Woordenlijst V
~
vaam:
vadem.
~
vaan:
kleine driehoekige wimpel. [
U>]
~
vaanstand,
zeilstand:
stand van de
schroefbladen van een
verstelbare of omkeerbare schroef, waarbij de bladen
langsscheeps staan. Deze stand mag alleen worden gebruikt, wanneer de
schroefas niet draait en wordt gebruikt wanneer men
zeilt of wanneer men
gesleept wordt.
~
vaaranker,
vaartanker,
stopanker:
1> voornamelijk ten tijde van de zeilvaart: klein
anker, dat gebruikt werd wanneer het
schip tijdelijk stil moest liggen. Ongeveer 1/3 van het gewicht van het anker, dat onder normale omstandigheden gebruikt werd.
2> in latere tijd en op grote schepen een anker met een gewicht dusdanig dat het nog, door één of twee man, met de bijboot uitgebracht kon worden.
Het eerst genoemde vaaranker was meestal een stokanker, het tweede vrij geregeld een zware dreg.
~
vaarbaar:
VAARBAAR WEER
:
rekbaar begrip; weer waarbij te
varen valt. Zie ook:
bevaarbaar.
~
vaarbeeld:
alle merkbare, door een
varend schip veroorzaakte,
waterbewegingen:
boeggolf,
hekgolf,
schroefwater,
zog,
zuiging, e.d. Zie ook
golfbeeld.
~
vaarbeweging:
zie
scheepvaartbeweging en/of
manoeuvre.
~
vaarbeperking:
a> eigenlijk alles wat op welke wijze dan ook beperkingen aan de
scheepvaart oplegt.
b> gewoonlijk datgene dat de mogelijkheden van de scheepvaart tijdelijk en plaatselijk beperkt.
De beperkingen kunnen betrekking hebben op de toegelaten afmetingen van schepen, op de periode dat men varen mag, op het type schip dat er varen mag, op de snelheid die het vaartuig mag hebben enz. enz. Op het binnenwater is de scheepvaart altijd in zijn afmetingen beperkt, terwijl bovendien op bijna alle vaarwegen een maximale snelheid geldt. Dit soort beperkingen zijn langdurig en worden daardoor als normaal aanvaard en niet als een echte beperking gezien.
Anders ligt dat met beperkingen bijv. in verband met lage waterstanden of werkzaamheden in of langs het water. Deze beperkingen verstoren de normale gang van zaken en worden dus wel als een beperking gezien.
~
vaarbewijs:
in 1982 ingevoerd 'diploma' waarover men dient te beschikken, wanneer men in Nederland met een
vaartuig langer dan 15 meter of met een pleziervaartuig dat harder dan 20 km/u kan
varen, vaart.
GROOT VAARBEWIJS
: vaarbewijs, waarover men dient te beschikken wanneer men beroepsmatig vaart.
KLEIN VAARBEWIJS
: vaarbewijs voor hen, die niet beroepsmatig aan de
scheepvaart deelnemen. [
A>]
~
vaarboom,
kruisstok,
kloet,
schippersboom:
lange boom ondermeer gebruikt om het schip voort te
bomen. Aan het ondereind voorzien van een aangeklampt, gaffelvormig uiteinde, de
flint, dat tegen de bodem of wal gezet wordt. [
A>] Aan de bovenzijde voorzien van een
druif of een
jelt. Verwante term:
schoorboom,
werpboom.
~vaarboomklauw:
zie bij
flint.
~
vaardag:
1> dag waarop
gevaren wordt.
2> dag waarop gevaren kan worden.
~
vaarder:
een
vaartuig dat gebouwd is op goede
vaareigenschappen en niet op
laadvermogen.
Gerelateerde termen:
zeiler,
drager.
~
vaardiepte:
1> door een
waterstaat opgegeven maximale toegelaten
diepgang van
schepen op een bepaald gedeelte van een
vaarweg.
2> door een waterstaat opgegeven maximale diepgang waarmee een vaarweg nog veilig bevaren kan worden. Voor de rivieren worden de minste vaardieptes wanneer deze onder een bepaald punt komen, in de
mededelingen voor de scheepvaart vermeld. In beide gevallen is de
waterdiepte meer dan de opgegeven vaardiepte.
~
vaareigenschap:
de wijze waarop een
vaartuig tijdens het
varen op een bepaalde interne of externe factor reageert. De gezamelijke vaareigenschappen vormen het
vaargedrag. Er zijn een groot aantal vaareigenschappen. Enkele daarvan zijn zijn: wendbaarheid,
stabiliteit,
zijwindgevoeligheid en
koersvastheid. Zie ook:
zeileigenschap en
rompeigenschap.
~
vaargebied:
1> het gebied waar men (meestal)
vaart.
2> het gebied waar men met zijn
schip kan of mag varen. In
meetbrieven is sprake van de vaargebieden A, B, C, en D. Vaargebied A omvat alle
binnenwateren; B = A minus ongeveer alle (eens) zoute wateren; C = B minus de grotere meren en de benedenloop van de rivieren en D tenslotte = C minus alle meren van enig formaat, Maas en IJssel, Noordzeekanaal, e.d.
3> een gebied met bepaalde vaartechnische beperkingen of eigenschappen.
4> een, over een groot oppervlak, bevaarbaar water.
~
vaargedrag:
de gezamelijke
vaareigenschappen (onder bepaalde omstandigheden).
~
vaargeld:
zie bij
vaartrecht.
~
vaargeul,
geul:
1> deel van het water met grotere diepte.
2> door
bakens aangegeven route.
3> gedeelte van het
vaarwater, waar het scheepvaartverkeer het drukst is.
~
vaarhaak:
vrij onbekende term voor een
pikhaak.
~
vaarklaar:
1> voor vertrek gereed.
2> in staat zijn te
varen.
~
vaarkoers:
de
koers, die men, rekening houdend met
drift en kompasfouten, moet sturen, om een bepaalde
kaartkoers te kunnen volgen.
~
vaarlicht:
Zie
stuurlicht.
~
vaarmanouvre:
zie:
manoeuvre.
~
vaarpolder
:
een polder waarin het transport (van argrarische 'producten') voor een belangrijk deel over water geschiedt. Het 'tegengestelde' noemt men een
rijpolder.
~
vaarproef,
meetvaart:
proefvaart, waarbij de nadruk ligt op de vaareigenschappen.
~
vaarschema:
1> dienstregeling die door bepaalde
schepen gevolgd wordt.
2> door de
schipper verwachtte aankomst bij een aantal punten, die hij tijdens zijn reis zal moeten passeren.
~
vaarsloot:
bevaarbare sloot.
~
vaarsnelheid:
de snelheid van een
vaartuig ten opzichte van de
wal. Zie ook:
vaart. [
A> afbeelding bord: maximum vaarsnelheid]
~
vaarrecht:
vaartrecht.
~
vaarreglement:
1> verzameling van verkeersregels, die op het water van kracht zijn.
De belangrijkste daarvan voor de binnevaart zijn het Binnenvaartpolitiereglement en het Rijnvaartpolitiereglement.
2> V.R.: vaarreglement(1) dat tussen 1965 en 1984, op het Nederlandse
binnenwater, m.u.v. de grote rivieren en Westerschelde van kracht was.
~
vaarreis:
een reis per
schip. Erg ongebruikelijk woord.
~
vaarrichting,
koers:
de richting, waarin het
schip zich beweegt.
~
vaarroute:
aaneenschakeling van
vaarwateren, die men volgt of gaat volgen.
~
vaart:
1> snelheid.
VAART MAKEN
:
ten opzichte van de wal vooruit komen of harder gaan
varen.
VAART DOOR HET WATER MAKEN/LOPEN
:
ten opzichte van het water, vooruitkomen.
VAART LOPEN
:
ten opzichte van de wal vooruit komen.
2> de
scheepvaart of het
varen. Ondermeer te onderscheiden in:
beroepsvaart,
pleziervaart,
stoomvaart,
motorvaart,
zeilvaart,
sleepvaart,
vrachtvaart,
zandvaart,
tankvaart,
containervaart,
distrivaart, enz.
de particuliere vaart
:
de scheepvaart met schepen waarvan de eigenaar tevens de
schipper is.
VRIJE of WILDE VAART
:
in de
binnenvaart: vrachtvervoer per schip, waarbij de
schipper, afhankelijk van het aanbod, per
reis zelf kan bepalen, wat hij vervoert, voor wie hij vervoert en voor hoeveel hij het vervoert. Zie ook:
beurtvaart en
evenredige vrachtverdeling.
DE ALGEMENE VAART
:
de vaart over alle
binnenwateren, dus ook de Wadden- en Zuiderzee. Zie ook:
riviervaart,
kanaalvaart.
estuaire vaart
:
zie bij
estuair.
IN DE VAART ZIJN
:
actief aan de scheepvaart deel nemen.
IN DE VAART BRENGEN
:
een
schip voor deelname aan de scheepvaart geschikt maken.
3> een tocht per
schip.
4> een koers of vaarroute, ondermeer in: van de vaart afwijken.
5> een gegraven
waterweg; vaak gebruikt als synoniem voor
kanaal (zie uitleg alddar).
Zie ook
delf,
delte.
~
vaartanker:
vaaranker.
~
vaartijd:
1> de tijd, die men
vaart, mag varen, kan varen of gevaren heeft.
2> het aantal dagen, weken, maanden of jaren, dat men een functie
aan boord van een
schip vervuld heeft.
~
vaartijdenbesluit:
wettelijke regeling, waarin de maximum
vaartijden vastgelegd zijn.
~
vaartijdenboek:
soort
logboek, waarin de
vaartijden van het
schip en de werktijden van
bemanning bijgehouden wordt.
Evenals het
olieboek ook wel
leugenboek genoemd.
~
vaartocht:
een, meestal vrij korte, reis,
varend afgelgd. (Vaak alleen voor zijn plezier.)
~
vaartrecht,
vaargeld:
vorm van belasting, die men op sommige
vaarwegen moe(s)t betalen, om er te mogen varen.
Gerelateerde termen:
doorvaartje,
kanaalgeld.
~
vaartuig
:
niet exact omlijnd begrip. Volgens een aantal reglementen: een voorwerp, dat bestemd of ingericht is, voor het vervoer over water, van personen en/of goederen, danwel een drijvend
drijvend werktuig of
woonschip. Sommige reglementen rekenen echter de laatste twee niet tot de vaartuigen. [
L> overzicht soorten.]
Alhoewel het begrip in het B.P.R. gehanteerd wordt, is het daar niet gedefinieerd. Ook het Burgelijk Wetboek kent het begrip vaartuig niet!
klein vaartuig
: rekbaar begrip, maar volgens het B.P.R. een vaartuig met een lengte van minder dan 20 m. wat grotere lengte heeft, is dan een
groot vaartuig
.
OPEN VAARTUIG
: een vaartuig zonder
dekken of
opbouwen; een
boot, soms een
schuit.
GEDEKT VAARTUIG
: vaartuig met
gangboorden en/of duidelijke dekken; een
schip, soms een schuit.
door spierkracht voortbewogen vaartuig
: term uit de reglementen voor een vaartuig, dat op dat moment alleen door spierkracht voortbewogen wordt. In de volksmond vaak aangeduid als '
roeiboot'. Verwante termen:
verhalen,
bomen,
jagen,
roeien,
wrikken,
pagaaien.
~
vaartzeil,
Drent:
zeil dat gebruikt werd op kleine smalle wateren. De term werd voornamelijk gebruikt voor een
gaffelzeil van een lichte kwaliteit doek, meestal met een korte rechte
gaffel en zonder
giek. Soms ook een
Drentstuig genoemd.
~
vaarverbod:
verbod om een bepaald
water te mogen bevaren. Tijdelijke vaarverboden zijn in periodes met
ijsgang vrij gebruikelijk.
~
vaarvergunning:
bewijs dat men dient te hebben om in bepaalde gebieden te mogen varen.
Gerelateerde term:
motorvaartvergunning.
~
vaarverleden:
de periode dat iemand gevaren heeft.
~
vaarvlag:
1> vlag, die op één of ander wijze, iets met het
schip te maken heeft. Over het algemeen worden 'reclame'vlaggen van de
schippersbond, de
onderlinge of de transportmaatschappij, waarbij men aangesloten is, als mede de
naamwimpel en de
rederijvlag van de
rederij waarvoor men
vaart of de vlag van de fabrikant van de
hoofdmotor tot de vaarvlaggen gerekend.
2> in België: een vlag, gelijk aan onze oude
sleepvlag, die bepaalde schepen tijdens het varen op het voorschip moeten voeren. (Het is mij niet geheel duidelijk op welke schepen dat van toepassing is en ook is me niet bekend of dat nog steeds van kracht is.
~
vaarwater:
1> waterweg: elk water, of bepaald gedeelte van een water, dat
bevaren wordt. Zie ook:
water.
BETOND (VAAR)WATER
: water, waarop de te volgen route door middel van
bakens en
boeien aangegeven is.
BLIND VAARWATER
: een vaarwater zonder bakens, hetgeen bij de meeste vaarwaters het geval is.
VERLICHT VAARWATER
: een betond vaarwater, waarvan enkele bakens of boeien van een
licht voorzien zijn. Verder kent men onder meer: het
hoofdvaarwater, het
nevenvaarwater en het
grootscheepsvaarwater.
2> de
koers, die men voorheeft te
varen. [
U>]
3> het
kielzog.
~
vaarwatermarkering:
algemene benaming voor een
bebakeningsstelsel of een combinatie van verschillende bebakeningsstelsels.
~
vaarweg:
een
vaarwater(1) of een
vaarroute.
~
vaarwegbeheerder:
zie
waterwegbeheerder.
~
vaarweggebruiker:
zie
waterweggebruiker.
~
vaarwegbreedte:
de afstand tussen de oevers, of de door
bakens aangegeven begrenzing, van een
vaarwater(1). Zie ook:
bodembreedte.
~
vaarwegdiepte:
de afstand tussen het wateroppervlak en de bodem van een
vaarwater(1).
~
vaarwegmarkering:
het geheel van
bebakening en voor de waterweggebruiker aangebrachte verkeerstekens en aanwijzingen.
~
vaarwind:
het langsstromen van de lucht, veroorzaakt door de beweging van het
vaartuig.
~
vaarzone:
onder andere door G.J. Schutten gehanteerd begrip, voor een gebied waarin scheepstypes, behorend tot dezelfde
bouworde voorkomen.
~
vadem,
vaam:
1a> lengtemaat; ca 1,85 meter. [
T>] Volgens oude bronnen is een vadem één honderdste van een
kabellengte en één duizendste van een
zeemijl.
b> de afstand tussen de toppen der middelvingers bij geheel gespreide armen.
2> volumemaat voor hout: 350 x 80 x 20 cm.
~
vakantienummer:
een laag
beursnummer, dat men verworven heeft, doordat men vakantie hield.
~
vakantieschip,
charterschip:
1> vaartuig, meestal een voormalig
motorvrachtschip, ingericht om met groepen meerdaagse reizen te maken. [
A>]
De term wordt gebruikt om onderscheid te maken met wat men over het algemeen een charterschip noemt.
2> voormalige
bedrijfsvaartuig dat voor recreatieve doeleinden gebruikt wordt.
~
Vakgroep Nederlandse Beurtvaart:
belangenbehartigingsorganisatie van Nederlandse
beurtdiensten.
~
val:
1a> zeilval:
touw of
staaldraad, waarmee een
zeil gehesen wordt. Dit zijn ondermeer: de
fokkeval, de
kluiverval, de
grootzeilval, de
piekeval en de
klauwval.
b> touw of staaldraad, waarmee iets gehesen wordt. Dit zijn ondermeer de
lichtval, de
zwaardval en de
katteval.
2> daling van het
peil van een rivier of
getijdewater. Zie ook:
verval.
3> valling: de mate waarin iets uit het lood staat.
4> het beweegbare deel van bepaalde bruggen en
stuwen.
~
valblok:
blok waardoor een
val(1) loopt.
~
vallaat:
zie:
verlaat.
~
vallaatmeester:
hoofdverantwoordelijke van een
verlaat.
~
vallen:
1> van zuiver vertikaal afwijkend.
EEN VALLENDE STEVEN
: een
steven die voorover helt.
EEN VALLEND HEK
: een
hek dat achterover helt.
EEN MAST LATEN VALLEN
: een
mast iets (meer) achterover zetten.
2> zakken.
VALLEND WATER
:
a> een dalende
waterstand.
b> eb.
3> verkorting van
afvallen.
4> commando dat gegeven wordt wanneer men het anker moet laten vallen. Zie ook
lekko.
~
vallenlier:
onbekende term voor
tuiglier.
~
vallicht:
koekoek of
hemellicht.
~
valling:
de mate waarin iets afwijkt van vertikaal. Zie ook:
vallen en
val.
~
Valomster praam:
bepaald type
Friese praam.
~
valproef:
test waarbij men het
vaartuig van enkele meters hoogte, op het water, laat vallen. Alleen toegepast bij snelle
reddingboten.
~
valreep:
1> in de oude zeevaart: een van knopen voorzien
touw, dat langs de buitenboordstrap hing, tevens de naam voor de opening in de verschansing bij deze trap. [
U>]
2> ongebruikelijke term voor een trap, waarlangs men aan
boord komt of voor een
touwladder.
3> vooral onder watersporters: een
loopplank.
~
valreepsknoop:
bepaalde
kardeelknoop.
~
valsluiting:
sluiting met een tweede pen, of een dwarsverbinding, bovenin de beugel. Hiermee wordt voorkomen dat de sluiting uit het oog van de
val schiet wanneer de sluiting geopend wordt.
~
Van der Schuijt, Van der Boom en Stanfries NV:
Zie bij
S.B.S. N.V..
~
vanglijn:
1> touw, waaraan men de
bijboot sleept.
2> minder gebruikelijke term voor de
gaffelgaarden.
~
vangnet:
visnet waarvan de mazen dusdanig groot zijn dat de vis er in verstrikt kan raken.
~
vangst:
het totaal aantal gevangen vis.
~
vangstpremie:
boven op het loon ontvangen bedrag dat, meestal aan het eind van het seizoen, aan vissers in loondienst uitbetaald werd.
Zie ook
koppengeld.
~
varen:
zich of iets, met een
vaartuig verplaatsen. Soms ook
lopen of
stevenen genoemd. [
U>] Naar wijze van
voortstuwing te onderscheiden in:
zeilen,
schroeven,
slepen,
duwen, gekoppeld varen*,
wrikken,
roeien,
jagen,
bomen,
verhalen,
stevelen,
dobberen,
zich af laten zakken, enz.
in de aanhang varen
: (in de
Rijnsleepvaart) gesleept worden.
BLIND VAREN
: uitsluitend op wat de
navigatie-instrumenten aangeven, zijn weg trachten te vinden.
BRUTAAL VAREN
: (in de ogen van anderen) risico's nemen.
GEKOPPELD VAREN
: met twee (soms meer) vaartuigen, die bij elkaar
langszij vast gemaakt zijn, varen. [
A>]
OP GELIJKE HOOGTE VAREN
: op enige afstand, naast een ander
schip varen.
op de hang varen
: tijdens de
afvaart de buitenbochten nemen.
op de hoek varen
: tijdens de
opvaart de binnenbochten nemen.
op het radar varen
: tijdens het varen voor de
navigatie voornamelijk van het
radar gebruikmakend.
OP (het) ZICHT VAREN
: tijdens het varen over
groot water steeds de
oever en/of
bakens in het oog houden.
DE STROOM DOOD VAREN
: ongeveer net zo hard, als het water stroomt, tegen de stroom in varen. Het schip verplaatst zich t.o.v. het land, dan niet. Men kan ook de
wind dood varen. Zie aldaar.
TE BERG VAREN
: op de Rijn e.d.:
stroomopwaarts varen.
TE DAAL (of dal) VAREN
: op de Rijn e.d.:
stroomafwaarts varen. Zie ook
daalvaart.
VERKEERDE-WAL-VAREN
: (in de
vaarrichting gezien) langs de linkerkant van het
vaarwater varen. Zie verder bij
verkeerde-wal-varen.
HET WATER DUN VAREN
: nooit rust nemen, maar zo veel mogelijk
reizen per jaar trachten te maken.
ZICH VAST of OMHOOG VAREN
: met het schip op een
ondiepte varen.
~
varend:
1> aan het
varen zijnd.
varende leerling
:
leerling aan een walschool, die
ligplaatsonderwijs volgt.
2> zelfvarend: in staat zijnd, zelfstandig te kunnen varen.
VAREND MONUMENT
:
a> predicaat, dat diverse eigenaren van oude, voormalige,
beroepsvaartuigen graag aan hun
schip geven.
b> door bepaalde instellingen, waaronder de
FONV, gehanteerde term, voor schepen waarvan het uiterlijk, de laatste vijftig jaar, geen ingrijpende wijzigingen heeft ondergaan. [
E> criteria]
Het begrip Varend Monument® is beschermd en mag alleen worden gebruikt om schepen aan te duiden die voldoen aan specifieke criteria en als zodanig zijn ingeschreven in het Nationaal Register Varende Monumenten.
Zie ook:
museumstatus.
~
variatie:
1> declinatie.
2> de hoek tussen het magnetische en geografische noorden.
~
varie:
variatie(2).
~
varken:
zie
varkensbak.
~
varkensbak,
varken:
tot
keerkoppeling omgebouwde versnellingsbak van (naar men zegt) een Sherman tank. Vooral kort na WO II toegepast.
De 'keerkoppeling' werd zo genoemd omdat tijdens het omzetten het geregeld gebeurden dat de tandwielen niet direct in elkaar grepen. Het geluid wat daardoor ontstond werd vergeleken met het gekrijs van een varken. Ook wordt er beweerd dat ze een oker-rose kleur, dus de kleur van een varken hadden (maar de twee die ik gezien heb, waren geel.)
~
varkenskop:
voortstuwingssysteem met twee schroeven op één schroefas. Een normale aan het eind en een flink eind daarvoor een kleinere.
Dit systeem werd toegepast voordat de schroeftunnel algemeen ingang vond. Het idee was dat de kleine schroef bij ongeladen schip genoeg water naar de grote schroef zou stuwen om deze voldoende vat te geven. Het systeem werd voornamelijk toegepast bij sterk geveegde schepen, in het bijzonder schepen in het stukgoederen vervoer.
(Met dank aan het Kustvaartforum.)
~
varkenskrul:
varkensstaart.
~
varkensrug:
serie van dicht tegenelkaar aangelegde
steken, in één of meer
lijnen, rond een voorwerp. Varkensruggen gebruikt men om voorwerpen te
bekleden. Soms voor het mooi, soms omdat ze dan minder glad zijn en soms omdat ze dan minder koud aanvoelen. Verder worden varkensruggen gebruikt om randen van, of gaten in,
kleden(2) of
zeilen, of om in
touw gevormde
ogen, te versterken.
~
veerdam:
verhoogde weg, die naar een
veer(3) leidt.
~
veerdienst:
1> veer,
overzet: een verbinding, die met een
vaartuig, tussen twee of meer, op verschillende oevers gelegen, plaatsen, onderhouden wordt. Gerelateerde termen:
veer,
veerboot,
pont,
heen-en-weer,
gierpont,
kabelpont,
reeppont,
veerwagen,
voetveer,
wagenveer,
overzet,
zweefveer.
2> zie
beurtveer (2).
~
veergeld,
schouwgeld,
schouwrecht:
geld dat men voor het laten overzetten van personen, vee of goederen moet betalen.
Volgens het WNT is 'schouwrecht' veergeld en niet, wat men misschien verwachten zou 'veerrecht'.
~
veerhaven:
haven, waarin een
veerboot(1) ligplaats heeft. Zie ook
veerstal.
~
veerhuis:
gebouw waarin
beurt- en
veerschippers zich verzamelden en
verladers troffen. Niet te verwarren met een
veerhuisje.
~
veerhuisje:
gebouw(tje) waarin de
veerman verbleef (woonde).
~
veerinrichting:
1> het geel van zaken, nodig zijn voor het uitoefenen van een
veerdienst.
2> mechanische inrichting tot het opvangen van schokken, het opspanning houden van verbindingen e.d. ondermeer toegepast bij
sleephaken en
strangenklemmen.
~
veerman:
veerbaas of
veerschipper.
~
veerpont:
hedentendage eigenlijk een dubbelzegging, aangezien zowel een veer als een pont een verbinding over het water onderhouden. Het is mogelijk dat 'pont' slaat op het scheepstype, dat vroeger voor het onderhouden van een dergelijke verbinding veelvuldig gebruikt werd.
vrijvarende veerpont
: term, die in de diverse reglementen gebruikt wordt, voor
vaartuigen, die een verbinding, tussen twee aan het water gelegen plaatsen, onderhouden, waarbij het vaartuig niet door enige permanente verbinding met de oever of met de bodem van het vaarwater in haar bewegingen gehinderd wordt.
niet vrijvarende veerpont
: een veerpont, die een permanente verbinding met de oever of de bodem van het vaarwater heeft. Bijvoorbeeld: een
kabelpont, een
reeppont, een
gierpont, een
kettingpont, enz. Zie verder bij
pont.
Gerelateerde termen:
veer,
veerboot,
heen-en-weer,
gierpont,
kabelpont,
reeppont,
veerwagen,
voetveer,
wagenveer,
overzet,
zweefveer.
~
veerrecht:
het recht om ergens, als enige, een
veerdienst te mogen onderhouden.
~
veerschip:
1> beurtschip: schip (van een willekeurig
scheepstype), dat gebruikt wordt voor een
veerdienst(2). [
A>]
2> 14de eeuws scheepstype? @ Geen verdere gegevens bekend.
~
veerschipper:
schipper op een
veerschip.
~
veerschuit:
1> kleine
pont of grote open
boot, waarmee een
veer onderhouden wordt.
2> oude term voor
beurtschip.
~
veerstal,
veer(3):
plaats waar de
veer- of
beurtdienst aankwam.
~
veerstoep:
1> een
stoep, waar een
veerschuit aanlegt.
2> stenen glooiing, waar de klep van de
pont op neer gelaten wordt of tegenop schuift.
3> naar het water aflopende weg.
~
veerwachter:
veerbaas.
~
veerwagen:
soort pont, die, vaak 'dwarsscheeps', over een, op de bodem van het vaarwater gelegde, rails rijdt. [
E> klik op het plaatje A'dam-Rijn]
Soms foutief
wagenveer genoemd.
Waarschijnlijk het enige vaartuig dat rijdt i.p.v. vaart.
Gerelateerde termen:
veer,
veerboot,
pont,
heen-en-weer,
gierpont,
kabelpont,
reeppont,
voetveer,
wagenveer,
overzet,
zweefveer,
kettingpont.
~
veerweg:
weg naar een
veer(3).
~
veeschot:
in het
ruim geplaatste wanden, waarmee men het vee (meestal koeien) op zijn plaats en staande hield.
~
veeschroefstoomboot:
vreemde samenstelling: vaartuig ingericht voor het transport van vee, welke door een stoommachine, die een schroef aandrijft, voortgesturd wordt.
~
veeschuit,
veevlet,
weijschuit:
verzamelnaam voor diverse
boerenschuiten, die voor het transport binnen het veehoudersbedrijf gebruikt werden.
~
veevlet:
1> zie
veeschuit.
2> zie
Langedijker vlet.
Het woord vlet heeft in deze weinig te maken met het algemeen bekende scheepstype vlet. [uitleg]
~
veevaren:
het
varen met een
lading vee (meestal koeien).
~
veiligheidsafstand:
de afstand tussen het vlak van de grootst toegelaten inzinking en het laagste punt, waarop het
schip niet meer waterdicht is. Vergelijk:
vrijboord.
~
veiligheidshaak,
laadreephaak,
laadhaak:
haak, die niet makkelijk ergens achter blijft haken. Dat kan een
klephaak zijn, maar ook kan de haak aan de bovenzijde van de opening voorzien zijn van een vaste nok, welk ongewenst inhaken moet voorkomen.
Zie ook
hijshaak.