banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!





~ui:
beschaafde benaming voor kloot.





~u-ijzer:
zie U-profiel.





~uilekop:
EEN SCHIP MET EEN UILEKOP
: een Hoogeveense praam.





~uilvangen:
1> te ver oploeven.

2> ongewild door de wind, overstag gaan.
Een verklaring voor deze term heb ik vooralsnog niet kunnen vinden. Een verband met de nachtelijke uren waarin men een dergelijke fout gemakkelijker kan maken en als tijdstip waarop de uil vliegt, ligt voor de hand.






~uitbaggeren, uitdiepen:
door baggeren dieper maken. Vroeger ook uitmodderen en opschieten genoemd.





~uitbaliën:
minder gebruikelijk synoniem van balië.





~uitbijten:
door het hakken van wakken, bijten een schip door het ijs uit de haven in vrij water brengen.
Zie ook bijten, doorijzen.





~uitboegseren:
een vaartuig boegserend naar buiten brengen.
Zie ook binnenboegseren.
Bron o.a.:Mr. J. van Lennep Zeemanswoordenboek 1856






~uitbomen:
1> de schoothoek of het achterlijk van een zeil met een boom, bijvoorbeeld met de fokkeloet, zover mogelijk buitenboord brengen.

2> al bomend een haven of sluis verlaten.





~uitbreken:
onverwachtse en onbedoelde beweging van iets. Bij ankers: het uit de bodem loskomen. Bij lieren: het over elkaar heen springen van de tanden van de tandwielen, soms het uitwippen van de pal op een kamrad.





~uitbrengen:
1> uitzetten: iets, dat met het schip verbonden is, van het schip weg brengen. (een anker, een tros, enz.)

2> naar buiten loodsen.





~uitdiepen:
een vaarwater dieper maken; uitbaggeren.





~uitdokken:
een schip buiten een dok brengen.





~uitdrijven:
1> van de snelheid van het schip of de stroming gebruik makend, om zonder enig middel tot voortstuwing een bepaalde afstand af te leggen.
Gerelateerde termen: inzwemmen, inscheren, doordrijven, drijven.

2> bij een klink(1): een klink uit een gat verwijderen.





~uitdunnen:
een geleidelijke afname van de dikte van een touw of staaldraad bewerkstelligen. Het zijn meestal splitsen die men uitdunt.





~uiterton, buitenboei:
laatste boei van een naar zee of ander groot water voerend vaarwater.




~uitgassen:
1> met behulp van gas ongedierte verdrijven of doden.

2> ontgassen.





~uitgewaaid:
EEN UITGEWAAID ZEIL
: een zeil, dat door te sterke wind, zijn vorm verloren heeft.





~uitgooien:
1> overboord werpen. Dus met het begrip werpen. Bijvoorbeeld een dreg uitgooien.

2> overboord zetten of op andere wijze van het schip in het water laten gaan. Bijvoorbeeld in we zullen hier het anker uitgooien. Ook gebezigd over visnetten en vislijnen, al spreekt men dan vaker van uitzetten.
Onder meer genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~uithaalder:
zie uithaler.





~uithalen:
1> een nieuw schip van de werf, waar zij gebouwd is, naar haar eerste bestemming, meestal de thuishaven, varen.

2> volgens sommigen: een schip te water laten.

3> een zeil langs kluiverboom of boegspriet naar voren brengen.





~uithaler, uithaalder, :
1> lijn, waarmee de kluiverboomring naar voren getrokken kan worden. Volgens sommigen ook voorhaler genoemd.

2> volgens sommigen de gehele travelaar.
Meer informatie bij travelaar.





~uithalerblok:
blok aan de nok van de kluiverboom, waardoor de uithaler loopt.
Meer informatie bij travelaar.





~uithalerring:
boegspriet- of kluiverboomring.
Meer informatie bij travelaar.





~uithoek:
1> dat gedeelte van de rivier waar (bijna) geen stroom staat.
Een hoek is het land aan de binnenbocht in de rivier. Uit kan hier slaan op 'uit de stroom' maar ook op 'dood', 'dood water', stilstaand water.


2> smalle in het water uitstekende landtong.





~uithoeken:
verouderde vorm van uithaken, loshaken.




~uithouden:
van een zeil: de schoothoek buitenboord houden. Meestal doet men dat met een boom en spreekt men van uitbomen.





~uithouder:
1>
constructie waarmee een blok op enige afstand van het voorwerp waaraan het bevestigd is, meestal de masttop, gehouden wordt.
Over het algemeen is men niet erg consequent in de naamgeving van de verschillende soorten ophangingen van blokken. Het was moeilijk te bepalen wat het meest gebruikt voor wat of wat het meest juiste was. De term hanger is de verzamelnaam voor diverse soorten ophangingen. Verder spreekt men van kraaiepoot, hanepoot en ook van galg.


2> vertikale, verstelbare stalen verbinding tussen het uiteinde van de zuigbuis en de romp van een zuiger. Mogelijk alleen van toepassing geweest op (oudere) steekzuigers.

3> het zware schuin opwaarts gerichte deel van een davit. Vaak ook giek of arm genoemd.





~uithozen:
geheel leeg hozen.





~uitijzen:
1> doorijzen.

2> uitbijten.





~uitkeren:
van het zeil: tijdelijk bak(5) zetten.





~uitkauwen:
het, ten gevolge het werken van het schip, losraken van het breeuwwerk.





~uitkijk:
1> het uitzien naar.

2> meestal op het voordek of op de deklast geplaatst persoon, die op het vaarwater en de overige scheepvaart let.
Het plaatsen van een uitkijk is in een aantal situaties in de binnenvaart verplicht.






~uitklaren:
de douaneformaliteiten bij het verlaten van een land vervullen.





~uitklaring:
het uitklaren.





~uitlaatgascompressor, turbo, turbocompressor, turbo-laadcompressor, turbocharger, turbolader:
mechanische inrichting, die tot doel heeft het motorvermogen te vergroten.
De uitlaatgascompressor bestaat uit een door de uitlaatgassen aangedreven turbine, die gekoppeld is aan een roterende luchtpomp die de inlaatlucht onder druk brengt. Hierdoor komt er meer lucht (lees zuurstof) in de verbrandingsruimte en kan er dus, bij gelijke cilinderinhoud, meer brandstof verbrand worden. Vaak wordt de lucht na het samenpersen nog in een nakoeler gekoeld, waardoor een nog grotere massa lucht de cilinder kan bereiken.
Afhankelijk van de condities waaronder de motor moet werken en de bouw van de motor kan het vermogen van een motor met oplading ca. 30% meer zijn dan die van dezelfde motor zonder oplading. Wordt er bovendien nakoeling toegepast dan kan het vermogen ca. 50% hoger liggen.
De uitlaatgascompressor is een gevoelig instrument en veroorzaakte vooral in het verleden nog al eens problemen. De uitlaatgascompressor heeft geen invloed op het specifieke brandstofverbruik (het aantal grammen brandstop per geleverde pk per uur). Men heeft alleen een winst in ruimte en motorgewicht.

Gerelateerde term: laadlucht





~uitlaatthermometer, uitlaatgasthermometer:
thermometer waarmee men de temperatuur van de uitlaatgassen nabij de motor meet.
Het waren voornamelijk de oude langzaamlopers met meerdere cilinders die uitgerust waren met een thermometer nabij elke uitlaatpoort. Door de onderlinge temperaturen te vergelijken kon men in een vroeg stadium vaststellen of er iets mis ging met de werking van één van de cilinders. Ook kon men eventuele overbelasting constateren. De gangbare uitlaattemperatuur lag zo rond de 380 graden. Werd de motor zwaarder belast dan liep de temperatuur op. Wat nog toelaatbaar werd gevonden verschilde per motor en schipper. Over het algemeen ging men niet verder dan 420 graden. Bij de matig snellopende diesels verdwenen de aparte thermometers langzamerhand en plaatste men meestal slechts één thermometer aan het eind van het uitlaatspruitstuk. Bij de latere modellen verdween in veel gevallen ook die.






~uitladen:
ongebruikelijke term voor het lossen (van los- of stukgoed).





~uitleggen:
1> uitslaan(1).

2> van tonnen(1) en boeien: vanaf het schip in het water leggen.





~uitlegger:
1> wachtschip in een riviermonding.

2> druilboom, papegaai:
over het achterschip uitstekende boom, waaraan het grootschootblok van de druil bevestigd is. Ook druilsra of druilsroede genoemd. [A>]

3> het opklapbare, boven het waterstekende gedeelte van een laadbrug.





~uitliggen:
van ijkmerken: zich boven de huidge waterlijn bevinden.





~uitlijnen:
een aandrijvend deel en het aangedreven deel, dusdanig opstellen, dat er een wringingsvrije overbrenging mogelijk is. Meestal van toepassing op het recht achter elkaar plaatsen van voortstuwingsinstallatie en schroefas. [T> Schroeven.]




~uitloodsen:
het, door een loods, uit een bepaald gebied, meestal een haven, varen van een schip.





~uitlopen:
1> uitvaren. Een sluis of haven uitlopen.

2> af (laten) rollen.
EEN TOUW UITLOPEN
: een touw over de volle lengte uitstrekken, meestal met het doel kinken en slagen uit het touw te verwijderen. Overeenkomstig van toepassing op staaldraad en misschien ook ketting.

3> overboord laten gaan, vieren.
EEN ANKER of DE ANKERKETTING UIT LATEN LOPEN
: de ankerketting overboord laten gaan, vieren. Zie ook doorgaan.





~uitlossen:
lossen tot de gehele lading van boord is.
De term wordt meestal gebruikt wanneer men het heeft over de hoeveel uitgeloste lading. Het is meestal namelijk wel de bedoeling dat men net zoveel uitlost als men ingeladen heeft.






~uitluiden, uitluien:
het met een blok of wipgerei lossen van niet al te zwaar stukgoed.
Het gaat hierbij dus duidelijk om het snel op en neer laten gaan van het touw waarmee men hijst.






~uitluien:
verouderde schrijfwijze van uitluiden.





~uitluisteren:
een kanaal van de marifoon op ontvangen hebben staan.
In blokgebieden bestaat er een uitluisterplicht voor het voorgeschreven blokkanaal. Daar buiten en voor dat deze blokgebieden ingesteld werden, was kanaal 10, het algemene oproepkanaal, het kanaal waar men op uitluisterde.






~uitluisterplicht:
verplichting tot het uitluisteren van een bepaald marifoonkanaal.





~uitmodderen:
verouderde term voor uitbaggeren.





~uitnemen:
EEN TOUW / STAALDRAAD UITNEMEN
: een tot een kuil gevormde hoeveelheid touw of staaldraad, van uit het midden, naar buiten toe, afwikkelen.





~uitpad:
zie bij overpad.





~uitpalmen:
een touw laten vieren door het hand over hand ruimte te geven.
Gerelateerde term: inpalmen.





~uitpikken:
iets wat aan een haak of soortgelijke constructie vastzit, loshalen.





~uitpluizen:
zie pluizen.





~uitreden, uitreeden:
verouderde term voor: een schip klaar maken voor vertrek.





~uitreven, uitsnijden:
een rif verwijderen.





~uitrijden:
EEN STORM UITRIJDEN
: zo goed en zo kwaad als het gaat, trachten te blijven varen tot de wind afneemt. Zie ook: afrijden en lenzen.





~uitroeien:
roeiend uitvaren.





~uitrusten:
1> een schip voor een tocht gereed maken. Vroeger ook uitreden genoemd.

2> toerusten.





~uitscheren:
het tegenovergestelde van inscheren, dus een touw, staaldraad of ketting uit een blok halen.





~uitschieten:
1a> van de wind: plotseling in kracht toenemend.
b> van de wind: plotseling ruimend.

2> 
laten uitschieten
: vrij onbekende term voor vieren.

3> schieten: (een vistuig) buitenboord zetten.

4>: van deklasten: het naar buiten wegschuiven van een deel van de onderliggende lagen van de deklast.
In de meeste gevallen is dit de eerste of tweede 'volle laag', die over de gangboorden uitgebouwd is.
Zie ook overgaan.





~uitschot:
weinig gebruikte term voor een plotselinge windvlaag.





~uitschuren:
1> het (stevig) schoonmaken van het ruim. Mogelijk alleen in Zuid-Nederland een gebruikelijke term.

2> door het langsstromende water wegslijten.
Ondermeer van toepassing op bochten in rivieren.






~uitschutten:
1> naar buiten schutten.

2> een kanaal, haven, o.i.d. via een sluis verlaten.





~uitslaan:
1> uitleggen: op ware grootte uittekenen.

2> water uit een polder pompen.





~uitslag:
1> een tekening van een scheepsconstructie op ware grootte.

2> verkorte vorm van plaatuitslag.




~uitslepen:
naar buiten of uit een haven, kanaal, o.i.d. slepen.





~uitslechten, slechten:
bij houten schepen: leggers, kromhouten, oplangers, kalven, enz. aan de binnenzijde op één lijn brengen, door overstekend hout te verwijderen. Vergelijk: afslechten(2).





~uitsnijden:
zie uitreven.





~uitstaan:
ondermeer van zeilen en visnetten: in een richting, min of meer, dwars op de lengteas van het schip hebbend.





~uitstek:
puntig toelopend hardstenen gedeelte van een brugpijler. Zie ook avant-bec.




~uitsteken:
terwijl men met de slaggaard of peilstok de waterdiepte peilt, een vaarwater uitvaren.





~uitstevenen: uitvaren.





~uitstomen:
met een stoomschip uitvaren.





~uitstroken:
zie stroken.





~uitstroomkanaal:
pijp in de romp, uitmondend in de huid, waardoor het door een boegjet gepompte water stroomt.





~uitstukken:
Zie stukkeren.





~uitvaart:
1> de schepen, die uit een sluis, een haven of een nevenvaarwater komen varen.

2> uitvaartopening.





~uitvaartopening:
datgene waardoor men bij het uitvaren, de sluis, de haven, een nevenvaarwater, o.i.d. verlaat.





~uitvaartlicht:
rood licht (tegenwoordig vaker een groen en een rood licht) aan het eind van de sluiskolk, dat gedooft wordt, wanneer de schepen de kolk mogen verlaten.





~uitvaren, uitstevenen, uitlopen:
1> iets verlaten. Een sluis uitvaren, een kanaal uitvaren, een haven uitvaren.

2> tot het einde toe varen.

3> uitbrengen: varend iets wegbrengen. Een anker uitvaren.





~uitvieren:
1> het gehele eind touw, staaldraad of ketting dat men heeft, vieren.

2> een touw, staaldraad of ketting, dat niet strak staat of voordat deze strak komt te staan, een weinig vieren. Zie ook: schoot geven.

3> lengen: een touw van boord af naar de wal, een ander schip of een te hijsen voorwerp brengen.





~uitventen:
vanuit het schip aan particulieren verkopen.





~uitvlaggen:
een schip onder de vlag van een ander land gaan laten varen.
Het uitvlaggen van Nederlandse binnenvaartschepen kwam onder meer zo tussen 1932 en 1941 op vrij uitgebreide schaal voor. Het was een gevolg van protectionistische maatregelen in onze buurlanden Duitsland en België. De laatste decennia worden schepen voornamelijk uitgevlagd om belastingtechnische redenen.






~uitvletten:
1> de lading van een vrachtschip met kleine vaartuigen naar de uiteindelijke plaats van bestemming brengen. Zie ook: vletten.

2> een schip met behulp van kleinere vaartuigen buiten de haven brengen. Zie ook vletwerk.





~uitvloeren:
de lading gelijkmatig over de gehele (lengte van de) buikdenning verdelen.
Het kan bij het laden van zware ladingen zoals bepaalde ertsen voorkomen, dat er in het ruim slechts enkele bergen liggen. Het vlak zal onder de bergen doorbuigen en tussen de bergen, door de waterdruk, opbuigen. Met het uitvloeren kan men dit verschijnsel voorkomen.






~uitwaaien:
1> van een zeil: het met de wind mee laten bewegen. Zie ook: uitgewaaid.

2> bij scheepsvormen: naar buiten toe buigend. Zie uitwaaierend.





~uitwaaierend:
bepaald type achter- of voorschip, waarbij de scheepswand ter hoogte van de boegen, vanaf de waterlijn naar boven toe, in steeds sterkere mate naar buiten buigt of helt. [A>]





~uitwateren:
1> vrijboord/uitwatering hebben.

2> spuien, lozen, afstromen.

3> van mosselen: het kwijt raken van zand en slib.
Mosselen worden opgekweekt in de Waddenzee maar bevatten dan te veel zand en slib om direct verkocht te worden. Ze krijgen dan in de Zeeuwse wateren de gelegenheid uit te wateren.






~uitwatering:
de afstand van de waterlijn tot het dek of de bovenrand van een open vaartuig. Zie verder bij vrijboord.





~uitwateringssluis:
sluis, waardoor uitgewaterd, gespuid, kan worden. Zie ook: schutlaken.





~uitwassen:
het ruim met water schoon maken.
Men trachtte dit, vooral vroeger toen de buikdenning van hout was, zoveel mogelijk te vermijden. Een houten buikdenning droogt erg langzaam en zolang de buikdenning nat is, komen de meeste ladingen niet in aanmerking om vervoerd te worden. Lang geleden nam men dan weleens zijn toevlucht tot het bedekken van de buikdenning met een laag asfaltpapier, waarop de lading dan kon liggen. Voor zover bekend is die methode al sinds de tweede wereldoorlog in onbruik geraakt.
Teneinde een natte buikdenning te voorkomen moet men het ruim dus zeer grondig bijvegen. Indien nodig wordt dat nog eens overgedaan nadat men de buikdenning met vochtig zand of zaagsel heeft bestrooid. Een iets eenvoudiger methode was om na een vuile lading, een lading die wel schoon was, maar niet geheel schoon hoefde te blijven, te nemen. Na kolen, nam men dus bijv. een lading zand of grind, maar ja dan moest een dergelijke lading natuurlijk wel voor handen zijn.





~ uitwijkregels:
aantal bepalingen in diverse reglementen, die het onderling gedrag tussen vaartuigen regelen.





~uitwinden:
een schip aan een draad of kabel en met behulp van een lier of kaapstander uit de haven trekken. In de meeste gevallen gebeurde dit met behulp van een anker wat men zelf uitgebracht had of door de draad op een daarvoor bestemde ankerboei buiten de haven vast te zetten.
Zie ook: lieren.





~uitwip:
met één of meerdere luiken, de kokerluiken, afgedekte opening, in het voordek, waardoor de onderkant van de mast, al dan niet met wegerij, wanneer deze gestreken wordt, naar boven komt. Het achterste luik noemt men het mastluik, het voorste het kopluik. Het geheel noemt men soms ook het kistluik.
[A>] Gerelateerde termen: grietje klamaai scheerstok





~uitwippen:
met een wiptakel lossen. Later ook gebruikt voor iets even snel uit het ruim aan de wal zetten.





~uitwipoor:
constructie aan de mastkoker, die tot doel heeft het kantelpunt van de mast in de richting van de masttop te verplaatsen, waardoor de balans van de mast verandert.
De constructie wordt geregeld gebruikt bij masten met een wegerij en masten met voetstrijk. Wanneer de mast met zijn hoogste mastbout op de oren ligt, is het effect van de wegerij/de lier groot en kost het maar weinig moeite de mast omhoog te brengen. Daar er minder kracht aangewend hoeft te worden, dan bij de normale mastkokerconstructie, kan men met een bescheidener lier of takel, bokkepoot of sprenkel, dan wel wegerij toe.
Een mastkoker met uitwiporen noemt men wel een mast(koker) met hoge en lage strijk.
De term 'uitwiporen' werd gevonden in een tekst van Henk Dessens over het scheepstype 'Kraak'. Algemeen gebruikt is deze term echter niet, maar alternatieve termen heb ik tot op heden niet gevonden.






~uitwippen:
met het wipgerei lossen.





~uitwisselingsriool:
verbinding tussen twee naast elkaar gelegen sluiskolken, opdat met de ene kolk als spaarbekken voor de andere kolk kan benutten. [Gerelateerde termen >]





~uitzeilen:
zeilend uitvaren.





~uitzetten:
1> vanaf een schip in het water brengen (ankers, netten, boeien, enz.)

2> een koers op de kaart intekenen.





~umeateer:
soort van zeer licht gekleurde Bruine teer. Oorspronkelijk afkomstig uit het Finse plaatsje Umea.





~u-profiel, u-ijzer, gootijzer, kanaalijzer :
soort profielijzer (balkstaal). Een staalprofiel met U vormige doorsnede onderandere gebruikt als merkel. Officieel ondermeer bekend als UNP balkstaal.





~Urker bol, Bolle van Urk, Bolletje van Urk:
scheepstype, vissersschip. Volgens E. v. Konijnenburg een op de Knots gelijkend vaartuig. Het vaartuig is echter lang zo vol van bouw niet als de knots. Voor- en achterschip zijn niet afgestompt, het schip heeft dus ruime boegen, naar achter toe versmalt de romp vrij duidelijk. Het achterschip is sterk geveegd en het vlak van deze rondbodem staat ook duidelijk rond. Het schip was uitgerust met een bun. Als maten worden 9,37 x 3,1 x 0,65 meter genoemd.
Dit scheepstype is tamelijk onbekend. Geschriften en kranten maken nauwelijks tot geen vermelding van dit vaartuig. Volgens Seghers en de Bock vertoont het schip overeenkomsten met het Blokzijlerjacht. Haalmeijer en Vuik zien een verwantschap met de Wieringer-, Enkhuizer-, Makkummer- en Vollenhovense bol. Dit zijn echter niet allemaal rondbodems.
Mogelijk is er een verwantschap tussen de Urker bol en de Lemmer bol die in dit verband ook in combinatie met Urk genoemd wordt.






~Urker botter:
grote, zeewaardige botter met wat hoger achterschip, vaste settelboorden langs de zijde, een achterdekje gelijk met het bovenboord en een (losse) kuipvloer, laningen, over de bun. Afmetingen circa 16 bij 5 meter.
Volgens G.J. Schutten bezaten de Urker botters een snoes/beerklamp met ankerrol.
In verband met de aanwezigheid van een achterdek, kuipvloer en laningen of een stelling over de bun, werden ze ook driedekkers genoemd.
Met deze botter werd veelvuldig op de Noordzee gevist. Ze werd daarom door sommigen Noordzeebotter genoemd.






~Urker bunschuit:
vermoedelijk een Urker botter. Zie ook bij: Volendammer visschuit.





~Urker ijsvlet:
zie bij Haringschuit.





~Urker schuit:
bepaald type Schokker. Verder nog niet voldoende bekend.





~Urker visschuit:
type vissersschip vermoedelijk een Urker Botter.
F.N. van Loon noemt het in zijn Beschouwing van den Nederlandschen scheepsbouw met betrekking tot deszelfs zeilaadje. Haarlem 1838 ook een Volendammer visschuit. De gegeven omschrijving is beperkt maar uit de opsomming van thuishavens blijkt dat hij het vermoedelijk over Botters heeft. In zijn verdere vertoog heeft hij het, zonder het onderscheid op te merken, echter over Blazers. Waren er toendertijd geen verschillen tussen de types of vindt hij ze niet opmerkenswaard genoeg?






~Utrechtse bok:
scheepstype. Op de Hollandse bok gelijkend scheepstype echter wat langer en met een wat ronder achterschip. Mogelijk wat vaker als zeilvaartuig uitgerust. Verdere gegevens ontbreken nog.





~Utrechtse grote aak:
zie bij Utrechtse praam.





~Utrechtse praam:
scheepstype. Open houten vaartuig met rechte naar buiten vallende stevens, een plat vlak en puntig toelopend voor- en achterschip. Bronnen vermelden dat de Utrechtse praam wat groter is dan de Krommerijnder, hij meet ca, 14 bij 2,15 meter en voorzien is van een wegering, voor- en achterdek.
Op de tekeningen van G.J. Schutten (blz.368) lijkt het bovenboord voorzien te zijn van een ingezet stuk en ontbreekt het zetboord. Wel heeft het vaartuig een grotere holte dan de Krommerijnder.
Nog iets groter dan de praam is wat Schutten de Utrechtse grote aak noemt. Deze is een metertje langer en voorzien van een klein roefje. Men schijnt ook een Utrechtse privaatpraam te kennen.
De term aak heeft in het voorgaande geen enkele relatie met het scheepstype aak.






~Utrechtse schip, Utrechtsschip :
in 1930 opgegraven restant van een rond ca. 1020, gebouwd schip. Het schip heeft een vletachtige bouw, zij het dan dat ook het achterschip spits toeloopt. Het schip werd in Nederland gebouwd.
Dit uiterste primitieve vaartuig meet circa 17,2 bij 4 meter. Het is niet enig in zijn soort. Er zijn een zevental min of meer gelijke, maar soms beduidend kleinere exemplaren gevonden.
Het schip is gebouwd op een bodem gemaakt van een (sterk uitgebogen?), uitgeholde boomstam. Deze is met enkele, men zegt drie, om en om tegen elkaar geplaatste gangen zowel verbreed als opgehoogd. Het geheel geeft een banaan-achtig vaartuig met een ketelvormige dwarsdoorsnede.
Waarom men naast de meer ontwikkelde bouwwijzes zoals van de vikingschepen en tien eeuwen na de beter doordachte schepen der Romeinen terug is gevallen op deze oervorm van de uitgeholde boomstam is me niet duidelijk geworden.
ps. Had men eindelijk eens de kans iets terecht een BOOT te noemen, noemt men het een SCHIP.






~Utrecht type:
aanduiding in de archeologie dat het schip behoord tot de boomstamboten die bestaan uit een opgeboeide uitgeholde boomstam.





~uurturf:
turflading die op brandduur verkocht werd.
Bij fabrieksturf kwam het (rond 1914) voor dat de schipper betaalt kreeg voor het aantal uren dat de stoomketel van de fabriek op de lading turf gestookt kon worden. Het spreekt voor zich dat de stoker er geen belang bij had zuinig te stoken.
Bron: Hendrik A. Hachmer, Voor en tegen de wind. Meinders, Scheemda 1994.

Gerelateerde term: turfvaart.




Volgende




© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Haarlem.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken