Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~rikbaak,
raambaken,
landbaken:
op het land geplaatste constructie, met aan de bovenzijde een uit latten gevormde driehoek, dat als baken fungeert. Bijna alleen in Friesland, bij de invaarten van meren, voorkomend? [A>] Mogelijk Fries woord. Zie ook richtbaak.
1> stuk staal, dat voorkomt dat een palrad terug draait. De term wordt voornamelijk(?) gebruikt voor de pallen van een braadspil. [T>] 2> combinatie van pallen en kamring of kamrad bij een braadspil. [T>]
~ringstok:
lange stok met aan het uiteinde een gebogen ijzer, waarmee men de netten van een dichtzet naar beneden kan duwen, om het schip er overheen te laten varen.
~Rinkelaar: scheepstype dat een tijd voor de beloodsing van schepen gebruikt werd. @Verder geen gegevens bekend.
~rinket,
klinket,
slek,
slak,
slede,
winket,
reket
: 1> schuif of deurtje, waarmee water in of uit een sluis gelaten kan worden. [A> nr.2]
De term slek of slak schijnt voornamelijk in het Zuiden nog in gebruik te zijn. Rinket is een verbasterde vorm van klinket of clinket, welk woord ook gebezigd wordt voor een kleine poort in een grote.
2> bij uitbreiding: het gehele systeem van schuif in de sluis en de daarbij behorenden mechanismen.
~R.I.S.,
RIS,
River Information Services,
Binnenvaartinformatiesysteem:
(electronische) informatiedienst ter ondersteuning van verkeers- en vervoersregulering. Het systeem moet niet alleen voor een betere aansluiting tussen de verschillende vormen van vervoer gaan verzorgen, ook voorziet het in een soort van verkeersbegeleding in de binnenvaart. Het project is in 1998 van start gegaan.
[E>]
(firmanaam) modern motorvrachtschip, oorspronkelijk bedoelt voor de distributievaart, echter ook geschikt voor het vervoer van containers. Rechthoekige vorm met achter een paviljoenroef en hefstuurhuis of stuurhuis en woning voorop. Circa 63 x 7 meter 48 TEU of 850 ton. [A>]
Het project met de distributievaart ging in 2002 van start met een proef in het vervoer van bier tussen de bierbrouwers en hun distributiecentra. Na deze proefperiode moest deze vorm van vervoer vanaf 2004 op eigen benen staan. Door een te klein ladingaanbod en moeilijkheden met de overslag vanuit het schip moest het bedrijf al in 2005 de activiteiten staken. Met enige regelmaat duiken plannen op deze vervoersvorm nieuw leven in te blazen.
: rivier, die in open verbinding met de zee staat en door een lage rivierafvoer zouter is dan normaal. Het tegengestelde staat wel bekend als 'zoet water'.
a>
DE GROTE RIVIEREN
: hiermee worden meestal de navolgende wateren bedoeld: Rijn, (Bovenrijn, Bijlandskanaal,) Pannerdenskanaal, Nederrijn, Lek en Waal. Hier is het Rijnvaartpolitiereglement van toepassing.
b>
DE RIVIEREN
: volgens veel schippers: voornoemde rivieren plus Boven Merwede, Beneden Merwede, Nieuwe Merwede, Noord, Dordtse Kil, Nieuwe Maas, Oude Maas, Bergse Maas, Maas en Gelderse IJssel.
: voor Rotterdam en omstreken: het (oud) Rotterdams havengebied, de Nieuwe Maas met alle zijhavens.
~rivier....: Diverse samenstellingen met rivier zijn niet opgenomen.
~rivieraak: 1> algemene term voor houten aakachtige schepen die de Rijn bevoeren. Sedert circa 1900 wordt de term echter ook voor de grotere stalen aken, zoals de Hasselter aak gebruikt.
Bij deze, meestal door minder terzakekundige personen gebezigde term, laat men in het midden om welke van de types het gaat.
2> bepaald type vaartuig uit de Romeinse tijd welke in het oude stroomgebied van de Rijn gevonden werd.
Vooralsnog ontbreken mij de nodige gegevens. Het vaartuig is vermoedelijk verwant aan de Romeinse praam, maar in later eeuwen zal men het pont of schouw genoemd hebben. [T>]
~rivierafvoer,
debiet:
hoeveelheid water, die in een bepaalde tijd, op een bepaald punt, door een rivier stroomt. De afvoer wordt meestal uitgedrukt in kubieke meters per seconde.
De gemiddelde rivierafvoer voor de Rijn bij Lobith bedraagt 2200m³/sec. Een extreem lage afvoer werd bereikt in 1947: 620m³/sec.
'Debiet' is een term die voornamelijk in de hydrografie en niet onder schippers gebruikt word.
~rivierarrondissement:
bepaald riviervak, waarop een afdeling of ambtenaar van rijkswaterstaat toezicht houdt.
~rivierbaken,
rivierbaak:
op de wal geplaatst baken, dat de ligging van de stroomgeul aan geeft.
~rivierbank:
zandbank in de rivier. Een enkele maal ook gebruikt voor een 'strandje' langs de rivier. Zie ook: banken.
~Rivierbeheer:
voormalige afdeling van Rijkswaterstaat welke het toezicht op de rivieren had.
~rivierboot:
lekenterm voor een SCHIP dat op de rivieren vaart.
~riviercommissie:
naam van door de regering in de eerste helft van de negentiende eeuw ingestelde onderzoekscommissies welke een waterstaakundig rapport over de rivieren moesten leveren.
~riviercorrespondentie:
berichtwisseling tussen de ambtenaren, die belast zijn met het toezicht op de rivieren.
~riviercruise:
meerdaagse 'rond'vaart op de rivieren.
~rivierdienst:
bij bepaalde Rotterdamse sleepboot rederijen gebruikte term, waarmee het sleepwerk in het Rotterdams havengebied aangeduid wordt.
~rivierdistrict:
langs de rivieren gelegen gebied, waarin de invloed van de rivier merk is of kan zijn.
~rivierenwet:
naam waaronder de wet van 9 Nov. 1908 (Stbl. 339), tot verzekering van den goeden staat der voorname rivieren en stroomen des Rijks, kan worden aangehaald.
~riviergrind:
grind uit de rivier.
Kenmerkend voor rivier grind is de ronde gladde vorm.
~rivierkaart,
rivierenkaart:
waterkaart welke de gehele bevaarbare loop van de rivier afbeeld.
~rivierkade:
kade welke langs een rivier gelegen is.
De term wordt over het algemeen gebruikt voor stenen kades, welke ook als ligplaats voor schepen kunnen dienen, maar in oudere geschriften kan men er ook de dijken langs de rivier mee bedoelen.
een radar, dat vooral geschikt is voor het detecteren van voorwerpen op vrij korte afstand. Het gebruikelijke radar in de binnenvaart.
~rivierrecht:
bepaalde oude vorm van waterbeheer waarbij de eigenaar niet alleen een onderhoudsplicht maar ook zaken als tol-, vis en veerrechten bezat.
~rivierschip: vrachtschip, gebouwd voor het bevaren van de rivieren. Meestal lichter en met minder zeeg gebouwd dan het schip voor de algemene vaart, maar met meer zeeg en meer diepgang dan het kanaalschip. In veel gevallen groter dan de schepen uit beide groepen.
Het onderscheid tussen rivierschepen, kanaalschepen en schepen van de algemene vaart is in het begin van de twintigste eeuw zo'n beetje verdwenen
~Rivierschokker: Schokker voor de visserij met ankerkuilen op de grote rivieren.
GJ Schutten (blz 451) voert dit min of meer op als een apart scheepstype. Voor zover bekend is er echter geen apart model echte schokker voor de riviervisserij gebouwd. Het type dat Waalschokker genoemd wordt heeft weinig met echte schokkers te maken.
~riviersleepboot,
riviersleper
:
oorspronkelijk sleepboot met groot motorvermogen en geringe diepgang, die ingericht is om meerdere sleepschepen te slepen.
In later tijd is men ook andere sleepboten, welke slechts ten dele aangenoemde criteria voldoen riviersleepboot gaan noemen en is men de oorspronkelijke soort rijnsleepboot gaan noemen.
~riviersluis:
weinig voorkomende term, waaraan desalniettemin drie betekenissen gegeven zijn. a> sluis welke in een zijtak van een rivier gelegen is, waarbij zowel begin als eind van de zijtak op dezelfde hoofdstroom uitkomt.
De zijtak biedt in dit geval een kortere, veiliger of beter bevaarbare route, dan de hoofdtak.
b> de sluis naast een rivierstuw.
In feite dus gelijk aan a, maar de hoofdstroom kent een kunstmatig obstakel.
c> sluis welke een verbinding vormt tussen een rivier en andersoortig water.
[Gerelateerde termen>].
~riviertol:
tol welke bij passage van bepaalde punten opde rivier geheven werd.
~riviertuig: tuigage ingericht om met niet al te veel moeite de vaste bruggen over de rivieren, zeilend te kunnen passeren. Soms een anderhalf-masttuig, soms de combinatie van een vrij korte mast, eventueel met steng en een erg lange
giek, dus een erg breed tuig.
De term wordt ondermeer in marinekringen gebruikt.
~riviervak,
rivierpand
:
bepaald gedeelte van de rivier.
De indeling van een rivier in panden of vakken kan op grond van diverse gronden gebeuren. Meest gebeurt het op zowel waterbouwtechnische als scheepvaarttechnische gronden.
~riviervis:
vis, die voornamelijk in stromend water leeft.
~riviervisser: 1>visser, die op de grote rivieren vist. 2> het vaartuig van 1. Onder deze vissers zelf meestal schokker genoemd.
~riviervissersvaartuig, riviervisser:
willekeurig vaartuig dat ten behoeve van de riviervisserij gebruikt wordt. Onder deze vissers zelf meestal schokker genoemd.
~roefbodem:
de werkelijke (uitwendige) onderkant van een verzonken roef. Aangezien diepverzonken roeven gewoon op het vlak rusten, hebben die roeven geen roefbodem.
~roefborstel,
komborstel:
soort bokkepoot maar dan met een 'kwast' van 10 à 15 cm doorsnede. Door sommigen ook boenkop genoemd.
De meeste oude roeven hebben deuren die vertikaal gedeeld zijn, de zogenaamde dubbelle deurtjes. Men heeft dus twee deurtjes voor één opening. De reden hiervoor is simpel: één grote deur zou op oudere schepen te veel in de weg zitten, bovendien vangt een dergelijke deur meer wind hetgeen gezien het feit dat men de deur vaak, als men buiten staat, onder en wanneer men binnen staat, vaak boven z'n macht moet openen, bezwaarlijk kan zijn. Een andere reden was misschien voldoende ventilatie en licht waarvoor men dan dus maar één deurtje, naar believen die welke op of van de wind gericht was, open kon zetten. Aan de buitenzijde was de deur vaak voorzien van een ring waarmee de klink gelicht kon worden en waarmee men de deur vast kon binden. Voor deze eenvoudige constructie koos men omdat deze nauwelijks uitsteekt; men zal zich er niet licht aan stoten en ook zullen touwen of kleren er niet snel achter blijven hangen. Aan de binnenzijde koos men vaak het wat fraaiere eitje. Op sommige schepen had men juist het eitje buiten en de ring binnen....
Later en op grotere schepen, als ook op stuurhutdeuren vond de patentdeurkruk veelvuldig toepassing.
De modernere schepen kregen gewone enkele deuren, eerst van hout, later van aluminium en tegenwoordig zelfs van roestvrij staal. Al deze deuren, behalve de erg lage exemplaren, zijn in tegenstelling tot de gedeelde deurtjes vaak voorzien van glas en voorzien van 'normale' deurkrukken.
Aan boord van oude schepen zijn alle toegangen aan de smalle kant; 60 cm is royaal, 40 cm is krap. Ook zijn ze vaak niet erg hoog. Erg lage deuren werden voorzien van een daarop aansluitend schuifluik in het roefdek. Bij de wat hogere deuren werd extra hoogte gewonnen door het roefdek ter plaatste (meestal met een sierlijke boog, de kuif) te verhogen.
Op diverse oude schepen ziet men in de achterwand van de roef twee stel deuren. Aan stuurboord bevond zich vaak de werkelijke toegang tot de roef. De deuren aan bakboord dienden vaak om de daar achtergelegen 'keuken', waarin zich het kolenfornuis bevond, van voldoende frisse lucht te voorzien. Op sommige schepen maakte deze keuken, na de komst van flessegas, soms plaats voor een echt toilet, wat dan zijn ingang dus buiten de roef had.
~roefgeld:
geld dat men moest betalen om op een beurtschip of trekschuit binnen te mogen zitten.
~roefluik: 1> luik, op het roefdek, dat in combinatie met deurtjes de roefingang vormt. 2> met bouten en moeren vastgezet, luik in de roefvloer of in een constructie in de roef, waardoor de cilinderkop(pen) van de motor gelicht konden worden.
~roefpraam:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk een forse praam (type onbekend) met roef.
5> bepaald type roeischouw van rond de Zuid-Hollandse veengebieden. Bij dit type bestond het voorbord uit niet meer dan een dikke plank, een legger. Achter was er een lage bord. Lengte rond de vier meter.
Bron; GJ Schutten blz.325.
~roeibootanker:
klein ankertje dat men in de roeiboot mee neemt.
houten boog tussen het uiteinde van het roerblad en de bovenzijde van de roerkoning, bij het klaphekkenroer. (Roer-den lijkt me logischer, maar heb ik nog niet aangetroffen.)
1> een vaartuig met roeispanen of roeiriemen, die op of nabij het vaartuig, rond een 'draaipunt' bewegen, met een heen en weer gaande beweging, in een, min of meer, horizontale baan, afwisselend onder en boven water, voort bewegen. [T>Roeien.] [A>film] 2> zie schippersgang.
vlet, ongeacht of dit een motorvlet of een roeivlet is, tegenwoordig soms ook een ander type vaartuig, die door een roeiploeg gebruikt wordt.
Al sinds mensenheugnis voeren moeten roeivletten een zwart-wit geblokte band voeren. Dit heeft vermoedelijk te maken met de contrôle op de uitvoering van zekere voorschriften.
meestal door twee dolklampen gevormde verhoging van het dolboord, met daartussen een opening waarin de roeispaan kan liggen.
Gerelateerde termen: roeidol,
dolgat.
~roeispaan,
spaan:
1> lange houten, meestal rechthoekige, schacht met aan het ene eind een greep en aan het andere eind een blad. In het midden vaak met klampen verdikt, in welk geval men ook wel van een klampriem spreekt.
[A>]
type houten Vlet, speciaal bedoeld om geroeid te worden. Men had hierin eigenlijk twee types: de tuindersvlet, met de doft en dollen voorin en vrij gestrekt van bouw en de vlet zoals die door vissers en roeiploegen gebruikt werd, met, voorzover de ruimte dat toeliet, zo veel mogelijk doften en dollen. Zie ook Helderse vlet, roeiersvlet.
: niet (goed) kunnen sturen omdat het schrip te weinig snelheid heeft of omdat de schroef onvoldoende toeren maakt.
GOED NAAR HET ROER LUISTEREN
: wordt gezegd wanneer een schip makkelijk te sturen is.
ROER GEVEN
: een bocht maken.
HET ROER AAN BOORD LEGGEN
: een scherpe bocht maken.
UIT HET ROER LOPEN
: wordt gezegd wanneer de bewegingen van het roer geen effect meer op het schip hebben.
WREED OP HET ROER ZIJN
: een schip is wreed op het roer, wanneer men er constant werk aan heeft, het schip op koers te houden of wanneer hiervoor veel kracht nodig is. Zie ook roerhard.
OP HET ROER TREKKEN
: constant de nijging hebben een bocht te gaan varen.
~roerarm:
korte zware hefboom welke als helmhout fungeert bij hydraulisch gestuurde roeren.
Waarschijnlijk gaat het hier om een term uit de watersport en noemt men het in de binnenvaart gewoonlijk toch 'helmhout'.
2> volgens P. Versnel in zijn Vakwoordenboek: een roerveer.
~roerbalk:
bij schepen met een vlakke achterkant: tegen de achterzijde bevestigde, vertikale balk of soortgelijke constructie in staal, waaraan het roer opgehangen is. Vergelijk: achterstevenbalk.
Degeen die aan het roer staat, is niet noodzakelijker wijs ook de schipper. Vooral op de grote sleepboten en passagiersschepen kwam het voor dat het roer door één van de knechts/matrozen bediend werd. Hij ontving zijn aanwijzingen van de stuurman (of de kapitein). Alleen in bijzondere gevallen werd het roer door de stuurman overgenomen
~roerhard:
zwaar te sturen; bijv, in: Dat schip is roerhard. Men spreekt dan ook van wreed op het roer zijn.
De term wordt door Witsen genoemd en vervolgens door enkele woordenboeken overgenomen, waarbij, vermoedelijk door onkunde, als tweede betekenis 'uit het roer lopen' wordt toegevoegd.
Naar men beweert, was de roerklik oorspronkelijk niets meer dan een plankje wat de bovenkant van de roerposten, die in het helmhout staken afdekte. Op dat plankje werd soms een roerbeeldje geplaatst. Roerbeeldjes zijn echter bewerkelijk en kwetsbaar zodat men een eenvoudiger vorm verkoos. Dit werd uiteindelijk de klik zoals we die nu kennen.
~roerkop: 1> de bovenkant van een houten roer; het gedeelte waar het helmhout om of op ligt. Zie ver ook bij: helm.
2> kop- of borstbeeld, dat achteraan het roer bevestigd is (bij schepen met een statie) of op het roer ligt (bijwijze van klik). (in de loop van de 19de eeuw grotendeels verdwenen.)
een kwadrant dat aan de bovenzijde van het roer, dus niet op een roerkoning, gemonteerd zit. Met het kwadrant kan de stand van het roer bepaald kan worden. [A>]
touw of ketting, vaak gecombineerd met een takel, de roertakel/roertalie, die over een in het roer aangebrachte schijf loopt, en waarmee het roer een eindje opgehesen kan worden. [A>] Wordt in combinatie met grondtakels gebruikt om het roer vast te zetten, te schorten.
~roerlijn(tje),
roertouw(tje): lijn waarmee men het roer, of beter gezegd het rad, helmhout of -stok, vastbindt.
Meestal wordt het roer vastgebonden wanneer het schip stilligt. Dit voorkomt onnodige slijtage en vooral ook gepiep, geknars en geklapper. In de visserij kwam het echter voor dat men tijdens het vissen het roer aan boord bond. Dit was ondermeer het geval bij het in span vissen met het sleepnet.
~roeroor:
uitstulping aan het roer waarin een roerhaak (en niet een vingerling zoals Spruijt denkt) of een taatspen gemonteerd kan worden.
Alleen aanwezig bij roeren waarbij de roerkoning niet rechtstandig doorloopt tot op de hak van de achtersteven en het roer toch aan de achtersteven opgehangen is. Hetgeen in de binnenvaart niet erg vaak voorkomt. Bij dit systeem is het schroefraam in de achtersteven uitgespaard en loopt dus achter de schroef door.
speciale voortstuwingsconstructie, waarbij de schroef dusdanig 360 graden gedraaid kan worden, dat ook de stuwrichting 360 graden draait. [A>]
~roerpropellerinstallatie,
roerpropinstallatie,
:
de roerpropeller en alles wat daarbij hoort. Soms ook schroefinstallatie genoemd.
~roerraam:
metalen frame wat de basis voor het gehele roer vormt.
Het gesmede metalen frame vormt de omtrek met eventuele verstevigingen voor het eigenlijke roer. De roerkoning is veelal aangevormd. Tegen het frame wordt één of tweezijdig een staal plaat geklonken. De eventuele hole ruimte wordt vooraf gevuld met hard hout.
~roerschacht,
roerstander:
dat deel van een houten roer dat direct tegen de achtersteven of spiegel aanligt tot het punt waar het roer sterk in hoogte afneemt. Later ook roerkoning genoemd.
~roerschip: schip uitgerust met een (groot) roer, dat aan één der achterste schepen van een sleep, wanneer dit roerloze schepen zijn, gekoppeld wordt, om het geheel te kunnen sturen.
~roerschuit: schuit uitgerust met een (groot) roer, dat aan één der achterste vaartuigen van een sleep, wanneer dit roerloze vaartuigen zijn, gekoppeld wordt, om het geheel te kunnen sturen.
~roerspaan, stuurriem: 1>handroeder: soort van roeispaan of roeiriem, waarmee gestuurd wordt.
Tot in de late middeleeuwen het gebruikelijke roer op veel schepen. De spaan hing gewoonlijk aan stuurboordzijde achteraan het schip. Later alleen nog in gebruik op rivierschepen die vaak stevelden en daar zelfs tot tegen de twintigste eeuw in gebruik gebleven. (Zie verder bij draaglap.) Tegenwoordig wordt de roerspaan nog sporadisch gebruikt op open zeilboten.
Persoonlijk ben ik geneigd mechanische aanwijzers roerstandaanwijzers en electrische of electronische aanwijzers roerstandindicatoren te noemen.
De term axiometer stamt waarschijnlijk uit de zeevaart en ontstond begin 19de eeuw. Of de term ooit in de binnenvaart in zwang is geweest is me niet bekend.
~roerstandverandering:
het verschil tussen twee opeenvolgende roeruitslagen.
~roerstangpot:
vrij onbekende term voor het op het dek gemonteerde lager van de roerkoning. Zie ook roerdekpot.
Deze in mijn ogen vreemde term, men zou eerder een term als roerkoninglager verwachten ook al omdat dit lager geen pot maar een bus is, werd gevonden in A Spruijt, Samenstelling en Onderhoud van Binnenvaartschepen.
~roerstrop:
eind touw dat bij een aangehangen roer door een gat in het roer en een gat in de achtersteven loopt en waarvan de einden op elkaar gestoken of gesplitst zijn.
Het touw moet verlies van het roer voorkomen en werkt dus als zorglijn.
Voor zover bekend maakt men in de binnenvaart bij de grotere schepen meestal gebruik van een borghoutje en treft men bij de kleinere schepen meestal geen voorzieningen.
~roertaats,
taats,
roerpot,
roerhakpot,
hieltaatspot,
pot:
aan de onderkant van de roerkoning aanwezig lager. Onderin de taatspot was meestal een taatsplaatje aangebracht.
~roertol:
in de Middeleeuwen geheven vorm van belasting waarbij de wijze waarop het roer aan het schip gehangen was de hoogte van het tol bepaalde. Vermeld zijn ondermeer het handroeder (roerspaan), het sleeproeder en het hang- of stevenroer, waarmee een aangehangen roer bedoelt wordt.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.
De roertrap is niet alleen bedoelt voor als mensen vrijwillig of onvrijwillig gaan zwemmen, bij schepen met veel holte is het soms ook een mogelijkheid om op gerieflijke wijze in en uit de bijboot te komen.
~roestnest:
plaats waar zich roest blijft vormen. Bekende roestnesten op schepen waren vooral de geklonken potdeksels en bolderkasten. Zowiezo kan zich tussen klinknaden makkelijk roest vormen, maar op voornoemde plaatsen was de roest zeer moeilijk te bestrijden en op zeer veel oude schepen heeft men dan ook vaak deze delen moeten vervangen.
Niet bekend of deze term alleen in de binnenvaart gebruikt werd.
~roezemoes:
metaalbeslag dat een houten steven(balk) en een houten kiel(balk) bij elkaar houdt.
De term wordt bij Witsen (1690) genoemd, maar is later in onbruik geraakt. Het is mij niet met zekerheid bekend of de term in de binnenvaart in zwang is geweest.
~roffel:
houten schaaf voor ruw ongeschaafd hout.
HOLLE ROFFEL
schaaf waarmee de met de dissel uitgekapte mast glad gemaakt wordt.
~roggebroodkempenaar:
een kempenaar van de NRM (Nieuwe Rijnvaart Maatschappij Amsterdam), een dochteronderneming van de K.N.S.M.; de roggebroodmaatschappij.
Verwante term: wijkboot.
~roggebroodmaatschappij,
roggebroodrederij:
Bijnaam van de K.N.S.M. (Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij) en vervolgens ook van haar dochteronderneming de 'Nieuwe Rijnvaart Maatschappij'.
Volgens sommige bronnen is de bijnaam gebaseerd op de zwarte schoorsteen met twee witte banen, die aan een snee roggebrood zou denken, volgens anderen is het gebaseerd op het feit dat steevast voor de dinsdag roggebrood op het menu stond, maar zeer waarschijnlijk is het omdat de maatschappij slecht betaalde*, zodat de werknemers gedwongen waren roggebrood (de goedkoopste broodsoort) te eten.
Andere 'bijnamen' van de KNSM: Kan Niet Slechter Meer en Krijg Niks; Stik Maar!
*
de maatschappij betaalde waarschijnlijk niet slechter dan andere rederijen, in de tijd dat de bijnaam ontstond de jaren '30 van de vorige eeuw, was het nergens een vetpot
~rok:
in de binnenvisserij: geoliede katoenen jas.
~roken: 1>
HET WAAIT DAT HET ROOKT
: erg harde wind.
Ook alleen in de vorm 'het rookt' gebruikt. Niet anders te verklaren dan dat het stuiven van het water aan rookwolken doet denken.
2> vis door het langdurig in de rook van een houtvuur te hangen conserveren en voor consumptie geschikt maken.
~rol:
benaming voor diverse cilindervormige voorwerpen met kleine doorsnede, vaak met een grotere breedte (maat evenwijdig aan de as), dan diameter. a> een schijf met kleine diameter. b>draadrol. c>draadhaspel. d>draadtrommel.
LOSSE ROL
: draadtrommel in een lier, die met een eigen slinger, dus niet door het jachtwiel, aangedreven wordt. d>spil. e>windas. f> mogelijk oude benaming voor braadspil.
~roldeur, schuifdeur: sluisdeur, die zijdelings heen en weer bewogen wordt.
~rollen,
slingeren,
zwabben:
heen en weergaande beweging van het schip, rond de langsscheepse as. Als de ene zijde van het schip dus naar beneden gaat, komt de andere zijde omhoog, en omgekeerd.
Sommige mensen hanteren de term rollen, alleen voor een schip dat niet vooruitkomt en gebruiken slingeren voor een schip dat vaart.
Er bestaan verschillende opvattingen over het juiste gebruik van de diverse termen waarmede scheepsbewegingen aan geduid worden.
~rollenblok: 1>blok met een schijf met kleine diameter.
2a>stoeltje met één of meerdere rollen, welke rond een horizontale as draaien. b> soms ook een samenstelsel van drie of vier horizontale rollen, met grote breedte, waartussen een draad geleid wordt.
Dit soort rollenblokken worden gebruikt voor draden, die regelmatig ingehaald of gevierd moeten worden. Zo treft men op de sleepboog/overloop soms een rollenblok(a) voor het inhalen van de strangen aan. Deze is vaak verplaatsbaar. De zware drievoudige rollenblokken(b) ziet men vaak op drijvende werktuigen.
~rollenketting:
ketting, die gebruikt wordt voor overbrengingen tussen draaiende assen. Lijkt qua constructie op een fietsketting.
~rolletjeshout:
vrij korte dunne boomstammen van verschillende lengtes voor gebruik in de mijnen of voor de papierindustrie.
Rolletjeshout werd over zee aangevoerd met wat men een armen-en-benenboot noemde. Bij het lossen van de gladde natte boomstammen gebeurden namelijk geregeld ongelukken.
paal waarlangs de jaaglijn, bij scherpe bochten in het vaarwater, geleid kan worden.
Bij scherpe bochten zou, als de paal er niet was, het schip te sterk naar de kant getrokken worden, de jagers zouden namelijk al een heel eind de hoek om zijn terwijl het schip er nog voor was. Ook op de havenhoofden stonden, opdat het schip maar zover mogelijk naar de havenmond getrokken kon worden, vaak rolpalen.
De term rolpaal is de meest gebruikelijke term lijkt. Rollepaal lijkt in sommige dialecten de voorkeur te hebben en zou dan volgens de nieuwe spelling rollenpaal moeten worden. De term draaipaal is tamelijk onbekend.
~rolschuif: roerschuif en vermoedelijk een roerschuif die op rolletjes loopt.
vaartuig van ca 162 na Christus waarmee de Romeinen goederen vanuit Duitsland naar Nederland en vermoedelijk ook anders om, vervoerden. Open nogal rechthoekig vaartuig, dat zowel gezeild als waarschijnlijk ook geroeid kon worden.
De tekeningen van de "Woerden 7", één van de hier in Nederland opgegraven pramen, tonen een schip met geringe holte dat slechts over geringe afstand de volle breedte heeft. Naar voor en achter versmalt het schip tot ca 60% van de grootste breedte. Op ca. 2/3 lengte buigt het vlak naar voor toe op. Het voorschip wordt met een bord of klamp gesloten. Het achterste deel, ca. 1/6 van de lengte, bestaat uit een aparte heve, die met een knik op het vlak aansluit. Ook de achterzijde wordt met een bord of klamp gesloten. Het schip werd vermoedelijk met een roerspaan midscheeps achter gestuurd.
Zie ook [E> Hazenberg Archeologie].
In plaats van Romeinse praam spreekt men ook van het scheepstype 'Zwammerdam' of Zwammerdamse praam.
Alhoewel men dit een praam wenst te noemen, stemt de bouwwijze van dit vaartuig veel meer overeen met die van de schouwen en aken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men elders een min of meer gelijkend type rivieraak noemt.
~rommelhaven:
17de eeuwse term voor en bepaalde haven waarin bepaalde werkzaamheden, zoals het kielen en schoonmaken van schepen, wel mocht gebeuren.
3> soms, bij houten zeilschepen: het gedeelte van het schip vanaf het berghout naar onder.
~rompbevrachter: verlader, die een schip, zonder bemanning, huurt om de goederen te vervoeren.
~rompbevrachting:
vorm van vervoer waarbij het gehele schip, voor zekere tijd, zonder bemanning, gehuurd wordt. In de binnenvaart komt deze vorm van vervoer weinig voor. Gebruikelijker is het een schip inclusief bemanning te huren of onder contract, in charter, te laten varen.
~rompdeel:
bepaald gedeelte van de romp met een specifieke vorm of functie.
~rompeigenschap:
bepaalde statische eigenschappen van een romp, die van invloed zijn op het gebruikt van, en het varen met een vaartuig.
~romponderdeel:
deel dat samen met andere delen de romp of een rompdeel vormt.
~rompsnelheid:
de snelheid van een schip, waarbij slechts twee golven, de boeggolf en de hekgolf, gevormd worden.
~rompvorm, scheepsvorm: 1> de vorm, het verloop, de buiging of ronding, van enige deel de romp. 2> vaak gebruikt als synoniem voor spantvorm.
een rondbodem is een vaartuig, waarvan de overgang van de zijdes, via de kimmen naar het vlak vloeiend is. Het vlak van een rondbodem kan licht gebogen of gepiekt zijn.
Een platbodem is een vaartuig, waarvan de overgang van de zijdes naar het vlak een duidelijke knik vertoont. Deze knik is de kim.
Ronde kousen worden vooral gebruikt voor leuvers en de schoothoorn. Omdat ze aan het zeil zitten noemt men ze ook wel zeilkous. Dit kan echter verwarrend werken. Verder, door enkelen, zeer onterecht, een eikous genoemd.
~ronden:
om een bepaald punt, een boei, een landtong o.i.d., heen varen.
: door de verschillende bronnen, verschillend geïnterpreteerd begrip. a> een schip, dat zowel een kromsteven, als een rondbodem is, met ruime boegen, die zowat haaks tegen de stevenbalken sluiten. b> een kromsteven in het algemeen. c> een schip waarvan de zijdes, in één vloeiende boog, zowat in één lijn, bij de stevens (of stevenbalken) samenkomen. d> een rond jacht.
~rondhout, boom, spier:
elk, vrij lang, stuk rond hout, of een gelijkwaardige constructie van een ander materiaal. Zie ook barring.
: a> volgens sommigen: klein rondhout*. b> volgens anderen: al het beweeglijke rondhout, zoals gaffel, bokkepoten, en ook kluiverboom en giek of spriet.
VAST RONDHOUT
: a> volgens sommigen: al het rondhout dat minstens aan één zijde (min of meer) vast zit, dus het los rondhout(b)* plus de mast. b> volgens anderen: al het rondhout dat in de regel niet verplaatst wordt, dus masten en boegspriet.
~rondkloppen,
kloppen:
een stalen plaat met behulp van hamers een zekere ronding (dwars op de lengterichting) geven.
Zie ook: rondzetten.
~rondkont:
aanduiding voor een vaartuig met een motorschepenkont.
~rondtorn, torn: 1> een volle slag met een touw of staaldraad ergens om heen.
Het touw of de staaldraad maakt dus een bocht van 360 graden.
2> ongebruikelijke term voor met een vaartuig, een volle slag in de rondte gaan.
~rondtornen: 1>tornen: met korte bewegingen ronddraaien. 2> een vastgevarenschip, met behulp van ankers, draden op de wal of andere schepen, 180 graden draaien, opdat het voorwaarts van de ondiepte kan komen.
~rondvaart, omvaart: vaart met betalende passagiers, waarbij het punt van vertrek en aankomst gelijk zijn.
De eerste rondvaartboten waren open vaartuigen. Het waren dus werkelijk boten of schuiten. Veel moderne 'rondvaartboten' zijn echter schepen of scheepjes (uitleg).
~rondzetten: een stalen plaat, door deze onder een soort pers te leggen, een zekere ronding (dwars op de lengterichting) geven. Zie ook: rondkloppen.
~rood:
HET ROOD IN HET HOUT HEBBEN
: verkleuring van naaldhout, die ontstaat wanneer het hout begint te rotten.
~rookkast,
rookkast:
ruimte tegen het uitiende van een vlampijpketel, waarin de rookgassen, die door de vlampijpen stromen, verzameld worden alvorens ze via de schoorsteen afgevoerd worden.
Met dit lijntje kan het onderlijk opgetrokken worden opdat de trek op de schoorsteenpijp van de kachel in het vooronder niet al te veel door het zeil verstoord zal worden.
~roosterbaar:
één der gietijzeren elementen van het vuurrooster.
~rootbak:
langs de oevers (van de Leie (B)) aan gebrachte bekistingen waarin men vlas liet rotten.
Alhoewel geen binnenvaartaangelegenheid eertijds toch een bekend verschijnsel in de binnenvaart en vooral in de spitsenvaart. Lange tijd mocht men namelijk deze rootbakken, die over een aanzienlijke afstand voor kwamen niet motorisch passeren. Men moest zich dus laten jagen. Ook in later tijd zorgde de vlasindustrie nog voor veel overlast voor de schippers. Het water werd namelijk dermate verontreinigd dat het schip, vooral in sluizen, onder het schuim kwam te zitten. In sluizen moest men zich soms met de dekwasslang een weg door het schuim banen om de voorbolders te kunnen bereiken. Zodra men weer op vrij water kwam, was het zaak het schip duchtig af te spoelen, daar het opgedroogde schuim zeer hardnekkige vlekken op de verf na liet.
duwbak, welke geschikt is om rijdende lading aan boord te laten. Tegenwoordig eigenlijk vaak een auto-transportbak.
~ro-roschip:
roll-on/roll-off schip: schip, geregeld een pontonschip of daarop gelijkend vaartuig, dat gebouwd is om grote zware rollende ladingen te vervoeren.
soort van baggermolen welke doormiddel van paarden lopende in een tredmolen aangedreven wordt.
Alhoewel het er op lijkt alsof dit al een emmerbaggermolen is, maakt deze molen geen gebruik van emmers maar van schotten welke de bagger van de bodem op een soort goot en vervolgens door de goot naar boven schuiven. De rosmoddermolen is tussen 1600 en 1860 in gebruik geweest.
~Rote Schweiss:
bijnaam van ondermeer de SRN = Schweizerische Reederei und Neptun AG.
~Rotterdamsch Rijnvaart Bedrijf:
Niet voldoende bekend. Mogelijk hebben twee ondernemingen met deze naam bestaan. De laatste zou in 1947 opgericht en in 1965 beëindigd kunnen zijn. De eerste zou in de jaren 20 van de vorige eeuw actief geweest zijn.
~Rotterdamsche Droogdok MaatschappijRDM:
grote reparatie- en nieuwbouwwerf, welke zich voornamelijk bezig hield met de bouw van zeegaande vaartuigen, maar toch ook meerdere vaartuigen voor de binnenvaart gebouwd heeft.
[E>Overzicht alle nieuwbouw] De firma werd opgericht in 1902 en ging in 1971 op in het Rijn-Schelde-Verolme concern dat in 1983 ophield te bestaan.
[E>Historie]
~Rotterdamse hoek:
hoek van de Noord-Oostpolder in de vaarweg tussen Urk en Lemmer. Beruchte plaats, waar vrij geregeld binnenvaartschepen in moeilijkheden komen te verkeren. Zo genoemd omdat daar puin afkomstig van de bombardementen op Rotterdam gestort is.
~Rotterdamse melkschouw:
forse open schouw uit de omgeving van Rotterdam.
kleine zwarte vlag, vaak driehoekig, met daarin een passense afbeelding; meestal met een treurboompje (protestants) of een kruis (katholiek).
Ten teken van rouw werd de natievlag soms vervangen door een rouwvlag van redelijk formaat. Ook hing men wel een klein exemplaar rouwvlag onder de natievlag, verving men de vleugel door een soort rouwvlag, of hing men een kleine rouwvlag in het want. De vlag bleef meestal hangen tot deze versleten was. Anno 2012 bleek dit gebruik nog steeds te bestaan.
~rouwvleugel:
zwarte vleugel, die men voert wanneer men in de rouw is.
1> roset: stalen pen met vertande, vierkante, steel en grote platte kop. [A in A>] Rozenbouten worden gebruikt om een zeer hechte verbinding tussen verschillende houten constructiedelen van een schip te krijgen.
2> lange stevige bout met platte afronde kop waarmee delen van een beschoeiing met elkaar verbonden worden.
~rubber:
meestal een op rubber gelijkende kunststof.
OP RUBBER STAAN
: van motoren: op trillingsdempers, geplaatst zijn. Van roeven: met tussen de roef en de rest van het schip een trillingdempende laag.
Wanneer iets niet op rubber staat, staat het koud op het staal.
~rubberboot:
vaartuig geconstrueerd van opblaasbare kunststof buizen langs de buitenranden, een bodem van dun soepel materiaal, eventueel aangevuld met een houten of aluminium spiegelplaat en vlonders. Dit type rubberboot wordt in de beroepsvaart slechts een hoogst enkele maal gebruikt.
RUBBERBOOT MET VASTE BODEM
, RBVB of in het Engels: Rigid Inflateble Boat, R.I.B.:
Combinatie van een (kleine) harde romp, waarop langs de randen, een opgeblazen 'rubberen' buis bevestigd is. De grotere boten (ca. 5 tot 8 meter) worden o.a. door de politie en brandweer, bergers en de reddingmaatschappij gebruikt.
~rubberen:
moderne variant van breeuwen, waarbij de naden met spuitbare kunststof afgedicht worden. Meestal wordt hiervoor een Sikaflex product gebruikt.
~rug: 1> in het algemeen: de achterkant van iets. 2> achterkant van een houten roer. 3> plaatselijke verondieping van het vaarwater. Zie ook bank en draap.
aan de Keen verwant scheepstype. Vroeg 19de eeuws, vrij lang, smal, ondiep, houten vrachtschip zonder luikenkap. Vrij spits toelopend, soms echter toch recht eindigend, voor- en achterschip met heves. Voorzien van een klaphekkenroer, zwaarden en kluiverboom. Meestal getuigd als anderhalfmaster. Het schip was voorzien van gangboorden, het ruim van binten. Voor het ruim was een roef geplaatst. Op de oudste modellen scheen deze echter direct voor de mast te staan. Ze werden voornamelijk voor het vervoer van steenkool gebruikt.
G. J. Schutten beschrijft een soortgelijke aak. Deze noemt hij echter een Ruhrnache. Dit schip zou, alhoewel voorzien van een complete tuigage voornamelijk gejaagd worden. Een zeilende versie van hetzelfde scheepstype zou volgens hem Rüderchen moeten heten. Werner Böcking kent het begrip 'nache' wel, maar de termen Ruhrnache en Rüderchen lijken hem onbekend te zijn. Ik neem dus aan dat Schutten wel degelijk een Ruhraak voor ogen heeft.
De termen Mülheimer aak en Mulmsche aak worden door sommigen als een synoniem voor Ruhraak gezien. Schutten ziet in de Mulmse aak echter een meer op de Slof gelijkend scheepstype. Zie verder bij Mulmse aak.
Verwant aan de Ruhraak zijn de Lahnaak en de Slof.
~Ruhrkahn:
niet voldoende bekend. Vermoedelijk gelijk aan een roeraak.
~ruilebuitschip, ventschip: 1> oude term voor een parlevinker(2). Deze werd dus geroeid of gezeild. 2> ventschip: vaartuig, waarmee men al ventend rondtrok.
~ruim: 1a>laadruim, scheepsruim, vrachtruim: voor de lading bestemd, afgeschot, gedeelte ìn de romp van een schip. Verwante termen: achterruim, voorruim. b> voor vis en/of netten bestemd gedeelte binnen de romp van een vissersschip.
Zie ook: visruim, nettenruim. c> plaatselijke term voor afdelingen in een visbun. Men onderscheidt het voor-, midden- en achterruim.
2> van de wind: achterlijker dan dwars.
3> vroeger (tot in de 18de eeuw?) ook gebruikt voor ruimtes, in trekschuiten, waarin passagiers vervoerd werden.
~ruiminhoud:
de bruikbare inhoud van het ruim onder de ruimafdekking of bij beunschepen, en andere schepen, die niet over een ruimafdekking beschikken, tot de bovenkant van het laagste deel van de den. De ruiminhoud wordt bijna altijd gemeten in kubieke meters; men spreekt daarom ook wel van cubage.
Een schip met een grote ruiminhoud voor het formaat wordt een goede berger genoemd.
De grens waarbij men een schip een goede berger gaat noemen, is moeilijk te geven, want vaak houdt men daarbij rekening met het type schip. In verhouding met vroeger, toen de schepen een vrij lage tot lage den hadden, zijn alle moderne schepen, die immers altijd een hoge den hebben, goede bergers.
~ruimschip:
vrij ongebruikelijke term. Soms gebruikt om onderscheid te maken tussen 'gewone vrachtschepen' en dekschepen of tussen tankschepen die hun, meestal poedervormige, lading in ketels, de ketelschepen, dan wel in één of twee grote rechthoekige ruimen vervoeren.
~ruimschoots:
met ruime wind, met de wind dwars of schuin van achteren inkomend zeilend.
Als ruimschop wordt vaak een schop met een vrij breed blad voorzien van lage opstaande randen gebruikt. Vroeger was dat vaak van hout later meestal van staal. Vaart men vaak met een bepaalde lading of kan men op de laad of losplaats een schop bemachtigen dan komen ook scheppen met een ander model in beeld.
~ruimschotspant: spant waar een ruimschot opgesteld staat.
~ruimspoelen:
het ruim, met behulp van de dekwaspomp, schoonspuiten.
~ruimspuit,
ruimenspuit:
met vloeistof te vullen vat, dat met een handpompje onder druk gezet kan worden, waarna men, met behulp van een aan het vat bevestigde slang met sproei- of spuitstuk, de vloeistof op de lading of tegen de wanden van het ruim kan sproeien.
De ruimspuit werd ondermeer gebruikt voor het olieën van de binnenzijde van het ruim en voor ongedierte bestrijding. In het eerste geval werd de ruimspuit gevuld met 'olie' (gefilterde afgewerkte olie, oliehoudende mengsels of spindelolie).
~ruimstringerplaat:
plaat welke als verbreding van een ruimstringer dient.
~ruimstut:
niet voldoende bekend.
Mogelijk alleen in de zeevaart gebruikt. Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.
~ruimtanker:
een tanker voor het vervoer van poederachtige stoffen, die niet opgedeeld is in een aantal vrij kleine compartimenten, maar over één of twee grote ruimen beschikt. De term wordt bijna uitsluitend gebruikt om onderscheid te kunnen maken tussen die tankschepen die hun lading in ketels, de ketelschepen, dan wel in één of twee grote rechthoekige ruimen vervoeren. In een enkel geval spreekt men ook wel van ruimschip.
~ruimte:
DODE RUIMTE
: niet gebruikte, meestal waterdicht afgesloten, ruimte. Vergelijk beun(4).
RUIMTE GEVEN
: a> van touw, staaldraad of ketting: zover vieren dat het slap komt te hangen. b> van schepen: de ander voorrang verlenen.
~ruimton:
vermoedelijk Nederlands-afrikaans woord voor toninhoud.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.
~ruimtevaarder,
ruimteketser:
in kleine kring gebruikte bijnaam voor gesleepte beunbakken met een klein stuurhutje, die de naam van een sterrenbeeld droegen.
Bron: KustvaartforumE>.
Naar het schijnt mat het roer van deze schepen 7 bij 3 meter.
~ruimveegsel,
ladingrest:
datgene dat na het lossen, nog bijelkaar geveegd kan worden
~ruimverf: 1> vroeger: goedkope sneldrogende verf. 2> tegenwoordig: verf, die voor de wanden van het ruim gebruikt mag worden.
4> ten tijde van de evenredige vrachtverdeling een persoon die op provisiebasis trachte de bevrachting soepel en snel te laten verlopen. Soms ook beurspooier genoemd.
De runner kon bijvoorbeeld de schipper op de beurs vervangen. De schipper had dan meer tijd voor het onderhoud van het schip en hoefde minder heen en weer te reizen. Ook schenen ze een zeker aandeel in wat buiten de schippersbeurs om verhandeld werd te hebben.
~rust: 1>wantrust: tegen het boeisel ter hoogte van het dek aangebrachte, horizontale klamp, waartegen de puttings voor de zijstagen liggen. Vroeger soms gecombineerd met de aanvaarklamp. 2>zwaardrust.
~rusthaak,
borghaak:
aan het schip bevestigde haak, waaraan het geheel opgehaalde zwaard gehangen kan worden.
De rusthaak bestaat uit een eindje ketting met een haakje, dat ter hoogte van het achtereinde van het zwaard aan het bovenboord bevestigd is. Dit haakje kan als men het zwaard geheel ophaalt in de bevestiging voor de zwaartstaander/zwaardloper gehaakt worden. De rusthaak wordt gebruikt in plaats van de zwaardrust. De term borghaak ben ik tot nu toe alleen bij G.J. Schutten tegengekomen.
~rustijzer: 1> metalen rust(1). 2> vrij ongebruikelijk synoniem voor putting(1).
~rusttijd:
de tijd tussen 6 uur 's avonds en 6 uur 's morgens waarin met niet met zegens mocht vissen.
Zie ook gesloten tijd.
~Rutgersboot(je): sleepboot van de Fa. Rutgers, Amsterdam. De term werd vroeger hoofdzakelijk gebruikt voor de vier stoomslepers, Groenland, Nova Zebla, Spitsbergen en Ob, die zusterschepen waren.