banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst Sti






~ Stichting Bodemtarieven Grindvaart, S.B.G.:
nog niet voldoende bekend. Vermoedelijk een organisatie voor schippers, die zich inzetten voor een acceptabel minimumtarief in de zand- en grindvaart. Deze stichting was (onder meer) in de jaren zeventig actief.





~ Stichting Centrale Reederij voor de Voedselvoorziening:
op 16 december 1944 opgerichte rederij die een eind moesten maken aan de bureaucratische moeilijkheden die men bij de transporten, vanuit het Noorden van het land naar het het westen, ondervond.
De term rederij is misleidend. Men bezat geen schepen. Men zorgde voor de bevrachtingen en de benodigde papieren. Het waren over het algemeen particuliere schippers die de vracht transporteerden.
Direct na de oorlog werden de voedseltransporten ondertoezicht van de geallieerden gesteld.






~Stichting Nederlandse Particuliere Binnenvaart, S.N.P.B.:
samenwerkingsverband uit de jaren zeventig van de vier belangrijkste belangen organisaties van binnenschippers, de A.S.V., de C.B.O.B., de A.R.S.B. en st. Nicolaas.





~Stichting Nederlandse Particuliere Binnenvaart Centrale:
zie Nederlandse Particuliere Binnenvaart Centrale.





~Stichting Openlucht Binnenvaartmuseum, SOB:
Rotterdamse organisatie die een aantal binnenvaartschepen met historische waarde instand hield. In 2002 gefuseerd met 'Het Buitenmuseum' tot 'Het Havenmuseum'.





~ Stichting Sleepvaart Centrale, S.S.C.:
bedrijfsvereniging van sleepbooteigenaren.
Voor zover bekend werd de stichting in 1940 door de bezetter in het leven geroepen en dienden alle particuliere sleepbooteigenaren zich daarbij aan te sluiten. De sleepbootrederijen waren al verplicht zich aan te sluiten bij het Centraal Bureau Rijn- en Binnenvaart.






~ Stichting Technische Restauraties Rijnmond, STRR:
in 1984 opgerichte stichting met als doel het restaureren van uiteenlopend industrieel erfgoed. Onder andere betrokken geweest bij de geannuleerde restauratie van 'graanelevator 4' van de Rotterdamse Graan Elevator Maatschappij. Verdere gegevens onbekend.





~ Stichting tot Behoud van Authentieke Stoomvaartuigen en Motorsleepboten, BASM:
behoudsorganisatie van stoomschepen en sleepboten.





~Stichting Watertransport, S.W.T.:
verband dat opgericht werd om bepaalde (kunstmest) transporten via de aangesloten leden te kunnen verdelen. Opgericht door de A.S.V. maar in 1948 onder gezamenlijk beheer van de vier bij de S.N.P.B. aangesloten bonden gekomen. In 1950 begonnen met het organiseren van Rijn-vakantiereizen wat later een belangrijke tak werd. Verder kreeg de stichting later meer het karakter van een rederij met een vloot van ingehuurde schepen. Rond 2003 (onder meer) eigenaar van WT Cruises Rotterdam. Heden (2013) B.V. Watertransport SWT geheten.





~stiep:
plaatselijke term voor deklaststut.





~stijl:
2> in de ankerkuilvisserij plaatselijke term voor de wangen van een blok.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stil:
FLAUW EN STIL
: windkracht1.





~stilligfonds, door de Vereeniging Centrale Baggerbedrijf beheert fonds, waaruit baggeraars zonder werk een ondersteuning kregen, terwijl de baggeraars met werk verplicht waren een bijdrage aan het fonds te leveren.
Was men vrijwillig of gedwongen langer dan drie maanden zonder werk dan kon een lid in aanmerking komen voor een uitkering. De overige leden werden hiervan in kennis gesteld. Aan de hand van de gele bal op het vaartuig kon men vaststellen of de vaartuigen waarvoor een uitkering werd verkregen niet toch ingezet werden. (Bron: Kustvaartforumlid 'Amphora'.





~stilte, windstil:
windkracht 0.





~stobbe:
boomstronk onder water.





~Stockholmerteer:
zie bij teer.





~stoel:
1> op, aan of tegen het schip bevestigd onderdeel, dat als steunpunt of scharnierpunt voor iets dient. Zie ook bok.

2> verkorting van werfstoel, kluiverboomstoel, e.d.

3> stoeltje: bij het Giethoorns vlot gebruikte term voor de klampjes, latjes die de vullingplankjes ondersteunen.

4> stoeltje: verkorting van luike(n)stoel(tje), barlijnstoeltje en boomstoeltje.





~stoep:
1> waterstoep: oorspronkelijk een korte lage stenen kade, later ook een steiger of plankier.
2> verkorting van veerstoep.

3> trottoir: op een pont: het door zijn verhoogde ligging, danwel door een lage rand of goot, van het voor motorvoertuigen bestemde dek afgescheiden deel dat voor voetgangers bestemd is.





~stofbunker:
onderste, vaak afneembare deel van een cycloon.





~stofdeur:
afsluitbare opening onderaan een cycloon met vaste stofbunker.





stofplaat:
zie bij stofvulling.





~stofschot:
oude en ongebruikelijke naam voor machinekamerschot.





~stofvulling, stofplaat:
stalen plaat ter afdekking van de dekknieën en soms ook spanten opdat er geen lading hier tussen blijft hangen.





~stofzuiger:
bijnaam van bepaalde types vuilvisvaartuigen.





~stok:
1> ankerstok.

2> ca. 30 turven.






~stokanker, balkanker:
anker met aan de bovenzijde een dwarsstang of dwarshout, wat haaks op de ankerarmen met daaraan de ankervloeien, staat. [A>]
Wanneer de ankerstok van hout is, noemt men deze stok vaak kruishout. Is dit kruishout groot en zwaar dan noemt men het een ankerbalk. Het anker noemt men dan een balkanker.
Stokankers voor de binnenvaart werden gemaakt in gewichten van ca. 15 kg tot ca. 1400 kg. De kleinsten werden onder meer gebruikt voor het verankeren van netten en kleine vaartuigen. De grootsten sierden veelvuldig de grote radersleepboten en sleepschepen.

Gerelateerde termen: ankerarm, ankerkruis, ankerhals, vloei, greep, katanker, vaaranker, stokankerkluisgat.





~stokankerbalk:
meestal ingekort tot ankerbalk.





~stokankerkluisgat:
boven het dek en berghout gelegen, vrij klein, ankerkluisgat (kleiner dan wat voor klipankers e.d. gebruikelijk is).
De term wordt voornamelijk gebruikt om dergelijke kluisgaten op oude stoom- en motorvaartuigen aan te duiden. Daar stokankers geregeld aan dek genomen moesten worden, was het handiger het stokanker zo hoog mogelijk voor de kop te hebben. Bij een klipanker, dat slechts zelden voor de kop weggenomen wordt, is het echter handiger het anker onder het berghout te hebben en bij veel vaartuigen verdween het stokankerkluisgat en werd er een nieuw kluisgat in de romp onder het berghout gemaakt.





~stokdweil, jachtdweil, dekzwabber:
flinke stok met daaraan een aantal stukken doek.
Oorspronkelijk zwabber geheten!
Stokdweilen werden vaak zelf gemaakt, bijv. van stroken van dekens, maar men kon ze ook kant-en-klaar kopen.
Tagrijn De Vries uit Amsterdam vermeldt voor een stokdweil een iets andere uitvoering, dan voor een jachtdweil. Stokdweil: dweilstok 150 cm lang en 35 mm in doorsnede.
Jachtdweil: idem, maar met gelakte dweilstok 30 mm dik en (bijna altijd) voorzien van een druif.
De wollen dekenstroken zijn veelal tussen twee ca. 10 cm grote platen leer of rubber opgesloten en met een dweilstokspijker vastgezet.






~stokelen, schroten:
het op elkaar pas zagen van houten delen of wel "stuik zagen".
Hiervoor legt men de twee delen strak tegen elkaar aan en zet ze vast. De kier tussen de twee delen zal nu op sommige plaatsen geopend, op andere plaatsen gesloten zijn. Vervolgens haalt men al zagende, een zaag door de kier, waarna men de planken los haalt en wederom strak tegen elkaar aanlegt. De kier zal nu op meer plaatsen gesloten zijn dan voorheen. Men herhaalt dit proces tot beide delen perfect tegen elkaar aansluiten. Daarna worden de delen meestal tot één geheel samengevoegd.
Het stuk hout dat op deze wijze samengesteld is, is niet geschikt om het uitzetten en inkrimpen van het hout op te vangen en wordt daarom vrijwel uitsluitend gebruikt voor altijd droge of altijd natte delen. Ook is het alleen bruikbaar voor vlakke stukken. Voor altijd natte delen, zoals het vlak, gebruikte men hout dat voor het stokelen langdurig onder water gelegen had en dat men ook na het stokelen, dus tijdens de bouw van het schip, nat hield. De constructie werd echter het meest toegepast in binnenbetimmeringen, soms ook voor toegangsluiken e.d.






~stoker:
degene, die op een stoomschip de vuren onderhoudt.





~stokhouder:
Vlaams voor de gene die het tegenhouder de dolly hanteert.





~stokijzer:
Vlaams voor tegenhouder/dolly.





~stokkor:
zie stootkor.





~stokkwast, teerkwast:
soort van stevige bezemsteel met een lengte van ca. 1,75m, ca. 30mm doorsnede, waaraan onder een hoek een dikke kwast, een teermop, meestal 50 of 60 mm. diameter, bevestigd is.
De stok wordt teerstok genoemd. Om het onderuiteinde is een dunne stalen bus gezet, die moet voorkomen dat het hout splijt wanneer het teerstokijzer ingedreven wordt. Aan dit ijzer komt dan de kwast, meestal van zwart chinees varkenshaar; teerkop of teermop genoemd. De haarlengte van deze mop is meestal groter dan de diameter.

gerelateerde termen: teerdweil, dekwaskwast.





~stokloosanker:
anker zonder dwarsdeel boven aan de ankerschacht. Bijv. een ankerdreg, een pool- of een klipanker.





~stokpomp, trekpomp:
lenspomp, waarbij men de zuiger, d.m.v. een stang of stok, direct met de handen op en neer moet bewegen.
De totale lengte, of moet men hoogte zeggen, van de pomp was afhankelijk van de holte van het schip en was dus al gauw meer dan tweeëneenhalve meter. Dat hield in dat men bij elke slag ook de totale waterkolom in de pomp moest tillen.

Gerelateerde term: krukpomp, pompemmer, pompgat, pomphart, steekpomp, vleugelkleppomp.





~stokwade:
soort visnet, een steekhaam. Zie verder aldaar.
De term doet vermoeden dat het vistuig verwant is aan het schrobnet.
Onder meer genoemd in Online Woordenboek der Nederlandse Taal GTB INL






~Stolksche maat:
maat die bepaald werd door de Stolwijkersluis ongeveer overeenkomende met 18 x 4,2 x 1,5 meter (l,b,d).





~stolpen:
met de stolpmand vissen.





~stolpluik, stulpluik:
luik dat met de randen over de opstaande randen rond de opening valt.






~stolpmand:
ondersteboven gehouden mandvormige constructie, die men over de vis stulpt. Ook stulpmand genoemd. In de bodem van de mand (wat dus als bovenzijde dient) laat men een opening groot genoeg om er met de hand(en) de vis uit te kunnen nemen. Het spreekt voor zich dat deze techniek alleen voor ondiep water geschikt is. Met het stolpen vist men op soorten die zich bij voorkeur tussen waterplanten verbergen. Deze vismethode werd reeds tegen het einde van de negentiende eeuw op veel plaatsen verboden.
Genoemd in: Reglement voor de Binnenvisserij 1911 en besproken in Verslag der werkzaamheden van de Vereeniging tot Bevordering der Inlandsche Ichthyologie 1847.






~stomen:
1> het varen met een stoomschip.

2> houten planken, latten, stokken met behulp van stoom buigzaam maken.





~stomer: stoomschip.





~stomp:
(naar verhouding) korte mast.





~stoof: stoomkast.





~stookplaat:
ruimte direct voor de stoomketel, waar men de vuren stookt.





~stookhut: zie kookhut.





~stookijzer:
lange zware stalen pook waarmee men de in de vuurhaard van een stoomketel, gevormde slak losstoot en breekt.





~stookroef:
ongebruikelijke naam voor stookhut.






~stoom
ONDER STOOM BRENGEN
: een stoomschip voor vertrek gereed maken.
ONDER STOOM ZIJN
: met een stoomschip voor vertrek gereed zijn, of met een stoomschip varen.
DROGE of OVERVERHITTE STOOM
: stoom, die na het verlaten van de ketel nog verder verhit is.





~stoomankerlier:
ankerlier, dat met behulp van een kleine stoommachine aangedreven wordt. [A>]





~stoombaggermachine:
in de liggers van de meetdiensten gebruikte term voor een door middel van een stoommachine aangedreven baggermachine.
vermoedelijk gaat het daarbij om een gewone stoombaggermolen.





~stoombaggermolen:
baggermolen, meestal een emmermolen, die met behulp van een stoommachine aangedreven wordt. Vergelijk motorbaggermolen.

De eerste Nederlandse stoombaggermolen werd in 1824 in gebruik genomen. Het zou echter lang duren voordat ze algemeen werden. Voor zover bekend zijn er momenteel (mei 2010) nog twee stoombaggermolens in bruikbare staat: de kolengestookte stoombaggermolen 'Vooruit' vanaf de bouw in 1941 tot 1991 in gebruik bij de firma Krikke, Heerenveen, thans in beheer bij de stichting Stoombaggermolen Vooruit en de in 1936 gebouwde en later van kolen- tot oliegestookte omgebouwde baggermolen 'Friesland', thans eigendom van de Stichting Boskalis Westminster.






~stoombaggerschip:
vermoedelijk gaat het om een gewone stoombaggermolen.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoombaggerwerktuig:
willekeurig door middel van een stoommachine aangedreven baggermachine.





~stoombak:
niet bekend. De aanduiding is gebruikt voor twee vaartuigen. Ze droegen de meetbrieven A1793N en R4315N. De vaartuigen stamden uit 1903 en 1913.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoombakkenzuiger:
een bakkenzuiger die van een stoommachine gebruik maakt.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoombarkas:
een barkas die voor de voortstuwing van een stoommachine gebruik maakt.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoombergingsblazer:
een blazer voorzien van een stoommachine, die als bergingsvaartuig gebruikt wordt.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoombergingsvaartuig:
een bergingsvaartuig dat ondermeer voor de voortstuwing van een stoommachine gebruik maakt.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoombeurtdienst:
beurtdienst die met stoombeurtschepen onderhouden wordt.
Zie ook stoombeurtvaart.





~stoombeurtschip:
1> willekeurig beurtschip, dat voor de voorststuwing gebruik maakt van een stoommachine.
Zie ook raderbeurtschip.

2> scheepstype, ook als motorschip gebouwd.  Meestal niet groter dan een meter of 25.
a> Vrij slanke schroefboot  met scherpe, rechtopstaande steven, geveegd achterschip, soms een achterovervallend, soms een rechtopstaand hek, redelijke holte, over het algemeen een fors berghout dat in veel gevallen vrij laag tegen de romp aangebracht is, boven het berghout vaak grote patrijspoorten, daarboven soms weer een berghout, vrij lage verschansing meestal verhoogd met buisreling.

b> als A, maar met het dek gelijk aan de bovenrand van het vaartuig, alleen een waterbordje voorop en rondom een buisreling. Poorten meestal onder het berghout. Ook bekend onder de naam potdekker.
Voorgaande types zijn meestal ingericht voor het gecombineerde vervoer van personen en goederen, in de nadagen van de beurtvaart vaak met de nadruk op passagiersdiensten en rondvaarten.

c> als A, maar meestal met naar binnenvallend hek, het berghout op normale hoogte en een grotere breedte, soort voorloper van het motorscheepje en/of Luxe-motor. Meestal met het accent op goederenvervoer. Zie ook: goederenstoomboot.

3> raderbeurtschip: scheepstype, raderboot, romp vaak min of meer als 2a, maar met een flinke verschansing en natuurlijk de breed uitstulpende raderkasten. Oudste exemplaren soms met een steven als een Clipper (zeeschip). In de begin periode nog vrij smal en klein en zowel voor het vervoer van goederen en personen, al spoedig met lengtes tot zo'n zestig meter en steeds uitgebreidere passagiersaccomodatie. Dan vaak meestal alleen maar raderboot genoemd.





~stoombeurtvaart:
de beurtvaart met stoomschepen.
Anders dan bij de zeilende beurtvaart heeft de stoom- en motorbeurtvaart nooit het alleenrecht op het te bevaren traject gekend.






~stoombok:
al dan niet drijvend, twee-benig hijswerktuig dat door stoom aangedreven wordt.





~stoomboot:
eigenlijk een klein open stoomschip, door landrotten vaak gebruikt als synoniem voor stoomschip.





~stoombootbeurtdienst:
zie stoombootdienst.





~stoombootdienst, stoombootbeurtdienst, stoombootlijndienst, stoomdienst:
beurt-, lijn- of veerdienst, die met een stoomschip onderhouden wordt.





~stoombootkapitein:
gezagvoerder op een stoomschip.
Het begrip kapitein als gezagvoerder op een schip schijnt gelijktijdig met de stoommachine zijn intrede in de binnenvaart gemaakt te hebben.






~stoombootlijndienst:
zie stoombootdienst.





~Stoomboot Maatschappij Carsjens:
rond 1900 actief zijnde beurtvaartonderneming gevestigd te Leiden. De onderneming was zowel op de wateren rond de Oude Rijn als Amstel actief.





~stoombootmodelschip:
vermoedelijk een experimenteel stoomschip.
Term uit de liggers van de meetdiensten.
Het schip, Lastdrager geheten, werd in 1902 gemeten. Het in Kampen gebouwde schip was eigendom van J. Blanken uit Hoogeveen. Afmetingen 21,59 x 4,15 meter bijna 55 ton. Het zou uit verschillende materialen samengesteld zijn.






~stoombootonderneming:
rederij die met stoomboten vaart. Meestal gebruikt voor beurt-, lijn- of veerdienstondernemingen en in mindere mate voor sleepdiensten.





~Stoomboot Onderneming Concordia :
onderneming die geregelde diensten met passagiers en goederen voer met als vestigingsplaats Arnhem. Opgericht 1877, opgeheven 1947. Voor zover bekend werden er vooral diensten over de Rijn richting het westen onderhouden. Een der schepen droeg de naam 'Zwaantje' en een bekende 'halte' was de Westerbouwing. Meer is te vinden in het blad 'Binnenvaart',jaargang 2010, nummer 1, van de vereniging de Binnenvaart en in het boek 'De tijd van de stoombootdiensten' van Aart Bijl.





~stoombootrederij:
rederij, die van stoomschepen gebruik maakt.
De term werd hoofdzakelijk gebruikt door rederijen die zich met het transport van personen en goederen bezig hielden en niet of nauwelijk door stoomsleepdiensten.






~Stoombootrederij E.S. & C.St.Martin:
begin twintigste eeuw opererende goederen- en passagiersdienstonderneming.





~NV Stoomboot Reederij Fop Smit & Co :
in 1884 opgerichte onderneming die, met raderstoomboten, passagiersdiensten tussen Gorinchem, Dordrecht en Rotterdam onderhield. In 1935 beëindigde de firma haar activiteiten.
De schepen die voor deze dienst gevaren hebben waren: 'Merwede 1,2 en 3', 'Johan de Wit 1 en 2', 'Cornelis de Wit', 'W.F. Leemans' (1897), 'President Kruger'(1903), 'President Stein' (1903), 'Quakernaat' en de schroefboot 'Maasnymph'





~stoomdekaak:
een dekschuit die door een stoommachine voortgestuwd wordt.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomdienst:
zie stoombootdienst.





~stoomdraadlier:
draadlier, dat door een stoommachine aangedreven wordt. [A>]





~stoomdroger, naverhitter:
onderdeel van de stoomketel, waarmee de uit de ketel afkomstige stoom, verder verhit wordt.





~stoomdruk, keteldruk:
de druk, die in de stoomketel heerst.





~stoomelevator:
vermoedelijk bedoelt men een graanelevator die door een stoommachine aangedreven wordt.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomemmerbaggermolen:
emmerbaggermolen die door een stoommachine aangedreven wordt, meestal gewoon baggermolen of emmerbaggermolen genoemd.





~stoomfluit, scheepsfluit:
op stoomschepen gebruikt instrument, waarmee geluidsseinen gegeven kunnen worden.





~stoomgoederenboot:
stoomschip uitsluitend bestemd voor het vervoer van goederen.
Over het algemeen betrof het het vervoer van stukgoed, maar ook kleine partijen handgoed, bulkgoed en stortgoed werden met deze schepen vervoerd.
Zoals bij de meeste stoomschepen is dit geen boot maar een SCHIP! [uitleg].
In bepaalde kringen ook Stoomlichter(schip) genoemd.

Gerelateerde termen: stoomvrachtschip, pakboot.





~stoomheibakschip:
vermoedelijk een vrachtscheepje waarop een heistelling geplaatst is en waarbij de stoommachine zowel voor het heien als voor de voortstuwing gebruikt wordt.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomhelling:
scheepshelling, vrijwel altijd een wagenhelling, waar men een stoommachine gebruikt om de hellinglier aan te drijven.





~stoomhijsboot:
vermoedelijk het zelfde als een (hijs)bok die door een stoommachine aangedreven wordt.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomhijsbok:
een (hijs)bok die door een stoommachine aangedreven wordt. Dit is voor (hijs)bokken eerder regel dan een uitzondering.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomhopperzuiger:
hopperzuiger die door een stoommachine aangedreven wordt.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomijsbreker:
ijsbreker die door een stoommachine voortgestuwd wordt.





~stoomkast, stoomkist, stoof:
constructie, waarin men planken (huiddelen), om deze buigzamer te maken, langdurig aan stoom kan bloot stellen.





~stoomketel:
constructie, waarin men water met behulp van vuur tot stoom verhit. AE> Ongeveer op 2/3 van de te openen pagina.
Stoomketels worden over het algemeen gebruikt voor de voortstuwing of voor de aandrijving van werktuigen. In de meeste gevallen maakt men gebruik van zuigermachines. Voor de voortstuwing, pompen en de opwekking van electriciteit gebruikt men echter ook stoomturbines. Stoom wordt verder ook gebruikt voor verwarming van ladingen en het reinigen van tanks.

Gerelateerde termen: diverse woorden beginnend met stoom vlampijpketel, koelkast, rookkast/kookkast, schoorsteen, stookplaat, roosterbaar, vuurgang, slijs, stookijzer, afblazen, afblaaspijp, afblaasventiel, enz. enz.





~stoomkettingpont:
kettingpont die door middel van een stoommachine voortgestuwd wordt. Gewoonlijk kettingstoompont genoemd.





~stoomkettingsleepboot:
kettingsleepboot die door middel van een stoommachine voortgestuwd wordt. Ook kettingstoomsleepboot.





~stoomkorboot:
stoomschip dat gebruikt wordt bij de visserij met de kor. Naar het schijnt (en ook in de afbeelding) gaat het om de oestervisserij. In dat geval ook oesterkorboot genoemd.
Term uit de liggers van de meetdiensten.

Het vaartuig in kwestie is natuurlijk geen boot, maar een schip. UITLEG.






~stoomkorschip:
correcte benaming voor wat gewoonlijk een stoomkorboot genoemd schijnt te worden.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomkraan:
ponton of vrachtschip waarop een stoom(hijs)kraan opgesteld staat.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomkraanponton:
ponton waarop een stoom(hijs)kraan opgesteld staat.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomlepelbagger:
zie bij baggerlepel.





~stoomlichter stoomlichterschip:
lichterschip dat met behulp van een stoommachine voortgestuwd wordt.
De term werd slechts in bepaalde kringen gebruikt. Vaker sprak men van een stoomgoederenboot.





~stoomlichterschip:
over het algemeen een vrachtschip met stoommachine; een stoomgoederenboot. Zie ook stoomlichter.





~stoomlier:
(draad- of anker-) lier, dat met behulp van een (kleine) stoommachine aangedreven wordt. [A>]





~stoommachine:
constructie, waarin op zuigers werkende stoomdruk, omgezet wordt in een draaiende beweging. [A>]
Zie verder bij machine.
Zeer veel informatie is te vinden op E> stoommachineinfo.nl.
E> De installatie aan boord van de Hugo.





~stoommastbok:
hijsinrichting voor het plaatsen van masten die door stoom aangedreven wordt.





~stoommotor:
snel draaiende stoommachine, meestal voor de opwekking van electriciteit gebruikt.





~stoomontwikkelaar:
onderdeel van een Bellay gasgenerator. De stoomontwikkelaar heeft tot doel de verbrandingslucht te bevochtigen tevens werkt zij als gaskoeler.





~stoompassagiersraderboot:
raderpassagiersschip, dat voor de voortstuwing gebruik maakt van een stoommachine.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoompassagiersschip, sps.:
passagiersschip, dat voor de voortstuwing gebruik maakt van een stoommachine. Vaak een 'raderboot'.
STOOMPASSAGIERS-VRACHTSCHIP
,
STOOMPASSAGIERS EN VRACHTSCHIP
: termen uit de liggers van de meetdiensten waarmee zowel vrachtschepen die ook passagiers vervoeren, als ook passagiersschepen die ook vracht vervoeren bedoeld kunnen worden.
Dit waren de schepen van de lijn- en beurtvaart.






~stoompersvaartuig:
vaartuig dat, door gebruikmaking van een stoommachine, zand-water of baggermengsels door transportleidingen perst.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoompomp:
een combinatie van een pomp en een stoommachine.





~stoompont:
door een stoommachine aangedreven pont. Ook stoomveerpont genoemd.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoompraamschip:
vermoedelijk een stalen Friese praam met daarin een stoommachine.
Het gaat in dit geval om de in Franeker in 1906 gebouwde Vier Gebroeders van Jacob Leemburg uit Heerenveen. Afmetingen circa 13 x 4 meter. 13 ton.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomprofielzuiger:
profielzuiger die door een stoominstallatie aangedreven wordt.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomraderboot:
raderboot die door een stoommachine aangedreven wordt. Gebruikelijker is raderstoomboot.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomraderpassagiersboot:
stoomSCHIP dat passagiers vervoert. Zie verder bij raderstoompassagiersschip.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomraderpassagiersschip:
raderstoomschip gebruikt voor het vervoer van passagiers. Gebuikelijker is het te spreken van raderstoompassagiersschip.





~stoomraderschip:
zie raderstoomschip.





~stoomradersleepboot:
stoomsleepboot, die voor de voortstuwing gebruik maakt van één of twee schepraderen. Gebruikelijker is de term raderstoomsleepboot.





~stoomriviervaartuig:
willekeurig stoomvaartuig bestemd voor de vaart op de rivieren.
De term wordt onder meer in marinekringen gebruikt.






~stoomschelpenzuiger:
schelpenzuiger die gebruik maakt van een stoommachine.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomschip, stomer, stoomboot:
vaartuig, dat door middel van een stoommachine of stoomturbine voortgestuwd wordt.





~stoomschroefbaggermolen:
een stoombaggermolen mogelijk met eigen voortstuwing, maar mogelijk is ook dat 'schroef' per ongeluk toegevoegd is.
Het gaat om de in 1909 in Arnhem voor van Hezewijk gebouwde baggermolen Ardina.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomschroefbarge:
stoomvaartuig waarmee een beurtdiesnt onderhouden wordt.
Term uit de liggers van de meetdiensten.
'Barge' dient op Franse wijze uitgesproken te worden!






~stoomschroefboot:
stoomschip (sleepboot of vrachtschip) dat door een stoommachine aangedreven wordt>
Zie verder bij schroefstoomboot.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomschroefschip:
stoomschip dat door een stoommachine aangedreven wordt>
Zie verder bij schroefstoomschip.





~stoomschroefsleepboot:
zie schroefstoomsleepboot.





~stoomsleepboot, stoomsleper, stoomsleepschip:
sleepboot, die, voor de voortstuwing, gebruik maakt van de stoommachine. [A>]





~stoomsleepdienst:
sleepdienst die gebruik maakt van stoomsleepboten.





~Stoomsleepdienst L. Smit & Co, N.V. L. Smit & Co's Internationale Sleepdienst, Smit Havendiensten :
voortzetting van de sleepdienst van Fop Smit, die in 1866 stierf. Na een samengaan met de Internationale Sleepdienst Maatschappij, in 1923, veranderde de naam in L. Smit & Co's Internationale Sleepdienst om uiteindelijk in 1973 Smit Internationale, een firma met diverse divisies te worden. Voor zover bekend is de werkmaatschappij Smit Havendiensten momenteel de enige afdeeling die in de binnenvaart actief is. [E>]





~Stoomsleepdienst L. S. Wieringa:
in 1852 te Groningen opgerichte sleepbootrederij. Verdere gegevens nog onbekend.





~Stoomsleepdienst Pampus:
zie Nederlandsche Kettingstoomsleepboot Maatschappij.





~stoomsleephelling:
een sleephelling waarbij de sledes door middel van een stoomlier tegen de helling op getrokken worden.





~stoomsleepschip:
oude (en natuurlijk meest correcte) benaming voor een stoomsleepboot. De term is naar het schijnt tot circa 1916 in gebruik gebleven.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomsleepvaart:
de scheepvaart met stoomsleepboten.





~stoomsleepzuiger:
sleepzuiger aangedreven door een stoommachine.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomsleper: zie stoomsleepboot.





~stoomsmering:
systeem waarbij men in de stoomleding smeerolie brengt en deze door de stoom zelf door de machine laat verspreiden. Het systeem functioneerd alleen met verzadigde stoom in voldoende mate. [E> Meer informatie]





~stoomspil:
vertikale windas, soort kaapstander, die door een stoommachine aangedreven wordt. In veel gevallen waarschijnlijk winch genoemd.
Een speciaal model, namelijk met drie verschillende diameters werd gebruikt bij de staatsvisserij.

Onder meer genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stoomstuur: lelijke verkorting van stoomstuurwerk.





~stoomstuurwerk, stoomstuur :
stuurwerk, waarbij de eigenlijke kracht die noodzakelijk is om het roer te bewegen, door stoom onder druk, geleverd wordt.
De term 'stoomstuur' werd slechts een enkele maal aangetroffen en wel in 'Maas en Merwe - geschiedenis van de Stoomboot Reederij Fop Smit & Co' door W.J.J. Boot.






~stoomtankschip:
stoomschip ingericht voor het vervoer van vloeibare lading in tanks. Ook tankstoomschip genoemd. Term uit de liggers van de meetdiensten.





~stoomtransporteurschip, in dit geval een kolentransporteur voortgestuwd door een stoommachine. Maar de term zou ook op elke andersoortig vaartuig met een elevator kunnen slaan..
De term werd aangetroffen in de liggers van de scheepsmeetienst.






~stoomtransportschip:
vaartuig bestemd voor het vervoer van zaken en waren, aangedreven door een stoommachine. Zie ook bij transportschip.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomturbine:
constructie, waarin, op één of meerdere schoepenraderen werkende, stoomdruk omgezet wordt, in een draaiende beweging.





~stoomvaart:
de scheepvaart met stoomschepen.





~stoomvaartbelang:
al het gene dat invloed op de scheepvaart met stoomschepen kan hebben.





~Stoomvaart Mij. Amsterdam-Lemmer, Stoomvaart Maatschappij Amsterdam-Lemmer:
in 1898 opgerichte onderneming die in 1901 een aansluitende dienst op de stoomtram op het traject Lemmer-Joure ging verzorgen. Na nog geen jaar werd de rederij overgenomen door Verschure & Co's Algemene Binnenlandse Stoomvaart Maatschappij, Amsterdam.





~stoomvaartreder:
reder, die voornamelijk stoomschepen in de rederij heeft.
Het ging hierbij bijna uitsluitend om rederijen met stoomsleepboten, stoompassagiersschepen en/of stoombeurtschepen.
De term wordt genoemd in: Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel 5.(2002) A.A.A. de la Bruhèze, H.W. Lintsen, Arie Rip, J.W. Schot.






~stoomvaartrederij:
rederij, die voornamelijk stoomschepen vaart.
Het ging hierbij bijna uitsluitend om rederijen met stoomsleepboten, stoompassagiersschepen en/of stoombeurtschepen.
De term wordt genoemd in: Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel 5.(2002) A.A.A. de la Bruhèze, H.W. Lintsen, Arie Rip, J.W. Schot.






~stoomvaartuig:
willekeurig vaartuig dat voor de voortstuwing gebruik maakt van een stoommachine of stoomturbine.





~stoomvacuumschip:
vaartuig met een door stoom aangedreven installatie waarmee men vloeistoffen of poeders zuigt.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomveenbaggermolen:
een stoombaggermolen die bij de vervening gebruikt wordt.
Term uit de liggers van de meetdiensten. De genoemde term klinkt erg ongelukkig, maar veenstoombaggermolen klinkt weinig beter.

Gerelateerde term: veensteekmachine.





~stoomveer, stoomveerdienst, stoombootveer:
veerdienst die met een stoomvaartuig onderhouden wordt.
Gerelateerde term: stoomvlot.





~stoomveerboot:
veerboot, die voor zijn voortstuwing gebruik maakt van een stoommachine.





~stoomveerpont, stoompont:
pont, die voor zijn voortstuwing gebruik maakt van een stoommachine. [A>]





~stoomvisserij:
vorm van zegenvisserij op de benedenrivieren waarbij men een zegen over de volle breedte van de rivier laat voortdrijven.
De term werd gebruikt te Ammerstol. Elders sprak men van grote zegenvisserij of van staatsvisserij.
Voor een beschrijving raadplege men "Terminologie van riviervissers in Nederland" door Dr. Th. H. van Doorn.






~stoomvlot:
negentiende eeuwse benaming voor een spoorpont die van stoommachines gebruik maakt.





~stoomvrachtboot:
lelijke en ook foutieve benaming voor een stoomvrachtschip. Toch komt deze term in de liggers van de meetdiensten voor.





~stoomvrachtdienst:
stoomdienst waarbij alleen vracht, dus geen passagiers, vervoerd wordt.





~stoomvrachtpassagiersschip:
vrachtpassagiersschip dat voor de voortstuwing gebruik maakt van een stoommachine.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomvrachtschip:
vrachtschip dat voor de voortstuwing gebruik maakt van een stoommachine.
De vrachtschepen die voornamelijk werkzaam waren in het vervoer van stukgoederen werden vaak stoomgoederenboot genoemd. Verder hanteerde men termen als vrachtstoomboot, schroefstoomvrachtschip, schroefstoomvrachtboot, schroefvrachtstoomboot en pakboot.






~stoomwezen:
overheidsdienst, die toezicht houdt op installaties, die met stoom en gassen onder druk werken. Later geprivatiseerd en in 1994 overgenomen door Lloyds.





~stoomzandzuiger:
een zuiger die met behulp van een stoommachine zand van de bodem opzuigt. Ook stoomzandzuigerschip genoemd.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomzandzuigerschip:
een zuiger die met behulp van een stoommachine zand van de bodem opzuigt. Meestal stoomzandzuiger genoemd.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomzandzuigschip:
een zuiger die met behulp van een stoommachine zand van de bodem opzuigt. Meestal stoomzandzuiger genoemd.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomzegenboot:
foutieve vorm van zegenstoomboot. Het is immers geen stoomzegen!





~stoomzolderschip:
waarschijnlijk een dekschuit voorzien van een stoommachine. Zie ook stoomdekaak.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoomzuiger:
zand-, grind-, schelpen- of baggerzuiger, die van een stoommachine gebruik maakt.
Onder meer genoemd in de liggers van de meetdiensten.






~stoomzuigerschip:
een zuiger die met behulp van een stoommachine zijn arbeid verricht. Meestal kortweg stoomzuiger genoemd.
Term uit de liggers van de meetdiensten.






~stoot:
een met de scheepshoorn gegeven geluidssein.
EEN KORTE STOOT
: geluidssein van ca. 1seconde.
EEN LANGE STOOT
: een geluidssein van ca. 4 seconde. (Een pauze tussen twee opeen volgende stoten ca. 1 seconde.)





~stootbalk:
horizontale stevenbalk. Een dergelijke horizontale steven treft men onder meer op de boerenschouw en aanverwante vaartuigen.





~stootgaren:
korte eindjes touw waarmee dingen vast gezet zijn en die snel los getrokken kunnen worden. Zie ook seizings.
OP STOOTGARENS LIGGEN
: klaar liggen om onmiddellijk te kunnen vertrekken.





~stoothout:
weinig gebruikte term voor stuit. Het berghout op de hoeken, de boegen, van het schip.
Onder meer genoemd bij F.N. van Loon Beschouwing van den Nederlandschen scheepsbouw met betrekking tot deszelfs zeilaadje. Haarlem 1838






~stootkim:
in de lengterichting van het vaartuig geplaatste ijzeren strip of profiel dat het vaartuig bij het schuiven over de bodem (wanneer men het vaartuigje tegen de wal omhoog trekt) moet beschermen. Ook slof(fen) of sloffing genoemd. Zie ook schinkel, scheen en slijtstrip.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~stootklamp: stootklos.





~stootklos:
1> ongebruikelijk synoniem voor aanvaarklamp.

2> stootklamp: vaste blokvormige constructie, om het schip tegen stoten te beschermen.





~stootkor, stokkor, stootnet, kruinet, kor:
een, aan een lange stevige stok bevestigd, trechtervormig, visnet waarvan de opening door een halve hoepel opengehouden wordt. Met dit net werd, al wadend, vooral op garnaal en kleine platvis gejaagd.
De rechte onderzijde van het net is meestal voorzien van een stevige dwarsverbinding dat waarschijnlijk korijzer genoemd wordt.
Deze netten bestaan ook in geheel houten uitvoering. In klein formaat waren/zijn ze langs de stranden als kinderspeelgoed te koop.





~stootkussen:
1> van zeildoek gemaakte zak gevuld met touwresten, kurk, o.i.d., dat het stoten van het schip moet dempen.

2> stootwil.





~stootlap:
1> stootlapje: ABN verbastering van het Overijsselse 'stootlappien'. Een driehoekige houten dubbeling achter het ondereind van de voorsteven. De voorsteven steekt daarbij iets onder het vlak uit. De stootlap beschermt het voorste deel van het vlak bij het aan de grond lopen of op de wal trekken van het vaartuig. De nerf van het hout ligt daarom dwars op de lengterichting van het vaartuig.
Bron: Bron: De Punter, G.L. Berk.

Gerelateerde termen: slof en zool.

2> langs de rand van het zeil en om het lijk genomen dubbeling van zeildoek of dun leer, wat lijk en zeil tegen slijtage moet beschermen.
Bron: Online Woordenboek der Nederlandse Taal GTB INL






~stootlijst:
algemene benaming voor een lat of strip, die ter bescherming dient. (Mogelijk een lekenterm) Zie ook: schuurlijst, beuling, slijtstrip, zool, enz.





~stootmat:
van cocosvezel gemaakte, mat, die tussen meerpalen en het schip gehangen werd om slijtage, die door het schuren langs de paal zou kunnen ontstaan, te voorkomen. Stootmatten werden in de binnenvaart weinig gebruikt.





~stootnet:
zie stootkor.





~stootrand:
soort berghout. Vaak ook oneigenlijk gebruikt als synoniem voor berghout
Onder een stootrand verstaat men meestal een voorziening welke als extraatje aangebracht is. Ook steekt de stootrand meestal duidelijk uit. Het berghout wordt meer gezien als een wezenlijk onderdeel van het schip.






~stootstoel:
1> aanslag, kwadrantaanslag:
op het dek bevestigde constructie ter voorkoming van het te ver doordraaien van het kwadrant (waardoor het roerwerk in ongerede zou kunnen raken) en waarmee tevens de roeruitslag beperkt wordt.

2> op de machinekamerfundatie bevestigde steunen, waartussen een stoomketel opgesloten ligt.





~stoottalie:
soort dubbele stuurtalie, waarvan de loper strak staat. De bewegingen van het helmhout worden hierdoor gedempt.
De term stoottalie wordt in de zeevaart gebruikt voor talies, die het stoten, slingeren, of ongewild bewegen van rondhouten moeten voorkomen.






~stoottros:
1> soort touwwil gemaakt door een zwaar stuk tros te omkleden met een katning in één laag. De wil kent dus geen vulling.

2> soms gebruikt als synoniem voor leguaan en/of kabelaring.





~stootwerk:
willekeurig voorwerp of willekeurige constructie, die bedoeld is om het stoten van een schip op te vangen.
Op een schip gebruikt men dit doel o.a. berghouten, leguanen, stootwillen, fenders, kurkezakken, wrijfworsten, puddingzak, stootmatten, aanvaarzakken, wrijfhouten en auto- of zelfs tractorbanden.





~stootwil:
willekeurig vrij zacht, worstvormig voorwerp, dat bedoeld is om het stoten van het schip te dempen. [U>]
Gerelateerde termen: touwwil, stoottros, leguaan, kabelaring en stootwerk.





~stop:
punt waar vertraging voor de scheepvaart ontstaat.

STOP VAN TERNAAIEN
:
sluizencomplex tussen het Albertkanaal en de Maas in België dat tussen 1939 en 1961 als een soort wraakactie geen grotere schepen toeliet dan met een belading met ca. 450 ton.
Oorsprong voor dit conflict ligt in de 'afsluiting' van de vaarweg van Antwerpen naar de Rijn door de aanleg van een spoordijk Roosendaal-Vlissingen te Bath. Schepen vanuit Antwerpen waren nu gedwongen om via een ongunstig stuk Westerschelde en het kanaal bij Hansweert om te varen. Ook andere plannen voor een goede verbinding van België met het Ruhrgebied te land of te water werden door Nederland geboycot. Toen Luik en daarmee de Maas, ondanks pogingen van Nederland om ook dit tegen te houden, via het Albertkanaal een goede verbinding met Antwerpen verkreeg heeft men bij Ternaaien een beperking aanbracht. Men wilde namelijk niet dat Limburg te veel van deze nieuwe vaarweg, die geschikt was voor schepen tot 2000 ton, kon profiteren.






~stopanker:
1> in de binnenvaart: het vaaranker.

2> in de zeilende binnenvaart volgens sommigen: het achteranker/hekanker.

3> in de zeevaart: een zwaar (het zwaarste) boeganker.






~stopbus: zie pakkingbus.





~stopblok: vermoedelijk stuk hout dat op een sleepheling gebruikt wordt om het schip te onderstoppen op dat het stabiel zal blijven liggen.
Gerelateerde term stapel.





~stopgang: zie sluitgang.





~stophout:
1> hout waarmee het schip, wanneer het op de werf staat, opgestopt wordt.

2> stapeling.

3> hout waarmee men lading tegen verschuiven of verkeerde belasting bij het stapelen behoed. Stophout dat gebruikt wordt tijdens het hijsen noemt men wel worstjes.
Gerelateerde termen: garneren, stellinghout.





~stopketting:
ketting, die het schip bij de tewaterlating af moet remmen.





~stopkleed: reddingkleed.





~stopmenie: menieplamuur.





~stoppaal:
aan het bovenuiteinde van de sleephelling aanwezige, stevig in de grond verankerde, zware paal waarop het schip, wanneer het van de helling glijdt, afgestopt kan worden. De paal dient vaak tevens als bevestiging van het bovenste (het vaste) blok van de helling.
Teneinde het schip af te kunnen stoppen wordt een zwaar touw, het stoptouw, aan de mast bevestigd, over het voorschip geleid en twee of driemaal rond de stoppaal geslagen. Tijdens het aflopen van de helling kunnen er dermate grote krachten op het stoptouw komen te staan dat dit gaat schroeien.





~stoptouw:
zware tros die gebruikt wordt om het schip, terwijl het van de sleephelling afglijdt op de stoppaal af te kunnen remmen. Vroeger torntouw genoemd.





~stopper:
1> stuk ketting, touw of bundel garen, waarmee men draden en trossen, die men van de verhaalkop neemt, strak houdt.

2> willekeurige constructie, soms van touw, waarmee de bewegingen van een bepaald voorwerp beperkt kan worden.

3> verkorting van dekstopper of kettingstopper.

4> plaatselijk gebruikte term voor de laatste gang die aangebracht wordt bij het beplanken van een dek. Zie ook sluitgang.





~stopperknoop:
in heel touwwerk of met de kardelen gemaakte 'knoop' die een verdikking geeft. De stopperknoop moet voorkomen dat het touw, waarin deze gelegd is, uit een blok, oog, of gat schiet.





~stopping, stapeling:
tijdelijke constructie of een tijdelijk samenstelsel, bestemd om iets op zijn plaats te houden. O.a. gebruikt voor een opstapeling van balken waarop een schip dat langdurig op de werf staat rust (zie ook werfstoel).





~stopproef:
onderdeel van een voorgeschreven keuring, waarbij de tijd en de afstand, die men met het schip nodig heeft om bij een bepaalde snelheid tot stilstand te komen, gemeten wordt.





~Stop van Lobith:
naam die in 1950 gegeven werd aan de grenscontrôle op de naleving van de in 1948 ingevoerde regeling dat alleen 'georganiseerde schepen' het internationale vervoer mochten verzorgen.
In 1948 nam de toenmalige regering het besluit dat internationaal varende binnenvaartschepen aangesloten dienden te zijn bij een door het Centrale Commissie voor de Rijnvaart erkende organisatie; de zogenaamde Statenzaal-overeenkomst. Een regeling die min of meer gelijk was aan wat men tijdens de bezettingsjaren al beleefd had. Voor de Rijnvaart kwam het er voor de schippers op neer dat men aangesloten diende te zijn bij de NPRC. De schippers bleken echter niet erg bereid om aan dit voorschrift gehoor te geven. Reden waarom men in mei 1950 bij ALLE grensovergangen strenge contrôle ging uitvoeren en schepen die niet aan het voorschrift voldeden tegenhield. Dit leidde tot vele protesten, maar ook tot de oprichting van een groot aantal kleine organisaties, om aan de noodzakelijke blauwe pas, het bewijs dat men 'georganiseerd' was, te geraken. Enkele schippers spanden, omdat deze regeling in strijd met de Acte van Mannheim zou zijn, een rechtzaak aan en kregen in 1951 hun gelijk. Nadat de Hoge Raad in 1952 het vonnis bevestigd had, was de regeling definitief van de baan.






~stopwerk:
het bouwen van vaaruigen terwijl er nog geen koper is. Men spreekt ook wel van "op avontuur bouwen".
Bron: G.L. Berk, De Punter.






~stopzak:
soort sleepzak, die men (voornamelijk op zee) gebruikt om het achterschip, bij achterop komende golven, af te remmen.
Gerelateerde term: drijfanker.





~Stork:
bekende Nederlandse fabrikant van onder meer scheepsdiesels en waterpompen. [A>]
Tevens producent van draairoostergasgeneratoren.
Door samenwerking met Werkspoor ontstond de naam Stork Werkspoor. Door toepssing van de Ricardo wervelkamer ontstond de naam Stork Ricardo. De Stork Ganz is een in licentie geproduceerde Ganz motor. De naam Baby Stork werd gebruikt voo het type R150. Ze kregen die naam omdat de motoren qua omvang een stuk kleiner waren dan wat Stork voorheen produceerde.






~Stork koeler-reiniger:
onderdeel gasgenerator: natte gaskoeler-reiniger, waarbij het  gas door een aantal waternevels gevoerd wordt.





~Storkpomp:
centrifugaalpomp, die door stork gemaakt werd.
Deze pomp werd zo'n begrip in de Nederlandse binnenvaart, dat 'Storkpomp' min of meer een synoniem werd voor centrifugaalpomp. De pomp bezat een terugslagklep in de zuigleidingaansluiting. Hij werd veelvuldig in koelwatersystemen en als dekwaspomp toegepast.






~storm:
windkracht 9.





~stormanker:
extra zwaar anker, dat meestal aan dek geborgen lag. In de binnenvaart weinig gebruikt.





~stormbal:
bol, die op sommige, voor de scheepvaart belangrijke punten, gehesen werd, wanneer men storm verwachtte.





~stormdeur:
sluisdeur die bij opstuwing van het water bij harde wind dienst moet gaan doen. Vergelijkbaar met de vloeddeur bij getijdesluizen.





~stormfok:
vrij kleine, maar meestal zeer stevige, fok, die bij stormweer de gewone fok vervangt.





~stormklep, windklep, regenklep:
scharnierend aan de den bevestigde, haaks gebogen plaat, die het uiteinde van (meestal) aluminium luiken(2) omsluit.





~stormlantaarn:
1> algemene benaming voor een petroleumlamp, die buiten, in weer en wind, kan hangen, zonder dat deze uitgaat.
De bekendste fabrikant was de Firma Feuerhand.


2> vroeger aan boord een algemeen gebruikte term voor een op petroleum brandend rondomschijnend wit navigatielicht.
In die gevallen waarin men een rondomschijnend wit licht moest tonen, gebruikte men vroeger veelvuldig een gewone stormlantaarn in plaats van een lantaarn met een dioptrisch glas.





~stormlijn:
soort van zorglijn, die moet voorkomen dat dingen wegwaaien of te veel bewegen.





~stormrondje:
1> gijpen door overstag te gaan.
Daar het gijpen bij zeer harde wind voor ongeoefende zeilers een riskante onderneming kan zijn, geeft men er vaak de voorkeur aan een bijna volledig rondje tegen de wind* in te draaien. Daarbij gaat men dus overstag, maar na het voltooien van de beweging vaart men, net zoals bij gijpen, weer voor de wind, maar wel met het grootzeil naar de andere kant.
*Men draait als men het zeil naar bakboord uit heeft staan over stuurboord en als het zeil over stuurboord uitstaat, draait men over bakboord.


2> bepaalde zeilmanoeuvre, die men maakt om een overboord geraakt persoon weer op te vissen en waarbij men niet gijpt.
Daar achteruit zeilen (vrijwel) onmogelijk is, zal men, als iemand overboord gevallen is, terug moeten varen. Aangezien men voor de wind varend niet kan stoppen om de drenkeling op te vissen, zal men de drenkeling een eindje voorbij moeten varen en daarna scherp aan de wind varend de drenkeling moeten naderen. Eigenlijk heet dit de man-over-boord-manoeuvre en is de banaming stormrondje een vergissing.
Dit soort manoeuvres kosten vooral met grote schepen erg veel tijd en zal men liever van de bijboot gebruik maken. Het achter het schip meeslepen van de bijboot was in de tijd van de zeilvaart regel. De komst van de stoom- en motorschepen maakte dat men de bijboot, die vreselijk in de weg zat wanneer men achteruit voer, aan dek ging nemen. Tot in de jaren zeventig waren er echter nog schippers op motorschepen te vinden, die voordat ze 'groot water' opgingen, de bijboot te water lieten. Tegenwoordig draagt men in toenemende mate reddingvesten.






~stormsein:
dagteken, een bol of een kegel, danwel een combinatie van twee kegels, 's nachts lichten, waarmee het feit dat er een storm verwacht wordt en de verwachte windrichting daarvan aangegeven wordt. Op veel plaatsen echter beperkt tot slechts een enkele stormbal.
Gerelateerde term: semafoor.





~stormtalie:
volgens de beschrijving van Maurice Kaak gelijk aan de grondtakel. Hij zou volgens hem echter dienen om, bij stormweer, het roer mee te bedienen dus als een soort stuurtalie.
Of men op Vlaamse schepen deze takel werkelijk gebruikte om het roer te draaien of niet, is me niet met zekerheid bekend. Op oude foto's ziet men vrijwel nooit nog iets wat op een grondtakel wijst en meer dan vertellingen uit derde hand schijnen er niet te zijn.
Gezien de afwijkende functie van deze stormtalie zou ook de roerlichter een iets andere functie hebben.






~stormtuig:
de zeilen, die men met stormweer voert. Dit kunnen stormzeilen, maar ook gewone, gereefde, zeilen zijn.





~stormvloed:
extreem hoog zeewaterpeil, door een combinatie van springvloed en harde wind.





~stormvloedkering:
soort keersluis, die bij stormvloeden gebruikt kan worden. [A>]





~stormwaarschuwing:
waarschuwing, die gegeven wordt wanneer er meer dan windkracht 6 verwacht wordt. Zie ook: stormbal en stormsein.





~stormzeil:
zeil met een kleiner oppervlak en meestal van zwaardere kwaliteit dan gebruikelijk.





~stort:
dun (gegalvaniseerd) staalplaat, blik, waarmee houten schepen overijzerd werden. [A>]





~stortbak:
1> voorziening in de stuurhut, waarmee men de aanwezigheid van voldoende koelwater kan controleren. Weinig en dan nog voornamelijk voor WO II in gebruik geweest. [A>]

2> onderdeel van een emmermolen. Onder het vijfkant opgestelde bak, waarin de inhoud van de emmers terecht komt, wanneer deze over het vijfkant draaien.
Aansluitend aan de stortbak zijn twee stortgoten bevestigd; één aan bakboord en één aan stuurboord. Afhankelijk van de stand van een klep in de stortbak wordt de lading door de ene of de andere stortgoot afgevoerd.






~stortbuis, stortpijp, laadpijp:
buis waardoor men stortgoed in het ruim brengt.





~stortebed:
bekleding van de bodem van een water, bijv. met rijshout en stenen, om het uitslijten van de bodem, ten gevolge van de stroming, tegen te gaan. onder meer toegepast bij sluizen en stuwen, aan de zijde waar het water het laagst staat.
Gerelateerde term: stortvak.





~stortgoed:
zie bij bulkgoed.





~stortgoot:
onderdeel van een emmermolen. Aansluitend op de stortbak gemonteerde, zijwaarts uitstekende, metalen goot waar langs het opgebaggerde materiaal de molen verlaat.
Emmermolens hebben aan beide zijden een stortgoot. Elke stortgoot is meestal tweedelig. Het eerste deel zit vast in de hoofdbok, het tweede deel is scharnierend aan het eerste deel bevestigd en kan, als de stortgoot niet gebruikt wordt, omhoog geklapt worden.






~stortluik:
klein luik op het voordek bij onder meer de Friese Praam en de Snik, waardoor men kleine lading voorin kon bergen.





~stortpijp: zie stortbuis.





~stortplaats: zie stortvak.





~stortschip: zie steenstorter.





~stortvak, stortplaats:
beperkt gebied waarin vaartuigen, die materialen voor bodemverdediging e.d. aanvoeren, hun lading dumpen. Gerelateerde term: stortebed.





~stortvakplan:
plattegrond van het (toekomstige) storvak met daarin de voor het storten/dumpen belangrijke gegevens.





~stortzee:
breker op groot water.





~Stortzkoppeling, brandweerkoppeling:
koppeling met bajonetvatting, waarmee slangen aan dekwaspompen of dekwasleidingen gezet wordt.





~stoten:
onverwacht sterk in de vaart gestuit worden, zoals wanneer men tegen een ondiepte vaart of wanneer men, al dan niet gemeerd liggend, met enige snelheid tegen de oever of kade komt.





~stouwen:
goederen of voorwerpen, dusdanig plaatsen dat ze evenwichtig verdeeld en zeevast staan. Vaak ook stuwen genoemd.
Gerelateerde termen: traven, duiveljagen .





~stouwsluis: keersluis.





~straalbuis:
om de schroef aangebrachte, vrij korte, koker, waarbinnen de schroef ronddraait. [A>]
De straalbuis is een uitvinding van Ing. Kort en wordt vaak Kortstraalbuis genoemd. Een enkeling wil echter nog wel eens beweren dat het 'kort' slaat op de lengte van de straalbuis. Diverse bedrijven hebben inmiddels hun eigen straalbuis ontwikkeld, zodat er ook andere merknamen ontstaan zijn.






~straalbuisroer, " tunnelroer, roertunnel:
draaibare straalbuis, vaak voorzien van een kort 'roerblad'.





~straalbuisschroef, getopte schroef:
schroef met afgetopte bladen, oorspronkelijk alleen bestemd om in een straalbuis gebruikt te worden, later i.v.m. ruimtegebrek ook toegepast onder schroeftunnels.[T> Schroeven.]





~straat:
Vlaams voor een vullingplank van de buikdenning.





~straathond:
bijnaam voor motoren van het fabrikaat Briggs & Stratton.





~straatvuilschuit:
open schuit bestemd voor het vervoer van straatvuil.
In Amsterdam en omstreken gaat het hierbij meestal om een schuit met het model van de Amsterdamse dekschuit. In plaats van een gesloten dek heeft de schuit meestal een semi-beun, soms een beun en bovendien een redelijke hoge den.
Men kende ook een grofvuilschuit.






~stranden:
op het strand verdagen. Aangezien er op het binnenwater nauwelijks stranden te vinden zijn, komt dit zelden voor.





~stranding:
het resultaat van op een strand verdagen.





~strandingsbank:
een droogvallende oever, een zaat, die door een onderhoudswerf voor het banken gebruikt wordt.
Gerelateerde termen: bankstelling, kuisbank.





~strandrecht:
recht dat geldt op aangespoelde goederen en gestrande schepen.





~strandvonder:
door de overheid aangesteld persoon, die aangespoelde of opgeviste goederen in bewaring houdt tot de rechtmatige eigenaar ze op eist, of als dat niet binnen een bepaalde termijn gebeurt tot verkoop van deze artikelen overgaat.





~strang, sleepstrang:
1> lange, zware, sleepdraad. De term wordt hoofdzakelijk in de Rijnvaart gebruikt.
vrije strang
: zie zwemstrang.

Gerelateerde termen: brittelstrang, strangenlier, boldereind, bolderscepter, strangenvissen, tornstrang, zwemstrang.

2> dode (d.i. doodlopende) rivierarm.

3> zware staaldraad tussen een vast punt op de oever en het knooppunt van ankerketting, springslot en voordraad bij de ankerkuilvisserij. Ook vislijn genoemd.
Zie verder bij visdraad.
Gijs Sepers, Waalschokkers zijn geen schokkers, Spiegel der Zeilvaart 8/2000.






~strangenbak:
direct achter de strangenlier geplaatste constructie aan boord van de rijnsleepboten waarin het boldereind geborgen werd.
J. Ossebaar weet hierover te vertellen: De strangenbakken op de NESKA 132 waren van hout. Ze waren ongever 2x2 meter, stonden op 4 poten en waren voorzien van een lattenbodem. Ze stonden op het achterroefdek enwel aan elke zijde een. Hierin lagen de strangen netjes voor gebruik gereed en hierdoor was het roefdek gevrijwaard van schade.







~strangenbijl:
grote vrij zware en vooral scherpe bijl, waarmee men in geval van nood de strang kon kappen.





~strangendreg, wolf:
zware dreg waarmee men strangen vist.





~strangenklem, strangenstopper, sleepklem :
draadstopper op een strangenlier; in een enkel geval ook op het voordek van sleepschepen. De zwaardere exemplaren waren geregeld voorzien van een veerinrichting, die de rukken op de strang op moest vangen. [A>]
De term sleepklem schijnt minder gebruikelijk dan de term strangenklem te zijn. Een enkele maal worden dit soort klemmen ook draadklem genoemd.






~strangenlier:
1> zwaar sleeplier met meerdere draadtrommels. [A>]
De sterkste sleepboten konden 8 strangen op de lier bergen. De zwaarste was tot 250 meter lang bij een dikte van 36-38mm en de dunste stang was 16-22mm bij een lengte tot 1600 meter. Zwakkere sleepboten gebruikten lichter materiaal.
Zie ook tekst: T> Rijnsleepvaart.

Gerelateerde termen: brittelstrang, strang, boldereind, bolderscepter, strangenvissen, sleepboog, beretand, tornbolder, tornpaal, tornklamp, remtrommel, strangenklem, sleepbok, sleepdek, strangenrol(klemmenrol, zwenkrol), strangentrommel, rollenklamp.

2>  door enkelen gebruikt  om het dwarslier waarmee de strangendreg ingedraaid wordt, aan te duiden.
Mogelijk een verkorting van strangenDREGlier.






~strangenrol:
1> vaak gebruikt als synoniem voor strangentrommel.

2> zie adhesietrommel.





~strangenstopper:
zie strangenklem.





~strangentouwtje:
ander woord voor bendsel/knittelend.





~strangentrommel, draadtrommel:
Onderdeel van een strangenlier. Forse draadtrommel waarop de strang opgewikkeld is.





~strangenvissen:
het met de strangendreg opvissen van de strangen van de achterliggende schepen van de sleep.
Gerelateerde termen: brittelstrang, strangenlier, boldereind, bolderscepter, strangenvissen.





~stravel:
al het drijvende vaste vuil.
Onder riviervissers voornamelijk dat vuil dat in de netten terecht komt. Zie ook drijfvuil.



Volgende





© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Haarlem.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken