Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~sabelschroef: 1>schroef
met, in het
draaivlak gezien, achterwaarts gebogen schroefbladen.
Soms wierschroef
genoemd. [T>Schroeven.]
2> Vroeger: schroef, waarvan de bladdoorsnede een
symmetrisch vleugelprofiel was.
~Sailor:
GROENE SAILOR
:
bepaald merk en type (RT-144) marifoon,
die lange tijd zeer populair was.
~Saint-Martin:
Rotterdams handelshuis met een eigen vloot van schepen. In 1855 schaften ze twee stoomschepen, de Leeuwarden I en II, aan, waarmee ze sinds 1860 een beurtdienst onderhielden tussen Rotterdam en Leeuwarden. Sinds 1880 gestage vlootuitbreiding. De schepen droegen de namen: Leeuwarden, Harlingen, Sneek, Dokkum, Heerenveen, Drachten, Franeker en Bolsward, gevolgd door een nummer. In 1912 samengegaan met de "Holland-Friesland". Zie ook bij Stanfries.
vrij zeldzaam type kast waarvan het boeisel op het achterschip in een boog van 90 graden naar binnen buigt en vervolgens op het verhoogde achterdek aansluit.
Dit type schip schijnt na ca. 1910 niet meer gebouwd te zijn.
~Sambre spits, Sambreschip: maatschip.
Afmetingen: 47 x 5,70 m. Vrachtschip
met het achterschip
zoals een spits, een vrij
scherp voorschip
met rechte steven en
nauwelijks tot geen zeeg.
Mogelijk ook een verzamelnaam voor
diverse soorten rivierschepen,
die
de Sambre (België) bevoeren.
~samenstel:
Willekeurige combinatie van een duwboot
en één of meerdere geduwde vaartuigen,
waarbij de duwboot het belangrijkste voortstuwende vaartuig is.
Verwante termen: duweenheid,
koppelverband, leverworst.
~Samofa:
Samenwerkende motoren fabrieken.
Samenwerkings
verband van Brons, Bolnes
en Industrie.
Voornamelijk opgericht
voor de
productie en verkoop van motoren met gering vermogen.
1> volgens Sopers ook Keulenaar genoemd: scheepstype uit ca. 1600-1840. Overnaads gebouwd, met
bolstaande zijdes, een rond, vol, achterschip*,
de voorzijde is afgesloten met een bijna vertikale, vrij bolstaande, heve(b). Zwaarden, geen berghout, ook gebouwd met zowel paviljoen
als roef. Getuigd met spriet- of emmerzeil.
Volgens LeComte tot zo'n 43 meter lang, 6,8m breed, 3,4 meter hol en bijna 600 ton groot.
Er wordt vermelding gemaakt van een Rotterdamse Samoreus, wat schijnbaar de standaard is, de Amsterdamse, die i.v.m. de bruggen aldaar wat smaller is en de Gelderse of Overijsselse Samoreus, die wat lichter van bouw schijnt te zijn.
*P.P. Schiedges tekent echter een Samoreus met aan de achterzijde een platte heve.
Dr. Ing. Kurt Schwarz schrijft in "Die Typenentwicklung des Rheinschiffs bis zum 19. Jahrhundert." (Keulen 1920) onder meer dat het één der belangrijkste Nederlandse vrachtschepen uit de 17de en 18de eeuw was. Ze zouden zowel in de binnenvaart als ook in de beperkte kustvaart in gezet zijn. Rond het begin van 17de eeuw maten ze ca. 33 x 4,4 x 1,8m. Rond 1830 waren de afmetingen ca. 47 x 7,5 x 2,8m. Het laadvermogen bedroeg respectievelijk 150 en 600 ton. De masten van de grote Samoreus zouden 31 tot 40 meter hoog geweest zijn. De Samoreus is steeds gedekt met een halfronde luikenkap, die, naar men zegt, 1,6 tot 1,9m. hoog is. Hij maakt melding van een Amsterdams type en Rotterdams type. Het verschil tussen beide ligt in de kleinere breedte van de Amsterdammer namelijk maximaal 6,2 m.
Gezegd wordt dat de naam samoreus een samentrekking van de riviernamen Sambre en Meuse (de Maas) zou zijn en dat deze schepen daar ook naar toe voeren. (Er bestaat echter ook een Franse plaats Samoreau, maar dat terzijde.)
De één zegt dat de naam 'Keulenaar' afkomstig was van het feit dat ze een geregelde beurt Amsterdam-Keulen voeren, een ander zegt dat de retourlading vaak uit Keuls aardewerk bestond. In ieder geval schijnt hun ligplaats in Amsterdam de 'Keulsekade' (thans een deel der Gelderse kade) geweest te zijn en zij voeren via 'De Keulse vaart' naar Smal Weesp.
Een ander verhaal vertelt echter dat de schepen ligplaats kozen op de Amstel bij de 'Hoge Sluis'. De brug zou daardoor de bijnaam Samoreuzenbrug gekregen hebben, waar de minder goed onderrichtte Fransman dan 'le pont des amoureaux' van gemaakt zouden hebben.
Verder wil ik hier aan toevoegen dat het schip wel veel weg heeft van wat men in Duitsland een Bönder schijnt te noemen.
2> volgens vandale:
soort Aak(1) afkomstig uit, of varende in, het gebied van Sambre en Maas.
~SAR,
Search and Rescue:
engels voor: zoek en redt. Begrip dat in verband met de dienstverlening in noodsituatie gehanteerd wordt.
SAR schip
: vaartuig dat uitgerust is om bij ongevallen een vorm van hulp te verlenen. Onder andere de vaartuigen van de reddingsmaatschappij en enkele bergings- en marinevaartuigen dragen dit opschrift.
Het is mij niet bekend of bemanning en vaartuig aan bepaalde eisen moeten voldoen om dit opschrift te mogen voeren.
~SARSAT,
Search and Rescue Satellite Aided Tracking,
noodbaken:
noodbaken dat voornamelijk op zeeschepen gebruikt wordt. Voor vaartuigen meestal EPIRB genoemd.
~SART,
Search and Rescue Transmitter,
noodbaken:
noodbaken dat na het te water raken een signaal uitzendt. In de huidge vorm is het een instrument dat na het te water raken actief wordt zodra het een radarsignaal ontvangt. Het produceert dan een signaal dat op het radarscherm een opvallend herkenbare echo oplevert.
In de binnenvaart zijn sart's bijna uitsluitend op overheidsvaartuigen, die regelmatig op het grote water opereren te vinden.
~sas.....:
Samenstellingen met sas
zijn niet opgenomen.
Zie daarvoor bij sluis.
~satellietnavigatie:
het navigeren met
behulp van een G.P.S..
~satellietvolgsysteem:
systeem,
dat schottelantennes, tijdens het varen,
op de satelliet gericht houdt.
~sattelschlepper:
bepaald type motorvrachtschip, dat uitgerust is om ook andere schepen
te slepen.
De 'echte sattelschlepper' heeft geheel achterop een roef en
machinekamer, daarvoor een stuk ruim en dan de stuurhut met tegen de
achterkant het strangenlier. Andere 'sattelschleppers' hebben echter de
machinekamer niet achterop maar onder de stuurhut. Het waren mooie vrij
grote schepen met meestal twee motoren en een motorvermogen dat kon
oplopen tot rond de 1500 pk. [E>Binnenvaartforum.]
~S.A.V.,
scheepsafvalstoffenverdrag,
Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en Binnenvaart:
in 1996 tussen de Rijnoeverstaten, België en Luxemburg
gesloten verdrag waarin een regeling tot inname van afval in de binnenvaart vastgelegd
is. [E>]
De Nederlandse regeling op dit punt is het Scheepsafvalstoffen besluit
(S.B.). Deze regeling heeft ondermeer tot de invoering van de bilgekaart, thans de ecokaart, geleid.
~S.B.,
Scheepsafvalstoffen besluit:
wettelijke regeling ten aanzien van de door de binnenvaart
geproduceerde afvalstoffen. [E>pdf-bestand
wettekst]
~S.B.S. N.V., Van der Schuijt, Van der Boom en Stanfries NV:
onderneming die zich toelegt op transport, zowel over water als over land. Tot 1963 tevens beurtvaartonderneming. In de laatste jaren beheerden zij onder andere het veer te Maassluis. Alle activiteiten werden in 2008? beëindigd. Zie ook bij Stanfries.
blok met een
rechte onderkant, met aan de
onderkant, aan elke zijde een haak. Onderandere op Botters gebruikt als blok van de fokkeval.
~schaar: 1>mastschaar:
constructie
met elkaar, nabij het uiteinde, kruisende planken, die
als ondersteuning voor de gestreken mast,
of voor de giek gebruikt
wordt. Zie
ook maststeun en mik.
2>
hoge, steile, direct uit het water oprijzende dijk
of
oever.
3>schar,
schoer,
schoor: geul(2) waardoor de eb of vloed
stroomt
(ebschaar, respectievelijk vloedschaar) oorspronkelijk alleen
van toepassing op geulen in de benedenrivier, later ook gebruikt voor
buitendijkse gronden (zie slenk)
en uiteindelijk gebruikt voor een diepe geul in het algemeen.
Zie ook: vlie, vlij.
~schachtsluis: sluis met zeer groot verval,
waarbij
het benedenhoofd een
gesloten geheel, met
daarin, als een soort poort, de doorvaartopening,
vormt. De benedendeuren
sluiten deze
opening in hun geheel waterdicht af.
~schakelnet,
pooknetnet: 1>: combinatie van twee netten, die in V-vorm, met de open zijde tegen het riet, in het water geplaatst worden. Vanuit een, zich tussen de netten bevindende, boot wordt, door met de plonsstok op het water te slaan, de vis in het net gedreven.
Het schakelnet bestond uit drie lagen. Een ruimvallend, fijnmazig, middennet met aan weerszijden en grofmazig, strak gespannen net; de laddering.
~schalmbalk:
blak, die dwars over de luiken gelegd en met spalkhaken vastgezet werd, om te voorkomen dat wanneer men overhelde de luiken door de lading omhoog gedrukt werden.Vooral toegepast
op Westlanders. Ook sluitbalk en spalklat genoemd.
De term is mogelijk alleen in de zeevaart in gebruik geweest. Daar het woord schalmen tot in de 20ste eeuw in gebruik is geweest, durf ik niet te stellen dat, het in de binnenvaart gebruikelijker 'schalken' of 'spalken' slechts een klankverschuiving is. In de binnenvaart spijkert men kleden alleen als het niet anders kan. Het regelmatig wisselen van lading zou tot gevolg hebben dat de kleden spoedig afgedankt konden worden.
~schalmlat:
lat waarmede presennings vastgespijkerd worden. Zie ook bij schalmen.
~schalmsluiting,
noodschalm,
sluitschalm:
constructie van twee, elkaar gedeeltelijk overlappende halve
schalmen, die met kleine klinken met elkaar verbonden worden.
Zie ook: patentschalm en sikkel.
zwaar stuk ijzer in het model van een stemvork, dat om kettingschalmen geschoven kan
worden, waardoor het omgewild uitlopen van de ketting voorkomen
wordt. [A>]
~scharrelaar, bootjesvisser,
parlevinker, strosnijder:
spotnaam voor een kleine (amateur)visser (meestal een poldervisser). De namen parlevinker en stroosnijder duiden op de mogelijke hoofdverdiensten van deze visser, voor wie het vissen dus een aanvulling op zijn inkomen betekent. Stroosnijder werd in (Harderwijk) echter ook als minderwaardig beroep gezien, mogelijk gold dit dus ook voor kleine binnenvisser (die dus niet op Zuiderzee/IJsselmeer viste).
~scharrelen: 1>zeilen met een zwakke veranderlijke wind.
2> van de wind: een zwakke veranderlijke wind.
3> de kleine visserij, met lijnen en aalhoekwant, uitoefenen.