banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst T



~taan:
middel waarmee visnetten en katoenen zeilen geconseerveerd werden. Naam van diverse mengsels waarin de volgende bestanddelen verwerkt kunnen zijn: sap uit eikenschors, bruine teer, cachou, caoutchouc, guttapercha, en soms ook lijnolie en gebrande cichorei.




~taanbaas:
bezitter van een taanderij.




~taander:
iemand, die werkzaam is op een taanderij.




~taanderij, taanhuis:
plaats waar men visnetten en zeilen taant.




~taangeel:
bruin-gele kleur. De kleur van licht getaand katoen.




~taanhuis: taanderij.




~taanketel:
ketel waarin men taan kookt.




~taankleur:
volgens sommigen: donkerbruin; de kleur van getaandezeilen, volgens anderen taangeel.




~taanmast:
houten paal, waarin men een visnet, touwen of een zeil dat getaand wordt ophijst.




~taats, taatspot, taatslager:
1> lager, dat vooral de kracht, die in de lengterichting van de as werkt, opvangt. In de binnenvaart vaak een pot genoemd.
De term taatspot is vooral van toepassing op glijlagers, terwijl de term taatslager vaak gebruikt wordt voor kogel-, rol- of tonlagers.

Verwante term aspot, kussen.

2> verkorting van roertaats of taatspot: de taats die de onderkant van de roerkoning lagert.





~taatsplaat :
klein in een taats(pot) gelegd plaatje, dat de wrijving met de as moet verminderen. Het plaatje was daartoe aan de aszijde enigzins bol.





~tabernakel:
1> Vlaams voor herft.
2> Mogelijk ook gebruikt voor elke vorm van berging, zoals de uitbouwen die men vaal tegen de achterwand van de stuurhut op spitsen ziet. [A>, A>]




~tachograaf:
instrument waarmee het draaien van de schroefas, en daarmee dus de vaartijd, geregistreerd wordt.




~tafel:
1> getijtafel.
2> minder gebruikelijk: stuurtafel.





~tagrijn:
1> oorspronkelijk: handelaar in tweedehands zeilen, touwwerk, e.d. Vaak gecombineert met het beroep van zeilmaker.
2> tussen ca. 1920 en 1980: winkel in scheepsbenodigdheden, vaak gecombineerd met een brandstoffen en smeeroliehandel.
3>
tegenwoordig (voor zover de term nog wordt gebruikt): voornamelijk een winkel met watersportartikelen.





~takel:
1a> talie, striets, trijs:
samenstelsel van blokken en/of schijven met touw, staaldraad of ketting, waarmee grote krachten uitgeoefend kunnen worden.
Gerelateerde termen (naar samenstelling): wipper, enkeljol, dubbeljol, klaploper, derdehandtakel, vierloper, noktakel/halve gijn, gijntakel/hele gijn.
Gerelateerde termen (naar functie): hijstalie, roertalie, grondtakel, stuurtalie, stoottalie, stagtalie, wanttalie, bakstagstalie, boomtalie, bulletalie, grootschoottalie, fokkeschoottalie, halstalie, spriettalie, stengetalie, voettalie, zwaardtalie, kiptakel, lasttakel, noktakel, snijtakel, zeetakel.

b> talie: algemeen gebruikt synoniem voor wat men ook een derdehandtakel noemt.
Voor een beschrijving zie aldaar.


2> de takelage in:
VOOR TOP EN TAKEL
.
Zie ook: top.





~takelaar:
ongebruikelijke term voor tuiger.




~takelage, takeling:
1> het lopende en staande want te samen.
2> foutieve benaming voor de tuigage zonder de zeilen.




~takelbalk: kraanbalk(2).




~takelblok:
blok met twee of meer schijven.




~takelen:
1> taliën, trijsen: met een takel verplaatsen (hijsen).
2> toetakelen.
3> betakelen.




~takelgaren:
3 of 4 strengs hennep touw met geringe diameter. Takelgaren wordt ondermeer gebruikt voor het maken van takelingen.




~takeltouw:
ongebruikelijke term voor: taliereep, loper.





~takeling:
1>  bindsel: een aantal windingen, van dun touw of staaldraad, rond het uiteinde van een touw of staaldraad, die moeten voorkomen dat de tamp uitrafelt.
Het woord bindsel wordt veelvuldig als synoniem gebruikt. Er is dan ook veel overeenkomst in de wijze waarop deze gelegd worden. De toepassing is echter sterk verschillend, al zou men kunnen zeggen dat men ook met de takeling meerdere voorwerpen (de kardelen) met elkaar verbindt.


SPAANSE TAKELING
:
soort splits, waarbij de kardelen direct in de tamp teruggevlochten worden.

2>
takelage, soms ook tuigage.





~talie:
1>
takel.
2>
ongebruikelijke benaming voor een eind touw.




~taliegat:
gat in de bovenzijde van de voorstevenbalk waardoor het touw van de voorstagnaaiing geregen wordt. Hiertoe zijn meestal drie of vier van dergelijke gaten aangebracht.




~taliehaak, haak, hijshaak:
1> haak aan een takel, in het algemeen. [A>]
2> de haak van de halstalie, in het bijzonder.
Over het algemeen een gesmede haak met wijde bek en groot oog, dat dwars op de bek van de haak staat. Extra zware taliehaken werden ook als brittelhaak gebruikt.





~talielat:
halfronde lat, boven de taliegaten, ter weerszijde van de voorstevenbalk.




~taliën: takelen.





~taliereep, runner:
zie loper. Vergelijk: talreep.





~talieschenkel: schinkel(2).





~talietouw:
ongebruikelijke term voor taliereep, loper.





~talreep:
de loper van een takel(1), wanneer deze uit 'blokken' zonder schijven samengesteld is. [A>] Vergelijk: taliereep.
Gerelateerde termen: zijstagnaaiing, wanttalie.





~talreepsknoop:
stopperknoop, die in het begin van de talreep gelegd wordt en die voorkomt dat het touw door het gat in het jufferblok schiet.





~talreepkous, triangel, wantkous:
driehoekige zware kous, meestal ter vervanging van jufferblok of doodshoofd, maar ook voor andere naaiings gebruikt.
Bij gebruik van talreepkousen spreekt men meestal van een zijstagnaaiing in plaats van een talreep.





~taludmaaier:
voorziening op sommige maaiboten. Een hydraulische arm met aan het uiteinde een maaiinrichting waarmee oevers gemaaid kunnen worden.





~Talurit:
merknaam van het materiaal waarvan men o.a. pershulzen, sokken en moffen maakt.





~tamp:
het uiteinde van een stuk touw of staaldraad.





~Tamsa spits:
tussen 1929 en 1932 gebouwd herstelbetalingsschip van het type spits. De meesten, honderdvijftig à tweehonderd, werden op de Gutehoffnungshütte Abteilung Rheinwerft te Walsum gebouwd. De schepen kwamen uiteindelijk onder beheer bij Transporteur AutoMoteur Société Anonyme in Parijs en kregen de naam Tamsa gevolgd door een nummer.
Deze motorspitsen hebben de schroef redelijk ver onder het achterschip zitten en tonen aardig geveegd. Dat natuurlijk wel maar tot op zekere hoogte. Het bovenste deel is gewoon weer vol van bouw en buigt achterop iets naar binnen. De schepen hebben een salonroef die niet al te diep verzonken is. Voor de stuurhut ligt een brugdek met daarvoor de herften en de kookhut.






~tand :
een tandje bijzetten
: een klein beetje 'gas' bijgeven.
De term is ontstaan toen men voor de toerentalregeling een manette ging gebruiken, die voorzien was van een vertanding.






~tandem varen:
Zie bij span.





~tandwielkwadrant:
zie kwadrant.





~tanen:
visnetten of zeilen in taan onderdompelen.




~tank:
afgesloten ruimte waarin vloeistof opgeslagen wordt. Verwante termen: brandstoftank, dagtank, ladingtank, bunker.




~tankbak, duwbak, bak:
Duwbak voor het vervoer van vloeibare lading.
De term wordt gebruikt om onderscheid te maken met: beunbakken, containerbakken en vrachtbakken.
Verwante termen: kopbak, lashbak, scherlastflosse, bacobak, beunbak, containerbak, europabak, tankbak en vrachtbak.




~tankbodem:
de onderkant van een tank.




~tankcleaningvaartuig:
vaartuig, voor zover ik weet altijd een stoomvaartuig, dat gebruikt wordt om ladingtanks (van vrachtwagens, zee- en binnenschepen) te reinigen.  Zie tankreiniging.
Voor zover ik weet is in verband met het voorhanden zijn van nieuwe technieken het gebruik van stoomschepen voor dit doeleind gestopt.

Het begrip tankcleaningvaartuig ben ik tot op heden slechts éénmaal tegengekomen. Persoonlijk zou ik de voorkeur aan tankreinigingsvaartuig gegeven hebben.





~tankdek, tanktopplaat:
de bovenzijde van een ladingtank.





~tankdekschuit:
dekschuit ingericht voor het vervoer van vloeibare ladingen.





~tankduwbak, tankerbak:
duwbak, die als tankschip ingericht is. [A>]





~tanker, tankschip, binnenvaarttanker, binnenvaarttankschip:
binnenvaartvrachtschip ingericht voor het vervoer van vloeibare ladingen. [A>]
Men kent onder meer: de gewone tanker (olietanker), de zwaveltanker, de loogtanker, de melktanker, de waterboot, de spijsolietanker, de teertanker, de meeltanker, de melassetanker, de cementtanker en de gastanker.

Voor tankschepen die lichtbrandbare stoffen vervoeren gebruikte men vroeger soms de term K-schip, tegenwoordig de term kegelschip.
Voor zover bekend is de oudste binnenvaarttanker het in 1889 gebouwde sleeptankschip Carolin (helaas geen gegevens bekend). Het oudste in Nederland gebouwde tankschip is mogelijk de Ampetco 1 uit 1909[SchepenDB].


Gerelateerde termen: motortankschip, tanklichter, sleeptankschip, kegelschip, brandvlag.




~tanker cleaning:
zie tankreiniging.




~tankhoofd, trunk, laadhoofd:
Op een ladingtank geplaatste, afsluitbare, kokervormige constructie, waarlangs men de tank kan betreden of inspecteren.
Het woord trunk is afkomstig van het Engelse woord 'trunc'.





~tankhoofddeksel, laadhoofddeksel:
metalen deksel, voorzien van een tankpoortje, waarmee het tankhoofd afgesloten is.




~tankinhoud:
de inhoud van de (lading)tanks, uitgedrukt in kubieke meters.




~tanklichter:
lichter met ladingtanks voor het vervoer of de opslag van vloeibare lading.




~tankmotorschip:
zeer ongebruikelijke term voor motortankschip.




~tankontluchting:
verbinding tussen een tank en de buitenlucht.




~tankpeiling:
het met een soort peilstok bepalen van de hoeveelheid lading die zich in een ladingtank bevindt.





~tankpoortje, kijkpoort:
klein dekseltje op de tankhoofddeksel. Meestal een soort patrijspoortje dat een extra massief stalen deksel heeft.




~tankreder:
persoon, die een tankrederij beheert of bezit.





~tankrederij:
persoon of bedrijf dat één of meerdere tankschepen in maatschappij laat varen.






~tankreiniging, tanker cleaning:
het verwijderen van bezinksel uit (lading)tanks.
Gerelateerde term: tankcleaningvaartuig.




~tankruim:
weinig gebruikte term voor een ruim dat dienst doet als ladingtank.




~tankschip:
Zie tanker.




~tanksleepschip:
zie sleeptankschip.




~tankspiraal:
onderdeel van de tankverwarming; in een ladingtank gemonteerde spiraal waarmee de lading verwarmd wordt.




~tankspits:
tanker van het scheepstype spits. [A>]




~tanktop:
het boven het dek uitstekend gedeelte van een ladingtank.




~tanktopplaat:
zie tankdek.





~tankvaart:
de scheepvaart met tankschepen.
Gerelateerde term: depotwerk.





~tankveegsel:
roest en dikvloeibare uit de lading afkomstige resten, die zich op de bodem van de ladingtanks verzameld heeft.





~tankverwarming:
inrichting waarmee men de lading die zich in de ladingtanks bevindt kan verwarmen.




~tappunt, drinkwatertappunt, watertappunt:
1> plaats waar schippers drinkwater kunnen krijgen/kopen.  [T> drinkwater.]
2> plaats waar de waterboot zijn tanks vult.




~Taske:
1> Gronings voor een kleine (max. ca. 80 ton) Tjalk.
2> Door Groningse schippers gebezigde, minachtende benaming voor kleine schepen.





~Tasschuit:
scheepstype, vrachtschip, platbodem met (oorspronkelijk) vrij scherp voorschip, afkomstig uit de provincie Groningen, waarschijnlijk tegen het eind van de 19de eeuw verdwenen. Voornamelijk voor het vervoer van turf gebruikt. Mogelijk ook Taske. @geen verder gegevens bekend.





~tauereiboot:
half Duits, half Nederlands voor draadsleepboot.




~tausend bretter:
Duitse term die gebruikt wordt voor bepaalde Duitse sleepschepen, waarvan het ruim niet met luiken maar met losse planken afgedekt waren. (Mogelijk had de luikenkap een dakvormig model, dus een veel sterkere knik in het midden dan de Friese luikenkap. Mogelijk betreft het scheepstypes als de Elbekahn.)




~teboekstellen:
een schip bij het hypotheekkantoor of het kadaster laten registreren.




~teboekstelling:
de inschrijving bij het scheepshypotheekkantoor.
DE TEBOEKSTELLING
: het teboekstellingsnummer.




~teboekstellingsnummer, de teboekstelling, brandmerk:
cijfer-letter combinatie, waaronder het schip bij het hypotheekkantoor ingeschreven was, en die op het schip vermeld diende te worden. [A>] [T>]




~teboekstellingskantoor: hypotheekkantoor.




~teehut: theehut.





~teen:
1> voet van een dijk.

2> de rechte pen van het pikhaakbeslag.





~teenklamp:
zie bij halve klamp.





~teer :
middel voor het conserveren van hout, touw of staal.

BRUINE TEER
,
STOCKHOLMER TEER
, karlteer, carlteer, karrelteer:
uit destillaat van beuken of berkenhout gewonnen product. Voornamelijk gebruikt voor het bovenwaterschip van houten schepen, de houten luikenkap en (in verdunde vorm) ook voor touw en dekzeilen.
Van 
ZWEEDSE TEER
beweert men dat dit bruine teer was waaraan lijnolie toegevoegd werd. Deze was dan vloeibaarder en lichter van kleur dan de echte bruine teer.

ZWARTE TEER
,
ENGELSE TEER
, koolteer, steenkoolteer:
uit steenkooldestillaat gewonnen product. Voornamelijk gebruikt voor stalen rompen, inclusief de dekken en bij open schepen ook de binnenzijdes.
Bij houten schepen alleen gebruikt voor het onderwaterschip.

koolteerlak
zwarte teer variant, waarvan beweerd werd dat deze langer bleef glanzen. In de meeste gevallen was daar echter weing van te merken. Onderandere verkrijgbaar onder de merknaam 'Tencopal'.

ZWARTE TEER, TEERVRIJE TEER, teervervangde teer
:  moderne, minder schadelijke, maar ook minder goede, variant van steenkoolteer.

TWEE COMPONENTEN TEER
teervervanger op basis van epoxy- of polyurethaanharsen.




~teerbak:
stalen rechthoekige bak, waarin men, als men met de roller teert, de teer doet.




~teerbus:
1> afsluitbaar blikken emmertje waarin teer verpakt is.
 2> teerpot.




~teerdweil:
vermoedelijke voorloper van de stokkwast; lange stok met aan het uiteinde een bijeen gebonden mop textiel, waarmee teer op het schip gestreken werd.




~teerherft:
herft waarin de teer en benodigdheden voor het teren bewaard werden.
Natuurlijk alleen grote schepen hadden een apart herft voor deze zaken.





~teerhok:
gebouwtje op een werf waar men de spullen, die men tijdens het teren gebruikt, bewaart.




~teerkleed:
dekzeil, dat met bruine teer ingesmeerd is.




~teerkwast:
flinke kwast, waarmee men teert. Vaak een bokkepoot, of een stokkwast.




~teerlak:
soort teer, die langer zou moeten blijven glimmen.





~teermop:
ca. 5 cm dikke kwastborstel meestal gebruikt voor een stokkwast.




~teerpot:
1> stevig stalen emmertje, met een inhoud van 2 tot 5 liter (mogelijk nog groter), waarin men de teer doet. [A>]
2> teerputs.
3>
teerbus.





~teerputs:
vroeger houten, later stalen, lage emmer, die men tijdens het teren gebruikte.








~teerroller:
verfroller aan een lange stok, waarmee men het schip teert.




~teersteker:
groot formaat steekijzer, dat tijdens de werfbeurt gebruikt wordt om aangroeisel en los zittend teer te verwijderen.




~teertanker
tankschip ingericht voor het vervoer van teerachtige producten.




~teervaatje:
blikken vaatje, waarin men vroeger, toen teer nog uit het vat verkocht werd, teer haalde en bewaarde. [A>]




~teervat:
stalen vat, 60 of 200 liter groot, waarin men teer bewaard. Dergelijk grote teervaten werden vroeger bijna alleen op scheepswerven en door tagrijnen gebruikt.




~teervervanger:
synthetisch middel dat gebruikt wordt ter vervanging van de ouderwetse steenkoolteer.




~teervilt:
met zwarte teer doordrenkt vilt.




~tegenbrassen:
de zeilen met de brassen bak(5) zetten.




~tegenhouder:
1> aanhouder, keerder:
persoon, die tijdens het klinken een zwaar blok staal of een voorhamer, tegen de klinkkop gedrukt houdt. [T>]
2> dolly: zwaar stuk staal, dat hierbij gebruikt wordt. [A>]




~tegenkiel:
ongebruikelijke naam voor zaadhout.




~tegenlopen:
van de wind: naar een ongunstiger richting draaiend.




~tegenring, contra-ring:
bij de bevestiging van lichtranden en patrijspoorten in hout, gebruikte gietijzeren of messing ring, gelijk aan de rand van de poort, die moet voorkomen dat de bevestigings bouten, door het hout getrokken worden. Vergelijk: sierring.




~tegenspant, tophoekstaal, tophoeklijn:
hoeklijn aan de bovenzijde van een stalen legger.




~tegenstroom:
1>
stroming, tegengesteld aan de normale stroomrichting.
2> stroming van het water, tegen de vaarrichting in.




~tegensturen, opsturen:
het roer verdraaien teneinde de drift of het scheeftrekken van het schip te compenseren.




~tegenwicht: wegerij.




~tegenwind:
wind komende uit de richting waarheen men vaart.





~telegraaf, scheepstelegraaf:
instrument waarmee men commando's, tussen stuurstand en machinekamer, ten aanzien van de draairrichting en het toerental van de stoommachine, overbrengt.
Gerelateerde termen: spreekbuis, machinekamerbel.





~telegraafboot:
onvoldoende bekend! Vrachtschip van de fa. Braakman.
Aangezien het hier om schepen en niet om boten gaat, is het gebruik van het woord boot hier volledig misplaatst [uitleg].





~Tenco....: Tencogarant, Tencopal, Tencoferro, Tencotop:
productnamen van Touwen's verf- en teerfabriek.




~tent:
1>
uitbouw van het ruim, vanaf de boorden van het schip tot ongeveer gelijke hoogte met de roef, soms gedekt met een luikenkap, maar vaker alleen met dekzeil. Ondermeer op de pakschuit vrij gebruikelijk geweest.
2> zie kledenkap.
3> blaasbalg.





~Tentaak:
Fries aakje (met blaasbalg).





~Tentschuit, pakschuit:
(scheepstype) gestrekt laag vrachtschip voorzien van een tent(1), met rechte voorover vallende stevenbalk en meestal rond achterschip. Teneinde voldoende ruimte voor de lading te scheppen waren rond het ruim een soort van houten wanden opgericht. De bovenkant daarvan werd meestal afgedekt met dekzeilen. Bij de exemplaren, die ook een redelijke accomodatie voor passagiers hadden en die meestal pakschuiten genoemd worden, werd de bovenkant echter vaak gedekt met luiken of losse planken. Zowel in hout als in staal gebouwd. Dit scheepstype werd voornamelijk gejaagd.




~tepel:
zie speen.




~teren
het aanbrengen van teer.




~terminal:
1> draadterminal: metalen deel, bijv. een oog of kleine gaffel, met een bus, die op een bepaalde wijze rond het uiteinde van staaldraad geperst wordt.

2> verkorting van containerterminal.




~terpaarde, modder:
grond afkomstig van de Friese terpen. Vaak gebruikt om de kwaliteit van landbouwgrond te verbeteren. Tot ca. 1930 werden hiervoor diverse Friese terpen afgegraven.




~terpaardeskûtsje:
skûtsje dat regelmatig terpaarde vervoert. Geen speciaal scheepstype.




~terpvaart:
1> vaart naar een terp, vaak ook dorpsvaart en lijkvaart.
2> het varen met terpaarde.




~terugreis:
de tocht vanaf de losplaats, naar de gebruikelijke thuishaven(2) of de dichtsbijzijnde beursplaats.




~terugschutten:
tijdens het schutten, de normale gang onderbreken, om in tegengestelde richting te gaan schutten.




~Tesselse blazer:
 zie bij Blazer.




~Tesselse Kaag, Tesselse Lighter, Lighter:
type Kaag, die ondermeer rond Texel gebruikt werd om zeeschepen te lichten(2). Ze waren wat groter en hadden een naar voor toe sterker oplopende zeeg, dan de 'gewone' Kaag.




~TEU, T.E.U., Twenty feet Equivalent Unit:
maateenheid. Hiermee wordt het aantal 20 voets-standaardcontainers, dat een schip kan laden, aangegeven.
Een standaardcontainer meet:
l: 5898 mm, b: 2350 mm, h: 2390 mm; totaalgwicht: 30.480 kg, lediggewicht: 2.230 kg, laadvermogen: 28.250 kg max. inhoud: 30,1 m³.





~tewaterlating:
een schip vanaf de werf in het water brengen. In het bijzonder gebruikt voor de stapelloop van een nieuw gebouwd schip.




~Texel: zie bij Tessel.




~T-frontmaaier:
Voorziening aan sommige maaiboten, waarmee waterplanten en riet onderwater gemaaid kunnen worden. De maaier bestaat uit twee haaks op elkaar geplaatste maaiers (zogenaamde balkmaaiers), die samen een omgekeerde T vormen. Het vertikale gedeelte is vermoedelijk om, bij sterk verwarde begroeiingen, vrijbaan te snijden voor het vaartuig, terwijl het horizontale deel de begroeiing afsnijd.




~T.H.B.:
zie Tolkamers Handels Belang.




~theehut, teehut, T-hut:
1>
op het dek, achter een roef aan de den (en voor de eventuele stuurhut), geplaatste opbouw, die bij de woning hoort. [A>
De theehut is bijna altijd smaller dan de roef en daar de hut op het dek staat, steekt deze een eindje boven de roef uit. Vooral vroeger stak het dak aan weerszijden een flink eind uit, zodat de dwarsscheeps vorm op een T met een dikke stok leek. De hut zou daarom, volgens sommigen, een T-hut genoemd worden. Een andere verklaring voor de naam is dat de theehut vaak als keuken gebruikt wordt en men er dus geregeld een kopje thee dronk. Vroeger waren de theehutten vaak van hout en konden ze, indien nodig afgebroken worden. Later toen de theehutten van staal werden gebouwd, kwam het voor dat deze niet op het dek stond, maar een klein eindje daarin verzonken was.
De theehut ziet men vooral op (voormalige) sleepschepen. Verwante termen: salonroef, kot, durk, dekhut, salon, dekroef, voorroef, paviljoen.

verlaagde theehut
: door mij gebezeigde term ter aanduiding van dat deel van de roef, dat zich op de plaats van de theehut bevindt, net als de theehut ook smaller is dan de roef, maar waarvan het dak gelijk ligt met het roefdek.

2> door sommigen gebruikte benaming voor een op het dek geplaatste, of slechts weinig verzonken, bewoonbare opbouw, die zich tussen twee andere, op verschillende niveau liggende vertrekken bevindt. Bijvoorbeeld gebruikt voor een hoge roef tussen stuurhut en vooronder op sleepboten.



~theehutdek:
het dak van de theehut. [A>]




~theetuitje:
naam voor het uitbuigende deel bovenaan de klippersteven. Voornamelijk gebruikt bij Klipperaken met een te stompe kop en een klippersteven, die slechts aan de uiteinden een kromming vertoont.





~thermostaat :
1> algemene benaming voor een instrument waarmee een temparatuur zoveel mogelijk constant gehouden wordt.

2> koelwaterklok in de stuurhut gemonteerde driewegkraan, voorzien van kijkglas en thermometer, waarmee men de koelwatertemperatuur kan regelen.




~Tholense schouw:
Zeeuwse schouw afkomstig van Tholen.




~Thomson-roos:
rond 1873 ontwikkelde kompasroos voor droge kompassen.
De kompasroos wordt gevormd door een rechtopstaande aluminium buitenring met een doorsnede van bijv. 25 cm. In het midden bevindt zich een kleine aluminium ring waarin de kompasdop gemonteerd is. Binnen en buitenring zijn door middel van 32 zijden draadjes met elkaar verbonden. Langs de buitenring ligt een papieren rand waarop de kompaasstreken aangebracht zijn. Op 3 a 4 cm onder deze roos bevinden zich, hangend aan een 16tal met de buitenring verbonden zijden draadjes, een achtal, door middel van zijden draadjes met elkaar verbonden, magneten. De gehele constructie weegt niet meer dan ca. 13 gram.






~T-hut: theehut.





~thruster:
Engelse benaming voor boegschroef.




~thuishaven:
1> de plaats, waar de eigenaar van het vaartuig woont en die (achter)op het schip vermeld moet worden.
2> de plaats, waar de schipper bij voorkeur wacht op lading. Meestal de plaats of een plaats in het gebied, waar de schipper zijn post- en waladres heeft.
Let op betekenis 1 heeft betrekking op het schip, betekenis 2 op de schipper!





~tichelgat:
ander woord voor kleiput.





~tier:
in het algemeen: de ruimte die overblijft wanneer men ronde voorwerpen strak tegen elkaar plaatst.
In het bijzonder: de groeven tussen de kardelen bij touw of staaldraad.




~tij, getijde:
1> de periode tussen hoog- en laagwater, of omgekeerd. Soms ook: de periode tussen twee hoog- of laagwaters. Vaak ook een volledig tij genoemd.
een tij(tje) overzitten
: wordt gezegd wanneer men met afgaand water aan de grond gelopen is en moet wachten tot er weer voldoende water is.

2> eb of vloed. [U>]
TIJ STOPPEN
:
a> met dusdanige snelheid varen, dat men de eb- of vloedstroom dood vaart. Ook het tij afstoppen genoemd.
b>
soms ook gebruikt voor het liggen wachten op gunstig tij.

GUNSTIG TIJ
: het tij waarbij men (het grootste deel van de reis, de meeste) stroom mee heeft.

UITGAAND TIJ
: het tij waarbij het water naar zee stroomt: eb. Wanneer het water landinwaarts stroomt noemt men het inkomend tij, vloed.
Bij inkomend tij ontstaat op de benedenrivieren zijkschuim bij uitgaand tij kopschuim.





~tijd:
gesloten tijd
: de periode waarin, volgens de wet, geheel niet gevist mag worden.
Zie ook rusttijd.





~tijdbevrachter:
zie bij bevrachter.





~tijman, (tijnman?) :
1> iemand op de kade, die, tegen betaling, behulpzaam is bij het afmeren van (zee)schepen.
Verwante termen: sjouwerman, roeier, roeiploeg.

2> traveerder, traveerman: iemand die tegenbetaling, op hoekpunten van lastige vaarwegen en ook bij sluizen, door het aanemen en vastzetten van een 'draadje', de schippers helpt hun schip in de juiste richting te krijgen.
Over het algemeen konden de schippers het hier in Nederland redelijk redden. Op sluizen echter was de helpende hand van de sluiswachter vaak welkom, vooral bij de lastige sluizen. Lastige sluizen waren voornamelijk de sluizen waarvan in- en uitvaart niet in elkaars verlengde lagen (de bajonetsluizen) de sluizen waarbij de kolk veel breder was dan de in- en uitvaart en de zeer diepe sluizen. Op sommige sluizen was zoveel werk aan de winkel dat er tijmannen actief waren. Bekend hierom zijn ondermeer de sluizen van Wemeldingen, Hansweert en Terneuzen. In België lag de zaak iets anders. Daar had men op diverse plaatsen nauwe vaarwaters, haakse bochten en veel stroom, die in het boegschroefloze tijdperk niet zonder een draadje naar de wal genomen konden worden. Ook daar waren de diensten van de tijmannen, aldaar traveerman genoemd, welkom.





~tijrivier, getijderivier:
(gedeelte van) een rivier, waarop de invloed van eb en vloed merkbaar zijn.




~tijsluis:
zie getijdesluis.




~tijstop, getijdestop:
de periode dat men, i.v.m. de heersende tijstroom zijn reis, niet wenst of niet kan, voortzetten.




~tijstroom:
door eb of vloed, veroorzaakte beweging in het water.




~tijtafel: getijtafel.




~tijwater:




~til:
1> drijvend eilandje,
2> tille.




~tille, til:
Fries voor brug.





~tilling, vlaktilling:
de mate waarin het vlak naar de randen toe oploopt.
Langsscheepse tilling noemt men stapeling. Dwarsscheepse tilling noemt men kimtilling.






~tip: verkorting van kolentip.





~tiras: (Frans) sleepnet.





~Tjalk, Rijntjalk:
1> vanaf ca. 1600 de verzamelnaam voor diverse zeilende vrachtschepen met kromme voorstevenbalk en ronde vormen. [A>]
Lees verder: Inleiding tot scheepstypes en de tekst TJALKEN.


2> over het algemeen: een Groninger of Friese Tjalk, van de algemene vaart, die door velen min of meer als de 'standaard' tjalk gezien worden.

ZEEGAANDE TJALK
, Oostzeetjalk:
Groninger of Friese tjalk van de 'algemene vaart', die bij geringere belading of door verbouwingen achteraf voor de buitenvaart geschikt is.





~tjalkenkont:
een achterschip zoals een tjalk.




~tjalkenkop:
een kop zoals een Friese of Groninger tjalk.




~tjalkenvloot:
verzameling van vaartuigen van het type (of de schepenfamilie) tjalk.




~tjalkschip:
een Tjalk met dekken (en opbouwen). Of er ook Tjalkschuiten bestaan hebben is mij niet bekend.




~tjalkschipper:
de schipper op een Tjalk.




~Tjonger, Kuinder, Kuunder:
naam van een riviertje in Friesland vanaf het Fochtelooërveen en vroeger uitmondend in de Zuiderzee.
Wat tegenwoordig algemeen bekend staat als de Tjonger heet officiëel het Tjongerkanaal. Het Tjongerkanaal loopt van de Opsterlandse Compagnonsvaart nabij Oosterwolde tot de Pier Christiaansloot ten zuiden van Echtenerbrug. Het riviertje werd in de 19de eeuw grotendeels gekanaliseerd, waarna het deze naam kreeg. Alleen het resteerde deel, dat van de Pier Christiaansloot tot Kuinre loopt en de bovenloop hebben nog hun oorspronkelijke naam: Tjonger, Kuunder of Kuinder. De bovenloop van de Tjonger, ten noorden van de Opsterlandse Compagnonsvaart is al sinds mensenheugnis niet voor de scheepvaart van belang. Het Tjongerkanaal is ca. 35 km lang. Het Tjongerkanaal is lange tijd, vooral tijdens de ontvening van oostelijk Friesland, een vrij belangrijke vaarroute geweest. In de jaren '60-'70 van de 20ste eeuw liep het beroepsgoederenvervoer over dit water echter sterk terug, om uiteindelijk in de jaren '80 geheel te eindigen. De vaarweg is sinds de jaren '80 erg in trek bij de watersporters en onderdeel van de zogenaamde turfroute.





~Tjongerkanaal, Tjonger:
naam voor het gekanaliseerde gedeelte van het riviertje de Tjonger.




~Tjotter, boat, grûtte/greate boat, boeierke:
open, houten zeilscheepje met kromme steven. [A>]
Een tjotter met een lengte van 4,8 meter wordt een Fjouweracht genoemd.

KLEINE TJOTTER

: een boatsje met vaste settelboorden en tuigage.





~tjotterroer:
vrij breed houten roer, met een lange lage klik, die tot voor het draaipunt doorloopt. De klik is vaak versierd met een taling (wilde eend).




~tjottertuig:
tuigage met gaffelgrootzeil en één voorzeil, de fok.


Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken