Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~Zaanse Boeier, Zaanlandse boeier:
bepaald type Boeier. @verdere gegevens niet bekend.
~Zaanse botter:
bepaald type Botter. @Verdere gegevens onbekend
~Zaanse gondel: scheepstype verwant aan de Grundel. In vergijking met de Grundel, een scheepje met een wat grotere holte, een breder vlak, een breder ronder zwaard en een doorlopend dolboord.
~zadeldakroef, zadeldekroef: roef met een roefdek, dat in het midden duidelijk hoger is en dat naar de zijkanten toe met een sierlijke s-bocht afloopt. Slechts enkele schepen hadden een dergelijk roefdek. Onterecht wordt een roefdek dat alleen sterk gekromd is, en dus geen dubbele-bocht heeft, door sommigen ook een zadeldak genoemd.
gebogen stuk ijzer met dwarsgreep, waarmee zakken, strobalen e.d. getilt kunnen worden. [A>]
Geen van deze termen is specifiek een scheepvaartterm!
Daar grote haken de zakken makkelijk beschadigen, mochten ze in de meeste gevallen niet voor gewoon zakgoed gebruikt worden en gebruikte men de lepelhaak. Bij sommigen zakken mochten zelfs helemaal geen haken gebruikt worden. Zoals zo vaak week de praktijk van alledag nogal af van wat er voorgeschreven werd. Er waren zelfs speciale kleine zak- / balenhaakjes, die in de handpalm 'verstopt' konden worden, het smokkelaartje of weghoudertje.
bepaalde steek, die, wanneer eenmaal goed aangetrokken, niet zonder mes los te krijgen is. Werd ondermeer gebruikt om plunjezakken dicht te knopen, te verzegelen.
~zaling: 1> horizontaal, dwarsscheeps, hout, ongeveer terhoogte van de hommer aan de mast bevestigt, dat de zijstagen in zekere mate naar buiten drukt. Masten met zalingen werden op binnenvaartschepen zelden toegepast.
~zalmdrijfnet:
driewandig drijfnet dat afgestemd is op de vangst van zalm. De lengte bedroeg tot ca. 250 meter, de hoogte ca. 2,3m. De maaswijdte was afgestemd op de grootte van de zalm, welke weer afhankelijk is van het seizoen.
De onderpees van het net is verzwaard en rust op de bodem. De bovenpees is voorzien van drijvers, zodat het net min of meer rechtstandig in het water zal staan. De stroming van de rivier zal het net echter meevoeren en wel zo dat het net schuin voorover hangend over de rivier bodem zal schuiven. De zalm die stroomopwaarts zwemt, zal (als het de visser naar wens gaat) tussen de ladderings geraken en vervolgens in het vangnet vast komen te zitten. Men liet het net een bepaalde afstand, de dreef met de stroom meevoeren en aan het eind er van werd het door de vissers weer binnen gehaald.
~Zalmdrijver, Zalmschouw:
naam, die aan diverse scheepstypes, waarmee ondermeeer op de benedenrivieren gevist werd, gegeven wordt. Ook Drijfschuit, Drijverschuit of Stevenschouw genoemd. Openvaartuig met knikspantromp en vlakke bodem. Het vlak loopt aan de voorzijde tot het bovenboord toe op. Flauw gebogen boegen, achter onder een vrij scherpe hoek aansluitend op een vertikaal stevenbalkje. De zwaarden hebben meer het model van een binnen-, dan van een zeezwaard. De grootste modellen hebben soms een roef. Men kent ondermeer, naar type: de boten van de Maas, met een veel voller achterschip en zelden groter dan 6 m, de boten van de Moerdijk: vrij plomp van bouw en zelden minder dan 6 m, de boten van de Beneden-Merwede en Waal, die dan min of meer normaal van bouw zijn en de Peurdersboten ongeveer 5 m. lang, met steiler onderboord en erg smal achterschip. Naar plaats onderscheidt men: de Werkendammerboot, de Bergenaar (Geertruidenberg), de Hartjesvelder, de Moerdijker (hier ontbreekt het stevenbalkje), de Zalmhengst (Zeeland?), Woerkommer (Woudrichem) en de Puttershoeker (al schijnt deze niet naar de plaats genoemd te zijn. Naar grootte: de vis- of beunboot (10,5 x 2,7), de grote of zegenboot (7,25 x 2,15), de volle of hele boot (7 x 2,10), de driekwarter (6,6 x 1,9), de fanny (6,2 x 1,8) en de meerkoet (5 x 1,55).
[E>www.zalmschouwen.nl. Werkt niet geheel correct in Firefox e.d.!]
~zalmfuik: fuik die gebruikt wordt in een zalmsteek.
~Zalmschouw: 1> thans populaire benaming voor wat eigenlijk een Zalmdrijver is. 2> houten Schouw, met redelijke zeeg en vrij breed gebouwd. Vanaf de 17de eeuw tot in de 19de eeuw gebruikt voor de zalmvisserij op de benedenrivieren. Getuigd met sprietzeil zonder giek. Ook de Lekse schouw en de Zalmboot waren mogelijk van dit type. 3> soort van grote Hollandse boot, die voor de binnenvisserij gebruikt werd.
~zalmsteek:
dwars op de oever geplaats vlecht- of netwerk, de schutting, met daaraan dwarsstukken, de bouten, waarop vleugelnetten van fuiken, waarin zalm gevangen werd, aansluiten.
Tussen oever en steek moest wel een gat van 25 meter, het zogenaamde zeilgat, vrijgelaten worden. De lengte van de schutting kon zo'n 110 meter bedragen, maar reikte nooit verder dan halverwege de rivier. Bouten en fuiken samen noemt men een kooi.
~zalmvisserij:
het vangen van zalm. Eens florerende tak van de binnenvisserij. Halverwege de twintigste eeuw verdwenen.
Duits, rechthoekig, houten vaartuig met vlakke sterk naar buiten vallende vlakke stevens, dat gebruikt wordt voor de zalmvisserij op de Rijn.
Het gebruikte net was zakvormig en de opening was net zo breed als het vaartuig lang was. Het schuitje lag meestal kort achter een krib met het uiteinde van de zak stroomopwaarts ten opzichte van de hoofdstroom. De zak zelf lag echter in de neer tussen de kribben. Met de touwen aan de wippen kon het net gesloten worden. Met de wippen zelf lichtte men het gehele net (voor onderhoud en/of reparatie). Het ledigen van het net geschiedde door van uit een bijbootje het uiteinde te lichten en de inkel te openen.
~zalmzegen:
type visnet, een zegen, welke gebruikt wordt in de zalmvisserij. Afmeting en samenstelling van de zegen verschilde van plaats tot plaats.
Ik hoop hierop later nog eens uitgebreider in te kunnen gaan.
Aan de IJsselaak verwant scheepstype, dus een aak(1) met voorstevenbalk. De ronding van voor- en achtersteven loopt meestal niet tot vertikaal door, waardoor de boeisels daar een beetje naar buiten hellen. De holte is, in verband met het beugelen niet al te groot en daarom is ook het boeisel, terhoogte van het ruim, lager dan op de rest van het scheepje. Zowel aan kop en kont versmalt het boeisel duidelijk. [A>] Of een tweede berghout tot de standaard behoort weet ik nog niet.
soort Hollandse bok uit de gebieden ten zuiden van Amsterdam. Vooral voor het vervoer van zand gebruikt. Enkele van de laatste exemplaren zijn als motorschip gebouwd en hebben daarom een geveegdachterschip.
~zandboord:
bij schepen met een hoekige kim: de onderste gang, met een normale breedte, van de zijde van het schip. Vergelijk: zandstrook.
~zanderij:
plaats waar men zand wint.
~zandgat:
door het winnen van zand (grind of klei) onstaan stuk water, langs een rivier. Meestal grindgat genoemd.
~zandlier: draadlier dat, bij zelflossers, gebruikt wordt om de losbak langs de rijdraad omhoog te trekken. Zandlieren werden, eigenlijk van begin af aan al, door een hulpmotor aangedreven. [T>]
~zandloper: 1> zware metalen strook rond, soms ook alleen tegen de onderzijde van, het zwaard. 2> geschilderde, diagonale verdeling van een vlak, waarbij de tegenoverliggende vlakken in dezelfde, en de aanliggende vlakken in een contrasterende, kleur geschilderd zijn.
~zandmotor, zandjager:
motorschip in de zandvaart.
De term wordt voornamelijk gebruikt voor de oude type motorschepen, zoals de Luxe-motor.
~zandplaat, plaat: droogvallend, voornamelijk uit zand bestaand, vlak gedeelte van de bodem.
~zandpomp:
pomp, waarmee bijvoorbeeld zandzuigers met water vermengd zand verpompen.
Het gebruikte type pomp is een centrifugaalpomp. De waaier had vroeger meestal 3 sterk gebogen schoepen en draaide met de nodige speling in het slakkenhuis. Tegenwoordig schijnt men twee schoepen te gebruiken en is de waaier aan de voorzijde, behalve bij de toevoeropening in het midden, afgedekt. Voor de pomp bevindt zich een stenenvanger, die moet voorkomen dat al te grote stenen de pomp beschadigen. De pompen pompen een mengsel van water en zand in een verhouding houding van 1 op 6.
~zandschot:
houten schot, waarmee het ruim verkleind en het lossen met behulp van de zelflosser vergemakkelijkt werd.
Het zandschot trof men (voornamelijk) aan op schepen die niet voor de zandvaart gebouwd waren. Door het aanbrengen van het zandschot maakte men niet alleen het gebruik van de zelflosser eenvoudiger, ook kwam het zwaartepunt van de lading op een wat gunstiger plaats te liggen. Voor het schot kreeg men bovendien ruimte voor de plaatsing van de liermotor en pompen.
~zandzuiger, zuiger
: drijvend werktuig, dat zand van de bodem van het vaarwater zuigt en in beunschepen stort of door pijpleidingen naar de bestemde plaats transporteert. Dit type zuiger wordt ook profielzuiger of winzuiger genoemd.
De zandzuiger bestaat uit een fors ponton waarop de benodigde machines en verblijven opgesteld zijn. Midscheeps bevindt zich op de voorste helft van het vaartuig een lange sleuf waardoor de zuigbuis neer gelaten kan worden. Het boveneind van de buis is via een beweeglijke constructie verbonden met de zandpomp het uitiende van de buis is opgehangen aan een kleine zware bok op het voorschip en kan daarmee hoger of dieper gesteld worden. De buis kan bovendien ook nog gesteund worden door een uithouder. Tijdens het pompen zuigt de zuiger een kuil in de bodem die steeds dieper wordt. Dieptes tot 35 meter zijn niet ongewoon. De zandzuiger voert het opgezogen water-zandmengsel af door in naast de zuiger gelegen schepen of bakken, in welk geval de persleiding voorzien is van een T-vormig eindstuk, of via een lange persleiding naar de wal alwaar het zand opgeslagen en gedroogd of door middel van pompstations verder verpompt wordt.
~Z-bord:
vierkant, zwart omrand, geel bord met daarop de letter Z. Het bord geeft aan dat er pijpleidingen in de bodem van het vaarwater liggen. Het tot op de bodem neerlaten, of neer gelaten hebben, van een anker is ter plaatse verboden. [A>]
~zee: 1a> eigenlijk: het water buiten de kustlijn van een land. [U>] b> voor veel binnenschippers: de zoute binnenwateren of de grote wateren, die eens zout geweest zijn. (De Zuid-Hollandse en Zeeuwse stromen, de Waddenzee en de Zuiderzee/het IJsselmeer).
EEN REISJE OVER ZEE
: een reis, waarbij men over één van de genoemde wateren moet.
~zeebrief:
document waaruit blijkt, dat een schip voor zee- of kustvaart gebruikt mag worden.
~zeedienst:
in zeedienst varen
onder de Rotterdamse sleepdiensten gebruikte term, waarmee aangegeven wordt dat de sleepboten gebruikt werden voor het assisteren van zeeschepen. Zie ook rivierdienst.
~zeeg,
zeeglijn,
zaalt: 1> de algemene langsscheepse lijn van een schip. Vaak: ongeveer de lijn, die het berghout volgt. Is deze niet opvallend, dan de lijn van het bovenboord. Het is gebruikelijk dat deze lijn hol staat, dus dat deze bij voor- en achtersteven hoger ligt dan daar tussen in. Zie ook: sprong.
~zeegang:
door de wind ontstane golven van redelijk formaat. Zie ook: zee(2).
~zeegat:
ruime doorgang van het binnenwater naar zee.
~zeehaak:
stalen beugelvormige constructie aan de onderkant voorzien van een laadplatform, waarmee men ondermeer zakken en kisten vanuit zeeschepen in de binnenvaartschepen hees.
~zeehaven: 1>haven, die alleen vanuit zee te bereiken is. 2> haven in belangrijke mate bedoeld voor zeeschepen.
~zeehavenpolitie:
nieuwe naam van het politiekorps te water in Rotterdam. Onderdeel van L.K.P.D.
~zeekast:
soort kleine bun tegen de kim van het schip in de machinekamer, gekoppeld aan een verdeelkast met kranen, die het mogelijk maakt aanzuigleidingen van koel- en lenswater op willekeurige wijze met koel- en lenswaterpompen te verbinden.
~zeeklaar:
op een reis over 'zee' voorbereid zijn. Dit houdt meestal in, dat alles zeevast gezet is.
~Zeeklipper: 1> ongebruikelijke naam voor wat meestal Schoeneraak genoemd wordt. 2> naamkaartje dat veel bezitters van een grote klipper aan hun schip willen hechten.
, schipperen: in afwijking van de voorschriften, datgene doen, wat voor een veilige en ongehinderde vaart(2), ook voor andere schepen, noodzakelijk kan zijn.
~zeemansgids, zeemansgids voor de nederlandse kust:
overheidsuitgave met belangrijke gegevens van de Nederlandse kustplaatsen en wateren.
De zeemansgids was voornamelijk toen IJsselmeer en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse stromen nog een belangrijk werk voor de binnenvaartschipper, die niet in die gebieden thuis was. De gids gaf ondermeer informatie over havens, betoningen, lichten en vaardieptes.
~zeemijl:
lengtemaat van ca. 1852 meter; een zogenaamde meridiaanminuut, dus 1/60 van een lengtegraad op evenaar. Een tiende zeemijl wordt een kabellengte genoemd. Een duizendste zeemijl noemt men een vadem. [T>]
~zeenood: varende in dusdanige omstandigheden geraken, dat het schip of de opvarenden direct gevaar lopen. Alhoewel het woord het wel suggereert, is het gebruik daarvan niet expliciet tot de zee of groot water beperkt.
op de Giethoornse punter gelijkende vaartuigen, welke voor de visserij langs de IJsselmeer/Zuiderzee kust gebruikt werden. Volgens G.J. Schutten te onderscheiden in de
Grafhorster punter
, de
Kamper punter
en de
Kuinder punter
. Andere bronnen maken bovendien vermelding van de
Grote Overijsselse Punter
en de
punter van zwartsluis
.
Bij al deze punters had het vlak, ten einde voldoende water in de bun te hebben, zowel aan de voor als aan de achterzijde een grotere tilling dan bij de 'gewone' punter. Ze hebben een hogere voorsteven en langwerperiger zwaarden. De boeisels zijn hoger en vallen iets meer naar binnen. De tuigage bestond uit een sprietzeil met fok.
[A>]
De Grafhorster punter was 6,2 tot 6,6 meter lang en ca. 1,6 á 1,7m breed. Het breedste punt lag, van voorsteven gerekend, op ca. 42% van de totale lengte. De mast stond even voor het breedste punt. De zwaardbout en roeidol ongeveer op het breedste punt en de voorkant van de bun lag even achter het breedste punt. De bun zelf was ruim 70cm lang.
De Kamper punters maten ca. 5,9 bij 1,6 meter. De bun was bij deze scheepjes iets voorlijker geplaatst en diende tevens als roeidoft. Verder nog geen gegevens bekend.
De Kuinder of Kuunder punter hadden een lengte van 7 tot 8,5m en waren ca. 1,7m breed. Ze waren, volgens Schutten, een beetje te rank voor het tuig dat ze hadden.
Van de grote Overijsselse punter kan ik nog niet met zekerheid zeggen of dit de verzamelnaam is voor al deze types of dat er toch een afwijkend type bestaan heeft, dat zo genoemd werd. Een foto waarbij deze naam vermeld stond toont een vrij forse punter, een meter of zeven, met een breed en een weinig naar binnenvallend boeisel met als opvallend kenmerk een bun die erg ver achterin het vaartuigje geplaatst is.
De enige foto van de punter van Zwartsluis die ik gezien heb, toont een scheepje van, naar ik schat, ruim 6 meter met een breed iets naar binnenvallend boeisel. Het breedste punt lijkt wat verder naar voor te liggen dan bij de andere punters. Mast, zwaarden, dollen en bun zijn op een zelfde wijze rond dit breedste punt gegroepeerd als bij de Grafhorster punter.
Dit geldt ook wanneer dat zoute water nog binnen de kustlijn ligt, dus binnenwater is. Oudere schippers spraken ook over een zeereis als de reis voerde over water dat in hun beginjaren nog zout was (Zuiderzee bijv.), maar dat op het moment dat de reis gemaakt werd al niet meer was (IJsselmeer bijv.).
~zeesleepboot,zeesleper: sleepboot, gebouwd voor de zeevaart. Met het groter en zwaarder worden van zowel de zee-, als binnenvaartschepen, zijn, vooral vroeger, veel zeeslepers op latere leeftijd naar het binnenwater, voornamelijk de zeehavens, verhuisd.
~zeetakel:
mogelijk tweede bakstag, mogelijk zijtakel. Vermoedelijk alleen op zeegaande schepen gebruikt.
~Zeetjalk: 1>Oostzeetjalk:
soort Groninger tjalk, gebouwd voor de vaart op zee. De zeetjalk is vaak wat groter en robuuster en heeft een iets zwaardere bouw en een duidelijk hogere kop, dan de Tjalk van de algemene vaart. Vaak voorzien van vaste waterborden op voor-, en soms ook achterschip. [S> Tjalken.]
De twee-mastzeetjalk wordt volgens van Dijk ook wel schoenertjalk en de zeetjalken in het algemeen zeemannetjes genoemd.
2> naam, die sommige eigenaren graag aan hùn type Tjalk geven!
N.B. diverse Tjalken van de algemene vaart hebben (zo nu en dan) reizen naar de Oostzee gemaakt, daarmee zijn het echter nog geen Zeetjalken, ook niet wanneer ze naderhand van de nodige verstevigingen en uitrustingsstukken voorzien zijn. Ook het feit dat de tjalken van de algemene vaart de Waddenzee en de Zuiderzee bevoeren maakt het geen zeetjalken. De Waddenzee en Zuiderzee zijn namelijk binnenwater.
~Zeeuwse klipper: Klipper met rechtop staand hek. Het is echter niet zo dat elke in Zeeland gebouwde klipper een naar rechtopstaand hek heeft en dat nergens anders klippers met een rechtopstaand hek gebouwd werden, zelfs niet als men het begrip Zeeuws erg ruim neemt.
~Zeeuwse kogge:
scheepstype uit het begin van de 17de eeuw met een flauwgebogen, sterk voorovervallende, voorsteven, zijzwaarden, gebogen luikenkap en een houten hekwerk op het boord. Het voerde een spriettuig.
~Zeeuwse tjalk:
niet al te grote, vrij brede Tjalk met vrij veel zeeg. Met paviljoen(2) vaak gezien als een iets modernere variant op de Poon en dan ook Paviljoenschuit of -scheepje genoemd.
Als dekschip ook Boeierschuit genoemd. [Zie ook: S> Tjalken]
~Zeeuws waterschip:
nog niet voldoende bekend. [S+E>]
~zeevast:
dusdanig opgesteld en/of vastgezet dat een voorwerp niet kan verschuiven, omvallen, wegwaaien, overboord kan spoelen of schade kan veroorzaken.
~zeewaardig:
geschikt om onder ongunstige omstandigheden op groot open water te verkeren. De zeewaardigheid van een schip is niet alleen afhankelijk van zijn bouw, maar ook van zijn onderhoud en de bekwaamheid van de bemanning.
aan het uiteinde van een luik bevestigde scharnierende beugel, een soort handgreep, die om de zegelringen valt en waarmee de luikenkapverzegeld kan worden. Meestal toegepast bij stalen luiken. [A> nr. 12] Vergelijk: zegelklep.
1> niet geheel juiste benaming van de zegelroede.
2> luikbout: door het uiteinde van een luik en de zegelring gestoken bout. De bout is aan het ondereinde doorboord zodat hier een zegel aangebracht kan worden. Bij deze methode van verzegelen moet elk luik apart verzegeld worden.
~zegelklep,
versluitlip,
schalklip,
luiklip:
aan het uiteinde van het luik bevestigde scharnierende strip staal, met een gat, dat om de zegelring kan vallen. [A>nr's 2]
~zegellijst:
vlak onder het uiteinde van de luiken aangebrachte rand met daarin gaten, waardoor de zegelbouten gestoken kunnen worden. [A>14]
~zegelring, zegeloog, zegelbeugel:
net onder de luiken, tegen de den, aangebrachte ogen waarover de zegelklep of zegelbeugel valt en waardoor, wanneer de lading verzegeld moet worden, de zegelroede of de zegeldraad gestoken wordt of waar de zegelbouten door heen steken. [A> 6]
~zegelroede, zegelpen:
lange stalen pen, die door de zegelringen gestoken kan worden. Aan het ene uiteinde van de pen zit een handgreep, aan het andere eind is de pen doorboord. Door dit gat wordt het zegel aangebracht. [A>]
~zegen, reepnet:
bepaald type visnet, dat gebruikt wordt bij de riviervisserij en de visserij op klein water. Het geheel bestaat uit een soort zak of fuik met daaraan twee zeer lange vleugelnetten.
Gerelateerde term: zalmzegen.