Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
Woordenlijst T
~taan:
middel waarmee visnetten
en katoenen zeilen
geconseerveerd werden.
Naam
van diverse mengsels waarin de volgende bestanddelen verwerkt kunnen
zijn:
sap uit eikenschors, bruine teer,
cachou, caoutchouc, guttapercha,
en soms ook lijnolie
en gebrande
cichorei.
~taankleur:
volgens sommigen: donkerbruin; de kleur van getaandezeilen,
volgens anderen taangeel.
~taanmast:
houten paal, waarin men een visnet,
touwen
of een zeil dat getaand
wordt
ophijst.
~taats,
taatspot,
taatslager: 1> lager, dat vooral
de
kracht, die
in de lengterichting van de as werkt, opvangt. In de binnenvaart
vaak een pot genoemd.
De term taatspot is vooral van toepassing op glijlagers, terwijl de
term taatslager vaak gebruikt wordt voor kogel-, rol- of tonlagers.
2> verkorting van roertaats
of taatspot: de taats die de onderkant van de roerkoning lagert.
~taatsplaat:
klein in een taats(pot) gelegd plaatje, dat de wrijving met de as moet
verminderen. Het plaatje was daartoe aan de aszijde enigzins bol.
~tabernakel: 1> Vlaams voor herft. 2> Mogelijk ook
gebruikt voor elke vorm van berging, zoals de uitbouwen die men vaal
tegen de achterwand van de stuurhut op spitsen ziet. [A>,
A>]
~tachograaf:
instrument
waarmee het
draaien van de schroefas,
en daarmee
dus
de vaartijd,
geregistreerd wordt.
1> oorspronkelijk: handelaar in tweedehands zeilen, touwwerk, e.d. Vaak gecombineert met het beroep van zeilmaker. 2> tussen ca. 1920 en 1980: winkel in scheepsbenodigdheden, vaak gecombineerd met een brandstoffen en smeeroliehandel.
3> tegenwoordig (voor zover de term nog wordt gebruikt): voornamelijk een winkel met
watersportartikelen.
1>bindsel:
een aantal windingen, van dun touw
of staaldraad,
rond het uiteinde van een touw of staaldraad, die moeten voorkomen dat
de tamp uitrafelt.
Het woord bindsel wordt veelvuldig als synoniem gebruikt. Er is dan ook veel overeenkomst in de wijze waarop deze gelegd worden. De toepassing is echter sterk verschillend, al zou men kunnen zeggen dat men ook met de takeling meerdere voorwerpen (de kardelen) met elkaar verbindt.
~talie:
1>takel.
2>
ongebruikelijke
benaming voor een eind touw.
~taliegat:
gat in de bovenzijde
van de voorstevenbalk
waardoor het touw van de voorstagnaaiing
geregen wordt. Hiertoe zijn meestal drie of vier van dergelijke gaten
aangebracht.
~taliehaak,
haak, hijshaak: 1> haak aan een takel,
in het
algemeen. [A>] 2> de haak van de halstalie, in het bijzonder.
Over het algemeen een gesmede haak met wijde bek en groot
oog, dat dwars op de bek van de haak staat. Extra zware taliehaken
werden ook als brittelhaak
gebruikt.
merknaam van het materiaal waarvan men o.a. pershulzen,
sokken en moffen maakt.
~tamp:
het uiteinde van een stuk touw of staaldraad.
~Tamsa spits:
tussen 1929 en 1932 gebouwd herstelbetalingsschip van het type spits. De meesten, honderdvijftig à tweehonderd, werden op de Gutehoffnungshütte Abteilung Rheinwerft te Walsum gebouwd. De schepen kwamen uiteindelijk onder beheer bij Transporteur AutoMoteur Société Anonyme in Parijs en kregen de naam Tamsa gevolgd door een nummer.
Deze motorspitsen hebben de schroef redelijk ver onder het achterschip zitten en tonen aardig geveegd. Dat natuurlijk wel maar tot op zekere hoogte. Het bovenste deel is gewoon weer vol van bouw en buigt achterop iets naar binnen. De schepen hebben een salonroef die niet al te diep verzonken is. Voor de stuurhut ligt een brugdek met daarvoor de herften en de kookhut.
~tand:
een tandje bijzetten
: een klein beetje 'gas' bijgeven.
De term is ontstaan toen men voor de toerentalregeling een manette ging gebruiken, die voorzien was van een vertanding.
~tankcleaningvaartuig:
vaartuig, voor zover ik weet altijd een stoomvaartuig,
dat gebruikt wordt om ladingtanks (van vrachtwagens, zee- en
binnenschepen) te reinigen. Zie tankreiniging.
Voor zover ik weet is in verband met het voorhanden zijn van
nieuwe technieken het gebruik van stoomschepen voor dit doeleind
gestopt.
Het begrip tankcleaningvaartuig ben ik tot op heden slechts
éénmaal tegengekomen. Persoonlijk zou ik de voorkeur aan
tankreinigingsvaartuig gegeven hebben.
~tankdek,
tanktopplaat:
de bovenzijde van een ladingtank.
~tankdekschuit:
dekschuit ingericht voor het vervoer van vloeibare ladingen.
~tankduwbak, tankerbak: duwbak,
die als tankschip
ingericht is. [A>]
Voor tankschepen die lichtbrandbare stoffen vervoeren gebruikte men vroeger soms de term K-schip, tegenwoordig de term kegelschip.
Voor zover bekend is de oudste binnenvaarttanker het in 1889 gebouwde sleeptankschip Carolin (helaas geen gegevens bekend). Het oudste in Nederland gebouwde tankschip is mogelijk de Ampetco 1 uit 1909[SchepenDB].
~tankveegsel:
roest en dikvloeibare uit de lading afkomstige resten, die zich op de
bodem van de ladingtanks verzameld heeft.
~tankverwarming:
inrichting waarmee men de lading
die zich
in de ladingtanks bevindt
kan
verwarmen.
~tappunt,
drinkwatertappunt,
watertappunt:
1> plaats
waar schippers
drinkwater kunnen
krijgen/kopen. [T>drinkwater.] 2> plaats waar de waterboot zijn tanks vult.
~Taske: 1> Gronings voor een
kleine
(max. ca. 80 ton) Tjalk. 2> Door
Groningse schippers
gebezigde, minachtende benaming voor kleine schepen.
~Tasschuit: scheepstype, vrachtschip, platbodem
met (oorspronkelijk) vrij scherp voorschip,
afkomstig uit de provincie Groningen, waarschijnlijk tegen het eind van
de 19de eeuw verdwenen. Voornamelijk voor het vervoer van turf
gebruikt.
Mogelijk ook Taske.
@geen verder gegevens
bekend.
~tauereiboot:
half Duits, half Nederlands voor draadsleepboot.
~tausend bretter:
Duitse term die gebruikt wordt voor bepaalde Duitse sleepschepen, waarvan het ruim niet met luiken
maar met losse planken afgedekt waren. (Mogelijk had de luikenkap een
dakvormig model, dus een veel sterkere knik in het midden dan de Friese
luikenkap. Mogelijk betreft het scheepstypes als de Elbekahn.)
~teboekstellingsnummer,
de teboekstelling,
brandmerk:
cijfer-letter combinatie, waaronder het schip
bij het hypotheekkantoor
ingeschreven
was, en die op het schip vermeld diende te worden. [A>]
[T>]
~teer:
middel voor het conserveren van hout, touw of staal.
BRUINE TEER
,
STOCKHOLMER TEER
,
karlteer,
carlteer,
karrelteer:
uit destillaat van beuken of berkenhout gewonnen product. Voornamelijk
gebruikt voor het bovenwaterschip
van houten schepen, de houten luikenkap en (in verdunde vorm) ook voor touw en dekzeilen.
Van
ZWEEDSE TEER
beweert men dat
dit bruine teer was waaraan lijnolie toegevoegd werd. Deze was dan vloeibaarder en lichter van kleur dan de echte bruine teer.
ZWARTE TEER
,
ENGELSE TEER
,
koolteer,
steenkoolteer:
uit steenkooldestillaat gewonnen product. Voornamelijk gebruikt voor stalen rompen, inclusief de dekken en bij open schepen ook de binnenzijdes.
Bij houten schepen alleen gebruikt voor het onderwaterschip.
koolteerlak
zwarte teer variant, waarvan beweerd werd dat deze langer bleef glanzen. In de meeste gevallen was daar echter weing van te merken. Onderandere verkrijgbaar onder de merknaam 'Tencopal'.
ZWARTE TEER, TEERVRIJE TEER, teervervangde teer
:
moderne, minder schadelijke, maar ook minder goede, variant van steenkoolteer.
TWEE COMPONENTEN TEER
: teervervanger op basis van epoxy- of polyurethaanharsen.
~teerbak:
stalen rechthoekige bak, waarin men, als men
met de
roller teert, de teer
doet.
~teerbus: 1>
afsluitbaar
blikken
emmertje waarin teer
verpakt is. 2>teerpot.
~teerdweil:
vermoedelijke voorloper van de stokkwast;
lange stok met aan het uiteinde een bijeen gebonden mop textiel,
waarmee teer op het schip
gestreken werd.
~teerherft:
herft waarin de teer en benodigdheden voor het teren bewaard werden.
Natuurlijk alleen grote schepen hadden een apart herft voor deze zaken.
~teerhok:
gebouwtje op een werf
waar
men de spullen, die men tijdens het teren
gebruikt,
bewaart.
~teertanker:
tankschip ingericht
voor het vervoer van teerachtige producten.
~teervaatje:
blikken vaatje, waarin men vroeger, toen teer
nog
uit het vat verkocht werd, teer haalde en bewaarde. [A>]
~teervat:
stalen vat, 60 of 200 liter groot, waarin men teer
bewaard. Dergelijk grote teervaten werden vroeger bijna alleen op
scheepswerven en door tagrijnen
gebruikt.
~teervervanger:
synthetisch middel dat gebruikt wordt ter vervanging van de ouderwetse
steenkoolteer.
~tegenhouder: 1> aanhouder, keerder:
persoon,
die tijdens het klinken
een zwaar blok
staal
of een voorhamer, tegen de klinkkop
gedrukt
houdt. [T>] 2>dolly:
zwaar stuk
staal, dat hierbij gebruikt wordt. [A>]
~tegenlopen:
van de wind: naar een ongunstiger richting
draaiend.
~tegenring, contra-ring:
bij de
bevestiging
van lichtranden en patrijspoorten
in hout, gebruikte gietijzeren of messing ring, gelijk aan de rand van
de poort, die moet voorkomen dat de bevestigings bouten, door het hout
getrokken worden. Vergelijk: sierring.
~tegenspant,
tophoekstaal,
tophoeklijn:
hoeklijn aan de bovenzijde van een stalen legger.
~tegenstroom:
1> stroming, tegengesteld aan
de
normale
stroomrichting. 2> stroming van het water, tegen de vaarrichting
in.
~tegenwind:
wind komende uit de richting waarheen men vaart.
~telegraaf,
scheepstelegraaf:
instrument waarmee men commando's, tussen stuurstand
en machinekamer, ten aanzien van de
draairrichting en het toerental van de stoommachine, overbrengt.
Gerelateerde termen: spreekbuis, machinekamerbel.
~telegraafboot:
onvoldoende bekend! Vrachtschip van de fa. Braakman.
Aangezien het hier om schepen en niet om boten gaat, is het
gebruik van het woord boot hier volledig misplaatst [uitleg].
~Tenco....: Tencogarant, Tencopal,
Tencoferro,
Tencotop:
productnamen
van Touwen's verf- en teerfabriek.
~Tentschuit,
pakschuit:
(scheepstype)
gestrekt laag vrachtschip
voorzien van een tent(1),
met rechte
voorover
vallende stevenbalk
en meestal rond achterschip.
Teneinde voldoende ruimte voor de lading te scheppen waren rond het
ruim een soort van houten wanden opgericht. De bovenkant daarvan werd
meestal afgedekt met dekzeilen. Bij de exemplaren, die ook een
redelijke accomodatie voor passagiers hadden en die meestal pakschuiten
genoemd worden, werd de bovenkant echter vaak gedekt met luiken of
losse planken. Zowel in hout als in staal gebouwd. Dit scheepstype werd
voornamelijk gejaagd.
~terminal: 1>
draadterminal:
metalen
deel, bijv. een oog of kleine gaffel, met een bus, die op een bepaalde
wijze rond het uiteinde van staaldraad geperst wordt.
~terpaarde, modder:
grond
afkomstig
van de Friese terpen. Vaak gebruikt om de kwaliteit van landbouwgrond
te
verbeteren. Tot ca. 1930 werden hiervoor diverse Friese terpen
afgegraven.
~Tesselse Kaag,
Tesselse Lighter,
Lighter:
type Kaag, die ondermeer
rond Texel gebruikt
werd
om zeeschepen te lichten(2).
Ze waren wat
groter
en hadden een naar voor toe sterker oplopende zeeg, dan de 'gewone'
Kaag.
~TEU,
T.E.U.,
Twenty feet Equivalent Unit:
maateenheid. Hiermee wordt het
aantal 20 voets-standaardcontainers,
dat een schip kan laden, aangegeven.
Een standaardcontainer meet:
l: 5898 mm, b: 2350 mm,
h: 2390 mm; totaalgwicht: 30.480 kg,
lediggewicht: 2.230 kg, laadvermogen: 28.250 kg max. inhoud: 30,1
m³.
~T-frontmaaier:
Voorziening aan sommige maaiboten,
waarmee waterplanten en riet onderwater gemaaid kunnen worden. De
maaier bestaat uit twee haaks op elkaar geplaatste maaiers (zogenaamde
balkmaaiers), die samen een omgekeerde T vormen. Het vertikale gedeelte
is vermoedelijk om, bij sterk verwarde begroeiingen, vrijbaan te
snijden voor het vaartuig, terwijl het horizontale deel de begroeiing
afsnijd.
~theehut, teehut,
T-hut: 1>
op het dek, achter een roef
aan de den (en voor de eventuele stuurhut),
geplaatste opbouw, die
bij de woning
hoort. [A>]
De theehut is bijna
altijd smaller dan de roef en daar de hut op het dek staat, steekt deze
een eindje boven de roef uit. Vooral vroeger stak het dak aan
weerszijden een flink eind uit, zodat de dwarsscheeps vorm op een T met
een dikke stok leek. De hut zou daarom, volgens sommigen, een T-hut
genoemd worden. Een andere verklaring voor de naam is dat de theehut
vaak als keuken
gebruikt
wordt en men er dus geregeld een kopje thee dronk. Vroeger waren de
theehutten vaak van hout en konden ze, indien nodig afgebroken worden.
Later toen de theehutten van staal werden gebouwd, kwam het voor dat
deze niet op het dek stond, maar een klein eindje daarin verzonken was.
De theehut ziet
men vooral op (voormalige) sleepschepen.
Verwante termen: salonroef, kot, durk,
dekhut, salon, dekroef, voorroef, paviljoen.
verlaagde theehut
: door mij gebezeigde term ter aanduiding van dat deel van de roef, dat
zich op de plaats van de theehut bevindt, net als de theehut ook
smaller is dan de roef, maar waarvan het dak gelijk ligt met het roefdek.
2> door sommigen
gebruikte benaming voor een op het dek geplaatste, of slechts weinig
verzonken, bewoonbare opbouw, die zich tussen twee andere, op
verschillende niveau liggende vertrekken bevindt. Bijvoorbeeld gebruikt
voor een hoge roef tussen stuurhut en vooronder op sleepboten.
~theetuitje:
naam voor het uitbuigende deel bovenaan de klippersteven.
Voornamelijk gebruikt bij Klipperaken met een te
stompe kop en een klippersteven, die slechts aan de uiteinden een kromming vertoont.
~Thomson-roos:
rond 1873 ontwikkelde kompasroos voor droge kompassen.
De kompasroos wordt gevormd door een rechtopstaande aluminium buitenring met een doorsnede van bijv. 25 cm. In het midden bevindt zich een kleine aluminium ring waarin de kompasdop gemonteerd is. Binnen en buitenring zijn door middel van 32 zijden draadjes met elkaar verbonden. Langs de buitenring ligt een papieren rand waarop de kompaasstreken aangebracht zijn. Op 3 a 4 cm onder deze roos bevinden zich, hangend aan een 16tal met de buitenring verbonden zijden draadjes, een achtal, door middel van zijden draadjes met elkaar verbonden, magneten. De gehele constructie weegt niet meer dan ca. 13 gram.
~thuishaven: 1> de
plaats, waar
de eigenaar van het vaartuig
woont en
die
(achter)op het schip
vermeld moet worden. 2>
de plaats, waar de schipper
bij voorkeur
wacht
op lading. Meestal de
plaats of een plaats
in
het gebied, waar de schipper zijn post- en waladres
heeft.
Let op betekenis 1 heeft betrekking op het schip, betekenis 2
op de schipper!
~tier:
in het algemeen: de ruimte
die
overblijft
wanneer men ronde voorwerpen strak tegen elkaar plaatst.
In het
bijzonder:
de groeven tussen de kardelen
bij touw
of staaldraad.
~tij, getijde:
1>
de periode tussen hoog-
en laagwater,
of omgekeerd. Soms ook: de periode tussen twee hoog- of laagwaters.
Vaak
ook een volledig tij genoemd.
een tij(tje) overzitten
: wordt gezegd wanneer men met afgaand water aan de grond gelopen is en moet wachten
tot
er weer
voldoende water is.
: a> met dusdanige snelheid varen, dat
men
de
eb- of vloedstroomdood
vaart. Ook het tij afstoppen genoemd.
b> soms ook
gebruikt
voor het liggen wachten op gunstig tij.
GUNSTIG TIJ
:
het tij waarbij men (het grootste deel van de reis, de meeste) stroom mee heeft.
UITGAAND TIJ
:
het tij waarbij het water naar zee stroomt: eb.
Wanneer het water landinwaarts stroomt noemt men het inkomend tij, vloed.
Bij inkomend tij ontstaat op de benedenrivieren zijkschuim bij uitgaand tij kopschuim.
~tijd:
gesloten tijd
: de periode waarin, volgens de wet, geheel niet gevist mag worden.
Zie ook rusttijd.
2>traveerder, traveerman: iemand die tegenbetaling, op hoekpunten van lastige vaarwegen en ook bij sluizen, door het aanemen en vastzetten van een 'draadje', de schippers helpt hun schip in de juiste richting te krijgen.
Over het algemeen konden de schippers het hier in Nederland redelijk redden. Op sluizen echter was de helpende hand van de sluiswachter vaak welkom, vooral bij de lastige sluizen. Lastige sluizen waren voornamelijk de sluizen waarvan in- en uitvaart niet in elkaars verlengde lagen (de bajonetsluizen) de sluizen waarbij de kolk veel breder was dan de in- en uitvaart en de zeer diepe sluizen. Op sommige sluizen was zoveel werk aan de winkel dat er tijmannen actief waren. Bekend hierom zijn ondermeer de sluizen van Wemeldingen, Hansweert en Terneuzen. In België lag de zaak iets anders. Daar had men op diverse plaatsen nauwe vaarwaters, haakse bochten en veel stroom, die in het boegschroefloze tijdperk niet zonder een draadje naar de wal genomen konden worden. Ook daar waren de diensten van de tijmannen, aldaar traveerman genoemd, welkom.
~tijrivier,
getijderivier:
(gedeelte van) een rivier, waarop de
invloed van eb
en vloed merkbaar zijn.
2>
over het algemeen: een Groninger of Friese Tjalk, van de algemene vaart,
die door velen min of meer als de 'standaard' tjalk gezien worden.
ZEEGAANDE TJALK
, Oostzeetjalk:
Groninger of Friese tjalk van
de 'algemene vaart', die bij geringere belading of door verbouwingen
achteraf voor
de buitenvaart
geschikt is.
~Tjonger, Kuinder, Kuunder:
naam van een riviertje in Friesland vanaf het Fochtelooërveen en vroeger uitmondend in de Zuiderzee.
Wat tegenwoordig algemeen bekend staat als de Tjonger heet officiëel het Tjongerkanaal.
Het Tjongerkanaal loopt van de Opsterlandse Compagnonsvaart nabij Oosterwolde tot de Pier Christiaansloot ten zuiden van Echtenerbrug. Het riviertje werd in de 19de eeuw grotendeels gekanaliseerd, waarna het deze naam kreeg. Alleen het resteerde deel, dat van de Pier Christiaansloot tot Kuinre loopt en de bovenloop hebben nog hun oorspronkelijke naam:
Tjonger, Kuunder of Kuinder. De bovenloop van de Tjonger, ten noorden van de Opsterlandse Compagnonsvaart is al sinds mensenheugnis niet voor de scheepvaart van belang. Het Tjongerkanaal is ca. 35 km lang. Het Tjongerkanaal is lange tijd, vooral tijdens de ontvening van oostelijk Friesland, een vrij belangrijke vaarroute geweest. In de jaren '60-'70 van de 20ste eeuw liep het beroepsgoederenvervoer over dit water echter sterk terug, om uiteindelijk in de jaren '80 geheel te eindigen. De vaarweg is sinds de jaren '80 erg in trek bij de watersporters en onderdeel van de zogenaamde turfroute.
~Tjongerkanaal, Tjonger:
naam voor het gekanaliseerde gedeelte van het riviertje de Tjonger.