banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst Rik



~rikbaak, raambaken, landbaken:
op het land geplaatste constructie, met aan de bovenzijde een uit latten gevormde driehoek, dat als baken fungeert. Bijna alleen in Friesland, bij de invaarten van meren, voorkomend? [A>] Mogelijk Fries woord. Zie ook richtbaak.





~rikketik, pal:
1> stuk staal, dat voorkomt dat een palrad terug draait. De term wordt voornamelijk(?) gebruikt voor de pallen van een braadspil. [T>]
2> combinatie van pallen en kamring of kamrad bij een braadspil.  [T>]





~ringstok:
lange stok met aan het uiteinde een gebogen ijzer, waarmee men de netten van een dichtzet naar beneden kan duwen, om het schip er overheen te laten varen.





~Rinkelaar:
scheepstype dat een tijd voor de beloodsing van schepen gebruikt werd. @Verder geen gegevens bekend.





~rinket, klinket, slek, slak, slede, winket, reket :
1> schuif of deurtje, waarmee water in of uit een sluis gelaten kan worden. [A> nr.2]
De term slek of slak schijnt voornamelijk in het Zuiden nog in gebruik te zijn. Rinket is een verbasterde vorm van klinket of clinket, welk woord ook gebezigd wordt voor een kleine poort in een grote.

2> bij uitbreiding: het gehele systeem van schuif in de sluis en de daarbij behorenden mechanismen.





~rinketlier:
zie bij sluislier (2).





~riool:
Verkorting van omloopriool.





~R.I.S., RIS, River Information Services, Binnenvaartinformatiesysteem:
(electronische) informatiedienst ter ondersteuning van verkeers- en vervoersregulering. Het systeem moet niet alleen voor een betere aansluiting tussen de verschillende vormen van vervoer gaan verzorgen, ook voorziet het in een soort van verkeersbegeleding in de binnenvaart. Het project is in 1998 van start gegaan. [E>]





~rits:
kleine, van rijshout gebouwde, krib.





~Riverhopper, rivierhopper:
(firmanaam) modern motorvrachtschip, oorspronkelijk bedoelt voor de distributievaart, echter ook geschikt voor het vervoer van containers. Rechthoekige vorm met achter een paviljoenroef en hefstuurhuis of stuurhuis en woning voorop. Circa 63 x 7 meter 48 TEU of 850 ton. [A>]
Het project met de distributievaart ging in 2002 van start met een proef in het vervoer van bier tussen de bierbrouwers en hun distributiecentra. Na deze proefperiode moest deze vorm van vervoer vanaf 2004 op eigen benen staan. Door een te klein ladingaanbod en moeilijkheden met de overslag vanuit het schip moest het bedrijf al in 2005 de activiteiten staken. Met enige regelmaat duiken plannen op deze vervoersvorm nieuw leven in te blazen.






~Riverliner: Eurovrachter.





~rivier:
stromend water van redelijke omvang.
zoute rivier
: rivier, die in open verbinding met de zee staat en door een lage rivierafvoer zouter is dan normaal. Het tegengestelde staat wel bekend als 'zoet water'.

a>
DE GROTE RIVIEREN
: hiermee worden meestal de navolgende wateren bedoeld: Rijn, (Bovenrijn, Bijlandskanaal,) Pannerdenskanaal, Nederrijn, Lek en Waal. Hier is het Rijnvaartpolitiereglement van toepassing.

b>
DE RIVIEREN
: volgens veel schippers: voornoemde rivieren plus Boven Merwede, Beneden Merwede, Nieuwe Merwede, Noord, Dordtse Kil, Nieuwe Maas, Oude Maas, Bergse Maas, Maas en Gelderse IJssel.

VEEL RIVIER NODIG HEBBEN
: in de rijnsleepvaart: zeer veel ruimte nodig hebbend, wanneer men wenst op te draaien of kop voor wilt nemen.

c>
DE RIVIER
: voor Rotterdam en omstreken: het (oud) Rotterdams havengebied, de Nieuwe Maas met alle zijhavens.





~rivier....: Diverse samenstellingen met rivier zijn niet opgenomen.





~rivieraak:
1> algemene term voor houten aakachtige schepen die de Rijn bevoeren. Sedert circa 1900 wordt de term echter ook voor de grotere stalen aken, zoals de Hasselter aak gebruikt.
Bij deze, meestal door minder terzakekundige personen gebezigde term, laat men in het midden om welke van de types het gaat.


2> bepaald type vaartuig uit de Romeinse tijd die in het oude stroomgebied van de Rijn gevonden werd.
Vooralsnog ontbreken mij de nodige gegevens. Het vaartuig is vermoedelijk verwant aan de Romeinse praam, maar in later eeuwen zal men het pont of schouw genoemd hebben. [T>]






~rivierafvoer, debiet:
hoeveelheid water, die in een bepaalde tijd, op een bepaald punt, door een rivier stroomt. De afvoer wordt meestal uitgedrukt in kubieke meters per seconde.
De gemiddelde rivierafvoer voor de Rijn bij Lobith bedraagt 2200m³/sec. Een extreem lage afvoer werd bereikt in 1947: 620m³/sec.
'Debiet' is een term die voornamelijk in de hydrografie en niet onder schippers gebruikt word.






~rivierarrondissement:
bepaald riviervak, waarop een afdeling of ambtenaar van rijkswaterstaat toezicht houdt.





~rivierbaken, rivierbaak:
op de wal geplaatst baken, dat de ligging van de stroomgeul aan geeft.





~rivierbank:
zandbank in de rivier. Een enkele maal ook gebruikt voor een 'strandje' langs de rivier. Zie ook: banken.





~Rivierbeheer:
voormalige afdeling van Rijkswaterstaat die het toezicht op de rivieren had.





~rivierbericht:
voor de scheepvaart bestemde informatie inzake waterstanden, ijsgang e.d. op de rivieren.





~rivierbewakingsschip:
vaartuig van de krijgsmacht dat op de rivieren gebruikt wordt. Bijvoorbeeld een rivierpatrouilleschip of een rivierkannoneerboot.





~rivierbocht:
duidelijke kromming in de loop van de rivier.





~rivierboom:
dwars over de rivier liggende boom die de doorvaart onmogelijk maakt, meestal aangewend op plaatsen waar men tol heft.
bij brede rivieren zullen meerdere bomen aangewend moeten worden, danwel een gedeelte zal met een paalgording afgesloten zijn.

Gerelateerde term: stadsboom, ketting.





~rivierboot:
lekenterm voor een SCHIP dat op de rivieren vaart.





~riviercommissie:
naam van door de regering in de eerste helft van de negentiende eeuw ingestelde onderzoekscommissies die een waterstaakundig rapport over de rivieren moesten leveren.





~riviercorrespondentie:
berichtwisseling tussen de ambtenaren, die belast zijn met het toezicht op de rivieren.
Vooral in de winters van de tweede helft van de negentiende eeuw een zeer belangrijk maar ook moeizaamverlopend geheel wat over de veiligheid langs de rivieren, ondermeer wanneer deze met drijfijs verstopt raakten, moest waken.






~riviercruise:
meerdaagse 'rond'vaart op de rivieren.





~rivierdienst:
bij bepaalde Rotterdamse sleepboot rederijen gebruikte term, waarmee het sleepwerk in het Rotterdams havengebied aangeduid wordt.





~rivierdistrict:
langs de rivieren gelegen gebied, waarin de invloed van de rivier merk is of kan zijn.





~rivierenwet:
naam waaronder de wet van 9 Nov. 1908 (Stbl. 339), tot verzekering van den goeden staat der voorname rivieren en stroomen des Rijks, kan worden aangehaald.





~riviergrind:
grind uit de rivier.
Kenmerkend voor rivier grind is de ronde gladde vorm.

Gerelateerde termen: grindgat, grindmolen, grindschipper, grindvaart.





~rivierhandel:
de handel, die ondermeer door parlevinkers, op de rivier bedreven werd.





~rivierhaven:
haven die aan een rivier gelegen is.





~Rivierhopper:
1> vernederlandsde schrijfwijze voor Riverhopper.

2> hopperzuiger voor het gebruik op de rivieren.





~rivierkaart, rivierenkaart:
waterkaart die de gehele bevaarbare loop van de rivier afbeeld.





~rivierkade:
kade die langs een rivier gelegen is.
De term wordt over het algemeen gebruikt voor stenen kades, die ook als ligplaats voor schepen kunnen dienen, maar in oudere geschriften kan men er ook de dijken langs de rivier mee bedoelen.






~rivierkanonneerboot, schutschip/palander:
bepaald soort defensievaartuig.
In vroeger tijden vaak niet meer dan een flink binnenvaartschip waarop enkele stukken geschut opgesteld waren.
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog had men een drietal schepen min of meer voor dit doel geschikt gemaakt. Het waren de 'Hr.Ms Braga' te Millingen, de 'Hr.Ms Tyr' te Nijmegen en de 'Hr.Ms Freyr' te Arnhem. Verder zijn bekend 'Hr.Ms Balder', 'Hr.Ms Bulgia', 'Hr.Ms Udur' en 'Hr.Ms Hadda'.

Gerelateerde termen: vlotbatterij, rivierpatrouilleschip.





~Rivierklipper:
zie bij Klipper.





~rivierloods:
een loods die werkzaam is op (een gedeelte van) een rivier.





~riviermeester:
hoofdambtenaar belast met het toezicht op een rivier(vak). Vroeger ook stroommeester genoemd.





~riviermijnenveger:
defensievaartuig ingericht om mijnen, die zich in de rivieren en andere ruime wateren bevinden, op te ruimen. [A>]





~rivieroever:
de oever van een rivier.





~rivierpand:
minder bekend synoniem van riviervak.





~rivierpatrouilleschip, rivierpatrouilleboot:
defensievaartuig bestemd om toezicht te houden op de grotere wateren. [A> scheepsportret P902, P905. ]





~rivierpeil, rivierstand:
de actuele waterstand op de rivier.





~rivierpolitie:
1> oude naam van de waterpolitie te Rotterdam, tegenwoordig Zeehavenpolitie genoemd.

2> vroegere afdelingen van de waterpolitie, werkzaam op de grote rivieren.





~rivierpost:
vestiging van Rijkswaterstaat waar gegevens inzake de scheepvaart op de rivieren verzameld en verwerkt wordt.





~rivierradar:
een radar, dat vooral geschikt is voor het detecteren van voorwerpen op vrij korte afstand. Het gebruikelijke radar in de binnenvaart.





~rivierrecht:
bepaalde oude vorm van waterbeheer waarbij de eigenaar niet alleen een onderhoudsplicht maar ook zaken als tol-, vis en veerrechten bezat.





~rivierscheepvaart:
de scheepvaart op de rivier. Meestal riviervaart genoemd.





~rivierschip:
vrachtschip, gebouwd voor het bevaren van de rivieren. Meestal lichter en met minder zeeg gebouwd dan het schip voor de algemene vaart, maar met meer zeeg en meer diepgang dan het kanaalschip. In veel gevallen groter dan de schepen uit beide groepen.
Het onderscheid tussen rivierschepen, kanaalschepen en schepen van de algemene vaart is in het begin van de twintigste eeuw zo'n beetje verdwenen
.





~rivierschipper:
schipper, die voornamelijk op de rivieren vaart. Eventueel te onderscheiden in: maasschipper, rijnschipper en ijsselschipper.





~Rivierschokker:
Schokker voor de visserij met ankerkuilen op de grote rivieren.
G.J. Schutten (blz 451) voert dit min of meer op als een apart scheepstype. Voor zover bekend is er echter geen apart model echte schokker voor de riviervisserij gebouwd. Het type dat Waalschokker genoemd wordt heeft weinig met echte schokkers te maken.






~riviersleepboot, riviersleper :
oorspronkelijk sleepboot met groot motorvermogen en geringe diepgang, die ingericht is om meerdere sleepschepen te slepen.
In later tijd is men ook andere sleepboten, die slechts ten dele aangenoemde criteria voldoen riviersleepboot gaan noemen en is men de oorspronkelijke soort rijnsleepboot gaan noemen.






~riviersleper:
zie riviersleepboot.





~riviersluis:
weinig voorkomende term, waaraan desalniettemin drie betekenissen gegeven zijn.
a> sluis die in een zijtak van een rivier gelegen is, waarbij zowel begin als eind van de zijtak op dezelfde hoofdstroom uitkomt.
De zijtak biedt in dit geval een kortere, veiliger of beter bevaarbare route, dan de hoofdtak.

b> de sluis naast een rivierstuw.
In feite dus gelijk aan a, maar de hoofdstroom kent een kunstmatig obstakel.

c> sluis die een verbinding vormt tussen een rivier en andersoortig water.
[Gerelateerde termen >].





~riviertol:
tol die bij passage van bepaalde punten op de rivier geheven werd.





~riviertuig:
tuigage ingericht om met niet al te veel moeite de vaste bruggen over de rivieren, zeilend te kunnen passeren. Soms een anderhalf-masttuig, soms de combinatie van een vrij korte mast, eventueel met steng en een erg lange giek, dus een erg breed tuig.





~riviervaarder:
iemand die de rivieren bevaart.





~riviervaart:
de scheepvaart op de grote rivieren. Zie ook: Algemene vaart, kanaalvaart.





~riviervaartuig:
willekeurig vaartuig bestemd voor de vaart op de rivieren.
De term wordt ondermeer in marinekringen gebruikt.






~riviervak, rivierpand :
bepaald gedeelte van de rivier.
De indeling van een rivier in panden of vakken kan op grond van diverse gronden gebeuren. Meest gebeurt het op zowel waterbouwtechnische als scheepvaarttechnische gronden.






~riviervis:
vis, die voornamelijk in stromend water leeft.





~riviervisser:
1> visser, die op de grote rivieren vist.
2> het vaartuig van 1. Onder deze vissers zelf meestal schokker genoemd.





~riviervisserij:
het vissen op de rivieren.





~riviervissersvaartuig, riviervisser:
willekeurig vaartuig dat ten behoeve van de riviervisserij gebruikt wordt. Onder deze vissers zelf meestal schokker genoemd.





~robber:
houten of metalen werktuig waarmee de zeilmaker naden glad strijkt en vouwen scherp maakt.





~Rode kruisschip:
schip varend onder de vlag van het Rode Kruis. [A>] [T>]
In principe kan dit elk soort schip zijn, maar vaak wordt er een hospitaalschip mee bedoeld.






~rodetonnenlijn:
denkbeeldige lijn langs een aantal rode tonnen in een vaarwater.
Deze aaneengeschreven vorm werd ondermeer aangetroffen in de ANWB watersport almanak.






~roe, roede:
de ra van een latijnzeil.





~roede:
1> verkorting van zegelroede.

2> zie roe.





~roeder:
verouderde term voor roer.





~roederen:
oude term voor het sturen van een schip.





~roedergeld:
zie roertol.





~roedertol:
zie roertol.





~roedetuig, roedezeil: tuigage waarbij het zeil gevoerd wordt aan een lange achterwaarts overhellende mast of gebogen roede. Een soort van latijnszeil zonder mastje. Een enkeling noemt dit zeil een torenzeil(2).
Het gaat hierbij meestal om kleine vaartuigen met een onverstaagde steekmast. Het zeil is direct aan de mast of roede gemarld en kan dus niet gestreken worden. Het zeil is erg voorlijk geplaatst. Op wat grotere vaartuigen zoals speeljachten en de Waterlandse melkschuit gebruikt men twee van dergelijke zeilen kort achter elkaar. Het tuig is in de 16de en 17de eeuw in gebruik geweest. Nadien treft men het vrijwel uitsluitend nog op voornoemde melkschuiten aan.
De term roedetuig werd door mijn onmisbare steun en toeverlaat 'Schipper Cees' van Vaartips.nl gevonden in een artikel uit Spiegel der Zeilvaart november 2010 getiteld "Vroeg zeventiende-eeuwse steekschuiten" door P.J.M.Martens.






~roef:
1> de opbouw, die als woning gebruikt wordt. [A> menu afbeeldingen roeven] Verwante termen: salonroef, achteronder, achterroef, campagneroef, dekhut, dekroef, durk, jachtenroef, kot, laadroef, Leenmansroef, middenroef, middenstandswoning, paviljoen, paviljoenroef, roefbak, roefbodem, roefdek, roefschot, roefwand, salon, stookroef, theehut, vooronder, voorroef, zomerroef, enz.
ROEF AAN DE DEN
: roef, die tegen de achterkant van de luikenkap staat. [A>]
Alle zeilende binnenvaartschepen hadden van origine een roef aan de den. De roef achterop, de salonroef, is pas bij de introductie van stoom en motorschepen ontstaan.

VERHEVEN ROEF
: roef aan de den, die boven de luikenkap uitsteekt. Volgens 'Skipperstaal' noemt men een roef die niet boven de luikenkap uitsteekt een dekroef.
VERZONKEN ROEF
: roef, die deels in het dek ingelaten is.

2> grotendeels verzonken, voor passagiers bestemd verblijf, op o.a. rondvaartboten, overzetbootjes, beurtscheepjes, enz.
In vroeger tijden kende men op de vaartuigen die passagiers vervoerden soms meerdere vertrekken voor de passagiers en sprak men ondermeer van kajuit, kelder, salon, roef en ruim.






~roefaakschip:
aanduiding uit de liggers van de scheepsmeetdiensten voor een vrachtschip van het type aak, welk voorzien is van een roef.





~roefachteronder:
hoogst waarschijnlijk bedoelt men een paviljoen.
De term ben ik tot nu toe alleen bij Verrips tegengekomen.






~roefbak:
1> roef, die dusdanig geconstrueerd is dat er geen delen onder de gangboorden uitgebouwd zijn.
Deze roeven kunnen dus in hun geheel uit het schip gehesen worden. Bij niet verzonken of weinig verzonken roeven de normale bouwwijze.


2> het gedeelte van de roef dat onder het niveau van dek/gangboord ligt.





~roefbalk:
waterbalk, die tevens dient voor de bevestiging van het voor- of achterschot van de roef.





~roefbetimmering:
de binnenwanden, kasten, kooien, enz. enz. in de roef. [A> interieurs van roeven]





~roefblind(e):
zie raamblinde.





~roefbodem:
de werkelijke (uitwendige) onderkant van een verzonken roef. Aangezien diepverzonken roeven gewoon op het vlak rusten, hebben die roeven geen roefbodem.





~roefborstel, komborstel:
soort bokkepoot maar dan met een 'kwast' van 10 à 15 cm doorsnede. Door sommigen ook boenkop genoemd.





~roefdak:
zie roefdek.
Alhoewel deze term door vele schippers gezien wordt als een lekenterm, wordt deze wel en roefdek niet in P. Versnel's Vakwoordenboek genoemd.






~roefdek:
bovenkant (het dak) van de roef. [A>] Door sommigen ook gebruikt voor het plafond in de roef.





~roefdeur:
deur die toegang geeft tot de roef.
De meeste oude roeven hebben deuren die vertikaal gedeeld zijn, de zogenaamde dubbelle deurtjes. Men heeft dus twee deurtjes voor één opening. De reden hiervoor is simpel: één grote deur zou op oudere schepen te veel in de weg zitten, bovendien vangt een dergelijke deur meer wind hetgeen gezien het feit dat men de deur vaak, als men buiten staat, onder en wanneer men binnen staat, vaak boven z'n macht moet openen, bezwaarlijk kan zijn. Een andere reden was misschien voldoende ventilatie en licht waarvoor men dan dus maar één deurtje, naar believen die welke op, of van de wind gericht was, open kon zetten. Aan de buitenzijde was de deur vaak voorzien van een ring waarmee de klink gelicht kon worden en waarmee men de deur vast kon binden. Voor deze eenvoudige constructie koos men omdat deze nauwelijks uitsteekt; men zal zich er niet licht aan stoten en ook zullen touwen of kleren er niet snel achter blijven hangen. Aan de binnenzijde koos men vaak het wat fraaiere eitje. Op sommige schepen had men juist het eitje buiten en de ring binnen....
Later en op grotere schepen, als ook op stuurhutdeuren vond de patentdeurkruk veelvuldig toepassing.
De modernere schepen kregen gewone enkele deuren, eerst van hout, later van aluminium en tegenwoordig zelfs van roestvrij staal. Al deze deuren, behalve de erg lage exemplaren, zijn in tegenstelling tot de gedeelde deurtjes vaak voorzien van glas en voorzien van 'normale' deurkrukken.

Aan boord van oude schepen zijn alle toegangen aan de smalle kant; 60 cm is royaal, 40 cm is krap. Ook zijn ze vaak niet erg hoog. Erg lage deuren werden voorzien van een daarop aansluitend schuifluik in het roefdek. Bij de wat hogere deuren werd extra hoogte gewonnen door het roefdek ter plaatste (meestal met een sierlijke boog, de kuif) te verhogen.

Op diverse oude schepen ziet men in de achterwand van de roef twee stel deuren. Aan stuurboord bevond zich vaak de werkelijke toegang tot de roef. De deuren aan bakboord dienden vaak om de daar achtergelegen 'keuken', waarin zich het kolenfornuis bevond, van voldoende frisse lucht te voorzien. Op sommige schepen maakte deze keuken, na de komst van flessegas, soms plaats voor een echt toilet, wat dan zijn ingang dus buiten de roef had.






~roefel:
plaatselijke term voor korboom.





~roefgeld:
geld dat men moest betalen om op een beurtschip of trekschuit binnen te mogen zitten.





~roefluik:
1> luik, op het roefdek, dat in combinatie met deurtjes de roefingang vormt.
2> met bouten en moeren vastgezet, luik in de roefvloer of in een constructie in de roef, waardoor de cilinderkop(pen) van de motor gelicht konden worden.





~roefpraam:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk een forse praam (type onbekend) met roef.





~roefschild: roefschot.





~roefschip:
schip met een roef. Vroeger in Friesland vaak gebruikt als synoniem voor skŻtsje.
Gerelateerde termen: dekschip, paviljoenschip, roefschuit.





~roefschot, roefschild:
de voor- of achterwand van de roef.  [A>]





~roefschuif:
zie raamblinde.





~roefschuit:
klein roefscheepje, soms zonder luikenkap.





~roeftjalk:
tjalk met roef; dit in tegenstelling tot dektjalk en paviljoentjalk.





~roeftrap, kajuitstrap:
trap tussen de vloer van de roef en het achterdek, brugdek of vloer van thee- of stuurhut.





~roefwand:
één der zijwanden van de roef.





~Roeiaak:
kleine aak(1), plusminus 7 meter, geheel open, weinig zeeg, voor iets hoger dan achter, weinig gangen en daardoor een beetje hoekige vorm, meestal geroeid, soms een klein tuig, vaak voorzien van een klein spiegeltje. Vooral voor het rietsnijden e.d. gebruikt. Tot dit type rekent men soms ook de de Ankeraak, de Sliedrechtse werkboot, de Werkboot van de Biesbosch en de Zegenaak.





~roeibank:
beetje een leken term voor roeidoft.





~roeiblad, blad:
het brede in het water stekende deel van een roeispaan of roeiriem.





~roeiboot:
1> open boot van een willekeurig type, zonder tuigage, die meestal geroeid of gewrikt wordt.
Het door ir. E van Konijnenburg als roeiboot aangeduide vaartuig is waarschijnlijk een sjouwerman.


2> zie Groninger boot.

3> zie bijboot.

4> zie boerenboot.

5> bepaald type roeischouw van rond de Zuid-Hollandse veengebieden. Bij dit type bestond het voorbord uit niet meer dan een dikke plank, een legger. Achter was er een lage bord. Lengte rond de vier meter.
Bron; G.J. Schutten blz.325.






~roeibootanker:
klein ankertje dat men in de roeiboot mee neemt.





~roeibootbank:
lekenterm voor roeidoft.





~roeibootdavit:
zie bijbootdavit.





~roeibootmakerij, botenbouwer, botenwerf:
bedrijf dat zich toegelegd heeft op de bouw van kleine open vaartuigen (boten!).





~roeiden:
houten boog tussen het uiteinde van het roerblad en de bovenzijde van de roerkoning, bij het klaphekkenroer. (Roer-den lijkt me logischer, maar heb ik nog niet aangetroffen.)





~roeidoft, doft, roeibank, roeibootbank:
dwarsscheepse plank waarop men kan zitten om een boot te roeien. [A>]





~roeidol, dol:
1> algemene benaming voor de constructie waarmee tijdens het roeien de roeispaan of -riem op z'n plaats gehouden wordt.[T> Roeien.]

2> in de dolboom of dolpot geplaatste pen met vorkvormig boveneinde, waarin een roeiRIEM kan liggen. Gerelateerde termen: dolpen, riemdol, roeikast.





~roeien:
1> een vaartuig met roeispanen of roeiriemen, die op of nabij het vaartuig, rond een 'draaipunt' bewegen, met een heen en weer gaande beweging, in een, min of meer, horizontale baan, afwisselend onder en boven water, voort bewegen. [T> Roeien.] [A> film]
2> zie schippersgang.





~roeier:
1> iemand, die roeit.

2> lid van een roeiploeg.





~roeiersploeg:
plaatselijke variant voor roeiploeg.





~roeiersvlet:
vlet, ongeacht of dit een motorvlet of een roeivlet is, tegenwoordig soms ook een ander type vaartuig, die door een roeiploeg gebruikt wordt. In de liggers der meetdiensten ook vastmaakboot genoemd.
Al sinds mensenheugnis moeten roeivletten een zwart-wit geblokte band voeren. Dit heeft vermoedelijk te maken met de contrôle op de uitvoering van zekere voorschriften.

[A> motorvlet]





~roeigat:
gat waardoor een roeiriem of roeispaan buitenboord gestoken kan worden, ook scheegat of dolgat genoemd. (Verouderd.) Gerelateerde term: roeikast.





~roeikast:
meestal door twee dolklampen gevormde verhoging van het dolboord, met daartussen een opening waarin de roeispaan kan liggen. Gerelateerde termen: dolgat, roeidol, roeigat, scheegat, enz.





~roeiklamp:
1> dolklos.

2> één der klampen van de roeikast.





~roeipin: dolpen.





~roeiploeg, vletterploeg, vlettersgilde, roeiersploeg:
a> oorspronkelijk vereniging van roeiers, die zeeschepen assisteerden.
b> Later: bedrijf, dat behulpzaam is bij het afmeren van zeeschepen.
Gerelateerde termen: Koperen Ploeg, Gouden Ploeg, roeiersvlet, vlettendok.





~roeiriem, riem:
lange houten, RONDE, schacht met aan het ene eind een greep en aan het andere eind een blad. [A>] Vergelijk: wrikriem, roeispaan.





~roeischip:
vaartuig van aanzienlijke afmetingen, voorzien van dekken en/of opbouwen, welk door roeien voortbewogen wordt.
Tot in de 17de eeuw kende men hier te lande galeiën die geroeid werden en waarop de term roeischip van toepassing was.






~roeischouw:
verzamelnaam voor diverse types schouwen, die gebouwd waren om mee te roeien. De scheiding tussen roeischouw en zeilschouw was niet altijd strikt.
Gerelateerde termen: Boerenboot, Bunschouw, Breukeleveense roeiboot, Jagersschouw, Kortenhoefse boot, Loosdrechtse boot, Loosdrechtse schouw, Nieuwkoopse roeiboot, Nieuwkoopse schietschouw, roeiboot, Vinkeveense roeiboot, Vinkeveense visboot, Westbroekse boot, Westbroekse schouw, Vinkeveense turfmakersboot, enz.





~roeischuit:
1> mogelijke verzamelnaam voor diverse schuiten, die voornamelijk roeiend voortbewogen worden. Plaatselijk kunnen de betekenissen enger begrensd zijn geweest.
Roeischuiten werden ingezet voor het laden en lossen van grote schepen, voor overzetdiensten, voor korte beurtveren, maar bijv. ook voor het rondvaren van gezelschappen; het spelevaren. Ook steigerschuiten waren geregeld roeischuiten.


2> Langedijker roeischuit.





~roeischuitenvoerder:
de eigenaar, schipper van een roeischuit.
In Amsterdam scheen het dan te gaan om roeischuiten, die ingezet werden bij het laden en lossen van zeeschepen.






~roeischuitenvoerdersgilde:
vereniging van eigenaren, schippers van een roeischuit.
In Amsterdam scheen het dan te gaan om roeischuiten, die ingezet werden bij het laden en lossen van zeeschepen.






~roeislag:
het, tijdens het roeien, eenmaal, heen en weer bewegen van de roeispaan of roeiriem.





~roeisnip:
roeibootje; gelijk aan de gewone snip.





~roeispaan, spaan:
1> lange houten, meestal rechthoekige, schacht met aan het ene eind een greep en aan het andere eind een blad. In het midden vaak met klampen verdikt, in welk geval men ook wel van een klampriem spreekt. [A>]

2> verzamelnaam voor roeiriem, wrikriem en roeispaan.





~roeistok:
vrij onbekende term voor peilstok.





~roeistrop:
aan het bovenboord bevestigde lus, ter vervanging van een roeidol, waardoor een roeispaan of roeiriem gestoken wordt.





~roeivaartuig:
meestal een willekeurig open vaartuig, dat met spierkracht voortbewogen wordt.





~roeiveer, roeiveerdienst:
veerdienst, die met een geroeid vaartuig onderhouden wordt.





~roeiveerdienst:
zie roeiveer.





~roeivisboot:
visboot voornamelijk door roeien voortgestuwd.





~Roeivlet:
type houten Vlet, speciaal bedoeld om geroeid te worden. Men had hierin eigenlijk twee types: de tuindersvlet, met de doft en dollen voorin en vrij gestrekt van bouw en de vlet zoals die door vissers en roeiploegen gebruikt werd, met, voorzover de ruimte dat toeliet, zo veel mogelijk doften en dollen. Zie ook Helderse vlet, roeiersvlet.





~Roelofarendsveense baggerpraam:
zie Veense praam.





~Roelofarendsveense praam:
zie Veense praam.





~Roelofarendsveense turfpraam:
zie Veense praam.





~roephoorn:
zie bij scheepsroeper.





~roer, scheepsroer, roeder:
1> draaibaar vertikaal vlak, waarmee men een vaartuig kan sturen. [A>hout, staal]

AANGEHANGEN ROER
, hangroeder, stevenroer: een roer dat, ACHTER het schip, aan de achterstevenbalk, roerbalk of spiegel opgehangen is.
Ook het klassieke zijroer is een aangehangen roer, maar tegenwoordig zal men een zijroer nog maar zelden zo noemen. Het stevenroer heeft, bij de Nederlandse scheepstypes, rond 1360 het aangehangen roer verdrongen.


DOORGESTOKEN ROER
: een roer, dat ONDER het achterschip opgehangen is. De as, de roerkoning, loopt dwars door het achterschip heen.

VISSEND ROER
: een aangehangen roer, dat onder het vlak of kielbalk, uitsteekt.
Niet te verwarren met een vissermansroer, een viskoproer of een visstaartroer.

GEEN DRANG OP HET ROER HEBBEN
: niet (goed) kunnen sturen omdat het schrip te weinig snelheid heeft of omdat de schroef onvoldoende toeren maakt.

GOED NAAR HET ROER LUISTEREN
: wordt gezegd wanneer een schip makkelijk te sturen is.

ROER GEVEN
: een bocht maken.

HET ROER AAN BOORD LEGGEN
: een scherpe bocht maken.

UIT HET ROER LOPEN
: wordt gezegd wanneer de bewegingen van het roer geen effect meer op het schip hebben.

WREED OP HET ROER ZIJN
: een schip is wreed op het roer, wanneer men er constant werk aan heeft, het schip op koers te houden of wanneer hiervoor veel kracht nodig is. Zie ook roerhard.

OP HET ROER TREKKEN
: constant de nijging hebben een bocht te gaan varen.

Gerelateerde termen: backingroer, balansroer, beckerroer, beunroer, bladroer, dubbelplaatroer, erdaldoos, flankingroer, flettnerroer, hak, hakroer, Haakroer, Hitlzerroer, hernaroer, hulproer, klaphekkenroer, klik(4), kolderstok, koproer, messing, plaatroer, profielroer, roerklik, roerkoning, roerpropeller, rug, schep, schuurdeur, stuurbak, stuurboog, stuurboom, staartroer, vissermansroer, vissestraatroer, zandstrook, zeilroer, zijroer.

2> bij uitbreiding: al datgeen waarmee een schip gestuurd kan worden.





~roeraak:
zie Ruhraak.





~roerarm:
korte zware hefboom die als helmhout fungeert bij hydraulisch gestuurde roeren.
Waarschijnlijk gaat het hier om een term uit de watersport en noemt men het in de binnenvaart gewoonlijk toch 'helmhout'.

2> volgens P. Versnel in zijn Vakwoordenboek: een roerveer.





~roerbalk:
bij schepen met een vlakke achterkant: tegen de achterzijde bevestigde, vertikale balk of soortgelijke constructie in staal, waaraan het roer opgehangen is. Vergelijk: achterstevenbalk.





~roerband:
1> volgens Mr Jhr. J. van Lennep een metalen band waarmee het roer (van een geankerd schip) in bedwang gehouden wordt.
De term heeft betrekking op zeegaande schepen.


2> bij vergissing soms verklaard met roerveer.





~roerbediening:
datgene wat men beweegt om het roer te laten bewegen.





~roerbeeld(je):
vroeger: op of tegen het roer aangebracht beeldhouwwerk. Later: op het helmhout, ter vervanging van de klik(2), geplaatst beeldje. [A>] Vaak is dit een leeuwtje, het roerleeuwtje of het is een uitbeelding van de scheepsnaam.
In de beroepsvaart kwam het roerbeeld (vrijwel) alleen voor bij de succesvolle beurtdiensten. Later verdwijnt het bijna geheel. Foto's van vrachtschepen waarop nog een roerbeeldje te zien is, zijn zeer schaars. Sommigen haalden alleen op hoogtijdagen het roerbeeldje, letterlijk, uit de kast. Ook op oude schilderijen en tekeningen is het roerbeeld niet algemeen. Het waren meestal de koopmansjachten, die een dergelijke versiering hadden.
Het meest toegepast zijn de Flora, een vrouwenhoofd rijkelijk versierd met bloemen en/of fruit, een mannenhoofd waarop een hoed met krokodil of ook een krokodil als hoed en een mannenhoofd met een gevleugelde helm in de vorm van een honden of leeuwenkop. De gevleugelde helm kan een verwijzing naar Mercurius, de god van de handel, de leeuwenkop een verwijzing naar Hercules (slimheid en kracht). Het kopjacht dankt zijn naam aan deze versiering.






~roerbeslag:
al het staalwerk, dat tegen of aan het eigenlijke roer bevestigd wordt. Vergelijk: roerstel.





~roerbeugel:
niet voldoende bekend; mogelijk de combinatie van roerveren en roerhaak of vingerling.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~roerblad:
1> vertikale vlak, dat aan de roerkoning bevestigd is.
2> hak(2): het brede, onder water stekende, gedeelte van een houten roer.





~roerborg:
niet bekend; mogelijk de pal en bijbehorend rad waarmee men op diverse stuurwerken kan voorkomen dat men ongewild het rad rond draait.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~roerbus:
1> bevestiging voor de helmstok aan boord van de Baquet. Ook luij genoemd.

2> niet voldoende bekend; mogelijk een vingerling, mogelijk een extra bus die in de vingerling geplaatst is. Het kan echter ook een lagerbus van een roerkoning zijn.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek. Mogelijk een term uit de zeevaart.






~roerdekpot:
deklager voor de roerkoning. Zie ook roerstangpot.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~roerdraad:
staaldraad bevestigd aan (het uiteinde van) het roer, waarmee het roer, als het schip stil ligt 'vastgezet' wordt.
De roerdraad wordt over het algemeen alleen toegepast op stalen roeren.

Gerelateerde term: grondtakel.





~roerduim:
opwaarts
gerichte pen, waaraan het roer gehangen wordt. Vergelijk: roerhaak.





~roerganger:
degene, die aan het roer staat.
Degeen die aan het roer staat, is niet noodzakelijker wijs ook de schipper. Vooral op de grote sleepboten en passagiersschepen kwam het voor dat het roer door één van de knechts/matrozen bediend werd. Hij ontving zijn aanwijzingen van de stuurman (of de kapitein). Alleen in bijzondere gevallen werd het roer door de stuurman overgenomen






~roergeld:
soort havengeld/vaargeld. Zie roertol.





~roergeven:
het roer uit de middenstand draaien.





~roerhaak:
neerwaarts gerichte pen, waarmee het roer aan het achterschip gehangen wordt. [A>]





~roerhak:
zie hak.





~roerhakpot:
zie roertaats.





~roerhard:
zwaar te sturen; bijv, in: Dat schip is roerhard. Men spreekt dan ook van wreed op het roer zijn.
De term wordt door Nicolaas Witsen genoemd en vervolgens door enkele woordenboeken overgenomen, waarbij, vermoedelijk door onkunde, als tweede betekenis 'uit het roer lopen' wordt toegevoegd.






~roerhiel:
onbekende term voor roerhak.





~roering:
1> vaak, maar naar het schijnt onterecht gebruikt als synoniem voor ankerring.

2> omwoeling van geteerd zeildoek en touw om de ring van het stokanker, ten einde slijtage aan de ankertros te beperken.
Het is me niet met zekerheid bekend of dit in de binnenvaart ook gebruikelijk was.






~roeringsteek:
steek, waarmee men dik touw op een ring vastzet.





~roerinstallatie:
alles wat voor de bediening van het roer noodzakelijk is. Stuurwerk, roerwerk, enz.





~roerketting:
1> ketting van een kettingstuurwerk.

2> de zorgketting van een roer.





~roerklamp:
1> zie helmhoutklamp.

2> zie roerklomp.





~roerklik, klik:
vorm van scheepssier. Los sierstuk, op de bovenzijde van het roer bij diverse zeilschepen. [A>]
Naar men beweert, was de roerklik oorspronkelijk niets meer dan een plankje wat de bovenkant van de roerposten, die in het helmhout staken afdekte. Op dat plankje werd soms een roerbeeldje geplaatst. Roerbeeldjes zijn echter bewerkelijk en kwetsbaar zodat men een eenvoudiger vorm verkoos. Dit werd uiteindelijk de klik zoals we die nu kennen.

Gerelateerde termen: roerbeeld, hoorn van overvloed, Flora.





~roerklomp:
het uitstekende, achterste gedeelte onder aan een houten roer, dus dat wat meestal de hak genoemd wordt.
De term is afkomstig uit het zeemans woordenboek van Mr Jhr. J. van Lennep en heeft misschien geen toepassing in de binnenvaart gevonden.






~roerkoker:
niet voldoende bekend: vermoedelijk de hennegatskoker.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~roerkoning, manneke, roerstander:
stalen as of houten paal, waaraan een roerblad bevestigd is.
Gerelateerde termen: roerstangpot, roerraam, roertaats, roerwerk, roeruitslag.
Een roer met een roerkoning bestaat duidelijk uit een as met een aangezet blad. De term lijkt pas bij de komst van de stalen roeren ontstaan te zijn. Dat men de as van een klaphekkenroer een roerkoning wilt noemen, is verdedigbaar. Dat men echter de voorste roerpost van een staartroer/hakroer eveneens roerkoning wilt noemen, gaat mij echter te ver. De term roerschacht lijkt mij dan toepasselijker.






~roerkop:
1> de bovenkant van een houten roer; het gedeelte waar het helmhout om of op ligt. Zie ver ook bij: helm.

2> kop- of borstbeeld, dat achteraan het roer bevestigd is (bij schepen met een statie) of op het roer ligt (bijwijze van klik). (in de loop van de 19de eeuw grotendeels verdwenen.)





~roerkoppeling:
niet voldoende bekend; vermoedelijk de flenzen die de verbinding vormen van het eigenlijke roer en de roerkoning.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~roerkwadrant:
een kwadrant dat aan de bovenzijde van het roer, dus niet op een roerkoning, gemonteerd zit. Met het kwadrant kan de stand van het roer bepaald kan worden. [A>]





~roerlager:
willekeurig lager van de roerkoning.





~roerleeuw:
roerbleedje, in de vorm van een leeuw, op diverse rond- of platbodem jachten.





~roerlichter:
touw of ketting, vaak gecombineerd met een takel, de roertakel/roertalie, die over een in het roer aangebrachte schijf loopt, en waarmee het roer een eindje opgehesen kan worden. [A>] Wordt in combinatie met grondtakels gebruikt om het roer vast te zetten, te schorten.





~roerlijn(tje), roertouw(tje):
lijn waarmee men het roer, of beter gezegd het rad, helmhout of -stok, vastbindt.
Meestal wordt het roer vastgebonden wanneer het schip stilligt. Dit voorkomt onnodige slijtage en vooral ook gepiep, geknars en geklapper. In de visserij kwam het echter voor dat men tijdens het vissen het roer aan boord bond. Dit was ondermeer het geval bij het in span vissen met het sleepnet.






~roerloos:
van schepen: zonder roer.





~roermal:
mal waarna het roer gevormd wordt.





~roernagel:
bandnagel waarmee men de strip over de helm van het roer en de roerveren vast kan zetten.





~roeroog:
ongebruikelijke, mogelijk plaatselijke, term voor vingerling.





~roeroor:
uitstulping aan het roer waarin een roerhaak (en niet een vingerling zoals Spruijt denkt) of een taatspen gemonteerd kan worden.
Alleen aanwezig bij roeren waarbij de roerkoning niet rechtstandig doorloopt tot op de hak van de achtersteven en het roer toch aan de achtersteven opgehangen is. Hetgeen in de binnenvaart niet erg vaak voorkomt. Bij dit systeem is het schroefraam in de achtersteven uitgespaard en loopt dus achter de schroef door.

Zie ook stevenoor.





~roerpen:
1> pen, waarom het roer scharniert.

2> volgens sommigen: een roerhaak.

3> volgens vanDale en ook Mr Jhr. J. van Lennep: een helmstok.
De term wordt in oude geschriften, bijvoorbeeld uit de zestiende en zeventiende eeuw, met enige regelmaat in deze zin gebruikt. Tegenwoordig is echter de bij 1 vermelde betekenis de meest dangbare. In plaats van roerpen gebruikt men ook de term roerstok.






~roerplaat:
stalen plaat die gebruikt wordt om een roer te construeren.





~roerpost:
dikke houten plank, een post, waaruit roeren samengesteld worden. In het Vlaams roerschacht genoemd. De voorste roerpost noemt men wel roerkoning, maar dit berust op een vergissing.





~roerpot: roertaats.





~roerpropeller, Schottel, azimuth-drive:
speciale voortstuwingsconstructie, waarbij de schroef dusdanig 360 graden gedraaid kan worden, dat ook de stuwrichting 360 graden draait. [A>]





~roerpropellerinstallatie, roerpropinstallatie, :
de roerpropeller en alles wat daarbij hoort. Soms ook schroefinstallatie genoemd.





~roerraam:
metalen frame wat de basis voor het gehele roer vormt.
Het gesmede metalen frame vormt de omtrek met eventuele verstevigingen voor het eigenlijke roer. De roerkoning is veelal aangevormd. Tegen het frame wordt één of tweezijdig een staal plaat geklonken. De eventuele hole ruimte wordt vooraf gevuld met hard hout.






~roerschacht, roerstander:
1> dat deel van een houten roer dat direct tegen de achtersteven of spiegel aanligt tot het punt waar het roer sterk in hoogte afneemt. Later (bij vergissing?) ook roerkoning genoemd.

2> Vlaams synoniem voor roerpost.





~roerschenkel:
voorloop van touw aan een zorgketting van het roer of aan de roerlichter.
Het is niet zeker of deze term in de binnenvaart in gebruik is geweest.






~roerschip:
schip uitgerust met een (groot) roer, dat aan één der achterste schepen van een sleep, wanneer dit roerloze schepen zijn, gekoppeld wordt, om het geheel te kunnen sturen.





~roerschuif:
verschuifbaar stalen deel in het roer van veel grote sleepschepen.
Gerelateerde term: linnet, rolschuif.





~roerschuit:
schuit uitgerust met een (groot) roer, dat aan één der achterste vaartuigen van een sleep, wanneer dit roerloze vaartuigen zijn, gekoppeld wordt, om het geheel te kunnen sturen.





~roerspaan, stuurriem:
1> handroeder: soort van roeispaan of roeiriem, waarmee gestuurd wordt.
Tot in de late middeleeuwen het gebruikelijke roer op veel schepen. De spaan hing gewoonlijk aan stuurboordzijde achteraan het schip. Later alleen nog in gebruik op rivierschepen die vaak stevelden en daar zelfs tot tegen de twintigste eeuw in gebruik gebleven. (Zie verder bij draaglap.) Tegenwoordig wordt de roerspaan nog sporadisch gebruikt op open zeilboten.


2> Zie draaglap.





~roerstand:
1> de positie waarin het roer staat.
Gerelateerde termen: roerstandaanwijzer, roeruitslag.

2> stuurstand.





~roerstander:
zie roerschacht.





~roerstandaanwijzer, axiometer, roerstandindicator, roerverklikker:
instrument dat de stand van het roer aangeeft. [A> een mechanische aanwijzer (nr.6), een electronische aanwijzer. ]

Persoonlijk ben ik geneigd mechanische aanwijzers roerstandaanwijzers en electrische of electronische aanwijzers roerstandindicatoren te noemen.
De term axiometer stamt waarschijnlijk uit de zeevaart en ontstond begin 19de eeuw. Of de term ooit in de binnenvaart in zwang is geweest is me niet bekend.






~roerstander:
zie bij roerschacht.





~roerstandindicator:
zie bij roerstandaanwijzer.





~roerstandverandering:
het verschil tussen twee opeenvolgende roeruitslagen.





~roerstangpot:
vrij onbekende term voor het op het dek gemonteerde lager van de roerkoning. Zie ook roerdekpot.
Deze in mijn ogen vreemde term, men zou eerder een term als roerkoninglager verwachten ook al omdat dit lager geen pot maar een bus is, werd gevonden in A Spruijt, Samenstelling en Onderhoud van Binnenvaartschepen.






~roerstel, roerstelsel, stelsel:
combinatie van roerhaak of roerduim en vingerling, met de daarbij behorende roerveren of de combinatie van vingerlingen en een roerpen.
In het eerste geval vormt elk stel één scharnierpunt; in het tweede geval vormt het stel alle benodigde scharnierpunten.






~roerstelsel:
zie roestel.





~roersteven:
een achterstevenbalk, die uitsluitend dient om het roer aan op te kunnen hangen. Soms ook gebruikt als synoniem voor achtersteven.
Gerelateerde termen: roerbalk, schroefsteven.





~roerstok:
Vlaams voor helmhout.





~roerstrop:
eind touw dat bij een aangehangen roer door een gat in het roer en een gat in de achtersteven loopt en waarvan de einden op elkaar gestoken of gesplitst zijn.
Het touw moet verlies van het roer voorkomen en werkt dus als zorglijn.
Voor zover bekend maakt men in de binnenvaart bij de grotere schepen meestal gebruik van een borghoutje en treft men bij de kleinere schepen meestal geen voorzieningen.






~roertaats, taats, roerpot, roerhakpot, hieltaatspot, pot:
aan de onderkant van de roerkoning aanwezig lager.  Onderin de taatspot was meestal een taatsplaatje aangebracht.





~roertakel:
de takel van de roerlichter.





~roertalie:
de takel van de roerlichter.





~roertol, roergeld, roedergeld, roertolle, roedertol:
in de Middeleeuwen geheven vorm van belasting waarbij de wijze waarop het roer aan het schip gehangen was de hoogte van het tol bepaalde. Vermeld zijn ondermeer het handroeder (=de roerspaan), het sleeproeder en het hang- of stevenroer, waarmee een aangehangen roer bedoelt wordt.
Zie ook watertol.





~roertolle:
zie roertol.





~roerton:
zie watertonnetje.





~roertouw(tje):
zie roerlijn(tje).





~roertrap:
aantal klimtreden of beugels die langs het roer of achtersteven omhoog lopen.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.
De roertrap is niet alleen bedoelt voor als mensen vrijwillig of onvrijwillig gaan zwemmen, bij schepen met veel holte is het soms ook een mogelijkheid om op gerieflijke wijze in en uit de bijboot te komen.






~roertunnel:
weinig gebruikte term voor straalbuisroer.





~roeruitslag:
de mate waarin een roer, vanuit de middenstand, naar het ene of andere boord gedraaid is of kan worden.





~roervang:
soort vang/remband waarmee men het rad kan remmen of vastzetten.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.
Voor zover bekend: geen veel voorkomend onderdeel.






~roerveer:
stalen strip waarmee een roerhaak of vingerling aan een houten roer bevestigd wordt.





~roerverklikker:
zie roerstandaanwijzer.





~roerwerk:
mechanische constructie, waarmee het roer bewogen wordt. [A>] Vergelijk: stuurwerk.





~roerwerking:
het effect van het verzetten van het roer.





~roerzwaard:
roer met een beweegbaar deel, dat omhoog getrokken kan worden. Beter bekend als linnet.





~roestbikken:
het bikken van roest.





~roestdoorn:
hulpstuk voor een handboormachine, waarmee roest verwijderd kan worden.





~roestegel:
hulpstuk voor een handboormachine, waarmee roest verwijderd kan worden.





~roesthamer:
1> naaldenbikhamer.
2> bikhamer.





~roestnest:
plaats waar zich roest blijft vormen. Bekende roestnesten op schepen waren vooral de geklonken potdeksels en bolderkasten. Zowiezo kan zich tussen klinknaden makkelijk roest vormen, maar op voornoemde plaatsen was de roest zeer moeilijk te bestrijden en op zeer veel oude schepen heeft men dan ook vaak deze delen moeten vervangen.
Niet bekend of deze term alleen in de binnenvaart gebruikt werd.





~roeststeker: steekijzer.





~roeststreep:
door water dat van roestende plekken afdruipt veroorzaakte bruine verkleuring op, en zelfs vaak in, de verf.





~roetvanger:
1> ander woord voor blaker.

2> ander woord voor vonkenvanger.





~roezemoes:
metaalbeslag dat een houten steven(balk) en een houten kiel(balk) bij elkaar houdt.
De term wordt bij Nicolaas Witsen (1690) genoemd, maar is later in onbruik geraakt. Het is mij niet met zekerheid bekend of de term in de binnenvaart in zwang is geweest.

Gerelateerde termen zie bij stevenbeslag.





~roffel:
houten schaaf voor ruw ongeschaafd hout.
HOLLE ROFFEL
schaaf waarmee de met de dissel uitgekapte mast glad gemaakt wordt.





~roggebroodkempenaar:
een kempenaar van de NRM (Nieuwe Rijnvaart Maatschappij Amsterdam), een dochteronderneming van de K.N.S.M.; de roggebroodmaatschappij.
Verwante term: wijkboot.





~roggebroodmaatschappij, roggebroodrederij:
Bijnaam van de K.N.S.M. (Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij) en vervolgens ook van haar dochteronderneming de 'Nieuwe Rijnvaart Maatschappij'.
Volgens sommige bronnen is de bijnaam gebaseerd op de zwarte schoorsteen met twee witte banen, die aan een snee roggebrood zou denken, volgens anderen is het gebaseerd op het feit dat steevast voor de dinsdag roggebrood op het menu stond, maar  zeer waarschijnlijk is het omdat de maatschappij slecht betaalde*, zodat de werknemers gedwongen waren roggebrood (de goedkoopste broodsoort) te eten.
Andere 'bijnamen' van de KNSM: Kan Niet Slechter Meer en Krijg Niks; Stik Maar!
*
de maatschappij betaalde waarschijnlijk niet slechter dan andere rederijen, in de tijd dat de bijnaam ontstond de jaren '30 van de vorige eeuw, was het nergens een vetpot
.





~roggebroodrederij:
Zie roggebroodmaatschappij.





~roggebroodschip:
schip van de de KNSM; de roggebroodmaatschappij.
Zie ook wijkboot.





~roggebank:
zware dwarsverbinding ondermeer achterin de Blankenbergse sloep waarop de achterbolders en het vislier gemonteerd zijn.
De Blankbergse sloep valt verder buiten het bestek van Binnenvaarttaal.






~roggenbak:
zekere dwarsverbinding bij houten schepen. Vlaamse term. Maurice Kaak spreekt van roggenbakkens en verklaardt het met knieŽn die de beide stuiten/boeghouten in het voorschip met elkaar verbinden. Bley spreekt in Onze Zeilvischsloepen echter van roggebank.
Kaak geeft al aan dat het een dialect woord uit de omgeving van Baasrode is, wat alleen in de 18de eeuw in gebruik is geweest.






~rok:
in de binnenvisserij: geoliede katoenen jas.





~roken:
1>
HET WAAIT DAT HET ROOKT
: erg harde wind.
Ook alleen in de vorm 'het rookt' gebruikt. Niet anders te verklaren dan dat het stuiven van het water aan rookwolken doet denken.


2> vis door het langdurig in de rook van een houtvuur te hangen conserveren en voor consumptie geschikt maken.





~rol:
benaming voor diverse cilindervormige voorwerpen met kleine doorsnede, vaak met een grotere breedte (maat evenwijdig aan de as), dan diameter.
a> een schijf met kleine diameter.
b> draadrol.
c> draadhaspel.
d> draadtrommel.
LOSSE ROL
: draadtrommel in een lier, die met een eigen slinger, dus niet door het jachtwiel, aangedreven wordt.
d> spil.
e> windas.
f> mogelijk oude benaming voor braadspil.





~rolbaan, loopbaan: luikenloopbaan.





~roldeur, schuifdeur:
sluisdeur, die zijdelings heen en weer bewogen wordt.
De meeste van deze deuren rollen/schuiven over een spoor dat op de bodem van de sluis ligt. Er zijn er echter die aan een constructie boven de sluis opgehangen zijn en daarlangs verreden worden. Bij de eerste soort komt het geregeld voor, dat op de deur een brugdek voor fietsers en/of voetgangers rust.






~rollen, slingeren, zwabben:
heen en weergaande beweging van het schip, rond de langsscheepse as.  Als de ene zijde van het schip dus naar beneden gaat, komt de andere zijde omhoog, en omgekeerd.
Sommige mensen hanteren de term rollen, alleen voor een schip dat niet vooruitkomt en gebruiken slingeren voor een schip dat vaart.
Er bestaan verschillende opvattingen over het juiste gebruik van de diverse termen waarmede scheepsbewegingen aan geduid worden.
.
Gerelateerde termen: stampen, gieren(2).





~rollenblok:
1> blok met een schijf met kleine diameter.

2a> stoeltje met één of meerdere rollen, die rond een horizontale as draaien.
b> soms ook een samenstelsel van drie of vier horizontale rollen, met grote breedte, waartussen een draad geleid wordt.
Dit soort rollenblokken worden gebruikt voor draden, die regelmatig ingehaald of gevierd moeten worden. Zo treft men op de sleepboog/overloop soms een rollenblok(a) voor het inhalen van de strangen aan. Deze is vaak verplaatsbaar. De zware drievoudige rollenblokken(b) ziet men vaak op drijvende werktuigen.






~rollenketting:
ketting, die gebruikt wordt voor overbrengingen tussen draaiende assen. Lijkt qua constructie op een fietsketting.





~rollenklamp, rollenkam:
verhaalkam met rollen of schijven.
Het woord klamp slaat meestal op vrij dikke massieve zaken, in dit geval is het woord kam dus beter op z'n plaats.






~rolluik:
1> schuifluik.
2> soort raamblinde, bestaande uit, met elkaar verbonden, dunne stroken metaal, die voor het raam bewogen kunnen worden.





~rollepaal:
zie rolpaal.





~rolletjeshout:
vrij korte dunne boomstammen van verschillende lengtes voor gebruik in de mijnen of voor de papierindustrie.
Rolletjeshout werd over zee aangevoerd met wat men een armen-en-benenboot noemde. Bij het lossen van de gladde natte boomstammen gebeurden namelijk geregeld ongelukken.






~rolnaad:
bepaald type naad in zeilen van lichte kwaliteit.
De rolnaad wordt gemaakt met een enkele overhandse steek van geringe breedte.






~rolpaal, rollepaal, rollenpaal, draaipaal :
paal waarlangs de jaaglijn, bij scherpe bochten in het vaarwater, geleid kan worden.
Bij scherpe bochten zou, als de paal er niet was, het schip te sterk naar de kant getrokken worden, de jagers zouden namelijk al een heel eind de hoek om zijn terwijl het schip er nog voor was. Ook op de havenhoofden stonden, opdat het schip maar zover mogelijk naar de havenmond getrokken kon worden, vaak rolpalen.
De term rolpaal is de meest gebruikelijke term lijkt. Rollepaal lijkt in sommige dialecten de voorkeur te hebben en zou dan volgens de nieuwe spelling rollenpaal moeten worden. De term draaipaal is tamelijk onbekend.





~rolschuif:
roerschuif en vermoedelijk een roerschuif die op rolletjes loopt.





~Romeinse praam:
vaartuig van ca 162 na Christus waarmee de Romeinen goederen vanuit Duitsland naar Nederland en vermoedelijk ook anders om, vervoerden. Open nogal rechthoekig vaartuig, dat zowel gezeild als waarschijnlijk ook geroeid kon worden.
De tekeningen van de "Woerden 7", één van de hier in Nederland opgegraven pramen, tonen een schip met geringe holte dat slechts over geringe afstand de volle breedte heeft. Naar voor en achter versmalt het schip tot ca 60% van de grootste breedte. Op ca. 2/3 lengte buigt het vlak naar voor toe op. Het voorschip wordt met een bord of klamp gesloten. Het achterste deel, ca. 1/6 van de lengte, bestaat uit een aparte heve, die met een knik op het vlak aansluit. Ook de achterzijde wordt met een bord of klamp gesloten. Het schip werd vermoedelijk met een roerspaan midscheeps achter gestuurd.
Zie ook [E> Hazenberg Archeologie].
In plaats van Romeinse praam spreekt men ook van het scheepstype 'Zwammerdam' of Zwammerdamse praam.
Alhoewel men dit een praam wenst te noemen, stemt de bouwwijze van dit vaartuig veel meer overeen met die van de schouwen en aken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men elders een min of meer gelijkend type rivieraak noemt.





~rommelhaven:
17de eeuwse term voor en bepaalde haven waarin bepaalde werkzaamheden, zoals het kielen en schoonmaken van schepen, wel mocht gebeuren.





~romp, bak, scheepsromp, scheepshol:
1> in het algemeen: het schip zonder tuigage, dekken en opbouwen en wat daarbij hoort, of op de romp opgesteld is.
Gerelateerde term: hulk.

2> in sommige gevallen: het schip, zonder tuigage en op het schip geplaatste werktuigen.
KALE ROMP
: het casco.
Gerelateerde term: hulk.

3> soms, bij houten zeilschepen: het gedeelte van het schip vanaf het berghout naar onder.





~rompbevrachter:
verlader, die een schip, zonder bemanning, huurt om de goederen te vervoeren.





~rompbevrachting:
vorm van vervoer waarbij het gehele schip, voor zekere tijd, zonder bemanning, gehuurd wordt. In de binnenvaart komt deze vorm van vervoer weinig voor. Gebruikelijker is het een schip inclusief bemanning te huren of onder contract, in charter, te laten varen.





~rompdeel:
bepaald gedeelte van de romp met een specifieke vorm of functie.





~rompeigenschap:
bepaalde statische eigenschappen van een romp, die van invloed zijn op het gebruikt van, en het varen met een vaartuig.





~romponderdeel:
deel dat samen met andere delen de romp of een rompdeel vormt.





~rompsnelheid:
de snelheid van een schip, waarbij slechts twee golven, de boeggolf en de hekgolf, gevormd worden.





~rompvorm, scheepsvorm:
1> de vorm, het verloop, de buiging of ronding, van enige deel de romp.
2> vaak gebruikt als synoniem voor spantvorm.





~rond
ronde schouw
: zie bij Marker rondbouw.





~rondbodem:
een rondbodem is een vaartuig, waarvan de overgang van de zijdes, via de kimmen naar het vlak vloeiend is. Het vlak van een rondbodem kan licht gebogen of gepiekt zijn.
Een platbodem is een vaartuig, waarvan de overgang van de zijdes naar het vlak een duidelijke knik vertoont. Deze knik is de kim.

Zie ook tekst Bouwwijzes.






~rondbouw:
1> bouwwijze, waarbij de overgang van het ene naar het andere rompdeel uit een bijna 90 graden gebogen vlak bestaat. Zie ook rondgebouwd.

2> verkorting van Markerrondbouw.





~rondbranden: zie boegbranden.





~ronddrijven, (rond)dobberen:
1> in een niet bepaalde richting drijven.
2> zo langzaam mogelijk, in het rond varen.





~ronde kous, zeilkous:
cirkelvormige kous voor touw.
Ronde kousen worden vooral gebruikt voor leuvers en de schoothoorn. Omdat ze aan het zeil zitten noemt men ze ook wel zeilkous. Dit kan echter verwarrend werken. Verder, door enkelen, zeer onterecht, een eikous genoemd.






~ronden:
om een bepaald punt, een boei, een landtong o.i.d., heen varen.





~rondgaan:
1> min of meer op de plaats zelf, het schip ca. 180 graden laten draaien. [A> film]
Gerelateerde termen: opdraaien, kop voor nemen, zwaaien.

2> zie bij kop voor nemen.





~rondgat:
een vaartuig waarvan het achterschip zowel van opzij als van boven gezien sterk gebogen is.
Niet te verwarren met rondkont.





~rondgatter:
bijnaam voor de Lemmerhoogaars.





~rondgebouwd:
EEN RONDGEBOUWD SCHIP
: door de verschillende bronnen, verschillend geÔnterpreteerd begrip.
a> een schip, dat zowel een kromsteven, als een rondbodem is, met ruime boegen, die zowat haaks tegen de stevenbalken sluiten.
b> een kromsteven in het algemeen.
c> een schip waarvan de zijdes, in één vloeiende boog, zowat in één lijn, bij de stevens (of stevenbalken) samenkomen.
d> een rond jacht





~rondhout, boom, spier
elk, vrij lang, stuk rond hout, of een gelijkwaardige constructie van een ander materiaal.  Zie ook barring.

KLEIN RONDHOUT
: rondhout, dat geen standaard onderdeel van de tuigage vormt. Ondermeer: pikhaak, fokkeloet, vaarboom, peilstok, kledenstokken.
GROOT RONDHOUT
: rondhout dat tot de tuigage behoort. 

LOS RONDHOUT
:
a> volgens sommigen: klein rondhout*.
b> volgens anderen: al het beweeglijke rondhout, zoals gaffel, bokkepoten, en ook kluiverboom en giek of spriet.

VAST RONDHOUT
:
a> volgens sommigen: al het rondhout dat minstens aan één zijde (min of meer) vast zit, dus het los rondhout(b)* plus de mast.
b> volgens anderen: al het rondhout dat in de regel niet verplaatst wordt, dus masten en boegspriet.





~rondkarveel:
Zie bij karveel.





~rondkloppen, kloppen:
een stalen plaat met behulp van hamers een zekere ronding (dwars op de lengterichting) geven.
Zie ook: rondzetten.





~rondkont:
aanduiding voor een vaartuig met een motorschepenkont.





~rondkontmotorschuit:
zie Langedijker rondkont-motorschuit.





~Rondkop:
zie bij Markerrondbouw.





~rondomschijnend:
van een licht: vanuit alle richtingen zichtbaar.





~rondsel, ronsel, rontsel:
klein tandwiel met een breedte, die vaak meer is dan de diameter. [A>]
Ronsel is, naar men zegt, een Zaans- en Zuid-Hollands dialect. Rontsel is de middelnederlandse schrijfwijze.





~rondselkast:
kast waarin een, al dan niet omschakelbare, tandwieloverbrenging aangebracht is.





~Rondschip:
o.a. in de 17de eeuw gebruikte verzamelnaam voor diverse scheepstypes.





~rondspant:
spantvorm waarin, met uitzondering van de hoeken bij de kiel of stevens, uitsluitend gebogen lijnen voorkomen. [A>]
Lees ook toelichting bij platbodem.





~rondspantplatbodem:
foutieve samentrekking van rondspant en platbodem. Ontstaan door het ondeskundig gebruik van de termen: rondspant-, rondbodem- en platbodem schepen.
Lees ook toelichting bij platbodem.





~Rondsteven van de Grootslagpolder:
door G.J. Schutten (blz 262) genoemd open vaartuig uit het boerenbedrijf. Circa 6 meter lang.





~rondstrop:
modern woord voor sleng.





~rondtorn, torn:
1> een volle slag met een touw of staaldraad ergens om heen.
Het touw of de staaldraad maakt dus een bocht van 360 graden.

2> ongebruikelijke term voor met een vaartuig, een volle slag in de rondte gaan.





~rondtornen:
1> tornen: met korte bewegingen ronddraaien.
2> een vastgevarenschip, met behulp van ankers, draden op de wal of andere schepen, 180 graden draaien, opdat het voorwaarts van de ondiepte kan komen.





~rondvaart, omvaart:
vaart met betalende passagiers, waarbij het punt van vertrek en aankomst gelijk zijn.





~rondvaartboot:
vaartuig bestemd, of gebruikt, voor korte rondvaarten met passagiers. [A>]  
De eerste rondvaartboten waren open vaartuigen. Het waren dus werkelijk boten of schuiten. Veel moderne 'rondvaartboten' zijn echter schepen of scheepjes (uitleg).

AMSTERDAMSE RONDVAARTBOOT
, Amsterdammer(2):
motorvaartuig met een geringe kruiphoogte en een bijna geheel glazen opbouw op een lage, vrij brede, romp met bijna vlakke spiegel. [A>]





~rondvaartbootrederij, rondvaartrederij:
bedrijf dat met één of meerdere schepen recreatieve vaartochten verzorgd.





~rondvaartrederij:
verkorting van rondvaartbootrederij.





~rondvaren:
1> zomaar een eind varen. Zie ook: kruisen.
2> een rondvaart houden.





~rondzetten: een stalen plaat, door deze onder een soort pers te leggen, een zekere ronding (dwars op de lengterichting) geven. Zie ook: rondkloppen.





~rood:
HET ROOD IN HET HOUT HEBBEN
: verkleuring van naaldhout, die ontstaat wanneer het hout begint te rotten.





~rookkap(je):
half ronde houten kap, die volgens P. Dorleijn op Botters als 'kachelhoedje' direct op het schoorsteenluik geplaatst werd.
Bron: P. Dorleijn.






~rookkast, rookkast:
ruimte tegen het uitiende van een vlampijpketel, waarin de rookgassen, die door de vlampijpen stromen, verzameld worden alvorens ze via de schoorsteen afgevoerd worden.





~rooklijntje:
touwtje van een leuver ongeveer halverwege het onderlijk van de botterfok naar de voorstag.
Met dit lijntje kan het onderlijk opgetrokken worden opdat de trek op de schoorsteenpijp van de kachel in het vooronder niet al te veel door het zeil verstoord zal worden.

Gerelateerde term: buiketouw.





~rooksignaal:
met rook gegeven noodsein.





~Rooms Katholieke Bond van Reders en Schippers Sint Nicolaas:
zie Nederlandschen Rooms Katholieke Bond van Reders en Schippers Sint Nicolaas.





~Rooms Katholieke Vereniging van Sleepbooteigenaren Sint Petrus:
te Dordrecht opgerichte onderafdeling van de Nederlandschen Rooms Katholieke Bond van Reders en Schippers Sint Nicolaas.





~roos:
1> naar men zegt elk der tanden van de vertanding die in een rozenbout aangebracht is.

2a> merkteken dat aangeeft tot hoe diep een schip geladen mag worden. Zeventiende eeuwse voorloper van het ijkmerk zijnde de kop van een witte vertinde roosnagel. Zie ook roosen.
b> de afstand tussen de ledige waterlijn en de roos.





~roosbout:
rozenbout.





~roosen, roozen, rozen:
een schip van een roos, dat is een soort ijkmerk te voorzien. Dit merk werd gevormd door de kop van een roosnagel.





~Roosendaalse klipper:
maatschip: Klipper met de Roosendaalse maten.





~Roosendaalse maat:
(tot 1914): lengte ca. 26m, breedte max. 5,60m, diepgang max. 1,90m.
De oude sluizen hadden een schutlengte van ca. 23 meter met passen en meten wist men er echter 26 meter door te krijgen. Naar men zegt was de toegelaten breedte 5,5 meter, maar ook daar wist men mee te smokkelen.






~roosnagel:
nagel met grote kop (in de vorm van een roos) waarmee boutkoppen en -gaten afgedekt kunnen worden. Een dergelijke nagel, maar dan vertind, werd ook gebruikt bij het roosen van vaartuigen.





~rooster:
zie vuurrooster.





~roosterbaar:
één der gietijzeren elementen van het vuurrooster.





~rootbak:
langs de oevers (van de Leie (B)) aan gebrachte bekistingen waarin men vlas liet rotten.
Alhoewel geen binnenvaartaangelegenheid eertijds toch een bekend verschijnsel in de binnenvaart en vooral in de spitsenvaart. Lange tijd mocht men namelijk deze rootbakken, die over een aanzienlijke afstand voor kwamen niet motorisch passeren. Men moest zich dus laten jagen. Ook in later tijd zorgde de vlasindustrie nog voor veel overlast voor de schippers. Het water werd namelijk dermate verontreinigd dat het schip, vooral in sluizen, onder het schuim kwam te zitten. In sluizen moest men zich soms met de dekwasslang een weg door het schuim banen om de voorbolders te kunnen bereiken. Zodra men weer op vrij water kwam, was het zaak het schip duchtig af te spoelen, daar het opgedroogde schuim zeer hardnekkige vlekken op de verf na liet.






~ro-robak:
duwbak, die geschikt is om rijdende lading aan boord te laten. Tegenwoordig eigenlijk vaak een auto-transportbak.





~ro-roschip:
roll-on/roll-off schip: schip, geregeld een pontonschip of daarop gelijkend vaartuig, dat gebouwd is om grote zware rollende ladingen te vervoeren.





~rosbaggermolen, rosmoddermolen:
soort van baggermolen die doormiddel van paarden lopende in een tredmolen aangedreven wordt.
Alhoewel het er op lijkt alsof dit al een emmerbaggermolen is, maakt deze molen geen gebruik van emmers maar van schotten die de bagger van de bodem op een soort goot en vervolgens door de goot naar boven schuiven. De rosmoddermolen is tussen 1600 en 1860 in gebruik geweest.






~roset: rozenbout.





~Rosslauer schoepenrad:
bepaald type scheprad van een raderschip, dat gebruik maakt van kantelbare borden.
Door Ernst Wilhelm Dietze ontwikkelt scheprad dat door de werf van Sachsenberg te Rosslau in productie werd genomen






~Rote Schweiz:
bijnaam van ondermeer de SRN = Schweizerische Reederei (und Neptun) AG.





~rotsplits, rotsplitsing:
splits waarbij een dunne lijn op een dikke lijn gestoken wordt.
Genoemd als rotsplitsing in het boek van Carel Jan Pilaar "Handleiding tot de kennis van het tuig, de masten, zeilen, enz. van het schip." Verder echter niet gevonden.
P. Dorleijn noemt in dit verband een knorhaan.
De splits zou gebruikt zijn om een dikte verloop in het lijkentouw van het achterlijk te bewerkstelligen. Het schijnt echter dat touwslagers voor dit doel, als ook voor de zeilvallen, touw sloegen met een verlopende dikte.






~Rotterdamsch Rijnvaart Bedrijf:
Niet voldoende bekend. Mogelijk hebben twee ondernemingen met deze naam bestaan. De laatste zou in 1947 opgericht en in 1965 beŽindigd kunnen zijn. De eerste zou in de jaren 20 van de vorige eeuw actief geweest zijn.





~Rotterdamsche Droogdok Maatschappij RDM:
grote reparatie- en nieuwbouwwerf, die zich voornamelijk bezig hield met de bouw van zeegaande vaartuigen, maar toch ook meerdere vaartuigen voor de binnenvaart gebouwd heeft. [E> Overzicht alle nieuwbouw] De firma werd opgericht in 1902 en ging in 1971 op in het Rijn-Schelde-Verolme concern dat in 1983 ophield te bestaan. [E> Historie]





~Rotterdamse hoek:
hoek van de Noord-Oostpolder in de vaarweg tussen Urk en Lemmer. Beruchte plaats, waar vrij geregeld binnenvaartschepen in moeilijkheden komen te verkeren. Zo genoemd omdat daar puin afkomstig van de bombardementen op Rotterdam gestort is.





~Rotterdamse melkschouw:
forse open schouw uit de omgeving van Rotterdam.
Bron: G.J. Schutten blz 329.






~Rouaanse boeier:
type zeegaande Boeier ongeveer 100 ton groot.





~rouwvlag:
kleine zwarte vlag, vaak driehoekig, met daarin een passense afbeelding; meestal met een treurboompje (protestants) of een kruis (katholiek).
Ten teken van rouw werd de natievlag soms vervangen door een rouwvlag van redelijk formaat. Ook hing men wel een klein exemplaar rouwvlag onder de natievlag, verving men de vleugel door een soort rouwvlag, of hing men een kleine rouwvlag in het want. De vlag bleef meestal hangen tot deze versleten was. Anno 2012 bleek dit gebruik nog steeds te bestaan.






~rouwvleugel:
zwarte vleugel, die men voert wanneer men in de rouw is.





~rozenbout, roosbout :
1> roset: stalen pen met vertande, vierkante, steel en grote platte kop. [A in A>] Rozenbouten worden gebruikt om een zeer hechte verbinding tussen verschillende houten constructiedelen van een schip te krijgen.
Volgens sommige bronnen zouden de tanden rozen genoemd worden, anderen zeggen dat er een roosmotief op de boutkop ingeslagen werd.
Volgens andere bronnen heten de tanden 'haken', 'hakkels' of 'takken' en spreekt men ook van 'hakkel-' of 'takbouten'.


2> lange stevige bout met platte afronde kop waarmee delen van een beschoeiing met elkaar verbonden worden.





~R.P.:
Zie bij waterpolitie.





~R.P.A., Rotterdam Port Authority:
Huidige naam van de Rotterdamse havendienst.





~R.P.R.: Rijnvaartpolitiereglement.





~rubber:
meestal een op rubber gelijkende kunststof.
OP RUBBER STAAN
: van motoren: op trillingsdempers, geplaatst zijn. Van roeven: met tussen de roef en de rest van het schip een trillingdempende laag.
Wanneer iets niet op rubber staat, staat het koud op het staal.





~rubberboot:
vaartuig geconstrueerd van opblaasbare kunststof buizen langs de buitenranden, een bodem van dun soepel materiaal, eventueel aangevuld met een houten of aluminium spiegelplaat en vlonders. Dit type rubberboot wordt in de beroepsvaart slechts een hoogst enkele maal gebruikt.

RUBBERBOOT MET VASTE BODEM
, RBVB of in het Engels: Rigid Inflateble Boat, R.I.B.:
Combinatie van een (kleine) harde romp, waarop langs de randen, een opgeblazen 'rubberen' buis bevestigd is. De grotere boten (ca. 5 tot 8 meter) worden o.a. door de politie en brandweer, bergers en de reddingmaatschappij gebruikt.





~rubberen:
moderne variant van breeuwen, waarbij de naden met spuitbare kunststof afgedicht worden. Meestal wordt hiervoor een Sikaflex product gebruikt.





~Rüderchen:
zie Ruhraak.





~rug:
1> in het algemeen: de achterkant van iets.
2> achterkant van een houten roer.
3> plaatselijke verondieping van het vaarwater. Zie ook bank en draap.





~ruggegraat:
alle spanten, wegers, stringers, enz. tesamen.





~Ruhraak, Roeraak:
aan de Keen verwant scheepstype. Vroeg 19de eeuws, vrij lang, smal, ondiep, houten vrachtschip zonder luikenkap. Vrij spits toelopend, soms echter toch recht eindigend, voor- en achterschip met heves. Voorzien van een klaphekkenroer, zwaarden en kluiverboom. Meestal getuigd als anderhalfmaster. Het schip was voorzien van gangboorden, het ruim van binten. Voor het ruim was een roef geplaatst. Op de oudste modellen scheen deze echter direct voor de mast te staan. Ze werden voornamelijk voor het vervoer van steenkool gebruikt.
G. J. Schutten beschrijft een soortgelijke aak. Deze noemt hij echter een Ruhrnache. Dit schip zou, alhoewel voorzien van een complete tuigage voornamelijk gejaagd worden. Een zeilende versie van hetzelfde scheepstype zou volgens hem Rüderchen moeten heten. Werner Böcking kent het begrip 'nache' wel, maar de termen Ruhrnache en Rüderchen lijken hem onbekend te zijn. Ik neem dus aan dat Schutten wel degelijk een Ruhraak voor ogen heeft.
De termen Mülheimer aak en Mulmsche aak worden door sommigen als een synoniem voor Ruhraak gezien. Schutten ziet in de Mulmse aak echter een meer op de Slof gelijkend scheepstype. Zie verder bij Mulmse aak.

Verwant aan de Ruhraak zijn de Lahnaak en de Slof.





~Ruhrkahn:
niet voldoende bekend. Vermoedelijk gelijk aan een roeraak.





~Ruhrnache:
zie Ruhraak.





~rui:
Zuid-Nederlandse benaming voor sloot of gracht.





~ruij:
1> oudtijds in Vlaanderen gebruikt als term voor roe in de zin van gaffel.
2> oude schrifjwijze van rui.





~ruilebuitschip, ventschip:
1> oude term voor een parlevinker(2). Deze werd dus geroeid of gezeild.
2> ventschip: vaartuig, waarmee men al ventend rondtrok.





~ruim :
1a> laadruim, scheepsruim, vrachtruim: voor de lading bestemd, afgeschot, gedeelte žn de romp van een schip. Verwante termen: achterruim, voorruim.
b> voor vis en/of netten bestemd gedeelte binnen de romp van een vissersschip.
Zie ook: visruim, nettenruim.
c> afdeling in een visbun. Men onderscheidt meestal het voor-, midden- en achterruim. Zie ook reum.
Gerelateerde termen: ruimdeksel, trog, enz.

2> vroeger (tot in de 18de eeuw?) gebruikte term voor de ruimte in trekschuiten en veerschepen, waarin passagiers vervoerd werden. Uit teksten valt op te maken dat hier het laagste tarief gold.

3> van de wind: achterlijker dan dwars.






~ruimachterschot:
het achterste ruimschot.





~ruimafdekking:
dat gene waarmee men de bovenzijde van het ruim afdekt.
Bekend zijn de luikenkap, de kledenkap, schuifluiken en een tent(2).





~ruimbeschot: wegering.





~ruimbalk:
ongebruikelijke term voor (ge)bint.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~ruimbalkknie:
tegen de den aangebrachte steun waarin of waarop het (ge)bint rust.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~ruimborstel:
kleine mechanische veegmachine, gebruikt om ladingresten bijeen te vegen.





~ruimdeksel:
houten luikje als afdekking van de trog, dus de afsluiting van het ruim van de visbun.
Ondermeer bij de Botter bestond de complete afdekking uit drie losse deksels. Voor elk deel van de bun één.






~ruimen:
1> afvallen.
2> van de wind: een verandering van windrichting met de wijzers van de klok mee.





~ruimendschot:
eigenlijk het voorste schot in een ruim. Meestal gebruikt voor wat ook het vooronderschot genoemd wordt.





~ruimenspuit:
zie ruimspuit.





~ruiminhoud:
de bruikbare inhoud van het ruim onder de ruimafdekking of bij beunschepen, en andere schepen, die niet over een ruimafdekking beschikken, tot de bovenkant van het laagste deel van de den.
De ruiminhoud wordt bijna altijd gemeten in kubieke meters; men spreekt daarom ook wel van cubage.

Een schip met een grote ruiminhoud voor het formaat wordt een goede berger genoemd.
De grens waarbij men een schip een goede berger gaat noemen, is moeilijk te geven, want vaak houdt men daarbij rekening met het type schip. In verhouding met vroeger, toen de schepen een vrij lage tot lage den hadden, zijn alle moderne schepen, die immers altijd een hoge den hebben, goede bergers.


Bij containerschepen spreekt men, wanneer er containers geladen worden, niet van ruiminhoud of laadvermogen maar van laadcapaciteit, deze wordt uit gedrukt in TEU.





~ruimkaar:
plaatselijk synoniem voor kaarbord.





~ruimladder:
1> ladder, die gebruikt wordt om in het ruim te kunnen komen.

2> ladder met verstelbare haken, die achter de bovenrand van de den gehaakt kunnen worden.





~ruimlantaarn:
petroleumlantaarn die gebruikt werd om het ruim (van beurtschepen) te verlichten.





~ruimplaat:
plaatselijk synoniem voor kaarbord.





~ruimpomp:
handlenspomp die geschikt is om in een ruim te gebruiken.
De pomp zal voorzien zijn van een lange aanzuigbuis daar men anders niet vanaf het pompdeksel tot op het vlak geraakt.






~ruimschild:
bovendekse, dwarsscheepse begrenzing van het ruim, vaak ook voorschild of luikenhoofd en achterschild genoemd.




~ruimschip:
vrij ongebruikelijke term. Soms gebruikt om onderscheid te maken tussen 'gewone vrachtschepen' en dekschepen of tussen tankschepen die hun, meestal poedervormige, lading in ketels, de ketelschepen, dan wel in één of twee grote rechthoekige ruimen vervoeren.





~ruimschoots:
met ruime wind, met de wind dwars of schuin van achteren inkomend zeilend.





~ruimschop, ballastschop:
schop gebruikt om de lading te trimmen, te verdelen, of ladingresten bijeen te scheppen.
Als ruimschop wordt vaak een schop met een vrij breed blad voorzien van lage opstaande randen gebruikt. Vroeger was dat vaak van hout later meestal van staal. Vaart men vaak met een bepaalde lading of kan men op de laad of losplaats een schop bemachtigen dan komen ook scheppen met een ander model in beeld.






~ruimschot:
dwarsscheepse wand, die de scheiding vormt tussen het ruim en een andere ruimte of ander ruim. Vergelijk: machinekamerschot, ruimendschot, plechtschot.
Gerelateerde term: dorpel, schotspant.





~ruimschotspant:
spant waar een ruimschot opgesteld staat.





~ruimschuit:
niet voldoende bekend. Vaartuig van de Gemeente reiniging van Leiden, sterk lijkend op hun Ballastschuit.





~ruimspoelen:
het ruim, met behulp van de dekwaspomp, schoonspuiten.





~ruimspuit, ruimenspuit:
met vloeistof te vullen vat, dat met een handpompje onder druk gezet kan worden, waarna men, met behulp van een aan het vat bevestigde slang met sproei- of spuitstuk, de vloeistof op de lading of tegen de wanden van het ruim kan sproeien.
De ruimspuit werd ondermeer gebruikt voor het olieŽn van de binnenzijde van het ruim en voor ongedierte bestrijding. In het eerste geval werd de ruimspuit gevuld met 'olie' (gefilterde afgewerkte olie, oliehoudende mengsels of spindelolie).






~ruimstringer:
een stringer in het ruim.





~ruimstringerplaat:
plaat die als verbreding van een ruimstringer dient.





~ruimstut:
niet voldoende bekend.
Mogelijk alleen in de zeevaart gebruikt. Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~ruimtanker:
een tanker voor het vervoer van poederachtige stoffen, die niet opgedeeld is in een aantal vrij kleine compartimenten, maar over één of twee grote ruimen beschikt. De term wordt bijna uitsluitend gebruikt om onderscheid te kunnen maken tussen die tankschepen die hun lading in ketels, de ketelschepen, dan wel in één of twee grote rechthoekige ruimen vervoeren. In een enkel geval spreekt men ook wel van ruimschip.





~ruimte:
DODE RUIMTE
: niet gebruikte, meestal waterdicht afgesloten, ruimte. Vergelijk beun(4).
RUIMTE GEVEN
:
a> van touw, staaldraad of ketting: zover vieren dat het slap komt te hangen.
b> van schepen: de ander voorrang verlenen.





~ruimteketser:
zie ruimtevaarder.





~ruimton:
vermoedelijk Nederlands-afrikaans woord voor toninhoud.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~ruimtevaarder, ruimteketser:
in kleine kring gebruikte bijnaam voor gesleepte beunbakken, elevatorbakken met een klein stuurhutje, die de naam van een sterrenbeeld droegen. ca. 90 x 11,6 x 4,18 meter, 3100 ton. Rond begin jaren zestig bij Cockeril Ougree, Hoboken, Belgie gebouwd.
Bron: Kustvaartforum E>.
Naar het schijnt mat het roer van deze schepen 7 bij 3 meter. De namen waren (ondermeer) Vissen, Schorpioen, Weegschaal





~ruimveegsel, ladingrest:
datgene dat na het lossen, nog bijelkaar geveegd kan worden





~ruimverf:
1> vroeger: goedkope sneldrogende verf.
2> tegenwoordig: verf, die voor de wanden van het ruim gebruikt mag worden.





~ruimvoorschot:
het voorste ruimschot.





~ruimwater:
water dat zich in het ruim (onder de buikdenning) bevindt.
Zie ook slop en waswater.





~ruimzweet, zweetwater:
condensvocht dat zich op de wanden van het ruim en eventueel ook tegen de luikenkap gevormd heeft.





~ruitjesdek:
zie bij wafeldek.





~ruitjesplaat, ruitjesijzer:
zie bij wafelijzer.





~run:
1> sterke eb of vloedstroom.

2> gemalen eikenschors, eek. Een bestanddeel van taan.

3> zie runolie.





~runolie:
aftreksel uit run.





~runner:
1> Engels voor loper.

2> tijdelijk bemanningslid op een drijvend werktuig of op een vaartuig, dat in de regel niet vaart.

3> runnerdraad.

4> ten tijde van de evenredige vrachtverdeling een persoon die op provisiebasis trachte de bevrachting soepel en snel te laten verlopen. Soms ook beurspooier genoemd.
De runner kon bijvoorbeeld de schipper op de beurs vervangen. De schipper had dan meer tijd voor het onderhoud van het schip en hoefde minder heen en weer te reizen. Ook schenen ze een zeker aandeel in wat buiten de schippersbeurs om verhandeld werd te hebben.






~runnerdraad:
soepel staaldraad.





~rust:
1> wantrust, rustklamp: tegen het boeisel ter hoogte van het dek aangebrachte, horizontale klamp, waartegen de puttings voor de zijstagen liggen. Vroeger soms gecombineerd met de aanvaarklamp.

2> zwaardrust.





~rusthaak, borghaak:
aan het schip bevestigde haak, waaraan het geheel opgehaalde zwaard gehangen kan worden.
De rusthaak bestaat uit een eindje ketting met een haakje, dat ter hoogte van het achtereinde van het zwaard aan het bovenboord bevestigd is. Dit haakje kan als men het zwaard geheel ophaalt in de bevestiging voor de zwaartstaander/zwaardloper gehaakt worden. De rusthaak wordt gebruikt in plaats van de zwaardrust. De term borghaak ben ik tot nu toe alleen bij G.J. Schutten tegengekomen.





~rustijzer:
1> metalen rust(1).
2> vrij ongebruikelijk synoniem voor putting(1).





~rustklamp:
1> steun op het boord van een botter waartegen die binnenboord gehaalde kwakboom rust.

2> meestal kortweg rust genoemd.





~rustspang:
spang/putting die tegen de rust ligt; een zijstagputting.





~rusttijd:
de tijd tussen 6 uur 's avonds en 6 uur 's morgens waarin met niet met zegens mocht vissen.
Zie ook gesloten tijd.





~Rutgersboot(je):
sleepboot van de Fa. Rutgers, Amsterdam. De term werd vroeger hoofdzakelijk gebruikt voor de vier stoomslepers, Groenland, Nova Zebla, Spitsbergen en Ob, die zusterschepen waren.





~RWS: Rijkswaterstaat.





~R.Z.H.S.:
als afkorting bij bebakening: rood - zwart horizontaal gestreept.





~R.Z.V.S.:
als afkorting bij bebakening: rood - zwart vertikaal gestreept.



Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Amersfoort.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

De verantwoording en rechten inzake door derden ingezonden materiaal berusten bij de inzenders!

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken