Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
Woordenlijst Sti
~Stichting Openlucht Binnenvaartmuseum,
SOB:
Rotterdamse organisatie die een aantal binnenvaartschepen met historische waarde instand hield. In 2002 gefuseerd met 'Het Buitenmuseum' tot 'Het Havenmuseum'.
~Stichting Technische Restauraties Rijnmond,
STRR:
in 1984 opgerichte stichting met als doel het restaureren van uiteenlopend industrieel erfgoed. Onder andere betrokken geweest bij de geannuleerde restauratie van 'graanelevator 4' van de Rotterdamse Graan Elevator Maatschappij. Verdere gegevens onbekend.
ankermet aan de bovenzijde een dwarsstang of
dwarshout, wat haaks op de ankerarmen met daaraan de ankervloeien, staat. [A>]
Wanneer de ankerstok van hout is, noemt men deze stok vaak kruishout. Is dit kruishout groot en zwaar dan noemt men het een ankerbalk. Het anker noemt men dan een balkanker.
Stokankers voor de binnenvaart werden gemaakt in gewichten van ca. 15 kg tot ca. 1400 kg. De kleinsten werden ondermeer gebruikt voor het verankeren van netten en kleine vaartuigen. De grootsten sierden veelvuldig de grote radersleepboten en sleepschepen.
~stokankerkluisgat:
boven het dek en berghout
gelegen, vrij klein, ankerkluisgat
(kleiner dan wat voor klipankers e.d. gebruikelijk is).
De term wordt voornamelijk gebruikt om dergelijke kluisgaten
op oude stoom- en motorvaartuigen aan te duiden. Daar stokankers geregeld aan dek
genomen moesten
worden, was het handiger het stokanker zo hoog mogelijk voor de kop te
hebben. Bij een klipanker, dat slechts zelden voor de kop weggenomen
wordt, is het echter handiger het anker onder het berghout te hebben en
bij veel vaartuigen verdween het stokankerkluisgat en werd er een nieuw
kluisgat in de romp onder het berghout gemaakt.
~stokdweil,
jachtdweil:
flinke stok met daaraan een aantal stukken
dweil.
~stokelen:
het op elkaar pas zagen van houten delen of wel "stuik zagen".
Hiervoor legt men de twee delen strak tegen elkaar aan en zet
ze vast. De kier tussen de twee delen zal nu op sommige plaatsen
geopend, op andere plaatsen gesloten zijn. Vervolgens haalt men al
zagende, een zaag door de kier, waarna men de planken los haalt en
wederom strak tegen elkaar aanlegt. De kier zal nu op meer
plaatsen gesloten zijn dan voorheen. Men herhaalt dit proces tot beide
delen perfect tegen elkaar aansluiten. Daarna worden de delen meestal tot één geheel samengevoegd.
Het stuk hout dat op deze wijze samengesteld is, is
niet geschikt om het uitzetten en inkrimpen van het hout op te vangen
en wordt daarom vrijwel uitsluitend gebruikt voor altijd droge of
altijd natte delen. Voor altijd natte delen, zoals het vlak, gebruikte men hout dat voor het stokelen langdurig onder water gelegen had en dat men ook na het stokelen, dus tijdens de bouw van het schip, nat hield. De constructie werd echter het meest toegepast in binnenbetimmeringen,
soms ook voor toegangsluiken e.d.
~stoker:
degene,
die
op
een stoomschip de
vuren
onderhoudt.
~stokkwast,
teerkwast:
soort
van stevige bezemsteel met een lengte van ca. 2m waaraan onder een
hoek een dikke kwast, een teermop, bevestigd is.
Zie ook: teerdweil.
De eerste Nederlandse stoombaggermolen werd in 1824 in gebruik genomen. Het zou echter lang duren voordat ze algemeen werden. Voor zover bekend zijn er momenteel (mei 2010) nog twee stoombaggermolens in bruikbare staat: de kolengestookte stoombaggermolen 'Vooruit' vanaf de bouw in 1941 tot 1991 in gebruik bij de firma Krikke, Heerenveen, thans in beheer bij de stichting Stoombaggermolen Vooruit en de in 1936 gebouwde en later van kolen- tot oliegestookte omgebouwde baggermolen 'Friesland', thans eigendom van de Stichting Boskalis Westminster.
2>scheepstype,
ook
als motorschip
gebouwd. Meestal niet groter dan een meter of 25. a> Vrij slanke schroefboot
met scherpe,
rechtopstaande steven, geveegd achterschip,
soms een
achterovervallend, soms een rechtopstaand hek,
redelijke holte,
over het algemeen een fors berghout
dat in veel gevallen vrij laag tegen de romp
aangebracht is, boven het berghout vaak
grote patrijspoorten,
daarboven
soms weer een berghout, vrij lage verschansing
meestal verhoogd met buisreling.
als A, maar met het dek gelijk
aan de bovenrand
van het vaartuig,
alleen een waterbordje
voorop en rondom een
buisreling.
Poorten meestal onder het berghout. Ook bekend onder de naam potdekker.
Voorgaande types zijn meestal ingericht voor het
gecombineerde vervoer van personen en goederen, in de nadagen van
de beurtvaart vaak
met de nadruk op passagiersdiensten
en rondvaarten.
c> als A,
maar meestal met naar binnenvallend hek, het berghout op normale
hoogte en een grotere breedte, soort voorloper van het motorscheepje en/of Luxe-motor. Meestal met
het accent op
goederenvervoer. Zie ook: goederenstoomboot.
3> raderbeurtschip: scheepstype, raderboot, romp vaak min
of meer als 2a,
maar met een flinke verschansing en natuurlijk de breed
uitstulpende raderkasten.
Oudste
exemplaren soms met een steven als een Clipper (zeeschip). In de
begin periode nog vrij smal en klein en zowel voor het vervoer van
goederen en personen, al spoedig met lengtes tot zo'n zestig meter
en steeds uitgebreidere passagiersaccomodatie. Dan vaak meestal
alleen maar raderboot genoemd.
~stoomboot:
eigenlijk een klein open stoomschip,
door landrotten vaak gebruikt
als synoniem voor stoomschip.
~stoomgoederenboot:
stoomschip uitsluitend bestemd voor het vervoer van goederen. Over het algemeen betrof het vaak stukgoed, maar ook kleine partijen handgoed, bulkgoed en stortgoed werden hiermee vervoerd.
Zoals bij de meeste stoomschepen is dit geen boot maar een SCHIP! [uitleg].
~stoomkast,
stoomkist,
stoof:
constructie, waarin men planken (huiddelen), om deze buigzamer te
maken, langdurig aan stoom kan bloot stellen.
~stoomketel:
constructie, waarin men water met behulp van vuur tot stoom verhit. AE> Ongeveer op 2/3
van de te openen pagina.
Stoomketels worden over het algemeen gebruikt voor de voortstuwing of voor de aandrijving van werktuigen. In de meeste gevallen maakt men gebruik van zuigermachines. Voor de voortstuwing, pompen en de opwekking van electriciteit gebruikt men echter ook stoomturbines. Stoom wordt verder ook gebruikt voor verwarming van ladingen en het reinigen van tanks.
~stoommotor:
snel draaiende stoommachine,
meestal voor de opwekking van electriciteit gebruikt.
~stoomontwikkelaar:
onderdeel van een Bellay gasgenerator. De stoomontwikkelaar heeft tot doel de verbrandingslucht te bevochtigen tevens werkt zij als gaskoeler.
~stoompassagiersschip, sps.:
passagiersschip, dat voor de voortstuwing gebruik maakt van een stoommachine. Vaak een 'raderboot'.
~stoompomp:
een combinatie van een pomp en een stoommachine.
De term raderstoomboot scheen vroeger gebruikelijker te zijn, tegenwoordig schijnt men de voorkeur te
geven aan stoomraderboot. Ook bij soortgelijke combinaties, zoals stoomschroefboot/schip, stoomradersleepboot, enz. komt een soortgelijke verwisseling voor
.
De term boot is hier niet op zijn plaats, omdat het zich in de maaste
gevallen om een schip handelt (uitleg)
en het zou dus een stoomraderschip moeten heten.
Aangezien alle radersleepboten, op één na, stoomschepen waren spreekt men over het algemeen uitsluitend over radersleepboot. Voor die ene zie motorradersleepboot.
De meeste radersleepboten gebruikten een zuigermachine, een minderheid een stoomturbine.
De term raderstoomsleepboot komt voor, maar is minder gebruikelijk.
~stoomstuurwerk: stuurwerk,
waarbij de eigenlijke
kracht die noodzakelijk is om het roer
te
bewegen, door stoom onder druk, geleverd wordt. Slechts zelden in
de binnenvaart
toegepast.
~stoomturbine:
constructie, waarin, op één of meerdere
schoepenraderen
werkende,
stoomdruk omgezet wordt, in een draaiende beweging.
~stootklos:
1>aanvaarklamp. 2> stootklamp:
vaste blokvormige constructie, om het schip
tegen stoten te beschermen.
~stootkussen:
1> van zeildoek
gemaakte zak gevuld met
touwresten,
kurk, o.i.d., dat het stoten van het schipmoet
dempen.
2>stootwil.
~stootlijst:
algemene benaming voor een lat of
strip,
die
ter bescherming dient. (Mogelijk een lekenterm) Zie ook: schuurlijst, beuling, slijtstrip, zool,
enz.
~stootmat:
van
cocosvezel gemaakte, mat, die tussen meerpalen
en het schip gehangen
werd om slijtage, die
door het
schuren langs de paal zou kunnen ontstaan, te voorkomen.
Stootmatten werden in de binnenvaart
weinig gebruikt.
~stootstoel: 1>aanslag,
kwadrantaanslag:
op het dek bevestigde constructie ter voorkoming van het te ver doordraaien van het kwadrant (waardoor het roerwerk in ongerede zou kunnen raken) en waarmee tevens de roeruitslag beperkt wordt.
2> op de machinekamerfundatie bevestigde steunen, waartussen een stoomketel opgesloten ligt.
~stoottalie:
soort dubbele stuurtalie,
waarvan
de loper strak staat. De
bewegingen van
het helmhout worden
hierdoor
gedempt.
~stootwil:
willekeurig vrij zacht, worstvormig voorwerp, dat bedoeld is om het
stoten van het schip te
dempen.
[U>]
Vergelijk: touwwil.
Zie ook: leguaan, kabelaring
en stootwerk.
~stop:
punt waar vertraging voor de scheepvaart
ontstaat.
DE
STOP VAN LOBITH
: schippersblokkade
i.v.m. een
regeling, die de Duitse overheid, kort na de tweede wereldoorlog
invoerde, waarbij o.a. bepaald was dat alleen rederijschepen de grens
mochten
passeren.
3> hout waarmee men lading tegen verschuiven of verkeerde belasting bij het stapelen behoed. Stophout dat gebruikt wordt tijdens het hijsen noemt men wel worstjes.
~stopketting:
ketting, die het schip
bij de te water lating af moet remmen.
~stopper:
1> stuk
ketting, touw of bundel garen, waarmee men draden en trossen, die
men van de verhaalkop
neemt, strak
houdt. 2> willekeurige
constructie, soms zelfs van touw, waarmee de bewegingen van een bepaald
voorwerp beperkt kan worden. 3> verkorting van dekstopper of kettingstopper.
~stopperknoop:
in heel touwwerk of
met de kardelen
gemaakte 'knoop' die een verdikking
geeft. De stopperknoop moet voorkomen dat het touw, waarin deze
gelegd is, uit een blok,
oog, of gat
schiet.
~stopping,
stapeling:
tijdelijke constructie of een
tijdelijk samenstelsel, bestemd om iets op zijn plaats te houden.
O.a. gebruikt voor een opstapeling van balken waarop een schip dat langdurig op de werf staat rust (zie ook bok
(5)).
~stopproef:
onderdeel van een voorgeschreven keuring, waarbij de tijd en de
afstand, die men met het schip
nodig
heeft om bij een bepaalde snelheid tot stilstand te komen, gemeten
wordt.
~stopzak:
soort sleepzak,
die men (voornamelijk op zee) gebruikt om het achterschip, bij
achterop komende
golven,
af te remmen.
Deze pomp werd zo'n begrip in de Nederlandse binnenvaart, dat 'Storkpomp' min of meer een synoniem werd voor centrifugaalpomp. De pomp bezat een terugslagklep in de zuigleidingaansluiting. Hij werd veelvuldig in koelwatersystemen en als dekwaspomp toegepast.
~stormanker:
extra zwaar anker,
dat meestal aan dek
geborgen lag. In de binnenvaart
weinig gebruikt.
~stormbal:
bol,
die
op sommige, voor de scheepvaart
belangrijke punten, gehesen werd, wanneer men storm verwachtte.
~stormfok:
vrij
kleine, maar meestal zeer stevige, fok,
die bij stormweer de gewone fok vervangt.
~stormklep,
windklep, regenklep:
scharnierend aan de den
bevestigde, haaks
gebogen plaat, die het uiteinde van (meestal) aluminium luiken(2) omsluit.
~stormlantaarn:
1> algemene benaming voor een petroleumlamp, die buiten, in weer en wind, kan hangen, zonder dat deze uitgaat.
2> op petroleum brandend rondomschijnend licht.
~stormlijn:
soort van zorglijn, die
moet voorkomen dat dingen wegwaaien of te veel bewegen.
~stormrondje:
1>gijpen
door overstag te gaan. 2> bepaalde zeilmanouvre, die men
maakt om een
overboord
geraakt persoon weer op te vissen, waarbij men niet gijpt.
dun (gegalvaniseerd) staalplaat, blik, waarmee houten schepen overijzerd werden. [A>]
~stortbak: 1> voorziening in de stuurhut,
waarmee men de aanwezigheid van voldoende koelwater kan controleren. Weinig en dan nog voornamelijk
voor WO II in gebruik geweest. [A>]
2> onderdeel van een emmermolen. Onder het vijfkant opgestelde bak, waarin de inhoud van de emmers terecht komt, wanneer deze over het vijfkant draaien.
Aansluitend aan de stortbak zijn twee stortgoten bevestigd; één aan bakboord en één aan stuurboord. Afhankelijk van de stand van een klep in de stortbak wordt de lading door de ene of de andere stortgoot afgevoerd.
~stortbuis,
stortpijp,
laadpijp:
buis waardoor men stortgoed in het ruim brengt.
~stortebed:
bekleding van de bodem van een water, bijv. met rijshout en stenen, om het
uitslijten van de bodem, ten gevolge van de stroming, tegen te gaan. Ondermeer toegepast bij sluizen en stuwen, aan de zijde waar het water het laagst staat.
Gerelateerde term: stortvak.
~stortgoot:
onderdeel van een emmermolen. Aansluitend op de stortbak gemonteerde, zijwaarts uitstekende, metalen goot waar langs het opgebaggerde materiaal de molen verlaat.
Emmermolens hebben aan beide zijden een stortgoot. Elke stortgoot is meestal tweedelig. Het eerste deel zit vast in de hoofdbok, het tweede deel is scharnierend aan het eerste deel bevestigd en kan, als de stortgoot niet gebruikt wordt, omhoog geklapt worden.
~stortluik:
klein luik op het voordek bij ondermeer de Friese
Praam en de Snik, waardoor men kleine lading voorin
kon bergen.
~Stortzkoppeling,
brandweerkoppeling:
koppeling met bajonetvatting, waarmee
slangen aan dekwaspompen
of dekwasleidingen
gezet wordt.
~stoten:
onverwacht sterk in de vaart gestuit worden, zoals wanneer men tegen
een ondieptevaart
of wanneer men, al dan niet gemeerd
liggend, met enige snelheid tegen de oever
of kade komt.
~stouwen:
goederen of voorwerpen, dusdanig plaatsen
dat
ze zeevast staan.
om de schroef aangebrachte, vrij korte, koker, waarbinnen de schroef ronddraait. [A>] De
straalbuis is
een uitvinding van Ing. Kort en wordt vaak Kortstraalbuis
genoemd. Sommige bedrijven hebben hun eigen straalbuis ontwikkeld,
zodat er ook andere namen ontstaan zijn.
~straalbuisroer:
draaibare straalbuis,
vaak voorzien
van een kort
'roerblad'.
~strandvonder:
de overheid aangesteld
persoon, die aangespoelde of opgeviste goederen in bewaring houdt
tot de rechtmatige eigenaar ze op eist, of als dat niet binnen een
bepaalde termijn gebeurt tot verkoop van deze artikelen
overgaat.
~strang,
sleepstrang:
1>
lange, zware, sleepdraad. De
term
wordt hoofdzakelijk in de Rijnvaart
gebruikt.
~strangenbak:
direct achter de strangenlier geplaatste constructie aan boord van de rijnsleepboten waarin het boldereind geborgen werd.
J. Ossebaar weet hierover te vertellen: De strangenbakken op de NESKA 132 waren van hout. Ze waren ongever 2x2 meter ,stonden op 4 poten en waren voorzien van een lattenbodem . Ze stonden op het achterroef dek enwel aan elke zijde een. Hierin lagen de strangen netjes voor gebruik gereed en hierdoor was het roefdek gevrijwaard van schade.
~strangenbijl:
grote vrij zware en vooral scherpe bijl, waarmee men in geval van nood de strang kon kappen.
draadstopper op een strangenlier; in een enkel
geval ook op het voordek van sleepschepen.
De zwaardere exemplaren waren
soms(?) voorzien van een veerinrichting, die de rukken op de strang op moest vangen. [A>]
1> vaak gebruikt als
synoniem voor strangentrommel. 2>klemmenrol:
op de strangentrommel gelijkende en direct daarachter geplaatste,
constructie waaromheen een aantal slagen van de strang
liggen. De strangenrol dient ter vervanging van de strangenklem en heeft tot doel
het grootste
deel van de krachten, die op de strang kunnen komen te staan, op te
vangen. In sommige gevallen is de strangenrol niet achter, maar voor de
trommel geplaatst en fungeert dan tegelijkertijd als keerschijf. In dergelijke
gevallen wordt
de strangenrol ook zwenkrol
genoemd.