reeds in de 13de-14de eeuw.
Het stapelrecht van Dordrecht strekte zich uit over alle grote rivieren inclusief de Maas en IJssel. Alleen kooplieden uit Zierikzee en Middelburg waren van het stapelrecht vrijgesteld.
Bron: Vaderlandsch woordenboek. 35 deelen en Byvoegzels 1-3 Door Jacobus Kok e.a.






~stapklos:
zware klamp tegen het achterschot van de roef, dat als opstapje om uit de roef te komen gebruikt werd. Een soort treedoft.
De term schijnt pas sinds de jaren zestig in deze Nederlandse vorm voor te komen. Volgens 'Skipperstaal' is dat tevens de Friese vorm.
De stapklos vormde de tweede tree van af de vloer. De eerste was de zitbank die tegen het achterschot gebouwd was.






~stappaal:
spudpaal op een snijkopzuiger die de zuiger in positie houdt als de spudwagen met daarin de werkpaal verplaatst wordt. Vaak ook hulppaal genoemd.
Genoemd in: Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit, Rijksoverheid.






~startaccu:
1> accu, die uitsluitend voor het starten van motoren gebruikt wordt. Vergelijk: lichtaccu.

2> speciaal voor voornoemd doel geconstrueerd type accu.





~startfles:
cilinder met samengeperste lucht, waarmee de motor gestart kan worden. Zie ook luchtfles.





~starthandel:
hefboom waarmee men het ventiel dat de startlucht tot de motor toelaat, bediend wordt. Zie ook aanzethandel.





~startklep:
ventiel, kraan waarmee de startlucht al dan niet tot de motor toegelaten wordt. Zie ook aanzetklep.





~startlont :
rolletje brandbaar materiaal, aan het uiteinde vaak voorzien van een substantie, die tengevolge van de compressiedruk in brand raakt, waarmee men de ontsteking van de brandstof, tijdens het starten van motoren, die van een voorkamer gebruik maken, opgang kan brengen. Meestal alleen met lontje aangeduid.
Niet te verwarren met een startpatroon.
Het bekendste merk was en is Zündfix. Onder andere bij de firma Kramp te Lummen in België; leverbaar in 4, 5, 6, 7 en 8mm doorsnede. Voor men de beschikking kreeg over kant-en-klare startlontjes maakte men gebruik van gloeipapier of maakte den dit papier zelf.






~startlucht:
samengeperste lucht, waarmee bepaalde dieselmotoren gestart kunnen worden. Ook aanzetlucht of slechts lucht genoemd.
De meest gebruikte druk bedroeg 30-35 kg/cm².

Gerelateerde termen: aanzethandel, aanzetklep, inblaaslucht, luchtfles, luchttank, enz.





~startmotor:
1> op electriciteit of gecomprimeerde lucht werkende kleine motor waarmee men grotere motoren op een dusdanig snelheid rond kan laten draaien, dat er ontsteking van de brandstof in de motor plaats zal vinden.

2> hulpmotor, die een compressor, voor het samenpersen van de startlucht aandrijft.





~startpatroon:
busvormige metalenhouder die in een inlaatopening van de cilinder geschroefd kan worden, waarmee een motor gestart kan worden.
Zie ook Hansastarter.
De houder is gevuld met een strip brandbaar materiaal, dat na ontsteking een grote hoeveelheid gas produceert. Het gas zal in de cilinder geperst worden waardoor de motor (hopelijk) zal gaan draaien. Het ontsteken geschied met een externe vlam of door middel van een slaghoedje. Het systeem is in de binnenvaart sporadisch en dan vaak alleen nog als noodoplossing, in gebruik geweest. Niet te verwarren met een startlontje.






~start-pilot:
hulpmiddel bij het starten van motoren. Spuitbus met naar men zegt een mengsel van ether.





~startventiel:
extra klep in de cilinderkop van een motor met luchtstart, waardoor de gecomprimeerde lucht in de cilinder gelaten wordt. Zie ook aanzetklep:





~Statenjacht:
1> voornamelijk in de tweede helft van de 17de eeuw een bepaald scheepstype, dat door de Staten voor representatieve doeleinden en als transportmiddel gebruikt werd. Zeilend, redelijk zeewaardig, houten vaartuig, meestal getuigd met één mast en zwaarden, met een rond voorschip, vaak voorzien van een galjoen, een gepiekt achterschip met een hartvormige spiegel, met daarboven een paviljoen. Ze hadden een redelijke zeeg en waren vaak zo rond de twintig meter lang, maar variabel in verschijning.
De laatste statenjachten van het regering/marine werden in 1843, uit bezuinigingsoverwegingen, van de hand gedaan.

Gerelateerde termen transportjacht.

2> willekeurig voor representatieve doeleinden gebruikt, vaartuig der Provinciale staten.
Stalen motorvaartuigen kunnen namelijk ook statenjacht zijn.


3>
HET FRIESE STATENJACHT
: de boeier Friso.





~Statenzaal-overeenkomst:
naam die in 1950 gegeven werd aan de grenscontrôle op de naleving van de in 1948 ingevoerde regeling dat alleen 'georganiseerde schepen' het internationale vervoer mochten verzorgen. Zie ook bij Stop van Lobith.





~statie:
opbuigend boeisel op het achterschp van sommige oude scheepstypes. Geregeld gebruikte vorm van staatsie. Zie verder aldaar.





~statiebalk:
dwarsscheepse balk, langs de onderzijde van het hennegat. Zie ook bij hekblak/hennebalk.





~Statiepaviljoenpoon:
zeilend houten vrachtschip. Ook als staatsiepaviljoenpoon geschreven. Zie ook bij Poon.
Bron: Ir. E. van Konijnenburg, De Scheepsbouw vanaf zijn oorsprong, Brussel 1913. Deze tekent een schip van 20,70 x 5 meter






~Statiepaviljoenschip:
zeilend houten vrachtschip. Ook als staatsiepaviljoenschip geschreven. Verder geen gegevens.
Slechts 1 vermelding namelijk: De vrouw Sophia 44 ton groot.
Bron: De vriend van oud en jong; christelijk en wetenschappelijk weekblad, jrg 12, 03-12-1890.






~Statiepaviljoenschuit:
zeilend houten vrachtschip. Ook staatsiepaviljoenschuit genoemd. Zie verder bij Brabantse schuit.
Bron: Middelburgsche Courant, 27-04-1843 en 19-01-1865. Jaarboek De Oranjeboom 15 (1962) blz. 110.






~statiepen:
langs het boord van het voorschip geplaatste pinnen waaraan men de pikhaken of drogende visnetten vast kan zetten. Men vindt ze o.a. op de Botter. Ook de afzetpen behoort tot de statiepennen.





~statieplank:
minder bekende term voor het naambord. Ook geschreven als staatsieplank.
Bron: Zierikzeesche Nieuwsbode, 15-11-1912.






~statiepoonschuit:
houten vrachtschip uit het begin van de negentiende eeuw. Ook als staatsiepoonschuit geschreven. Zie verder bij Poon.
Bron: Zierikzeesche Courant, 19-05-1877 blz.4 .






~statiepraam:
houten vrachtschip vrij sterk lijkend op, en mogelijk voorloper van, de Hoogeveense praam, maar dan met statie. Ze bezaten geen achteronder. Ook als staatsiepraam geschreven.
Het Weekblad Schuttevaer van 22-05-1915 maakt melding van een tweemaststatiepraam. Mogelijk bedoelt men een schip met druil. Overige bronnen: Algemeen Handelsblad 20-1-1862 (Statiepraam 60 ton), RTV Drenthe 19 juli 2023 (Staatsiepraam 'Ons Genoegen')(reportage)






~statieschip:
1> vermoedelijk een tjalkachtig scheepje voorzien van een statie en mogelijk Zuid-Hollandse oorsprong.
Term voorkomend in de liggers van de meetdiensten. Er wordt slechts 1 houten scheepje van 14,5 meter genoemd. Meetbrief: Sg155N.
Verder in Rotterdamsche courant, 18-05-1848, Leeuwarder courant, 14-02-1906. De Telegraaf, 06-11-1909.


2> schip van de regerende macht, regerend vorst. Vergelijk statenjacht, koningssloep.
Bron: Kees Hazelzet, Rotterdam zooals wij het kenden, 1941. Twentsch dagblad Tubantia, 28-04-1952. Via Delpher






~statieschuit:
vermoedelijk een tjalkachtig scheepje voorzien van een statie en mogelijk Zuid-Hollandse oorsprong. Ook als staatsieschuit geschreven. Zie verder bij Poon.

Term voorkomend in de liggers van de meetdiensten. Uitsluitend voor een vijftal houten schepen gebruikt. Vier van deze schepen waren rond de 15 meter.






~Statietjalk:
houten of stalen vrachtschip van het type tjalk waarvan het boeisel op het achterschip de zogenaamde statie vormt. Ook als staatsietjalk geschreven en Hektjalk genoemd. [Beschrijving Scheepstypen Tjalken.]
Bron: Rotterdamsch nieuwsblad, 17-07-1916. Opregte Haarlemsche Courant, 04-01-1831 en 13-04-1849.






~statietjalkschip:
houten of stalen vrachtschip wat meerdere eeuwen bestaan heeft. Zie verder bij hektjalk. Ook als staatsietjalkschip geschreven.
Bron: Het nieuws van den dag, 15-02-1882. Rotterdamsch nieuwsblad, 17-07-1916.






~station:
in de stukgoederenvaart: plaats waar goederen gelost of geladen moeten worden.





~stationvaren:
tijdens de reis alleen binnen de bebouwde kommen ligplaats nemen en dus niet ergens buiten in het vrije veld overnachten.
De term werd voornamelijk tijdens WOII, toen men bij overnachtingen in het vrije veld een grotere kans liep beschoten te worden, gebruikt.
Ook bij ophande zijnde bevallingen werd er op station gevaren.






~Staufferpot:
vetpot, waarbij de 'dop' de voorraad vet bevat en die door het aandraaien van die 'dop' het vet naar het smeerpunt drukt. Ook Stauffervetpot of slechts vetpot genoemd.





~Stauffervet:
watervaste, dikke, vetsoort voor het smeren van langzaam draaien assen en soortgelijke voorwerpen.
Eigenlijk alleen van toepassing op vet geproduceerd door Stauffer Chemicals U.S.A..






~Staverse Jol:
houten vissersscheepje met kromme voorsteven, rond voorschip en een hartvormige spiegel. Opvallendste kenmerk is het ontbreken van zwaarden en berghouten. Ze bezaten een doorlopende kielbalk die een centimeter of dertig hoog kon zijn. De gewone jol had een lengte van circa 7,5 tot 10 meter. Ze was tot aan de mast gedekt. [Afbeelding]
Kleiner en geheel open waren de ansjovisjol, de herfstjol en de fuikenjol. Behalve de naam schijnen er geen kenmerkende verschillen tussen deze 'types' te zijn. Ze waren 5,5 tot 7 meter lang. De, door G.J. Schutten genoemde, Vollenhovense sloep of Haringboot was een dergelijke kleine open jol van circa 5,5 meter die als bijboot gebruikt werd.
[Meer informatie over Jollen: Website W. Dieperink.]
Een enkele bron beweert dat de herfstjol slechts 4,8 x 2,17 meter mat. Helaas heb ik niet meer kunnen achterhalen welke bron dat geweest is.
G.J. Schutten (blz.403) vertelt dat dat de jollen van voor 1900 meestal niet groter dan een meter of zes waren. Ook hadden dezen een minder vol voorschip.
E.W. Petrejus en Vroom zie in de Staverse jol een verdere ontwikkeling van de in Friesland (Joure) gebouwde sloepen. Samen met het Marker waterschip zijn ze de enige oude binnenvaartzeilschepen zonder zwaarden.






~steelpor:
vermoedelijk stuk gereedschap met platte punt, bestemd om klinken uit te drijven, een por, maar dan met een handgreep (steel); in dat geval ook bekend als drevelhamer.





~steek:
1> met touw (soms ook staaldraad, ketting, snoer en riemen) gemaakte combinatie van slagen (rondtorns), omhalen (contrarondtorns) en doorsteken, met het doel het touw ergens aan vast te zetten of een lus of oog te vormen.
Zie ook opkortsteek, knoop en hieling.
HALVE STEEK
: een (gedeeltelijke) rondtorn, waarbij het staande part over het halende part ligt en zodoende het halende part beknijpt.
Een halve steek moet dus om iets heen gelegd worden. Een bekend voorbeeld is het vastzetten van een tros op de bolderpen [Afbeelding]


2>
DE STEEK
: het uiteinde van het touw dat gebruikt wordt om het touw vast te zetten. Onder andere van toepassing op het einde van de ankerkabel wat op het anker gestoken wordt.

3> constructie die voorkomt dat de ankerketting in de nestenschijf blijft klemmen. Zie bij kettingsteker.

4> willekeurige constructie (vaak van gespannen visnetten) waarmee vis de doortocht belet wordt. Zie ook visweer.





~steekbaken;
baken, dat rechtstreeks in de bodem van het vaarwater gestoken is. Ook steekbaak of prikbaak genoemd.





~steekbout:
1> eigenlijk een bout, maar vaak elk willekeurig voorwerp van welk materiaal dan ook, dus ook een eind touw, waarmee een hoekpunt van een zeil, aan een rondhout, vastgezet wordt.

2> de lus of het eind touw waarmee het eind van de kettingsteek bij een bonnet, vastgezet wordt.
E.W. Petrejus stelt dat het de eerste steek van de ketting steek is, als je de kettingsteek maakt. Dat is dus de laatste steek als je de kettingsteek los maakt.






~steekdiepte:
de maximale diepte tot waarop een spudpaal nog goed bruikbaar is.
Voor vaste spudpalen was deze vaak niet meer dan 9 meter, maar uitzonderingen kwamen voor. Voor de moderne telescopische spudpalen is 15 meter vrij gewoon.






~steekeind:
touw of staaldraad, waarmee een schip vastligt en dat van de voorbolder achterwaarts of van de achterbolder voorwaarts gericht is. Ook spring genoemd.
Te onderscheiden in een voorsteekeind (echter meestal steekeind, zonder meer, genoemd) en een achtersteekeind.
Gerelateerde termen: achtereind en vooreind.





~steekgat:
afsluitbare opening aan de bovenzijde van bepaalde brandstofvergassers, waarlangs men, met een lange stalen staaf, de slakken in de vuurhaad kan breken. Zie ook pookgat.





~steekhaam:
bepaald soort visnet. Ook schepwagen, schephaven, ruitwagen of stokwade genoemd.
Het net wordt bij P.P.C. Hoek., De Vischtuigen, 1899 omschreven als: Aan het uiteinde van eenen stok van circa 2,5 M. lengte zijn twee, samen een hoek van ongeveer 60 graden vormende, kortere stokken bevestigd. Daaraan is een vrij diep zakvormig net vastgemaakt, waarvan de driehoekige opening dus begrensd wordt door de twee kortere stukken hout en een gedeelte van de sim, die langs den rand van het net loopt. Zie verder bij haam.
De term stokwade doet vermoeden dat het vistuig verwant is aan het schrobnet.
Onder meer genoemd in de Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.






~steekhengst:
1> mogelijk een steekschuit van het type Hengst.

2> houten vissersvaartuig dat verwant is aan de Hengst. Onder meer G.J. Schutten (blz 273) en de Stichting Behoud Hoogaars zagen er een afzonderlijk type in. Waarin het model van de Steekhengst en het model van de gewone Hengst zich van elkaar onderscheiden lijkt echter voor sommigen nog een punt van discussie.
De term schijnt pas in 1899 in gebruik te komen, maar dat is ook niet lang nadat men, in verband met de verplaatsing van de visserij verder naar buiten toe, behoefte kreeg aan een meer zeewaardig type. Voor die tijd gebruikte men meer aakachtige types zoals bijvoorbeeld de Beijerlandse schuit. (Bron: Peter Hamer, Stichting Behoud Hoogaars.)

Zie ook De steekhengst een vergeten scheepstype op SSRP.nl





~steekhopperzuiger:
hopperzuiger met een voorwaarts gerichte zuigbuis.





~steekijzer:
gereedschap, waarmee roest en oude verf- of teerlagen van het schip gestoken kunnen worden. Ook roeststeker genoemd.
Gerelateerde termen: teersteker, steekschep.





~steekleer:
1> plank, waarmee de den verhoogd kan worden.
Gerelateerde termen: opluiken, opkisten, potkast, kraam.

2> plank waarmee het boeisel of bovenboord verhoogd kan worden. Naar het schijnt eigenlijk hogelast geheten. Zie ook opboeisel, zetboord.

3> verwarrende benaming voor een losse plank, die men op schepen zonder gangboord gebruikt om over het ruim te kunnen komen. Zie ook waring.





~steekmast:
mast, die makkelijk, in zijn geheel, uit de mastdoft genomen kan worden.





~steekpomp:
verplaatsbare lenspomp, meestal in de vorm van een stokpomp.
De meeste stokpompen waren verplaatsbaar. Zij moesten, voor onderhoud, toch al makkelijk uitneembaar zijn en vormden wanneer zij bleven staan vaak een sta-in-de-weg.






~steekroer:
soort grote peddel of wrikriem met groot blad die over het achterschip over boord gestoken wordt en waarmee men de visschuit voortbeweegt. De schacht met greep schijnt kruk genoemd te worden.
Term gebruikt in de regio ten Noorden van Maastricht. Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland. Daarbuiten nog geen vermelding gevonden.

Gerelateerde term: roerspaan.





~steekschaar:
ijzeren vork met 3, 5 of 7 van weerhaken voorziene, dicht bij elkander geplaatste, tanden aan een lange staak. Zie ook aalschaar.





~steekschep:
soort spade met een stevig vlak blad met vrij scherpe snede. Ook steekspa genoemd.
De steekschep of spa wordt gebruikt om het onderwaterschip af te steken (afsteken) en is dus vergelijkbaar met de teersteker.






~steekschuit:
visschuit die gebruikt wordt door vissers die (in de Biesbosch) met steken en weren vissen.
Gerelateerde term: Steekhengst, Biesboschschuitje.





~steekschutting:
verticaal vlecht- of netwerk dat tot doel heeft vissen de doorgang te beletten of in bepaalde richting te geleiden. Onder meer toegepast bij de zalmsteek. Ook schutwant. of hort genoemd.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steeksluis:
1> eenvoudige kleine houten sluis.
A.A. Beekman schrijft hierover in Het Dijk- en Waterschapsrecht in Nederland vóór 1795: Kleine houten schutsluis, aldus genoemd, omdat zij als het ware in den grond gestoken wordt. De beide paren sluisdeuren hangen nl. elk in een gebindt, bestaande uit 2 door een hoofdbalk verbonden stijlen, waartusschen de slagdrempel is aangebracht en daaronder een wand van damplanken. Men behoeft nu geen sluisput te graven, maar slechts eene sleuf, waarin het gebindt "gestoken" en daarna op de juiste diepte wordt ingeheid.


2> houten schutsluis waarbij de wederzijdse kolkwanden en hoofden door binten, ook galgen genoemd, gestut worden.
Bron: Volledig leerboek der sluis-en waterbouwkunde, J.H. Harte, 1852 blz.42





~steekspa:
soort spade met een stevig vlak blad met vrij scherpe snede. Ook steekschep genoemd.
De steekschep of spa wordt gebruikt om het onderwaterschip af te steken (afsteken) en is dus vergelijkbaar met de teersteker.






~steekstok:
weinig gebruikte term voor de, ca. 5 meter lange, palen-stokken, die hengelvissers gebruiken om hun bootje tegen wegdrijven te behouden. Ook baggerstok genoemd.





~steekvisser:
persoon die met een vissteek vist.
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steekvisserij:
het vissen met visweren/vissteken. Ook weervisserij of stekenvisserij genoemd. Zie ook[Links: Diverse termen inzake de visserij.





~steekzuiger:
zuiger waarbij de zuigbuis voorwaarts gericht is.
Het uiteinde van de buis kan voorzien van een, meestal bolvormig grof traliewerk of van een snijkop. Gerelateerde term: hopperzuiger, snijkopzuiger.





~steenkoolteer:
zwarte teer, gewonnen uit steenkool. Ook koolteer of Engelse Teer genoemd. Zie verder bij teer.





~steen:
driehoekige steen met afgeronde hoeken die als verzwaring voor de onderreep van een zegen dient. Ook zegensteen of murk genoemd.
DE STENEN
: plaatselijke term voor de onderreep van een zegen. [Links: Diverse termen inzake het vistuig.]
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steenbaas:
in de zegenvisserij, de visser, voor in de boot gezten, die de steenreep uitzet.
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steenbonk:
1> schip dat in verband met het transport van stenen voor dijkonderhoud extra zwaar gebouwd is.
De term wordt onder andere gebruikt voor een viertal zeeuwse klippers, die bij de Gebroeders Geleijns gebouwd werden.
Ook onder de Zeeuwse Tjalken kende men steenbonken.


2> schip gebruikt voor het transport van steen. Zie verder bij steenschip.





~steengaander:
persoon die bij de zegenvisserij de onderreep binnen haalt. [Links: Diverse termen inzake de visserij.]
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~N.V. Steenkolen Handels Vereeniging, S.H.V.:
ontstaan uit een op 8 augustus 1893 opgericht consortium van steenkolenimporteurs die hun kolen voornamelijk uit Duitsland betrokken. Op 1 april 1886 leidde dat tot de oprichting van voornoemd vennootschap. Tussen 1903 en de oprichting van de N.V. TransportMaatschappij in 1911 fungeerde de S.H.V. tevens als reder. De S.H.V. bleef na 1911 eigenaresse van een wisselend aantal schepen, die dan door de Transport Maatschappij ingehuurd werden.





~steenlichter:
vermoedelijk een ballastlichter gebouwd op het transport van stenen.
De term komt (onder meer) in 18de eeuwse notariële acten uit de pronvincie Utrecht voor.






~steenreep:
onderste, met stenen, zegenstenen, verzwaarde, reep van een zegen. Ook onderreep genoemd. [Lijst: Diverse termen inzake het vistuig.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steenschip:
schip gebruikt of bestemd voor het transport van stenen (voor oeververdediging).
Gerelateerde termen: blokkenvaartuig, schuifstorter, steenbonk, steenschouw, steenschuit, steenstorter, steenvaart, tuimelbak, enz.





~steenschipper:
schipper die (met een Hagenaar) baksteen vervoert.





~steenschouw:
waarschijnlijk een (platte) schouw die gebruikt wordt voor het transport van stenen.





~steenschuit:
1> schuit of schip zonder eigen voortstuwing gebruikt of bestemd voor het transport van stenen (voor oeververdediging). Zie ook steenschip.
Onder meer genoemd in: Algemeen Handelsblad 28-09-1889.
Nb. De begrippen schuit en schip worden niet altijd juist toegepast en vooral bij werkschepen heeft men al gauw de neiging om van schuit te spreken.


2> scheepstype. Niet al te groot (12-18 meter) houten vrachtschip onder andere gebruikt voor het vervoer van baksteen van Rumst, Terhagen, Boom, enz. naar Antwerpen. Type schuit/schipschuit met een erg vol model; krappe boegen, krappe kimmen en bijna vlakke verticale zijdes. De steenschuit onderscheid zich van andere schuiten door een vrij hoog geplaatst berghout (dus laag boeisel). Tamelijk zwaar gebouwd en voorzien van een extra zware klamp bij het zwaard om deze bij het droogvallen aan de 'steenkaai' te Antwerpen te beschermen.
Volgens Maurice Kaak zijn er steenschuiten gebouwd die echte platbodems waren, als ook die echte rondbodems waren, terwijl tussenvormen eveneens voorkwamen.





~steensnoer:
lijn aan een dobber waaraan de steen gebonden is.
Gerelateerde term: steentouw.





~steenstorter:
vaartuig speciaal ingericht om stenen (van groot formaat) te kunnen storten. Ook stortschip genoemd. Het vaartuig vervoert zijn lading meestal in op het dek geplaatste kantelbare stalen bakken. De meeste steenstorters zullen over een eigen voortstuwing beschikken en zijn dus eigenlijk motorsteenstorters, maar deze term wordt zelden gebruikt.
Een variant is de schuifstorter hierbij wordt de op het dek liggende lading door middel van beweegbare 'borden' overboord geschoven. Ook steenstortschip genoemd.
Gerelateerde termen; blokkenvaartuig, motorsteenstorter, tuimelbak, enz. .





~steenstorting:
1> vorm van oeververdediging bestaande uit, tegen een glooiende helling gestorte stenen. Sinds ca. 1990 een
MILIEUVRIENDELIJKE OEVERVERDEDIGING
genoemd.

2> in het vaarwater gestorte stenen die de bodem of daarop liggende zinkstukken, moet vasthouden.





~steenstortponton:
ponton dat gebruikt wordt voor het aanbrengen van bodembescherming.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten.






~steenstortschip:
andere term voor een steenstorter.
Term voorkomend in de liggers van de meetdiensten.






~steentjalk:
zwaar gebouwde houten hektjalk. Zie bij Zeeuwse tjalk.





~steentouw:
touw tussen een visnet of dobber en de steen die ter verzwaring, verankering aangebracht is.
Zie ook: steensnoer.





~steenvaart:
Het vervoer van brokken natuursteen.
Veel van de gebruikte stenen kwamen uit Duitsland. Ze werden hier voornamelijk voor kades, kribben en zeeweringen gebruikt.






~steiger:
1> lange, smalle, boven het water aangebrachte of op het water drijvende constructie, waarover gelopen kan worden. Ook steigerwerk genoemd. Zie ook: juk.
DRIJVENDE STEIGER
: soort van, op drijflichamen rustende houten loopbrug(gen) die (meestal) door middel van palen tegen ongewenste verplaatsingen gezekerd zijn. Soms gebruikt men i.p.v. houten loopbruggen, ook constructies met metaal, hout en/of kunststof.

2> willekeurige constructie die het personen of goederen (lading) mogelijk maakt het vaartuig te bereiken.
Ook drijvende steigers, aanlegpontons, combinaties van meerpalen en loopbruggen worden, als het zo te pas komt 'steiger' of 'steigerwerk' genoemd.

Gerelateerde term: kiepsteiger.





~steigergeld:
verouderde term: vergoeding, die men voor het liggen aan steigers moest betalen.





~steigerponton:
vermoedelijk een ponton dat dienst doet als aanlegplaats voor schepen.
Term voorkomend in de liggers van de meetdiensten.






~Steigerschuit:
1> mogelijk, maar niet waarschijnlijk (zie 2), 17de eeuws scheepstype in dat geval een open houten zeilscheepje. Voor en achter vrij spits en met rechte naar buitenvallende stevens eindigend. Nauwkeurige gegevens ontbreken nog. Ook als Steygerschuit geschreven.

2> mogelijk elk vaartuig, geroeid, gezeild of geboomd, dat een veerdienst over korte afstand onderhield. Waarschijnlijk voornamelijk gebruikt voor die vaartuigen die een verbinding tussen de wal en de op de rede liggende schepen onderhielden. Dit kon zowel om het vervoer van personen, als ook om het vervoer van goederen, inclusief delen van de lading, gaan. De veerschuit tussen Buiksloot en de stadsherberg te Amsterdam wordt echter ook veelvuldig een Steigerschuit genoemd. Ook als Steygerschuit geschreven. De gedekte exemplaren noemde men in de tijd van Nicolaas Witsen Toe Steigerschuit.
Het lijkt er een beetje op als of de Steigerschuit een Amsterdamse aangelegenheid was. Tenminste wat de naamgeving betreft want elders werden ook schuiten gebruikt om de verbinding tussen wal en diepstekende of erg grote schepen te onderhouden.
De steigerschuit/veerschuit van Buiksloot zoals Nooms die tekende en die door Crone beschreven werd, was een gedekt tjalkachtig scheepje dat plaats kon bieden aan 28 man. Haalmeijer en Vuik houden het erop dat het scheepje een statie heeft. Volgens mij echter heeft Nooms een paviljoentje of een achterhuisje weer gegeven. Het scheepje heeft de kenmerkende gekromde punt aan de voorsteven, die men bij zoveel van de Zuidelijke tjalkachtigen aantreft. Het roer is gesierd met een opvallend roerbeeld, vermoedelijk een Flora of is het misschien een kopjacht.






~steigerschuitenvoerder:
eigenaar of schipper van een steigerschuit. Ook steigerschuitvoerder genoemd.
Bron: Nederlandsche staatscourant, 01-03-1861. via Delpher






~steigerschuitenvoerdersgilde:
vereniging van steigerschuitenvoerders. Ook steigerschuitvoerdersgilde genoemd.
Bron: Amsterdam, In Zyne Opkomst,..... Deel 13, Door Jan Wagenaar. 1768.






~steigerschuitvoerder:
eigenaar of schipper van een steigerschuit. Ook steigerschuitenvoerder genoemd.
Bron o.a.: Nieuwe verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, Volume 4, Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. 1827 via Google books.






~steigerschuitsvoerdergilde:
het gilde waarin de steigerschuitvoerders verenigd waren. Ook steigerschuitenvoerdersgilde genoemd.
Bron o.a.: Handvesten, ofte Privilegien ende Octroyen, mitsgaders Willekeuren, Costuimen, Ordonnantien en Handelingen der stad Amstelredam. 1423. (geschreven als Steyger-schuyt-voerders Gilde) via de Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.






~steigerwacht:
persoon die op het laden bij een kiepsteiger toezicht houdt.





~steigerwerk:
meestal een boven water liggende constructie waarover gelopen kan worden. Zie verder bij steiger.





~Steilsteven:
1> scheepstype. Zeilend vrachtschip met steile steven en een rond achterschip. Ook bekend als: Paardekontkastje, Steilstevenaak, zeilaak en kastaakschip. De steilsteven is één van de laatste zeilende vrachtschepen. Het schip heeft een vrij volle kop, niet veel zeeg en een vol rond achterschip. Er zijn min of meer twee types te onderscheiden: het brede, lage type en het type met min of meer normale verhoudingen. De meeste Steilstevens zijn echter in verhouding tot hun holte altijd aan de brede kant. De roef aan de den is bij het eerste type meestal diepverzonken, het achterdek een weinig verhoogd. Bij het tweede is de roef weinig verzonken. De meeste Steilstevens zijn niet groter dan een meter of vijfentwintig. [Afbeeldingen]
naar verluidt wordt de steilsteven in sommige kringen een Hoogeveense of Drentse Kempenaar genoemd. Verder ook nog bekend onder de term kanaalkastje.


Veel minder bekend is de motorsteilsteven een steilsteven die bij de bouw al voorzien is van een verbrandingsmotor. De kop kan iets minder vol zijn, het achterschip een beetje samengeknepen, gepiekt. Ze zijn meestal, maar niet altijd, uitgerust met een salonroef.

2> door enkelen gebruikt voor alle vrachtschepen met een loodrecht staande stafsteven. Hiertoe behoren dan onder meer: de voornemde types, de Engelse bak, de Kraak, de diverse Motorschepen en de Kast. Sommigen willen ook sleepboten en bepaalde opdrukkers tot deze groep rekenen.
Het gebruik van deze term heeft meer dan eens voor verwarring gezorgd en moet dus ontraden worden. Beter kan men, als men de bouworde aan wilt duiden van de steile stevens spreken.
De naam steilsteven voor deze bouwgroep komt, voor zover ik weet, in geen van de oudere boeken voor. De vroegste vermelding die ik aangetroffen heb, was in het boekje 'Binnenvaartschepen' van Martens en Loomeijer uit 1977.
De types met een steile vrij scherpe steven worden in sommige kringen scherpstevens genoemd.






~Steilstevenaak:
ongebruikelijk synoniem voor Steilsteven(1).





~Steilstevenopdrukker:
weinig gebruikte naam voor opdrukkers met een sleepbootachtig model. Zie ook opdrukkersleepboot.





~stek:
1> stevige verticale stok in het vlechtwerk, de schutting, van een vissteek. [Links: Diverse termen inzake het vistuig.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.


2> vistuig bestaande uit een stok/tak met gaffelvormig uiteinde, de mik, als een soort hengel, een lijn en een fleurangel waaraan een aasvisje gehaakt werd. Ook fleur, zetlijn, zethengel of zetangel genoemd. [Links: Diverse termen inzake het vistuig.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steken:
1> een steek (een bepaalde knoop) maken.

2>
LIGGEN STEKEN
,
ZICH GAANDE HOUDEN
:
zonder zich al te veel te verplaatsen, het schip met de kop tegen de wind, of de stroming, in houden.

3> meer tegen de wind of stroom in gaan varen. Ook opsteken genoemd.

4>
MEER KETTING of TOUW STEKEN
: zie vieren.

5>
VAN WAL STEKEN
: met het schip vertrekken. [Uitdrukkingen e.d.] Ook afsteken genoemd.

6> het zwaard op een bepaalde diepte in het water laten hangen.

7> van schepen: (vrij) veel diepgang hebben: een stekend schip. In tegenstelling tot een vlot schip.





~stekenvisserij:
het vissen met visweren/vissteken. Ook weervisserij of steekvisserij genoemd. Zie ook [Links: Diverse termen inzake het vistuig.]





~steker:
1> spant dat een hoek met de lengteas van het vaartuig maakt. Zie verder bij draaispant.

2> onderdeel van de ankerlier. Zie bij kettingsteker.





~stekertje:
kleine langedijker akkerschuit tot ca. 4 m. lang. Het type schijnt in latere tijden niet meer gebouwd te zijn. Ook langedijker roeischuitje genoemd.





~stekker:
hulpmiddel voor het zekeren van gestapelde container. Verkorting van containerstekker.





~stekkeren:
verbasterd Engels voor het aanbrengen van containerstekkers.





~stel:
plaatselijke term voor elk net dat een onderdeel vormt van een zegen. Ook pand genoemd. [Links: Overige termen inzake het vistuig.]
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stelen:
bij het rondbreiën van een visnet een kleiner aantal mazen per rondgang breiën. Ook minderen, afminderen, afvatten en innemen genoemd. [Links: Diverse termen inzake het vistuig.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steling:
vermindering van het aantal mazen van een visnet.





~stellen:
EEN BOK STELLEN
: een bok (hijswerktuig) verankeren en in de juiste positie brengen. De term is overeenkomstig ook van toepassing op drijvende werktuigen, zoals emmermolens en zuigers.
EEN MOTOR STELLEN
: een motor uitlijnen.
SPANTEN STELLEN
: de, naar een mal gevormde, spanten voorlopig op hun plaats zetten.





~stelling:
1> een los (houten) dek. Bijvoorbeeld een losliggend voordek op kleine zeilende scheepjes of het dek in de Wieringer aak. Het dek achterin de Waalschokker noemt men echter soms de brug.

2> plaats waar vandaan gestuurd wordt, in het bijzonder wanneer dit maar een tijdelijke voorziening is. Zie ook stuurstelling.

3> constructie van in de bodem gedreven palen met dwarsbalken, waarop men een schip gebouwd werd. Verkorting van bankstelling.

4> niet voldoende bekend. Soort van verhoogde kuipvloer bij bepaalde zuiderzeevissers.





~stellingbank:
constructie van in de bodem gedreven palen met dwarsbalken, waarop men een schip gebouwd werd. Verkorting van bankstelling.
Onder meer te vinden op: people.zeelandnet.nl/jepeka/Hetbouwenmain.html.






~stellinghout(je) :
klein stuk stuwhout. Een plankje van ongeveer 7,5 cm breed, 2 cm dik en 30 cm lang dat gebruikt werd om de lading op te stoppen. Het werd onder meer gebruikt om het rollen van vaten tegen te gaan en op lading, die op de bolstaande stalen luiken, zoals die op beurtschepen voorkwamen, steviger op te kunnen stellen. Mogelijk was de term alleen op de Wijkdiensten (N.R.M.) ingebruik.





~stellingijzer:
metalen beugel die aan het bestek of de potdeksel gehangen kan worden om planken te dragen. Voluit stellingplankijzer genoemd.





~stellingplankijzer:
metalen beugel die aan het bestek of de potdeksel gehangen kan worden om planken te dragen. Ook stellingijzer genoemd.
De planken werden vooral op werven gebruikt om bepaalde werkzaamheden aan hogere delen van het schip te verrichten of om, wanneer het schip nog in het water lag, een stabiele werkvloer te hebben en niet vanuit een wiebelende boot te moeten werken.






~stelnet:
Zeeuwse term voor een visfuik. [Links: Diverse termen inzake het vistuig.]
Onder meer te vinden in de Middelburgsche courant van 10-03-1849.






~stelpnet:
soort werpnet dat men over de vissen, die men in het water ziet zwemmen, gooit. Het net lijkt verwant aan de geel. Ook stulpnet genoemd.
Het
mechanische stulpnet
is kleiner, bezit een grote hoepel die het net open houdt en wordt met een bok of boom over het achterschip van een boot te water gebracht.
Dit net wordt in P. Verhagen Rivieren boten en vissers, genoemd.






~stelsel:
verkorting van roerstelsel, bus de combinatie van roerhaak of roerduim en vingerling.





~stempel:
1> stuk gereedschap, waarmee voorwerpen in een bepaalde vorm gedreven worden. Bijvoorbeeld: zeilkousen, die men in het zeil slaat. De stempel wordt bijna altijd gebruikt in combinatie met een bijpassend aambeeld.

2a> tijdelijke, meestal houten, constructie, die tot doel heeft iets stevig op een bepaalde plaats te houden.
b> tijdelijke voorzienig om een lek te dichten. Een stuk spek, dat met de voornoemde stempel op zijn plaats gehouden wordt. Door sommigen ook wel een dempsel genoemd.

3> constructie bestaande uit twee verticale stijlen met aan de bovenzijde een horizontale balk daartussen, die deze stijlen van elkaar houdt. De constructie wordt gebruikt bij sluizen, zowel om de druk op houten sluiswanden en sluishoofden op te vangen, als ook om valdeuren te kunnen hijsen. De term werd in Amsterdam en omgeving gebruikt; elders spreekt men van een galg.
Volgens de Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.. zou stempel verwant kunnen zijn aan stempsel wat volgens Boekenoogen zoiets als een keersluis zou zijn.


4> tussen deurkas en voorhar geplaatste zware boom, die de sluisdeuren van een keersluis tegen moeten houden, wanneer het buitenwater onder het stempelpeil komt en men toch niet wenst te spuien. Vergelijk waker.





~stempelpeil:
waterpeil waarbij het niveau van het water, waarop uitgewaterd moet worden, zover gedaald is dat uitwaterende sluizen voortijdig openen.
Vroeger plaatste men blijkbaar een stempel omdat te voorkomen. Tegenwoordig heeft men een mechanische voorziening die men (naar het schijnt) deurgrendel noemt.






~stender:
deel van het houten dwarsverband. Overijssels voor staander.





~stenen:
zegenstenen aan de onderreep binden. [Links: Diverse termen inzake het vistuig.]
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stenenrooster:
rooster voor de opening van de sleepkop bij een sleepzuiger waar mee voorkomen wordt dat te grote harde voorwerpen in de zuigbuis en de pomp komen. Ook wel bommenrooster genoemd.
Onder meer genoemd in: Optimalisatie van het baggerproces op TSHD tijdens het sleepzuigen, Bart Van de Velde.






~stenenvanger:
voor de zandpomp aanwezige constructie, die moet voorkomen dat grote stenen in de pomp geraken.
De mogelijke constructies zijn mij nog niet bekend. Vermoedelijk is het een rooster.






~steng:
rondhout waar mee de mast verlengd kan worden.
VASTE of OPGELASTE STENG
: een steng, die onwrikbaar met de mast verbonden is. In Vlaanderen schijnt men te spreken van een
GENAAIDE STENG
.
De genaaide steng kent de volgende (Vlaamse) onderdelen: staart, geel, peer en top (wat natuurlijk het bovenste deel is).

SCHIETENDE STENG
,
LOPENDE STENG
: een steng, die men kan laten zakken, zodat deze niet meer boven de ondermast uitsteekt.
Gerelateerde termen: stengemast, stengetalie, stengewindreep, schietreep, hommergat, tuingat, knoop, ezelshoofd, ezelsoor.





~stengebeugel:
Vlaams? voor een metalen ezelshoofd.





~stengemast:
mast, die met een steng verlengd is. In de binnenvaart alleen bij zeilende rivierschepen en de grotere binnen- buitenvaarders voorkomend.
Bron: Tuigage, laden en lossen, Spaan & Leygraaff, uitg. Born, Assen 1948.






~stengenmast:
een mast die met een rondhout verlengd is. Moderne schrijfwijze voor stengemast.
Bron: zeilersforum.nl






~stengetalie:
takel waarmee men de steng op en neer kan laten gaan. Ook stengewindreep genoemd. Deze takel, wordt gevormd door blokken aan de mast, blokken in de hieling van de steng en als loper, de schietreep.
Zie ook schieten.





~stengetuig:
tuigage met één of twee stengemasten.





~stengeval:
touw van de stengetalie: de schietreep.





~stengewindreep:
volgens sommigen de stengetalie*, volgens anderen de schietreep.
* Bron: Tuigage, laden en lossen, Spaan & Leygraaff, uitg. Born, Assen 1948.






~stent:
vier kooien te samen. De term heeft betrekking op de vissersschepen, schokkers, te Moerdijk. Gerelateerde termen
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steunder:
1> verticaal of schuinweg geplaatste balk, staaf, hoeklijn, of daarop gelijkende constructie, die tot doel heeft extra stevigheid te verlenen. Onder andere gebruikt als synoniem voor schansstut.

2> deel van het dwarsverband in een houten schip lopende van af het uiteinde van de legger tot aan het dek of bovenboord. Vaak oplanger maar ook wel staander genoemd.
Bron: Scheepsbouw; G. J. van der Werff, Hoogezand, weekblad Schuttevaer 27 november 1937.






~steunlager:
lager dat voorkomen moet dat lange assen doorzakken of gaan vibreren.





~steunlagerblok:
asblok voor een steunlager.





~steunzeil:
klein zeil, meestal onder speciale omstandigheden gebruikt. Men kent onder meer het hulpzeil en het slingerzeil.





~steurdrijfnet:
ieder drijfnet waarvan de maaswijdte meer dan 25 centimeter bedraagt. [Links: Diverse termen inzake het vistuig.]
Genoemd in: Reglement voor de Binnenvisserij 1911.






~steurdrijven:
met een drijfnet op steur vissen. Ook kortweg drijven genoemd. [Links: Diverse termen inzake het vistuig.]
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steurdrijver:
persoon die met een drijfnet op steur vist. Ook kortweg drijver genoemd. [Links: Diverse termen inzake het vistuig.]
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steuren:
ongekaakt inzouten.





~steurgaren:
garen gebruikt voor het breiën van drijfnetten. Zie ook bij streen.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steurhaak:
sikkelvormig vanggereedschap waarmee uit het net weglippende vissen aan de haak slaat. Meestal iets kleiner dan de zalmhaak.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steurkogel:
1> kogelvormig gewicht rond de voorstag (ca. 600 gram zwaar) dat het strijken van de fok moet vergemakkelijken. Naar het schijnt alleen voorkomend op de zalmdrijver e.d..
Genoemd in: Mededelingenblad Historische Vereniging Hardinxveld-Giessendam 14/2.


2> vroeger: kogelvormige verzwaring aan een steurnet.
Genoemd in: Mededelingenblad Historische Vereniging Hardinxveld-Giessendam 14/2.






~steurnet:
drijfnet zonder ladderings maar met hangers of staanders. Ook Hamburgernet genoemd.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~steurvisserij:
de vangst van steur en alles wat daarnee verbonden is. [Links: Diverse visserij termen.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stevelen:
1> zich op de rivieren, over grotere afstanden, met de stroom mee laten drijven.
Bij het stevelen maakt men er gebruik van dat men op de rivier 'helling-af' gaat. Het vaartuig kan hierdoor een snelheid bereiken die tot 4 à 5 km/u hoger ligt dan de stroomsnelheid van de rivier. Dit is voldoende om het schip bestuurbaar te houden. Wel kon het, op sommige gedeelten, nodig zijn om met een enorme roeiriem, de draaglap, de koers een beetje te corrigeren.
Men stelt dat de rivier een stroomsnelheid moet hebben van boven de vier kilometer per uur wil men er kunnen stevelen. Beneden deze snelheid zou men een schip slechts kunnen laten drijven. Sommige schippers wisten echter met het voorspannen met een roeiboot de grens waarbij men kon blijven stevelen te verleggen. Men moest dan wel over een krachtige roeier beschikken.
Begin twintigste eeuw werd het stevelen officieel verboden, maar veel zeilschippers bleken nog al hardleers te zijn, zodat er zelfs tot na de tweede wereldoorlog soms nog gesteveld werd.

2> in bepaalde kringen: het zich door de stroming van de rivier mee laten voeren.
Deze vorm, die eigenlijk overeenkomt met 'zich laten drijven', kent weer twee varianten. Bij de eerste vorm probeert men met een roeiboot of met roeispanen, bomen en kleine ankers het schip op koers te houden. Bij de tweede vorm remt men, door een anker of een bos ketting over de grond te laten slepen, het schip zover af dat men druk op het roer heeft en het schip bestuurbaar wordt.
In mijn ogen is het niet correct deze vormen van zich laten drijven, als stevelen te betitelen.






~steven :
uiterste voor of achterkant van een schip of om nauwkeuriger te zijn het gedeelte tussen de voor- of achterboegen. [Uitdrukkingen e.d.]
Gerelateerde termen: doossteven, duwsteven, plaatsteven, enz.
EEN STEILE STEVEN
: een steven die bijna verticaal staat. In bijna alle gevallen is het tevens een steven die recht is.
EEN SCHERPE STEVEN
: een steven waarbij de hoek, die de romp op de plaats van de steven maakt, minder dan 90 graden is.
OP STEVEN GEBOUWD
: schepen, waarbij de stevenbalken gebruikt worden om de daarna aangebrachte gangen aan vast te hechten.
verborgen steven
,
binnenliggende steven
, binnensteven:
bij houtbouw: een steven die door de gangen, die daarop bevestigd zijn, afgedekt wordt en dus niet , behalve dan wanneer deze boven het bovenboord steekt, zichtbaar is.
In normale gevallen worden de gangen in een sponning, die zich nabij de binnenwaarts gerichte kant van de steven bevindt, vastgezet. Men doet dit om te voorkomen dat het kopse hout beschadigd wordt. Bij verborgen stevens liggen de gangen tegen de zijkant van de steven aan en lopen tot aan de voorzijde van de steven toe door. Tegen deze voorzijde, die dus uit de kopse kanten van de gangen bestaat, slaat men soms een latje om beschadiging te voorkomen. Soms ook worden de kopse kanten met een strookje ijzer afgedekt.
De term binnensteven, die men ook wel voor deze constructie gebruikt, kan verwarring veroorzaken.

AANGEZETTE, AANGEKLAMPTE,
of
VALSE STEVEN
: een (voor)steven die geen wezenlijk onderdeel van de constructie van het vaartuig vormt. De term aangeklampt gebruikt men uitsluitend voor houten stevens.
Indien een achtersteven aangezet of aangeklampt is, dan spreekt men meestal van een roersteven.






~Stevenaak:
1> zeilend stalen vrachtschip, in de tweede helft van de 19de eeuw ontstaan, dat men tot de groep van Aken/lastaken rekent, maar daar, wegens het ontbreken van heves niet toe behoort. Over het algemeen een beetje spits toelopend voorschip met kromme doossteven, soms met aan de bovenzijde naar voor uitstekend deel. Voorschip soms iets uitwaaierend en dan door sommigen Stevenklipper genoemd. De stevenklipper heeft echter, naar men zegt, een geveegd achterschip. De stevenaak heeft een tamelijk vol, maar gepiekt, achterschip. Het achterschip loopt duidelijk op en bovendien wat spits toe. Het is duidelijk een voortzetting van het achterschip zoals we dat van de Dorstense aken kennen. Het is een Rivierschip met een lengte meestal boven de 26 meter. Vaak getuigd met twee masten en de roef, tussen de luikenkap, op ca. 1/3 van achter. [Afbeelding]
De eerste stevenaak, de Merwestroom, werd vermoedelijk in 1864 op de werf van Johan Jonker te Kinderdijk gebouwd. (Bron: Schepen en schippers van Bergen op Zoom door Kees Touw.)

De houten voorloper stevenaak is het stevenschip.
Behalve 'Stevenaak' wordt ook de term Rijnschip voor dit type gebruikt.
Er staan veel meer schepen als stevenaak te boek dan er gebouwd zijn. Dit wordt onder meer veroorzaakt door het feit dat sommige klippers, klipperaken en mogelijk ook andere types stevenaak genoemd werden.
De meeste stevenaken zijn tussen 1864 en 1888 te Kinderdijk bij Jonker gebouwd.
Zie ook de website van Kees Touw: stevenaak-klipper-en-kast
en de gelijknamige forumpost op kustvaartforum.com.


2> volgens sommigen: een klipperaak.
Bron: P.J.V.M.Sopers: Schepen die verdwijnen. Haarlem 2000.






~stevenaakschip:
andere term voor een stevenaak.
Term voorkomend in de liggers van de meetdiensten.






~stevenaaksleepschip:
een stevenaak zonder tuigage en zonder motor.
Term voorkomend in de liggers van de meetdiensten.






~stevenaanzet:
a> bij houten schepen: de constructie, die toegepast wordt om de stevenbalk met het vlak te verbinden.
b> bij stalen schepen: het punt waar het vlak tegen de stevenbalk of stafsteven sluit.





~stevenakenkont:
rond maar iet wat spits toelopend gepiekt achterschip zoals men dat op stevenaken ziet.
De eerste en de meeste stevenaken kwamen van Kinderdijk waar men al in 1864 dit model ging bouwen. Het is daarom onjuist om het achterschip van de stevenaak een Waspikse kont, alwaar men pas in 1884 het daar gangbare model ging bouwen, te noemen. Anders dan bij de Waspikkers loopt de lijn van het achterschip sterker omhoog en is het bovenaanzicht van het dek bij de stevenaken wat spitser.






~stevenbalk:
balk of overeenkomstige constructie in staal, die, verticaal, over het het midden van de steven loopt.





~stevenbeslag:
houten of metalen delen die aan, op of tegen de steven of stevenbalk bevestigd zijn.
Gerelateerde termen: bandnagel, korlat, roezemoes, schegplaat, spang, stagbout, stevenplaat, talielat, enz..





~stevenbolder:
bolder op of dichtbij de steven. Ook wel kopbolder genoemd. [Afbeelding stevenbolder met verhaalrol]





~stevendok:
dok, bedoelt om alleen het voor- of achterschip van het vaartuig boven water te brengen.





~stevenen:
vooruit varen. [Uitdrukkingen e.d.]
Zie ook: afstevenen, aanstevenen.





~stevenhaak:
bij houten schepen: knievormig deel van de stevenbalk daar waar die aansluit op de kiel of op het vlak.
De term lijkt vrij nieuw te zijn.

Gerelateerde term: stevenknie.





~stevenhoogte:
de afstand tussen het wateroppervlak en het bovenste puntje van de steven.





~stevenhout:
1> hout waarvan de steven gemaakt wordt.

2> al het hout dat het aller voorste deel van het schip vormt.





~stevenkaar:
1>  kaar, met toelopende voor- en achterkant, zodat deze makkelijker versleept kan worden. Zie ook: scheepskaar.

2> visbun tegen de achtersteven.





~stevenklamp:
1> kikker op, tegen of nabij de voor- of achtersteven aangebracht.

2> naam, die aan diverse klampen op of nabij de voor- of achtersteven gegeven kan worden.
In deze zin is een klamp een stevig houten constructiedeel.






~stevenklink:
een klink die voor de constructie van voor- of achtersteven gebruikt wordt.





~Stevenklipper:
1> stalen vrachtschip. Naam voor een vrijwel onbekend scheepstype met een geveegd achterschip en een voorschip dat het midden houdt tussen dat van een Stevenaak en dat van een klipper.
De voorsteven mist de duidelijke s-vormige bocht die zo typerend is voor de klipperkop, verder heeft het schip geen stafsteven, maar een kleine in staal nagebouwde stevenbalk. Soms waaiert het voorschip boven het berghout wel een beetje naar buiten uit.
Stevenklippers zijn rond 1877 ontstaan en werden voornamelijk door Rijkee Rotterdam gebouwd.


2> Klipper met een kleine doossteven in plaats van een stafsteven.
Eigenlijk weinig afwijkend van het bij 1 genoemde type, maar sommige terzakekundigen leggen de scheidslijnen tussen de verschillende types nu eenmaal anders, dan anderen.
Dit vaartuig is dus op de steven na gelijk aan de klipper, dus met een wat uitwaaierende kop en een wat steiler staande steven dan de voornoemde stevenklipper. Het is echter wel een vroeg type klipper en heeft daarom soms een beetje afwijkend van model van later gebouwde klippers. Ook zijn ze, zoals alle vroege klippers vrij fors van formaat, rond de vijfendertig meter, en meestal getuigd als anderhalfmaster.


3> Stevenaak met uitwaaierend voorschip.
Het schip heeft dus zowel het wat volle achterschip van de Stevenaak, als ook de licht gebogen voorstevenbalk. Alleen het boeisel op het voorschip buigt iets naar buiten toe uit. Waar het scheepstype ophoudt een Stevenaak te zijn en een Stevenklipper begint te worden, is mij echter niet bekend en blijkt ook meer dan eens een punt van discussie te zijn.


4> een Klipper met een Waspikse kont: een Waspikse klipper.
Helaas komen dit soort inconsequenties voor......





~stevenklipperaakschip:
hoogst waarschijnlijk wordt hiermee een klipperaak bedoeld.
Term voorkomend in de liggers van de meetdiensten.






~stevenklos:
houten afdekking op de bovenkant van voor- of achtersteven. Ook bekend als klik of kopstuk.





~stevenknie:
klos of knie tussen kiel of kielbalk en stevenbalk. Ook knoop, stevenknoop of soms ook kropstuk genoemd. [nr.8 in tekening] [sk in tekening]
Gerelateerde term: stevenhaak.





~stevenknoop:
de plaats waar de schroefas uit het schip komt. Soms ook hoos of stevenoog genoemd. [Afbeelding]
Let op het onderscheid met stevenknie en knoop.





~stevenlat:
lat tegen de zijkant van, het bovenste deel van, de voorstevenbalk. Stevenlatten, aan elke zijde één, zijn aangebracht om slijtage van het ankertouw of de voorstevenbalk te voorkomen. Ze worden ook kabellatten genoemd.





~stevenlift:
korte schepenlift, bedoelt om reparaties aan het voor- of achterschip uit te kunnen voeren.
Gerelateerde term: schepenlift, schroevendok.





~stevenloos:
zonder duidelijk zichtbare stevenbalk gebouwd.
Verkorting van 'stevenbalkloos'. Aangezien een schip altijd stevens heeft, zelfs bij volkomen rechthoekige bakken zou men daar nog van kunnen spreken, is het woord 'stevenloos' niet erg gelukkig gekozen.






~stevennaad:
las- of klinknaad op of nabij de voor- of achtersteven.





~stevenoog:
de plaats waar de schroefas uit het schip komt. Zie ook stevenknoop.





~stevenoor:
bij smeedijzeren schroeframen aangebrachte uitstulping aan de achtersteven waarin een vingerling of de onderzijde van de roerkoning gelagerd is. Naar het schijnt ook wel roeroor genoemd.
De term komt voor in: Scheepsbouw, Leerboek Voor Stuurlieden en Machinisten. J. F. Gugelot, 1952. In de binnenvaart komt vermoedelijk alleen een stevenoor onder aan bij de kiel, de roertaats, voor. Meerdere stevenoren boven elkaar corresponderend met de roeroren aan het smeedijzeren roerraam van bepaalde roeren is misschien in de begintijd van de bouw van ijzeren stoomschepen gebruikt.






~stevenplaat:
1> bij houten scheepstypes: eigenlijk een stevenstrip. Lange stalen band tegen de voorkant van de voorsteven, meestal doorlopend tot over de (gehele) bovenkant. De strip wordt met bandnagels vastgezet.
Gerelateerde term: stevenbeslag.


2> bij oudere stalen scheepstypes: middelste gang van de steven. Het zijn eigenlijk alleen de aken met heves, die een stevenplaat hebben. Deze plaat is het verlengde van de kielgang. Zie ook hekplaat.

3> bij bepaalde Romeinse rivierschepen een soort van verlengstuk aan de heve.

4> bij nieuwe stalen scheepstypes: de plaat die de romp middenvoor afsluit. Zie ook plaatsteven.

5> bij bepaalde oude houten vaartuigen: een extra vloer, die in het voorschip op het vlak ligt en aan de voorzijde tot buiten het schip steekt.





~stevenroer:
minder bekende term voor een aangehangen roer, dus voor een roer dat aan een achtersteven hangt.





~stevenrol:
schijf of rol(a) nabij de steven. Vergelijk: boegrol, ankerrol.





~Stevenschip:
scheepstype. Overnaads gebouwd vrachtschip voorloper van de Stevenaak. Volgens ir. E van Konijnenburg ontstaan uit de Dorstense aak. In grote lijnen, ook wat tuigage en afmetingen aangaat, daaraan gelijk maar met iets meer holte en volgens de beschrijvingen een afwijkend voorschip. Het schip heeft namelijk een steven(balk). Deze is vaak recht en staat meestal verticaal. Ongeveer gelijk aan het Stevenschip is de Spitsaak. Deze heeft echter een licht gekromde iets vallende steven. Mogelijk is deze spitsaak echter niet meer dan een variant op het stevenschip. Deze schepen hebben geen heve meer en behoren zodoende niet meer tot de bouwgroep/familie van de aken/heve-aken. Toch rekenen veel mensen deze schepen er wel toe. Voorkomende maat 35 x 6 x 2,4 meter. Lengtes tussen de 26 en 36 meter.
Men zegt dat er ook Stevenschepen in ijzer gebouwd zijn, de verschillen met de Stevenaak worden dan echter dermate klein dat het onderscheid soms moeilijk te maken is.
De overnaads gebouwde stevenschepen bezaten geen berghout; de gladboordige stevenschepen hadden dat wel. Het door Konijnenburg getekende gladboordige schip heeft dan ook duidelijk een berghout compleet met slemphouten. Het lijkt er op als of de Spitsaak uitsluitend overnaads gebouwd werd. Ik heb echter te weinig materiaal om daar zeker van te zijn.






~Stevenschouw:
forse Zalmdrijver.
Men zegt wel dat hiermede de fors ogende Moerdijkse zalmdrijver, ook bekend als Schokkerschouw, bedoelt wordt, maar deze heeft juist GEEN voorstevenbalkje. Andere bronnen vermelden dat de Stevenschouw een zalmdrijver uit Klundert is.






~stevenspang:
metaalbeslag, een spang, waarmee de onderste delen van de stevenbalk bij elkaar gehouden worden. De term schijnt alleen in het Vlaams gebruikt te worden.





~stevensponning:
uitsparing in de stevenbalk waarin de uiteinden van de gangen liggen.





~stevenstrip:
lange stalen band tegen de voorkant van de voorstevenbalk, meestal doorlopend tot over de (gehele) bovenkant. De strip wordt met bandnagels vastgezet.
Gerelateerde term: stevenbeslag.





~stevenstuk:
metalen beschermstuk dat bij de vaart door het ijs rond de voor- of achtersteven geplaatst kan worden en waaraan de ijsboorden gekoppeld zijn.
Bron: Eerste verslag van het bestuur van de Vereniging 'De IJsploeg', via Google books.






~steventeen:
versmalling van de kielgang waarop de steven komt te staan. Minder gebruikelijk synoniem voor vlakteen, meestal kortweg teen genoemd.





~Steygerschuit:
houten vaartuig dat een soort veerdienst onderhield. Zie verder bij steigerschuit.


Volgende







Sitemap

© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Amsterdam.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site,
noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden! Veel inzenders zullen echter een verzoek tot het (her)gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)
Kopieën naar Facebook, Pinterest, en andere doorgeefluiken zijn echter niet toegestaan!

Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar ALLEN, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.



Statistieken