banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst Spit




~Spitfire:
handelsnaam van een kleine ronde plafoniere, die veel op schepen voor de verlichting van vertrekken met een geringe stahoogte toegepast werd.





~spitgat:
vermoedelijk onjuiste schrijfwijze van spitsgat.





~Spits:
a> scheepstype. Het 'standaard type' spits is de stalen Belgische spits.
Een stalen vrachtschip met stompe voor en achterkant, rechte zijdes, weinig breedte in verhouding tot de lengte, een vrij grote holte in verhouding tot hun breedte en weinig zeeg.
Het is een maatschip gebouwd voor de Belgische kanalen; lengte 36-39m, breedte 5-5,15m, holte 2,20-2,40m. ca. 370 ton. [A>]
Het type is zowel als sleepschip, of beter gezegd jaagschip, als ook als motorschip gebouwd. Voor de beschrijving van de sleepspits zie aldaar.
Algemeen wordt aangenomen dat de spits een verdere ontwikkeling van de Waal is en alleen zijn naam geŽrfd heeft van de houten spits, de pointu*.
Een aantal van de eerste ijzeren spitsen zijn met een houten vlak gebouwd. Men noemt ze
mixte
.
Tot de eerste motorspitsen behoorde ondermeer de paviljoenspits.

Iets afwijkend van de 'standaard' zijn de
Hollandse spits
en de
Franse spits
.
Een spits wordt ook wel een penis, een sigarenkistje of een spijkerkistje genoemd.

Sommige stalen spitsen heeft men met ca. 9 meter opgelengd of werden meteen al met een lengte van ca. 48 meter gebouwd. Dit noemt men een
47 of 48-meter spits
.[A> scheepsportret] Naar het schijnt waren deze spitsen vooral bestemd voor de vaart op de Maas naar de plaatsen tussen Givet en Verdun, alwaar de sluismaat 48,3 x 5,7m bedroeg. Op deze maat was ook de Verdun spits gebouwd. Deze heeft echter een afwijkend model.
Een ander veel voorkomende, afwijkende maat, was de
43m-spits
. Ze waren aangepast aan de grotere lengte van een aantal sluizen op de Maas, die maximaal 45 x 5,2 meter toelieten. Ook de La Louvière spits en de Maasspits waren op die maat berekend..
De
Kempische spits
heeft alle kenmerken van de spits, maar niet de spitsenmaat. Deze meet namelijk 66 bij 6,60 m.
Ook de Kempenspits of fox is een schip met spitsenmodel maar met afwijkende maat. Deze meet 50 x 6,60m en heeft een laadvermogen tot ca. 700 ton.
Verder kent men dan nog, naar werf of plaats waar de schepen gebouwd werden diverse benamingen, zoals de Duitse P, de Dedemsvaarder, de Merelbeker, de Moerbekenaar of Moerbeke spits, de Michot spits, de Oostbeker, de Oostkamper, de Peijlspits, de Plaquet spits, de Pol de Roose-spits, de Ruitenbergspits, de Sarma spits, de Solvay spits, de Tamsa spits, de Tielrode spits, de 'torpedospits', de De Winterspits, enz.
Natuurlijk hebben deze spitsen allemaal karakteristieke eigenschappen waaraan de echte kenners ze kunnen herkennen. Ik hoop ze later nog eens allemaal te kunnen beschrijven.
De Waalspits of  WalloniŽr, de Sambre spits, de Hevespits, de Superspits en de Canal-du-Nord spits zijn afwijkende types.

NATTE SPITS
,
DROGE SPITS
:
De natte spits is een spits met een vol achterschip (het Belgische type?). Deze moesten wanneer ze ongeladen waren waterballast innemen om voldoende water op de schroef te hebben. In het ruim van deze spitsen bevond zich het zogenaamde waterschot.
Droge spitsen hebben een geveegder achterschip (het Hollandse type?), dezen hoefden dat niet.

[E> meer over spitsen: picaro.nl, spitsen.be, Over de spitsenwerf Baasrode, Spitsen op het kustvaartforum en de Spitsenvaart op hetzelfde forum.]
naar verluidt hebben de Franse spitsenschippers de voorkeur hun schip in donkere kleuren te schilderen, Hollandse schippers geven de voorkeur aan lichte kleuren en Belgische schippers geven een voorkeur aan iets er tussen in.


b> Pointu:
scheepstype. Houten vrachtschip waar eigenlijk vrij weinig duidelijkheid over bestaat. Seghers en de Bock zijn nog het meest duidelijk en beschreven een vaartuig dat veel weg heeft van de Walen. De boegen zijn krap, maar de kop was lang niet zo plat als bij de Balants. Bovendien waren voor- en achtersteven naar buiten vallend, waardoor er een geheel andere indruk ontstond. (Er schijnen ook Pointu's met vertikale achterstevenbalk bestaan te hebben.) Seghers en deBock leggen tevens een verbinding met de Westerling, die nog spitser is en waar de stevens nog sterker naar buiten vallen. Ook andere bronnen beschrijven in de regel een nog spitser type.
Seghers en de Bock noemen als afmetingen: lengte 20-30 meter, breedte 3,5-5 meter, holte ca. 1,8 meter laadvermogen 100-200 ton. Als maximale maat wordt gegeven: 32 x 4,9 x 2,15 m. 250 ton.
Opvallend aan deze houten spits een boeiseltje aan kop en kont dat duidelijk naar binnen valt en kierend is. De houten spits kent trouwens wel degelijk ijzeren of stalen opvolgers met nagenoeg het gelijke model. De franse equivalent van de houten spits is de Guinot. [AE>]
'Pointu' is niet de Franse maar de Waalse naam. Een echt Franse naam schijnt er niet te bestaan. Men zegt 'peniche' (zoiets als ons woord 'aak'), 'spits' of 'flamande'.






~Spitsaak:
scheepstype: zie bij Stevenschip.





~Spitsbak, Spitske:
variant op de ijzeren/stalen Baquet de Charleroi, die meer de uiterlijke kenmerken van een Spits heeft. Opvallendst zijn het ontbreken van het paviljoen, het doorlopen van de den tot kort achter de voorbolders, het roer met helmhout en klik i.p.v. een inspet en de wat rondere, bollere, vormen van voor- en achterschip, waarbij het vlak een ronde overgang naar kop en kont heeft gekregen..
Bron: Maurice Kaak






~spitsbek, Majol/Mignole:
houten vrachtschip dat lijkt op de Herna. E.W. Petrejus noemt als kleinste maat 15 bij 2,5 meter met een laadvermogen van ca 30 ton. De grootsten zouden een laadvermogen van ca. 300 ton gehad hebben. naar verluidt waren deze schepen geheel open, alleen in voor- en achterschip lag een los dekje. Ze bezaten echter wel een roef, die midscheeps geplaatst was. De heve was smaller en spitser dan bij de Herna. Ook dit waren licht gebouwde schepen, die - volgens Petrejus - in geladen toestand slechts een diepgang van ca 65cm hadden. Volgens sommige bronnen werden ze ook Peelaak en Peelspits genoemd. G.J. Schutten stelt het schip gelijk aan de door hem beschreven Walenpont.





~Spitse mot: zie bij Duitse Mot.





~spitsenkont:
een achterschip zoals een Spits, om nauwkeuriger te zijn meestal een motorspitsenkont.





~spitsenkop:
een voorschip zoals een Spits, dus een erg stomp voorschip met een rechte vertikaal staande steven.





~spitsenmaat:
lengte: 36-39 meter, breedte 5 - 5,15 meter, holte 1,8 - 2,4 meter, laadvermogen 250 - 370 ton.
Behalve de spitsen en diverse Walen, zijn er ook luxe-motors en kastjes die deze maat hebben.






~Spitsenschipper:
schipper, die op een spits vaart of gevaren heeft.





~spitsenvaart:
de vaart met vaartuigen die de spitsenmaat hebben. Ook bekend als het vijfmeterwerk.





~spitsenwerf:
werf, die bekend is om de bouw van spitsen.





~Spitse praam, Pekelder aak:
zeilend vrachtschip met ronde vormen, kromme voorstevenbalk, een berghout dat langs de zijden erg laag ligt en stuiten, die naar voor- en achtersteven sterk oplopen. Op voor- en achterschip versmalt het, bijna vertikaal staande, boeisel aanzienlijk. Onder het berghout erg vol gebouwd met een breed plat vlak en een hoekige kim. [ A>]
De in hout gebouwde Spitse Praam werd mogelijk (ook) Groninger aardappelpraam genoemd. De achterstevenbalk viel bij de houten schepen een weinig achterover.
De lage ligging van het berghout en de slechts weinig gekromde voorstevenbalk doen verwantschap met de Overijsselse praam vermoeden.
G.J. Schutten (blz.378) behandelt de Spitse praam echter samen met de Snikken.






~spitsgat, spitsgatkont, spitgat:
achterschip met zeer ruim gebogen ronde boegen, die onder een hoek bij elkaar komen en zo de achtersteven vormen. De achtersteven zelf is, tot dekhoogte, eveneens gekromd en kan op dekhoogte een sterke knik naar binnen vertonen. [A>] Dit type achterschip kent vele varianten, waardoor het moeilijk is een scheiding te trekken tussen wat nog wel en net niet een spitsgat is.





~spitsuursluiting:
onderbreking in de bedieningstijden van een brug,  ten behoeve van het landverkeer.





~spleet:
ongeveer 30 cm. lang, in tweeŽn gespleten, stuk hout, waarop de haken van het hoekwant vastgezet konden worden. Ook spleethout genoemd.





~spleethout, spleet:
ongeveer 30 cm. lang, in tweeën gespleten, stuk hout, waarop de haken van het hoekwant vastgezet konden worden. Ook noemt men het houtje waar de haak over heen haakt de pleet en het hout dat voorkomt dat de haken van de spleet wippen het spleethoutje.
Gerelateerde term: spleten.





~spleetfilter:
zie plaatfilter.





~spleetwerking:
effect dat ontstaat wanneer de wind uit het ene zeil, op een bepaalde manier langs de achterkant van het zeil daarachter waait.





~spleten:
de lijnen van het hoekwant ontwarren en op de spleten zetten.





~spleter:
iemand die de lijnen van het hoekwant ontwart en op de spleten zet.





~splijtbak, klapschip:
beunschip, dat langsscheeps in tweeŽn gedeeld is. [A>] Beide delen zijn op dekhoogte scharnierend met elkaar verbonden. Het schip wordt gelost door beide delen aan de onderkant van elkaar af te bewegen. Vergelijk: onderlosser.





~splijtschalm, splitschalm, sikkel, noodschalm :
op een schuinweg gespleten kettingschalm gelijkende sluitschalm.





~splisgang:
gang tussen twee andere gangen, die niet tot de steven(s) toe doorloopt.
Verouderd; tegenwoordig meestal een 'verloren gang' genoemd.






~splitbout:
soort van bout/nagel met een gepleten uiteinde.
De bout is langer dan het materiaal waarin hij aangebracht wordt dik is. Wanneer de bout aangebracht is, steekt het uiteinde aan de achterkant dus door het hout heen. Het gespleten uiteinde wordt vervolgens elk naar een kant omgeslagen. Split bouten gebruikt men ondermeer voor de bevestiging van oogbouten, voetplaten en ringen.






~splitfilm:
kuststofvezel voor de fabrikage van touw, dat ontstaan is door een dun vlies veelvoudig in de lengterichting te laten splijten.
Gespleten film kan op diverse manieren, afhankelijk van de dikte van het vlies, gefabriceerd worden. Soms wordt een zeer dun vlies van het materiaal zover uitgerekt dat het in de lengterichting splijt. Wat dikker vlies wordt meestal gekerfd en daarna op gerekt tot het splijt en de dikste vliezen worden ingesneden, maar verdienen dan eigenlijk ook de naam splitfilm niet meer. Voor zover bekend wordt alleen polypropyleen gebruikt voor de fabricage van splitfilm.






~splitreis:
reis waarbij de vracht over twee schepen verdeeld moet worden.





~splitschalm:
zie splijtschalm.






~splits:
verzamelnaam voor verbindingen gemaakt in touwen of staaldraden, waarbij de verbinding door de delen, door elkaar heen te vlechten, ontstaat. [A>]
lange splits
:
geen splits in de zin dat de draden gevlochten worden. Een kardeel van het ene eind wordt uit het touw teruggeslagen en het corresponderende kardeel van het andere eind wordt in de vrij gekomen tier gelegd. Vervolgens herhaalt men deze bewerking met een kardeel van het andere eind. De drie maal 2 vrij einden kunnen vervolgens op diverse manieren weggestoken worden. Tot de lange splitsen behoort onder andere de lijnbaansplits, waarbij de einden dus danig in het touw verwerkt zijn dat er geen enkele verdikking ontstaat.
korte splits
:
De meest gebruikte splits waarbij men het touw een aantal slagen uitdraait. De vrij gekomen kardelen haalt men één voor één onder de corrresponderende kardelen van het aan te plitsen eind door. Daarna vlecht men elk kardeel om en om, minstens twee maal, over en onder het naastliggende kardeel.
Gerelateerde termen: knorhaan, schoenmakerssplits, rotsplits, zeilmakerssplits, Vlaams oog, pershuls.





~splitsen:
het maken van een splits. [U>]
Gerelateerde termen: splitshoorn, splitsnaald, splitsijzer, marlspijker, marlpriem, fit, kleedspaan, kleedkuil, draaier.





~splitshamer: kleedkuil.





~splitshoorn:
toelopend, gootvormig, stuk gereedschap dat bij het splitsen gebruikt wordt. Vroeger inderdaad een stuk hoorn, dat in de lengterichting in tweeŽn gezaagd en daarna uitgehold werd. Tegenwoordig is het een stuk roestvrijstaal, dat rond gebogen en van een 'handvat' voorzien is.





~splitsijzer, marlspijker:
spits toelopend stuk staal met afgeronde platte punt en een dwarsgreep. Soms ook marlspijker genoemd. Het splitsijzer wordt onder andere gebruikt bij het splitsen van staaldraad.





~splitsnaald:
dubbelgevouwen stukje ijzerdraad, al dan niet voorzien van een handvaatje, waarmee men kardelen onder andere kardelen door trekt.





~spoed:
van een schroef: de afstand, die de schroef af zou leggen, wanneer deze zich in een vast medium, één slag, zou ronddraaien. [T>]





~spoelbak:
zie putsbak.





~spoelen:
1> ander woord voor dekwassen.

2>
DE DEKKEN SPOELEN
:
a> zo diep geladen zijn, dat het water door de gangboorden spoelt.
b> tijdens het zeilen zo ver overhellen dat het wqtaer in het gangboord komt.





~Spoelingschouw, Schiedamse schouw :
Een spoelingschuit van het type schouw. Zowel in hout als in staal gebouwd. Spoelingschouwen hadden een vrij breed vlak waardoor het brede onderboord slechts weinig naar buiten viel. Het bovenboord was vrij laag. Het schip had bijna geen zeeg. Het schip was verdeeld in drie compartimenten. Op het voor- en achterschip lag het dek gelijk met de bovenrand van het vaartuig. De ruimtes onder dekken werden vermoedelijk alleen voor berging gebruikt. Tussen deze ruimtes bevond zich het ruim dat noch gangboorden, noch een den kende. Het ruim was afgedekt met iets wat men het beste een los houten dek kan noemen. In dit dek bevonden zich uitneembare delen.  De spoelingschouw werd gejaagd of gezeild. De tuigage bestond uit een eenvoudig vrij klein sprietzeil. Het schip werd gelost door middel van een in het ruim opgestelde pomp, die tot ver boven het dek uitstak.
De door mij geplaatste tekening toont een schip met zwaarden. Het zwaard op die tekening is echter nauwelijks groot genoeg om enig effect te hebben. Een voorkomende maat was ca. 13 x 2,25 x 1,22 m. [A>]
Zie verder bij spoelingschuit.





~spoelingschuit:
vaartuig voor het vervoer van spoeling naar de landerijen. Vroeger gebeurde dat voornamelijk met spoelingschouwen, op het laatst voeren er ook kleine motortankscheepjes, die de spoeling vervoerden. De meeste spoelingschuiten waren uitgerust met een flinke pomp waarmee de lading, uit het schip en door spoelinggoten naar de plaats van bestemming getransporteerd werd. Het vervoer van spoeling, een restproduct van gistingsprocessen, kwam voornamelijk voor in de gebieden rond Schiedam en Delft. E> Meer daar over.





~spoellucht:
1> de lucht die door de spoelpomp gecomprimeerd is.

2> de lucht afkomstig van de turbolaadcompressor.





~spoelluchtdruk:
de druk die in de spoellucht heerst.





~spoelluchtdrukmeter:
meter die de druk na de turbolaadcompressor meet.





~spoelpomp, roteur, blower, compressor:
mechanisch aangedreven luchtpomp, die de verbrandingslucht onder druk brengt. De spoelpomp wordt voornamelijk bij twee-takt motoren toegepast.





~spoelwater:
ongebruikelijke term voor dekwaswater, tegenwoordig mogelijk ook voor waswater.





~sponboor, schrooiboor:
iets conische lepelboor waarmee men gaten ruimer maakt.





~sponningslegger:
bij de Botter: de legger waarop de onderste staande doft rust.





~sponturf:
zie baggelturf.





~spoor:
1> verkorting van mastspoor.

2> zie bij keel(2).

3> het zog of vaarspoor. Zie ook wamen.





~spoorbalk:
ongebruikelijk, verouderd, woord voor mastspoor/kolsum.





~spoorboot:
1> vaartuig, dat een veerdienst tussen twee spoorwegstations onderhoud.

1> Volgens vanDale 1956: een boottrein.





~spoordeur:
oude benaming voor een roldeur.





~spoordienst:
veerdienst tussen twee spoorwegstations.





~spoordok:
(kleine) haven waarin goederen direct vanuit de spoorwegwagons overgeslagen kunnen worden.





~spoorkleed:
smal dekzeil dat ondermeer door turfvaarders gebruikt werd om de middenstrook van de deklast, waar het mastspoor kwam, af te dekken.





~spoorpont, stoomvlot:
type pont met op het rijdek spoorrails bestemd voor het vervoer van spoorwegwagons, danwel een pont waarop op andere wijze spoor- of tramwegwagons opgesteld kunnen worden. [A>]
Over het algemeen wordt het begrip gebruikt voor ponten waar het materieel rijdend aan boord kan komen en in mindere mate voor ponton waar het materieel aan boord gehesen moet worden.
Gerelateerde term: spoorboot.





~spoorweghaven, spoorhaven:
a> haven waarin goederen direct vanuit de spoorwegwagons overgeslagen kunnen worden.
b> haven nabij een spoorwegstation waar men een aansluitende verbinding met een veerboot heeft.
c> haven waar spoorponten materieel aan en van boord kunnen rijden.





~sporen:
1> het naar elkaar toe lopen van twee delen. Ondermeer bij kokerwangen kan dat het geval zijn.

2> van de mast in de mastkoker: nauwkeurig passen. Zie ook: afsporen.
Bij sommige schepen stond de mast strak en onbeweeglijk in de koker, bij andere types was er aan de onderzijde wel wat ruimte. De eersten moesten dus sporen.






~sportvissersvaartuig:
vaartuig, dat ingericht is om met sportvissers te gaan vissen. Sportvissersvaartuigen zijn zo rond de jaren 70 ontstaan.





~sprant, spruit:
oude term voor een aftakking van een rivier of waterloop.





~spreekbuis:
inrichting om spraak  van de ene naar een andere ruimte over te brengen. De spreekbuis bestaat uit een lange metalen buis (doorsnede minimaal 4,5 cm)  met aan beide uiteinden een kleine trechtervormige opening, die (vaak) afgesloten kon worden met een stop, waarin een fluitje gemonteerd is. Door de stop te verwijderen en op de pijp te blazen, kan men de 'andere zijde' voor een gesprek oproepen. De luisterende partij dient het oor dicht bij het uiteinde van de buis te houden; de sprekende partij de mond. De spreekbuis wordt als vervanging of als aanvulling op de scheepstelegraaf gebruikt en was net deze voornamelijk ten tijde van de stoomvaart, voor de communicatie tussen stuurhut/brug en machinekamer, in gebruik.
Gerelateerde term: machinekamerbel.





~spreelat, spreilat:
plank of stok, die tegen de zijstagen gebonden is of daarop gelijkende constructie. [A>nr.3]





~sprei:
in onbruik geraakte mogelijk plaatselijke term voor de binnenbetimmering (op een Botter).





~spreidsel:
plaatselijke term voor circa 8 mm dunne eikenhouten plankjes voor de binnenbetimmering.





~spreistuk:
weinig gebruikt woord voor de ra (zaling) van een lichtmast.





~sprenk:
zie sprenkel.





~sprenkel:
1> springpaal, spronk, sprenk, spring:
tegen de mast geplaatste staaf of boom, waarover de voorstag tijdens het strijken loopt. [A>]
Soms gebruikt als synoniem voor bokkepoot.

2> zie sprinkel.




~sprenkelblok, springblok:
blok aan de sprenkel, waardoor de strijkreep loopt.





~spriet:
diagonaal rondhout waarmee de nok van een sprietzeil uitgehouden wordt. Door sommigen wordt deze ook spier genoemd. Deze term wordt echter ook gebruikt voor een eventuele giek aan sprietzeil.





~Sprietaak:
geheel open houten scheepje gelijkend op, maar wat kleiner dan de Biesboschaak. Het type wordt door sommigen gezien als de voorloper van de IJsselaak. Ze werden alleen in hout gebouwd en waren getuigd met een sprietzeil. Volgens G.J. Schutten (blz.398) kon het scheepje ook geroeid worden.





~sprietbezaanzeil:
sprietzeil dat dienst doet aan de bezaansmast.





~sprietgrootzeil:
sprietzeil dat tevens het grootzeil is.





~Spriethoogaars:
zie bij Sprietzeilhoogaars.





~Sprietkaag:
kaag met een sprietzeil.
Gerelateerde term: Meppelder sprietkaag.





~sprietloper, sprietval:
het touw, de loper, van de spriettalie.





~sprietophaler: voettalie.





~spriettalie, spriettakel, trijs:
takel, waarmee de spriet gehesen en gevierd kan worden. [T> Spriettuig]





~spriettakel: spriettalie.





~spriettuig:
tuigage met sprietzeil.





~sprietval:
1>
touw, dat via een blok hoog in de mast naar de (takel van de) spriet loopt en waarmee de stand van de spriet verandert kan worden. [T> Spriettuig]
2> sprietloper.





~sprietvork:
gaffelvormig stuk metaal dat in het oog/de lus aan de achter-bovenhoek van het sprietzeil gestoken wordt.
Naam en afbeelding werden gevonden bij het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek. Het is me echter niet bekend hoe wijd verbreid deze van zeilvoering was en niet in welke periode en op welk scheepstype dit in zwang is geweest.






~sprietzeil, smakzeil:
vierhoekig grootzeil, waarvan de achterboven hoek, de nok, door een diagonaal rondhout, de spriet, uitgehouden wordt. [A>
Gerelateerde termen: bonnet, hoognok, ferrietuig, gaarde, greelband, kaaien, nek, noktakel, rakkeval, reep, spriettalie, sprietvork, staafketting, vlieger, voetreep, enz.

De oorsprong van het sprietzeil is vermoedelijk te vinden bij de Grieken. In Nederland stamt het vermoedelijk uit het begin van de 15e eeuw. Alhoewel het eind zeventiende eeuw al concurentie kreeg van het gaffelzeil, heeft het zeil het tot in de twintigste de eeuw volgehouden en zelfs daarna kan men het nog sporadisch, zoals hedentendage op kleine Friese schouw, tegenkomen.
Het sprietzeil heeft op zijn beurt nog eeuwen lang het razeil naast zich moeten dulden.
Zie verder: > Aanvullende tekst Spriettuig.






~Sprietzeilhoogaars, Spriethoogaars :
weinig gebruikte samenstelling gebruikt voor een Hoogaars welk een sprietzeil voert.
[Zie ook Zeelandnet.nl/JePeKa E>]
Vroeger gebruikten alle Hoogaarsen een sprietzeil. Later zijn de meesten overgestapt op het gaffelzeil. Alleen de vissers van Arnemuiden behielden het het sprietzeil. Uit foto's blijkt dat de spriet van de Arnemuidense Hoogaars met behulp van het zeil overeind gehouden werd. Ze hadden dus geen spriettalie.






~sprij:
1> de wegering in ruimtes waarin touwwerk en/of visnetten geborgen worden.
2> de mate waarin de zijstagen van elkaar af staan.





~spring:
1> steekeind:
touw of staaldraad, waarmee een schip vastligt en dat van de voorbolder achterwaarts of van de achterbolder voorwaarts gericht is.
Te onderscheiden in een voorspring en een achterspring.
DRAAIEN OP DE SPRING
: van een spring gebruik maken om het schip in goede positie te krijgen. [A> film]

2> draad van de springbeting naar de sleepdraad.

3> ander, minder gebruikelijk woord, voor sprenkel.





~springbeting:
kleine beting, bolder, of een voorziening aan een sleepbeugel, of andere constructie met soortgelijk doel, op het achterdek van een sleepboot. De springbeting wordt toegepast op sleepboten, die zeeschepen assisteren. Vanaf de springbeting loopt er een stevige lijn naar de springsluiting, die rond de eigenlijke sleepverbinding ligt. Door de spring wordt het aangrijpingspunt op de sleepboot van het middenschip, waar de sleepbeting staat, naar het achterschip verplaatst. Gebruikmakend van de beweging van het zeeschip kon men de sleepboot met behulp van deze spring snel op de plaats rond laten gaan, waarna, en na het vieren van de spring, de sleepboot, die dan achterstevoren ligt, het zeeschip kon afstoppen. Ook moet de spring voorkomen dat de sleepboot omgetrokken kan worden.[E> Film]
Een springbolder is iets geheel anders dan een springbeting!






~springblok:
zie sprenkelblok.





~springbolder:
watersportersterm, waarmee men een gangboordbolder, blijkbaar als zijnde het meest geschikt om een spring op te zetten, wenst aan te duiden.
De term wordt vooral gebruikt bij het beschrijven van de uitrusting van de zogenaamde 'sloepjes' en aanverwante vaartuigen. Voor zover bekend is de term pas in het eerste decennium van deze eeuw in gebruik geraakt. Gezien de overeenkomsten met springbeting valt het te verwachten, dat deze term voor verwarring gaat zorgen.






~springeb:
zie laagwaterspring.





~springpaal: sprenkel.





~springslot, schokkerslot:
sliphaak waarmee bepaalde visinrichtingen aan hun verankeringen verbonden zijn.
Het springslot werd ondermeer gebruikt in de schokkervisserij. Het vaartuig met daarnaast de ankerkuil ligt bij voorkeur op de plaats met de sterkste stroming en de grootste diepte. Ze liggen veelal dus dichtbij de vaargeul. Sommige bronnen vermelden dat NET EN VAARTUIG door middel van een springslot met de ankerketting verbonden waren. Bij een dreigende aanvaring trok men het springslot los, waarna het net langszij het vaartuig en het vaartuig achter zijn waldraad naar de oever zwaaide.
W. Böcking schrijft echter over de in Duitsland actieve schokkers dat alleen de sprinkels van het net met een 'schokkerslot' aan het knooppunt verbonden zijn. Bij dreigend gevaar, zwemmers, groot drijfhout of vuil, e.d. trekt men het slot los zodat het net langszij het schip zwaait. Om het net weer in positie te krijgen, moet men het schip aan de visdraad naar voren toe verhalen tot men het knooppunt en daarmee het springslot bereikt heeft. Daarna kunnen de sprinkels weer ingehaakt en het schip weer afgevierd worden.






~springsluiting:
sluiting bevestigd aan een stevig eind touw, dat als spring(2) gebruikt wordt.





~springtij:
tij, enkele dagen na nieuwe of volle maan, waarbij springvloed of springeb optreedt.





~springvloed, giervloed:
1> eigenlijk de vloedstroom waarbij een extra hoog vloedpeil ontstaat.
2> zeer vaak gebruikt voor hoogwaterspring.






~sprinkel, sprenkel, toom:
1> een touw / kabel al dan niet voorzien van een spruit / hanepoot dat met het raam of een hout van een raamnet, kuilnet of met een kor verbonden is.
Bij de rivier visserij met Waalschokkers is het andere eind is meestal direct, of via het springslot, verbonden met het knooppunt aan de ankerketting. De verbinding tussen de vierhoekpunten en het knooppunt op de ankerketting kan echter op diverse manieren tot stand komen. Gezien de verschillen tussen de verschillende ankerkuilen-raamkuilen-geikuilen, verschillende gebruikersgewoonten en verschillend taalgebruik zijn de gebruikte terminologieën soms zeer verwarrend.

Gerelateerde term: oorzeel.

2> oortouw: touw aan het hoekpunt van een kor/sleepkuil.
De term oortouw is niet erg gebruikelijk en leidt al te gemakkelijk tot verwarring met de term aartouw.






~sprinkler:
elk der stalen stangen, die samen het raamwerk aan de voorzijde van een raamkuil vormen.
Deze verklaring berust vermoedelijk op een misverstand! Zie: raam en sprinkel.






~sproeiponton:
onbekend. Vermoedelijk een vaartuig dat betrokken is bij het aanbrengen van steenstortingen.





~sprong:
1> de vertikale afstand tussen een punt op de rechte lijn tussen het hoogste voorste, en hoogste achterste punt van de romp, en het dek. De sprong is een maat voor de zeeg van een schip.
2> deksprong.





~spronk:
zie sprenkel.





~spruit:
1> eind touw (touwspruit), staaldraad (draadspruit) of soms ook ketting (kettingspruit), waarvan de uiteinden ergens aan vast gezet zijn en in het midden waarvan een enkel stuk draad, touw, of ketting gezet is. Ook hanepoot, scheertouw of evenaar genoemd. De twee einden die aan hetzelfde voorwerp of aan twee gelijkwaardige zaken gezet zijn, noemt men de benen.
Gerelateerde term: koppetje.

2> zie sprant.





~spud, sput:
verkorting van spudpaal




~spudpaal, sputpaal, spijker, ankerpaal :
stalen paal, die door of langs het schip loopt, op en neer gehaald kan worden, en waarmee een schip zich op de bodem van het vaarwater vast kan zetten.
De diepte tot waarop een spudpaal bruikbaar is noemt men steekdiepte.
Tot in de jaren negentig van de vorige eeuw waren spudpalen iets voor kraanschepen, werkvaartuigen en een enkele varende snackbar. In de vrachtvaart begon men, na het ontwikkelen van de telescopische spudpaal, ook het gemak van overal kunnen liggen in te zien en wordt een steeds toenemend aantal schepen met spudpalen uitgerust. Deze ontwikkeling heeft echter ook negatieve kanten. Eén daarvan is dat goed bruikbare los- en ligplaatsen minder belangrijk worden. Hierdoor wordt het voor hen die aan boord zijn lastiger gemeenschap met de wal te hebben en ook is het risico dat men op drift raakt groter.
Ook bij zuigers is het gebruik van spudpalen toegenomen. Zo maakt men voor de voorwaartse verplaatsing gebruik van een pudpaal in een spudwagen terwijl voor zwenken soms zwaaipalen/pivots gebruikt worden. De spudpalen op zuigers worden soms ook werkpalen genoemd.






~spudwagen:
op een tandwielbaan geplaatste constructie met daarin een hydraulisch beweegbare spudpaal.
De spudwagen loopt over in het achterschip aanwezige smalle beun waardoor de spudpaal naar de bodem kan zakken. Aan het begin van de arbeidsslag wordt de spudwagen vooran de beun geplaatst, waarna men de spud laat zakken. Tijdens het werk zal de spudwagen langzaam naar achter bewogen worden. Aan het eind gekomen kan de spud gelicht worden en de wagen weer naar voren toe verplaatst worden.






~spudden:
de spudpaal gebruiken.





~spui:
1> afwaterings vaart.

2> verkorting van spuisluis.

3> volgens sommigen: waterinlaat in een scheepskameel soms ook bij een drijvend dok.
Bron: A. Hoving.






~spuidok:
zie spuikom.





~spuien, stromen, afstromen:
water uit een vaart, kanaal, o.i.d. weg laten vloeien.





~spuigat:
1> spiegat, spijgat, loosgat, waterloosgat:
willekeurige opening in de scheepswand, waardoor water, dat op het dek komt, overboord kan vloeien. [U>] Verwante termen: lenspoort, loosklep, loggat.

2> spiegat, spijgat:
volgens sommigen ook: muizeling.

3> opening in de den van een beunschip, waardoor men overtollig water en slib kan laten wegvloeien. Meestal voorzien van een vloeiklep, schotten of planken waarmee men de afstroming kan regelen. Soms heeft men een soort 'overvloeikanaal' geschapen en komt de opening uit in de romp [A>]





~spuigatprop:
prop waarmee men een spuigat af kan sluiten. Een vrij onzinnige bezigheid lijkt mij.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~spuikanaal, lozingskanaal, zijl :
kanaal met daarin een spuisluis. Spuikanalen beginnen meestal een eind boven de schutsluis, lopen vervolgens in een boog om de sluis heen, om een eind beneden de sluis weer op het vaarwater uit te komen. Ze worden aangelegd om schepen, die vlak voor de sluis moeten manoeuvreren van hinderlijke stroming te vrijwaren. Sommige spuikanalen zijn tevens voorzien van gemalen om bij een te kort aan water, het bovengelegen kanaalpand van water te voorzien.





~spuiklep: loosklep.





~spuikoker:
metalen bekleding die het spuigat in het binnenboord met het buitenboord verbindt. Vaak loospijp genoemd.





~spuikolk: zie bij spuikom.





~spuikom, spuidok:
1> afsluibaar deel van de haven waarin, tijdens opkomend water, water verzameld wordt om tijdens laagwater het slib uit de haven te kunnen spoelen.

2> spuikolk: soort van extra kolk aan de sluis, die net als een spuikom, tijdens de hoogwater periode gevuld wordt, om bij de laagwater periode sterker te kunnen spoelen.
[Gerelateerde termen >].





~spuisein:
een vlag of drie rode lichten (tegenwoordig alleen nog lichten), die de scheepvaart voor een hinderlijke stroming, veroorzaakt door een gemaal of spuisluis, waarschuwen.





~spuisluis, spui, verlaat:
1> constructie, waardoor men een te veel aan water naar een lager gelegen gebied kan laten afvloeien.
Ook bekend als afwateringssluis en doorlaatsluis.
Spuien en stuwen hebben tot doel de waterstand te beheersen. Spuien worden (meestal*) gebruikt om een te veel aan water te doen afvloeien, stuwen worden echter gebruikt om het afvloeien van (te veel) water te voorkomen zodat er in een bepaald gebied voldoende water voorhanden blijft.
*Spuien worden soms ook gebruikt om water via bepaalde wegen te sturen.


2> sluis die gebruikt wordt om op bepaalde momenten een extra grote hoeveelheid water door een haven, vaarwater e.d. te laten stromen. Zie ook spuikom.





~spuitlans:
1> de stalen pijp met handgreep en spuitkop, van een hogedrukspuit.
2> lange stalen pijp waardoor met een krachtige pomp water gepompt wordt. Met de spuitlans worden, bij een berging, geulen dwars onder het schip door 'gegraven'.





~sputpaal: spudpaal.





~squat: modern woord voor bodemzuiging.





~S-slag:
s-slag touw
: linksgeslagen touw.





~S-spant:
spantvorm waarin twee tegengesteld lopende bochten zitten.
Deze spantvorm vindt men terug bij gepiekte schepen, zoals ondermeer bij het Fries jacht en sommige boeiers.






~SSL:
zie bij leverworst.





~staatsie.....:
zie bij statie.





~staafketting:
uit stalen staven, met aan beide zijden een oog, opgebouwde ketting. Ook putting genoemd.





~staafsteven:
onjuiste naam voor stafsteven.





~staafverschansing:
niet voldoende bekend, waarschijnlijk een soort buisreling maar dan van dunner, massief materiaal.
De term werd aangetroffen in 'Maas en Merwe - geschiedenis van de Stoomboot Reederij Fop Smit & Co' door W.J.J. Boot.






~staal:
1a> uit ijzererts gewonnen metaal met een koolstofpercentage van minder dan 2 procent.
b> algemene benamingen voor al het uit ijzererts gewonen metaal. Zie ook de toelichting bijijzer.

2> de grondslag van een dijk.





~staalboom, :
1> staalbomen: bepaald vistuig: twee à drie tussen in de grond geheide palen opgestelde kuilnetten.
De term wordt (bijna) uitsluitend in het meervoud gebruikt. De term staal komt volgens sommige bronnen van de woorden staak en steel, andere bronnen houden het op een veel voorkomende verbastering van 'stal'. Met het metaal staal heeft het niets te maken. De gebruikte palen zijn (meestal) van hout. Dit type vistuig was reeds in de veertiende eeuw in gebruik maar werd halverwege de zestiende eeuw in verband met het gevaar voor de scheepvaart en verzandingen, maar voor al ook wegens de schade die het aan de visstand aanrichtte verboden. Rond het midden van de 19de eeuw weer in gebruik gekomen en al in 1890 weer onbruik geraakt of opnieuw verboden.
De palen waren aan de bovenzijde met touwen met elkaar verbonden, bovendien waren ze nog met ankers vertuid. De onderpees van het kuilnet kon doormiddel van lijnen en blokken omhoog getrokken worden, gegeid, waardoor de bek/muil zich sloot. Daarna werd bij het kenteren van het tij het uiteinde van het net met het staarttouw in de boot getrokken en kon het net geleegd worden. Vervolgens haalde men het anker op en trok de kuil met het staarttouw dat dwars door het net liep in de richting van de stroom, waarna het anker opnieuw in stelling gebracht werd.


2> elk der palen van voornoemd vistuig.





~staalbouw:
1> de bouw van stalen vaartuigen.
2> met betrekking tot het casco van een vaartuig: geheel van staal.
Gerelateerde term: houtbouw, compositiebouw.





~staalbouwwerf:
nieuwbouwwerf waar men stalen schepen bouwt.





~staaldraad, staalkabel, draad, kabel:
door het ineen draaien van dunne metalen draden verkregen zeer lange, soepele, streng. Staaldraad wordt sinds ca. 1870 geproduceerd. [A>]

GEGALVANISEERD STAALDRAAD
: staaldraad, waarvan de draden waaruit het opgebouwd is, galvanisch van een beschermlaag voorzien zijn.
NAGETROKKEN STAALDRAAD
: staaldraad, waarbij de draden waaruit het opgebouwd is, pas na het galvaniseren op de juiste dikte getrokken zijn.
VOORGEVORMD STAALDRAAD
: staaldraad, waarvan de draden waaruit het opgebouwd is, te voren in model gebracht zijn.
Gerelateerde termen: kruisslag, langsslag.





~staaldraadkies: kies.





~staaldraadklem:
1> kies.
2>
eenvoudige tweedelige metalen constructie, waartussen twee stukken staaldraad, door het aandraaien van een boutje, geklemd worden.





~staaldraadkous :
druppelvormig gebogen stuk metaal met gootvormige doorsnede, dat gebruikt wordt om ogen in staaldraad te beschermen. De keel beschrijft, net als bij staaldraadschijven, een halve cirkel en omvat de staaldraad dus tot halverwege. De meeste staaldraadkousen zijn gemaakt van gegalvaniseerd staal. Voor roestvrij staaldraad gebruikt men RVS kousen.
Gerelateerde temen: touwkous, ei-kous.

Een staaldraadkous die aan de onderzijde eindigt met vrij lange scherpe punten wordt ook puntkous genoemd. Deze worden het meest in combinatie met met de hand gelegde splitsen gebruikt.
Er zijn echter ook staaldraadkousen met aan de onderzijde vrij korte, eventueel afgeronde, einden. Deze worden het meest in combinatie met pershulzen en kiezen gebruikt.

De gewone staaldraadkous gebruikt vrij licht materiaal. De profielkous gebruikt veel dikker materiaal en weegt dan ook 2 tot 3 maal zoveel. Bovendien is de bodem van de keel van dikker materiaal dan de zijden. Ze zijn daardoor vormvaster.
Profielkousen worden ook geleverd met een inwendige versterking. Men noemt het een versterkte kous. In de 'punt' van de kous is een driehoekig gedeelte aangebracht, dat de kous vormvaster zal maken. De kous zonder punten noemt men afgeknotte profielkous

De massieve kous is een massief blok gietstaal met het model van een staaldraadkous. Centraal is een opening voor een bout aangebracht. Om gewicht te besparen is soms in de 'punt' een driehoekige opening. Ze worden ook vormkous, smeedijzeren kous, smeedstalen kous of gesmede kous genoemd.





~staaldraadschijf:
zie bij draadschijf.





~staaldraadsplits:
splits gelegd in staaldraad.
Gerelateerde termen: bekleden, pershuls, staaldraadkies.





~staaldraadterminal, draadterminal, terminal:
metalen deel waarin het uiteinde van een staaldraad opgenomen is en waarmee de staaldraad ergens aan verbonden kan worden.
Aan de terminal vallen twee delen te onderscheiden: het gedeelte waarin de staaldraad vastgezet wordt en het gedeelte dat ergens aan vast gezet kan worden. Het gedeelte waarin de staaldraad vastgezet wordt is meestal een lange bus, die door walsen of persen, de pers- of walsterminals, vast rond het staaldraad sluiten. Dit walsen of persen moet met speciaal gereedschap geschieden reden waarom een goedkopere oplossing middels de zogenaamde doe-het-zelfterminal verzonnen is. De doe-het-zelfterminal is meestal voorzien van een conische klem of spie-inrichting weaarmee de staaldraad vastgehouden wordt.
De bevestigend deel is vaak uitgevoerd met een oog, de oogterminal, met een gaffel, de gaffelterminal, met een soort wartelverbinding, de toggle-terminal, met in spanschroeven passend schroefdraad, de studterminal, met een bolvormige verdikt uiteinde, de ballterminal of met een slotpassend uiteinde, de inhaakterminal.
Behalve voor staaldraad bestaan er ook nog terminaals voor een bepaalde soort kunststofdraad; het zogenaamde parafil. Deze terminals noemt men wel parafilterminals.
Terminals worden toegepast op draden tot een dikte van 12mm. In de binnenvaart worden ze bijna uitsluitend voor de diverse soorten draadrelingen gebruikt.






~staaldraadtouw:
1> oude benaming voor staaldraad.
2>
later soms gebruikt voor Herculestouw en Cobratros.





~Staal-ever:
zie bij ever.





~staalkabel:
zie staaldraad.





~staalplamuur, ijzerplamuur:
plamuur met polyester of epoxyharsen.





~staalvisserij:
de fuikenvisserij bij Enkhuizen. Ook vastvisserij genoemd.





~staalwerf:
werf waarmen stalen schepen bouwt (of repareert). De term werd alleen in de tijd dat er nog vele houtwerven waren gebruikt.





~staand:
niet bewegend.
STAAND NET
,
STAAND (VIS)WANT
: zie bij visnet.
STAAND WANT
,
STAAND TUIG
: zie bij want.





~staande-masten-route:
serie opeenvolgende vaarwegen lopende van Delfzijl naar Vlissingen waarop de laagste vaste overspanning een onderdoorvaarthoogte van bijna 30 meter heeft.





~staander:
1> vertikaal gedeelte van een spant(3).

2> oplanger, mogelijk ook steunder.

3> algemene benaming voor een dragend, vertikaal, onderdeel van een constructie; bijv. de koning van een davit of kaapstaander, maar ook de vertikale delen van het raam van een raamkuil.

4> Vlaamse term voor de gehele beretand. De kop van deze staander noemen zij, zeer verwarrend, wel beretand.
Bron: Maurice Kaak.






~staanderblok:
verkorting van zwaardstaanderblok.





~staand part:
zie bij part.






~staart :
1a> blad: vrij onbekende term voor het bredere deel van een houten roer. (Gehele gekleurde deel in de tekening.)
1b> mogelijk alleen dat deel van het roer dat achter de denkbeeldige lijn van de rug uitsteekt. (Donkerder gekleurd in de tekening.)
De meeste mensen spreken van hak en van hakroer terwijl staart toch tot veel minder verwaaring aanleiding geeft. De term staart wordt ondermeer aangetroffen in Oude Vlaamse bestekken.
Houten roeren van zeegaande schepen hebben korte staarten, logge sleepschepen voor het binnenwater lange.


2> aat, aatje, kruik: zakvormig, achterste deel van bepaalde kuilnetten, dat aan het uiteinde dichtgebonden is. In dit deel verzamelt zich de in het net geraakte vis. De term kruik schijnt voornamelijk bij de staande kuilnetten in gebruik te zijn.
Bij sleepkuilen meestal voorzien van één inkel. Bij ankerkuilen vaak meer gelijkend op een fuik, en soms ook zo benoemd, dus voorzien van meerdere inkels en vaak opgehoepeld.

Gerelateerde term: staarttouw.

3> onderste deel van een genaaide steng op Vlaamse schepen; om precies te zijn het deel dat tegen de ondermast aanligt.

4a> het vrije eind van een touw dat aan de andere zijde ergens aan vast gesplitst of gestropt is.
b> het vrije eind van het touw wat rond een staartblok ligt.

5> soms gevlochten, op het zeil genaaide, versteviging van touw welk bedoeld is om de krachten optredend bij de schoothoorn of schootleuvers te verdelen.
Soms ook trekker genoemd, maar dan meestal twee zeilkousen in een boog verbindend.





~staartblok:
1> aan een eind touw of staaldraad gestropt blok.

2> volgens een enkeling een hakblok.
Dit moet als foutief aangemerkt worden.






~staartluik:
zie kopluik.





~staartroer:
klassiek houten roer met een staart.
Door Haalmeijer en Vuik een hakroer genoemd, maar voor de term hakroer lijken geen duidelijk aanwijbare bronnen te vinden te zijn. De term staartroer komt ondermeer in Vlaamse bestekken voor.






~staartstuk:
tot onder water stekend, slank deel van ondermeer een buitenboordmotor, waarin de overbenging naar de schroef, de keerkoppeling en vaak ook de knaldemper ondergebracht zijn.





~staarttouw:
touw aan het uiteinde, de staart, van een kuilnet.
Met het staarttouw is het net dichtgebonden. Met het touw kan het uiteinde van het net boven water gehaald en vervolgens geleegd worden.






~staat:
IN OUDE STAAT HERSTELLEN
,
IN originele STAAT HERSTELLEN
:
een schip zo veel mogelijk weer in de staat waarin het verkeerde toen het uitgehaald werd, terugbrengen.
Oude schepen die werkelijk in oorspronkelijke staat verkeren, treft men bijna uitsluitend in musea aan. Varende en/of bewoonde schepen moeten hedentendage namelijk aan diverse eisen, die meestal onverenigbaar met de oorspronkelijke toestand zijn, voldoen. Bij een flink aantal van deze schepen heeft men echter heel netjes het vroegere beeld weten te behouden. Helaas zijn er echter ook vrij veel schepen, die er voor de leek er misschien wel net zo uitzien als de schepen van vroeger, maar waarbij er soms nauwelijks enige sprake is van een verantwoorde 'restauratie'.






~staatsie: statie.





~staatsvisserij:
vorm van zegenvisserij op de lek bij Ammerstol waarbij men een zegen over de volle breedte van de rivier laat voortdrijven.
Voor een uitgebreide beschrijving raadplege men "Terminologie van riviervissers in Nederland" door Dr. Th. H. van Doorn.






~stabiliteit:
vaareigenschap; over het algemeen verstaat men er onder hoeveel kracht er nodig is om een vaartuig een bepaalde mate te doen overhellen. Er bestaan echter verschillende vormen van stabiliteit: vormstabiliteit, aanvangsstabiliteit, gewichtsstabiliteit en dynamische stabiliteit. Ik hoop hierop later  nog eens in te kunnen gaan.





~stadsboeier:
een stadsjacht van het type boeier.





~stadsboom:
dwars in het water liggende boomstam of iets dergelijks, waarmee de toegang tot de stad of een (haven)dok afgesloten kon worden. In Amsterdam waalsboom genoemd.
Gerelateerde termen: boomhuis, boomsluiter, De palen, rivierboom, wachtschuit, hekel.





~stadsboot:
1> Zie stadssleepboot.

2> voor Rotterdam en omstreken: een sleepboot uit Rotterdam zelf, dit in tegenstelling tot de sleepboten die rondom Rotterdam hun thuishaven hadden en ook in de Rotterdamse haven actief waren.





~stadsgraanzuiger, stadsgraanelevator:
graanelevator in beheer bij de gemeente.





~stadsjacht:
tot de categorie van speel-, transport- en statenjachten behorend vaartuig dat door de stadsbesturen gebruikt werd. Meestal uitgevoerd als zeiljacht, soms echter ook als trekjacht.





~Stadskanaal:
het kanaal vanuit de veenderijen in zuid-oost Groningen richting de stad Groningen.
Ook gezien als de gehele verzameling van kanalen en zijvaarten met de aanliggende bebouwing vanuit de veengebieden naar Groningen en dan veel al de Stadskanalen genoemd.
Het oorspronkelijke kanaal liep in 1765 van Ter Apel tot Bareveld daar boog het af naar het noorden richting Veendam. In 1872 werd de dam bij Bareveld geslecht en werd de route over Grevelingsknaal bruikbaar. Van daaruit kon men via het Hoofddiep van Windeweer naar Hoogezand.






~stadskraan, stadshijskraan :
in of nabij het water geplaatste hijskraan, die in het beheer is bij de stad of gemeente.
Voor zover bekend waren de meeste stadkranen voor het plaatsen van masten en het laden en lossen van uitzonderlijk zware stukken. Voor het gewone laad en loswerk beschikten de schepen of de gildes/bedrijven over de nodige middelen.
In het blad Amstelodamum kan men lezen dat in 1643 in Amsterdam een grote houten kraan in de haven geplaatst werd. Voor het inzetten van masten op zeeschepen raakt deze kraan langzamerhand in onbruik, maar in 1830 werden er nog wel de 17 ton zware natuurstenen slagdrempels van de Oosterdoksluizen mee gehesen. In 1839 wordt een 16 tons kraan op het landhoofd van de Oosterdoksdijk geplaatst, in 1861 wordt er een 20 tons exemplaar bijplaats en in 1880 wordt er op de kop van de Oostelijke Handelskade een 80 tons stoommastbok geplaatst.

Gerelateerde term: kraankind.





~stadsrondvaartboot:
rondvaartboot die voornamelijk binnen stedelijk gebied vaart. Meestal gewoon rondvaartboot genoemd.





~stadsschepenmeter:
een scheepsmeter in dienst bij de gemeentelijke overheid.
Pas aan het eind van de negentiende eeuw wordt het bepalen van het laadvermogen van schepen een landelijke aangelegenheid.






~stadsleepboot: stadssleepboot.





~stadssleepboot, stadsleepboot, grachtensleepboot, stadsboot:
1> sleepboot, die voornamelijk ingericht om in de havens, kanalen en grachten zijn werk (vaak vletwerk) te verrichten. Ze worden vaak gekenmerkt door een gestrekte bouw en vrij geringe kruiphoogte. Bij deze sleepboten zijn, over het algemeen, de verblijven niet ingericht voor langdurige bewoning.

2> mogelijk een onderverdeling van het sleepboottype 'Amsterdammer'.
Gerelateerde termen: havensleepboot, strekkenboot.





~stadssleepdienst:
sleepvaartbedrijf dat zich voornamelijk bezighoudt met transporten op de stadswateren.





~stadssleepwerk:
het sleepwerk op de stadswateren.





~stadsvisserij:
de beroepsmatige visserij binnen het rechtsgebied van een stad.





~stadswater:
over het algemeen, het water binnen een bebouwde kom, dat geen doorgaande scheepvaartroute vormt.





~stafkiel:
soort kielbalk die bestaat uit een massieve stalen balk.





~stafsteven, staafsteven:
steven, die bestaat uit een dikke stalen strip, waartegen de gangen van beide boegen geklonken worden. Gerelateerde termen: stevenbalk, doossteven, plaatsteven.



Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Amersfoort.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

De verantwoording en rechten inzake door derden ingezonden materiaal berusten bij de inzenders!

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken