Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
Woordenlijst Sim
~sim:
vissnoer van een hengel of de dobber hieraan.
~sjorren:
iets met touw stevig vast, dus zeevast, zetten.
~sjorring: 1> een ring waaraan iets vast gebonden kan worden. 2> verzamelnaam voor een aantal 'knopen', die uit een aantal rondtorns gevolgd door één of twee steken bestaan. Hieronder worden gerekend: de takeling, het bindsel, de muizing en de naaiing. 3> willekeurig touwwerk, waarmee voorwerpen aan boord vastgezet worden.
4> bepaald type geroeide of geboomdeSchouw, met een vlak dat aan voor en achterzijde sterk oploopt, waardoor het voor- en achterbord klein zijn. Vaak gebruikt als overzetboot. Zowel in hout als in staal gebouwd. [A>]
5> een vrachtschip dat voor z'n afmetingen wel veel laadvermogen, maar weinig ruiminhoud heeft. Het tegengestelde is een berger.
~sjouwhaalder,
gelegenheidsberger:
iemand, die er onder slechte omstandigheden op uittrekt, om met het verlenen van hulp aan schepen, die in moeilijkheden verkeren, wat (bij) te verdienen. Vergelijk: haai.
~skimmer:
engels woord misschien het best te vertalen met 'afschuimer'. In het water drijvend apparaat waarmee men olieverontreiniging van het water afzuigt.
Aangezien men zoveel mogelijk olie en zo min mogelijk water en vuil in de opslagtanks wenst te krijgen en dit vooral op roerig water een flink probleem kan vormen, zijn er tientallen verschillende apparaten ontwikkeld. Op rustig binnenwater gebruikt men vaak een bak of trechter met aan de onderzijde een pomp. Het geheel is voorzien van (een drietal) drijflichamen en wel dusdanig, dat de rand van de bak net onder het wateroppervlak ligt. De op het water drijvende olie zal over de rand van de bak stromen en kan dan weggepompt worden.
~S.K.S.,
Sintrale Kommisje Skūtsjesilen:
organisatie, die o.a. de wedstrijden tussen de aangesloten skūtsjes organiseert. Opgericht in 1946.
~Skūte:
soort tussenmaat tussen Skūtsje
en Friese Tjalk.
Voor de eerste vaak te breed en te veel holte, voor de
tweede niet genoeg holte, te licht gebouwd en een beetje te iele indruk, bovendien voorzien van
een vrij diep verzonken roef. De fok wordt net als bij het skūtsje op een botteloef gevoerd. De mast steekt meestal niet door het dek.
De meeste eigenaren zullen het eerder een Friese tjalk dan een Skūtsje noemen, anderen zullen het in de meeste
gevallen een skūtsje noemen. Het verschil tussen de skūte en het kofke is minimaal. Lees: Inleiding tot scheepstypes en tekst TJALKEN.
De benaming van dit scheepstype is lange tijd 'verloren geweest'. Het type wordt door G.J. Schutten in Verdwenen schepen, de houten beroepsvaartuigen, vrachtvaarders en vissersschepen van de Lage Landen beschreven.
: een slag, waarbij men geen hoogte wint, maar wel in een gunstiger positie komt. Wanneer dat laatste niet het geval is, noemt men het een verloren slag, of een misslag.
~slaggaard:
1> stok, met enkele merktekens, waarmee men kan bepalen of het vaarwater nog voldoende diepte heeft. 2> volgens sommigen een peilstok.
~slagrichting:
de wijze waarop bij touw en staaldraad de vezels, garens, draden of kardelen rond elkaar of rond de kern geslagen zijn.
Bij touw slaat men altijd tegen gesteld aan de voorgaande bewerking. Vezels zijn dus tegengesteld aan de garens, garens tegengesteld aan de kardelen en kardelen tegengesteld aan de lijn, touw of tros geslagen. Bij staaldraad kan men de draden zowel tegengesteld (kruisslag) als met de slag mee (langsslag) aan de slagrichting van het kardeel geslagen hebben.
~slagroomklopper: 1>vaartuig, meestal een vrachtschip, waarvan de schroef, bijvoorbeeld door het ontbreken van een schroeftunnel, veel lucht slaat. 2> spottende bijnaam voor kleine vrachtscheepjes. 3> bijnaam voor een electrische boegschroef, zoals die op pleziervaartuigen wel gebruikt worden. Ook knikkerbak genoemd.
~slatwerk:
het (uit)graven van een kanaal of haven, waarbij men zoveel mogelijk tracht te voorkomen, dat dit zich met water vult. Ook droog werk genoemd.
~Slechtaak,
Hollandse Slechtaak:
houten vrachtscheepje dat overeenkomsten met de houten Hagenaar vertoont. De Slechtaak heeft echter sterk afgeronde vormen. Vaak uitgerust met een paviljoen.
~slede,
slee: 1>sleep: onderdeel van een sleephelling. Een zware blak, waarop het schip met de kiel rust, die met behulp van een zware takel, door een goot, naar boven getrokken wordt
2> aantal op enige afstand van elkaar geplaatste sledebalken waarop een nieuw gebouwd schip geplaatst wordt wanneer het over het werfterrein verplaatst moet worden.
3> rechthoekig metalen frame waarin meerdere navigatielichten bevestigd kunnen zijn en dat, met behulp van de lichtval, langs de mast omhoog en omlaag gebracht kan worden.
~sledebalk:
zware houten balk, die gebruikt wordt voor het samenstellen van een slee voor de verplaatsing van een nieuw gebouwd schip.
Tijdens de bouw staat het schip meestal op werfstoelen. Indien het schip niet direct naast het water gebouwd wordt, zal het naar de oever verplaatst moeten worden. Hiervoor plaats men een groot aantal zware balken onder het schip. De bovenzijdes van deze balken worden in gevet. Daarna laat men het schip op de balken zakken en trekt het met lieren naar de oever, waarna de tewaterlating kan volgen.
onderdeel van de lamme-vlerk (zijschroefinstallatie). 1> telescopische asverbinding: cylindervormige bus, met vierkant gat of spiebaan, waarin één as vast gemonteerd is, terijl de andere as axiaal kan bewegen. Soms voorzien van de mogelijkheid de ene as vrij te laten draaien terwijl de andere stilstaat.
[A>tekening]
[T>zijschroeven] 2> de behuizing van de haakse overbrenging, wanneer de sleef (1) hierin ondergebracht is.
Ter informatie: In 1927 werd bij Vendhuile in het Canal de St. Quentin een convooi van 75 geladen schepen, totaal 21.375 ton en met een lengte van 3,3 km, samengesteld. Één electrische kettingboot trok deze sleep door het kanaalpand van 20 km lang en 5,20m breed. (Uit 'Binnenvaart' maart 1997).
EEN SLEEP AANMAKEN
: schepen, die tot dezelfde sleep behoren, één voor één, in de sleep opnemen.
~sleepaccomodatie:
uitrusting, die het mogelijk maakt te slepen.
De term wordt vooral gebezigd, wanneer men het over een schip heeft dat geen sleepboot is. De accomodatie omvat: een beting (met of zonder sleephaak) en/of sleeplier en vaak ook sleepbeugels over het achterschip of de roef.
~sleepagent:
(meestal door een rederij aangesteld) persoon, die met de schippers over een eventuele sleepreis onderhandelt.
2> in het spraakgebruik: een willekeurig vaartuig dat een ander vaartuig sleept.
3> alhoewel niet alsdus bedoeld toch bijna een scheepstype. Vrij slank vaartuig met steile, scherpe steven, oplopende zeeg, sterk geveegd achterschip met een sterk naar binnenvallend hek.
evenement waarbij een groot aantal sleepboten zich verzamelen.
Behalve een soort van vlootschouw is vaak ook het houden van trekproeven een publiekstrekker tijdens dit soort evenementen. De bekendate sleepboot dagen zijn de Nationale sleepbootdagen die jaarlijks, afwisselend in Vianen en Zwartsluis, vanaf Hemelvaartsdag tot de daarop volgende zondag gehouden worden en de sleepbootdagen te Woudsend.
~sleepbooteigenaar: reder, schipper of andere pacticulier, die een sleepboot in de vaart heeft.
~sleepbootman:
persoon, die op de sleepboten werkzaam is.
~sleepbootrederij, sleepbootonderneming:
bedrijf dat één of meerdere sleepboten exploiteerd. Vergelijk: sleepdienst.
~sleepbotenkont:
een achterschip zoals de meeste sleepboten uit de jaren 20-50 die hadden: sterk geveegd, laag op het water, een stevig berghout en een sterk naar binnenvallend hek. [A>]
~sleepbriefje: 1> door de schipper van een gesleept schip afgegeven verklaring waarin vermeld staat dat een bepaalde sleepboot het schip gesleept heeft. Zulks geschiedde onderandere met de vermelding van de duur van de sleepreis of de plaatsen waartussen gesleept werd.
2> (voornamelijk in de Rijnsleepvaart) door de sleepagent of het 'kantoor' aan de sleepbootkapitein afgegeven document waarin vermeld is welke schepen van waar naar waar gesleept moesten worden, hoe groot ze waren en hoeveel ton ze geladen hadden.
~sleepdek:
(het gedeelte van) het dek waarop de belangrijkste onderdelen voor het slepen geplaatst zijn. Voornamelijk van toepassing op Rijnsleepboten.
~sleepboottrawler:
tot trawler verbouwde (stoom)sleepboot. Dit soort vaartuigen schenen ondermeer voor de visserij op het wad en langs de kust gebruikt te worden.
~sleepduwboot,
duwsleepboot: 1>sleepboot, die voor het duwen van schepen geschikt gemaakt is. 2> aangezien 'sleep' het bijvoegelijk deel is: eigenlijk een duwboot, die voor sleepwerk geschikt is, maar in die zin nauwelijks ooit gebruikt. De term 'duwsleepboot' verdient dus de voorkeur.
~sleepduwschip,
duwsleepschip: 1>sleepschip, dat als duwbak gebruikt wordt of kan worden. Meestal alleen gebruikt voor die schepen, die voor dit doel verbouwd zijn. 2> aangezien 'sleep' het bijvoegelijk deel is: eigenlijk een duwschip, wat ook gesleept kan worden (wat in de meeste gevallen geen onmogelijkheid is), maar in die zin nauwelijks ooit gebruikt. De term 'duwsleepschip' verdient dus de voorkeur.
~sleepduwvlet: duwsleepboot van het type Vlet. Aangezien 'sleep' het bijvoegelijk deel is: eigenlijk: duwsleepvlet.
~sleepgelegenheid:
de mogelijkheid om aan een geschikte sleepboot tot het verslepen van een vaartuig te komen.
~sleepgerei:
de sleepverbinding en andere zaken, die bij het slepen nodig kunnen zijn.
aan de beting, of op de plaats van de beting, aangebrachte haakvormige constructie, die ook onder zware belasting geopend kan worden, waaraan de sleepdraden vast zitten. [A>]
De sleepkop kan een stuk buis met een paar, tot een bol of kegel gebogen, tralies er voor zijn. Het kan echter ook uit een bakvormige constructie met een zwaar rooster, al dan niet voorzien van messen welke de grond loswoelen, bestaan. Het gedeelte dat beroering met de bodem heeft noemt men de hiel.
sterk en meestal ook groot draadlier. Tegenwoordig meestal ook geschikt om in combinatie met een zware sleeptros te gebruiken.
Het sleeplier wordt in de binnenvaart niet vaak gebruikt. Meestal zijn alleen de grote havensleepboten, die de zeeschepen assisteren er mee uitgerust. Vroeger, zo ongeveer voor 1980, was het sleeplier ook op die schepen een uitzonderlijke verschijning.
~sleepring,
sleepoog:
tegen de voorsteven bevestigde ring waaraan een vaartuig gesleept of vast gelegd kan worden. Uitsluitend toegepast op kleine, meestal open, vaartuigen.
~sleepschip:
vaartuig, zonder eigen middel tot voortstuwing, dat bestemd is om door een sleepboot, of vroeger ook wel door paarden of ezels, voortgetrokken te worden. De term wordt vrijwel uitsluitend voor vrachtschepen, sleepvrachtschepen, gebruikt. Door sommigen ook Sleepkaan, Sleepaak, Sleepkast, Rijnlichter, enz. genoemd.
[A>]
Zie ook: jaagschuit.
~Sleepspits, walenmajol: sleepschip van het type Spits. De term is pas in de jaren dertig, toen de motorspitsen opgang maakten, in gebruik geraakt. De sleepspits wijkt slechts op enkele punten af van de bekendere motorspits. De kont, waar nu immers geen ruimte voor een schroef hoeft te zijn, loopt nu vrijwel rechtstandig tot het vlak door; de bovenrand, het boeisel, loopt vaak iets puntig op; het roer is groter; de roef is over het algemeen lager; de roef is vaak verder naar achter of soms midscheeps geplaatst. [A>]
gele cylinder, met aan beide uiteinden een zwarte en een witte band, die door een sleepboot, die sleept, op een duidelijk zichtbare plaats nabij het voorschip, gevoerd dient te worden.
De term cilinder of cylinder (oude spelling) is in sommige kringen gebruikelijker dan de term sleepton
~sleepvaartonderneming,
sleepvaartbedrijf,
sleepvaartdienst: 1> over het algemeen een firma, die behalve over sleepboten ook over schepen of (dek)schuiten beschikt. 2>sleepdienst.
~sleepverbod:
bepaling, die het varen met een sleep verbied.
~sleepvermogen:
Geen vastgestelde eenheid. Het werkelijke sleepvermogen van een sleepboot is de 'trekkracht op de beting'. Deze wordt uitgedrukt in tonnen.
vlet, die ingericht is voor het slepen van andere vaartuigen. Dit zou een geroeide vlet kunnen zijn, maar tegenwoordig is het altijd een motorsleepvlet.
~sleepzak:
zak van zeildoek, die aan de voorzijde door een stalen ring opengehouden wordt en door middel van een een touw met het gesleepte schip verbonden is. De sleepzak moet voorkomen dat het gesleepte vaartuig gaat gieren. In de binnenvaart weinig toegepast.
~sleepzuiger: zuiger waarbij de zuigbuis achterwaarts gericht is. Aan het einde van de zuigbuis bevindt zich de sleepkop.
Gerelateerde term: hopperzuiger.
: bepaald type strop, bestaande uit één grote ring van touw of ketting (soms staaldraad). Indien de sleng van touw gemaakt is wordt deze, naar de wijze waarop hij vaak gebruikt wordt, meestal pakstrop genoemd.
Velen verstaan echter onder een 'leng' dat gene wat volgens mij een snotter genoemd moet worden en noemen de zo juist beschreven strop een , grommer of grommet.
Gerelateerde term: glijhaak.
De term sleng of leng kan men onderandere vinden bij van Yk en in het Zeemanswoordenboek van A.C. Twent, al ontbreekt daar een duidelijk beschrijving van het uiterlijk. Ook in de 'Nieuwe taalgids' uit 1932 komt het woord ter sprake; het wordt daar omschreven als lus of strop. Kaj Lund vermeldt het woord echter wel met een duidelijke omschrijving en een afbeelding, namelijk die van een gesloten ring. Ook onder het Engelse woord 'sling' verstaan wij meestal een gesloten ring van touw, doek, of soort gelijk materiaal. In het Engels zelf, schijnen ook andere stroppen 'sling' genoemd te worden.
~slijs,
sleis:
onvoldoende bronnen gevonden!
Volgens de ene bron is het een werktuig om kolen en slakken op het vuurrooster van de stoomketel te verplaatsen en bestaat de sleis uit een lange stang met aan het uiteinde een half cirkelvormige stalen schijf.
Volgens een andere bron is het een soort van zware stalen pook waarmee men de slakken losstoot en breekt. Volgens dezelfde bron is het hiervoor beschreven instrument een vuurhaak of een vuurijzer.
~slikloods: loods op de Waddenzee, de Zuid-Hollandse of Zeeuwse stromen.
~slikpraam: 1>'Langedijker' praam, (meestal een driekwarter) ingericht voor het vervoer van bagger. 2> mogelijk een algemene naam voor een modderschuit of -praam.
~slingerkiel:
smalle strook, die langsscheeps, haaks op de kim, aangebracht is. De slingerkiel moet het rollen (slingeren) van het vaartuig dempen. Ze worden bijna uitsluitend op Vletten en enkele moderne vissersschepen toegepast. [A>nr.1] Vergelijk: kimkiel.
~slingerlat,
slingerrand:
lat of rand, die moet voorkomen dat voorwerpen van planken, tafels, enz. of uit kasten schuiven.
pen aan het stuurrad, waarmee men het stuurrad kan rondslingeren. De pen was meestal wegklapbaar gemaakt, zodat men er geen last van hoefde te hebben, wanneer hij niet gebruikt werd.
~slingerpons:
werktuig, met een grote zware slinger, waarmee men gaten in staal kan ponsen.
[A>]
[T>]
~slingerruit:
cirkelvormig raampje, dat met behulp van een electromotortje met grote snelheid rondgedraaid wordt. Door de draaiende beweging wordt al het regen- en buiswater direct van het raam geslingerd. Slingerruiten worden voornamelijk toegepast op kleine vaartuigen, die vaak op ruw water opereren. [A>]
~slingerschaar:
mogelijk onjuiste term voor balschaar.
~slingerschot:
schot in een tank, dat de bewegingen van de vloeistof in de tank moet dempen.
~slingerwant: 1>takels tussen het boord en de voorste zijstagen, waarmee men er, tijdens het strijken van de mast, voor kan zorgen dat de stagen strak blijven staan, zodat de mast, tijdens het strijken, niet noemenswaardig kan gaan slingeren. Zie ook: kur, strijkwant. 2> volgens enkelen een soort smeerreep, hetgeen mij niet juist lijkt.
~slingerzeil,
steunzeil:
klein zeil dat men voert om het rollen van het vaartuig (bijv. wanneer men op groot water stilligt) te beperken.
~sloep: 1> algemene benaming voor een reddingboot aan boord van een zeeschip. 2> aan boord van zeilende zeeschepen: de grootste boot aan boord. 3>vaartuig met een vrij scherpe voor- en achterkant, met steile stevens. Het achterschip van de spiegelsloep eindigt echter in een hartvormige spiegel. Sloepen zijn o.a. als vissersschip in gebruik geweest.
~sloffe,
slof:
Gronings voor: 1>loefbijter, in het bijzonder een aangezette. 2> een op een Hasselteraak gelijkend schip, echter duidelijk wat hoekiger en vlakker.
~slooiknie:
in de zeevaart gebruikte benaming voor een soort slemphout.
~sloopregeling:
naam van verschillende door de overheid ingestelde regelingen, die tot doel hadden het overschot aan scheepsruimte te verminderen en de binnenvaartvloot te moderniseren.
~sloopschip: schip dat bestemd is gesloopt te gaan worden of gesloopt wordt.
~slooptonnage:
een voor de sloop bestemd schip, waarvan het laadvermogen voor de 'oud voor nieuw' regeling, aangewend kan worden.
~slothoutje: 1> zie borghoutje. 2> zie wrevel. 3>
houtje door de hieling van de steng, dat geplaatst wordt wanneer de schietreep vervangen moet worden.
~sluis,
schut: 1>kunstwerk, dat tot doel heeft het waterniveau, aan één der zijdes van de sluis, te handhaven of onder controle te kunnen houden.
Zie ook stuw, keersluis.
~sluishoofd,
sluisdeurhoofd:
1> soort dam(2), met daarin een, met één of twee sluisdeuren afgesloten, opening.
[A>,
A>] 2> elk der zijkanten van de opening in het sluishoofd(1).
~sluiskade:
weinig gebruikte term voor het horizontale deel dat grenst aan de sluiskolk.
~sluiskelder,
kelder:
onder en vlak achter de (hoge) deuren van een sluis geschapenruimte waarin het water uit de omloopriolen vloeit.
Bij een groot verval is de kracht waarmee het water in een sluis loopt zo groot dat de schepen in de sluis daar ernstige hinder van zouden kunnen ondervinden. Opdat het water een groot deel van zijn energie kwijt zal raken zijn daarom de openingen waardoor het water de sluis binnen vloeit naar elkaar toegericht waardoor de twee stromen met elkaar in botsing komen. Wanneer dat niet toereikend is contrueerd men een kelder waarin het wervelende water eerst nog verder tot rust kan komen voordat het in de eigenlijke kolk geraakt.
~sluisknecht:
onder de sluismeester of -wachter aangesteld persoon, die de sluis bedient.
~sluiskolk,
schutkolk,
schutkamer,
kolk,
sas:
de ruimte tussen de sluisdeuren.
EEN GROENE KOLK
: een sluis waarvan alleen de sluishoofden van steen of beton zijn. De rest, dus de kolk, bestaat uit de natuurlijke oever. [A>] Ook een groene sluis genoemd.
~sluispot: 1> in de sluismuur, verzonken aangebrachte, voorziening, waaraan een schip kan vast maken. [A>nr.1][A>] Vergelijk: muurkluis. 2> constructie waarin het tolpunt van de sluisdeur rust en daarmee een taats vormend.
~sluiswand,
kolkwand:
de zijkanten van de sluiskolk. Vergelijk: sluismuur.
~sluiswater,
schutwater:
het water dat bij het schutten verplaatst wordt.
De hoeveelheid water, die bij een schutting "verloren" wordt bepaald door de oppervlakte van de kolk tussen de sluisdeuren en het verschil tussen de hoge en de lage waterstand en blijft ongewijzigd of er nu wel of geen schepen in de sluis liggen. Alleen het aantal schepen of scheepstonnen dat per kubieke meter schutwater 'verplaatst' wordt, verandert daar door.
~sluitbalk:
1> balk, die over (de dekzeilen en) het uiteinde van de luiken gelegd en met touwen en/of kettingen vastgezet wordt. Vergelijk schalmbalk. 2>sluitboom.
~sluitboom: 1> balk of boomstam, waarmee de doorvaart verspert wordt. Ondermeer gebruikt in waterpoorten, in de doorvaart van een paalgording en op plaatsen waar tol geheven werd. Zie ook: stadsboom. 2>sluitbalk.