banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst Sti



~Stichting Openlucht Binnenvaartmuseum, SOB:
Rotterdamse organisatie die een aantal binnenvaartschepen met historische waarde instand hield. In 2002 gefuseerd met 'Het Buitenmuseum' tot 'Het Havenmuseum'.




~Stichting Technische Restauraties Rijnmond, STRR:
in 1984 opgerichte stichting met als doel het restaureren van uiteenlopend industrieel erfgoed. Onder andere betrokken geweest bij de geannuleerde restauratie van 'graanelevator 4' van de Rotterdamse Graan Elevator Maatschappij. Verdere gegevens onbekend.





~stil:
FLAUW EN STIL
: windkracht1.






~stilte, windstil:
windkracht 0.






~stobbe:
boomstronk onder water.






~Stockholmerteer:
bruine teer.






~stoel:
1> op, aan of tegen het schip bevestigd onderdeel, dat als scharnierpunt voor iets dient. Zie ook bok.
2> werfstoel.






~stoep :
1> waterstoep: langs de oever gebouwde steiger, plankier, soms ook een korte stenen kade.
2> verkorting van veerstoep.





~stofbunker:
onderste, vaak afneembare deel van een cycloon.





~stofdeur:
afsluitbare opening onderaan een cycloon met vaste stofbunker.





~stofschot:
oude en ongebruikelijke naam voor machinekamerschot.




~stofzuiger:
bijnaam van bepaalde types vuilvisvaartuigen.






~stok:
1> ankerstok.

2> ca. 30 turven.






~stokanker, balkanker:
ankermet aan de bovenzijde een dwarsstang of dwarshout, wat haaks op de ankerarmen met daaraan de ankervloeien, staat. [A>]
Wanneer de ankerstok van hout is, noemt men deze stok vaak kruishout. Is dit kruishout groot en zwaar dan noemt men het een ankerbalk. Het anker noemt men dan een balkanker.
Stokankers voor de binnenvaart werden gemaakt in gewichten van ca. 15 kg tot ca. 1400 kg. De kleinsten werden ondermeer gebruikt voor het verankeren van netten en kleine vaartuigen. De grootsten sierden veelvuldig de grote radersleepboten en sleepschepen.

Gerelateerde termen: ankerarm, ankerkruis, ankerhals, vloei, katanker, vaaranker, stokankerkluisgat.





~stokankerbalk:
meestal ingekort tot ankerbalk.





~stokankerkluisgat:
boven het dek en berghout gelegen, vrij klein, ankerkluisgat (kleiner dan wat voor klipankers e.d. gebruikelijk is).
De term wordt voornamelijk gebruikt om dergelijke kluisgaten op oude stoom- en motorvaartuigen aan te duiden. Daar stokankers geregeld aan dek genomen moesten worden, was het handiger het stokanker zo hoog mogelijk voor de kop te hebben. Bij een klipanker, dat slechts zelden voor de kop weggenomen wordt, is het echter handiger het anker onder het berghout te hebben en bij veel vaartuigen verdween het stokankerkluisgat en werd er een nieuw kluisgat in de romp onder het berghout gemaakt.







~stokdweil, jachtdweil:
flinke stok met daaraan een aantal stukken dweil.






~stokelen:
het op elkaar pas zagen van houten delen of wel "stuik zagen".
Hiervoor legt men de twee delen strak tegen elkaar aan en zet ze vast. De kier tussen de twee delen zal nu op sommige plaatsen geopend, op andere plaatsen gesloten zijn. Vervolgens haalt men al zagende, een zaag door de kier, waarna men de planken los haalt en wederom strak tegen elkaar aanlegt. De kier zal nu op meer plaatsen gesloten zijn dan voorheen. Men herhaalt dit proces tot beide delen perfect tegen elkaar aansluiten. Daarna worden de delen meestal tot één geheel samengevoegd.
Het stuk hout dat op deze wijze samengesteld is, is niet geschikt om het uitzetten en inkrimpen van het hout op te vangen en wordt daarom vrijwel uitsluitend gebruikt voor altijd droge of altijd natte delen. Voor altijd natte delen, zoals het vlak, gebruikte men hout dat voor het stokelen langdurig onder water gelegen had en dat men ook na het stokelen, dus tijdens de bouw van het schip, nat hield. De constructie werd echter het meest toegepast in binnenbetimmeringen, soms ook voor toegangsluiken e.d.







~stoker:
degene, die op een stoomschip de vuren onderhoudt.






~stokkwast, teerkwast:
soort van stevige bezemsteel met een lengte van ca. 2m waaraan onder een hoek een dikke kwast, een teermop, bevestigd is. Zie ook: teerdweil.






~stokloosanker:
anker zonder dwarsdeel boven aan de ankerschacht. Bijv. een ankerdreg, een pool- of een klipanker.






~stokpomp, trekpomp:
pomp, waarbij men de zuiger, d.m.v. een stang, direct met de handen op en neer moet bewegen.






~stomen:
1> het varen met een stoomschip.
2> houten planken met behulp van stoom buigzaam maken.






~stomer: stoomschip.






~stomp:
(naar verhouding) korte mast.






~stoof: stoomkast.





~stookplaat:
ruimte direct voor de stoomketel, waar men de vuren stookt.





~stookhut: zie kookhut.





~stookijzer:
lange zware stalen pook waarmee men de in de vuurhaard van een stoomketel, gevormde slak losstoot en breekt.





~stookroef:
ongebruikelijke naam voor stookhut.






~stoom
ONDER STOOM BRENGEN
: een stoomschip voor vertrek gereed maken.
ONDER STOOM ZIJN
: met een stoomschip voor vertrek gereed zijn, of met een stoomschip varen.

DROGE of OVERVERHITTE STOOM
: stoom, die na het verlaten van de ketel nog verder verhit is.






~stoomankerlier:
ankerlier, dat met behulp van een kleine stoommachine aangedreven wordt. [A>]





~stoombarkas:
barkas, die met behulp van een stoommachine voortgestuwd wordt.





~stoombaggermolen:
baggermolen, meestal een emmermolen, die met behulp van een stoommachine aangedreven wordt.
De eerste Nederlandse stoombaggermolen werd in 1824 in gebruik genomen. Het zou echter lang duren voordat ze algemeen werden. Voor zover bekend zijn er momenteel (mei 2010) nog twee stoombaggermolens in bruikbare staat: de kolengestookte stoombaggermolen 'Vooruit' vanaf de bouw in 1941 tot 1991 in gebruik bij de firma Krikke, Heerenveen, thans in beheer bij de stichting Stoombaggermolen Vooruit en de in 1936 gebouwde en later van kolen- tot oliegestookte omgebouwde baggermolen 'Friesland', thans eigendom van de Stichting Boskalis Westminster.






~stoombeurtschip:
1> willekeurig beurtschip, dat voor de voorststuwing gebruik maakt van een stoommachine.
Zie ook raderbeurtschip.

2> scheepstype, ook als motorschip gebouwd.  Meestal niet groter dan een meter of 25.
a> Vrij slanke schroefboot  met scherpe, rechtopstaande steven, geveegd achterschip, soms een achterovervallend, soms een rechtopstaand hek, redelijke holte, over het algemeen een fors berghout dat in veel gevallen vrij laag tegen de romp aangebracht is, boven het berghout vaak grote patrijspoorten, daarboven soms weer een berghout, vrij lage verschansing meestal verhoogd met buisreling.

b> als A, maar met het dek gelijk aan de bovenrand van het vaartuig, alleen een waterbordje voorop en rondom een buisreling. Poorten meestal onder het berghout. Ook bekend onder de naam potdekker.
Voorgaande types zijn meestal ingericht voor het gecombineerde vervoer van personen en goederen, in de nadagen van de beurtvaart vaak met de nadruk op passagiersdiensten en rondvaarten.

c>
als A, maar meestal met naar binnenvallend hek, het berghout op normale hoogte en een grotere breedte, soort voorloper van het motorscheepje en/of Luxe-motor. Meestal met het accent op goederenvervoer. Zie ook: goederenstoomboot.

3> raderbeurtschip: scheepstype, raderboot, romp vaak min of meer als 2a, maar met een flinke verschansing en natuurlijk de breed uitstulpende raderkasten. Oudste exemplaren soms met een steven als een Clipper (zeeschip). In de begin periode nog vrij smal en klein en zowel voor het vervoer van goederen en personen, al spoedig met lengtes tot zo'n zestig meter en steeds uitgebreidere passagiersaccomodatie. Dan vaak meestal alleen maar raderboot genoemd.






~stoomboot:
eigenlijk een klein open stoomschip, door landrotten vaak gebruikt als synoniem voor stoomschip.





~stoombootdienst, stoomdienst:
beurt-, lijn- of veerdienst, die met een stoomschip onderhouden wordt.





~stoomdienst:
zie stoombootdienst.





~stoomdraadlier:
draadlier, dat door een stoommachine aangedreven wordt. [A>]






~stoomdruk, keteldruk:
de druk, die in de stoomketel heerst.






~stoomdroger, naverhitter:
onderdeel van de stoomketel, waarmee de uit de ketel afkomstige stoom, verder verhit wordt.





~stoomfluit, scheepsfluit:
op stoomschepen gebruikt instrument, waarmee geluidsseinen gegeven kunnen worden.





~stoomgoederenboot:
stoomschip uitsluitend bestemd voor het vervoer van goederen. Over het algemeen betrof het vaak stukgoed, maar ook kleine partijen handgoed, bulkgoed en stortgoed werden hiermee vervoerd.
Zoals bij de meeste stoomschepen is dit geen boot maar een SCHIP! [uitleg].







~stoomkast, stoomkist, stoof:
constructie, waarin men planken (huiddelen), om deze buigzamer te maken, langdurig aan stoom kan bloot stellen.





~stoomketel:
constructie, waarin men water met behulp van vuur tot stoom verhit. AE> Ongeveer op 2/3 van de te openen pagina.
Stoomketels worden over het algemeen gebruikt voor de voortstuwing of voor de aandrijving van werktuigen. In de meeste gevallen maakt men gebruik van zuigermachines. Voor de voortstuwing, pompen en de opwekking van electriciteit gebruikt men echter ook stoomturbines. Stoom wordt verder ook gebruikt voor verwarming van ladingen en het reinigen van tanks.

Gerelateerde termen: diverse woorden beginnend met stoom vlampijpketel, koelkast, rookkast/kookkast, schoorsteen, stookplaat, roosterbaar, vuurgang, slijs, stookijzer, afblazen, afblaaspijp, afblaasventiel, enz. enz.




~stoomlier:
(draad- of anker-) lier, dat met behulp van een (kleine) stoommachine aangedreven wordt. [A>]





~stoommachine:
constructie, waarin op zuigers werkende stoomdruk, omgezet wordt in een draaiende beweging. [A>]
Zie verder bij machine.
Zeer veel informatie is te vinden op E> stoommachineinfo.nl.
E> De installatie aan boord van de Hugo.





~stoommotor:
snel draaiende stoommachine, meestal voor de opwekking van electriciteit gebruikt.






~stoomontwikkelaar:
onderdeel van een Bellay gasgenerator. De stoomontwikkelaar heeft tot doel de verbrandingslucht te bevochtigen tevens werkt zij als gaskoeler.






~stoompassagiersschip, sps.:
passagiersschip, dat voor de voortstuwing gebruik maakt van een stoommachine. Vaak een 'raderboot'.





~stoompomp:
een combinatie van een pomp en een stoommachine.






~stoompont: stoomveerpont.





~stoomraderboot, raderstoomboot:
Vaartuig, dat door middel van een stoommachine, die schepraderen aandrijft, voortgestuwd wordt.
Gerelateerde termen: hekwieler, zijwieler, radersleepboot, raderpassagiersschip.
De term raderstoomboot scheen vroeger gebruikelijker te zijn, tegenwoordig schijnt men de voorkeur te geven aan stoomraderboot. Ook bij soortgelijke combinaties, zoals stoomschroefboot/schip, stoomradersleepboot, enz. komt een soortgelijke verwisseling voor
.
De term boot is hier niet op zijn plaats, omdat het zich in de maaste gevallen om een schip handelt (uitleg) en het zou dus een stoomraderschip moeten heten.






~stoomraderschip, raderstoomschip:
Vaartuig, dat door middel van een stoommachine, die schepraderen aandrijft, voortgestuwd wordt.
Zie verder bij: stoomraderboot.
Verwante termen: hekwieler, zijwieler.





~stoomradersleepboot, raderstoomsleepboot:
radersleepboot, welke tevens een stoomschip is.
Aangezien alle radersleepboten, op één na, stoomschepen waren spreekt men over het algemeen uitsluitend over radersleepboot. Voor die ene zie motorradersleepboot.
De meeste radersleepboten gebruikten een zuigermachine, een minderheid een stoomturbine.
De term raderstoomsleepboot komt voor, maar is minder gebruikelijk.







~stoomschip, stomer, stoomboot:
vaartuig, dat door middel van een stoommachine of stoomturbine voortgestuwd wordt.






~stoomschroefboot, schroefstoomboot:
klein, open, stoomschroefschip.






~stoomschroefschip:
stoomschip, dat met behulp van een schroef voortgestuwd wordt.






~stoomschroefsleepboot:
schroefsleepboot, die tevens een stoomschip is.





~stoomsleepboot, stoomsleper:
sleepboot, die, voor de voortstuwing, gebruik maakt van de stoommachine. [A>]





~stoomsleephelling:
een sleephelling waarbij de sledes door middel van een stoomlier tegen de helling op getrokken worden.






~stoomsleepvaart:
de scheepvaart met stoomsleepboten.






~stoomsleper: stoomsleepboot.






~stoomstuurwerk:
stuurwerk, waarbij de eigenlijke kracht die noodzakelijk is om het roer te bewegen, door stoom onder druk, geleverd wordt. Slechts zelden in de binnenvaart toegepast.






~stoomturbine:
constructie, waarin, op één of meerdere schoepenraderen werkende, stoomdruk omgezet wordt, in een draaiende beweging.






~stoomvaart:
de scheepvaart met stoomschepen.






~stoomvaartuig:
willekeurig vaartuig dat voor de voortstuwing gebruik maakt van een stoommachine of stoomturbine.






~stoomveer, stoomveerdienst, stoombootveer:
veerdienst die met een stoomvaartuig onderhouden wordt.






~stoomveerpont, stoompont:
pont, die voor zijn voortstuwing gebruik maakt van een stoommachine. [A>]






~stoomvrachtdienst:
stoomdienst waarbij alleen goederen vervoerd worden.





~stoomwezen:
overheidsdienst, die toezicht houdt op installaties, die met stoom en gassen onder druk werken.





~stoomzuiger:
zand-, schelpen- of baggerzuiger, die van een stoommachine gebruik maakt.





~stoot:
een met de scheepshoorn gegeven geluidssein.
EEN KORTE STOOT
: geluidssein van ca. 1seconde.
EEN LANGE STOOT
: een geluidssein van ca. 4 seconde. (Een pauze tussen twee opeen volgende stoten ca. 1 seconde.)






~stootgaren:
korte eindjes touw, die snel los getrokken kunnen worden en waarmee dingen vast gezet zijn. Zie ook seizings.
OP STOOTGARENS LIGGEN
: klaar liggen om onmiddellijk te kunnen vertrekken.






~stoothout: stuit.






~stootklamp: stootklos.






~stootklos:
1> aanvaarklamp.
2> stootklamp: vaste blokvormige constructie, om het schip tegen stoten te beschermen.






~stootkussen:
1> van zeildoek gemaakte zak gevuld met touwresten, kurk, o.i.d., dat het stoten van het schipmoet dempen.
2>
stootwil.






~stootlijst:
algemene benaming voor een lat of strip, die ter bescherming dient. (Mogelijk een lekenterm) Zie ook: schuurlijst, beuling, slijtstrip, zool, enz.






~stootmat:
van cocosvezel gemaakte, mat, die tussen meerpalen en het schip gehangen werd om slijtage, die door het schuren langs de paal zou kunnen ontstaan, te voorkomen. Stootmatten werden in de binnenvaart weinig gebruikt.






~stootrand:
soort berghout.






~stootstoel:
1> aanslag, kwadrantaanslag:
op het dek bevestigde constructie ter voorkoming van het te ver doordraaien van het kwadrant (waardoor het roerwerk in ongerede zou kunnen raken) en waarmee tevens de roeruitslag beperkt wordt.

2> op de machinekamerfundatie bevestigde steunen, waartussen een stoomketel opgesloten ligt.






~stoottalie:
soort dubbele stuurtalie, waarvan de loper strak staat. De bewegingen van het helmhout worden hierdoor gedempt.






~stootwerk:
willekeurig voorwerp of willekeurige constructie, die bedoeld is om het stoten van een schip op te vangen. Op een schip gebruikt men dit doel o.a. berghouten, leguanen, stootwillen, fenders, kurkezakken, wrijfworsten, stootmatten, aanvaarzakken, wrijfworsten, wrijfhouten en auto- of zelfs tractorbanden.






~stootwil:
willekeurig vrij zacht, worstvormig voorwerp, dat bedoeld is om het stoten van het schip te dempen. [U>]
Vergelijk: touwwil. Zie ook:  leguaan, kabelaring en stootwerk.






~stop:
punt waar vertraging voor de scheepvaart ontstaat.
DE STOP VAN LOBITH
: schippersblokkade i.v.m. een regeling, die de Duitse overheid, kort na de tweede wereldoorlog invoerde, waarbij o.a. bepaald was dat alleen rederijschepen de grens mochten passeren.






~stopanker: vaaranker.






~stopbus: zie pakkingbus.






~stophout:
1> hout waarmee het schip, wanneer het op de werf staat, opgestopt wordt.

2> stapeling.

3> hout waarmee men lading tegen verschuiven of verkeerde belasting bij het stapelen behoed. Stophout dat gebruikt wordt tijdens het hijsen noemt men wel worstjes.





~stopketting:
ketting, die het schip bij de te water lating af moet remmen.






~stopkleed: reddingkleed.






~stopmenie: menieplamuur.






~stopper:
1> stuk ketting, touw of bundel garen, waarmee men draden en trossen, die men van de verhaalkop neemt, strak houdt.
2> willekeurige constructie, soms zelfs van touw, waarmee de bewegingen van een bepaald voorwerp beperkt kan worden.
3> verkorting van dekstopper of kettingstopper.






~stopperknoop:
in heel touwwerk of met de kardelen gemaakte 'knoop' die een verdikking geeft. De stopperknoop moet voorkomen dat het touw, waarin deze gelegd is, uit een blok, oog, of gat schiet.






~stopping, stapeling:
tijdelijke constructie of een tijdelijk samenstelsel, bestemd om iets op zijn plaats te houden. O.a. gebruikt voor een opstapeling van balken waarop een schip dat langdurig op de werf staat rust (zie ook bok (5)).






~stopproef:
onderdeel van een voorgeschreven keuring, waarbij de tijd en de afstand, die men met het schip nodig heeft om bij een bepaalde snelheid tot stilstand te komen, gemeten wordt.






~stopzak:
soort sleepzak, die men (voornamelijk op zee) gebruikt om het achterschip, bij achterop komende golven, af te remmen.





~Stork:
bekende Nederlandse fabrikant van ondermeer scheepsdiesels en waterpompen. Tevens producent van draairoostergasgeneratoren.





~Stork koeler-reiniger:
onderdeel gasgenerator: natte gaskoeler-reiniger, waarbij het  gas door een aantal waternevels gevoerd wordt.





~Storkpomp:
centrifugaalpomp, die door stork gemaakt werd.
Deze pomp werd zo'n begrip in de Nederlandse binnenvaart, dat 'Storkpomp' min of meer een synoniem werd voor centrifugaalpomp. De pomp bezat een terugslagklep in de zuigleidingaansluiting. Hij werd veelvuldig in koelwatersystemen en als dekwaspomp toegepast.





~storm:
windkracht 9.






~stormanker:
extra zwaar anker, dat meestal aan dek geborgen lag. In de binnenvaart weinig gebruikt.






~stormbal:
bol, die op sommige, voor de scheepvaart belangrijke punten, gehesen werd, wanneer men storm verwachtte.






~stormfok:
vrij kleine, maar meestal zeer stevige, fok, die bij stormweer de gewone fok vervangt.






~stormklep, windklep, regenklep:
scharnierend aan de den bevestigde, haaks gebogen plaat, die het uiteinde van (meestal) aluminium luiken(2) omsluit.





~stormlantaarn:
1> algemene benaming voor een petroleumlamp, die buiten, in weer en wind, kan hangen, zonder dat deze uitgaat.

2> op petroleum brandend rondomschijnend licht.





~stormlijn:
soort van zorglijn, die moet voorkomen dat dingen wegwaaien of te veel bewegen.






~stormrondje:
1> gijpen door overstag te gaan.
2> bepaalde zeilmanouvre, die men maakt om een overboord geraakt persoon weer op te vissen, waarbij men niet gijpt.






~stormsein:
zie: stormbal.






~stormtuig:
de zeilen, die men met stormweer voert. Dit kunnen stormzeilen, maar ook gewone, gereefde, zeilen zijn.






~stormvloed:
extreem hoog zeewaterpeil, door een combinatie van springvloed en harde wind.






~stormvloedkering:
soort keersluis, die bij stormvloeden gebruikt kan worden. [A>]






~stormwaarschuwing:
waarschuwing, die gegeven wordt wanneer er meer dan windkracht 6 verwacht wordt. Zie ook: stormbal.






~stormzeil:
zeil met een kleiner oppervlak en meestal van zwaardere kwaliteit dan gebruikelijk.





~stort:
dun (gegalvaniseerd) staalplaat, blik, waarmee houten schepen overijzerd werden. [A>]





~stortbak:
1> voorziening in de stuurhut, waarmee men de aanwezigheid van voldoende koelwater kan controleren. Weinig en dan nog voornamelijk voor WO II in gebruik geweest. [A>]

2> onderdeel van een emmermolen. Onder het vijfkant opgestelde bak, waarin de inhoud van de emmers terecht komt, wanneer deze over het vijfkant draaien.
Aansluitend aan de stortbak zijn twee stortgoten bevestigd; één aan bakboord en één aan stuurboord. Afhankelijk van de stand van een klep in de stortbak wordt de lading door de ene of de andere stortgoot afgevoerd.






~stortbuis, stortpijp, laadpijp:
buis waardoor men stortgoed in het ruim brengt.





~stortebed:
bekleding van de bodem van een water, bijv. met rijshout en stenen, om het uitslijten van de bodem, ten gevolge van de stroming, tegen te gaan. Ondermeer toegepast bij sluizen en stuwen, aan de zijde waar het water het laagst staat.
Gerelateerde term: stortvak.





~stortgoed:
meestal fijn verdeeld bulkgoed.





~stortgoot:
onderdeel van een emmermolen. Aansluitend op de stortbak gemonteerde, zijwaarts uitstekende, metalen goot waar langs het opgebaggerde materiaal de molen verlaat.
Emmermolens hebben aan beide zijden een stortgoot. Elke stortgoot is meestal tweedelig. Het eerste deel zit vast in de hoofdbok, het tweede deel is scharnierend aan het eerste deel bevestigd en kan, als de stortgoot niet gebruikt wordt, omhoog geklapt worden.






~stortluik:
klein luik op het voordek bij ondermeer de Friese Praam en de Snik, waardoor men kleine lading voorin kon bergen.





~stortpijp: zie stortbuis.





~stortplaats: zie stortvak.





~stortvak, stortplaats:
beperkt gebied waarin vaartuigen, die materialen voor bodemverdediging e.d. aanvoeren, hun lading dumpen. Gerelateerde term: stortebed.





~stortvakplan:
plattegrond van het (toekomstige) storvak met daarin de voor het storten/dumpen belangrijke gegevens.





~stortzee:
breker op groot water.






~Stortzkoppeling, brandweerkoppeling:
koppeling met bajonetvatting, waarmee slangen aan dekwaspompen of dekwasleidingen gezet wordt.






~stoten:
onverwacht sterk in de vaart gestuit worden, zoals wanneer men tegen een ondiepte vaart of wanneer men, al dan niet gemeerd liggend, met enige snelheid tegen de oever of kade komt.






~stouwen:
goederen of voorwerpen, dusdanig plaatsen dat ze zeevast staan.






~stouwsluis: keersluis.





~straalbuis:
om de schroef aangebrachte, vrij korte, koker, waarbinnen de schroef ronddraait. [A>] De straalbuis is een uitvinding van Ing. Kort en wordt vaak Kortstraalbuis genoemd. Sommige bedrijven hebben hun eigen straalbuis ontwikkeld, zodat er ook andere namen ontstaan zijn.






~straalbuisroer:
draaibare straalbuis, vaak voorzien van een kort 'roerblad'.






~straalbuisschroef, getopte schroef:
schroef met afgetopte bladen, oorspronkelijk alleen bestemd om in een straalbuis gebruikt te worden, later i.v.m. ruimtegebrek ook toegepast onder schroeftunnels.[T> Schroeven.]






~straathond:
bijnaam voor motoren van het fabrikaat Briggs & Stratton.






~stranden:
op het strand verdagen. Aangezien er op het binnenwater nauwelijks stranden te vinden zijn, komt dit zelden voor.






~strandrecht:
recht dat geldt op aangespoelde goederen en gestrande schepen.






~strandvonder:
de overheid aangesteld persoon, die aangespoelde of opgeviste goederen in bewaring houdt tot de rechtmatige eigenaar ze op eist, of als dat niet binnen een bepaalde termijn gebeurt tot verkoop van deze artikelen overgaat.






~strang, sleepstrang:
1> lange, zware, sleepdraad. De term wordt hoofdzakelijk in de Rijnvaart gebruikt.
vrije strang
: zie zwemstrang.

Gerelateerde termen: brittelstrang, strangenlier, boldereind, bolderscepter, strangenvissen, tornstrang , zwemstrang.

2> dode (d.i. doodlopende) rivierarm.






~strangenbak:
direct achter de strangenlier geplaatste constructie aan boord van de rijnsleepboten waarin het boldereind geborgen werd.
J. Ossebaar weet hierover te vertellen: De strangenbakken op de NESKA 132 waren van hout. Ze waren ongever 2x2 meter ,stonden op 4 poten en waren voorzien van een lattenbodem . Ze stonden op het achterroef dek enwel aan elke zijde een. Hierin lagen de strangen netjes voor gebruik gereed en hierdoor was het roefdek gevrijwaard van schade.







~strangenbijl:
grote vrij zware en vooral scherpe bijl, waarmee men in geval van nood de strang kon kappen.





~strangendreg, wolf:
zware dreg waarmee men strangen vist.





~strangenklem:
draadstopper op een strangenlier; in een enkel geval ook op het voordek van sleepschepen. De zwaardere exemplaren waren soms(?) voorzien van een veerinrichting, die de rukken op de strang op moest vangen. [A>]





~strangenlier:
1> zwaar sleeplier met meerdere draadtrommels. [A>]

Gerelateerde termen: brittelstrang, strang, boldereind, bolderscepter, strangenvissen, sleepboog, beretand, tornbolder, tornpaal, tornklamp, remtrommel, strangenklem, sleepbok, sleepdek, strangenrol(klemmenrol, zwenkrol), strangentrommel, rollenklamp.

2>  door enkelen gebruikt  om het zijlier waarmee de strangendreg ingedraaid wordt, aan te duiden.




~strangenrol :
1> vaak gebruikt als synoniem voor strangentrommel.
2> klemmenrol:
op de strangentrommel gelijkende en direct daarachter geplaatste, constructie waaromheen een aantal slagen van de strang liggen. De strangenrol dient ter vervanging van de strangenklem en heeft tot doel het grootste deel van de krachten, die op de strang kunnen komen te staan, op te vangen. In sommige gevallen is de strangenrol niet achter, maar voor de trommel geplaatst en fungeert dan tegelijkertijd als keerschijf. In dergelijke gevallen wordt de strangenrol ook zwenkrol genoemd.




~strangentrommel, draadtrommel:
Onderdeel van een strangenlier. Forse draadtrommel waarop de strang opgewikkeld is.






~strangenvissen:
het met de strangendreg opvissen van de strangen van de achterliggende schepen van de sleep.
Gerelateerde termen: brittelstrang, strangenlier, boldereind, bolderscepter, strangenvissen.




~stravel:
zie drijfvuil.




Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken