banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst Vla




~Vlaamse knoop:
zie achtknoop.





~Vlaamse Pleit:
zie bij Pleit.





~Vlaams oog:
soort oogsplits, gebruikt voor 4 strengs-touw en staaldraad, waarbij men het oog vormt door het touw of de staaldraad over een flinke lengte in tweeën te delen en vervolgens beide delen tegengesteld aan elkaar weer ineen te slaan. Het oog kan afgemaakt worden door het aanbrengen van een bindsel, een splits of een pershuls.





~vlag:
behalve de natievlag kent men aan boord nog diverse andere vlaggen, waaronder de zogenaamde vaarvlaggen, de vlaggen die bij de reglementen voor geschreven zijn, wimpels en vleugels.

Het is in de binnenvaart gebruikelijk om altijd een landenvlag op het achterschip voeren. Tevens wordt er bijna altijd een vlag, vlaggetje of wimpel, bijv. een vaarvlag, op het voorschip gevoerd. Dit laatste om de windrichting te kunnen bepalen. Zeilschepen voeren voor dat doel een vleugel in de top van de voorste mast.

Rouwvlag

Ten teken van rouw werd de natievlag soms vervangen door een zwarte vlag met een grijs 'treurboompje' (Protestants) of een wit kruis (Katholiek), of men hing een kleine rouwvlag onder de natievlag. Ook met de vleugel kon rouw aangegeven worden.

Vaarvlag

vlag, die op één of ander wijze, iets met het schip te maken heeft. Over het algemeen worden 'reclame'vlaggen van de schippersbond, de onderlinge of de transportmaatschappij, waarbij men aangesloten is, als mede de naamwimpel en de rederijvlag van de rederij waarvoor men vaart of de vlag van de fabrikant van de hoofdmotor tot de vaarvlaggen gerekend.
Alhoewel niet bij reglement geregeld, werd de vaarvlag toch als 'dagteken' gebruikt. Hing men de vaarvlag half-hoog in de voormast dan betekende dit dat men voor anker of gemeerd lag. Alhoewel men volgens de reglementen daarvoor de sleepvlag dient te gebruiken werd de vaarvlag ook wel gebruikt voor de communicatie met de sleepboot als men gesleept werd.

VLAG-IN-SJOUW
:
de natievlag waarin een knoop gelegd is, dit betekent dat het schip in nood verkeert en om hulp verzoekt. Ook de natievlag op de kop gehangen, of het zwaaien met een
RODE VLAG
, is een noodsein.


BLAUWE VLAG
:
In reglementen is er vaak spake van lichtblauw i.p.v. blauw. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat de, bij wet bepaalde kleur blauw, veel donkerder was, dan wat men hedentendage blauw noemt.

a> voorloper van het blauwe-bord, deze vlag moet men voeren wanneer men aan de verkeerde-wal wenst te varen.
b> zie oploopvlag.
c> brandvlag: een blauwe vlag met daarin een witte "F" was een teken dat men vroger bij het vervoer van licht ontvlambare stoffen moest voeren.


rode vlag
:
a> Over het algemeen gebruikt als waarschuwingssein.
b> Vlag die schepen, welke ontplofbare stoffen geladen hadden, boven het roer moesten voeren. Aan de mast op het voorschip werd een witte vlag met het opschrift 'buskruit' gevoerd. Deze vlag werd met behulp van een winkelhaak uitgehouden.


WITTE VLAG
:
a. watervlag: deze werd op, in havens liggende, schepen gehesen, wanneer men om de komst van de drinkwaterboot verzocht.
Vroeger het algemene teken, dat men de komst van parlevinker, drinkwaterboot, olieboot, roeiers, opkopers, enz wenste.
b. alleen bij de post van het Binger Loch te tonen door de afvaart: afvaart verzoekt om toestemming om door het 'Nieuwe Vaarwater' te varen. (RPR 1965)
c. getoont op seinposten tussen Lorch (am Rhein) en St.Goar: waarschuwing voor een afvarig gesleept houtvlot.
d.
DE WITTE VLAG STAAT
: heeft niets met een vlag te maken, maar met een stoompluim, die ontstaat wanneer men stoom afblaast.

Er waren nog meer vlaggen die als dagteken gebruikt werden, later zal hiervan nog wel eens een overzicht volgen. Verder kent men dan ondermeer nog de duikvlag en de sleepvlag.





~vlaggebewijs:
bewijs dat men in de jaren '40 (?) moest hebben, wanneer men aan de internationale vaart deel wenstte te nemen.




~vlaggelijn:
lijn, waarmee een vlag gehesen wordt.




~vlaggelijnblokje:
klein blokje met een slank model.




~vlaggestoel, vlagijzer:
vlaggestokhouder. Vroeger op schepen vaak een kunstig gesmede stang, met twee ringen waarin de vlaggestok paste, die tegen de rug van het roer bevestigd was.




~vlagijk:
Nog niet voldoende bekend. Soort ijkmerk. [A>]




~vlagijzer:
zie vlaggestoel.




~vlak:
1> boom: de onderzijde van het schip.
GEDUBBELD VLAK
: vlak van een stalen schip, waarover een tweede laag staal aangebracht is.
GETILT VLAK
: vlak, dat aan voor en/of achterzijde oploopt.
OPGEKIMD VLAK
: vlak, dat naar de zijkanten toe oploopt.
GEPIEKT VLAK
: vlak dat naar het midden toe (naar de kiel) naar beneden buigt.
2> van schepen: weinig zeeg hebbend.
3> van een zeil: weinig bolling hebbend.




~vlakdeel, vlakplank:
elk der houten planken, waaruit het vlak opgebouwd is. Meerdere delen achter elkaar, vormen een vlakgang.




~vlakdikte:
de huiddikte van het vlak. Zie ook: kimdikte.




~vlakdikterapport:
document waarin de diktes van het vlak, zoals gemeten tijdens de werfkeuring vermeld staan. Aanverwante termen: boorbriefje, scheepsattest, klopbrief, werfrapport.




~vlakdubbeling:
het resultaat van het dubbelen van een vlak.




~vlakgang:
houten planken of stalen stroken waaruit, de bodem van het schip, het vlak op gebouwd is. Zie ook bij gang.




~vlakkevet, vlakvet:
vet speciaal voor het invetten van het vlak. Stijf groen vet dat heet op het vlak opgebracht en uitgesmeerd dient te worden om het vlak tegen roestvorming en aanvreting door vocht en ladingresten te beschermen.
Het woord vlakkevet lijkt me geen juist Nederlands, het schijnt echter meer ingeburgerd te zijn dat het woord vlakvet.





~vlakkoeler:
type bunkoeler, die, aan de binnenzijde van het schip, op het vlak geplaatst wordt. De behuizing van dit type koeler vormt in de meeste gevallen de bun; er hoeft dus geen aparte bun in het schip gelast te worden. [A>]




~vlakkoeling: vorm van kielkoeling, waarbij de koelbuizen in- of uitwendig tegen het vlak aangebracht zijn.




~vlakplaat:
1> de staalplaat, die het vlak vormt of één der platen, die (een gang van) het vlak vormen.
2> soort van stalen tafel met een dik stalen blad, dat gebruikt werd om staalplaten te vormen. [A>] [T>]




~vlakplank:
lekenterm voor vlakdeel.




~vlakpunt:
het uiteinde van een vlakgang.




~vlakspant:
1> bij houtbouw: ongebruikelijke term voor legger. Bij staalbouw: onvolledige, misschien onjuiste, benaming van legger.
2> een hoeklijn, die op het vlak aangebracht is (en die samen met de wrang(plaat) en het tegenspant de legger vormt).





~vlaktilling:
zie tilling.





~vlakvet:
zie bij vlakkevet.




~vlakwegering:
zelden gebruikte term voor buikdenning.




~vlamkast:
deel van de stoomketel, achter of boven het vuur, waarlangs de hete gassen gevoerd worden.




~vlampijpketel:
type stoomketel waarbij de hete gassen, door pijpen, die door het waterreservoir lopen, gaan.




~vlasvaart:
het vervoer van vlas.




~vlechtrijs:
dunne takken en tenen waarmee men vlechtwerk maakt.




~vlechttuin:
rijswerk bestaande uit vertikale palen waar tussen of langs rijs gevlochten is.




~vlechtwerk:
1> al het geen, dat door het vlechten van touw ontstaan is.
2> gevlochten rijswerk(2).





~vleeshaak:
uitstekende eind van een gebroken of gesplitste draad van een staalkabel. De meeste vleeshaken ontstaan door slijtage. Een staaldraad met veel vleeshaken noemt men prikkeldraad.





~vleet:
1> zeer lang drijvend visnet. [U>]
2> overboordgeslagen, maar nog aan het schip vastzittende tuigage.




~vlekjesziekte:
grote verzameling menievlekjes op een schip. [A>]





~vlet:
1> scheepstype: houten of stalen vaartuig met ver vooroverhangend voorschip, halfronde dwarsdoorsnede en (meestal) een spiegel.
Houten vletten zijn overnaads gebouwd, waarbij alle gangen van spiegel tot steven doorlopen en zich op de steven in een neusklos verzamelen. [A>]  Ze worden meestal geroeid of gewrikt.
Men kent ondermeer: de Sleepduwvlet, de Sleepvlet, de IJsselmeervlet, de Leeuwense vlet, de Motorvlet, de Opdrukkervlet, de Parlevinkervlet*, de Reddingvlet, de roeivlet, de Schippersvlet* en de Waddenvlet. *ook gebruikt voor vaartuigen die niet (geheel) tot het type behoren.
T> Het woord vlet.

1.  Volgens Elseviers Winkeler Prins: "Overnaads gebouwde, platboomde roeiboot met weinig diepgang en overhangende lepelvormige boeg om op het strand te kunnen landen."

- Alhoewel de vlet zeer zeewaardig is, is deze niet geschikt om door de branding heen op het strand te kunnen landen. Ze werden door de reddingmaatschappijen bijna uitsluitend gebruikt op die plaatsen waar een haven was.


2. Sommigen rekenen, omdat de bodem doorloopt tot de steven, de vlet tot de familie der aken(1). De vlet heeft echter een dermate afwijkende bouwwijze, dat er van een vlak, opgebogen tot de steven, waar kimmen en zijdes opaansluiten, nauwelijks sprake is. De vlet kan daarom, mijns inziens, niet tot de aken gerekend worden.


2> algemene term voor een klein vaartuig, vaak een boerenschuit, waarmee men vletwerk(2) verricht.
Mogelijk ook vletschuit genoemd.
Zie ook: Tuindersvlet (Groentenvlet),  Langedijker vlet.
T> Het woord vlet.

3> tegenwoordig in watersportkringen elke open motorboot, die een beetje ouderwetse uitstraling heeft.




~vletaak:
onvoldoende bekend. Mogelijk een aakschuit of anders maar minder waarschijnlijk een flinke schuit van het scheepstype vlet.




~vletaarde:
zie bij vletgrond.




~vletbevrachting:
het bemiddellen in vletwerk(2).




~vletgrond, vletaarde, vletzode:
vierkant afgestoken stukken klei van de schorren, grienden en schorren, voor het herstel van dijken.




~vletkiel:
waarschijnlijk een eigen vinding van de toenmalige schrijver waarmee de buitenkant van het vlak van een vlet bedoelt wordt.




~vletloon:
het loon dat men ontvangt voor het uitvletten.




~vletopdrukker, vletopduwer:
door sommigen gehanteerde term (slechts 1x tegengekomen) voor een opdrukker met spiegel, rechte, vertikale steven en een vrij volle romp. [A>] Dit type heeft echter niets met het scheepstype vlet te maken en de term werkt dus nogal verwarrend.
Zie ook: opdrukkervlet.




~vletreis:
1> vletwerk(2) als reis.
2> het vervoer van één lading met een vlet(2).




~vletschipper, vletter:
iemand die op een vlet(1 of 2) vaart.




~vletschouw:
Onbekend. Waarschijnlijk een soort of type vaartuig.




~vletschuit:
1> vermoedelijk een schuit waarmee vletwerk(2) verricht wordt.
2> mogelijk een vlet(2).
3> mogelijke verbastering van vlotschuit.




~vletsloot, vlettevaart:
een voor vletten(2) bevaarbare sloot, die ook als dus gebruikt wordt.




~vletten, vervletten, bevletten:
lading over relatief kleine afstanden transporteren. Vooral bij een aantal boerenschuiten verwijst de toevoeging 'vlet' niet naar het scheepstypetype vlet, maar naar de wijze waarop het vaartuig gebruikt wordt; zie ook: vletwerk.




~vletter:
iemand die op een vlet(2) vaart. Ook vletschipper.
Aangezien de achternaam vletter ouder is dan de naam voor het scheepstype kan vletter alleen op de boerenschuiten slaan.





~vletterlui:
personen, die met een vlet, eerst van hout en geroeid, later ook stalen motorvletten of kleine sleepboten, zeeschepen naar binnen sleepten, in de havens assisteerden, en verhaalden.




~vletterman:
1> iemand, die men een vlet vaart.
2> iemand, die met een geroeide boot vletwerk(2) verricht.
3> volgens sommige woordenboeken: iemand die roeivaartuigen (vletten) verhuurt. Zie ook: jolleman.




~vletterwerk:
Zie vletwerk.




~vlettevaart:
zie vletsloot.




~vlettijd:
periode waarin vletgrond gestoken en vervlet werd.




~vletting:
de lading van de vlet(2).




~vletvaartuig:
Onbekend. Vermoedelijk een vlet(2).




~vletveld:
gebied waar vletgrond gestoken werd. Uit teksten valt op te maken dat de schepen niet alleen vletgrond afvoerden, maar ook nieuwe grond voor de grienden aanbrachten.




~vletwerf:
werf waar men vletten bouwt. Tegenwoordig verstaat men in watersportkringen niet alleen het scheepstype vlet(1) maar zo'n beetje elke open motorboot onder, maar het woord schijnt voor het eerst door Sopers in "Schepen die verdwijnen" gebruikt te worden. Ik heb het helaas niet terug kunnen vinden, maar aangezien Dhr. Sopers voornamelijk de grotere vaartuigen behandelt denk ik dat het op de vlet(2) gaat.




~vletwerk, vletterwerk:
1> het werk van vletterlui en roeiploegen.
De term vletterwerk is hierbij algemeen gebruikelijk.

2> met een vaartuig een lading over een kleine afstand transporteren. Bij vrachtschepen gebeurde het geregeld dat deze daarbij ook als tijdelijke opslag dienst deden.
De term vletterwerk is hierbij minder gebruikelijk.





~vletzode:
graszode van uiterwaarden en buitendijkse gebieden.




~vletvergunning:
vergunning, die men diende te bezitten wanneer men vletwerk verrichtte. [A>]




~vleugel:
1> wimpel in de top van de mast, uitgehouden door het vleugelhek. Ook het geheel van vleugel, vleugelhek en trommelstok. [A>] Zie ook grijnzen.
De vleugel is bij feestelijke gelegenheden zolang dat deze tot op het dek rijkt. De standaardvleugel was echter ca. 4 meter lang, al schijnen er, vooral in het zuiden des lands wel vleugels van 5,5m en meer gebruikt te zijn. Ronde jachten hebben over het algemeen een kortere vleugel. Zij voeren veel zeil, hebben daarom een vrij korte masttop en een lange vleugel zal dus makkelijk in de blokken en vallen verward raken. De vleugel is meestal egaal van kleur maar de rand kan sierlijk afgezet zijn, bijv. in rood-wit-blauw. Ten teken van rouw werd er onder het vleugelhek wel een zwart treurboompje opgenaaid.


2>
vleugelnet.

3> duwvleugel.

4> zeildoeken zijstukken van het koelzeil.





~Vleugelboot:
kleine open boot, mogelijk schouwachtig vaartuig. In Zeeland bij vissers in gebruik geweest.




~vleugelhek, scheerhout:
L-vormige houten of metalen constructie, met een hoek zie meestal groter dan 90 graden is, die rond de trommelstok kan draaien en waaraan de vleugel bevestigd is. [A>]
Alhoewel scheerhout van oorsprong betrekking had op houten constructies is ook deze naam alom ingeburgerd voor metalen vleugelhekken.






~vleugelkleppomp, vlinderkleppomp, handslagpomp?:
handpomp met een hefboom aan een as, waarmee een heen en weergaaande slag van ca. 90 graden gemaakt wordt. In het ronde huis van de pomp bevindt zich onderin een vast, V-vormig, deel met twee kleppen en een, met de as verbonden, recht deel waarop zich eveneens twee kleppen bevinden. Tijdens de slagen wordt beurtelings de ene (A), danwel de andere kamer (B) vergroot of verkleind, waardoor het water verpompt wordt. De vleugelkleppomp is lange tijd, vooral als machinekamerlenspomp, vrij populair geweest.
De vleugelkleppomp ontleent zijn naam waarschijnlijk aan het feit dat er zich op de vleugel (het rechte deel) kleppen bevinden. De naam vlinderkleppomp is waarschijnlijk een klankverwarring met de vlinderklep een type afsluiter, die aan boord van schepen wel gebruikt wordt.





~vleugelnet:
visnet dat tot doel heeft de vis naar een bepaald punt te leiden. Aan het uiteinde meestal verbonden met een fuik of daarop gelijkende constructie.




~Vlie:
1> doorgang van de zuiderzee/waddenzee naar de noordzee, gelegen tussen Vlieland en Terschelling.

2> Oude term voor een (getijde)waterloop.
Zie ook schaar.




~Vlieboot:
scheepstype. @geen verdere gegevens bekend.




~vliegend:
een langsscheepszeil, waarvan het voorlijk niet met een stag of mast verbonden is. Vergelijk: stagzeil, mastzeil.




~vliegenkast:
buiten, tegen de roefwand, opgehangen houten kast met open, van vliegengaas (horregaas) voorziene wanden, waarin men trachtte bedreffelijke waren koel te houden. De voorloper van de ijskast........





~Vlieger:
1> roeivaartuig. Aan de Hollandse boot verwant vaartuigje, echter geen boeisel, maar wat breder bovenboord(1). verder slanker en met meer zeeg.
2> voorste bijzeil. Soort van kleine kluiver, die vliegend gehesen wordt.
3> gaffeltopzeil.
4> bijzeil, dat bij schepen met een sprietzeil, tussen masttop, hijs(3), en de nok van de spriet gevoerd wordt.




~vliegwielkoeling:
vorm van luchtkoeling waarbij een aan het vliegwiel geconstrueerd schoepenrad voor de benodigde luchtstroom zorgt. [A>] Gerelateerde term: ventilatorkoeling.




~Vlielandse kaag:
type Kaag. Wat groter en met een hoger voorschip dan de 'gewone' Kaag. @geen verdere gegevens bekend




~vlij:
mogelijke verbastering van vlie ((getijde) waterloop).

Zie ook schaar.




~vlinderklep:
bepaald type afsluiter.




~vlinderkleppomp:
zie bij vleugelkleppomp.





~vloed:
1> de periode vanaf de laagste watertstand tot en met de hoogste waterstand, op getijdewater. [U>]
2> hoogwater: de hoge waterstand op getijdewater.
3> de vloedstroom.
Deze drie begrippen worden door elkaar gebruikt maar eigenlijk is de eerste betekenis de enig juiste.

Geralateerde termen: kentering, stil water, laagwaterspring, middenstand, eb, springtij.





~vloedanker:
Nog niet bekend.





~vloeddeur:
een der deuren, van een zeesluis, die gedurende de vloed gebruikt worden.




~vloedhaven:
getijdehaven, die alleen bij vloed(1) binnengelopen kan worden.




~vloedpaal:
zie bij getijdepaal.





~vloedschaar:
zie bij schaar(3).





~vloedregiem:
periode met verhoogde rivierafvoer.
Het vloedregiem treed op bij regenrivieren. Soms kan in zeer korte tijd zeer veel water afgevoerd moeten worden. Dit betekent niet alleen dat het waterpeil in de rivieren stijgt, maar ook dat de stroomsnelheid van de rivier flink kan toenemen. Het eerste heeft tot gevolg dat de onderdoorvaarthoogte van bruggen en tunnels minder wordt, het tweede kan in extreme gevallen rivieren onbevaarbaar maken. Na een vloedregiem krijgt men door het met het rivierwater meegevoerde materiaal soms met onverwachte ondieptes te maken.






~vloedstroom, inkomend tij, vloed:
de stroming, die uiteindelijk, een verhoging van de waterstand tot gevolg heeft.
De sterkste ebstroom treed 3 à 4 uur na hoogwater op, de sterste vloedstroom 4 à 5 uur na laagwater.





~vloei, ankervloei, klauw, blad, ankerblad, hand, ankerhand:
deel van het anker dat zich in de grond graaft. [Nr's 6 in A>]




~vloeien:
het stijgen van het water onder invloed van het getij.




~vloeiklep:
afsluiting van de opening in de den van een beunschip (spuigat?), waardoor men overtollig water en slib kan laten wegvloeien.




~vloeipaal:
1> paal, die bij hoge waterstanden, wanneer de wal onderloopt, de begrenzingen van het vaarwater aangeeft.
2> mogelijk ook gebruikt als synoniem voor getijdepaal.




~vloeistofkompas:
type kompas, met een magnetische windroos, die zich in een met vloeistof gevulde ruimte bevindt.




~vloeistofringpomp:
type pomp met een excentrisch geplaatste waaier (schoepenrad) in een cirkelvormighuis.
Dit type pomp is integenstelling tot de gewone centrifugaalpomp wel zelfaanzuigend.




~vloerhout:
1> elk der, op de leggers aangebrachte, balkjes, waarop een vloer rust.
2> ongebruikelijk woord voor legger.
3> hout waarvan een vloer gemaakt is.




~vloering:
een vloer in het schip; de vloer in een kuip of in een geheel open vaartuig, in het bijzonder.





~vloerplaat:
zie machinekamerplaat.





~vlokken:
  het ontstaan van een witte vertroebeling, bestaande uit gestolde parafine, in dieselolie, wanneer deze tot beneden een bepaalde temperatuur afkoelt.





~vloot:
een verzameling van, meestal gelijksoortige, schepen.
DE BRUINE VLOOT
: sinds de jaren 70 gebruikte benaming voor de verzameling van zeilende, voormalige, bedrijfsvaartuigen.





~vlootsanering:
het afvoeren van bepaalde (meestal oudere) schepen, aldan niet gecombineerd met het aanschaffen of aantrekken van andere (meestal nieuwere) schepen, teneinde (naar men hoopt) een gezond bedrijf of een gezonde bedrijfstak te verkrijgen.





~vlootschouw:
1> zeevaartterm: een soort inspectietocht langs de schepen, die gezamelijk aan een reis gaan beginnen.

2> bij evenementen: het aan het publiek tonen van een flink aantal vaartuigen.
Afhankelijk van het evenement kan er al dan niet een varende vlootschouw gegeven worden en kunnen vaartuigen voor publiek open gesteld zijn. Bij een varende vlootschouw varen een groot aantal vaartuigen in kiellinie langs het verzamelde publiek.






~vlot:
1> in drijvende toestand.
VLOT KOMEN, VLOT ZIJN
: van de bodem van het vaarwater loskomen.
VLOT BRENGEN
: zie vlotbrengen.
UIT HET VLOT ZITTEN
: in zekere mate aan de grond geraakt zijn.
VLOT WATER
: water met voldoende diepte.

2> met verminderde diepgang. Ondermeer in:
VLOT MAKEN
: lading uit het schip halen, om de diepgang te verminderen.
EEN VLOT SCHIP
: een licht schip, een schip met weinig diepgang.
Zie ook: vlotgaand, luchtig.

3> willekeurige drijvende constructie, van massieve of geheel gesloten holle delen, met gering vrijboord, geringe diepgang en vlakke bovenzijde. Men kent ondermeer: houtvlotten, werkvlotten, getijvlotten en reddingvlotten.

4> zie Giethoorns vlot.




~vlotbaar:
oude term voor bevaarbaar.




~vlotbaas, vlotmeester :
1> de hoofdverantwoordelijke tijdens het samenstellen van een houtvlot.
2> vlotschipper: de hoofdverantwoordelijke tijdens het varen met een houtvlot.




~vlotbalk:
balk, waarmee de stammen van een houtvlot bijelkaar gehouden worden.




~vlotbrengen:
1> een schip, dat gezonken is, drijvende maken.
2> afbrengen: een schip dat zich vastgevaren heeft in dieper water brengen.





~vlotbrug:
brug, waarvan het wegdek op kleine schuiten of pontons ligt. Sommige vlotbruggen worden geopend door de gehele brug tegen de oever te zwaaien, bij anderen wordt een gedeelte onder de aanbruggen getrokken. [A>] Vergelijk: pontonbrug, schipbrug.





~vlotgaand:
weinig diepgang hebben of snel zijn




~vlothaven:
1> houthaven.
2> groot balkengat.




~vlotmeester:
de vlotbaas op een Rijnvlot of Holländer.
Waarschijnlijk de letterlijke vertaling van deze functie in het Duits: floßmeister.






~Vlotpraam:
type Groninger bol. Scheepje zonder gangboorden, dekken of luikenkap, laadruimte afgescheiden met dwarsscheepse schotten, achter een plaatsteven, voor twee ruggelingse hoeklijnen, holte gelijk aan de ronding van de kim (dus eigenlijk heeft het schip geen zijdes), brede potdeksel, geen berghout. Werd gejaagd met een lijn achterop, terwijl de jager(1) gelijktijdig de kop met een pikhaak o.i.d. in het midden van het vaarwater hield. Werd gebruikt om turf uit de kleinste sloten, naar grotere schepen te brengen. Iets groter dan de vlotpraam (max. 12 m) is de Grote of Groninger praam. Beide types zullen door velen als kleine Bolpramen gezien worden.




~Vlotschip:
14de eeuws scheepstype? @Geen verdere gegevens bekend.




~vlotschipper:
de hoofdverantwoordelijke tijdens het varen met een houtvlot.
Zie ook: vlotbaas.





~Vlotschuit, vletschuit:
1> scheepstype. Amsterdamse benaming voor geheel gedekte houten schuiten van het type Hollandse Bok. Mogelijk ook Noordhollandse bok of Amsterdamse bok genoemd.
Mogelijk is de term later overgegaan op de zolderschuit en/of op de boomschuit.

2> oude benaming (reeds in de 16de eeuw aangetroffen) voor diverse zeer platte, brede vaartuigen, waarbij de te vervoeren lading niet in, maar op het vaartuig lag.

3> zeer primitief vaartuig, dat op enkele oude prenten aangetroffen kan worden en waarvan ik tot op heden geen betrouwbare beschrijving heb kunnen vinden. Enige zekerheid of deze afbeeldingen waarheidsgetrouw zijn is er niet altijd.
Het is een vlot samengesteld uit houten balken of stammen, dat voor het vervoer van goederen, een enkele maal voor personen, gebruikt wordt. Soms aan de randen opgehoogd met extra balken of stammen, soms aan de voorzijde meer opgehoogd dan aan de zijden. Een enkele maal niet rechthoekig maar aan de voorzijde puntig of afgeplat puntig. Veelal voortbewogen door te bomen.




~vlotten:
1> drijven. [U>]
2> zich met een vlot verplaatsen.





~vlotter:
1> kleine drijver.
2> balkenvlotter: persoon die bij het samenstellen van en het  varen met,  een houtvlot betrokken is.
Gerelateerde termen: werkvlot, vlotter, vlotvoerder, balkenvlotterspoor.





~vlottrekken:
een schip, dat aan de grond gelopen is, naar dieper water brengen.





~vlotvaart:
het varen met houtvlotten.
Gerelateerde termen: balkenvlot, hollander, werkvlot, vlotter, vlotvoerder, balkenvlotterspoor.




~vlotvoerder:
de 'schipper' op een vlot, in het bijzonder de schipper op de grote houtvlotten.




~vlotwater:
vaarwater, dat diep genoeg is om in te varen.




~vlouw, flouw:
dwars in de rivier drijvend, visnet.




~Vlouwschuit:
vissersvaartuig, mogelijk een Zalmdrijver.





~vluchthaven:
haven, meestal gelegen aan groot water, waarin men, bij slecht weer, ligplaats kan kiezen. Soms niet meer dan een beschutte ankerplaats.




~voedingswater:
water dat tijdens gebruik in de stoomketel gepompt wordt.




~voeren:
een touw of staaldraad dusdanig geleiden, dat dit makkelijk door een gat of rond een bolder, een schijf of verhaalkop loopt.




~voering:
een houten dubbeling. Mogelijk alleen gebruikt voor een gedubbeld houten vlak.





~voet:
1> de onderkant van iets. Bijvoorbeeld de onderkant van de den, van een golf of het onderste gedeelte van de mast.

2> naam van diverse lengtematen; meestal bijna 30 cm. [T> Oude maten.]

3> verbastering van het Franse 'voûte' = tunnel. De term wordt bijna uitsluitend in de kringen van de Frankrijkvaarders gebruikt.




~voetbank:
dwarsscheepse plank, aan de voorzijde van de stuurkuip, bij ondermeer de Enterse Somp. Vergelijk: treedoft.




~voetblok:
het onderste blok van een takel, wanneer dit blok aan het schip bevestigd is.





~voetgangerspontje:
zie bij voetveer.





~voetlijst:
1> elk der, dwarsscheeps, op het dek aangebrachte, randen, waartegen men zich kan schrap zetten als men het helmhout bedient. [A>nr.6]
2> voetreling.




~voetpaard, loopstag:
touw, vaak op regelmatige afstanden voorzien van knopen, waarop men kan staan, wanneer men werk aan de rondhouten te doen heeft. In de binnenvaart waarschijnlijk niet gebruikt. In de zeevaart o.a. onder de ra's.




~voetplaat:
op het dek aangebrachte plaat, waarop een bepaald onderdeel (meestal een ring voor de bevestiging van een blok) bevestigd is.





~voetstrijk:
MAST MET VOETSTRIJK
:
mast, die met behulp van een strijkreep, die over één of meerdere schijven in de onderkant van de mast, gestreken en gezet kan worden. Vooral toegepast bij laadmasten.




~voetreep:
touw aan de voet van een spriet, waarmee men, tijdens het kaaien, de spriet in bedwang houdt.




~voetreepblok:
blok waardoor de voetreep loopt.





~voetreling, voetlijst:
lage opstaande rand langs de buitenrand van het dek of het gangboord, bij schepen waarvan de rompbij het dek eindigt. [A> Meer relingwerk]




~voettalie, sprietophaler:
takel tussen hommer en voet van de spriet, waarmee de voet uit de greelband gelicht kan worden. 




~voettouw: buiketouw.





~voetveer, overzet :
1> veerdienst(1) voor voetgangers (en fietsers).

2> voetgangerspontje, fiets(ers)pontje:
het vaartuig, waarmee deze dienst onderhouden wordt. [E> Vrienden van Voetveren.]

Gerelateerde termen: veer, veerboot, pont, heen-en-weer, gierpont, kabelpont, reeppont, veerwagen, wagenveer, overzet, zweefveer, kettingpont.

3> de plaats waar deze dienst gehouden wordt.






~Voith-Schneiderpropellor, V.S.P.:
syteem met rond een vertikale as roterende bladen, waarmee vaartuigen voortgestuwd kunnen worden. Het systeem bestaat uit 5 smalle, geprofileerde, beweeglijke, vertikale bladen, die aan een draaiende schijf bevestigd zijn. De stand van de bladen bepaalt de stuwrichting.
Het systeem werd in 1926 door Ernst Schneider ontworpen en in de fabriek van J. M. Voith te St. Pöllen gemaakt.
[E> interactieve demonstratie op Voithturbo.de]



Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken