banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst Sma



~Smak, Smakschip:
zeegaand scheepstype, door sommigen als voorloper van de tjalk beschouwd, maar groter en zwaarder gebouwd. Schip met kromme voorstevenbalk, ronde vormen, zwaarden, meestal getuigd als anderhalf-master met als achterste mast een druil(1). [A>]
Reeds in de 16de eeuw is er sprake van Smakken, deze zouden sterk op de toenmalige Boeiers lijken. Verder nog onbekend.






~Smakschip: Smak.





~smakschipper:
schipper op een smak.





~smakzeil:
in de zestiende eeuw synoniem voor sprietzeil.






~Smakzeilboeier:
waarschijnlijk verzamelnaam voor alle (zeegaande) Boeiers met spriettuig.





~Smalschip:
waarschijnlijk een verzamelnaam voor diverse scheepstypes, die, in de 17de eeuw, de vaarroute door de stad Gouda konden bevaren.  De schepen waren niet langer dan 18,4 m en (met afgenomen zwaarden) niet breder dan 4,68 m. Wat groter was noemde men een Wijdschip. [S>Wijd- en smalschepen.]






~smalschipper:
schipper op een smalschip.





~Smartbarge:
(productnaam) bepaald soort/type containerschip. [E>]






~smarten:
touw of staaldraad, in het bijzonder daarin gemaakte splitsen, met  zeildoek omwikkelen. Zie verder bij bekleden.






~smarting:
het resultaat van het smarten.






~smeerautomaat, (centraal)vetsmeerinrichting:
door de motor of schroefas aangedreven inrichting waarmee kleine hoeveelheden vet in de schroefaskoker, bijbehorende lagers en eventuele andere smeerpunten, geperst wordt. [A> nr.1] Vergelijk: Centraalsmering.






~smeerkan:
verkorting van smeeroliekan.






~smeerolieboot:
bunkervaartuig speciaal bestemt om smeerolieën te vervoeren.
Daar het in de meeste gevallen om een schip en niet om een boot gaat, zou het eigenlijk smeerolieschip moeten zijn.
[uitleg]





~smeeroliekan, smeerkan:
1> vroeger metalen, later kunststoffen, kan voorzien van een  kap en schenktuit, waarmee men de smeerolie voor de motor bijvulde. [A>] Grote kannen waren natuurlijk voor het carter van grote motoren, de kleine kannen voor smeerapparaten en kleine motoren.
2> willekeurig vatje of kannetje waarin men smeerolie bewaard.






~smeerolietanker, smeerolietankschip:
tankschip voor het vervoer van smeerolie. Meestal een bunkervaartuig waarmee zeeschepen bevoorraad worden.






~smeerreep:
touw waarmee, als men gaat reven, de schoothoek van het rif in het grootzeil, naar de giek trekt. [A>]. Volgens sommigen (vermoedelijk) onterecht ook slingerwant genaamd.






~smokkelaartje, weghoudertje:
het smokkelaartje of weghoudetje was een kleine zak- of balenhaak die door zakkendragers gebruikt werd, wanneer men op de zakken geen haken gebruiken mocht.





~smoren:
in hoge golven, door dat het schip te veel dompt(2), vaart verliezen.






~sms:
sleepmotorschip.






~snabbevaarder: zie schuitenschuiver.






~snackboot:
vaartuig waarop een snackbar gevestigd is. [A>]






~snars, snoes, schijnsteven:
verdikt gedeelte bovenaan de voorstevenblak bij bepaalde schepen.






~snebbe:
vooruitstekend deel bovenaan de voorsteven. (scheg(3) ?)






~Sneeker-tjalk, Snitser Tjalk, Snitser Tsjalk:
Friese tjalk zoals ze (o.a.?) door Barkmeijer in Sneek gebouwd werden. [A>]






~sneestok:
(niet voldoende bekend) blakje aan het uiteinde van een staand net.  Zie ook: kneppel.






~snelboot, schnellboot:
patrouillevaartuig, waarmee een hoge snelheid bereikt kan worden. De term werd voornamelijk in de periode 1940-1960 gebruikt.





~snelloper :
1> toerenmaker, snellopende dieselmotor: een dieselmotor met een maximaal toerental dat boven de 1000 t.p.m. ligt. In de jaren zestig verhoogd naar 1500 t.p.m. [A>]
In watersportkringen ligt de grens bij 3000 t.p.m. of nog hoger.


MATIG SNELLOPENDE DIESEL
: dieselmotor met een maximaal toerental dat hoger ligt dan dat van een langzaamloper, maar lager is dan dat van een snelloper.

2> hardloper.





~snelverhitter:
1> aanwarmlamp waarbij de brandstof, om een grotere opbrengst te verkrijgen, onder druk gebracht wordt. [A>]

2> een gasbrander, die men voor het aanwarmen gebruikt. [A>]




~sneu:
dwarslijn aan een beug, voorzien van een vishaak.






~Snick:
oude schrijfwijze voor Snik.





~Snijboon:
zie bij Meppeler praam.





~snijkop, cutter :
roterende constructie van gebogen 'messen' aan de zuigbuis van snijkopzuiger.
Snijkoppen kunnen diverse vormen hebben en op diverse wijze geconstrueerd zijn. Voor het baggeren worden steeds vaker zogenaamde milieusnijkoppen gebruikt.






~snijkopladder, cutterladder :
onderdeel van een snijkopzuiger: op en neer beweegbare constructie waaraan de snijkop en alle toebehoren aan of in gemonteerd zijn.





~snijkopzuiger, cutterzuiger, baggerzuiger, hopperzuiger :
qua constructie grotendeels gelijk aan de zandzuiger echter uitgerust met een zuigbuis, die aan de opening voorzien is van constructie waarmee de bodem losgewoeld wordt. Dit type zuiger wordt voor het 'baggeren' van vastere bodemsoorten gebruikt. [A>]
Hardere bodemsoorten zullen niet door het aangezogen water loskomen, vandaar dat men het uiteinde voorziet van een snijkop waarmee de bodem losgewoeld wordt. De diameter van de snijkop is groter naar mate de verwachte bodem zachter is. Vroeger gebruikte men ook wel een constructie met twee grote schraapwielen ter weerszijden van de zuigopening. De snijkopzuiger wordt gebruikt voor het graven en uitdiepen van vaarwegen en het verwijderen van zware bagger. Voor zover bekend zijn snijkopzuigers steekzuigers. De snijkopzuiger graaft een geul, een bres, in de bodem. Deze geul is naar verhouding smal. Door de zuiger in een traag tempo heen en weer te zwenken kan kan men een grotere breedte verwerken. Dit zwenken geschied bij de grotere zuigers door de gehele inrichting via kabels heen en weer te zwenken, bij kleine zuigers is het soms mogelijk de snijkopladder heen en weer te zwaaien. Tegenwoordig gebruiken zowel de grote als kleine zuigers aan de achterzijde vaak spudpalen in plaats vav ankers en lieren. De grotere zuigers gebruiken voor de voorwaartse verplaatsing vaak een, in een spudwagen geplaatste spud.

Gerelateerde term: milieusnijkopzuiger.





~snijstrop:
een snotter, die men, bij bergingen gebruikt om een schip door te snijden.






~snijtakel:
takel waarmee men de kluiverboom (of boegspriet?), wanneer deze schuivend is uitgevoerd, naar voor of achter trekt.





~snijzeil:
ander woord voor stagzeil.





~Snik, Snikke, Snick:
scheepstype. Stalen of houten scheepje met vrijwel rechte, sterk voorovervallende, voorstevenbalk. [A>]
Al sinds de 14de eeuw bestaan er vaartuigen, die Snik genoemd worden. Over deze oude types is mij weinig bekend. De 'huidige' Snik is de Snik zoals we die uit de 19de eeuw kennen. Dit model is reeds in de 17de eeuw en misschien nog wel eerder ontstaan.
Eeuwenlang is de Snik gebruikt als trekschuit (jaagschuit) en de twee woorden zijn wel haast synoniem geworden.
Toen op een gegeven moment in Groningen de rechte voorovervallende steven verboden werd, ontstond aldaar een variant met een gekromde, vrij iele, voorstevenbalk. Ook deze variant pleegt men (tegenwoordig) wel Snik te noemen. Mijns inziens echter is met het verdwijnen van de vallende rechte voorsteven een belangrijk kenmerk van het type verdwenen en kan men nog maar nauwlijks van een 'snik' spreken.

Men kent o.a. de Friese snik, de Groninger snik en de Hollandse snik.
Zie ook: Snikkeschuit, Snikkeschip, Trekschuit en Schilschuit.






~Snikkeschip:
waarschijnlijk grote Snik, met vast dek, roef en ruim met luikenkap.






~Snikkeschuit:
waarschijnlijk kleine Snik, grotendeels open.






~snikkevaarder:
(Gronings?) schipper op een Snik, mogelijk ook op een willekeurige trekschuit.






~snikkevaardersgilde:
het gilde der snikkevaarders.






~snikklokje:
in Groningen: de luidbel waarmee het aanstonds vertrek van een beurtschip, de trekschuit (vaak een Snik), aangekondigd werd.






~Snitser Tjalk, Snitser Tsjalk:
Sneeker Tjalk.




~Snoekebek:
scheepstype. Kleine, houten, open, boot met vooruitstekend, puntig, voorschip en rond achterschip.






~snoes: snars.





~snor:
een boeggolf, die breekt.





~snotter, strop:
bepaald soort
strop, gevormd door een vrij kort stuk staaldraad of touw met aan beide einden een lus. Zie ook krabber.





~Solvay spits:
spits van de Solvay Sodafabriek te Dombasle; erg licht gebouwde spitsen met grote ruiminhoud. In de begin periode van de motorische vaart voeren voor deze fabriek motorspitsen met een speciale vorm van voortstuwing. Aan de schroefas zat een soort van Z-overbrenging naar de schroef. Dit gedeelte kon, bij ledig schip, naar beneden geklapt worden en stak dan grotendeels onder het vlak uit. Werd het schip geladen dan draaide men het ding omhoog en zat de schroef veilig achter de kont van het schip. De schroef was via een flink grote vertraging gekoppeld aan de motor en bezat daarom een flinke diameter. Er schijnen meer dan 100 van dit soort spitsen bestaan te hebben. Verdere gegevens ontbreken nog.





~Somp, Zomp, Zompe, Overijsselse Somp, Overijsselse Zomp :
Een der vreemdsoortigste Nederlandse vaartuigen.
Te onderscheiden in:

Enterse somp
(de standaard Somp), ook
Open somp
,
Regge somp
of
Pegge
genoemd.
Afmetingen ca. 12 x 2,4m. Een scheepje met een overdreven zeeg, vrij scherpe voor en achterkant en afgezien van een klein voorondertje geheel open. De, meer dan 1,2 meter hoge, voorsteven is merkwaardig gekromd en valt iets achterover. De, rond één meter hoge, achtersteven is recht en staat steil. Ook het tuig is niet alledaags: een sprietzeiltje met giek, waarbij het zeil vaak voorzien is van een bonnet.
Het vlak is plat en lancetvormig. De boorden vallen tussen vooronderschot en zwaard ruim 30 graden naar buiten en verlopen daarna naar de stevens.
Over de koppen der spanten, ter plaatse kurven genoemd, loopt een zware weger, die men randgaarde noemt, welke, behalve ter hoogte van het zwaard, iets boven het bovenboord uitstak. Op het laagste punt zat de randgaarde slechts een centimeter of 40 boven het vlak. Tegen de randgaarde was een afneembaar 'boeisel' gemonteerd (sommigen spreken van opboeisel of zetboord). De bovenkant van dit boeisel vormde een bijna rechte lijn tussen voor en achtersteven. Door de naad tussen boeisel en randgaarde met mos te dichten, kon men het vaartuigje zover laden dat de randgaarde een flink eind onder water zat. Men had dan ongeveer 17 ton vracht in. Het scheepje werd gebruikt voor de vaart vanuit het Overijsselse achterland naar de plaatsen in het westen van Overijssel. Minder diep geladen, met zo'n 7 à 8 ton, ging men langs de kuststrook van Overijssel en langs de Friese zuidwest kust. Een enkeling maakte ook reizen naar de 'overkant' (Amsterdam).
Belangrijkste bron: P.J.V.M. Sopers, Schepen die verdwijnen.


Berkelsomp

De berkelsomp is een slag kleiner dan de Enterse somp. De romp meet ca. 11 meter. Achter het zwaard lijkt de romp me iets minder vol (als je dat zo kan noemen bij een dergelijk model). Het laadvermogen bedroeg ca. 8 ton. Verdere gegevens nog niet bekend. De thans varende replica voert een driehoekzeil met rechte onderstrook. In de regio wordt deze somp ook een
tweemanssomp
genoemd.

Vriezeveense turfsomp

Dit vaartuigje wordt ook
Vriezeveens turfschuit
of
éénmanssomp
genoemd. Ze hebben een lengte van naar schatting 8 meter. De vorm is grotendeels gelijk aan die van de Enterse somp. De steven is echter minder hoog; de zeeg is daardoor duidelijk minder en het voorondertje ontbreekt.

grote of dubbele somp

Bij Sopers genoemde Somp met afmetingen 14,64 x 3,4 x 1,4m; leegvlot ca. 0,3m. Verder vermoedelijk gelijk aan de Enterse somp.

gedekte Somp

Door Sopers ook brandschuit genoemd. In grote lijnen gelijk aan de Enterse somp. In plaats van de randgaarde heeft dit scheepje echter een berghout met daarboven een normaal boeisel.
Het boeisel loopt niet naar de bovenzijde der stevens, waardoor de zeeg van dit berghout minder is dan die van de randgaarde op de Enterse somp. De bovenkant van het boeisel vertoont weinig zeeg. Het vaartuigje dankt de toevoeging gedekt aan het feit dat het een luikenkap heeft. Deze luikenkap ligt direct op het boeisel en sluit dus tegen het vooronder aan. Achterin is een stuurkuip vrij gehouden. De mast steekt door de luikenkap heen. Verdere gegevens niet bekend.
Belangrijkste bron: Sopers, Schepen die verdwijnen.


Beurtsomp
.
De beurtsomp lijkt meer op een kleine Hoogeveense praam, dan op een Somp. De typerende naar achter doorbuigende voorstevenbalk verraad echter duidelijk de herkomst van dit scheepstype. Een voorkomende afmeting was ca. 15 x 3,4 x 1,5 (hol).
Het voorschip van de beurstsomp is stomper en voller dan dat van de gedekte Somp, maar wat puntiger dan dat van de Hoogeveense praam. Voor het achterschip geldt min of meer het zelfde.
De beurtsomp was uitgerust met dekken, gangboorden, een luikenkap rustend op een lage den en paviljoen. De strijkbare mast stind in de luikenkap. Ze hadden een vrij breed boeisel dat naar voor, vrij sterk versmalde en naar achter slechts weinig, zodat het poortje in de zij van het paviljoen, boven het berghout paste. Langs de zijden waren settelboorden geplaatst.
Belangrijkste bron: Sopers, Schepen die verdwijnen.







~Sontvaarder:
1> binnenvaartschip dat in de sontvaart actief is. Voor zover bekend niet afwijkend van de andere binnen-buitenschepen die naar de wateren bij de Oostzee voeren.

2> de schipper op een dergelijk schip.
3> verkorting van Wad en sontvaarder.






~Sontvaart
de scheepvaart tussen Nederland en de Zweedse zuidkust.
Deze term heeft, voor zover ik weet, vrijwel uitsluitend betrekking op de vaart met binnenvaartschepen vanuit Nederland, door het Nood-Oostzeekanaal naar deze kust. Zie ook ommelandvaart.

E> Nederlandse Sontregisters (Nationaal archief)]






~souvereinen:
een gat van een afgeschuinde rand voorzien.






~spaakgat:
meestal vierkant gat in bijvoorbeeld een spil, een spaakmoer, kaapstander, enz. waarin een handspaak of, bij bijvoorbeeld een braadspil, een speen gestoken kan worden. [T>]





~spaakmoer, klemschijf, klemmoer, schijf:
op een as met schroefdraad, bevestigde schijf, eveneens met schroefdraad, waarmee onderdelen, die los rond de as zitten, vastgeklemd kunnen worden. Er bestaan verschillende uitvoeringen. De oudere exemplaren hebben vaak 4 spaken in combinatie met vier spaakgaten (zie hiernaast), de nieuwere hebben vaak 6 spaken omgeven door een ring [A>].





~spaakwiel: jachtwiel.






~spaan:
1> verkorting van roeispaan.
2> vaak ook gebruikt als synoniem van roei- of wrikriem.






~Spaanse ruiter, stampstok:
rondhout tussen waterstag en de boegspriet.






~Spaanse takeling:
splits, waarbij de uiteinden van het touw, direct weggesplitst worden. Hiermee voorkomt men dat het touw uitrafelt.






~spaarbekken, spaarkom:
bassin, waarin tijdelijk, een grote hoeveelheid water opgeslagen kan worden. Ondermeer gebruikt bij sluizen met een groot verval. [AE>]






~spaarkom: zie spaarbekken.






~Spaarndammer visser:
scheepsstype. Zie bij Tochtschuit.





~spalkbeugel, schalkbeugel:
1> platte beugel op, of tegen, het luikenhoofd, op spalkdekken of tegen de den, waarin een spalkhaak gestoken kan worden. [A>nr.5]
2>
spalkhaak.




~spalkdek, schalkdek:
1>
min of meer horizontaal liggend deel, naast of tussen de luikenkap, waarop spalkbeugels voor de dekzeilen aangebracht zijn.
2>
keggenbank.






~spalken, schalken, keggen:
het met keggen of spalkklemmen vastzetten van de spalklatten, die op hun beurt de dekzeilen op hun plaats moeten houden.





~spalkhaak, schalkhaak:
1> spalkijzer.

2a> losse Z-vormig gebogen metalen strip, die in een spalkbeugel gestoken wordt, waarna er een keg onder klemgeslagen kan worden.

2b> Z-vormig gebogen metalen strip, die tegen de den geklonken is, waaronder een keg klemgeslagen kan worden.
Bijna alleen wanneer de den zeer laag is gebruikt men geklonken spalkhaken in plaats van een keggenbank.


3> losse metalen haakvormige beugel, waarmee luiken op bepaalde schepen, bij het vervoeren van halfvloeibare lading, gesloten werden. De spalkhaak steekt door de schalmbalk en het luik heen en haakt (in een beugel) onder het gangboord. Tussen de bovenzijde en de sluitbalk wordt een keg gedreven.




~spalkijzer, schalkijzer:
opstaande metalen plaat op de keggenbank, waarachter de keggen klem geslagen worden. [A>nr.5]






~spalkkeg, schalkkeg, keg:
houten keg, waarmee de spalklatten vastgezet worden.
Alhoewel keggen van harde houtsoorten veelvuldig gebruikt werden, behoren keggen van een zachte houtsoort te zijn omdat deze beter vast komen te zitten. Een ander voordeel, dat echter ook een nadeel kan worden, is dat de keggen wanneer ze vochtig worden, meer uitzetten. Over het algemeen zullen ze dus bij slecht weer, beter vastkomen te zitten (te vast misschien?). Ze moeten dan wel goed droog geweest zijn, voordat ze aangebracht werden, want vochtige keggen kunnen bij mooi weer, juist los gaan zitten. De keggen hebben het model van een rechthoekige driehoek. Ze behoren met de langste kant tegen het dekkleed aan te liggen, zodat de achterkant beter voor de hamer, waarmee men ze aanslaat, ligt. Een keggenbank behoort zo geconstrueerd te zijn dat de punten van de keggen, naar het achterschip wijzen, zodat ze door overkomend water eerder vaster, dan losser zullen geraken.
De in de handel zijnde keggen waren van essenhout. 8, 9 of 10 duim lang. 6 x 6 cm op de kop en 6 x 2 cm op het eind.
Het spreekt voor zich dat de draad van het hout in de lengterichting loopt.






~spalkklem, schalkklem, beugelklem:
gebogen stuk staal, met oogbout, of iets dergelijks, waarmee spalklatten op de dekzeilrand geklemd kunnen worden.




~spalklat, schalklat:
1> houten lat of metalen strip, waarmee dekzeilen vastgeklemd worden.
2> verwarrende benaming voor schalmbalk.





~span:
1> twee of meer vaartuigen, die gezamenlijk een vaartuig voortslepen. Zie ook: voor- en/of achterspan.
2> twee vaartuigen die samen een visnet voortslepen. Men spreekt dan van in span vissenof tandem varen.





~spandraad:
lijn, die over het dekzeil gespannen wordt, om te voorkomen dat het kleed, door de wind, te veel opbolt.





~spanijzer, spanningijzer:
metalen strip, dwars over het zwaard, dat samen met het D-stuk de zwaardposten bij elkaar hield. Tot in de 19de eeuw toegepast.





~spanner:
spanschroef, stagtalie of wanttalie.






~spanningijzer: spanijzer.





~spanschroef, wantspanner, stagspanner:
in lengte verstelbare, metalen constructie. Meestal gebruikt om staaldradenmet de gewenste spanning vast te kunnen zetten.
ENKELE WANTSPANNER / SPANSCHROEF
: een spanschroef bestaande uit een huls met daarin schroefdraad, waarin een soort van lange bout gedraaid wordt. Bout en huls zijn, al naar gelang het gebruik, voorzien van een bevestigingspunt in de vorm van een oog of gaffel.
DUBBELE WANTSPANNER / SPANSCHROEF
: spanschroef met een huls, waar vanaf beiden zijden een bout ingedraaid is. Beide bouten zijn voorzien van een bevestigingsmogelijkheid. De ene bout is meestal voorzien van rechts schroefdraad, de ander van links. Draait men de huls dan zullen beide buiten even ver in of uitgedraaid worden.





~spant:
1> lijn in het lijnenplan van het schip, die de omtrek van de dwarsdoorsnede van het schip op een bepaald punt, of de projectie daarvan, weergeeft. [A>]
2> algemene naam voor een willekeurig deel, of een combinatie van opeenvolgende delen, van het dwarsscheepsverband. Men kent ondermeer: dekbalken, draaispanten, het grootspant, kalven, kimknieën, kromhouten(2), het keerspant, leggers(2), oplangers, staanders, plaatspanten, raamspanten en webspanten. Vergelijk: inhout.
3>
de gezamelijke vanaf de kiel tot het bovenboord, of van bovenboord, via vlak, tot het andere bovenboord, in één dwarsscheeps vlak, achter elkaar liggende delen van het dwarsscheepsverband.

VOORSTE of ACHTERSTE SPANT
: het dichtst bij de, resp. voor- of achtersteven gelegen spant, dat geen draaispant is en op het vlak rust.






~spantafstand:
de afstand tussen twee opeenvolgende spanten van het schip.






~spantdubbeling:
bij geklonkenschepen: ruggelings tegen een spant aangebracht, tweede spant. Samen vormen ze een webspant.






~spantenbuiger:
mechanisch werktuig, waarmee men stalen spanten buigt. [A>] [T>]






~spantenplan, spantenraam:
deel van het lijnenplan, waarin de vertikale dwarsdoorsnedes op een groot aantal plaatsen zijn weergegeven. [A>]






~spantenraam:
1> houten mal, waarnaar de spanten gevormd worden.
2> de verzameling van opgestelde hulpspanten.
3>spantenplan.






~spantenvloer:
vlakke vloer waarop, aan de hand van het spantenplan, de halve spanten, op ware grootte, uitgetekend worden.






~spantvorm:
de dwarsdoorsnede van (één helft van) de romp.





~spanveer:
veerconstructie die tot doel heeft draden of kettingen strak gespannen te houden.
Spanveren worden ondermeer gebruikt in kettingstuurwerken. Over het algemeen worden hiervoor drukveren, die door middel van twee beugels, voor een trekspanning kunnen zorgen, gebruikt.

Gerelateerde term: schokveer.





~spanvisserij:
het vissen met behulp van twee schepen, die samen één visnet slepen.






~spanwant:
vrij onbekende term voor zijstagen, die met een lus rond de masttop liggen. @1x vermeld.






~sparboei: prikbaak.




~spatzeil:
dwarsscheeps voor een open stuurstand gespannen zeiltje, waarachter de roerganger enige beschutting kan vinden.





~specie, baggerspecie:
mengels van water en bagger, zand, klei en dergelijke, dat door een emmermolen of zuiger verwerkt wordt.





~speedboot:
engelse term voor een snelle motorboot.






~speedbotenbaan:
meestal buiten het grootscheepsvaarwater liggend vaarwater, waar, onder bepaalde voorwaarden, met hoge snelheid gevaren mag worden.






~speeljacht:
oude naam voor een jacht, dat hoofdzakelijk voor de pleziervaart gebouwd is. [A>]






~speelkooi: luikenbox.






~speelvaartuig:
oude naam voor een vaartuig, dat hoofdzakelijk voor het genoegen gebruikt wordt. Zie ook: pleziervaartuig en speeljacht.





~speen :
1> tepel, mannetje: soort van korte houten handspaak, die in een spaakgat gestoken wordt en waarop de ankerketting of tros vastgezet kan worden.
2> tepel, mannetje: houten stop, waarmee de naar boven gerichte spilgaten gevuld werden, opdat hier niet te veel water en vuil in zou komen te staan. Soms versierd met een mannenhoofd.
3> bij van Yk genoemde vertikale balken van de ankerbeting.
Het is mij niet bekend of de constructie van een ankerbeting ook op binnenvaartschepen toegepast is. Deze betekenis van speen is ondanks dat toch opgenomen omdat er een mogelijkheid bestaat dat een simpeler constructie zoals de samson, misschien ook speen genoemd werd.

4> uitsluitend in meervoudsvorm: zie spenen.





~speerflotte:
de verzameling binnenvaartschepen, die, tijdens de tweede wereldoorlog, voor de "operatie Seelöwe" verzameld waren. Een groot deel van deze vloot bestond uit gekopte vrachtschepen.





~speet:
pen of stokje waaraan bijv. paling of haring, voor het roken, geregen wordt.






~Spekbak:
1a> Hollandse schouw uit de omgeving van Hoorn.
b> Volgens sommigen echter een grote Lemmerschouw.

2> scheepstype: vrijwel rechthoekig, houten vaartuig, meestal gebruikt voor werkzaamheden langs of op, het water. Soms gewoon bak genoemd.

3> mogelijk ook gebruikt als algemene benaming voor een (zeilend) vissersschip. Zie ook Marker rondbouw.




~spekhaak:
onbekende term voor vleeshaak.






~spelevaart:
pleziervaart.





~spelevaren, schuitjevaren:
voor zijn genoegen varen.





~spenen:
verspaand ijzer, voornamelijk staalkrullen, als lading.





~spertijd:
periode tussen bedienigstijden, waarin een brug of sluis niet bediend wordt. Vergelijk: spitsuursluiting.






~speten:
vis aan een speet rijgen.





~speur:
open gelaten gedeelte tussen de planken welke het 'ruim' van het Giethoorns veervlot afdekken.






~Spido:
1> naam van een door Fop Smit rond 1919 opgezette dienst voor het vervoer van personenen in en om de Rotterdamse haven. In de beginperiode betrof het vaak personeel van zee- en binnenschepen en verzorgde men het personeelsvervoer van aan de haven gelegen bedrijven. De voorloper van de huidige watertaxi. Ook werd ook een post en pakketdienst naar in de haven liggende schepen onderhouden en was er bij Lobith-Tolkamer een afdeling actief.
Sinds de jaren dertig verzorgt men ook het vervoer naar toeristische attracties, wat later met rondvaarten en dagtochten verder uitgebreid werd, hetgeen thans het hoofdonderdeel van het bedrijf geworden is.

2> bij uitbreiding soort gelijke dienstverlening aan de binnenvaart door andere ondernemers.






~spidoboot:
1> in de binnenvaart: naam van de schepen van de Spido die in de Rotterdamse haven bemanning en personeel vervoerden.

2> in het algemeen: willekeurig vaartuig van de 'Spido".





~Spidodienst:
de door de Spido verzorgde vaarten.





~spie:
1> bij bepaalde scheepstypes: bij de stevens, boven de waterlijn uitstekend, driehoekig stukje van het vlak.
2> volgens sommigen: één der helften van de spiegel(2).





~spiegat, spijgat:
1> oude naam voor spuigat.
2> muizeling.





~spiegel:
1> achterkant van een vaartuig, wanneer dit gedeelte vrijwel vlak is.
2> anders kleurig (geschilderd) deel rond de achtersteven, ondermeer bij Skûtsjes. [nr.9 in A>]
3> kop: het boveneinde van een zwaard. [A> nr.5]





~spiegelgevecht, naumachie:
schijngevecht, meestal op het binnenwater, met kleine, meestal zeegaande, schepen gehouden.






~spiegelklamp:
1> kopklamp: vertikale houten klos achter de spiegel van het zwaard.
2> knie of klamp tegen de spiegel(1).
3> verwarrende naam voor aanvaarklamp.





~spiegelplaat:
dwarsscheeps schot, achterin een rubberboot, meestal bedoelt om de buitenboordmotor aan op te hangen.





~spiegelsloep:
sloep met hartvormige spiegel.





~spier:
1> een zwaar en stevig rondhout.
2> de giek aan een sprietzeil.






~spierkracht:
DOOR SPIERKRACHT VOORTBEWOGEN VAARTUIG
: term, die in veel reglementen gebruikt wordt. Meestal gebruikt voor een vaartuig dat door roeien, wrikken, peddelen, pagaaien of bomen (kloeten, punteren) voortbewogen wordt. Een vaartuig kan echter ook door middel van jagen of wegen met spierkracht voortbewogen worden.





~spijgat:
zie bij spuigat.





~spijker:
klein breeuwijzer voor kort werk. [A> afb. E]





~spijkerbed:
bijnaam voor een hekel.





~spijsolietanker, consumptieolie-tanker:
tankschip voor het vervoer van spijsolie [A>].
Tegenwoordig gebruiken veel mensen de term 'eetbare olietanker' i.p.v. spijsolie- of consumptieolie-tanker. In goed Nederlands staat de term 'eetbare olietanker' echter voor een olietanker, die men op zou kunnen eten!
 






~spil:
1> rol: cylindrisch voorwerp, dat rondgedraaid of getornd kan worden. Hieronder vallen ondermeer: de braadspil, de windas, de gangspil en de kaapstander.
2> soort verhaalkop met eigen aandrijving.






~spilgat:
gat in een spil, meestal vierkant, waarin een handspaak gestoken kan worden.





~spilstopper:
pal, die het terugdraaien van een spil belet.





~spin:
zware één-pits gasbrander.
Dit type brander werd gebruikt om vet, olie, pek en teer e.d. op te verwarmen. De oude types hadden 6 steunen waarop de pot of het vat kon staan, daartussen hing de brander. Van deze steunen hadden er drie 'poten'. Kleinere types volstonden met drie steunen. Latere types hadden meer het model van een 1-pits gascomfoor.






~spindel:
as met (rechthoekig of trapeziumvormig) schroefdraad, voorzien van een wiel of greep waarmee deze rondgedraaid kan worden.






~spindelolie:
smeerolie, die voornamelijk geschikt is om handspindels te smeren. Opgewarmde spindelolie werd ook gebruikt om de ruimen te olieën.






~spinnekop:
bijnaam voor een poliepgrijper.


Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken