Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
2>
los rondhout, dat nabij het uiteinde, aan een mast
bevestigd is en waaraan een zeil bevestigd kan worden. Onderdeel van
het loggerzeil.
3> dwarsscheeps,
vast, horizontaal rondhout, dat met het midden, meestal boven in, aan
een mast bevestigd is of een overeenkomstige constructie. Onder
andere toegepast bij lichtmasten
en dan
ook spreistuk of zaling genoemd.
~raai: 1> bepaalde (haaks
op
de oever) uitgezette afstand. 2>kilometerraai.
~raaien: 1> meervoud van raai(1). 2>afraaien:
het uitzetten van een bepaalde afstand.
~raaibord, kilometerraai:
boord waarop de afstand, in kilo- of hectometers, tot het begin van
de vaarweg aangegeven is.
Zie ook myriameterpaal.
~raambaken, raambaak: baken bestaande uit een paal voorzien van een driehoekig 'bord', waarvan alleen de omtrek, door houten latten, aangegeven wordt. Vergelijk: rikbaak, kaap. [A>]
~raamdreg:
nog niet voldoende bekend. Een stalen frame (ca. 70 x 100cm) dat men gebruikt om lijken uit het water te lichten.
~raamkast:
constructie in de roefwand,
waardoor het
raamkozijn
een
centimeter of vijf achter deze wand komt te liggen. [A>]
~raamnet: 1>kor: visnet dat
door een raamwerk
opengehouden
wordt.
2> visnet, dat men voor uitwateringssluizen
plaatst.
~raamrubber:
geprofileerde rubberstrip waarin het glas van een raam gevat is.
~raamspant: 1>spant
(bij stalen schepen),
dat langs de gehele dwarsscheepse
omtrek, dus ook
onder
het dek, doorloopt. 2> foutief synoniem voor
keerspant. 3> foutief synoniem voor webspant.
~raapolie:
olie afkomstig van de zaden van raapzaad. Deze olie, danwel patent- of slaolie, werd voor de petroleumlantaarns aan boord van tankers, waar geen gewone petroleum gebruikt mocht worden. aangewend.
~raband: 1>touw
of
band, waarmee het bovenlijk
aan de ra
gebonden is. 2> onjuiste benaming, verspreking
of
verschrijving van rakband. 3>
volgens vanDale:
zoiets
als de hijs(4).
~rabat:
halfronde groef.
~rabatijzer: 1> soort breeuwijzer
met een brede snede, waarin twee groeven, rabatten aangebracht zijn. [A>
E] 2> volgens vanDale: klein breeuwijzer, soort spijker dus.
~Racon:
Gilde van Nautisch Verkeersdienst Medewerkers. In 1975 opgericht als
vakbond voor, voornamelijk, radarwaarnemers. In 1990 omgezet naar een
gilde. [E>]
~rad: 1>stuurrad. 2>overhaal, die
door middel van een windas met een groot rad voortbewogen wordt.
(volksbenaming?)
~radar: 1>radarinstallatie,
radarapparaat,
radartoestel,
rivierradar:
afkorting van Radio Detection And Ranging. Navigatie instrument dat radiogolven uitzendt en de terugkaatsing
daarvan registreerd, waardoor de positie en afstand van objecten die de weerkaatsing, de echo, veroorzaakt hebben, op het radarscherm waargenomen kan worden.
OP HET RADAR VAREN
:
hiermee bedoelt men, dat men voor het navigeren
van het radarbeeld afhankelijk is.
tegenwoordig steeds vaker gebruikte term voor wat men een radarscherm noemde.
Deze term is waarschijnlijk niet alleen in zwang gekomen omdat de huidige schermen qua constructie overeenkomen met die van de monitor, maar ook omdat er tegenwoordig diverse andere gegevens op het scherm geprojecteerd zijn.
~radarpatent:
diploma, dat
men
dient te bezitten, wanneer men met een vaartuig op het radar
wenst te varen.
~radarreflector:
metalen
constructie, die tot doel heeft het door het radar,
van een ander schip,
uitgezonden signaal te
weerkaatsen. [A>]
~raderveerboot:
De term boot is hier niet op zijn plaats, omdat het zich in de maaste
gevallen om een schip handelt (uitleg). vaartuig,
dat een verbinding tussen twee, ter weerszijde van een water gelegen
plaatsen onderhoudt, en dat met een schepraderen
aangedreven wordt.
~radiobaken, peilbaken:
op de wal
geplaatste
zender, die een bepaalde code uitzendt. Met een speciale ontvanger en
een peilantenne kan men deze signalen gebruiken om de richting waarin
het baken staat te bepalen. Wanneer men twee of meer zenders kan
ontvangen, kan men de positie van het schip bepalen.
In de binnenvaart weinig gebruikt. Alleen bij het ijsselmeer, de waddenzee en de zeeuwse stromen waren radiobakens aanwezig.
~Radio Medische Dienst,
R.M.D.:
door het Rode
Kruis in het leven geroepen
organisatie,
die per draadloze verbinding, medische adviezen aan varenden geeft.
De organisatie was in de eerste plaats bedoeld voor zeevarenden. Toen
de binnenvaart de beschikking kreeg over marifoon konden ook deze van
deze dienst gebruik maken. De dienst was eerst ondergebracht bij Scheveningen
Radio,
maar sinds deze opgeheven is, lopen oproepen aan de Radio Medische
Dienst via de reddingmaatschappij.
~rak: 1>raak, raaks: recht stuk vaarwater. 2> traject tussen
twee, door een denkbeeldige lijn
verbonden, punten, dat zeilend
afgelegd
moet worden. 3> onjuiste term voor paternoster. 4> minder juiste
term voor rakje. 5>
verkorting van rakband.
1> eind touw,
vaak voorzien van klootjes
en halve-maantjes en dan
eigenlijk kraalband geheten,
waarmee het voorlijk
van een grootzeil
aan een mast
bevestigd wordt. [A>]
Vroeger mogelijk ook
leren riem. 2> voor
de komst van metalen leuvers:
touw,
waarmee het voorlijk van fok
of kluiver
rond een stag bevestigd
wordt. Mogelijk ook zuiger
genoemd. 3>gaffelrak.
~rakbandijzer:
Z-vormig gebogen stang, die op enige
hoogte
boven de giek, beweeglijk
tegen de voorkant
van de mast bevestigd is.
Het ijzer moet
voorkomen, dat de rakbanden,
bij het strijken
van het zeil, te ver
zakken, waardoor deze
bij het strijken van de mast, tussen deze en de giek klem zouden
kunnen raken. Vrij weinig en dan vaak alleen op skûtsjes
aan te treffen. (term mogelijk niet juist)
~rakje:
lijntje, van het ene
uiteinde
van de klauw aan de gaffel,
om de mast, door een oog
aan het andere
uiteinde van de klauw, naar beneden lopend, waarmee men de klauw
tegen de mast kan trekken. Schijnt bijna uitsluitend op Boeiers
toegepast te zijn.
~ram:
foutieve, verbasterde benaming voor een kettingboot
(toueur).
De name is afkomstig van 'Rame' het Franse woord voor de sleep van de
kettingboot.
~rampenbestrijdingsvaartuig,
incidentenbestrijdingsvaartuig:
vaartuig dat (ook) bij grote ongevallen ingezet kan worden. Vaak een blusvaartuig met de
nodige
extra's op het gebied van communicatie, oliebestrijding, etc.
~randgaarde,
randgarde: 1> op een smal gangboord gelijkende, tevens als potdeksel dienende, constructie bij de Somp.
2> de bovenste gang op sommige houten schepen; het bovenboord.
De term is vermoedelijk alleen in de Overijsselse gebieden in gebruik. Bij de Giethoornse bok noemt men het voorste, afzonderlijk in model gebrachte, deel der randgaarde het boegstuk.
~randmeer:
breed water tussen het oude land en Oostelijk en Zuidelijk Flevoland.
~rank: 1>
een grote lengte in verhouding tot
de
breedte hebbend. 2> gemakkelijk overhellend.
rank worden:
minder stabiel worden.
~ransel:
door sommigen gebruikte
term
voor de aap, maar
vermoedelijk een ander zeil.
metalen
plaat,
waarmee een opening afgedekt kan worden. Vooral gebruikt rond anker- en stuurkettingen,
waar deze het schip in
gaan.
Vergelijk: rattenschild.
~rattenschild:
ronde metalen
plaat met daarin een gleuf, die over de trossen
geschoven wordt, om het aan boord
klimmen
van ratten te bemoeilijken. Voornamelijk door zeeschepen gebruikt.
~rattestaart: 1>
weinig
voorkomende benaming voor een sierlijke Jugendstilachtige krul op de klik of in lofwerk. 2>hondepunt.
~razeil: 1> eigenlijk:
een
willekeurig zeil, dat aan
een ra
opgehangen is. 2> meestal: een dwarsscheepszeil,
dat zowel aan de boven-, als ook aan de onderzijde, door een ra
uitgehouden wordt.
~Razeilboeier:
@niet
voldoende
bekend. Mogelijk type Boeier
met een ratopzeil,
mogelijk ook de
verzamelnaam voor
alle dwarsscheepsgetuigde
boeiers.
~recherchevaartuig:
waarschijnlijk een oude term voor wat tegenwoordig een vaartuig van de Koninklijke
marchausee is.
Ze kunnen zowel met politie- als douanetaken belast worden.
~rechthout:
normaal gegroeid
hout,
geschikt om rechte delen (planken, masten,
e.d.) van te maken. Vergelijk: kromhout(3).
: een schroef
waarvan het bovenste schroefblad,
wanneer men van achteraf tegen het schip
kijkt, naar rechts, met de klok mee, moet draaien, om het schip
vooruit te doen bewegen.
~rechtsgeslagen:
van touw: touw, dat
dusdanig geslagen is dat
de tieren
van rechtsboven naar linksonder lopen.
ronde ring, met een flink drijfvermogen, waarmee drenkelingen zich drijvende kunnen
houden.
~reddingboeilicht,
reddingsboeilicht:
door een lijn met een reddingboei verbonden drijvend voorwerp, dat bij contact met het water een lichtsignaal uitzendt.
Het gebruik van reddingboeilichten is niet algemeen, maar de laatste decennia neemt het gebruik wel toe.
~reddingboot,
reddingsboot: 1>
scheepsreddingboot: vaartuig,
behorende
bij een schip, dat
bestemd is om mensen,
die op het water in nood verkeren, te redden. 2>
zelfstandig opererend vaartuig, dat bestemd is om mensen, die op het
water in nood verkeren, te redden.
~reddinggordel, scafhander:
meestal uit kurken samengestelde band, die rond het lichaam gedragen
wordt. In de binnenvaart
bijna
uitsluitend door de reddingmaatschappij
gebruikt geweest.
~reddingkleed,
reddingskleed,
stopkleed,
lekzeil,
aanvaringszeil,
aanvaringskleed,
veiligheidszeil:
zwaar
stuk zeildoek, op de
hoeken voorzien van
zware ogen of lussen, dat onder het schip
getrokken kan worden, om een groot gat in de romp
tijdelijk te dichten.
~reddingloon, reddingsloon:
vergoeding, die
men
kan verlangen voor het aan boord(3)
nemen
van personen, die, op het water, in nood verkeerden. Zie ook: hulploon.
~reddingmaatschappij:
stichting, die zich tot doel gesteld heeft, personen, die in zeenood
verkeren, te helpen, zonder daarvoor een geldelijke vergoeding te
verlangen. In 1824 werden er, op particulier initiatief, in Nederland
twee reddingmaatschappijen opgericht. De Noord en Zuid-Hollandse
Reddingmaatschappij, met het werkgebied ten Noorden van Hoek van
Holland, en de Zuid-Hollandse Maatschappij tot Redding van
Schipbreukelingen, die het gebied van Hoek van Holland tot de
Belgische grens voor haar rekening nam. Beide maatschappijen worden
door vrijwillige bijdragen in stand gehouden. In 1991 zijn de
maatschappijen gefuseerd en ging men verder onder de naam Koninklijke
Nederlandse Redding Maatschappij. Thans omvat de vloot ca. 60
vaartuigen en zijn er zo'n 700 vrijwilligers bij het reddingwerk
betrokken. De vaartuigen zijn verdeeld over ca. 36 stations, waarvan
ongeveeer de helft, ook bij het reddingswerk op binnenwater
betrokken kan zijn.
~reddings.........:
zie redding.........
~reddingsmiddellen:
alle middellen, die tot doel hebben de overlevingskansen van personen (en dieren), die in zeenood verkeren, te vergroten of voorwerpen die bij het redden van deze personen gebruikt worden.
Naar het schijnt mogen reddingmiddelen welke volgens voorschriften aan boord dienen te zijn, nooit voor enig ander doel gebruikt worden.
~reddingssloep: 1>reddingboot
aan boord van zeeschepen
(Oorspronkelijk waren dit sloepen) 2> mogelijk
zuid-Nederlands voor wat men over het algemeen een bijboot noemt.
~reddingvest, reddingsvest, scafhander:
met zeer licht materiaal gevuld vest, dat een persoon, die te water
raakt, met het hoofd boven water houdt. Vergelijk: zwemvest.
container, meestal van gewapend polyester, waarin een automatisch
opblazend reddingvlot
geborgen is.
[A>+tekst]
~reder:
persoon, die
één of meerdere schepen
exploiteerd.
De term is waarschijnlijk afkomstig van het werkwoord "reden, reedde, gereed", het welk "klaar maken" betekent. Een reder is dan dus iemand die schepen klaarmaakt voor de vaart.
~rederij:
bedrijf, dat één of meerdere schepen exploiteerd.
Het is, vooral tegenwoordig, niet ongebruikelijk een bedrijf op te richten dat slechts é´n schip in de vaart heeft. De meeste rederijen bezitten in de regel echter meerdere schepen. Sommige grote rederijen bezatten vroeger tientallen, soms wel tegen de honderd, schepen van allerlei slag en grootte. Verder werden er door de rederijen, als dat zo uitkwam, schepen ingehuurd. Deze huurvloot was, ook al werd dat onwenselijk geacht, in sommige gevallen zelfs groter dan de eigen vloot. De huurschepen waren niet zelden van andere rederijen en werden soms door middel van een meerjarig contract gebonden.
~ree:
term, die in de binnenvaart waarschijnlijk niet gebruikt werd. Volgens sommige bronnen (o.a. Witsen) in de zeevaart wel.
De term is voornamelijk onder de zeilende watersporters in gebruik, waar het ene deel het commando roept voordat men overstag
gaat, terwijl de andere helft het roept op het moment van overstag gaan.
De term is (o.a. volgens Duden) de gebiedende wijs van het werkwoord REDEN (reedde, gereed) en wil dan dus zeggen dat men zich voor het overstag gaan gereed moet maken. Ook de termen REDER, iemand die schepen gereed maakt voor de vaart en REDE, een plaats waar schepen liggen om in of uit te varen, lijken van REDEN afgeleid te zijn. Andere bronnen leggen echter een verband met het woord ra, in welk geval REE een verkorting is van 'over ree gaan': de ra's omhalen.
~reefijzer, rifijzer:
stalen
stang met vorkvormig uiteinde, waarin de giek
tijdens het reven kan
rusten. Het reefijzer
werd
o.a. op de Heegeraak
gebruikt.
gat in het zeil, dat terplaatse meestal voorzien is van een lap, voor een reeflijn of rifseizing. Het gat is bovendien versterkt met een reefkous of trens.
~reep: 1> eind:
willekeurig een eind touw
of ketting. De
term wordt hoofdzakelijk gebruikt in samenstellingen zoals: valreep, talreep,
taliereep (= loper
) en smeerreep. 2>
het touw
waaraan de vleet hangt. 3>
een
aantal met elkaar verbonden visnetten. 4> standaard.
~reepschieter:
@niet voldoende bekend
of dit persoon in de binnenvaart voorkomt.
~reepsnelheid:
de (gemiddelde) snelheid waarmee een reep onder bepaalde belasting ingehaald of uitgevierd kan worden. Deze waarde heeft meestal betrekking op de reep van motorisch aangedreven lieren.
~reeptrek:
de kracht die met een reep uitgeoefend kan worden. Deze waarde heeft meestal betrekking op de reep van motorisch aangedreven lieren.
~regulateur: 1>
veelgebruikte, maar eigenlijk foutieve
benaming, voor een toerentalverstelinrichting.
2> onderdeel van een motor of stoommachine,
dat het ingestelde toerental moet handhaven.
~Reintjes:
Eisenwerke Reintjes
Gmbh.
Hamelen, Duitsland. Zeer bekende fabrikant van keerkoppelingen.
~reinwaterpomp:
In onbruikgeraakte term voor koelwatercirculatiepomp.
De term reinwaterpomp was in de tijd dat men hiervoor zuiger-, membraam
en plunjerpompen gebruikte populair. Koelwatercirculatiepomp
daarentegen in de tijd van de centrifigaal- en vloeistofringpompen.
~reis, reisje:
een lading
te vervoeren hebben, in:
AAN DE REIS ZIJN, EEN REISJE HEBBEN
, enz.
EEN REISJE IN BALLAST DOEN
:
een reisje met een slecht betalende lading maken.
~reisbevrachter, tijdbevrachter:
zie bij bevrachter.
~reisbevrachting,
tijdbevrachting:
term die onderandere in het burgelijk wetboek, boek 8, gebruikt wordt
en die als volgt omschreven wordt: "Tijd- of reisbevrachting in de zin
van deze afdeling is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de vervoerder zich verbindt tot
vervoer aan boord van een schip,
dat hij daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting, geheel of gedeeltelijk en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of reisbevrachting) ter beschikking stelt van de afzender". Hetgeen min of meer wil zeggen, de normale manier van vervoer. De schipper/eigenaar gaat een overeenkomst aan de goederen van A naar B te vervoeren. Bij rompbevrachting staat het gehele schip, al dan niet inclusief de bemanning,
voor een bepaalde termijn ter beschikking van de bevrachter.
~reizenpremie,
streckengeld:
toeslag die men ontvangt, wanneer men in daghuur varende, een reis voor een bepaalde datum volbracht dient te hebben.
~reit,
riet,
rijd,
rijt:
door uitslijting van de bodem ontstaan water, een geul.
In deze betekenis in Friesland en Groningen in gebruik. Vroeger vaak geschreven als RIJT, maar ook (fonetisch) als RIET. In oudere vorm als RIJD terug te vinden in enkele aardrijkskundige benamingen. In Vlaanderen wordt met het woord RIJT een sloot of waterloop bedoelt, terwijl men in Noordfries daar weer RIET voor gebruikt. De vorm REIT vind men onder andere terug in Reitdiep.
~rekker:
kunststof tros, meestal
nylon, die in de sleepverbinding
opgenomen is, om de rukken te dempen. Hiervoor gebruikte men ook
weleens een zwaar stuk ketting. Sinds het gebruik van geheel
kunststoffen trossen en
de sleephaak
met ingebouwde veer, worden rekkers nog zelden gebruikt, maar ook
voor die tijd waren ze niet algemeen.
~rekking:
onbekende term voor een
soort bindsel, waarmee
men twee touwen
tegen elkaar trekt.
~relingdraad:
dunne staaldraad of een lijn, die in combinatie met scepters een draadreling vormt.
Relingdraden waren vroeger meestal van gegalviniseerd staaldraad 4 tot 6mm dik. Sinds de jaren 80 wordt er voornamelijk, al dan niet geplastificeerd roestvrijstaaldraad toegepast. Vooral op pleziervaartuigen gebruikt men railingdraad dat bestaat uit een kern van bijv. polyester kunststofvezels met een mantel van polyethyleen.
~relingijzer,
railingijzer: 1>reling:
bovenrand van de romp, de potdeksel,
bij schepen, die niet in hout gebouwd zijn. 2>
door
sommigen gebruikte term voor een stalen schanddeksel. 3> speciaal L- vormig profielijzer,
dat voor het relingijzer(1) gebruikt wordt. De stok vormt het
horizontale deel en heeft een kraal. Het vertikale deel is aan de
buitenzijde vaak iets bol.
~relingscepter,
railingscepter:
een scepter die de reling rond het schip of op een opbouw ondersteund. Meestal kortweg: scepter genoemd.
~rem: 1> lekenterm voor vang. 2> verkorting van remtrommel.
~remband, vang:
stalen band, die rond de remschijf
ligt.
Onderdeel van de vang.
~remming, remmingwerk:
zware,
lange, in het water geplaatste, constructie voor sluizen, bruggen
e.d., waaraan schepen
ligplaats
kunnen nemen. [A>]
Vergelijk: geleidewerk.
Verwante
termen: meerpaal, gording.
~remmingpaal:
stevige vertikale paal van
de remming, vaak tevens bedoeld
als meerpaal.
~remschijf:
van smalle
opstaande
randen voorziene, dikke metalen schijf, waar omheen een remband
gemonteerd is. Onderdeel van een vang.
~remtrommel,
adhesietrommel, keerrol,
rem:
onderdeel strangenlier.
Trommel waarom de strang een
aantal slagen maakt, voordat de strang op de strangentrommel
gewikkeld wordt. De adhesietrommel heeft tot doel, de krachten die op
de strang staan op te vangen, opdat de hoofdas van de lier niet te
zwaar belast zal worden. Bij compact gebouwde strangenlieren fungeert
deze trommel tevens als keerrol. De adhesietrommel vervangt de strangenklem.
~reparatiedok, scheepsreparatiedok: 1>
eigenlijk een gegraven dok
voor zeeschepen. 2>
soms gebruikte term voor een drijvend dok of schepenlift
van een werf.
~reparatiehaven, scheepsreparatiehaven:
haven
van een bedrijf, dat reparaties aan schepen
verricht.
~reparatiehelling,
scheepsreparatiehelling,
reparatiewerf:
(scheeps)helling
waarmee schepen,
voor reparatie, uit het water gehaald kunnen worden.
~reparatienummer:
een laag beursnummer,
dat men verkregen heeft doordat men, van wege reparaties (hellingen), een tijd niet heeft
kunnen
varen. Zie ook vakantienummer.
~reparatiewerf, scheepsreparatiewerf:
scheepswerf, waar
men alleen schepen
repareert en geen nieuwe
schepen bouwt.
~reserveploeg:
een complete bemanning, die ter aflossing van de bestaande bemanning, aan boord komt.
Reserveploegen kwamen natuurlijk alleen voor bij rederijschepen. Zij kwamen aan boord, wanneer de toegelaten of overeengekomen maximale werktijden van de vaste bemanning, meestal door onvoorziene omstandigheden, overschreden werden. Bij het varen in ploegendienst spreekt men over 'wisselbemanning'.
~restgas:
van de lading
afkomstig gas, dat in een ladingtank
achterblijft.
~retourgas:
gas, dat tijdens
het
laden van een tankschip
uit de ladingtanks
ontwijkt.
~reven:
het zeiloppervlak
verkleinen
door een gedeelte van het zeil
op te rollen
of samen te vouwen, en vast te binden. Ook zeil minderen of een rif
steken.
DICHT GEREEFD, GAAR GEREEFD
: met alle zeilen volledig gereefd.
~rib,
ribbe:
in bepaalde zinsverbanden synoniem voor spant.
DE RIBBEN KUNNEN TELLEN
: wil zeggen dat de scheepshuid, tussen de
spanten dusdanig ingedrukt is, dat de afdrukken van de spanten duidelijk te zien zijn.
[A>nr.11]
~Rietaak:
soort van IJsselaak,
die voor het rietsnijden
en het
transport
van riet gebruikt werd. Over het algemeen kleiner (8,5 tot ca. 15 m)
dan de IJsselaak en met een naar verhouding vrij forse breedte.
Mogelijk ook Hooiaak
genoemd.
~rietsnijden:
het oogsten van
riet en vaak ook andere langs het water groeiende gewassen.
~rietsnijder: 1> soortnaam van diverse vaartuigen,
die gebruikt worden om, in water en langs de oever groeiend, riet (of
andere gewassen) af
te snijden. [A>+tekst]
Zie ook maaiboot. 2> persoon, die riet snijdt.
~rif,
rift,
reef:
deel van
het zeil, dat
samengebonden kan worden, om
het zeiloppervlak te verkleinen. Vergelijk: bindrif.
~rifband, reefband: 1>
ter versterking, op het zeil
genaaide strook zeildoek,
waarin de zeilkousen
voor de reeflijn of
de rifseizings
aangebracht zijn. 2> (in de watersport)
soms: banden, die
aan het zeil genaaid zijn, waarmee men de rif
kan
samenbinden.
een blok bestaande uit
een schijf met
daarboven één of
meer rollen. Rustend op
deze rollen kan het
blok langs een gespannen draad, de rijdraad,
heen en weer getrokken worden, terwijl
de lastdraad over de
schijf ligt. [A>] Ondermeer toegepast bij zelflossers.
~rijbrug:
willekeurige
constructie,
waarmee een voertuig aan boord
gereden kan
worden.
~rijdek: 1> zie wagendek. 2>
constructie over of tussen, vaartuigen waarover
voertuigen kunnen rijden. Onderandere toegepast bij vlot- en schipbruggen.
~rijdraad:
staaldraad tussen de nok van de laadboom en een punt op de wal, waarover het rijblok
heen en weer loopt. Voornamelijk van toepassing bij zelflossers.
~rijksbeurs:
door het rijk erkende en gecontroleerde schippersbeurs.
~rijksblusvaartuig:
door de landelijke, i.p.v. door de plaatselijke, overheid in de vaart gehouden blusvaartuig.
[A>]
~rijksrederij:
De Rijksrederij beheert en onderhoudt de specialistische schepen die beschikbaar worden gesteld aan de Douane, de Kustwacht, het ministerie van LNV en Rijkswaterstaat. De vloot bestaat uit ongeveer 135 schepen voor gebruik op de Noordzee of op binnenwateren.
De Rijksrederij is een zelfstandig opererend onderdeel binnen de directie Maritieme Diensten van dienst Noordzee van Rijkswaterstaat. De officiële oprichting van de Rijksrederij vond plaats op 18 mei 2009.
Bron: Rijkswaterstaat.
~rijksverzegeling:
door de overheid goedgekeurde vorm van verzegeling
van de luikenkap.
~Rijkswater:
water in beheer
bij
het Rijk.
~Rijkswaterstaat:
overheidsdienst belast met het toezicht op Rijkswater en de bediening
van de daarin gelegen kunstwerken.
1a> mogelijke verzamelnaam voor alle grote aakachtige houten schepen die de Rijn bevoeren. 1b> mogelijk een inmiddels verdwenen scheepstype behorend, tot de Hollandse aken. Het moet een vrij fors, houten, niet al te diep stekend, vrachtschip geweest zijn. Het is me echter nog niet bekend welk scheepstype nu de ECHTE Rijnaak is.
Konijnenberg heeft het over een kromme rijnaak en beeldt daarbij een open, overnaads gebouwd, scheepje af dat zowel aan voor als achterzijde een rechte naar buitenvallende steven heeft. Het vaartuig heeft dus niet de kenmerken van een groot rivierschip, noch de kenmerken van een aak.
Op enkele landsschapsschilderingen van de Duitse Rijn zijn ook dergelijke vaartuigen te zien, daar ze geheel open zijn, lijkt het niet waarschijnlijk dat deze schepen geregeld op Nederland voeren, dus alhier erg bekend waren. Deze schepen worden ook vaak met licht gekromde stevenbalken getekend.
Verder kan men diverse afbeeldingen vinden waarop Dorstense aken als Rijnaak betiteld worden.
Tenslotte zijn er dan nog de Keulse (Rijn)aak en de diverse types Hollandse aken.
Uit het voorgaande zou kunnen blijken dat het bij 1a genoemde juist zou kunnen zijn. In het Rheinmuseum in Emmerich bevindt zich echter een scheepsmodel dat als Rijnaak getypeerd wordt. Alhoewel het model niet in verhouding is en het echte voorkomen moeilijk te bepalen is, heeft het model een aantal eigenschappen die het uniek, dus tot een apart scheepstype, maken.
Het model werd door een schipper gebouwd naar een bestaand voorbeeld dat eigendom was van een Nederlandse schipper uit Bergambacht. Het schip heeft de kenmerken van een Dorstense aak MAAR ......
Het schip is gladboordig en heeft een dikke en brede gang, welke als berghout kan fungeren. Het schip is voorzien van tamelijk fors opboeisel over de gehele lengte. Het schip heeft een vrij smalle heve, zo smal dat het schip ook echte boegen heeft. Ondanks het feit dat het schip een heve heeft, heeft het ook een echte voorsteven: het is op steven gebouwd. Verder lijkt het vlak me smaller, dus de kimmen ronder dan die van de Dorstense aken. Het is getuigd als anderhalf-master. Het schip is voorzien van een paviljoen, maar het heeft tevens een roef. Zou dit dan de echte Rijnaak zijn?
vrachtschip
met de maximale afmetingen, die voor het Rheinhernekanaal gelden.
Lengte 80 meter (tegenwoordig 85 m), breedte 9,5 m, diepte ca. 2,5m, kruiphoogte liefst
minder dan 4,4m en een laadvermogen
van ca. 1350 ton (tegenwoordig 1600 ton). Vroeger meestal van een type zoals de Kast.
~Rijnkast: 1> groot sleepschip,
dat in de Rijnvaart
gebruikt wordt. 2> Rijnherneschip. 3>
willekeurige Kast, van
enigzins aanzienlijke afmetingen, die
voor de rijnvaart gebruikt
wordt.
~Rijnketelschip:
voorloper van de hedendaagse tanker. Een ketelschip bestemd voor de rijnvaart.
~Rijnkilometer:
een beetje ongelukkig gekozen term voor de waarde vermeld op een kilometerraaibord langs de Rijn.
Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw ontwikkelden zich voor de vaart op de rivivieren een aantal 'prototypes' van de later bekende scheepstypes. Deze 'prototypes' hebben wel bepaalde kenmerken van de latere types, maar wijken op bepaalde punten, ook onderling, te sterk af. Ze worden over het algemeen aangeduid met de term 'Rijnschepen'. Minder gebruikelijke termen zijn stevenschip en klipperkraak.
Of men in dit licht bezien bijv. de Waspikse klipper als scheepstype moet aanmerken, of dat dit ook onder de noemer 'Rijnschip' gebracht moet worden is niet echt duidelijk.
4>
een houten stevenaak 5> door sommigen vermoedelijk gebruikt voor elk groot stalen sleepschip.
~Rijnschipper:
een schipper,
die voornamelijk de Rijn, Waal, enz. bevaart.
Het eerste ijzeren Rijnsleepschip werd in 1841 gebouwd, deze was ongeveer 250 ton groot. Voor die tijd fors maar niet echt groot. Al spoedig zou hierin verandering komen en kwam men op tonnages van 1000 ton en meer. In 1926 werd het grootste Rijnsleepschip, de 'Grotius', afmetingen 130,6 x 14,3 x 3,13m en 4321 ton groot, gebouwd.
Niet voldoende bekend; tot nu toe twee vermeldingen gevonden.
1 Rijnbode van 13 maart 1892. Zie werflijst.
2 Museum der Deutschen Binnenschifffahrt, Duisburg-Ruhrort. Zie afbeelding (model niet in de juiste verhoudingen. Gemaakt naar 18de eeuws voorbeeld.).
~Rijntol:
plaats langs de Rijn waar tol geheven werd. In 1794 waren er tussen Speyer in Duitsland en Rotterdam 53 Rijntollen. In sommige plaatsen moest men voor meerdere tollen tegelijk betalen en soms bovendien ook nog een vergunning kopen.
Genoemd worden de plaatsen: Germersheim, Mannheim, Gernsheim, Oppenheim, Mainz, Bingen, Bacharach, Kaub, St. Goar, Boppard, Oberlahnstein, Koblenz, Andernach, Leutesdorf, Linz, Bonn, Köln, Zons, Düsseldorf, Kaiserswerth, Uerdingen, Ruhrort, Orsoy, Wesel, Rees, Emmerich, Lobith, Schenkenschanz, Nijmegen,Tiel, Bommel, Gorinchem en Dordrecht. Bij het tot standkomen van de 'acte van Mannheim' in 1831 werden de toen bestaande Duitse tollen opgeheven, de Nederlandse tollen volgden pas na herziening van de acte in 1868.
~Rijn-Twente......:
abusievelijke omdraaiing van Twente Rijn......; zie aldaar.
~Rijnvaarder:
schip of schipper die regelmatig de Rijn bevaart.
~Rijnvaart:
de beroepsmatige vaart op de Rijn tot Bazel, Nederrijn, Lek en Waal, enz.
~Rijnvaarthoogte:
vrije onderdoorvaarthoogte
van de (meeste) vaste bruggen op de Rijn, IJssel, Waal, Maas en op de kanalen als het Amsterdam-Rijnkanaal. Deze is vastgesteld op minimaal 9,1m boven de hoogst bevaarbare waterstand.
~Rijnvaartpolitiereglement,
R.P.R.,
RPRReglement van Politie voor de Rijnvaart
:
reglement met vaarregels geldend op de Rijn, Nederrijn, Lek, Waal, enz.
[E>Wettekst]
Het eerste internationaal geldende reglement inzake de vaart op de Rijn stamt van 28 juni 1831. Het werd vele malen, onder andere in 1851, 1939 en 1983 herzien. De laatste versie dateert van 1995. Tussen 1939 tot na 1954 werd de regeling "Reglement van Politie voor de Rijnvaart". Hoeveel eerder en later deze naam ook gebruikt is, is mij nog onbekend.
~rijnvaartsteigers:
steigers in het Rotterdamse havengebied waar gewoonlijk de sleepschepen met bestemming Ruhrgebied ligplaats vonden.
~rijnvloot:
de totale verzameling van schepen,
die een
geregelde rijnvaart beoefenen.
~Rijnvlot:
groot houtvlot, dat
over de Rijn verplaatst wordt. Zie bij Hollander.
~Rijnvrachtschip:
groot vrachtschip
dat in hoofdzaak
voor de rijnvaart
bedoeld is. Door
leken vaak Rijnaak
genoemd.
~Rijn-zeeschip: 1>
een coaster waarmee
men de Rijn tot en met het Roergebied kan bevaren. 2>kruiplijncoaster.
~rijs: 1> jong dun takje,
meestal van een wilg. 2> bundel hiervan of
van rijshout. 3>
de mate waarin de waterstand
gestegen is of zal stijgen. Meestal uitsluitend gebruikt voor getijdewater. Door
sommige
verward
met rijzing. Zie ook: was.