banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst Sim



~sim:
vissnoer van een hengel of de dobber hieraan.





~simmen:
Duits voor inzwemmen.




~Simplex:
Simplex-as
: bepaald fabrikaat oliegesmeerde schroefas.






~sintel:
ovaal metalen plaatje, aan de zijkanten voorzien van een puntig uiteinde dat in hout gedreven kan worden. Zie ook: sintelen.






~sintelen:
het afdekken van een breeuwnaad met sintels.






~sintelwerk:
een met metalen plaatjes afgedekte breeuwnaad.






~SI-nummer:
letter-cijfercombinatie die bij het scheepsattest hoort.






~sjorlier, ratellier:
combinatie van een verhaalkop en kamrad met pal, gebruikt om niet al te zwaar belaste vallen aan te kunnen halen.






~sjoroog:
zeilkous in de zoom van een dekzeil.






~sjorren:
iets met touw stevig vast, dus zeevast, zetten.






~sjorring:
1> een ring waaraan iets vast gebonden kan worden.
2> verzamelnaam voor een aantal 'knopen', die uit een aantal rondtorns gevolgd door één of twee steken bestaan. Hieronder worden gerekend: de takeling, het bindsel, de muizing en de naaiing.
3> willekeurig touwwerk, waarmee voorwerpen aan boord vastgezet worden.






~sjouw:
1> een bergings- of sleepklus.
2> 
DE VLAG IN SJOUW HEBBEN
: in nood verkeren. Als noodsein werd soms de natievlag ondersteboven, of met een knoop er in, gehesen.






~sjouwerman:
1> eigenlijk willekeurig persoon, die in loondienst goederen draagt en verplaatst.

2> stuwadoor: in de binnenvaart: iemand, die werkt aan het met handkracht laden of lossen van een vaartuig.

3>
HALVE of HELE SJOUWERMAN
: bepaalde stopperknoop, gelegd met de kardelen van het touw.

4> bepaald type geroeide of geboomde Schouw, met een vlak dat aan voor en achterzijde sterk oploopt, waardoor het voor- en achterbord klein zijn. Vaak gebruikt als overzetboot. Zowel in hout als in staal gebouwd. [A>]

5> een vrachtschip dat voor z'n afmetingen wel veel laadvermogen, maar weinig ruiminhoud heeft. Het tegengestelde is een berger.






~sjouwhaalder, gelegenheidsberger:
iemand, die er onder slechte omstandigheden op uittrekt, om met het verlenen van hulp aan schepen, die in moeilijkheden verkeren, wat (bij) te verdienen. Vergelijk: haai.






~sjouwtje:
onverwacht of kort durend werk voor een sleepboot of bergingsvaartuig. Soms ook gebruikt voor een kortdurende reis voor een vrachtschip.






~skahander: scafhander.





~skimmer:
engels woord misschien het best te vertalen met 'afschuimer'. In het water drijvend apparaat waarmee men olieverontreiniging van het water afzuigt.
Aangezien men zoveel mogelijk olie en zo min mogelijk water en vuil in de opslagtanks wenst te krijgen en dit vooral op roerig water een flink probleem kan vormen, zijn er tientallen verschillende apparaten ontwikkeld. Op rustig binnenwater gebruikt men vaak een bak of trechter met aan de onderzijde een pomp. Het geheel is voorzien van (een drietal) drijflichamen en wel dusdanig, dat de rand van de bak net onder het wateroppervlak ligt. De op het water drijvende olie zal over de rand van de bak stromen en kan dan weggepompt worden.

Gerelateerde term: oliebetrijdingsmiddel.





~S.K.S., Sintrale Kommisje Skūtsjesilen:
organisatie, die o.a. de wedstrijden tussen de aangesloten skūtsjes organiseert. Opgericht in 1946.






~Skūte:
soort tussenmaat tussen Skūtsje en Friese Tjalk.  Voor de eerste vaak te breed en te veel holte, voor de tweede niet genoeg holte, te licht gebouwd en een beetje te iele indruk, bovendien voorzien van een vrij diep verzonken roef. De fok wordt net als bij het skūtsje op een botteloef gevoerd. De mast steekt meestal niet door het dek.
De meeste eigenaren zullen het eerder een Friese tjalk dan een Skūtsje noemen, anderen zullen het in de meeste gevallen een skūtsje noemen.
Het verschil tussen de skūte en het kofke is minimaal.
Lees: Inleiding tot scheepstypes en tekst TJALKEN.
De benaming van dit scheepstype is lange tijd 'verloren geweest'. Het type wordt door G.J. Schutten in Verdwenen schepen, de houten beroepsvaartuigen, vrachtvaarders en vissersschepen van de Lage Landen beschreven.






~Skūtsje:
1> mogelijk geheel verdwenen scheepstype, voorloper van het huidige skūtsje, maar hooguit een meter of twaalf en daardoor wat ronder van lijn.

2> zeilend kanaalscheepje met ronde vormen en kromme steven, sterk naar binnenvallend boeisel op voor- en achterschip, breed berghout met stuiten, gaffeltuig met de fok op een botteloef, uitgerust met een zogenaamde onderstijker voorzien van een wegerij, diepverzonkenroef, over het algemeen tot rond de 3,5 m breed, holte meestal rond 1,2m. [A>]
Lees verder: Inleiding tot scheepstypes en de tekst Skūtsjes.

3> vaak ook gebruikt als 'synoniem' voor Skūte.





~skūtsjesilen:
het wedstrijdzeilen met Skūtsjes.






~skūtsjesschipper:
schipper, die op een skūtsje vaart of gevaren heeft.






~skuutman:
ander woord voor visser in o.a. Enkhuizen en Den Oever.






~slaags:
SLAAGS brengen
: een schip op de te varen koers leggen.
SLAAGS LIGGEN
: met gehesen zeilen, klaar voor vertrek liggen.
SLAAGS RAKEN
: de wind in de zeilen krijgen.





~slaan:
1> het laten draaien van de schroef.
VOORUIT of ACHTERUIT SLAAN
: de schroef dusdanig laten draaien dat het schroefwater naar achter, resp. naar voor gericht is.

LUCHT SLAAN
: bij het laten draaien van de schroef veel lucht aanzuigen. Vergelijk: doorslaan.

2> het, op een bepaalde wijze, ineendraaien van garens of kardelen om hiervan touw te maken.
Zie ook bij geslagen. Gerelateerde termen: luiken, lijnbaan, touwmachine.





~slaapkooi:
kooi om in te slapen. Gebruikt om onderscheid te kunnen maken met de zeilkooi.






~slack: loos.






~slag:
1> bij het roeien, wrikken e.d.: het eenmaal heen en weer bewegen van de spaan.

2> streek: bij het laveren: de tijd of de afstand tussen twee opeenvolgende keren overstag gaan. Zie ook: strekboeg, slagboeg.
EEN LOZE SLAG
: een slag, waarbij men geen hoogte wint, maar wel in een gunstiger positie komt. Wanneer dat laatste niet het geval is, noemt men het een verloren slag, of een misslag.

3> van touw of staaldraad:
a> de wijze waarop het geslagen is.
TEGEN DE SLAG IN
: tegen de richting, waarin het touw geslagen is, in. Een sterke draai tegen de slag in veroorzaakt een kink.

b> een kleine rondtorn die steeds opnieuw in het touw zal verschijnen. Deze ontstaat wanneer het touw te sterk met de slag(3a) mee ineen gedraaid is.

c> de wijze waarop het opgebocht is.

DE FRANSE SLAG
: het afwisselend met een rondtorn en halve steek opbochten. Voornamelijk gebruikt voor het opbochten van slang e.d.

d> een rondtorn of contrarondtorn.







~slagbalk:
Onderdeel van of aan een sluisdeur.






~slagboeg:
tijdens het laveren: de korte slag. Zie ook: strekboeg.






~slagdrempel, slagdorpel, jokdorpel:
opstaande rand op de sluisdrempel of sluisvloer, waartegen de sluisdeuren sluiten. Men onderscheidt de onderslagdorpel en de bovenslagdorpel.






~slaggaard:
1>
stok, met enkele merktekens, waarmee men kan bepalen of het vaarwater nog voldoende diepte heeft.
2> volgens sommigen een peilstok.





~slagrichting:
de wijze waarop bij touw en staaldraad de vezels, garens, draden of kardelen rond elkaar of rond de kern geslagen zijn.
Bij touw slaat men altijd tegen gesteld aan de voorgaande bewerking. Vezels zijn dus tegengesteld aan de garens, garens tegengesteld aan de kardelen en kardelen tegengesteld aan de lijn, touw of tros geslagen.
Bij staaldraad kan men de draden zowel tegengesteld (kruisslag) als met de slag mee (langsslag) aan de slagrichting van het kardeel geslagen hebben.






~slagroomklopper :
1>vaartuig, meestal een vrachtschip, waarvan de schroef, bijvoorbeeld door het ontbreken van een schroeftunnel, veel lucht slaat.
2> spottende bijnaam voor kleine vrachtscheepjes.
3> bijnaam voor een electrische boegschroef, zoals die op pleziervaartuigen wel gebruikt worden. Ook knikkerbak genoemd.






~slagputs: puts.






~slagzij:
1> het, door een verkeerde gewichtsverdeling veroorzaakte, zijdelings overhellen van een vaartuig. Verwante term: dwarsligging.

2> minder juist: het overhellen door de winddruk in de zeilen.





~slak:
1> aaneen gekoekte brandstofresten van vaste brandstoffen zoals steenkool.
slakken trekken
: zie slakken.

2> zie bij rinket.



~slakken, slakken trekken:
slakken uit de vuurhaard verwijderen, dus eigenlijk "ontslakken".





~slakkendeur:
onderdeel brandstofvergasser. Afsluitbare opening waarlangs men slakken en as kan verwijderen. Zie ook
ontslakkingsmond.





~slakkenploeg:
zie asploeg.





~slakkenvaarder:
een schip dat of een schipper die, met hoogovenslakken vaart.







~slampamper:
vrij onbekende term voor de bevestiging van het uiteinde van de ankerketting aan het schip.






~slangenkist:
lange smalle houten kist, waarin de slangen, waarmee een tankschip aan de leidingen aan de wal gekoppeld wordt, opgeslagen worden.





~slangenbezweerder:
bijnaam voor degene, die, vanaf de wal, het laden en lossen van tankschepen dirigeert (?walkapitein?).
De term is mogelijk alleen in zeer kleine kring in gebruik (geweest).






~slaper:
verlenging van de kimweger tot in de ronding van kop of kont. [A>]






~slapping: schurftplatting.






~slatwerk:
het (uit)graven van een kanaal of haven, waarbij men zoveel mogelijk tracht te voorkomen, dat dit zich met water vult. Ook droog werk genoemd.





~Slechtaak, Hollandse Slechtaak:
houten vrachtscheepje dat overeenkomsten met de houten Hagenaar vertoont. De Slechtaak heeft echter sterk afgeronde vormen. Vaak uitgerust met een paviljoen.





~slechten: uitslechten of afslechten.





~slede, slee:
1> sleep: onderdeel van een sleephelling. Een zware blak, waarop het schip met de kiel rust, die met behulp van een zware takel, door een goot, naar boven getrokken wordt

2> aantal op enige afstand van elkaar geplaatste sledebalken waarop een nieuw gebouwd schip geplaatst wordt wanneer het over het werfterrein verplaatst moet worden.

3> rechthoekig metalen frame waarin meerdere navigatielichten bevestigd kunnen zijn en dat, met behulp van de lichtval, langs de mast omhoog en omlaag gebracht kan worden.





~sledebalk:
zware houten balk, die gebruikt wordt voor het samenstellen van een slee voor de verplaatsing van een nieuw gebouwd schip.
Tijdens de bouw staat het schip meestal op werfstoelen. Indien het schip niet direct naast het water gebouwd wordt, zal het naar de oever verplaatst moeten worden. Hiervoor plaats men een groot aantal zware balken onder het schip. De bovenzijdes van deze balken worden in gevet. Daarna laat men het schip op de balken zakken en trekt het met lieren naar de oever, waarna de tewaterlating kan volgen.






~sledehelling:
zie sleephelling.





~sleef:
onderdeel van de lamme-vlerk (zijschroefinstallatie).
1> telescopische asverbinding: cylindervormige bus, met vierkant gat of spiebaan, waarin één as vast gemonteerd is, terijl de andere as axiaal kan bewegen. Soms voorzien van de mogelijkheid de ene as vrij te laten draaien terwijl de andere stilstaat. [A> tekening] [T> zijschroeven]
2> de behuizing van de haakse overbrenging, wanneer de sleef (1) hierin ondergebracht is.





~sleep:
1> het geheel van een vaartuig dat sleept en dat gene, dat door dat vaartuig gesleept wordt. [A>]
Zie ook: sleeptrein, gekoppeld slepen, bovensleep en Luikse sleep.

2> dat gene dat gesleept wordt.
Ter informatie: In 1927 werd bij Vendhuile in het Canal de St. Quentin een convooi van 75 geladen schepen, totaal 21.375 ton en met een lengte van 3,3 km, samengesteld. Één electrische kettingboot trok deze sleep door het kanaalpand van 20 km lang en 5,20m breed. (Uit 'Binnenvaart' maart 1997).


EEN SLEEP AANMAKEN
: schepen, die tot dezelfde sleep behoren, één voor één, in de sleep opnemen.

3> zie bij slede.






~sleepaak:
1>
vrachtschip, van het type aak, zonder eigen voortstuwing.
2> volgens sommigen: een sleepkast, met geringe holte.
3> lekenterm voor een sleepschip.






~sleepaccomodatie:
uitrusting, die het mogelijk maakt te slepen.
De term wordt vooral gebezigd, wanneer men het over een schip heeft dat geen sleepboot is. De accomodatie omvat: een beting (met of zonder sleephaak) en/of sleeplier en vaak ook sleepbeugels over het achterschip of de roef.






~sleepagent:
(meestal door een rederij aangesteld) persoon, die met de schippers over een eventuele sleepreis onderhandelt.





~sleepbak, losbak:
in een beugel opgehangen, kantelbare, rechthoekige bak,  waarmee o.a. zelflossers de lading konden 'scheppen'. [T>]





~sleepbeting:
bijna altijd verkort tot beting.






~sleepbeugel, sleepboog, overloop:
boogvormige stalen constructie op het achterschip van sleepboten. [A>nr.3]
Vooral in de Rijnvaart spreekt men van OVERLOOP, daar buiten is de term sleepbeugel of sleepboog meer in zwang.

Gerelateerde termen: beretand, beting, sleephaak, strangenlier.






~sleepbok:
over of achter de strangenlier geplaatste constructie waarop de strangenklemmen en de draadgeleidingen, vaak rollenklampen, geplaatst zijn.






~sleepbol:
dagteken; een gele bol, die door een vaartuig, dat gesleept wordt gevoerd  moet worden. [A>]






~sleepbolder:
zware bolder of beting. Kan zowel op het achterschip van het slepende, als op het voorschip van het gesleepte vaartuig voorkomen.






~sleepboog: sleepbeugel.





~sleepboot:
1> sleper, trekker:
vaartuig, dat gebouwd is om andere vaartuigen te slepen. [A> afbeeldingen menu]
[ES> varenderfgoed.nl]
Verwante termen: kettingboot, sattelslepper, Amsterdammer, Sleepvlet, slepend vrachtschip, en diverse woorden met sleepboot [L> 'doelzoeker']

2> in het spraakgebruik: een willekeurig vaartuig dat een ander vaartuig sleept.

3> alhoewel niet alsdus bedoeld toch bijna een scheepstype. Vrij slank vaartuig met steile, scherpe steven, oplopende zeeg, sterk geveegd achterschip met een sterk naar binnenvallend hek.





~sleepbootdag(en):
evenement waarbij een groot aantal sleepboten zich verzamelen.
Behalve een soort van vlootschouw is vaak ook het houden van trekproeven een publiekstrekker tijdens dit soort evenementen. De bekendate sleepboot dagen zijn de Nationale sleepbootdagen die jaarlijks, afwisselend in Vianen en Zwartsluis, vanaf Hemelvaartsdag tot de daarop volgende zondag gehouden worden en de sleepbootdagen te Woudsend.






~sleepbooteigenaar:
reder, schipper of andere pacticulier, die een sleepboot in de vaart heeft.






~sleepboothulp:
door een sleepboot of ander motorvaartuig verrichtte of te verrichten dienst. Zie ook: slepen, assisteren, bergen en vlottrekken.






~sleepbootman:
persoon, die op de sleepboten werkzaam is.





~sleepbootrederij, sleepbootonderneming:
bedrijf dat één of meerdere sleepboten exploiteerd. Vergelijk: sleepdienst.




~sleepbotenkont:
een achterschip zoals de meeste sleepboten uit de jaren 20-50 die hadden: sterk geveegd, laag op het water, een stevig berghout en een sterk naar binnenvallend hek. [A>]






~sleepbriefje:
1> door de schipper van een gesleept schip afgegeven verklaring waarin vermeld staat dat een bepaalde sleepboot het schip gesleept heeft. Zulks geschiedde onderandere met de vermelding van de duur van de sleepreis of de plaatsen waartussen gesleept werd.

2> (voornamelijk in de Rijnsleepvaart) door de sleepagent of het 'kantoor' aan de sleepbootkapitein afgegeven document waarin vermeld is welke schepen van waar naar waar gesleept moesten worden, hoe groot ze waren en hoeveel ton ze geladen hadden.






~sleepdek:
(het gedeelte van) het dek waarop de belangrijkste onderdelen voor het slepen geplaatst zijn. Voornamelijk van toepassing op Rijnsleepboten.






~sleepdienst, sleepbootmaatschappij, sleepvaartdienst:
rederij of een verband van partikuliere schippers met sleepboten.
Zie ook: sleepbootrederij.






~sleepboottrawler:
tot trawler verbouwde (stoom)sleepboot. Dit soort vaartuigen schenen ondermeer voor de visserij op het wad en langs de kust gebruikt te worden.






~sleepdraad:
1> strang, sleepkabel: staaldraad waarmee een schip gesleept wordt.
2> willekeurige sleepverbinding van touw, staaldraad of ketting.






~sleepduwboot, duwsleepboot:
1> sleepboot, die voor het duwen van schepen geschikt gemaakt is.
2> aangezien 'sleep' het bijvoegelijk deel is: eigenlijk een duwboot, die voor sleepwerk geschikt is, maar in die zin nauwelijks ooit gebruikt. De term 'duwsleepboot' verdient dus de voorkeur.






~sleepduwschip, duwsleepschip:
1> sleepschip, dat als duwbak gebruikt wordt of kan worden. Meestal alleen gebruikt voor die schepen, die voor dit doel verbouwd zijn.
2> aangezien 'sleep' het bijvoegelijk deel is: eigenlijk een duwschip, wat ook gesleept kan worden (wat in de meeste gevallen geen onmogelijkheid is), maar in die zin nauwelijks ooit gebruikt. De term 'duwsleepschip' verdient dus de voorkeur.






~sleepduwvlet:
duwsleepboot van het type Vlet. Aangezien 'sleep' het bijvoegelijk deel is: eigenlijk: duwsleepvlet.







~sleepgelegenheid:
de mogelijkheid om aan een geschikte sleepboot tot het verslepen van een vaartuig te komen.






~sleepgerei:
de sleepverbinding en andere zaken, die bij het slepen nodig kunnen zijn.





~sleephaak, trekveer:
aan de beting, of op de plaats van de beting, aangebrachte haakvormige constructie, die ook onder zware belasting geopend kan worden, waaraan de sleepdraden vast zitten. [A>]





~sleephelling, sledehelling:
helling, waarbij de schepen, zonder hellingwagens, maar met een slede, de helling opgetrokken worden.
Gerelateerde term: stoomsleephelling.





~sleephopperzuiger:
hopperzuiger waarbij de zuigbuis achterwaarts gericht is.





~sleepijzer:
stalen strip op de zijkanten van het zwaard.





~Sleepkaan, Sleepkahn:
1> soms gebruikt als synoniem voor sleepschip. Zie ook Kaan.
2> sleepschip van het type Keen.





~sleepkabel:
1> dikke sleeptros.
2> sleepdraad(1).






~Sleepkahn: zie Sleepkaan.





~Sleepkast:
sleepschip van het type Kast.
Soms ook Rijnlichter, Sleepkaan, Sleepaak, rijnaak, enz. genoemd.





~Sleepkempenaar:
sleepschip van het type Kempenaar. De term is pas in de jaren dertig, toen niet alle Kempenaars nog sleepschepen waren, in gebruik geraakt.





~sleepklus:
iets moeten slepen. Meestal gebruikt wanneer dit onverwachts komt of slechts kort duurt.





~sleepkop:
apart deel aan het uiteinde van de zuigbuis van een sleepzuiger.
De sleepkop kan een stuk buis met een paar, tot een bol of kegel gebogen, tralies er voor zijn. Het kan echter ook uit een bakvormige constructie met een zwaar rooster, al dan niet voorzien van messen welke de grond loswoelen, bestaan. Het gedeelte dat beroering met de bodem heeft noemt men de hiel.






~sleeplicht:
geel heklicht, dat tijdens het slepen door de sleepboot gevoerd wordt.





~sleeplier:
sterk en meestal ook groot draadlier. Tegenwoordig meestal ook geschikt om in combinatie met een zware sleeptros te gebruiken.
Het sleeplier wordt in de binnenvaart niet vaak gebruikt. Meestal zijn alleen de grote havensleepboten, die de zeeschepen assisteren er mee uitgerust. Vroeger, zo ongeveer voor 1980, was het sleeplier ook op die schepen een uitzonderlijke verschijning.

Zie ook: strangenlier.





~sleeplijn:
1> dunne sleeptros.
2> algemene benaming voor een sleepverbinding.






~sleeploon:
geld dat men voor het zich laten slepen moet betalen. Zie ook: hulploon.






~sleepmotorschip:
andere benaming voor een slepend vrachtschip. Zie aldaar.





~sleepnet:
zakvormig visnet, dat men over de bodem van het water trekt. Zie ook: kor.






~sleepnetvisserij:
vorm van visserij waarbij men gebruik maakt van zakvormige visnetten die men over de bodem sleept.






~sleepoog: zie sleepring.






~sleeporgaan:
ten behoeve van het slepen van vaartuigen aangebrachte voorziening aan boord van een schip.





~sleepreis:
de tocht die een sleep maakt.






~sleepring, sleepoog:
tegen de voorsteven bevestigde ring waaraan een vaartuig gesleept of vast gelegd kan worden. Uitsluitend toegepast op kleine, meestal open, vaartuigen.






~sleeproeder , sleeproer:
roer dat achteraan het schip bevestigd is en met touwen of takels aan het roerblad bediend wordt.






~sleepschip:
vaartuig, zonder eigen middel tot voortstuwing, dat bestemd is om door een sleepboot, of vroeger ook wel door paarden of ezels, voortgetrokken te worden. De term wordt vrijwel uitsluitend voor vrachtschepen, sleepvrachtschepen, gebruikt. Door sommigen ook Sleepkaan, Sleepaak, Sleepkast, Rijnlichter, enz. genoemd. [A>]
Zie ook: jaagschuit.






~sleepsein:
dagteken of navigatielicht dat men tijdens het slepen voert. Een sleepton, sleepbol, sleeplicht of sleepvlag.






~Sleepspits, walenmajol:
sleepschip van het type Spits. De term is pas in de jaren dertig, toen de motorspitsen opgang maakten, in gebruik geraakt. De sleepspits wijkt slechts op enkele punten af van de bekendere motorspits. De kont, waar nu immers geen ruimte voor een schroef hoeft te zijn, loopt nu vrijwel rechtstandig tot het vlak door; de bovenrand, het boeisel, loopt vaak iets puntig op; het roer is groter; de roef is over het algemeen lager; de roef is vaak verder naar achter of soms midscheeps geplaatst. [A>]






~sleepstrang:
zie strang.






~sleeptanker:
zie sleeptankschip.





~sleeptankschip, tanksleepschip, sleeptanker:
tanker bestemd omgesleept te worden.
Voor zover bekend is de oudste binnenvaarttanker het in 1889 gebouwde sleeptankschip Carolin (helaas geen gegevens bekend).






~sleepton, cylinder, cilinder:
gele cylinder, met aan beide uiteinden een zwarte en een witte band, die door een sleepboot, die sleept, op een duidelijk zichtbare plaats nabij het voorschip, gevoerd dient te worden.
De term cilinder of cylinder (oude spelling) is in sommige kringen gebruikelijker dan de term sleepton
.




~sleeptouw:
[U>]
1> touw waarmee men sleept. Vergelijk: sleeptros, vanglijn.
2>
algemene term voor een sleepverbinding.
IETS OP SLEEPTOUW HEBBEN/NEMEN
: iets gaan slepen/ iets slepen.






~sleeptrein:
een sleep bestaande uit een flink aantal, of een grote lengte aan, gesleepte schepen. [A>] [A> film]






~sleeptros:
dik touw, waarmee men sleept.






~sleepvaart:
eigenlijk alle scheepvaart, waarbij gesleept wordt, maar meestal alleen gebruikt voor de vrachtvaart met sleepschepen.






~sleepvaartbedrijf:
een sleepdienst of sleepvaartonderneming.






~sleepvaartdienst:
een sleepdienst of sleepvaartonderneming.






~sleepvaartonderneming, sleepvaartbedrijf, sleepvaartdienst:
1> over het algemeen een firma, die behalve over sleepboten ook over schepen of (dek)schuiten beschikt.
2> sleepdienst.






~sleepverbinding:
datgene waaraan een sleepboot een vaartuig voortsleept: een tros, een staaldraad en soms een ketting.






~sleepverbod:
bepaling, die het varen met een sleep verbied.






~sleepvermogen:
Geen vastgestelde eenheid. Het werkelijke sleepvermogen van een sleepboot is de 'trekkracht op de beting'. Deze wordt uitgedrukt in tonnen.





~sleepvlag, blokvlag:
rode vlag met in het midden een witte rechthoek.
In bepaalde kringen is de term blokvlag gebruikelijker, dan sleepvlag
.




~Sleepvlet:
vlet, die ingericht is voor het slepen van andere vaartuigen. Dit zou een geroeide vlet kunnen zijn, maar tegenwoordig is het altijd een motorsleepvlet.






~sleepvrachtschip:
vrachtschip zonder eigen voortstuwing, meestal sleepschip genoemd.






~sleepwerk, sleperij:
het werk, dat men met een sleepboot uitvoert.






~sleepzak:
zak van zeildoek, die aan de voorzijde door een stalen ring opengehouden wordt en door middel van een een touw met het gesleepte schip verbonden is. De sleepzak moet voorkomen dat het gesleepte vaartuig gaat gieren. In de binnenvaart weinig toegepast.





~sleepzuiger:
zuiger waarbij de zuigbuis achterwaarts gericht is. Aan het einde van de zuigbuis bevindt zich de sleepkop.
Gerelateerde term: hopperzuiger.





~sleis:
zie slijs .





~slemphout:
1> slooiknie, kettingklamp, kettingknie: gebogen deel tussen het berghout en de stevenbalk. [A>]
2>
in de zeevaart: een stevenknie of knoop.





~slek:
1> zie bij rinket.

2> vernederlandsing van het engelse woord 'slack': zie loos.




~sleng, leng :
:
eindeloze strop
: bepaald type strop, bestaande uit één grote ring van touw of ketting (soms staaldraad). Indien de sleng van touw gemaakt is wordt deze, naar de wijze waarop hij vaak gebruikt wordt, meestal pakstrop genoemd.
Velen verstaan echter onder een 'leng' dat gene wat volgens mij een snotter genoemd moet worden en noemen de zo juist beschreven strop een , grommer of grommet. Gerelateerde term: glijhaak.
De term sleng of leng kan men onderandere vinden bij van Yk en in het Zeemanswoordenboek van A.C. Twent, al ontbreekt daar een duidelijk beschrijving van het uiterlijk. Ook in de 'Nieuwe taalgids' uit 1932 komt het woord ter sprake; het wordt daar omschreven als lus of strop. Kaj Lund vermeldt het woord echter wel met een duidelijke omschrijving en een afbeelding, namelijk die van een gesloten ring. Ook onder het Engelse woord 'sling' verstaan wij meestal een gesloten ring van touw, doek, of soort gelijk materiaal. In het Engels zelf, schijnen ook andere stroppen 'sling' genoemd te worden.




~slenk, slenke, slink:
stroomgeul tussen droogvallende gronden op het Wad.






~slepen:
een voorwerp of vaartuig met een ander vaartuig voorttrekken. Vergelijk: boegseren. [A>] Zie ook: Luikse sleep.
GEKOPPELD SLEPEN
: een voorwerp of een vaartuig met een vaartuig, dat langszij vastgemaakt is, voortbewegen. [A>]

OP DE BIL/kont slepen
: de sleep kort achter de sleepboot hebben hangen.





~sleper:
1> vaartuig, dat een ander vaartuig sleept.
2> sleepboot.
3> de sleepverbinding.
3> zie draaier.





~sleperij:
1> sleepwerk.
2> sleepgerei.






~slib :
in het water zwevend klei.
groen slib
,
groene slib
:
drijfzand of klei vermengd met plantenresten.






~slibafzetting:
het hechten van slib aan de bodem of aan voorwerpen, die zich in het water bevinden.






~slibkast:
niet echt bekend. Mogelijk het zelfde als een wierbak.






~Sliedrechtse aak, Sliedrechts aakje:
soort Plechtaak, met spiegel, soms een luikenkap en settelboorden.






~Sliedrechtse boot:
bepaald type Hollandse boot.





~slijkeren:
zeilen bij weing wind. Mogelijk alleen onder rivierschippers of in zuid Nederland in gebruik geweest.






~Slijkpraam:
houten vaartuig, dat als voorloper van de Groninger bol gezien wordt.





~slijs, sleis:
onvoldoende bronnen gevonden! Volgens de ene bron is het een werktuig om kolen en slakken op het vuurrooster van de stoomketel te verplaatsen en bestaat de sleis uit een lange stang met aan het uiteinde een half cirkelvormige stalen schijf.
Volgens een andere bron is het een soort van zware stalen pook waarmee men de slakken losstoot en breekt. Volgens dezelfde bron is het hiervoor beschreven instrument een vuurhaak of een vuurijzer.





~slijtplaat:
zie schuurplaat.





~slijtslof:
vrij onbekende term voor zool.






~slijtstrip, schuurstrip:
tegen de huid aangebrachte, half-ronde of platronde, strip staal.
Zie ook: schuurplaat (slijtplaat), aanloopplaat, schuurstrook, (slijtstrook), schuurlijst, slijtstrip en beuling.






~slijtstrook: schuurstrook.






~slik:
1> eigenlijk neergeslagen slib. Zie slibafzetting.
2> bagger.






~slikbeugel:
zie baggerbeugel.






~slikloods:
loods op de Waddenzee, de Zuid-Hollandse of Zeeuwse stromen.






~slikpraam:
1> 'Langedijker' praam, (meestal een driekwarter) ingericht voor het vervoer van bagger.
2> mogelijk een algemene naam voor een modderschuit of -praam.






~slikschipper:
schipper in de slikvaart.






~slikvaart:
het verzamelen van slib en transporteren daarvan naar de schrale landbouwgronden. (tot ca. WO II ondermeer in Groningen)






~slinger, aanzetslinger:
hefboom met dwarshandgreep waarmee motoren gestart kunnen worden.






~slingeren: zie rollen.






~slingergreep:
handgreep aan een jachtwiel of slinger.






~slingermast:
korte, vaak onverstaagde mast, meestal op het achterschip, waaraan men een slingerzeil kan voeren.






~slingerketting:
ketting, waarmee men, op een sleephelling, voorkomt dat het vaartuig vroegtijdig de hellingafloopt.






~slingerkiel:
smalle strook, die langsscheeps, haaks op de kim, aangebracht is. De slingerkiel moet het rollen (slingeren) van het vaartuig dempen. Ze worden bijna uitsluitend op Vletten en enkele moderne vissersschepen toegepast. [A>nr.1] Vergelijk: kimkiel.






~slingerlat, slingerrand:
lat of rand, die moet voorkomen dat voorwerpen van planken, tafels, enz. of uit kasten schuiven.





~slingerpen:
pen aan het stuurrad, waarmee men het stuurrad kan rondslingeren. De pen was meestal wegklapbaar gemaakt, zodat men er geen last van hoefde te hebben, wanneer hij niet gebruikt werd.





~slingerpons:
werktuig, met een grote zware slinger, waarmee men gaten in staal kan ponsen. [A>] [T>]






~slingerrand: slingerlat.






~slingerruit:
cirkelvormig raampje, dat met behulp van een electromotortje met grote snelheid rondgedraaid wordt. Door de draaiende beweging wordt al het regen- en buiswater direct van het raam geslingerd. Slingerruiten worden voornamelijk toegepast op kleine vaartuigen, die vaak op ruw water opereren. [A>]






~slingertuig:
tuigage om een slingerzeil te kunnen voeren. Meestal op het achterschip geplaatst.






~slingerschaar:
mogelijk onjuiste term voor balschaar.






~slingerschot:
schot in een tank, dat de bewegingen van de vloeistof in de tank moet dempen.






~slingerwant:
1> takels tussen het boord en de voorste zijstagen, waarmee men er, tijdens het strijken van de mast, voor kan zorgen dat de stagen strak blijven staan, zodat de mast, tijdens het strijken, niet noemenswaardig kan gaan slingeren. Zie ook: kur, strijkwant.
2> volgens enkelen een soort smeerreep, hetgeen mij niet juist lijkt.






~slingerzeil, steunzeil:
klein zeil dat men voert om het rollen van het vaartuig (bijv. wanneer men op groot water stilligt) te beperken.






~slink:
zie bij slenk.






~slip:
het verschil tussen de snelheid van het water dat door de schroef weggestuwd wordt, en de snelheid van het vaartuig.  [T>Schroeven.]





~sliphaak:
haak, die onder belasting te openen is.[A>] Vaak wordt hiermee een pelikaanhaak bedoeld.
Ook de sleephaak is een sliphaak.




~slipsteek:
met één ruk los te trekken steek of knoop, meestal een beknepen lus.





~slobberschort:
zie schootsvel.





~sloep:
1> algemene benaming voor een reddingboot aan boord van een zeeschip.
2> aan boord van zeilende zeeschepen: de grootste boot aan boord.
3> vaartuig met een vrij scherpe voor- en achterkant, met steile stevens. Het achterschip van de spiegelsloep eindigt echter in een hartvormige spiegel. Sloepen zijn o.a. als vissersschip in gebruik geweest.
ZOUTKAMPER SLOEP
: soort spiegelsloep met zwaarden, die ondermeer voor de visserij op het Wad gebruikt werd. Verwant aan de sloep is de Groningerboot.
4> landrotten term voor de bijboot.






~sloependek:
op sommige passagiersschepen: dek, waarop de reddingboten opgesteld zijn.






~sloeptuig:
tuigage met een torenzeil en één voorzeil.




~slont:
zie schootsvel.






~slof:
1> onderkant van de kiel, kielbalk, scheg of  roer.
STRIJKENDE SLOF
: klapscheg.

2> vermoedelijk niet correct synoniem voor: zool.

3> gaffelschoen.

4> waarschijnlijk Duits scheepstype. Houten rivierschip verwant aan de Keen. Zeer recht en hoekig van vorm. Vaak een sleepschip, soms met hulptuig, geen roef. Meestal zonder gangboorden, den of luikenkap. Indien wel aanwezig, volgens Sopers, een gedekte aak genoemd.

5> sloffe.






~sloffe, slof:
Gronings voor:
1> loefbijter, in het bijzonder een aangezette.
2> een op een Hasselteraak gelijkend schip, echter duidelijk wat hoekiger en vlakker.




~sloof:
zie schootsvel.






~slooiknie:
in de zeevaart gebruikte benaming voor een soort slemphout.






~sloopregeling:
naam van verschillende door de overheid ingestelde regelingen, die tot doel hadden het overschot aan scheepsruimte te verminderen en de binnenvaartvloot te moderniseren.






~sloopschip:
schip dat bestemd is gesloopt te gaan worden of gesloopt wordt.






~slooptonnage:
een voor de sloop bestemd schip, waarvan het laadvermogen voor de 'oud voor nieuw' regeling, aangewend kan worden.






~sloot, tocht:
kleine vaart.





~slop:
1> bilgewater, machinekamersludge:
mengsel van water en vuil, soms ook olie of vet, dat zich onderin het schip verzamelt. Vergelijk: waswater.

2> opening, die men in het ijs hakt om een schip te kunnen verplaatsen. Zie ook: doorijzen.

3> laarskap: zie verder bij domp.





~sloplichter:
zie vuilwaterschip en bilgeboot.





~sloptank:
tank waarin het slop bewaard wordt. [A>]






~slothout:
ondermeer bij de Botter, in het schildboord aangebracht stuk hout, waarop de uiteinden van de braadspil rusten.  [T>]
Zie ook slothoutje.






~slothoutje:
1> zie borghoutje.
2> zie wrevel.
3>
houtje door de hieling van de steng, dat geplaatst wordt wanneer de schietreep vervangen moet worden.





~sluis, schut:
1> kunstwerk, dat tot doel heeft het waterniveau, aan één der zijdes van de sluis, te handhaven of onder controle te kunnen houden.
Zie ook stuw, keersluis.

2> sas, schutsluis, verlaat:
kunstwerk, waarin schepen een hoogteverschil tussen twee wateren kunnen overbruggen.
[A>] [A> films] [T>] [U>]
Gerelateerde termen: bajonetsluis, trapsluis, zeesluis, getijdesluis, waaiersluis, schachtsluis, verlaat, sluishoofd, sluisdeur, rinket.

DUBBELE SLUIS
:
a> sluis met twee sluiskolken naast elkaar.
b> volgens sommigen: trapsluis met twee kolken.

GROENE SLUIS
: schutsluis, waarbij de 'sluismuren' uit een aarden wallen bestaan. [A>]

een DIEPE SLUIS
: een sluis met groot verval.
Ter informatie: De sluis met het grootste verval in Nederland is de sluis bij Maasbracht met een verval van ca. 11,5 meter.
GEDEELDE SLUIS
: schutsluis met halverwege de sluiskolk nog een stel sluisdeuren, zodat men bij gering scheepsaanbod met de 'halve' sluis kan schutten.

GETRAPTE SLUIS
: trapsluis.

GROENE SLUIS
: een sluis met een groene kolk.
Een sluis met tussen de sluishoofden geen muren maar aarden wallen.


IN DE SLUIS LIGGEN
: met het schutten bezig zijn.

OVERWELFDE SLUIS
: sluis, die geheel of gedeeltelijk onder een vrij lage, vaste, stenen brug gelegen is.

een sluis kopen
: voor een sluis (extra) betalen opdat deze na sluitingstijd nog zal draaien.
Het kopen van een sluis is in Nederland allang niet meer mogelijk. In Frankrijk heeft het echter nog lang bestaan en bestaat het misschien nog wel.




3> in Amsterdam: een stenen boogbrug. Zie ook pijp.
De combinatie van een sluis en een brug is, ook hedentendage nog, zo populair, dat het in één adem genoemd kan worden....







~sluisbeugel:
op de sluiskade geplaatste stalen boog, bestemd om een schip, dat in de sluis(2) ligt, aan vast te leggen. [A>]
Niet zeker of deze term werkelijk bestaat.







~sluisbodem: sluisvloer.






~sluisdeur, schutdeur, schutsluisdeur, deur:
constructie, waarmee de opening in het sluishoofd afgesloten kan worden. [A1> nr.4, A2> nr.4]
Het spreekt voor zich dat schutdeuren en schutsluisdeuren alleen bij schutsluizen voorkomen. Keerdeur en keersluisdeuren, alleen bij kersluizen.

DE LAGE of HOGE DEUR
: de sluisdeur aan de kant, waar het water het laagst, resp. het hoogst, staat. Gerelateerde begrippen: ebdeuren, vloeddeuren, puntdeuren, waaierdeuren, klepdeuren, roldeuren, overstortdeuren, koppeldeuren en hefdeuren.






~sluisdeurhoofd:
sluishoofd.






~sluisdrempel:
de onderzijde van de doorvaartopening in het sluishoofd. [A> film.] Vergelijk: slagdrempel.






~sluiseiland:
1> tussen twee sluiskolken gelegen 'land'.
2> kunstmatig eiland in een dam of dijk, waarin een sluis gesitueerd is.






~sluisgebouw
groot sluiswachtershok. Tegenwoordig is daarin ook de bedienig van de sluis(2), de intercom met de praatpalen enz., ondergebracht. [A>]






~sluisgeld, schutrecht:
bedrag, dat men voor de bediening van een sluis(2) moet betalen.
Zie ook schuttarief.






~sluishoofd, sluisdeurhoofd:
1>
soort dam(2), met daarin een, met één of twee sluisdeuren afgesloten, opening. [A>, A>]
2> elk der zijkanten van de opening in het sluishoofd(1).






~sluiskade:
weinig gebruikte term voor het horizontale deel dat grenst aan de sluiskolk.






~sluiskelder, kelder:
onder en vlak achter de (hoge) deuren van een sluis geschapenruimte waarin het water uit de omloopriolen vloeit.

Bij een groot verval is de kracht waarmee het water in een sluis loopt zo groot dat de schepen in de sluis daar ernstige hinder van zouden kunnen ondervinden. Opdat het water een groot deel van zijn energie kwijt zal raken zijn daarom de openingen waardoor het water de sluis binnen vloeit naar elkaar toegericht waardoor de twee stromen met elkaar in botsing komen. Wanneer dat niet toereikend is contrueerd men een kelder waarin het wervelende water eerst nog verder tot rust kan komen voordat het in de eigenlijke kolk geraakt.







~sluisknecht:
onder de sluismeester of -wachter aangesteld persoon, die de sluis bedient.






~sluiskolk, schutkolk, schutkamer, kolk, sas:
de ruimte tussen de sluisdeuren.
EEN GROENE KOLK
: een sluis waarvan alleen de sluishoofden van steen of beton zijn. De rest, dus de kolk, bestaat uit de natuurlijke oever. [A>] Ook een groene sluis genoemd.





~sluislier:
mechanische constructie met slinger, waarmee de sluisdeur bewogen wordt. [A>]





~sluismeester:
1> boven de sluiswachters aangesteld persoon.
2> sluiswachter.






~sluismuur, sluiswand:
stenen wal tussen de beide sluishoofden van een sluis(2).






~sluispassage:
het voltooien van een complete schutting.






~sluispersoneel:
personen, die de sluis(2) bedienen: sluisknecht, sluiswachter of sluismeester.






~sluispot:
1> in de sluismuur, verzonken aangebrachte, voorziening, waaraan een schip kan vast maken. [A>nr.1][A>] Vergelijk: muurkluis.
2> constructie waarin het tolpunt van de sluisdeur rust en daarmee een taats vormend.






~sluisvloer, sluisbodem:
de bodem van de sluis.






~sluiswachter, sluismeester:
persoon, die de  sluis(2) bedient.






~sluiswachtershok:
meestal klein optrekje, waarin de sluiswachter zijn wachttijd verbrengt, soms voorzien van de bediening voor de sluizen(2).






~sluiswachterswoning:
door de waterwegbeheerder verstrekte huisvesting voor de sluiswachter. [A>] Vaak een waterstaatswoning.






~sluiswand, kolkwand:
de zijkanten van de sluiskolk. Vergelijk: sluismuur.






~sluiswater, schutwater:
het water dat bij het schutten verplaatst wordt.
De hoeveelheid water, die bij een schutting "verloren" wordt bepaald door de oppervlakte van de kolk tussen de sluisdeuren en het verschil tussen de hoge en de lage waterstand en blijft ongewijzigd of er nu wel of geen schepen in de sluis liggen. Alleen het aantal schepen of scheepstonnen dat per kubieke meter schutwater 'verplaatst' wordt, verandert daar door.







~sluitbalk:
1>
balk, die over (de dekzeilen en) het uiteinde van de luiken gelegd en met touwen en/of kettingen vastgezet wordt. Vergelijk schalmbalk.
2> sluitboom.






~sluitboom:
1> balk of boomstam, waarmee de doorvaart verspert wordt. Ondermeer gebruikt in waterpoorten, in de doorvaart van een paalgording en op plaatsen waar tol geheven werd. Zie ook: stadsboom.
2>sluitbalk.






~sluitgang:
laatst aangebrachte gang onder het berghout. Vergelijk: sluitplaat.






~sluithout:
1> laatst aangebrachte stuk hout, bij de constructie van bepaalde delen.
2> slothout.





~sluiting:
metalen beugel, waarvan de opening met een uitneembare pen of bout afgesloten kan worden. [A>]
Men kent diverse soorten sluitingen in diverse uitvoeringen, enkele daarvan zijn: de D-sluiting, de H-sluiting (harpsluiting), de ankersluiting, de sikkel, de hartsluiting, de tuigsluiting, de schalmsluiting, de valsluiting, etc.




~sluitplaat:
1> stalen kimgang of sluitgang.
2> laatst aangebrachte stuk plaatstaal, bij de constructie van bepaalde delen.






~sluitschalm:
schalmsluiting of sikkel.






~sluizencomplex:
1> combinatie van meerdere sluizen naast elkaar.
2> een trapsluis.
3> een combinatie van sluis (sluizen) en stuw(wen).


Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken