Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~ra,
dwarshout,
re: 1> los rondhout, waarvan het middelpunt beweeglijk met een mast verbonden is en waaraan een zeil bevestigd kan worden. Onderdeel van een dwarsscheepszeil.
[U>]
Gerelateerde term bagijnera,
razeil.
2> los rondhout, dat nabij het uiteinde, aan een mast bevestigd is en waaraan een zeil bevestigd kan worden. Onderdeel van het loggerzeil.
3> dwarsscheeps, vast, horizontaal rondhout, dat met het midden, meestal boven in, aan een mast bevestigd is of een overeenkomstige constructie. Onder andere toegepast bij lichtmasten en dan ook spreistuk of zaling genoemd.
~raai: 1> bepaalde (haaks op de oever) uitgezette afstand.
~raam:
rechthoekig houtwerk aan de voorzijde van een raamkuil. De horizontale delen noemt men leggers, de buitenste vertikale delen staanders, het eventuele vertikale deel in het midden het middenhout.
~raambaken, raambaak: baken bestaande uit een paal voorzien van een driehoekig 'bord', waarvan alleen de omtrek, door houten latten, aangegeven wordt. Vergelijk: rikbaak, kaap. [A>]
~raamblinde,
roefblind,
roefblinde,
roefschuif,
blinde,
blind:
stalen, vroeger soms ook houten schot, dat voor ramen en poorten (poortluik) gehangen (hangluik), geschoven (schuifblinde) [A>] of gerold (rolluik) kan worden.
~raamdreg:
een stalen frame (ca. 70 x 100cm) voorzien van een netwerk, dat men gebruikt om lijken uit het water te lichten.
Als het lijk vlakbij het schip ligt word een raamdreg van 70 x 100 cm met een netwerk erin, onder het lijk geschoven, zodat het aan de 4 hoeken van het raamdreg opgetild kan worden.
~raamkast:
constructie in de roefwand, waardoor het raamkozijn een centimeter of vijf achter deze wand komt te liggen. [A>]
Behalve dat door deze constructie de ramen minder gevaar lopen beschadigd te worden, draagt deze, vooral op stalen schepen, ook bij aan de stevigheid van de roefwand.
~raamkuil,
aalraam,
handkuil,
raampalingfuik,
aalsraamnet,
ankerkuil:
een staande kuil dat aan de voorzijde door een op de bodem opgesteld, vertikaal, houten raamwerk opengehouden wordt en dat voornamelijk bestemd was voor de vangst van paling en aasvis.
In de oudste versie wordt het raamwerk of meerdere raamwerken naast elkaar, de latere staalbomen, met ankers in positie gehouden. Vermoedelijk reeds vanaf het begin van de 19de eeuw wordt de raamkuil echter ook langszij vaartuigen, dus meer zoals ankerkkuil/schokkerkuil gebruikt. [A>]
Raampalingfuik schijnt een in wetteksten veel gebruikte term te zijn, welke echter slechts op enkele plaatsen door vissers zelf gebruikt werd, maar waarmee dan niet altijd hetzelfde soort net bedoelt werd. Ook raamkuil, aalraam, handkuil, aalsraamnet, ankerkuil, alsmede de termen grote fuik en kleine kuil zijn slechts plaatselijk voorkomende termen, waarbij de allerlaatste dan nog het grootste verspreidingsgebied gehad schijnt te hebben. RAAMKUIL heeft voor mij echter de voorkeur, omdat dit woord twee belangrijke kenmerken van dit net in zich heeft.
Dit type visnet is tot het eind van de 19de eeuw voor de vangst van paling van groot belang geweest, vanaf die tijd werd het, voor wat betreft de palingvisserij, echter meer en meer verdrongen door de ankerkuil. Een raam, bestaande uit leggers en staanders, was 4 à 5 meter hoog en 6 tot 10 meter breed. Vanaf de hoekpunten lopen 4 kabels, de sprinkels, naar een knooppunt en dan via een kabel naar het anker dat een eind stroomopwaarts ligt. Wanneer een schip het raam in positie houdt is deze kabel niet aan het anker maar aan de ankerketting van het schip bevestigd. Het boveneind van het raam is, tijdens het vissen, met de bolderketting verbonden met het schip.
Het 8 tot 12 meter lange kuilnet was met de bek aan het raam gezet. Naar het schijnt in vroeger tijd met een staart zonder inkels, maar aan het eind van zijn bestaansperiode met twee of drie inkels.
Bij het vissen op spiering zat de onderste legger tegen de rivierbodem. Bij het vissen op aal, welke hoger in het water zwemt, bleef de onderste legger een 30 centimeter boven de bodem.
Raamkuilvissers visten voornamelijk door gebruik te maken van de stromingen van het getij. De positie van de netten moest daaraan steeds aangepast worden.
Meer informatie is onder meer te vinden in "Schokkermannen en bootvissers" door P.J.M. Martens.
~raampalingfuik:
volgens P.J.M. Martens een kleine raamkuil met een muil van circa 3 bij 4 meter. Het net is en met behulp van vier sprenkels aan één anker geankerd.
Zie ook: raamkuil.
~raamrubber:
geprofileerde rubberstrip waarin het glas van een raam gevat is.
Het is niet duidelijk of er werkelijk sprake is van een apart type. De term kan betrekking hebben op een type uit de Biesbosch en omgeving. De term wordt ondermeer in de oude havengeldtarieven van 's Gravenmoer gebruikt. De vaartuigen zouden, gezien het tarief, kleiner dan een Hengst moeten zijn. In een latere tarievenlijst wordt de plaats op de tarievenlijst ingenomen door wat men een Schaftschuit noemt.
Benevens deze schaftschuit, schijnt er (volgens de Nederlandse Staatscourant van 1826) ook een halve-schaftschuit bestaan te hebben.
~raamspant: 1>spant (bij stalen schepen), dat langs de gehele dwarsscheepse omtrek, dus ook onder het dek, doorloopt.
~raapolie:
olie afkomstig van de zaden van raapzaad. Deze olie, danwel patent- of slaolie, werd voor de petroleumlantaarns aan boord van tankers, waar geen gewone petroleum gebruikt mocht worden aangewend.
~raband:
1>beslagbindsel, reeband: touw of band, waarmee het bovenlijk aan de ra gebonden is.
2> onjuiste benaming, verspreking of verschrijving van rakband.
~Racon:
Gilde van Nautisch Verkeersdienst Medewerkers. In 1975 opgericht als vakbond voor, voornamelijk, radarwaarnemers. In 1990 omgezet naar een gilde. [E>]
afkorting van Radio Detection And Ranging. Navigatie instrument dat radiogolven uitzendt en de terugkaatsing daarvan registreerd, waardoor de positie en afstand van objecten die de weerkaatsing, de echo, veroorzaakt hebben, op het radarscherm waargenomen kan worden.
In sommige kringen bijgenaamd
de mistbezem
.
OP HET RADAR VAREN
: hiermee bedoelt men, dat men voor het navigeren van het radarbeeld afhankelijk is.
tegenwoordig steeds vaker gebruikte term voor wat men een radarscherm noemde.
Deze term is waarschijnlijk niet alleen in zwang gekomen omdat de huidige schermen qua constructie overeenkomen met die van de monitor, maar ook omdat er tegenwoordig diverse andere gegevens op het scherm geprojecteerd zijn.
~radarpatent:
diploma, dat men dient te bezitten, wanneer men met een vaartuig op het radar wenst te varen.
~radarreflector:
metalen constructie, die tot doel heeft het door het radar, van een ander schip, uitgezonden signaal te weerkaatsen. [A>]
~radarreflectorboei:
zeer ongebruikelijke term voor een boei of ton met radarreflector.
De term werd tot nu toe enkel in P. Versnel' Vakwoordenboek aangetroffen.
~raderveerboot:
De term boot is hier niet op zijn plaats, omdat het zich in de maaste gevallen om een schip handelt (uitleg). vaartuig, dat een verbinding tussen twee, ter weerszijde van een water gelegen
plaatsen onderhoudt, en dat met een schepraderen aangedreven wordt.
~radervloot:
erg lelijk woord voor een verzameling van raderschepen.
~radiobaken,
peilbaken:
op de wal geplaatste zender, die een bepaalde code uitzendt. Met een speciale ontvanger en een peilantenne kan men deze signalen gebruiken om de richting waarin het baken staat te bepalen. Wanneer men twee of meer zenders kan ontvangen, kan men de positie van het schip bepalen.
In de binnenvaart weinig gebruikt. Alleen bij het ijsselmeer, de waddenzee en de zeeuwse stromen waren radiobakens aanwezig. Het spreekt voor zich dat de komst van de GPS het Radiobaken overbodig maakte. Een ander systeem dat gebruik maakte van radiobakens was bekend onder de naam Decca-Navigator.
~Radio Medische Dienst,
R.M.D.:
door het Rode Kruis in het leven geroepen organisatie, die per draadloze verbinding, medische adviezen aan varenden geeft. De organisatie was in de eerste plaats bedoeld voor zeevarenden. Toen de binnenvaart de beschikking kreeg over marifoon konden ook deze van deze dienst gebruik maken. De dienst was eerst ondergebracht bij Scheveningen Radio, maar sinds deze opgeheven is, lopen oproepen aan de Radio Medische Dienst via de reddingmaatschappij.
1> eind touw, vaak voorzien van klootjes en halve-maantjes en dan eigenlijk kraalband of klootstreng geheten, waarmee het voorlijk van een grootzeil aan een mast bevestigd wordt.
[A>]
Mogelijker wijs gebruikte men hiervoor vroeger ook leren riemen.
Gerelateerde term: masthoepel.
2> voor de komst van metalen leuvers:
touw, soms voorzien van klootjes, waarmee het voorlijk van fok of kluiver rond een stag bevestigd wordt. Mogelijk ook zuiger genoemd.
~rakbandijzer:
Z-vormig gebogen stang, die op enige hoogte boven de giek, beweeglijk tegen de voorkant van de mast bevestigd is. Het ijzer moet voorkomen, dat de rakbanden, bij het strijken van het zeil, te ver zakken, waardoor deze bij het strijken van de mast, tussen deze en de giek klem zouden kunnen raken. Vrij weinig en dan vaak alleen op skûtsjes aan te treffen. (term mogelijk niet juist)
~rakje:
lijntje, van het ene uiteinde van de klauw aan de gaffel,
om de mast, door een oog aan het andere uiteinde van de klauw, naar beneden lopend, waarmee men de klauw tegen de mast kan trekken. Schijnt bijna uitsluitend op Boeiers toegepast te zijn.
~rammelwiel,
rammelschijf
: 1> schijf met grote diameter welke voorzien is van spaken.
2> gebruikt als parsprototo voor rammelblok in de betekenis van wip- of graanwiel.
~rampenbestrijdingsvaartuig,
incidentenbestrijdingsvaartuig:
vaartuig dat (ook) bij grote ongevallen ingezet kan worden. Vaak een blusvaartuig met de nodige extra's op het gebied van communicatie, oliebestrijding, etc.
~randgaar,
randgaarde,
randgarde: 1> op een smal gangboord gelijkende, tevens als potdeksel dienende, constructie bij de Zomp.
2> de bovenste gang op sommige houten schepen; het bovenboord.
De term was oorspronkelijk vrij algemeen in gebruik en betrof voornamelijk de open schepen. Later bijna uitsluitend nog in de Overijsselse gebieden in gebruik. Bij de Giethoornse bok noemt men het voorste, afzonderlijk in model gebrachte, deel der randgaarde het boegstuk.
metalen plaat, waarmee een opening afgedekt kan worden. Vooral gebruikt rond anker- en stuurkettingen, waar deze het schip in gaan.
Vergelijk: rattenschild.
~rattenschild:
ronde metalen plaat met daarin een gleuf, die over de trossen geschoven wordt, om het aan boord klimmen van ratten te bemoeilijken. Voornamelijk door zeeschepen gebruikt.
~rattestaart: 1> weinig voorkomende benaming voor een sierlijke Jugendstilachtige krul op de klik of in lofwerk.
~recherchevaartuig:
waarschijnlijk een oude term voor wat tegenwoordig een vaartuig van de Koninklijke marchausee is. Ze kunnen zowel met politie- als douanetaken belast worden.
~rechthout:
normaal gegroeid hout, geschikt om rechte delen (planken, masten, e.d.) van te maken. Vergelijk: kromhout(3).
~rechts:
RECHTER OEVER
: bij stromende vaarwateren: stroomafwaarts gezien de oever aan de rechter kant. Aan deze kant bevindt zich de stompe, rode, even genummerde, bebakening.
EEN RECHTSE of RECHTSDRAAIENDE SCHROEF
: een schroef waarvan het bovenste schroefblad, wanneer men van achteraf tegen het schip
kijkt, naar rechts, met de klok mee, moet draaien, om het schip vooruit te doen bewegen.
~rechtsgeslagen:
van touw: touw, dat dusdanig geslagen is dat de tieren van rechtsboven naar linksonder lopen.
~rechtsvaargebod,
overloopverbod:
de verplichting om langs de rechterzijde van het vaarwater te blijven varen, tenzij men zulks doet om een nevenvaarwater of haven in te varen.
ronde ring, met een flink drijfvermogen, waarmee drenkelingen zich drijvende kunnen
houden.
~reddingboeilicht,
reddingsboeilicht:
door een lijn met een reddingboei verbonden drijvend voorwerp, dat bij contact met het water een lichtsignaal uitzendt.
Het gebruik van reddingboeilichten is niet algemeen, maar de laatste decennia neemt het gebruik wel toe.
~reddingboot,
reddingsboot: 1> scheepsreddingboot: vaartuig, behorende bij een schip, dat bestemd is om mensen, die op het water in nood verkeren, te redden. 2>
zelfstandig opererend vaartuig, dat bestemd is om mensen, die op het water in nood verkeren, te redden.
~reddinggordel, scafhander:
meestal uit kurken samengestelde band, die rond het lichaam gedragen wordt. In de binnenvaart bijna uitsluitend door de reddingmaatschappij gebruikt geweest.
zwaar stuk zeildoek, op de hoeken voorzien van een soort leuvers. Het doek kon bij schade onder de waterlijn onder het schip door en voor het gat getrokken kan worden, waardoor het binnenstromen van water verminderd werd.
De maat van de kleden liep uiteen van circa 4 bij 4 tot circa 6 bij 10 meter. Soms waren alleen de hoekpunten van stevige ogen voorzien, soms ook zaten er langs de gehele rand, met een tussenruimte van circa één meter, leuvers.
~reddingloon,
reddingsloon:
vergoeding, die men kan verlangen voor het aan boord(3) nemen van personen, die, op het water, in nood verkeerden. Zie ook: hulploon.
~reddingmaatschappij:
stichting, die zich tot doel gesteld heeft, personen, die in zeenood verkeren, te helpen, zonder daarvoor een geldelijke vergoeding te verlangen. In 1824 werden er, op particulier initiatief, in Nederland twee reddingmaatschappijen opgericht. De Noord en Zuid-Hollandse Reddingmaatschappij, met het werkgebied ten Noorden van Hoek van Holland, en de Zuid-Hollandse Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen, die het gebied van Hoek van Holland tot de Belgische grens voor haar rekening nam. Beide maatschappijen worden door vrijwillige bijdragen in stand gehouden. In 1991 zijn de maatschappijen gefuseerd en ging men verder onder de naam Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij. Thans (2009) omvat de vloot ca. 60 vaartuigen en zijn er zo'n 700 vrijwilligers bij het reddingwerk betrokken. De vaartuigen zijn verdeeld over ca. 36 stations, waarvan ongeveeer de helft, ook bij het reddingswerk op binnenwater betrokken kan zijn. [E>Website]
~reddings.........:
zie redding.........
~reddingsmiddellen:
alle middellen, die tot doel hebben de overlevingskansen van personen (en dieren), die in zeenood verkeren, te vergroten of voorwerpen die bij het redden van deze personen gebruikt worden.
Naar het schijnt mogen reddingmiddelen welke volgens voorschriften aan boord dienen te zijn, nooit voor enig ander doel gebruikt worden.
Oorspronkelijk waren dit inderdaad vaartuigen van het type sloep. De laatste decennia zijn er echter diverse reddingboten van een ander type in gebruik genomen.
2> mogelijk zuid-Nederlands voor wat men over het algemeen een bijboot noemt.
~reddingvest,
reddingsvest,
scafhander:
met zeer licht materiaal gevuld vest, dat een persoon, die te water raakt, met het hoofd boven water houdt. Vergelijk: zwemvest.
container, meestal van gewapend polyester, waarin een automatisch opblazend reddingvlot geborgen is.
[A>+tekst]
~reder:
persoon, die één of meerdere schepen exploiteerd.
De term is waarschijnlijk afkomstig van het werkwoord "reden, reedde, gereed", het welk "klaar maken" betekent. Een reder is dan dus iemand die schepen klaarmaakt voor de vaart.
Gelet op het gestelde in het, thans 2012 geldende, burgelijk wetboek kan er wettelijk slechts sprake zijn van een reder, wanneer deze samen met een ander rechtspersoon eigenaar is van het schip, de schepen.
~rederij:
bedrijf, dat één of meerdere schepen exploiteerd.
Het is, vooral tegenwoordig, niet ongebruikelijk een bedrijf op te richten dat slechts é´n schip in de vaart heeft. De meeste rederijen bezitten in de regel echter meerdere schepen. Sommige grote rederijen bezatten vroeger tientallen, soms wel tegen de honderd, schepen van allerlei slag en grootte. Verder werden er door de rederijen, als dat zo uitkwam, schepen ingehuurd. Deze huurvloot was, ook al werd dat onwenselijk geacht, in sommige gevallen zelfs groter dan de eigen vloot. De huurschepen waren niet zelden van andere rederijen en werden soms door middel van een meerjarig contract gebonden.
Volgens het, thans 2012 geldende, Burgelijk wetboek is er sprake van een rederij wanneer een schip volgens de registers aan meer dan één persoon toebehoort.
~Rederij C. Bosman:
Alkmaarse rederij welke onder meer de bootdiensten Den Helder-Texel, Enkhuizen-Staveren en Harlingen-Terschelling heeft onderhouden. De firma stichtte tevens de bootdienstonderneming Alkmaar Packet.
Voor zover bekend heeft de firma van 1864 tot 1954 bestaan.
~Rederij Feenstra nv/bv:
firma welke in 1949 begon om met tijdelijk omgebouwde vrachtschepen vakantie reizen te organiseren. In de jaren 60-70 uitgegroeid tot één van de belangrijkste ondernemingen op het gebied van Rijnvakanties. In 1981 failliet gegaan, waarna een aantal aangesloten eigenaren de Feenstra Rijn Lijn oprichtten. [T>]
~Rederij Frater Smid:
sleepbootrederij te Delfzijl. Tussen 1910 en 1920 aldaar actief geweest.
Over deze rederij is door Hans en Greef Beukema een boek getitelt: "Rederij Frater Smid, een vergeten rederij" geschreven.
~rederijkleuren:
eigenlijk: bepaalde kleurstelling welke een rederij op een aantal zaken, zoals bijvoorbeeld briefpapier, vaarvlag, manchet, enz., voert. Bij uitbreiding ook van toepassing op zaken die niet de juiste kleurstelling hebben, maar die op andere wijze als herkenningsteken van de maatschappij bekend staan.
~Rederij Gebroeders Goedkoop,
Reederij Gebroeders Goedkoop
:
leden van de familie Goedkoop zijn opererend vanuit Amsterdam vanaf 1814 tot 1 juli 1999 in diverse takken van scheepvaart actief geweest. Bekend zijn zij in vroeger tijd voornamelijk van passagiersdiensten en in later tijd van sleepdiensten. Voor een uitgebreid overzicht zie www.reederijgebrgoedkoop.nl.
~Rederij van Swieten:
Amsterdamse rederij die met de zogenaamde de zogenaamde Amstelboten een beurtdienst vanuit Amsterdam onderhield.
In 1948 opgegaan in de Groninger Beurtvaart.
~rederijvlag,
kantoorvlag:
vlag of wimpel, die aangeeft voor welke rederij men vaart. Zie ook vaarvlag.
De tamelijk ongebruikelijke term kantoorvlag werd aangetroffen in P. Versnel's Vakwoordenboek.
~ree:
term, die in de binnenvaart waarschijnlijk niet gebruikt werd. Volgens sommige bronnen (o.a. Witsen) in de zeevaart wel.
De term is voornamelijk onder de zeilende watersporters in gebruik, waar het ene deel het commando roept voordat men overstag gaat, terwijl de andere helft het roept op het moment van overstag gaan.
De term is (o.a. volgens Duden) de gebiedende wijs van het werkwoord REDEN (reedde, gereed) en wil dan dus zeggen dat men zich voor het overstag gaan gereed moet maken. Ook de termen REDER, iemand die schepen gereed maakt voor de vaart en REDE, een plaats waar schepen liggen om in of uit te varen, lijken van REDEN afgeleid te zijn. Andere bronnen leggen echter een verband met het woord ra, in welk geval REE een verkorting is van 'over ree gaan': de ra's omhalen.
~reefijzer,
rifijzer:
stalen stang met vorkvormig uiteinde, waarin de giek tijdens het reven kan rusten. Het reefijzer werd o.a. op de Heegeraak gebruikt.
gat in het zeil, dat terplaatse meestal voorzien is van een lap, voor een reeflijn of rifseizing. Het gat is bovendien versterkt met een reefkous of trens.
~reep: 1>eind: willekeurig een eind touw of ketting. De term wordt hoofdzakelijk gebruikt in samenstellingen zoals: valreep, talreep, taliereep (= loper) en smeerreep.
2> het touw, lijn door of langs de rand van een visnet.
Het exacte verschil tussen een reep en een sim is me nog niet echt duidelijk, maar geheel synoniem lijken de termen niet te zijn.
De term 'reep' (ca. 1550) is niet, zoals sommige bronnen beweren afkomstig van het Engelse 'rope', maar omgekeerd.
2> aantal met elkaar verbonden visnetten: bijv. schakelnetten of een zegen.
~reeppont,
gierpont:
een kabelpont, dus een heen-en-weer, welke voor de voortstuwing van de stroming van het water gebruik maakt, maar anders dan een gierpont dat doet.
Voor en achterzijde van de reeppont zijn via kettingen met twee blokken(katrollen) die over een over het waterliggende kabel lopen, verbonden. Door de ene ketting veel korter te nemen dan de ander zal het vaartuig scheef op de stroming komen te liggen en zich danwel de ene of de andere kant op willen bewegen. Aan het vaartuig bevestigde zwaarden kunnen de voortstuwing bevorderen.
~reepschieter:
persoon welke een reepnet uitzet.
@niet voldoende bekend of dit persoon in de binnenvaart voorkomt.
~reepsnelheid:
de (gemiddelde) snelheid waarmee een reep onder bepaalde belasting ingehaald of uitgevierd kan worden. Deze waarde heeft meestal betrekking op de reep van motorisch aangedreven lieren.
~reeptrek:
de kracht die met een reep/loper uitgeoefend kan worden. Deze waarde heeft meestal betrekking op de reep van motorisch aangedreven lieren.
~regelvaart:
vorm van beurtvaart welke werd opgezet omdat het ondertekenen van de acte van Mainz (inhoudende de vrije vaart op de Rijn) het voortbestaan van de toenmalige beurtvaart, Amsterdam - Ruhrgebied, onmogelijk maakte.
Deze vorm van beurtvaart onderscheidde zich alleen van de voorgaande door een groter aantal mogelijkheden om ladingen buiten deze dienst om te vervoeren en doordat ze uitsluitend voor de aangesloten handelaren voer. Een vorm van relatievaart dus. Onder andere grote ladingen en ladingen welke met passagiersschepen of sleepschepen vervoerd werden, mochten door deze handelaren buiten de dienst om vervoerd worden. Deze diensten voeren ondermeer naar Duisburg, Dusseldorf, Mainz, Keulen, Frankfurt, Koblenz, Wesel, Mannheim etc. Door de opkomst van de spoorwegen en de sleepvaart gaat het na 1845 snel bergafwaarts met deze vorm van beurtvaart. In 1953 was er alleen nog de vaart op Wesel nog over. Wesel was merkwaardig genoeg ook de eerste Rijnhaven van een Amsterdamse beurtdienst. Deze dienst was in 1613 begonnen en werd uiteindelijk in 1862 gestaakt. Bron Jaarboek Amstelodamum 1958 blz 41 en verder.
~regenplank:
plankbreed afdakje aan de bovenzijde van de stuurhutramen in de voorzijde van de stuurhut.
~regenstreep:
verkleuring of verontreiniging van de verf, op plaatsen waar langdurig water langs vloeit.
~regeringsgraan:
het graan dat gedurende de eerste wereldoorlog, om opdrijving van meel en broodprijzen te voorkomen, door de regering werd ingevoerd.
De intentie van de regering om dit graan uitsluitend door redrijschepen te laten vervoeren, was de aanleding tot het ontstaan van een vrachtverdeling via een beurssysteem. Zie verder bij vrachtverdeling.
Register Holland is onderandere verantwoordelijk voor de afgifte van het mast- en tuigcertificaat.
~reglementen en wetten:
voor de binnenvaart is de regelgeving ondergebracht in een raamwet met de titel 'Binnenvaartwet'. Tot de daaruit voortvloeiende nadere regelgeving behoren: het Binnenvaartbesluit en de Binnenvaartregeling.
Wetteksten: Binnenvaartwet, Binnenvaartbesluit, Binnenvaartregeling.
Meer regelingen:
~Reglement onderzoek schepen op de Rijn,
R.O.S.R.:
Reglement met voorschriften, eisen, ten aanzien van de bouw, uitrusting en bemanning van schepen. Dit reglement is ondermeer van toepassing op:
schepen met een lengte van 20 m, of meer
sleep- en duwboten
passagiersschepen
drijvende werktuigen.
Op basis van dit reglement wordt het rijnattest afgegeven.
onderdeel van een motor of stoommachine,
dat het ingestelde toerental moet handhaven.
~reijsschip:
in sommige streken in de 19de eeuw gebruikte benaming voor schepen, meestal aakjes, welke rijshout vervoerden.
Gerelateerde term: rietaak.
~reil:
door sommigen gezien als synoniem voor tuigage.
~reilen:
door sommigen gezien als synoniem voor optuigen. [U>]
Het WNT houdt reilen in 'zoals het reilt en zeilt' echter als een aanpassing van het reeds in de zestiende eeuw voorkomend spreekwoord 'zoals het rijdt en zeilt' dat wil zeggen: een schip zoals het voor anker ligt, dus als het op dat moment is. Reilen zou dus niets meer als op de golven heen en weer bewegen betekenen.
Dat de term ontstaan zou zijn uit het Engelse 'to reel', zoals sommigen willen beweren, is gezien de ouderdom van de Nederlandse term zeer onwaarschijnlijk.
~Reintjes:
Eisenwerke Reintjes Gmbh. Hamelen, Duitsland. Zeer bekende fabrikant van keerkoppelingen.
~reinwaterpomp:
In onbruikgeraakte term voor koelwatercirculatiepomp.
De term reinwaterpomp was in de tijd dat men hiervoor zuiger-, membraam en plunjerpompen gebruikte populair. Koelwatercirculatiepomp daarentegen in de tijd van de centrifigaal- en vloeistofringpompen.
~reis, reisje:
een lading te vervoeren hebben, in:
AAN DE REIS ZIJN, EEN REISJE HEBBEN
, enz.
EEN REISJE IN BALLAST DOEN
:
een reisje met een slecht betalende lading maken.
~reisbevrachting:
reisbevrachting is een bevrachting waarbij voor het transport van A naar B van een bepaalde lading een vaste prijs staat.
Gerelateerde termen: rompbevrachting, tijdbevrachting.
~reisboot:
merkwaardige term voor een vaartuig waarop men men meevaart om vakantie te houden.
Gerelateerde termen: passagiersschip,
vakantieschip,
rijncruiser.
~reit,
riet,
rijd,
rijt:
door uitslijting van de bodem ontstaan water, een geul.
In deze betekenis in Friesland en Groningen in gebruik. Vroeger vaak geschreven als RIJT, maar ook (fonetisch) als RIET. In oudere vorm als RIJD terug te vinden in enkele aardrijkskundige benamingen. In Vlaanderen wordt met het woord RIJT een sloot of waterloop bedoelt, terwijl men in Noordfries daar weer RIET voor gebruikt. De vorm REIT vind men onder andere terug in Reitdiep.
~reizenpremie,
streckengeld:
toeslag die men ontvangt, wanneer men in daghuur varende, een reis voor een bepaalde datum volbracht dient te hebben.
~rekker:
kunststof tros, meestal nylon, die in de sleepverbinding opgenomen is, om de rukken te dempen. Hiervoor gebruikte men ook weleens een zwaar stuk ketting. Sinds het gebruik van geheel kunststoffen trossen en de sleephaak met ingebouwde veer, worden rekkers nog zelden gebruikt, maar ook voor die tijd waren ze niet algemeen.
~rekking:
onbekende term voor een soort bindsel, waarmee men twee touwen tegen elkaar trekt.
~relatieschipper:
schipper, die onder contract voor een verlader vaart.
2> elk der doorlopende horizontale delen van de gehele reling. 3> door een enkele gebezigde term voor wat het relingijzer of de potdeksel genoemd wordt.
~relingbuis,
relingpijp:
metalen buis waarvan buisrelingen gemaakt worden.
~relingdraad:
dunne staaldraad of een lijn, die in combinatie met scepters een draadreling vormt.
Relingdraden waren vroeger meestal van gegalviniseerd staaldraad 4 tot 6mm dik. Sinds de jaren 80 wordt er voornamelijk, al dan niet geplastificeerd roestvrijstaaldraad toegepast. Vooral op pleziervaartuigen gebruikt men railingdraad dat bestaat uit een kern van bijv. polyester kunststofvezels met een mantel van polyethyleen.
~relinghoekijzer:
niet bekend; mogelijk het bestek.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.
~relingijzer,
railingijzer: 1>reling: bovenrand van de romp, de potdeksel, bij schepen, die niet in hout gebouwd zijn.
2> door sommigen gebruikte term voor een stalen schanddeksel.
3> speciaal L- vormig profielijzer, dat voor het relingijzer(1) gebruikt wordt. De stok vormt het horizontale deel en heeft een kraal. Het vertikale deel is aan de buitenzijde vaak iets bol.
Zie ook bulbijzer.
De remming was oorspronkelijk bedoeld om schippers de mogelijkheid te bieden om met hun sleep- of zeilschip tijdig voor het kunstwerk te kunnen stoppen. Met de komst van de motorschepen werd het kunnen afstoppen van schepen van ondergeschikt belang, bovendien werden, door de toenemende omvang van de schepen de meeste remmingen te kort om nog langer daarin te kunnen voorzien. Veel remmingen hebben daardoor nu nog alleen een functie als geleidewerk en tijdelijke ligplaats. In verband met dat laatste zijn, alweer in verband met de toegenomen lengte van de schepen, in het verlengde van de remming enkele losstaande meerpalen (meerstoelen, dukdalven) geplaatst.
~remmingpaal:
stevige vertikale paal van de remming, vaak tevens bedoeld als meerpaal.
~remschijf:
van smalle opstaande randen voorziene, dikke metalen schijf, waar omheen een remband gemonteerd is. Onderdeel van een vang.
~remtrommel,
adhesietrommel,
keerrol,
rem:
onderdeel strangenlier. Trommel waarom de strang een aantal slagen maakt, voordat de strang op de strangentrommel gewikkeld wordt. De adhesietrommel heeft tot doel, de krachten die op
de strang staan op te vangen, opdat de hoofdas van de lier niet te zwaar belast zal worden. Bij compact gebouwde strangenlieren fungeert deze trommel tevens als keerrol. De adhesietrommel vervangt de strangenklem.
bekende Nederlandse fabrikant van benzine, petroleum, gloeikop en dieselmotoren. Begonnen als fabrikant van ondermeer naaimachines begon men in 1890, in huize Drakenburg te Utrecht, als N.V. Machinefabriek 'Drakenburg' met de productie van motoren. Na een faillisement in 1933 verhuisde het bedrijf naar Leiden. De productie van motoren werd in 1979 definitief gestopt en in 2006 sloot het bedrijf definitief de deuren.
[A>Afbeeldingen.]
Naar het schijnt werkten de eerste scheepsmotoren niet met een keerkoppeling. De motor was via een brede drijfriem met (een beweeglijk gedeelte van) de schroefas verbonden. Met behulp van een schroefspindel kon deze as op en neer bewogen worden. In de onderste stand stond de drijfriem strak en voer het schip vooruit. In de middelste stand hing de drijfriem slap en stond de schroef stil. In de bovenste stand raakte de poelie op de schroefas, die van de motor, waardoor er achteruit gevaren kon worden. Of er op de poelies ook een voorziening aangebracht was om de grip tussen de twee poelies te verbeteren is mij nog niet bekend.
~reparatiedok,
scheepsreparatiedok: 1> eigenlijk een gegraven dok voor zeeschepen.
2> soms gebruikte term voor een drijvend dok of schepenlift van een werf.
~reparatiehaven,
scheepsreparatiehaven: haven van een bedrijf, dat reparaties aan schepen verricht.
~reparatiehelling,
scheepsreparatiehelling,
reparatiewerf:
(scheeps)helling waarmee schepen, voor reparatie, uit het water gehaald kunnen worden.
~reparatienummer:
een laag beursnummer, dat men verkregen heeft doordat men, van wege reparaties (hellingen), een tijd niet heeft kunnen varen. Zie ook vakantienummer.
~reparatiewerf,
scheepsreparatiewerf:
scheepswerf, waar men alleen schepen repareert en geen nieuwe schepen bouwt.
Er is meestal niet een echt reserveanker aan boord. Het anker dat men niet gebruikt en dat naast het gebruikte anker gezet kan worden, kan men als reserveanker beschouwen.
~reservemotor:
motor die niet opgesteld is en welke gelijk is aan de in gebruik zijnde hoofdmotor.
De aanpassingen welke nodig zijn om een andere motor in een schip te bouwen zijn vaak zo kostbaar dat schippers wanneer zij de kans krijgen een goede (gebruikte) motor, gelijk aan hun huidige hoofdmotor, te kopen, zij die kans met beide handen aangrijpen. Deze motor zien zij dan, als die motor weinig draaiuren heeft als reserve motor. Heeft die motor een respectabel aantal draaiuren dan is hij 'voor de onderdelen'.
~reserveploeg:
een complete bemanning, die ter aflossing van de bestaande bemanning, aan boord komt.
Reserveploegen kwamen natuurlijk alleen voor bij rederijschepen. Zij kwamen aan boord, wanneer de toegelaten of overeengekomen maximale werktijden van de vaste bemanning, meestal door onvoorziene omstandigheden, overschreden werden. Bij het varen in ploegendienst spreekt men over 'wisselbemanning'.
~reserveschroef: schroef/schroeven welke ter vervanging van de in gebruik zijnde schroef/schroeven kan/kunnen dienen.
Alhoewel schepen niet langs de kant van het vaarwater even een schroef kunnen verwisselen, voeren de meeste schepen toch hun reserveschroef/schroeven mee. De meeste schroeven zijn namelijk nauwkeurig maatwerk en zullen dus, bij onherstelbare beschadiging of verlies, opnieuw gemaakt moeten worden. De investering die men in een reserveschroef moet doen, weegt in de beroepsvaart daarom meestal ruimschoots op tegen de inkomstenderving die men heeft wanneer men op de fabricage van een nieuwe schroef moet wachten.
~restgas:
van de lading afkomstig gas, dat in een ladingtank achterblijft.
~retourgas:
gas, dat tijdens het laden van een tankschip uit de ladingtanks ontwijkt.
~retourleiding:
leiding waardoor gassen en meegevoerde vloeistoffen uit ladingtanks afgevoerd worden.
~retourvracht,
retourlading: lading, die men op de terugreis, zal gaan vervoeren.
Dus tijdens de heen reis weet men al wat de 'terugreis' zal zijn. Dit terug moet men niet al te letterlijk nemen.
Het was vooral in de tijd van de evenredige vrachtverdeling dat wie daarvan afhankelijk was bijna nooit wist wat de volgende reis zou zijn.
~reven:
het zeiloppervlak verkleinen door een gedeelte van het zeil op te rollen of samen te vouwen, en vast te binden. Ook zeil minderen of een rif steken.
DICHT GEREEFD, GAAR GEREEFD
: met alle zeilen volledig gereefd.
~rib,
ribbe:
in bepaalde zinsverbanden synoniem voor spant.
DE RIBBEN KUNNEN TELLEN
: wil zeggen dat de scheepshuid, tussen de spanten dusdanig ingedrukt is, dat de afdrukken van de spanten duidelijk te zien zijn.
[A>nr.11]
~Rietaak: 1> soort van IJsselaak, die voor het rietsnijden en het transport van riet gebruikt werd. Over het algemeen kleiner (8,5 tot ca. 15 m) dan de IJsselaak en met een naar verhouding vrij forse breedte. Mogelijk ook Hooiaak genoemd.
2> in Zuid-Holland, Zeeland en langs de grote rivieren gebruikte algemene benaming voor die aken, welke voor het snijden en vervoeren van op de gorzen en grienden groeiend riet gebruikt werden, zoals bijvoorbeeld de Biesbosch aak.
~rietpark:
met middel van rietschermen en stokken samengestelde visweer.
~rietsnijden:
het oogsten van riet en vaak ook andere langs het water groeiende gewassen.
~rietsnijder: 1> soortnaam van diverse vaartuigen, die gebruikt worden om, in water en langs de oever groeiend, riet (of andere gewassen) af te snijden. [A>+tekst]
Zie ook maaiboot. 2> persoon, die riet snijdt.
~rietsnit:
soort sikkel welke gebruikt werd om riet te snijden.
~rif,
rift,
reef:
deel van het zeil, dat samengebonden kan worden, om het zeiloppervlak te verkleinen. Vergelijk: bindrif.
~rifband, reefband: 1> ter versterking, op het zeil genaaide strook zeildoek, waarin de zeilkousen voor de reeflijn of
de rifseizings aangebracht zijn. 2> (in de watersport) soms: banden, die aan het zeil genaaid zijn, waarmee men de rif
kan samenbinden.
een blok bestaande uit een schijf met daarboven één of meer rollen. Rustend op deze rollen kan het blok langs een gespannen draad, de rijdraad, heen en weer getrokken worden, terwijl de lastdraad over de schijf ligt. [A>] Ondermeer toegepast bij zelflossers.
~rijbrug:
willekeurige constructie, waarmee een voertuig aan boord gereden kan worden. [Gerelateerde termen>]
~rijdek: 1> zie wagendek. 2> constructie over of tussen, vaartuigen waarover voertuigen kunnen rijden. Onderandere toegepast bij vlot- en schipbruggen.
~rijden:
van schepen bij ruw weer: heftig bewegen.
~rijdraad:
staaldraad tussen de nok van de laadboom en een punt bij het tegenoverliggende boord, waarover het rijblok heen en weer loopt. Voornamelijk van toepassing bij zelflossers. [T>]
~rijksbeurs:
door het rijk erkende en gecontroleerde schippersbeurs.
~rijksblusvaartuig:
door de landelijke, i.p.v. door de plaatselijke, overheid in de vaart gehouden blusvaartuig.
[A>]
~Rijksinstituut voor Visserijonderzoek,
RIVO:
overheidsinstelling welke onderzoek naar waterkwaliteit, visstand en vistechnieken verrichtte.
Sinds 2006 opgegaan in IMARES (Institute for Marine Resources & Ecosystem Studies).
~Rijkskolentipbedrijf:
rond 1929 opgerichte onderneming die de bouw en exploitatie van een kolentip verzorgde.
Deze onder Rijkswaterstaat resorterende onderneming nam in 1929 de kolentip te Maasbracht in bedrijf. Later werden de activiteiten verplaatst naar Born. De kolentip te Maasbracht werd in 1935 gesloten. Tot wanneer de kolentippen te Born precies in bedrijf gebleven zijn, is me niet precies bekend.
~rijksrederij:
De Rijksrederij beheert en onderhoudt de specialistische schepen die beschikbaar worden gesteld aan de Douane, de Kustwacht, het ministerie van LNV en Rijkswaterstaat. De vloot bestaat uit ongeveer 135 schepen voor gebruik op de Noordzee of op binnenwateren.
De Rijksrederij is een zelfstandig opererend onderdeel binnen de directie Maritieme Diensten van dienst Noordzee van Rijkswaterstaat. De officiële oprichting van de Rijksrederij vond plaats op 18 mei 2009.
Bron: Rijkswaterstaat.
~rijkssluis:
sluis welke in het beheer is bij het rijk.
~rijksvaartuigendienst,
vaartuigendienst:
(voormalig?) onderdeel van de Koninklijke Landmacht dat de diverse vaartuigen van dit legeronderdeel in beheer had.
mogelijke verzamelnaam voor alle grote aakachtige houten schepen, met de daarvan afgeleide types, die de Rijn bevoeren, zoals de Dorstense aak, de Samoreus, de Keulse aak en de Keen.
mogelijk een inmiddels verdwenen scheepstype behorend, tot de Hollandse aken. Het moet een vrij fors, houten, niet al te diep stekend, vrachtschip geweest zijn. Het is me echter nog niet bekend welk scheepstype nu de ECHTE Rijnaak is.
Konijnenberg heeft het wel over een krommerijnaak maar het vaartuig heeft noch de kenmerken van een groot rivierschip, noch de kenmerken van een aak.
Ook op enkele landsschapsschilderingen van de Duitse Rijn zijn daarop gelijkende vaartuigen te zien. Daar ze geheel open zijn, lijkt het niet waarschijnlijk dat deze schepen geregeld op Nederland voeren, dus hier bekend waren. Deze schepen worden ook vaak met licht gekromde stevenbalken getekend.
Verder kan men diverse afbeeldingen vinden waarop Dorstense aken als Rijnaak betiteld worden.
Tenslotte zijn er dan nog de Keulse (Rijn)aak en de diverse types Hollandse aken.
Uit het voorgaande zou kunnen blijken dat het bij 1a genoemde juist zou kunnen zijn. In het Rheinmuseum in Emmerich bevindt zich echter een scheepsmodel dat als Rijnaak getypeerd wordt. Alhoewel het model niet in verhouding is en het echte voorkomen moeilijk te bepalen is, heeft het model een aantal eigenschappen die het uniek, dus tot een apart scheepstype, maken.
Het model werd door een schipper gebouwd naar een bestaand voorbeeld dat eigendom was van een Nederlandse schipper uit Bergambacht. Het schip heeft de kenmerken van een Dorstense aak MAAR ......
Het schip is gladboordig en heeft een dikke en brede gang, welke als berghout kan fungeren. Het schip is voorzien van tamelijk fors opboeisel over de gehele lengte. Het schip heeft een vrij smalle heve, zo smal dat het schip ook echte boegen heeft. Ondanks het feit dat het schip een heve heeft, heeft het ook een heuse voorsteven. Verder lijkt het vlak me smaller, dus de kimmen ronder dan die van de Dorstense aken. Het is getuigd als anderhalf-master. Het schip is voorzien van een paviljoen, maar het heeft tevens een roef. Zou dit dan de echte Rijnaak zijn?
in sommige binnenvaartkringen gebruikt synoniem voor een groot sleepschip; bijv. een sleepkast.
3> door leken gebruikte term voor wat meestal een grote kast of modern motorvrachtschip
is.
~Rijnafvoer,
rivierafvoer:
de hoeveelheid water, in kubieke meters per seconde, die bij Lobith langsstroomt.
De gemiddelde afvoer ligt rond 2200m³/sec. Een lage afvoer rond de 1600 met als dieptepunt 900m³/sec. Een hoge afvoer licht rond de 3000 met als hoogtepunt 12000m³/sec.
vrachtschip met de maximale afmetingen, die voor het Rheinhernekanaal gelden. Lengte 80 meter (tegenwoordig 85 m), breedte 9,5 m, diepte ca. 2,5m, kruiphoogte liefst minder dan 4,4m en een laadvermogen van ca. 1350 ton (tegenwoordig 1600 ton). Vroeger meestal van een type zoals de Kast. Soms ook aangeduid als Johann Welker type.
Dit ijkmerk week niet af van het Nederlandse ijkmerk. De Acte van Mainz verplichtte echter het voeren van ijken, iets wat in die tijd 1831 nog niet echt regel was.
~Rijnpatent,
Rijnschipperspatent,
Rijnvaartacte:
diploma waarover men, voor de Rijnvaart, dient te beschikken.
[A>]
Oorspronkelijk (1831) was er slechts één diploma/bekwaamheidsbewijs, maar met het toenemen van de scheepvaart ontstonden er meerdere. Zo kom men bijvoorbeeld een patent hebben voor slechts een deel van de Rijn. Ook zijn er patenten voor andere vormen van scheepvaart dan het beroepsgoederenvervoer te water.
~Rijnreis:
in het algemeen: een reis over de Rijn.
De term wordt zowel gebruikt voor de reizen die men met vrachtschepen, als ook die welke men met passagiersschepen maakt.
In het geval van vrachtschepen bedoelt men er vaak een reis vanuit een Nederlandse plaats naar een bestemming langs de Duitse Rijn mee.
~Rijnsburgse baggervlet:
vijf meter lange Rijnsburgse vlet waarvan het 'ruim' door middel van dwarsscheepse schotten beperkt is gehouden.
~Rijnsburgse vlet:
bepaalde naar verhouding vrij diepe boerenschouwen. Het onderboord is verhoogd met een tweede smalle, overnaads aangebrachte, gang. Hierop kan nog een boeiseltje staan. Voorkomende maat 7,9 x 1,8m.
Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw ontwikkelden zich voor de vaart op de rivivieren een aantal 'prototypes' van de later bekende scheepstypes. Deze 'prototypes' hebben wel bepaalde kenmerken van de latere types, maar wijken op bepaalde punten, ook onderling, te sterk af. Ze worden over het algemeen aangeduid met de term 'Rijnschepen'. Minder gebruikelijke termen zijn stevenschip, en klipperkraak.
Of men in dit licht bezien bijv. de Waspikse klipper als scheepstype moet aanmerken, of dat dit ook onder de noemer 'Rijnschip' gebracht moet worden is niet echt duidelijk.
Dit type Rijnschip was ongeveer 54 tot 80 meter lang bij een breedte van circa 8,2 tot 10 meter. Het berghout ligt meestal op gangboordhoogte, een boeisel ontbreekt meestal. Ook op het voorschip ligt het dek, vergeleken met de Klipper hoog.
Het eerste ijzeren Rijnsleepschip werd in 1841 gebouwd, deze was ongeveer 250 ton groot. Voor die tijd fors maar niet echt groot. Al spoedig zou hierin verandering komen en kwam men op tonnages van 1000 ton en meer. In 1926 werd het grootste Rijnsleepschip, de 'Grotius', afmetingen 130,6 x 14,3 x 3,13m en 4321 ton groot, gebouwd.
Sommigen reserveren de term Rijnsleepschip voor de grote sleepschepen welke voorzien zijn van een klipperkop. Deze worden ook wel Rijnschip genoemd.
Niet voldoende bekend; tot nu toe twee vermeldingen gevonden.
1 Rijnbode van 13 maart 1892. Zie werflijst.
2 Museum der Deutschen Binnenschifffahrt, Duisburg-Ruhrort. Zie afbeelding (model niet in de juiste verhoudingen. Gemaakt naar 18de eeuws voorbeeld.).
~Rijntol:
plaats langs de Rijn waar tol geheven werd. In 1794 waren er tussen Speyer in Duitsland en Rotterdam 53 Rijntollen. In sommige plaatsen moest men voor meerdere tollen tegelijk betalen en soms bovendien ook nog een vergunning kopen.
Genoemd worden de plaatsen: Germersheim, Mannheim, Gernsheim, Oppenheim, Mainz, Bingen, Bacharach, Kaub, St. Goar, Boppard, Oberlahnstein, Koblenz, Andernach, Leutesdorf, Linz, Bonn, Köln, Zons, Düsseldorf, Kaiserswerth, Uerdingen, Ruhrort, Orsoy, Wesel, Rees, Emmerich, Lobith, Schenkenschanz, Nijmegen,Tiel, Bommel, Gorinchem en Dordrecht. Bij het tot standkomen van de 'acte van Mannheim' in 1831 werden de toen bestaande Duitse tollen opgeheven, de Nederlandse tollen volgden pas na herziening van de acte in 1868.
~Rijn-Twente......:
abusievelijke omdraaiing van Twente Rijn......; zie aldaar.
~Rijnvaarder:
schip of schipper die regelmatig de Rijn bevaart.
Tot ca. 1850 bestond het overgrote deel der Rijnvaarders uit beurtschippers. Na 1850 is er een flinke toename van de wildevaart. Veel van de schippers die dan hun geluk op de Rijn beproeven stammen niet uit een schippersgeslacht, maar komen van het boerenbedrijf. Mogelijk ontstaat mede daardoor een afwijkend schippersjargon.
~Rijnvaart:
de beroepsmatige vaart op de Rijn tot Bazel, Nederrijn, Lek en Waal, enz.
~Rijnvaartgerecht:
de gehele instelling welke de rechtpleging van de Rijnvaartwetten uitvoert.
~Rijnvaartgeschil:
verschil van mening over hoe bepaalde passages uit verdragen in bepaalde gevallen uitgelegd moeten worden. Deze geschillen bij het Rijnvaartgerecht van de betreffende oeverstaat aanhangig gemaakt worden.
~Rijnvaarthoogte:
vrije onderdoorvaarthoogte
van de (meeste) vaste bruggen op de Rijn, IJssel, Waal, Maas en op de kanalen als het Amsterdam-Rijnkanaal. Deze is vastgesteld op minimaal 9,1m boven de hoogst bevaarbare waterstand.
De Evenredige vrachtverdeling was uitsluitend van toepassing op het binnenlandsvervoer. De Rijn en haar zijtakken (waartoe ook de Boven-Rijn, het Pannerdens Kanaal, de Neder-Rijn, Lek, Waal, Boven-Merwede, Beneden-Merwede en de Nieuwe Waterweg behoorden) vielen echter onder de Acte van Mannheim volgens welke een dergelijk systeem verboden was. Dit opende de weg om lading die vanuit of naar plaatsen gelegen aan deze wateren verladen werden, buiten het systeem van de EV te houden.
~Rijnvaartnummer:
weinig gebruikte term voor wat men in de regel het europanummer noemt.
~Rijnvaartpolitiereglement,
R.P.R.,
RPRReglement van Politie voor de Rijnvaart
:
reglement met vaarregels geldend op de Rijn, Nederrijn, Lek, Waal, enz.
[E>Wettekst]
Het eerste internationaal geldende reglement inzake de vaart op de Rijn stamt van 28 juni 1831. Het werd vele malen, onder andere in 1851, 1939 en 1983 herzien. De laatste versie dateert van 1995. Tussen 1939 tot na 1954 werd de regeling "Reglement van Politie voor de Rijnvaart". Hoeveel eerder en later deze naam ook gebruikt is, is mij nog onbekend.
~Rijnvaartrechtbank:
speciale rechtbank welke zowel in straf- als burgerrechtelijke Rijnvaartgeschillen beslist. Elke Rijnoeverstaat heeft een eigen Rijnvaartrechtbank.
~Rijnvaartreglement:
verkorte vorm van Rijnvaartpolitiereglement of hoe het op de Rijn geldende reglement op dat moment ook geheten mocht hebben.
~rijnvaartsteigers:
steigers in het Rotterdamse havengebied waar gewoonlijk de sleepschepen met bestemming Ruhrgebied ligplaats vonden.
~Rijnvaartverklaring:
officiëel document, waaruit blijkt dat er een band bestaat tussen de eigenaar van het vaartuig en het land van uitgifte. Het land van uitgifte kan alleen een zogenaamde rijnoeverstaat zijn.
Gerelateerde term; vlaggebewijs.
~Rijnvakantie,
Rijnvacantie:
een vakantie waarbij het varen op de Rijn en het verblijf aan boord van een schip een wezenlijk onderdeel van de vakantie vormt.
~rijnvloot,
rijnvaartvloot:
de totale verzameling van schepen, die een geregelde rijnvaart beoefenen.
~Rijnvlot:
groot houtvlot, dat over de Rijn verplaatst wordt. Zie bij Hollander.
~Rijnvrachtschip:
groot vrachtschip dat in hoofdzaak voor de rijnvaart bedoeld is. Door leken vaak Rijnaak genoemd.
3> de mate waarin de waterstand gestegen is of zal stijgen. Meestal uitsluitend gebruikt voor getijdewater. Door sommige verward met rijzing. Zie ook: was.