banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst Stre




~streckengeld:
zie reizenpremie.





~streek:
1a> een kompasstreek.
b> een koers. [U>] Onder andere in:
GOED STREEK KUNNEN HOUDEN
: van verlijeren weinig last hebben,
STREEK HOUDEN
: koers houden, rechtdoor varen.
c> een kleine koerswijziging (ca. 11,5 graden) ondermeer in:
EEN STREEK AFHOUDEN
: een klein beetje ruimen.

2> strook, tussen water en wind:
een smalle strook rond de (ledige) waterlijn van een schip.

3> middelste deel van een zalmzegen. De mazen van de streek zijn ca. 25% kleiner dan die van de voor- en achterzegen, terwijl ook de hoogte van het net is meer is. In plaats van de streek gebruikt men ook wel eens kuikennetten.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.


4> ondermeer in de sleepkuilvisserij: traject dat al vissend afgelegd wordt.

5> zie slag(3).





~streekrederij:
zelden gebruikte term voor een rederij die zijn activiteiten in een bepaalde regio heeft.
De term werd aangetroffen in 'Maas en Merwe - geschiedenis van de Stoomboot Reederij Fop Smit & Co' door W.J.J. Boot. Aangezien er verder geen bronnen gevonden werden, is het niet mogelijk het begrip nader te preciseren.






~streen:
een streng garens met een gewicht van 500 gram.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~streep:
1> lengtemaat. Oorspronkelijk: 1/12 duim (ongeveer 1,8 mm). Later: bij staal meestal 1 mm.
2> hoekmaat: Oorspronkelijk: het verschil tussen twee kompasstreken (11,5 graden). Later ook: 1 of 5 graden.





~strekboeg:
tijdens het laveren, de slag waarbij men de grootste afstand aflegt. Zie ook: slagboeg.





~strekdam, leidam, langskrib, langsdam :
1> dam, die evenwijdig aan de stroming van het water of vaargeul ligt.

2> vaak ten onrechte als synoniem voor golfbreker, krib, strandhoofd en pier gebruikt.





~strekerveldschuit:
op de Langedijker akkerschuiten gelijkend scheepstype, echter met een wat  hoger en ronder en voorschip en een (extra) bovenboord, dat zonder (doorlopend) berghout op het onderboord gezet is. Mogelijk vaker dan de Langedijker types voorzien van een zeiltuig.
[A>] [E> Langedijk Waterrijk] [Gerelateerde scheepstypen/soorten >]
Ook dit type schuit kent weer een aantal varianten. Zie onder meer bij Drechtlandse veldschuit, Onderdijker tuindersschuit, Andijker tuindersschuit, .





~strekkeboot, strekkesleepboot:
zie bij bovenboot.
Niet te verwarren met strekkensleepboot.





~strekkensleepboot, strekkenboot:
Mogelijke onderverdeling van het sleepboottype 'Amsterdammer'.
Zie verder bij Amsterdammer.






~stremmingsreglement:
verzekeringsreglement, dat de vergoeding regelt, die een schipper ontvangt wanneer hij, door omstandigheden van buitenaf, langere tijd niet kan varen.





~streng, kardeel:
aantal in elkaar geslagen kabelgarens of inelkaar gedraaide staaldraden.
Van drie, soms ook twee, vier of zes, kardelen wordt touw geslagen. Staaldraad wordt over het algemeen alleen van zes of meer kardelen geslagen.





~strevel, zonnetentstrevel, zonnetentlat:
houten lat waarover de zonnetent gespannen is. Later ook gebruikt voor stalen pijpen die dit doel hadden. [A>]
Sommigen maken onderscheid tussen de langs- of hoofdstrevels, in de lengterichting van het schip liggend en de dwars- of zijstrevels, die dwarsscheeps liggen.
De vertikale steunen noemt men scepters.





~striets:
1> takel.

2> de takel, die aan de loper van een andere takel bevestigd is. Dit wordt ondermeer op bakstagen toegepast.





~strietsen:
1> de loper van een takel inscheren.

2> volgens sommigen: een touw stevig doorzetten of doorbochten.





~strijk:
1> het gedeelte van de slag tijdens het roeien, waarbij de spanen of riemen boven water zijn.

2> hulpstuk bij het krombranden. Zie verder bij knijp.
3> in sommige kringen gehanteerd voor de hoogte waarop de gestreken mast komt te liggen. Zie verdere uitleg bij uitwipoor.





~strijkbaar:
met niet al te veel moeite neer te halen of soms ook weg te nemen.





~strijkbeugel: strijknet.





~strijkblok: blok op of nabij de voorsteven waardoor de strijkreep loopt.





~strijkdraad:
staaldraad van de strijkrol, via het strijkblok, naar de voorstag of naar de strijktalie.





~strijken:
1> het naar beneden halen van iets. De zeilen strijken, de vlag strijken, de mast strijken, de stuw strijken.
Gerelateerde termen:reggen, enz.

2> achteruit roeien.





~strijkhoogte:
oude naam voor kruiphoogte.





~strijkijzer:
1> volgens sommigen: oude bijnaam voor motorscheepjes van het platte brede type.

2> bijnaam voor bepaald type 'pont' in de Rotterdamse haven.

3> tegenwoordig: bijnaam voor moderne (hoog opgebouwde) motorjachten.

4> tegenwoordig: willekeurig modern vrachtschip zonder enige zeeg.





~strijkinrichting:
willekeurige voorziening die het strijken van bepaalde zaken moet vergemakkelijken.
In de meeste gevallen zal men waarschijnlijk een maststrijkinrichting bedoelen.





~strijkklamp, kabbellat, strijklat, scheen, zwaardenscheen:
horizontale balk waartegen het zwaard, in gestreken toestand, rust en dat het zwaard de juiste hoek ten opzichte van de lengteas van het vaartuig moet geven. Bij vrachtschepen ligt de strijkklamp meestal kort boven de waterlijn, bij vissersschepen vaak wat dichterbij het berghout dan bij de waterlijn. In het Vlaams en vaak ook in de visserij spreekt men van zwaardklamp en in Vlaanderen bovendien soms van wrijfhout.
Verwante termen: glijlat, kopklamp.





~strijklat:
strijkklamp, van geringe afmetingen.





~strijklier:
draadlier, dat gebruikt wordt om de mast te strijken. [A>]





~strijknet, strijkbeugel:
schepnet waarmee men de visbun leeg schept. Het strijknet had soms, om makkelijker in de hoeken te kunnen komen, een gebogen stok. Volgens sommige bronnen zou het de kromme zuil genoemd worden.





~strijkpaal:
verkeersteken. Paal met daarop een bordje met opschrift 'strijk'. [A>]





~strijkreep:
staaldraad of touw waarmee de mast gestreken en gezet wordt. Vaak de loper van de strijktalie. In het geval de draad direct overgaat in de (voor)stag ook stagloper genoemd.





~strijkrol, mastrol:
in een (anker)lier aanwezige draadtrommel voor de strijkreep. [A>]





~strijkstag:
ongebruikelijke maar correcte benaming voor elk der stagen, die het strijkwant vormen.




~strijktalie, strijktakel, masttalie:
takel, waarmee de mast gestreken en gezet wordt.
Gerelateerde term: stagtalie.





~strijktalieblok:
het onderste blok van de strijktalie.
Het bovenste blok noemt men het stagtalieblok.





~strijkwant:
1> eigenlijk strijkstagen! Voorste paar van de zijstagen, wanneer die ongeveer op gelijke hoogte met de mastbout aan het schip bevestigd zijn.

2> voorste paar zijstagen wanneer deze tijdens het strijken en zetten met behulp van kurren of takels strak gehouden worden. Zie ook slingerwant.





~strijkweger:
in de kim gelegen weger, die boven de onderste, de eigenlijke kimweger, ligt.
In de zeevaart schijnt men iets anders onder een strijkweger te verstaan. Wat precies is me niet duidelijk.






~strikhoutje:
plaatselijke term voor een schiel. Een hulpstuk bij het breien van visnetten.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~striknaald:
plaatselijke term voor de boetnaald/spoel waarmee men de visnetten knoopt.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stringer, langsligger, langsslaper:
stalen, langsscheepse, versterking, tegen de binnenzijde van de romp.
De houten equivalenten noemt men slapers en wegers.
Het woord schijnt in de eerste helft van de 20ste eeuw uit het Engels over genomen te zijn.






~stringerplaat:
1> dekplaat langs de zijde van het vaartuig.
Bij vrachtschepen vormen de gangboorden dus stringerplaten.


2> horizontale plaat ter versteviging van een stringer.





~strip:
zie bij stuikplaat:





~strippen, kalen:
1> bij het slopen: het verwijderen van alle delen die gescheiden verkocht of verwerkt zullen worden.

2> in de containervaart: het lossen van meerdere kleine partijen uit één container. Gerelateerde term: stuffen.





~stripbak:
open vaartuig dat naast een te slopen schip gelegd wordt om waardeloos materiaal in te kunnen dumpen.
De Term schijnt van P. Boers van Sleepschepen.nl afkomstig te zijn. Over de verspreiding is op het ogenblik (2013) nog weinig bekend.






~stroken, uitstroken:
dusdanig plaatsen of verplaatsen, dat er één doorlopende rechte, of vloeiend gebogen, lijn ontstaat.





~stroking:
het resultaat van het stroken.





~stromen:
1> vlieten: het in een bepaalde richting bewegen van watermassa's.

2> spuien.





~stroming, stroom:
de beweging van een zeer grote hoeveelheid water ten opzichte van het omringende water, land of onderliggende grond. [U>]
Gerelateerde term: trek.





~strontarmada:
naam voor de vloot van schepen, die van Friesland koemest naar de de Bollenstreek brachten. De mestvaart bedreven.
[Diverse termen inzake varen en de vaart >.]
Het woord duikt in 1973 in de dagbladpers op. Niet lang daarna heeft men het ook over de 'strontvaart'. Vermoedelijk was het de schrijver Hylke Speerstra die de term in het boek de Laatste echte schippers (1973) gebruikt de aanleiding voor dit platte spraakgebruik. De term mestvaart was de gebruikelijke term voor dit bedrijf en sprak men ook niet van een armada.






~strontjager, mestjager:
willekeurig vrachtschip dat mest, vanuit Friesland naar de bollenstreek, vervoert.
In tegenstelling tot bij strontarmada, waar men er over het algemeen van uit gaat dat deze vloot uit tjalken bestond, worden bij strontjager ook de andere gangbare types zoals klippers en klipperaken gerekend.

Ook deze term lijkt bij het moderne 'stoere schipperjargon' te horen. Vroeger werd de term gebruikt voor een bepaalde soort meeuw. Zie ook bij strontarmada.

Gerelateerde term: mestvaart.





~strontrace:
jaarlijks terugkerende zeilwedstrijd met voormalige vrachtschepen tussen Workum en Warmond.





~strontschipper:
schipper op een strontjager.
Misschien iets minder algemeen bedoelt dan mestvaarder. Deze term lijkt bij het moderne 'stoere schipperjargon' te horen. Zie de opmerking bij strontarmada.






~strontschouw:
zie polderschouw.





~strontvaart:
de vaart met mest. In het bijzonder de vaart met dit product tussen Friesland en de bollenstreek. Gewoonlijk spreekt men van mestvaart. [Diverse termen inzake varen en de vaart >.]
Zie de opmerking bij strontarmada.






~stroo-aak:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk een aak aangepast aan het vervoer van lichte lading. Een aak met geringe holte en, zo mogelijk, forse breedte dus.





~strook:
1> ander woord voor gang.

2> in een bepaalde (vloeiende) lijn met de rest liggend.

3> zie streek.





~strooklat:
Skutsjemuseum.nl">Klik hier
voor
afbeelding
stevige lat, die men gebruikt bij het stroken van spanten en gangen.
Gerelateerde term: sloerrei.





~stroolichter:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk een lichter (vrachtschip zonder woonruimte en voortstuwing) aangepast aan het vervoer van stro (waarschijnlijk dus met een geringe holte en, voor zover mogelijk, een grote breedte).





~stroom:
1> stroming.
op stroom vissen
: in de volle stroming van de rivier vissen.
op stroom laden
: op de rivier, vrij van de oever liggend, laden.

2> kleine rivier.





~stroomafwaarts:
1> met de richting van de stroom mee bewegend.
Ook: voorstrooms.

2> benedenstrooms: met de richting van de stroom mee zijnd.
Benedenstrooms geeft uitsluitend een positie aan. Een schip dat benedenstrooms vaart, vaart op een lager gelegen deel van de rivier; het kan daar zowel stroomopwaarts, als stroomafwaarts varen. Het is me niet bekend of het gebruik van stroomafwaarts, als synoniem van benedenstrooms, wel toegestaan is.






~stroomaggregaat:
zie bij generatorset.





~stroomanker:
vermoedelijk uit de zeevaart afkomstige term voor het achteranker.





~stroomatlas:
serie waterkaarten van een gebied, wat aan getijden onderhevig is, waarin de stroomrichtingen en snelheden voor bepaalde tijdstippen gedurende eb en vloed, aangegeven zijn.





~stroombaken:
één der bakens, waarmee, op de rivieren, het gebied waar de sterkste stroming optreed, aangegeven wordt.





~stroombed, stroombedding:
dat gedeelte van de bodem van de rivier waar de meeste stroom loopt.





~stroombedding: stroombed.





~stroomboei:
boei, die het gebied met de meeste stroming markeert.





~stroombult:
1> ondiepte een eindje voor de sluis, aan de zijde met de lage waterstand, ontstaan door het uit de sluis stromende water.

2> opstuwing van water, ontstaan door een plaatselijke ondiepte in stromend water.





~stroomdraad:
denkbeeldige lijn die de punten met de sterkste stroming op de rivier met elkaar verbind.
De stroomdraad loopt langs de uiterste punten van de buitenbochten van de rivier, of langs de koppen van de kribben die aldaar geplaatst zijn, behalve wanneer de stroming door obstakels, ondiepten, gehinderd wordt.






~stroomdrijver:
drijver, die in het water geworpen wordt om de stroomsnelheid te meten.





~stroomgeul, geul:
verdieping van het vaarwater, ontstaan door de stroming van het water.





~stroomkanaal:
stuk kanaal dat zich (tijdelijk) afplitst van het andere deel en waarin een zekere stroom kan lopen.
Gerelateerde termen: sluiskanaal, spuikanaal, stuwkanaal, kanaaltak.




~stroomkavelen:
het berekenen van de drift veroorzaakt door de getijdestromen.
Vermoedelijk een uit de zeevaart overgenomen begrip.






~stroomlijn:
denkbeeldige lijn, die het midden van de stroming aan geeft.





~stroomlijnschoorsteen:
schoorsteen met druppelvormige doorsnede. [>] Vergelijk: stroomlijnuitlaat.





~stroomlijnschroef:
schroef met een vleugelvormig blad profiel. [A> tekening][T> Schroeven.]





~stroomlijnsleepboot, stroomlijnboot:
type rijnsleepboot van de NRV ook bekend als Donald Duckies. Meer informatie aldaar.





~stroomlijntunnel, stroomlijnschroeftunnel:
schroeftunnel, die dusdanig geconstrueerd is, dat deze, ook wanneer hij gedeeltelijk boven water ligt, zich zelf met water vol zuigt. [A>] Vergelijk: schroeftunnel.





~stroomlijnuitlaat:
schoorsteen met druppelvormige doorsnede, waardoor één of meerdere motoruitlaten gevoerd zijn. [A>] Vergelijk: stroomlijnschoorsteen.





~stroommeester:
sterk verouderde term voor riviermeester.





~stroomopwaarts:
1> tegen de richting van de stroom in bewegend.
Ook instrooms.
2> bovenstrooms: tegen de richting van de stroom in zijnd.
Bovenstrooms geeft uitsluitend een positie aan. Een schip dat bovenstrooms vaart, vaart op een hoger gelegen deel van de rivier; het kan daar zowel stroomopwaarts, als stroomafwaarts varen. Het is me niet bekend of het gebruik van stroomopwaarts, als synoniem van bovenstrooms, wel toegestaan is.

Gerelateerde term: bergwaarts.





~stroompijler:
in het water, de rivier, geplaatste pijler van een brug.





~stroomrafeling:
turbulentie in stromend water ontstaan, door een voorwerp of ondiepte onder water.





~stroomregaal:
deel van een rivier waarvan een landsheer of een overheid, meestal door het verpachten van de bepaalde rechten, inkomsten geniet.





~stroomrichting:
de richting waarin het water zich beweegt.





~stroomscherm:
constructie, die bij het bergen van schepen op de bodem van stromend water geplaatst wordt, waarachter de duikers hun werk kunnen doen. [T> bergen.]





~stroomschip:
tussen 1957 en 1973 gebouwd vrachtschip van "Willem van Driel's Stoomboot en transportondernemingen N.V." waarvan de naam eindigt op 'stroom'. De stroomschepen waren:Zwarte stroom, Geleenstroom, Geulsstroom, Roerstroom, Cokesstroom en Eurostroom.





~stroomsluis:
sluis die uitsluitend een functie voor de waterhuishouding heeft. Een keersluis, een uitwateringssluis/spuisluis en een inlaatsluis.





~stroomsnelheid, stroomsterkte:
de snelheid, waarmee het water zich ten opzichte van de bodem verplaatst.





~stroomsterkte: stroomsnelheid.





~stroomverloop:
de wijze waarop het water een bepaald gedeelte van de rivier volgt.





~stroomzeil:
zie waterzeil.





~stroopersschuitje:
zie stropersschuitje.





~stroopkuil:
niet voldoende bekend. Vermoedelijk hetzelfde als een stroopnet.





~stroopnet, stroopkuil:
bepaald type ankerkuil(2), die rond Vlaanderen gebruikt werd. Mogelijk uitsluitend gebruikt voor de zeevisserij. [AE> vliz.be]





~stroopstok: stuk hout waarmee de voorzijde van een stroopnet opengehouden wordt. Waarschijnlijk een Vlaamse term.





~stroopstouw: zie aartouw.





~strop :
1> een lus in touw, staaldraad of soms ook ketting, wanneer deze ergens strak omheen ligt of kan liggen.
Voornoemde strop kan op diverse manieren gevormd worden. Bekend zijn de schuivende lussen, die onder andere met de bij punt twee genoemde stroppen gevormd kunnen worden. Een schuivende lus kan ook gevormd zijn door het uiteinde van het touw of de staaldraad schuivend aan het staande part te bevestigen. Dit kan dan bijvoorbeeld met een steek, een glijhaak, een sluiting of een gewone haak. Een minder bekende strop trof men aan op gestropte blokken, waar een grommer met behulp van een stevig bindsel rond het blok gestropt werd.


2> verzamelnaam, maar ook gebruikt als synoniem, voor: snotters, slengen, dwingers en garenstroppen.

STROPPEN SCHUREN
: een strop (meestal een lange snotter) onder een gezonken schip door trekken.

3> lekenterm voor een schuivende lus in touw.
Gerelateerde term: beseisketting.

4> ongebruikelijke(?) term voor een denstut.
Deze term werd o.a. gebruikt door het Expertise en Taxatiebureau v.h. Van Pelt & Co, Rotterdam in een rapport d.d. 1974.


5> ongebruikelijke term voor een knie.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~stropblok:
strak door een touw omgeven blok, zonder metalen beslagdelen. In een enkel geval wordt er in plaats van touw, staaldraad gebruikt.





~stropen:
1> het lichten van fuiken, netten, e.d.
2> het vissen in andermans viswater.





~stroper:
zie visstroper.





~stroperscentrum:
plaats, gemeenschap waar zich veel stropers (vissers die in ander mans water vissen) bevinden.





~stropersnet:
staand net, door visstropers gebruikt.
Het stropersnet is tegenwoordig meestal een enkelwandig net van dun nylon. De hoogte van het net is minder dan diepte van het water. De bovenpees is van kleine drijvers voorzien terwijl de onderpees dusdanig verzwaard is dat de onderkant van het net naar de bodem zakt. Het net is dus niet zichtbaar. De netten worden meestal in zelden bevaren hoeken van het water gezet. Ook maakt men de netten soms met een dusdanige hoogte dat kleine schepen er zonder hinder over heen kunnen varen.






~Stropersschuitje, Stroopersschuitje:
kano-achtig scheepje met zeer onhollands voorkomen. Het door ir. E van Konijnenburg afgebeelde exemplaar schijnt een zeilscheepje te zijn. Zwaarden of een duidelijke kiel ontbreken echter.
Geen verdere gegevens bekend en ook geen verdere vermeldingen gevonden.





~stropersvereniging:
naar men zegt vereniging (van visstropers), die de familie van vastgezette visstropers financieel ondersteunde.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.

van Doorn ontkent min of meer het bestaan van een dergelijke vereniging. P.J.M. Martens stelt in zijn boek De zalmvissers van de Biesbosch dat er te Woudrichem wel een dergelijke vereniging bestond.





~stropketting:
1> zie kettingleng.

2> ketting met haak die (meestal) rond het eigen part geslagen wordt en die in één of meerdere paren gebruikt wordt om lasten te hijsen.

3> eind ketting die in combinatie met de brandbout gebruikt wordt bij het krombranden van uiteinden van gangen.





~stroppen:
touw ergens strak omheen knopen of bindselen.





~stroptouw:
1> eind touw, dat ergens omheen gestropt is.

2> stuk touw dat gebruikt wordt om een strop te maken.





~stroschip:
schip dat stro vervoert.
Schepen die met zekere regelmaat met stro, hooi, vlas, e.d. varen wijken meestal weinig af van andere schepen. Alleen de stuurinrichting is meestal zodanig uitgevoerd, dat men deze, in verband met de dode hoek, naar een hoger punt kan verplaatsen.






~stroschuit:
schuit waarmee men stro vervoert.
Voor stro en hooischuiten kiest men meestal een wat breed model schuit.






~strosnijder, strooisnijder:
spotnaam voor een kleine (amateur)visser (meestal een poldervisser). Zie ook scharrelaar.
De naam stroosnijder duidt op de mogelijke hoofdverdiensten van deze visser, voor wie het vissen dus een aanvulling op zijn inkomen betekent. Stroosnijder werd in (Harderwijk) echter ook als minderwaardig beroep gezien, mogelijk gold dit dus ook voor kleine binnenvisser (die dus niet op Zuiderzee/IJsselmeer viste).

De term is onder meer te vinden in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stroveer, strooveer:
1> vaartuig dat gebruikt wordt voor het uitoefenen van de bij hierna genoemde dienst.

2> regelmatig onderhouden transport waarmee stro (en hooi) voor de paardenstallen die in de grote plaatsen en steden gevestigd waren, aangevoerd werd.
De afvoer van de door de stallen geproduceerde mest werd meestal met behulp van pramen verricht.


3> plaats waar het hiervoor genoemde vaartuig aankwam dan wel afvoer.





~stuffen:
het laden van diverse kleine partijen in één container.
Gerelateerde term: strippen.




~stuifwater:
ongebruikelijke term voor buiswater.





~stuik:
1> met de kleinste oppervlakten tegen elkaar liggend.
STUIK SLAAN
: a> eigenlijk: op de zijde met de kleinste oppervlakte slaan.
b> stuit(2): vast (en plat) slaan. Ondermeer gebruikt voor het indrijven van werk in de breeuwnaden en voor het klinken.

2> verkorting van stuiklas of stuikplaat.





~stuiklas:
verbinding tussen twee delen, die stuik liggen. Bij gelaste stalen schepen is dat de lasnaad. Bij geklonken schepen bestaat de stuiklas uit een stuikplaat, die achter de gangen of de dekplaten aangebracht is, waaraan de stuik liggende delen geklonken zijn.





~stuiknaad:
naad tussen, twee delen die stuik tegen elkaar aanliggen.





~stuikplaat:
plaat achter een stuiknaad, waaraan de stuik liggende delen, geklonken worden. [nr's 4 in A>]
Bij Th. Volmer aangeduid als 'strip'.






~stuinder:
mogelijk een spant.(Verouderd.) Ook spreekt men wel van steunder.
Verschillende verklaringen voor deze term zijn niet geheel duidelijk. Misschien bedoelt men een oplanger/staander.






~stuis: zie stuit.





~stuit :
1> stuis, boeghout, stoothout:
verdikt berghout aan kop en kont; o.a. bij skûtsjes, tjalken. [nr.7 in A>]
Gerelateerde term: schoetsel.

2>
STUIT ZITTEN
: vastzitten, bijvoorbeeld van werk dat met de breeuwhamer in de naad geslagen wordt. Zie ook: stuik.





~stukgoed:
lading, die niet los gestort of verpompt wordt, maar met kleine hoeveelheden tegelijk geladen of gelost worden. Vergelijk: losgoed, bulkgoed.





~stukgoederenschip, stukgoedschip :
1> een vrachtschip waarbij men bij de bouw reeds rekening met het regelmatige moeten vervoeren van stukgoederen, gehouden heeft.
Dit soort schepen zijn vaak voorzien van een stalen luikenkap, brede gangboorden en een hijstuig.

Gerelateerde term: stoomgoederenboot.

2> een schip dat stukgoed vervoert.





~stukgoederenvervoer:
zie stukgoedvervoer.





~stukgoedkast, stukgoedkastje:
een kast met eigen laad- en losgerei.





~stukgoedreis:
het per schip verplaatsen van stukgoederen.





~stukgoedschip:
zie stukgoederenschip.





~stukgoederenvervoer :
zie stukgoedvervoer.





~stukgoedvervoer, stukgoederenvervoer :
het vervoer van stukgoederen.





~stukkeren, uitstukken:
het vervangen van rotte stukken hout van bijvoorbeeld een luikenkap, door het inzetten van nieuwe stukken.
Gerelateerde termen: betengelen, luikenkram, verstukken, sleutelhout .





~stukstal:
het aantal eenheden stukgoed.
Gerelateerde term: tallyman.





~stulpnet: stelpnet.





~stut:
1> verkorte schrijfwijze van denstut, dekstut of deklaststut.

2> Vlaams voor een knie van geringe omvang of met geringe sterkte.

3> vertikaal houten paaltje waarop de regeling ligt. Later is men het geheel een reling gaan noemen.





~stutter:
1> boom waarmee een (bij)zeil uitgeboomd wordt.
De term wordt voornamelijk onder Zuiderzeevissers gebruikt

Gerelateerde term: bezaanstutter, fokkeloet.

2> Drents, Overijssels voor giek.





~stuuras:
as tussen het stuurwerk en het roerwerk.





~stuurbak, Erdaldoos:
1> de (ronde, open) stuurstelling, zoals die op sleepschepen voorkwam.
Erdaldoos is een bijnaam die in verband met de overeenkomst met een blikje schoensmeer populair werd.

Gerelateerde term: tredmolen.

2> volgens G.J. Schutten en E.W. Petrejus: ander woord voor stuurkuip.





~stuurboog:
1> bril, nagelbank: houten dwarsscheepse balk, tussen de bovenboorden van het achterschip, met behulp waarvan, door daarin geplaatste kannagels, het helmhout of de helmstok, vastgezet kan worden. [A>]
Alhoewel ik de term stuurboog niet echt mooi kan vinden, een schip heeft immers geen stuur, en er weinig oude bronnen zijn die deze term onderschrijven, is dit de meest gangbare en ook meest bruikbare term.

Gerelateerde term: hennebalk.

2> klamp of klos, later ook een stalen beugel welke als steun voor het helmhout op een paviljoenschip dient. Ook luiwagen genoemd.
In verband met de flinke lengte die de helmhouten op paviljoenschepen hebben, moest het helmhout meestal gesteund worden. De roerstellen zouden anders te zwaar belast worden.
Volgens Maurice Kaak zouden dit soort klossen de naam 'luiwagen' dragen in verband met de luij van het roer.






~stuurboom, stuurpaal :
het lange helmhout zoals dat bij het varen met deklasten gebruikt werd.
Mogelijk is de term alleen in de noord-oostelijke turfvaart ingebruik geweest. In ieder geval sprak men in de meeste gevallen gewoon van helmhout of helmstok. Een nauwkeuriger aanduiding was in het dagelijks spraakgebruik meestal overbodig.
Lees ook bij helmhoutbeugel.






~stuurboord :
veel samenstellingen met stuurboord zijn niet opgenomen
.
stuurboord(s)zijde, stuurboordskant: wanneer men in de gebruikelijke vaarrichting kijkt, de rechterkant van het schip. [U>] De andere zijde noemt men bakboord.
Zie ook bij: bakboord.

STUURBOORD op stuurboord ontmoeten
: zie bij verkeerde-wal-varen.





~stuurboordachter:
in de vaarrichting gezien, rechts achteraan het vaartuig.





~stuurboordachterbolder:
bolder aan stuurboord op het achterschip.





~stuurboordlantaarn, stuurboordslantaarn, stuurboordlicht:
de aan stuurboord geplaatste, groen gekleurde, boordlantaarn.
[A> Zie ook Navigatielantaarns]
Alhoewel velen de term 'licht' gebruiken, als ze het geheel van behuizing en lichtbron bedoelen, is 'lantaarn' een betere benaming.






~stuurboordlicht, stuurboordlantaarn, stuurboordslicht :
1> de aan stuurboord geplaatste, groen gekleurde, boordlantaarn.
[A> Zie ook Navigatielantaarns]
Onder schippers is het enige tijd de gewoonte geweest om van een lantaarn te spreken als het om olielampen ging en van lichten te spreken als het om electrische lamp ging. In feite is echter 'licht' alleen het schijnsel, 'lamp' het lichtgevende object en 'lantaarn' de behuizing waarin de lamp geplaatst is.


2> het schijnsel van de stuurboordlantaarn.





~stuurboordmidden:
in de vaarrichting gezien, rechts ongeveer midscheeps het vaartuig.





~stuurboordmiddenbolder:
bolder, ongeveer midscheeps, aan stuurboord.





~stuurboordmotor:
bij een aandrijving met twee motoren in of op het achterschip de motor aan stuurboord.





~stuurboordsachterboeg:
in de gebruikelijke vaarrichting gezien, de boeg, rechts achteraan het vaartuig.





~stuurboordsanker:
het anker aan stuurboord.





~stuurboordsboeg:
in de gebruikelijke vaarrichting gezien, een boeg, aan de rechter kant van het vaartuig.





~stuurboordsboeganker:
het boeganker aan stuurboord.





~stuurboordschroef:
de schroef die zich aan stuurboordszijde van het midden bevindt.





~stuurboordshelft:
die helft die naar de stuurboordszijde van het schip gericht is.





~stuurboordskant:
zie stuurboord.





~stuurboordskokerlier:
de kokerlier aan de stuurboordzijde van de mastkoker.





~stuurboordslantaarn:
zie stuurboordlantaarn.





~stuurboordslicht:
zie stuurboordlicht.





~stuurboordslier:
willekeurig lier aan de stuurboordzijde van het schip.





~stuurboordsmastlier:
de mastlier aan de stuurboordzijde van het schip.





~stuurboordsoever:
in de vaarrichting gezien: de rechter oever.





~stuurboordsroer:
het verst aan stuurboord liggend roer bij installaties met meer dan één roer.





~stuurboordstouw:
linksgeslagen touw.





~stuurboordstuiglier:
de tuiglier aan de stuurboordzijde van het schip.





~stuurboordsvallenlier:
de vallenlier aan de stuurboordzijde van het schip.





~stuurboordsvoorboeg:
in de gebruikelijke vaarrichting gezien, de boeg, aan de rechter voorkant van het vaartuig.





~stuurboordswal:
in de vaarrichting gezien: de rechter wal.





~stuurboordswant:
in de vaarrichting gezien: het want dat aan de rechter zijde van het schip aan de wantputtings zit.





~stuurboordszijde:
zied stuurboord.





~stuurboordszwaardlier:
de zwaardlier aan de stuurboordzijde van het schip.





~stuurboordvoor:
in de vaarrichting gezien, rechts vooraan het vaartuig.





~stuurboordvoorbolder:
bolder aan stuurboord op het voorschip.





~stuurboordzijde:
zie stuurboord.





~stuurboot:
algemene benaming voor een sleepboot die de achterkant van een gesleept object controleert. Soms gebruikt als aanduiding voor het vaartuig dat de koers van een samenstel met meer dan één motorschip bepaalt.





~stuurdek:
dek waarop men tijdens het bedienen van het roer staat.
In de binnenvaart een vrij ongebruikelijke term.






~stuurdraad:
sleepdraad waarmee de stuursleepboot met de trekkende sleepboot verbonden is.





~stuurgerei:
alles wat men voor het in een bepaalde richting sturen van een schip gebruikt.





~stuurhaak:
losse stuurstok, bestaande uit een circa 2,5m lange stok met een stevig haakje dat rond het watertonnetje of de greep op het helmhout gehaakt kon worden.
Naar men zegt werd de stuurhaak wel gebruikt om tijdens het varen met deklast al sturend langs de deklast te kunnen kijken.






~stuurhaspel:
gewoonlijk alleen haspel en ook stuurrad genoemd.





~stuurhout(je):
soort stuurboog, bril; een op het achterdekje geplaatst dwarsscheeps schotje, balkje, waarop het helmhout kan rusten en eventueel vastgezet kan worden. Ondermeer toegepast op scheepstypes zoals de Punter.
Bron: Bron: De Punter, G.L. Berk.






~stuurhuis:
grote stuurhut.
Niet alle samenstellingen met stuurhuis zijn opgenomen. Zie ook: stuurhut
.





~stuurhuisbank:
meestal een vaste bank die een onderdeel van de gehele binnenbetimmering vormt.
Zie ook stuurhutbank.





~stuurhuisdak:
dak van het stuurhuis.
Zie ook stuurhutdak.





~stuurhuisdeur:
deur die toegang tot het stuurhuis verleent.
Zie ook stuurhutdeur.





~stuurhuislessenaar, stuurhutlessenaar:
oorspronkelijk: tegen de voorwand van de stuurhut geplaatste lage kast, waarin ondermeer de motorinstrumenten, schakelaars voor de navigatieverlichting en eventuele navigatie instrumenten verwerkt zijn. [A>]
Thans: vaak een heel 'bureaumeubel' waarin het voorgaand genoemde verwerkt is. Ook wel geïntegreerde brug genoemd.





~stuurhuisraam:
het raam in een stuurhuis.
Zie ook stuurhutraam.





~stuurhuisvloer:
de vloer in een stuurhuis.
Zie ook stuurhutvloer.





~stuurhulp, achterboot, stuurstuk, roerschip, roerschuit:
motorvaartuig, gekoppeld aan het achterste vaartuig van een sleep, die behulpzaam is bij het sturen van de sleep. Vaak is het vaartuig in kweste een duwboot/duwsleepboot.
De achterboot is bijna nooit een boot, maar een schip [uitleg].






~stuurhut, stuurkot, stuurhuis:
besloten ruimte, waarvandaan met het schip stuurt. [A>vrachtschepen.]
OVERZAKBARE STUURHUT
: stuurhut waarvan de bovenste helft, over de onderste helft neergelaten kan worden. Verder kent men ondermeer: de klaphut, het stuurhuis, de woonstuurhut en de containerstuurhut.
Gerelateerde termen: brug, kombuis, regenplank, stuurkuip, stuurstand, enz.





~stuurhutbank:
(meestal) vaste bank in de stuurhut.
Bij veel oude schepen met een salonroef vormde het roefdek de zitting van de bank. Bij schepn met een roef aan de den was de bank vaak de bovenkant van een kist waarin van alles geborgen kon worden.

Zie ook stuurhuisbank.





~stuurhutbordes, bordes:
soort van dekje naast de stuurhut. Het bordes is vaak voorzien van reling of afgeschermd door de brug of brugvleugel.





~stuurhutbovenbouw:
het bovenste gedeelte, van een stuurhut. Dit gedeelte is meestal afbreekbaar of neerklapbaar. Ook wanneer het bovenste deel alleen in zijn geheel verwijderbaar of bijvoorbeeld zakkend is, of wanneer het bovenste deel van een ander materiaal, dan wel anderskleurig geschilderd is, spreekt men van een stuurhutbovenbouw.





~stuurhutdak:
het dak op een stuurhut of stuurstand.
Zie ook stuurhuisdak.





~stuurhutdakvastzetter, kajuitdakvastzetter, vastzetter:
tweedelige sluitconstructie. Meestal bestaand uit: een plaat, met hieraan een scharnierende bout plus siermoer en een plaat waarachter deze moer gehaakt kan worden.





~stuurhutdeur:
deur die toegang geeft tot de stuurhut stuurhut.
Zie ook stuurhuisdeur.





~stuurhutonderbouw:
het onderste, meestal stalen, vaste, deel van een stuurhut. Zie ook stuurhutbovenbouw.





~stuurhutraam:
een raam in een stuurhut of stuurstand.
Zie ook stuurhuisraam.





~stuurhutraamuitzetter:
raamuitzetter van een stuurhutraam; hetgeen de meest gebruikelijke is.
Zie ook stuurhuisraam.





~stuurhutruit:
het glas in een stuurhutraam.





~stuurhutvloer:
de vloer in de stuurhut.
Zie ook stuurhuisvloer.





~stuurijzer:
zie helmhoutbeugel.





~stuurinrichting:
combinatie van stuurwerk en roerwerk.





~stuurkabel:
stuk staaldraad als verbinding tussen stuur- en roerwerk/kwadrant.





~stuurketting:
ketting van een stuur- of roerwerk.





~stuurkot:
Vlaams voor stuurhut en stuurhuis.





~stuurkruk:
hoge kruk, waarop men tijdens het sturen kan zitten.





~stuurkuil, stuurkuip:
een kuip, die voor weinig meer dan voor het sturen van het vaartuig geschikt is.  Wanneer men niet vaart, wordt de kuil vaak afgedekt met een stuurluik of kaarluik. [A> nr.4]





~stuurkuip, stuurbak:
open ruimte waarin men stuurt. Zie ook: achtergat, bollestal, stuurplecht, stuurstand, stuurstelling, stuurstoel.
a> achterste gedeelte in een open vaartuig, dat men vrijhoudt om te kunnen sturen.
b> stuurkuil.
c> soort van brede dwarsscheepse goot, onder het uiteinde van het helmhout, waarin men kan staan te sturen. Soms met een stuurluik af te dekken.





~stuurlast: zie achterlast.





~stuurlastig: zie achterlastig.





~stuurlastigheid: zie achterlastigheid.





~stuurlicht:
1> vaarlicht, koplicht: op het voorschip, op of nabij de lengteas van het vaartuig, naar achter schijnend zwak licht.
Het stuutlicht trof men voornamelijk aan op vrachtschepen. Het maakt het de schipper mogelijk, in het donker, te zien waar de kop van het vaartuig zich ten opzichte van de stuurhut bevond.


2> geel heklicht, dat tijdens het slepen door de sleepboot gevoerd wordt. Ook sleeplicht genoemd.





~stuurlier:
min of meer een synoniem voor stuurwerk, maar eigenlijk alleen van toepassing op kettingstuurwerken.





~stuurluik, kaarluik:
vlak luik ter afdekking van de stuurkuip. Onderandere gebruikt wanneer men voor een beter zicht, dus een kleinere dode hoek, hoger wenste te staan. Ondermeer op de Westlander ook kaarluik genoemd.





~stuurmachine:
willekeurige installatie waarmee men een schip stuurt, waarbij de kracht, die nodig is om het roer te bewegen, niet volledig door de roerganger geleverd hoeft te worden. Zie ook bij stuurwerk en roerwerk.





~stuurman:
1> in de binnenvaart, behalve in de bij 2 vermelde gevallen, vaak roerganger genoemd.

2> vroeger, op de grote sleepboten en passagiersschepen die voor rederijen voeren, aangesteld persoon die in grote mate verantwoordelijk was het het varen van het schip.

3> sinds de jaren tachtig(?) officiele kwalificatie voor een persoon in het bezit van een groot vaarbewijs of rijnschipperspatent.

Gerelateerde termen:  deksman, lichtmatroos, matroos, volmatroos, matroos-motordrijver, machinist, schipper.

4> nog onvoldoende bekend. Betrokenne bij de zegenvisserij.
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stuurmanskunst, navigatie:
bedreven zijn in het varen met een schip.





~stuurmansmaat:
vermoedelijk een stuurman in de opleiding die nog niet over een eigen rijnpatent beschikt.
O.a. genoemd in: De nieuwe wetgeving op de Rijnvaart van 1869.






~stuurpaal:
zie stuurboom.





~stuurpen:
1> kannagel: pen, die in de stuurboog gestoken wordt en waarmee zodoende het helmhout in een bepaalde stand gezet kan worden.

2> stevige pen als handgreep op het uiteinde van het helmhout.
Gerelateerde term: watertonnetje/tongreep.

3> stalen noodhelmhout dat boven op de roerkoning geplaatst kan worden.





~stuurplaats:
lekenterm voor stuurstand(1).





~stuurplank:
1> stuurstelling: brede houten plank met dwarslatten op of boven het achterdek. [A>]
2> lekenbenaming(?) voor een linnet.





~stuurplecht:
volgens sommigen: een achterdek waarop men staat te sturen.





~stuurpook:
kleine bedieningshandel, waarmee hydraulische en electrische stuurwerken tegenwoordig vaak bediend worden. De stand van deze handel dient overeen te komen met de stand van het roer.





~stuurrad, rad, haspel, stuurwiel:
spaakwiel, waarmee men, direct of indirect, het roer bedient. [A> normale uitvoering, A> moderne versie]
De term haspel is in de Rijnvaart vrij gebruikelijk, daarbuiten komt men de term veel minder vaak tegen.

Gerelateerde term: handstuurwiel.
liggend rad, liggend haspel
: stuurrad, waarvan de as vertikaal geplaatst is.[A>]
Een groot liggend rad inclusief de stuurstelling er omheen wordt in de Rijnvaart een tredmolen genoemd.





~stuurreep:
1> de loper van de stuurtalie.

2> touw, staaldraad of soms ook ketting, die rond de stuurtrommel gewikkeld is.

3> kabel en/of ketting, die bij een kettingstuurwerk gebruikt wordt.





~stuurriem:
zie roerspaan.





~stuurrooster:
onderdeel van boegschroefinstallaties die gebruik maken van een in het schip geplaatste schroef. 360 graden draaibare, buisvormige uitstroomopening voorzien van een soort van stalen jalouzin die het uitstromende water in een bepaalde richting afbuigen. [A>]





~stuursleepboot:
sleepboot, die een slepende sleepboot voorspant, om deze op de juiste koers te houden.
Wanneer een sleepboot met groot vermogen het volle vermogen moet gebruiken om nog enige voortgang te boeken, dan heeft dat een ongunstig effect op de manoeuvreerbaarheid. In zo'n geval moest de voorspanboot de trekkende sleepboot op koers houden. Dergelijke situaties ontstonden onder andere in het Bingerloch.






~stuurstand:
in het algemeen: de plaats waar men het schip bestuurt. [A>]
OPEN STUURSTAND
: stuurstand, geheel in de openlucht. Soms van een buiskap,spatzeiltje, voorwand of rondomgaande wand voorzien.
GEDEKTE STUURSTAND
: open stuurstand, voorzien van een dak en voorwand.
GESLOTEN STUURSTAND
: gedekte stuurstand met zijwanden (dus geen achterwand).
DICHTE STUURSTAND
: eenvoudige stuurhut.
Zie ook: achtergat, bollestal, stuurplecht, stuurstand, stuurstelling, stuurstoel, Erdaldoos.





~stuurstelling, stuurstoel, stuurtafel:
1> (tijdelijke) constructie waar vandaan men het schip stuurt.
zie ook stuurbak.

2> synoniem voor stuurplank.






~stuurstoel:
1> stoel, waarin men tijdens het sturen kan zitten.
Vroeger gebruikte men vaak een kruk, of eigenlijk: de meeste schippers stonden te sturen, alleen op motorschepen en dan vaak alleen nog op de techte makkelijke stukken zat men op een kruk.


2> verhoging op het achterdek boven de roerkoning, waarop de roerganger op stoomschepen stond te sturen.
Op een aantal van de eerste raderstoomschepen werd roer direct op het achterschip bediend. Dit gebeurde vaak met behulp van een liggend haspel. Daar zich op het dek goederen, passagiers of zelfs opbouwen bevonden, was het noodzakelijk dat de roerganger op een verhoging stond, opdat hij nog enig uitzicht op het vaarwater en ook zichtcontact met de kapitein op de brug had.


3> stuurstelling.

4> in sommige kringen: de kuip (waarin men staat te sturen), stuurkuip, bollestal.





~stuurstok:
1> kolderstok, helmstokverlenger, stuurhaak:
aan het helmhout bevestigde of gehaakte stok, waarmee men het helmhout buitenboord kan draaien. Voornamelijk op de zeilende paviljoenschepen in gebruik geweest, maar ook bij het vervoeren van deklasten wel gebruikt om, langs de lading heen, naar voor te kunnen kijken.
Men dient de stuurstok, die beweeglijk met helmhout verbonden is, niet te verwarren met de stuurboom, die onbeweeglijk met helmhout, roerkoning of roer verbonden is.


2> lekenterm voor helmhout of helmstok.





~stuurstuk:
soms bijna vierkante, tot circa zes meter lange 'bak' met een zeer groot roer, dat achter de laatste bak van een sleep gekoppeld werd ten einde het geheel beter te kunnen sturen.
Stuurstukken werden voornamelijk in combinatie met baggerbakken en andere beunbakken gebruikt.






~stuurtafel:
1> tabel, waarin weergegeven is welke koersen men, wil men een bepaalde koers varen, op het kompas moet sturen.
De stuurtafel is een presentatie van de kompasafwijkingen, om precies te zijn de deviaties, bij de diverse koersen.
Het verschil tussen de deviatielijst en de stuurtafel ligt in het feit hoe de kompasafwijking, stuurfout, gepresenteerd wordt. Stuurt men een bepaalde kompaskoers, dan kan men m.b.v. de deviatielijst herleiden welke koers werkelijk gestuurd wordt. Wenst men een bepaalde koers te sturen, dan kan men aan de hand van de stuurtafel herleiden, wat de daarbij behorende kompaskoers is.


2> zelden gebruikt synoniem voor stuurstelling.
Bron: Bestek Arnhemsche Stoomsleephelling Maatschappij betreffende de bouw van het klipperschip Jolles.






~stuurtalie:
constructie met twee takels, met één doorlopende loper, die (vooral op zeegaande schepen) gebruikt wordt om het helmhout, dus het roer, te bedienen. Wanneer het schip continu loefgierigwas, kon men echter met één takel volstaan. Een hoogst enkele maal spreekt men van een voertakel.
Sommige bronnen willen dit een roertalie noemen. Dit schijnt echter niet correct te zijn.






~stuurtrommel, roertrommel:
cilindervormig deel in een trommelstuurwerk, waarom de stuurreep gewikkeld is.





~stuurwerk, stuurlier:
1> eigenlijk alleen het mechanisme, dat de draaiende beweging van het stuurrad omzet naar een vertraagde of andere beweging. Deze beweging wordt dan, via een of andere overbrenging en het roerwerk, omgezet in het draaien van het roer.
De termen stuur- en roerwerk worden vaak door elkaar gehaald.


2> de gehele stuurinrichting. [A>]
Meestal dus een combinatie van stuur- en roerwerk. De belangrijkste taak van het stuurwerk is de kracht die benodigd is voor het bedienen van het roer te verminderen en de afstand tussen het stuurrad en het roer te overbruggen. Voor het eerste zorgt een vertraging. Deze wordt meestal uitgedrukt in het aantal slagen dat men nodig heeft om het roer van de ene uiterste stand naar de andere uiterste stand te draaien. Vaak ligt dit tussen de 12 tot 30 slagen. Op kleine schepen vind men natuurlijk de kleinste vertragingen.
Tegenwoordig worden de roeren meestal hydraulisch bewogen. Het stuurwerk is dan nog slechts een stukje electronica.

ENGELS STUURWERK
: zie bij wormasstuurwerk.
Hydraulisch stuurwerk
: eigenlijk een hydraulisch roerwerk! Roerwerk waarbij door middel van hydraulische cilinders het juk op de bovenzijde van de roerkoning bewogen wordt. Het eigenlijke stuurwerk bestaat uit een rad gekoppeld aan een hydraulische pomp of uit een hefboom gekoppeld aan schakelaars of een servo cilinder, waarmee het roerwerk dan aangestuurd wordt.





~stuurwiel: stuurrad.





~stuw:
constructie waarmee de waterstand geregeld wordt. De meest eenvoudige vorm is een soort van dam, waarachter het water opgestuwd wordt. Hiertoe behoren de stuwen van het Poiree type. [TE>] Bij de meeste stuwen is echter de hoogte van de waterkering, of de mate waarin het water doorgelaten wordt, en daarmee het stuwpeil, te veranderen. Tot deze categorie behoren de stuwen van het Stoney type. [A>]
DE STUWEN ZIJN PLAT
: de stuw is open, zodat het water ongehinderd kan doorstromen.
DE STUW IS GETROKKEN
: de waterkeringen (schotten, schuiven, balken) zijn uit de stuw verwijderd.
DE STUW IS GESTREKEN
:
a> bij vizierstuwen: de stuw is (gedeeltelijk) gesloten; het water wordt opgestuwd.
b> bij stuwen van het Poiree-type: de stuw is weggenomen; het water kan vrijelijk stromen. [A> film: het strijken van de stuw te Linne.]
DRIJVENDE STUW
: soort van metalen caisson dat in de rivier afgezonken wordt om het water op te stuwen.
Nederland kende drie van deze stuwen namelijk bij Bemmel, Arnhem en Olst. Ze waren onderdeel van de IJssellinie. Het doel van deze drie stuwen in resp. Waal, Rijn en IJssel was het water dusdanig ver op te stuwen dat een groot gebied achter deze stuwen onder water zou komen te staan. Dit zou de opmars van de vijand moeten vertragen. Het systeem is tussen 1953 en 1968 'operationeel' geweest.

Gerelateerde termen: hefdeur, klepdeur, schotbalksluis, schotdeur, segmentdeur, spuisluis, stuwwand, val, enz..





~stuwadoorsknoop:
bepaalde stopperknoop in heel touwwerk.





~stuwageprogramma:
computerprogramma dat behulpzaam is bij het stuwen van containers.





~stuwdruk, stuwkracht:
de, door de schroef of de schepraderen ontwikkelde, kracht, die het schip vooruit doet bewegen.





~stuwdruklager:
lager dat de druk op de schroefas opvangt. [T> Schroeven.]





~stuwen:
1> lading dusdanig bergen dat deze zeevast ligt en op de juiste wijze over het, de ruimen en/of het schip verdeeld is. Zie verder ook stouwen.

2> de waterstand met behulp van een stuw of sluis op een hoger peil brengen.





~stuwfint:
spotnaam voor de fint, die men in de jaren voor de tweede wereldoorlog te Lith (bij de stuw) ving. Naar men zegt had men daar deze vis voor het opscheppen. Zie verder zegenfint en drijffint.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stuwgat:
het gedeelte van het water dat naar de stuw leidt en niet door de scheepvaart gebruikt wordt.





~stuwhout:
hout dat gebruikt wordt om de lading beter te kunnen stuwen of om de lading tijdens het stuwen steviger op te kunnen stellen. Zie ook stellinghout, stophout.




~stuwkanaal: het kanaal dat naar of van de stuw leidt.





~stuwkracht: stuwdruk.





~stuwnaald:
op een meerpaal gelijkende balk die, op de plaats waar schepen afmeren, tegen de (stenen) glooiing van een oever aanliggen om te voorkomen dat de schepen door de stenen van de glooiing beschadigd zullen raken.





~stuwpeil:
de waterstand, boven de stuw.





~stuwplan:
vooraf gemaakt plan met betrekking tot de volgorde van plaatsing en positie van lading en goederen in het ruim of in de ruimen.
Vroeger waren het voornamelijk grote schepen, die meerdere ladingen of stukgoed innamen, die van een stuwplan gebruik maakten. Later zijn het de containerschepen en tankers. Vooral bij containerschepen is het stuwplan van het allergrootste belang. Niet alleen bepaalt het de stabiliteit van het schip in verschillende stadia van belading, ook moet het voor een vlotte afhandeling van het laden en lossen in de diverse havens, die onderweg aangedaan worden, zorgen.






~stuwsluis:
ander woord voor keersluis.





~stuwwand:
de afsluitende constructie die in het watergeplaatst is, ongeacht op deze beweeglijk is of niet.
Kleine afsluitingen noemt men echter meest een val, schot of schuif.





~suatiesluis:
oude term voor uitwateringssluis, spuisluis.





~superspits:
in Frankrijk ontwikkelt en gebouwd motorvrachtschip. 70 meter lang, 5,6-5,7 meter breed, holte 2 meter of meer, laadvermogen tot zo'n 900 ton. De schepen zijn meestal uitgerust met twee motoren en vrij licht gebouwd. De maat is ondermeer afgestemd op de sluizen van het Canal-du-Nord (92x6m) en worden daarom ook wel Canal-du-nordspits genoemd. Het model van deze schepen doet in niets denken aan de gewone spits.





~surveillanceboot:
zie patrouillevaartuig.





~surveillancevaartuig:
zie patrouillevaartuig.





~stuwrichting:
de richting, waarin het schroefwater gericht is.





~Suie, Suye, Seuie:
Onvoldoende bekend.  17de eeuws Vlaams scheepstype van niet al te forse afmetingen.
Het type wordt ondermeer bij Nicolaas Witsen vermeldt, maar helaas niet beschreven.






~swath, Small Waterplane Area Twin Hull:
soort catamaranromp met speciaal gevormde schuiten, die het vaargedrag op ruw water moeten verbeteren. [A>]
Gerelateerde termen: éénrompsschip, meerrompsschip, catamaran, duoromp.





~sweepen, vegen:
varend baggeren. De term is vooral in gebruik bij het werk met sleep- en steekhopperzuigers.





~Swellis:
rond 1600 in de tolboeken van Nijmegen, Arnhem en IJsseloord vermeld scheepstype. Haalmeijer en Vuik merken hier over op dat het schip in andere tolboeken soms een Beitelaak genoemd wordt dus daarop geleken moet hebben.
Dat de Swellis één van de meest voorkomende scheepstypen zou zijn, zoals een enkele bron wilt beweren, is mij voor als nog weinig gebleken.






~syphonsluis, sifonsluis:
naam van de uitwaterende sluizen aan het einde van de Nieuwevaart/Lozingskanaal (Zeeburgerpad) in Amsterdam. De constructie bestond uit een aantal grote duikers voorzien van keersluizen die de water inlaat en uitlaat naar het IJsselmeer regelde. De aanleg van het Merwedekanaal maakte de aanleg van deze duiker, die in 1892 gereed kwam, noodzakelijk.
De duiker ligt er nog steeds. In 1936 werd deze bij de opwaardering en daarmee samenhangende verbreding van het Merwedekanaal tot Amsterdam-Rijnkanaal voor het eerst vervangen. In 1949 werden ze, vermoedelijk wegens ouderdom en op handen zijnde verbredingen van het kanaal, wederom vervangen. In 2006 zijn ze opnieuw vervangen. De bijbehorende sluizen zijn vermoedelijk al in 1936 vervangen door een constructie met veel bescheidener afmetingen.




Volgende





© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Haarlem.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken