banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.




Woordenlijst R



~ra, dwarshout, re:
1> los rondhout, waarvan het middelpunt beweeglijk met een mast verbonden is en waaraan een zeil bevestigd kan worden. Onderdeel van een dwarsscheepszeil. [U>]

2> los rondhout, dat nabij het uiteinde, aan een mast bevestigd is en waaraan een zeil bevestigd kan worden. Onderdeel van het loggerzeil.

3> dwarsscheeps, vast, horizontaal rondhout, dat met het midden, meestal boven in, aan een mast bevestigd is of een overeenkomstige constructie. Onder andere toegepast bij lichtmasten en dan ook spreistuk of zaling genoemd.




~raai:
1> bepaalde (haaks op de oever) uitgezette afstand.
2> kilometerraai.




~raaien :
1> meervoud van raai(1).
2> afraaien: het uitzetten van een bepaalde afstand.




~raaibord, kilometerraai:
boord waarop de afstand, in kilo- of hectometers, tot het begin van de vaarweg aangegeven is.
Zie ook myriameterpaal.




~raaipaal:
paal, die een raai markeert. Zie ook kilometerraai en myriameterpaal.




~raak, raaks:
zie bij rak(1).





~raambaken, raambaak:
baken bestaande uit een paal voorzien van een driehoekig 'bord', waarvan alleen de omtrek, door houten latten, aangegeven wordt. Vergelijk: rikbaak, kaap. [A>]





~raamblinde, blinde, blind:
stalen, vroeger soms ook houten schot, dat voor ramen en poorten (poortluik) gehangen (hangluik), geschoven (schuifblinde) [A>] of gerold (rolluik) kan worden.





~raamdreg:
nog niet voldoende bekend. Een stalen frame (ca. 70 x 100cm) dat men gebruikt om lijken uit het water te lichten.




~raamkast:
constructie in de roefwand, waardoor het raamkozijn een centimeter of vijf achter deze wand komt te liggen. [A>]





~raamnet:
1> kor: visnet dat door een raamwerk opengehouden wordt.
2>
visnet, dat men voor uitwateringssluizen plaatst.





~raamrubber:
geprofileerde rubberstrip waarin het glas van een raam gevat is.





~raamspant:
1> spant (bij stalen schepen), dat langs de gehele dwarsscheepse omtrek, dus ook onder het dek, doorloopt.
2> foutief synoniem voor keerspant.
3> foutief synoniem voor webspant.




~raapolie:
olie afkomstig van de zaden van raapzaad. Deze olie, danwel patent- of slaolie, werd voor de petroleumlantaarns aan boord van tankers, waar geen gewone petroleum gebruikt mocht worden. aangewend.




~raband:
1> touw of band, waarmee het bovenlijk aan de ra gebonden is.
2> onjuiste benaming, verspreking of verschrijving van rakband.
3> volgens vanDale: zoiets als de hijs(4).





~rabat:
halfronde groef.





~rabatijzer:
1> soort breeuwijzer met een brede snede, waarin twee groeven, rabatten aangebracht zijn. [A> E]
2> volgens vanDale: klein breeuwijzer, soort spijker dus.





~rabatnaad:
de naad tussen een land.




~rabatten:
1>
los geraakt werk, terug in de naden slaan.
2> hout overnaads aanbrengen.
3> een schuine kant aan een plank maken.




~rabot:
Frans voor keersluis.




~Racon:
Gilde van Nautisch Verkeersdienst Medewerkers. In 1975 opgericht als vakbond voor, voornamelijk, radarwaarnemers. In 1990 omgezet naar een gilde. [E>]






~rad:
1> stuurrad.
2> overhaal, die door middel van een windas met een groot rad voortbewogen wordt. (volksbenaming?)





~radar:
1> radarinstallatie, radarapparaat, radartoestel, rivierradar:
afkorting van Radio Detection And Ranging.
Navigatie instrument dat radiogolven uitzendt en de terugkaatsing daarvan registreerd, waardoor de positie en afstand van objecten die de weerkaatsing, de echo, veroorzaakt hebben, op het radarscherm waargenomen kan worden.
OP HET RADAR VAREN
: hiermee bedoelt men, dat men voor het navigeren van het radarbeeld afhankelijk is.

2> verkorting van diverse tot de radarinstallatie behorende zaken, zoals het radarscherm, radarmonitor, de radarkast, de radarantenne en het radarsignaal.





~radarantenne, radarscanner:
het buiten opgestelde ronddraaiende deel van het  radar. [A> nr.12]




~radarapparaat:
zelden gebruikte term voor radar(1).




~radarbeeld:
het beeld dat door het radarscherm getoond wordt. [A> film]





~radardekking:
het gebied dat door het radarsysteem bestreken wordt.




~radarecho, echo:
1> de door een object teruggekaatste radargolven.

2> (eigenlijk radarechobeeldpunt) beeldpunt op het radarscherm dat door de weerkaatsing, van de radargolf tegen een voorwerp, veroorzaakt wordt.





~radargolf:
zie radarsignaal.





~radarinstallatie:
zie radar.





~radarkast:
behuizing, waarin de electronica en vaak ook het radarscherm aangebracht zijn.





~radarmast:
vaste of neerklapbare constructie waarop de radarantenne bevestigd is. [A> nr.10]





~radarmonitor:
tegenwoordig steeds vaker gebruikte term voor wat men een radarscherm noemde.
Deze term is waarschijnlijk niet alleen in zwang gekomen omdat de huidige schermen qua constructie overeenkomen met die van de monitor, maar ook omdat er tegenwoordig diverse andere gegevens op het scherm geprojecteerd zijn.






~radarpatent:
diploma, dat men dient te bezitten, wanneer men met een vaartuig op het radar wenst te varen.




~radarreflector:
metalen constructie, die tot doel heeft het door het radar, van een ander schip, uitgezonden signaal te weerkaatsen. [A>]




~radarscanner: radarantenne.





~radarscherm:
scherm, beeldbuis, waarop de echo's van het radar zichtbaar gemaakt worden.
Zie ook radarmonitor.




~radarschip:
een schip dat op de radar vaart.





~radarsignaal, radargolf, radar:
het door het radar uitgezonden signaal.





~radartoestel:
zelden gebruikte term voor radar(1).




~radarvaart:
de scheepvaart, die, op dat moment voornamelijk met behulp van het radar navigeert.




~radarvaren:
uitsluitend met het gebruik van het radarscherm navigeren.





~radboot:
verkorting van radersleepboot.





~raderboot, wielenschip:
1> eigenlijk raderschip (zie tekst).
Vaartuig, dat door een ronddraaiend scheprad aangedreven wordt. Te onderscheiden in een stoomraderboot en een motorraderboot. Verwante termen: hekwieler, zijwieler.

2> Zie stoombeurtschip(3).




~raderbeurtschip:
raderboot, die een beurtdienst onderhoudt.
Zie ook: stoombeurtschip.




~raderkast:
omkisting, rond het scheprad van een raderboot.




~raderpassagiersschip:
passagiersschip, dat door een scheprad voortgestuwd wordt.




~raderpont:
pont, die door middel van schepraderen voortgestuwd wordt.
Te onderscheiden in een stoomraderpont en een motorraderpont.




~radersalonboot:
eigenlijk radersalonschip (Uitleg).
Raderboot, als passagiersschip, met een OP het dek geplaatste opbouw voor passagiers. [A>]




~raderschip:
weinig gebruikte, maar meestal enig correcte term voor raderboot.





~radersleepboot, radboot:
raderboot, ingericht om andere vaartuigen te slepen. [A> film]
Zie verder bij stoomradersleepboot.
De term boot is hier feitelijk niet op zijn plaats, omdat het zich in de meeste gevallen om een schip handelt (uitleg).





~raderstoomboot: zie stoomraderboot.




~raderveerboot:
De term boot is hier niet op zijn plaats, omdat het zich in de maaste gevallen om een schip handelt (uitleg).
vaartuig, dat een verbinding tussen twee, ter weerszijde van een water gelegen plaatsen onderhoudt, en dat met een schepraderen aangedreven wordt.




~radiobaken, peilbaken:
op de wal geplaatste zender, die een bepaalde code uitzendt. Met een speciale ontvanger en een peilantenne kan men deze signalen gebruiken om de richting waarin het baken staat te bepalen. Wanneer men twee of meer zenders kan ontvangen, kan men de positie van het schip bepalen.
In de binnenvaart weinig gebruikt. Alleen bij het ijsselmeer, de waddenzee en de zeeuwse stromen waren radiobakens aanwezig.






~Radio Medische Dienst, R.M.D.:
door het Rode Kruis in het leven geroepen organisatie, die per draadloze verbinding, medische adviezen aan varenden geeft. De organisatie was in de eerste plaats bedoeld voor zeevarenden. Toen de binnenvaart de beschikking kreeg over marifoon konden ook deze van deze dienst gebruik maken. De dienst was eerst ondergebracht bij Scheveningen Radio, maar sinds deze opgeheven is, lopen oproepen aan de Radio Medische Dienst via de reddingmaatschappij.




~radiopeiler: radiopeilontvanger.




~radiopeiling:
met een radiopeilontvanger de richting van een radiobaken bepalen.




~radiopeilontvanger, peilontvanger, radiopeiler, radiorichtingzoeker: combinatie van een ontvanger voor radiobakens en een peilantenne.




~radiorichtingzoeker: radiopeilontvanger.




~radkrans:
1> buitenrand van een tandwiel of kamrad.
2> ring met tanden of kammen.




~rafeling:
onrustige bewing in het water ten gevolge van een obstakel, ondiepte onder water.




~raffel:
ondiepte tussen twee kribben.




~railingijzer:
zie relingijzer.




~railingscepter:
zie relingscepter.





~rak :
1> raak, raaks: recht stuk vaarwater.
2> traject tussen twee, door een denkbeeldige lijn verbonden, punten, dat zeilend afgelegd moet worden.
3> onjuiste term voor  paternoster.
4> minder juiste term voor rakje
5> verkorting van rakband.





~rakband:
1> eind touw, vaak voorzien van klootjes en halve-maantjes en dan eigenlijk kraalband geheten, waarmee het voorlijk van een grootzeil aan een mast bevestigd wordt. [A>] Vroeger mogelijk ook leren riem.
2> voor de komst van metalen leuvers: touw, waarmee het voorlijk van fok of kluiver rond een stag bevestigd wordt. Mogelijk ook zuiger genoemd.
3> gaffelrak.




~rakbandijzer:
Z-vormig gebogen stang, die op enige hoogte boven de giek, beweeglijk tegen de voorkant van de mast bevestigd is. Het ijzer moet voorkomen, dat de rakbanden, bij het strijken van het zeil, te ver zakken, waardoor deze bij het strijken van de mast, tussen deze en de giek klem zouden kunnen raken. Vrij weinig en dan vaak alleen op skûtsjes aan te treffen. (term mogelijk niet juist)




~rakje:
lijntje, van het ene uiteinde van de klauw aan de gaffel, om de mast, door een oog aan het andere uiteinde van de klauw, naar beneden lopend, waarmee men de klauw tegen de mast kan trekken. Schijnt bijna uitsluitend op Boeiers toegepast te zijn.




~ram:
foutieve, verbasterde benaming voor een kettingboot (toueur).
De name is afkomstig van 'Rame' het Franse woord voor de sleep van de kettingboot.





~rammelblok:
1> blok, waardoor de laadreep loopt en dat dichtbij de lummel van een laadboom geplaatst is. [A>]

2> mogelijk elk blok waardoor de laadreep loopt.

3> mogelijk een wip- of graanwiel.





~rammelwiel:
zie bij wipwiel.





~rampenbestrijdingsvaartuig, incidentenbestrijdingsvaartuig:
vaartuig dat (ook) bij grote ongevallen ingezet kan worden. Vaak een blusvaartuig met de nodige  extra's op het gebied van communicatie, oliebestrijding, etc.





~randgaarde, randgarde:
1> op een smal gangboord gelijkende, tevens als potdeksel dienende, constructie bij de Somp.

2> de bovenste gang op sommige houten schepen; het bovenboord.
De term is vermoedelijk alleen in de Overijsselse gebieden in gebruik. Bij de Giethoornse bok noemt men het voorste, afzonderlijk in model gebrachte, deel der randgaarde het boegstuk.






~randmeer:
breed water tussen het oude land en Oostelijk en Zuidelijk Flevoland.




~rank:
1> een grote lengte in verhouding tot de breedte hebbend.
2> gemakkelijk overhellend.
rank worden:
 minder stabiel worden.




~ransel:
door sommigen gebruikte term voor de aap, maar vermoedelijk een ander zeil.




~raschip:
een dwarsgetuigd schip.




~ratellier:
1> sjorlier.
2> pomplier.




~ratopzeil:
een razeil, dat boven een ander zeil gevoerd wordt.





~rattendeksel:
metalen plaat, waarmee een opening afgedekt kan worden. Vooral gebruikt rond anker- en stuurkettingen, waar deze het schip in gaan. Vergelijk: rattenschild.




~rattengang:
ruimte tussen de waterlijst en mastkoker.




~rattenschild:
ronde metalen plaat met daarin een gleuf, die over de trossen geschoven wordt, om het aan boord klimmen van ratten te bemoeilijken. Voornamelijk door zeeschepen gebruikt.




~rattestaart:
1> weinig voorkomende benaming voor een sierlijke Jugendstilachtige krul op de klik of in lofwerk.
2> hondepunt.




~raveling: klamaai.




~razeil:
1> eigenlijk: een willekeurig zeil, dat aan een ra opgehangen is.
2> meestal: een dwarsscheepszeil, dat zowel aan de boven-, als ook aan de onderzijde, door een ra uitgehouden wordt.




~Razeilboeier:
@niet voldoende bekend. Mogelijk type Boeier met een ratopzeil, mogelijk ook de verzamelnaam voor alle dwarsscheepsgetuigde boeiers.




~Razeiler:
mij nog onbekend. Rond eind middeleeuwen, mogelijk de verzamelnaam voor diverse dwarsscheepsgetuigde scheepstypes.




~RBVB: rubberboot met vaste bodem.




~recherchevaartuig:
waarschijnlijk een oude term voor wat tegenwoordig een vaartuig van de Koninklijke marchausee is. Ze kunnen zowel met politie- als douanetaken belast worden.




~rechthout:
normaal gegroeid hout, geschikt om rechte delen (planken, masten, e.d.) van te maken. Vergelijk: kromhout(3).




~rechts:
RECHTER OEVER
: bij stromende vaarwateren: stroomafwaarts gezien de oever aan de rechter kant.

EEN RECHTSE of RECHTSDRAAIENDE SCHROEF
: een schroef waarvan het bovenste schroefblad, wanneer men van achteraf tegen het schip kijkt, naar rechts, met de klok mee, moet draaien, om het schip vooruit te doen bewegen.




~rechtsgeslagen:
van touw: touw, dat dusdanig geslagen is dat de tieren van rechtsboven naar linksonder lopen.




~recreatiebebakening: jachtbebakening.




~recreatiebetonning: jachtbebakening.




~recreatievaartuig: pleziervaartuig.




~redder:
persoon, die reddingen verricht.
REDDER AAN DE WAL
: donateur van de reddingmaatschappij.





~reddingbal:
rond voorwerp met een drijfvermogen van minstens 7,5 kg, waarom heen een grijpnet, bevestigd is.





~reddingbank:
(op passagiersschepen) houten zitbank, die als reddingsmiddel kan dienen.





~reddingboei, reddingsboei:
ronde ring, met een flink drijfvermogen, waarmee drenkelingen zich drijvende kunnen houden.





~reddingboeilicht, reddingsboeilicht:
door een lijn met een reddingboei verbonden drijvend voorwerp, dat bij contact met het water een lichtsignaal uitzendt.
Het gebruik van reddingboeilichten is niet algemeen, maar de laatste decennia neemt het gebruik wel toe.






~reddingboot, reddingsboot:
1> scheepsreddingboot: vaartuig, behorende bij een schip, dat bestemd is om mensen, die op het water in nood verkeren, te redden.
2>  zelfstandig opererend vaartuig, dat bestemd is om mensen, die op het water in nood verkeren, te redden.




~reddinggordel, scafhander:
meestal uit kurken samengestelde band, die rond het lichaam gedragen wordt. In de binnenvaart bijna uitsluitend door de reddingmaatschappij gebruikt geweest.




~reddingkleed, reddingskleed, stopkleed, lekzeil, aanvaringszeil, aanvaringskleed, veiligheidszeil:
zwaar stuk zeildoek, op de hoeken voorzien van zware ogen of lussen, dat onder het schip getrokken kan worden, om een groot gat in de romp tijdelijk te dichten.




~reddingloon, reddingsloon:
vergoeding, die men kan verlangen voor het aan boord(3) nemen van personen, die, op het water, in nood verkeerden. Zie ook: hulploon.




~reddingmaatschappij:
stichting, die zich tot doel gesteld heeft, personen, die in zeenood verkeren, te helpen, zonder daarvoor een geldelijke vergoeding te verlangen. In 1824 werden er, op particulier initiatief, in Nederland twee reddingmaatschappijen opgericht. De Noord en Zuid-Hollandse Reddingmaatschappij, met het werkgebied ten Noorden van Hoek van Holland, en de Zuid-Hollandse Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen, die het gebied van Hoek van Holland tot de Belgische grens voor haar rekening nam. Beide maatschappijen worden door vrijwillige bijdragen in stand gehouden. In 1991 zijn de maatschappijen gefuseerd en ging men verder onder de naam Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij. Thans omvat de vloot ca. 60 vaartuigen en zijn er zo'n 700 vrijwilligers bij het reddingwerk betrokken. De vaartuigen zijn verdeeld over ca. 36 stations, waarvan ongeveeer de helft, ook bij het reddingswerk op binnenwater betrokken kan zijn.




~reddings.........: zie redding.........




~reddingsmiddellen:
alle middellen, die tot doel hebben de overlevingskansen van personen (en dieren), die in zeenood verkeren, te vergroten of voorwerpen die bij het redden van deze personen gebruikt worden.
Naar het schijnt mogen reddingmiddelen welke volgens voorschriften aan boord dienen te zijn, nooit voor enig ander doel gebruikt worden.





~reddingssloep:
1> reddingboot aan boord van zeeschepen (Oorspronkelijk waren dit sloepen)
2> mogelijk zuid-Nederlands voor wat men over het algemeen een bijboot noemt.




~reddingvest, reddingsvest, scafhander:
met zeer licht materiaal gevuld vest, dat een persoon, die te water raakt, met het hoofd boven water houdt. Vergelijk: zwemvest.




~reddingvlet: reddingboot van het type Vlet.




~reddingvlot, reddingsvlot:
1> min of meer rechthoekig drijflichaam van redelijke omvang, dat in noodgevallen over boord gezet wordt.
2>
OPBLAASBAAR REDDINGVLOT
: door opblaasbare 'rubberen' buizen gevormde, 8-hoekige ring met een bodem van dun materiaal. Aan dek opgeslagen in een reddingvlotcontainer.





~reddingvlotcontainer, reddingsvlotcontainer:
container, meestal van gewapend polyester, waarin een automatisch opblazend reddingvlot geborgen is. [A>+tekst]




~reder:
persoon, die één of meerdere schepen exploiteerd.
De term is waarschijnlijk afkomstig van het werkwoord "reden, reedde, gereed", het welk "klaar maken" betekent. Een reder is dan dus iemand die schepen klaarmaakt voor de vaart.






~rederij:
 bedrijf, dat één of meerdere schepen exploiteerd.
Het is, vooral tegenwoordig, niet ongebruikelijk een bedrijf op te richten dat slechts é´n schip in de vaart heeft. De meeste rederijen bezitten in de regel echter meerdere schepen. Sommige grote rederijen bezatten vroeger tientallen, soms wel tegen de honderd, schepen van allerlei slag en grootte. Verder werden er door de rederijen, als dat zo uitkwam, schepen ingehuurd. Deze huurvloot was, ook al werd dat onwenselijk geacht, in sommige gevallen zelfs groter dan de eigen vloot. De huurschepen waren niet zelden van andere rederijen en werden soms door middel van een meerjarig contract gebonden.

Gerelateerde term: expediteur.





~rederijschip:
1> kantoorschip: vaartuig, dat in het bezit van een rederij is.
2> soms: een vaartuig, dat voor langere tijd door een bedrijf of  rederij ingehuurd is.




~rederijsleepboot, firmaboot:
sleepboot in eigendom van een rederij.
De term firmaboot schijnt in de Rijnvaart gebruikelijk geweest te zijn.




~rederijvaart:
de scheepvaart met rederijschepen.




~rederijvlag:
vlag of wimpel, die aangeeft voor welke rederij men vaart. Zie ook vaarvlag. [E> ver. 'De Binnenvaart'.]




~redmij:
woordspeling: 'red mij' en 'reddingmaatschappij'.




~reductiekeerkoppeling:
keerkoppeling met in-, soms aan-, gebouwde vertraging. Zie ook korthalskeerkoppeling en langhalskeerkoppeling.




~reductievlak, kaartreductievlak:
aangenomen waterstand van getijdewater op waterkaarten, meestal laaglaagwaterspring.




~ree:
term, die in de binnenvaart waarschijnlijk niet gebruikt werd. Volgens sommige bronnen (o.a. Witsen) in de zeevaart wel. De term is voornamelijk onder de zeilende watersporters in gebruik, waar het ene deel het commando roept voordat men overstag gaat, terwijl de andere helft het roept op het moment van overstag gaan.
De term is (o.a. volgens Duden) de gebiedende wijs van het werkwoord REDEN (reedde, gereed) en wil dan dus zeggen dat men zich voor het overstag gaan gereed moet maken. Ook de termen REDER, iemand die schepen gereed maakt voor de vaart en REDE, een plaats waar schepen liggen om in of uit te varen, lijken van REDEN afgeleid te zijn. Andere bronnen leggen echter een verband met het woord ra, in welk geval REE een verkorting is van 'over ree gaan': de ra's omhalen.


REE GAAN
: overstag gaan.




~reef: rif.




~reef....: zie ook bij rif.......




~reefijzer, rifijzer:
stalen stang met vorkvormig uiteinde, waarin de giek tijdens het reven kan rusten. Het reefijzer werd o.a. op de Heegeraak gebruikt.





~reefgat, rifgat:
gat in het zeil, dat terplaatse meestal voorzien is van een lap, voor een reeflijn of rifseizing. Het gat is bovendien versterkt met een reefkous of trens.





~reefknuttel, (rifknuttel): rifseizing.




~reefkous, rifkous:
zeilkous ten behoeve van een reeflijn of rifseizing.




~reeflijn, riflijn:
wisselend, om het onderlijk en door alle reefkousen geregen lijn, waarmee men het zeil kan reven.





~reep:
1> eind: willekeurig een eind touw of ketting. De term wordt hoofdzakelijk gebruikt in samenstellingen zoals: valreep, talreep, taliereep (= loper ) en smeerreep.
2> het touw waaraan de vleet hangt.
3> een aantal met elkaar verbonden visnetten.
4> standaard.





~reepblok:
zie laadblok.





~reepnet: zegen.





~reepschieter:
@niet voldoende bekend of dit persoon in de binnenvaart voorkomt.





~reepsnelheid:
de (gemiddelde) snelheid waarmee een reep onder bepaalde belasting ingehaald of uitgevierd kan worden. Deze waarde heeft meestal betrekking op de reep van motorisch aangedreven lieren.





~reeptrek:
de kracht die met een reep uitgeoefend kan worden. Deze waarde heeft meestal betrekking op de reep van motorisch aangedreven lieren.





~regengoot: waterhol.




~regenkap:
ongebruikelijk woord voor schuilhok.





~regenklep:
1> scharnierend klepje op de opening van vertikaal geplaatste motoruitlaten. [A> Aanverwante afbeeldingen]
2> stormklep.




~regenstreep:
verkleuring of verontreiniging van de verf, op plaatsen waar langdurig water langs vloeit.




~reggen:
een mast strijken.





~Regge Somp:
zie bij Somp.





~regieschip:
niet voldoende bekend. Vermoedelijk een schip waarvan de schipper een contract met een bevrachter heeft.





~Register Holland:
classificatiebureau voor de hedendaagse chartervaart en opvolger van het bureau zeilwezen.
Register Holland is onderandere verantwoordelijk voor de afgifte van het mast- en tuigcertificaat.






~reglementen en wetten:
[E> lees verder]





~regulateur:
1> veelgebruikte, maar eigenlijk foutieve benaming, voor een toerentalverstelinrichting.
2> onderdeel van een motor of stoommachine, dat het ingestelde toerental moet handhaven.




~reil: tuigage.




~reilen:
zie optuigen. [U>]



~reiniger:
zie bij gaskoeler, gasreiniger en cycloon.




~Reintjes:
Eisenwerke Reintjes Gmbh. Hamelen, Duitsland. Zeer bekende fabrikant van keerkoppelingen.




~reinwaterpomp:
In onbruikgeraakte term voor koelwatercirculatiepomp. De term reinwaterpomp was in de tijd dat men hiervoor zuiger-, membraam en plunjerpompen gebruikte populair. Koelwatercirculatiepomp daarentegen in de tijd van de centrifigaal- en vloeistofringpompen.




~reis, reisje:
een lading te vervoeren hebben, in:
AAN DE REIS ZIJN, EEN REISJE HEBBEN
, enz.

EEN REISJE IN BALLAST DOEN
: een reisje met een slecht betalende lading maken.

Gerelateerde term: datumreis.




~reisbevrachter, tijdbevrachter:
zie bij bevrachter.





~reisbevrachting, tijdbevrachting:
term die onderandere in het burgelijk wetboek, boek 8, gebruikt wordt en die als volgt omschreven wordt: "Tijd- of reisbevrachting in de zin van deze afdeling is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de vervoerder zich verbindt tot vervoer aan boord van een schip, dat hij daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting, geheel of gedeeltelijk en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of reisbevrachting) ter beschikking stelt van de afzender". Hetgeen min of meer wil zeggen, de normale manier van vervoer. De schipper/eigenaar gaat een overeenkomst aan de goederen van A naar B te vervoeren. Bij rompbevrachting staat het gehele schip, al dan niet inclusief de bemanning, voor een bepaalde termijn ter beschikking van de bevrachter.





~reizenpremie, streckengeld:
toeslag die men ontvangt, wanneer men in daghuur varende, een reis voor een bepaalde datum volbracht dient te hebben.





~reit, riet, rijd, rijt:
door uitslijting van de bodem ontstaan water, een geul.
In deze betekenis in Friesland en Groningen in gebruik. Vroeger vaak geschreven als RIJT, maar ook (fonetisch) als RIET. In oudere vorm als RIJD terug te vinden in enkele aardrijkskundige benamingen. In Vlaanderen wordt met het woord RIJT een sloot of waterloop bedoelt, terwijl men in Noordfries daar weer RIET voor gebruikt. De vorm REIT vind men onder andere terug in Reitdiep.






~rekker:
kunststof tros, meestal nylon, die in de sleepverbinding opgenomen is, om de rukken te dempen. Hiervoor gebruikte men ook weleens een zwaar stuk ketting. Sinds het gebruik van geheel kunststoffen trossen en de sleephaak met ingebouwde veer, worden rekkers nog zelden gebruikt, maar ook voor die tijd waren ze niet algemeen.




~rekking:
onbekende term voor een soort bindsel, waarmee men twee touwen tegen elkaar trekt.




~relatievaart:
het vervoeren, onder contract, van meerdere ladingen voor één verlader. Soms ook 'in charter varen' of beurtvaart genoemd.




~reling:
1> constructie, die personen houvast of steun biedt. Men kent o.a. de buisreling, de draadreling, de grijpreling, de voetreling, het hekwerk en de plankreling.
2> door een enkele gebezigde term voor wat het relingijzer of de potdeksel genoemd wordt.





~relingdraad:
dunne staaldraad of een lijn, die in combinatie met scepters een draadreling vormt.
Relingdraden waren vroeger meestal van gegalviniseerd staaldraad 4 tot 6mm dik. Sinds de jaren 80 wordt er voornamelijk, al dan niet geplastificeerd roestvrijstaaldraad toegepast. Vooral op pleziervaartuigen gebruikt men railingdraad dat bestaat uit een kern van bijv. polyester kunststofvezels met een mantel van polyethyleen.






~relingijzer, railingijzer:
1> reling: bovenrand van de romp, de potdeksel, bij schepen, die niet in hout gebouwd zijn.
2> door sommigen gebruikte term voor een stalen schanddeksel.
3> speciaal L- vormig profielijzer, dat voor het relingijzer(1) gebruikt wordt. De stok vormt het horizontale deel en heeft een kraal. Het vertikale deel is aan de buitenzijde vaak iets bol.





~relingscepter, railingscepter:
een scepter die de reling rond het schip of op een opbouw ondersteund. Meestal kortweg: scepter genoemd.





~rem:
1> lekenterm voor vang.
2> verkorting van remtrommel.





~remband, vang:
stalen band, die rond de remschijf ligt. Onderdeel van de vang.




~remming, remmingwerk:
zware, lange, in het water geplaatste, constructie voor sluizen, bruggen e.d., waaraan schepen ligplaats kunnen nemen. [A>] Vergelijk: geleidewerk. Verwante termen: meerpaal, gording.




~remmingpaal:
stevige vertikale paal van de remming, vaak tevens bedoeld als meerpaal.




~remmingwerk: remming.




~remschijf:
van smalle opstaande randen voorziene, dikke metalen schijf, waar omheen een remband gemonteerd is. Onderdeel van een vang.





~remtrommel, adhesietrommel, keerrol, rem:
onderdeel strangenlier. Trommel waarom de strang een aantal slagen maakt, voordat de strang op de strangentrommel gewikkeld wordt. De adhesietrommel heeft tot doel, de krachten die op de strang staan op te vangen, opdat de hoofdas van de lier niet te zwaar belast zal worden. Bij compact gebouwde strangenlieren fungeert deze trommel tevens als keerrol. De adhesietrommel vervangt de strangenklem.





~reparatiedok, scheepsreparatiedok:
1> eigenlijk een gegraven dok voor zeeschepen.
2> soms gebruikte term voor een drijvend dok of schepenlift van een werf.




~reparatiehaven, scheepsreparatiehaven:
haven van een bedrijf, dat reparaties aan schepen verricht.




~reparatiehelling, scheepsreparatiehelling, reparatiewerf:
(scheeps)helling waarmee schepen, voor reparatie, uit het water gehaald kunnen worden.




~reparatienummer:
een laag  beursnummer, dat men verkregen heeft doordat men, van wege reparaties (hellingen), een tijd niet heeft kunnen varen. Zie ook vakantienummer.




~reparatiewerf, scheepsreparatiewerf:
scheepswerf, waar men alleen schepen repareert en geen nieuwe schepen bouwt.




~reserveploeg:
een complete bemanning, die ter aflossing van de bestaande bemanning, aan boord komt.
Reserveploegen kwamen natuurlijk alleen voor bij rederijschepen. Zij kwamen aan boord, wanneer de toegelaten of overeengekomen maximale werktijden van de vaste bemanning, meestal door onvoorziene omstandigheden, overschreden werden. Bij het varen in ploegendienst spreekt men over 'wisselbemanning'.






~restgas:
van de lading afkomstig gas, dat in een ladingtank achterblijft.




~retourgas:
gas, dat tijdens het laden van een tankschip uit de ladingtanks ontwijkt.




~retourlading: retourvracht.




~retourvracht, retourlading:
lading, die men op de terugreis, zal gaan vervoeren.




~reum:
Urks(?) voor visbun.




~reven:
het zeiloppervlak verkleinen door een gedeelte van het zeil op te rollen of samen te vouwen, en vast te binden. Ook zeil minderen of een rif steken.
DICHT GEREEFD, GAAR GEREEFD
: met alle zeilen volledig gereefd.





~rib, ribbe:
in bepaalde zinsverbanden synoniem voor spant.

DE RIBBEN KUNNEN TELLEN
: wil zeggen dat de scheepshuid, tussen de spanten dusdanig ingedrukt is, dat de afdrukken van de spanten duidelijk te zien zijn. [A>nr.11]




~ribbe:
1> zie legakker

2> zie bij rib.





~richten:
recht overeind zetten.




~richter:
in sommige streken gebruikt woord voor een loopplank waarlangs het schip geladen of gelost wordt.




~richtbaak: richtbaken.




~richtbaken, richtbaak:
losstaand of losliggend baken, bijv. een verkenningsboei of rikbaak.




~Ridderinkhof:
Nederlandse machinefabriek. Onder andere bekend van diverse soorten lieren en stuurwerken.




~riem:
een wrikriem, een roeispaan of een roeiriem.




~riembeslag:
metalen delen aan roeispaan of roeiriem.




~riemblad, roeiblad, blad:
het brede, in het waterstekende, deel van een roeiriem.





~riemdol, dol:
1> zie roeidol(1)
2> roeidol(2) met rechthoekige vork en daardoor geschikt voor een roeiriem.




~riemslag: roeislag.




~riemtal:
1> het aantal paar riemen per boot.
2> zie: koggeschuld.




~rien:
zie rijn.




~riet:
1> overgewas.
2> zie reit.




~Rietaak:
soort van IJsselaak, die voor het rietsnijden en het transport van riet gebruikt werd. Over het algemeen kleiner (8,5 tot ca. 15 m) dan de IJsselaak en met een naar verhouding vrij forse breedte. Mogelijk ook Hooiaak genoemd.




~rietsnijden:
het oogsten van riet en vaak ook andere langs het water groeiende gewassen.




~rietsnijder:
1> soortnaam van diverse vaartuigen, die gebruikt worden om, in water en langs de oever groeiend, riet (of andere gewassen) af te snijden. [A>+tekst] Zie ook maaiboot.
2> persoon, die riet snijdt.





~rif, rift, reef:
deel van het zeil, dat samengebonden kan worden, om het zeiloppervlak te verkleinen. Vergelijk: bindrif.
EEN RIF STEKEN
: reven.
EEN RIF ERUIT TREKKEN
: een rif verwijderen.




~rifband, reefband:
1> ter versterking, op het zeil genaaide strook zeildoek, waarin de zeilkousen voor de reeflijn of de rifseizings aangebracht zijn.
2> (in de watersport) soms: banden, die aan het zeil genaaid zijn, waarmee men de rif kan samenbinden.




~rifgat:
ongebruikelijke naam voor reefgat.




~rifijzer:
ongebruikelijke naam voor reefijzer.




~rifknuttel:
ongebruikelijke naam voor reefknuttel = rifseizing.




~rifkous:
ongebruikelijke naam voor reefkous.




~riflijn:
ongebruikelijke naam voor reeflijn.





~rifseizing, seizing, reefseizing, reefknuttel, rifknuttel:
kort touw aan of door een zeil waarmee men een rif samen bindt.





~rift: rif.





~rijblok:
een blok bestaande uit een schijf met daarboven één of meer rollen. Rustend op deze rollen kan het blok langs een gespannen draad, de rijdraad, heen en weer getrokken worden, terwijl de lastdraad over de schijf ligt. [A>] Ondermeer toegepast bij zelflossers.




~rijbrug:
willekeurige constructie, waarmee een voertuig aan boord gereden kan worden.




~rijd:
zie bij reit.





~rijdek:
1> zie wagendek.
2> constructie over of tussen, vaartuigen waarover voertuigen kunnen rijden. Onderandere toegepast bij vlot- en schipbruggen.





~rijdend pontveer:
zie veerwagen.





~rijdraad:
staaldraad tussen de nok van de laadboom en een punt op de wal, waarover het rijblok heen en weer loopt. Voornamelijk van toepassing bij zelflossers.




~rijer:
achterste buiketouw aan de botterfok.




~rijglijn, marllijn(2):
lijn, die afwissellend door een oog (meestal in een zeil) en rond een voorwerp, of een oog aan een scheepsdeel, gaat.




~rijklep:
zie pontklep.




~rijksbetonningsvaartuig:
betonningsvaartuig in eigendom bij het rijk.




~rijksbeurs:
door het rijk erkende en gecontroleerde schippersbeurs.




~rijksblusvaartuig:
door de landelijke, i.p.v. door de plaatselijke, overheid in de vaart gehouden blusvaartuig. [A>]




~rijksrederij:
De Rijksrederij beheert en onderhoudt de specialistische schepen die beschikbaar worden gesteld aan de Douane, de Kustwacht, het ministerie van LNV en Rijkswaterstaat. De vloot bestaat uit ongeveer 135 schepen voor gebruik op de Noordzee of op binnenwateren.
De Rijksrederij is een zelfstandig opererend onderdeel binnen de directie Maritieme Diensten van dienst Noordzee van Rijkswaterstaat. De officiële oprichting van de Rijksrederij vond plaats op 18 mei 2009.
Bron: Rijkswaterstaat.




~rijksverzegeling:
door de overheid goedgekeurde vorm van verzegeling van de luikenkap.




~Rijkswater:
water in beheer bij het Rijk.




~Rijkswaterstaat:
overheidsdienst belast met het toezicht op Rijkswater en de bediening van de daarin gelegen kunstwerken.





~Rijkswaterstaatvaartuig:
vaartuig in gebruik bij Rijkswaterstaat.
Zie ook waterstaatsvaartuig.





~Rijn :
1> rivier. Voor de binnenvaart één der belangrijkste wateren van West Europa en één der drukst bevaren vaarwegen ter wereld. Thans doorgaand bevaarvaar vanaf Rheinfelden (D) tot de Noordzee.
Gerelateerde termen: Hoogrijn, Bovenrijn (D), Middenrijn, Nederrijn/Benedenrijn, Boven-Rijn (Nl), Oude Rijn (gld), Bijlandsch kanaal, Pannerdens kanaal, Nederrijn (Nl), Kromme Rijn, Oude Rijn (U, ZH), Lek, Waal, Merwede, Rijnkilometertelling.
Niet alle samenstellingen met Rijn, zijn opgenomen.

[E> Kaart van de benedenlopen der Rijn, Waal en Maas anno 1749.]

2> naam een deel van de Oude Rijn.

3> rien: stromende waterloop.





~Rijnaak:
1a> mogelijke verzamelnaam voor alle grote aakachtige houten schepen die de Rijn bevoeren.
1b> mogelijk een inmiddels verdwenen scheepstype behorend, tot de Hollandse aken. Het moet een vrij fors, houten, niet al te diep stekend, vrachtschip geweest zijn. Het is me echter nog niet bekend welk scheepstype nu de ECHTE Rijnaak is.
Konijnenberg heeft het over een kromme rijnaak en beeldt daarbij een open, overnaads gebouwd, scheepje af dat zowel aan voor als achterzijde een rechte naar buitenvallende steven heeft. Het vaartuig heeft dus niet de kenmerken van een groot rivierschip, noch de kenmerken van een aak.
Op enkele landsschapsschilderingen van de Duitse Rijn zijn ook dergelijke vaartuigen te zien, daar ze geheel open zijn, lijkt het niet waarschijnlijk dat deze schepen geregeld op Nederland voeren, dus alhier erg bekend waren. Deze schepen worden ook vaak met licht gekromde stevenbalken getekend.
Verder kan men diverse afbeeldingen vinden waarop Dorstense aken als Rijnaak betiteld worden.
Tenslotte zijn er dan nog de Keulse (Rijn)aak en de diverse types Hollandse aken.
Uit het voorgaande zou kunnen blijken dat het bij 1a genoemde juist zou kunnen zijn. In het Rheinmuseum in Emmerich bevindt zich echter een scheepsmodel dat als Rijnaak getypeerd wordt. Alhoewel het model niet in verhouding is en het echte voorkomen moeilijk te bepalen is, heeft het model een aantal eigenschappen die het uniek, dus tot een apart scheepstype, maken.
Het model werd door een schipper gebouwd naar een bestaand voorbeeld dat eigendom was van een Nederlandse schipper uit Bergambacht. Het schip heeft de kenmerken van een Dorstense aak MAAR ......
Het schip is gladboordig en heeft een dikke en brede gang, welke als berghout kan fungeren. Het schip is voorzien van tamelijk fors opboeisel over de gehele lengte. Het schip heeft een vrij smalle heve, zo smal dat het schip ook echte boegen heeft. Ondanks het feit dat het schip een heve heeft, heeft het ook een echte voorsteven: het is op steven gebouwd. Verder lijkt het vlak me smaller, dus de kimmen ronder dan die van de Dorstense aken. Het is getuigd als anderhalf-master. Het schip is voorzien van een paviljoen, maar het heeft tevens een roef. Zou dit dan de echte Rijnaak zijn?


2> in sommige binnenvaartkringen gebruikt synoniem voor een groot sleepschip; bijv. een sleepkast.


3> door leken gebruikte term voor wat meestal een grote kast of modern motorvrachtschip is.




~Rijnattest:
certificaat, benodigd voor de rijnvaart, omtrent de technische staat van een vaartuig.  Zie ook: Reglement onderzoek schepen op de rijn.




~Rijncruiser:
zie  rijnpassagiersschip.




~Rijn- en binnenvaartschool:
opleidingsinstituut voor personeel in de binnenvaart.




~rijnfottielje:
verzameling van defensievaartuigen voor de ruime binnenwateren.





~Rijn-herneschip, Rijn-hernekanaalschip:
vrachtschip met de maximale afmetingen, die voor het Rheinhernekanaal gelden. Lengte 80 meter (tegenwoordig 85 m), breedte 9,5 m, diepte ca. 2,5m, kruiphoogte liefst minder dan 4,4m en een laadvermogen van ca. 1350 ton (tegenwoordig 1600 ton). Vroeger meestal van een type zoals de Kast.




~Rijnkast:
1> groot sleepschip, dat in de Rijnvaart gebruikt wordt.
2> Rijnherneschip.
3> willekeurige Kast, van enigzins aanzienlijke afmetingen, die voor de rijnvaart gebruikt wordt.





~Rijnketelschip:
voorloper van de hedendaagse tanker. Een ketelschip bestemd voor de rijnvaart.





~Rijnkilometer:
een beetje ongelukkig gekozen term voor de waarde vermeld op een kilometerraaibord langs de Rijn.




~Rijnkilometertilling:
de nummering van de kilometerraaiborden langs de Rijn.
[E> Rheinkilometrierung (Duitstalig-PDF file)]





~Rijnlandse bok:
houten vaartuig, voorloper van de Westlander. @verder geen gegevens bekend.




~rijnlichter:
zelden gebruikte term, waarmee waarschijnlijk een grote sleepkast bedoeld wordt.




~Rijnloods:
loods op de rivier de Rijn.





~Rijnoeverstaat, oeverstaat:
Duitsland, Frankrijk, Zwitserland of Nederland.




~Rijnpatent, Rijnschipperspatent, Rijnvaartacte:
diploma waarover men, voor de Rijnvaart, dient te beschikken. [A>]
Zie ook overheidsacte.




~Rijnpassagiersschip, Rijncruiser, motorcruiseschip, motorpassagiersschip:
passagierschip, ingericht voor meerdaagse tochten, met als belangrijkste vaargebied de Rijn en haar armen. [A>] Verwante termen: rondvaartboot, dagpassagiersschip.




~Rijnschip:
1> tegenwoordig: algemene aanduiding voor een groot binnenvaartschip.

2>  naam, die door sommigen aan 17de eeuwse of oudere scheepstypes, die de Rijn bevoeren gegeven wordt. Vergelijk Maasschip. Zie ook: Bovenlander.

3> in de tweede helft van de 19de eeuw gebruikte verzamelnaam voor de nieuwe modellen ijzeren rivierschepen, zoals de Klipper, de Zeilkast, de Kraak en de Stevenaak.
Bij de overgang van houtbouw naar ijzerbouw ontwikkelden zich voor de vaart op de rivivieren een aantal 'prototypes' van de later bekende scheepstypes. Deze 'prototypes' hebben wel bepaalde kenmerken van de latere types, maar wijken op bepaalde punten, ook onderling, te sterk af. Ze worden over het algemeen aangeduid met de term 'Rijnschepen'. Minder gebruikelijke termen zijn stevenschip en klipperkraak.
Of men in dit licht bezien bijv. de Waspikse klipper als scheepstype moet aanmerken, of dat dit ook onder de noemer 'Rijnschip' gebracht moet worden is niet echt duidelijk.


4> een houten stevenaak
5> door sommigen vermoedelijk gebruikt voor elk groot stalen sleepschip.




~Rijnschipper:
een schipper, die voornamelijk de Rijn, Waal, enz. bevaart.





~Rijnsleepboot:
meestal vrij grote sleepboot met flink motorvermogen en geringe diepgang. Vaak geschikt om meerdere schepen tegelijk te slepen en daarom uitgerust met een strangenlier.
Gerelateerde termen: radersleepboot, stoomsleepboot, riviersleepboot en sattelschlepper.





~Rijnsleepkaan, Rijnschip:
groot sleepschip, meestal een sleepkast, voornamelijk gebruikt voor de vaart op de rivieren.
Zie ook kahn.





~Rijnsleepschip:
vrij fors tot groot sleepschip.
Het eerste ijzeren Rijnsleepschip werd in 1841 gebouwd, deze was ongeveer 250 ton groot. Voor die tijd fors maar niet echt groot. Al spoedig zou hierin verandering komen en kwam men op tonnages van 1000 ton en meer. In 1926 werd het grootste Rijnsleepschip, de 'Grotius', afmetingen 130,6 x 14,3 x 3,13m en 4321 ton groot, gebouwd.






~Rijntjalk:
Niet voldoende bekend; tot nu toe twee vermeldingen gevonden.
1 Rijnbode van 13 maart 1892. Zie werflijst.
2 Museum der Deutschen Binnenschifffahrt, Duisburg-Ruhrort. Zie afbeelding (model niet in de juiste verhoudingen. Gemaakt naar 18de eeuws voorbeeld.).




~Rijntol:
plaats langs de Rijn waar tol geheven werd. In 1794 waren er tussen Speyer in Duitsland en Rotterdam 53 Rijntollen. In sommige plaatsen moest men voor meerdere tollen tegelijk betalen en soms bovendien ook nog een vergunning kopen. Genoemd worden de plaatsen: Germersheim, Mannheim, Gernsheim, Oppenheim, Mainz, Bingen, Bacharach, Kaub, St. Goar, Boppard, Oberlahnstein, Koblenz, Andernach, Leutesdorf, Linz, Bonn, Köln, Zons, Düsseldorf, Kaiserswerth, Uerdingen, Ruhrort, Orsoy, Wesel, Rees, Emmerich, Lobith, Schenkenschanz, Nijmegen,Tiel, Bommel, Gorinchem en Dordrecht. Bij het tot standkomen van de 'acte van Mannheim' in 1831 werden de toen bestaande Duitse tollen opgeheven, de Nederlandse tollen volgden pas na herziening van de acte in 1868.





~Rijn-Twente......:
abusievelijke omdraaiing van Twente Rijn......; zie aldaar.





~Rijnvaarder:
schip of schipper die regelmatig de Rijn bevaart.




~Rijnvaart:
de beroepsmatige vaart op de Rijn tot Bazel, Nederrijn, Lek en Waal, enz.





~Rijnvaartacte:
1> zie rijnpatent.
2> zie Acte van Manheim.




~Rijnvaarthoogte:
vrije onderdoorvaarthoogte van de (meeste) vaste bruggen op de Rijn, IJssel, Waal, Maas en op de kanalen als het Amsterdam-Rijnkanaal. Deze is vastgesteld op minimaal 9,1m boven de hoogst bevaarbare waterstand.




~rijnvaartlek:
het feit dat het vervoer over de Rijn, i.v.m. de Rijnvaartacte, niet onder de Evenredige vrachtverdeling viel.





~Rijnvaartpolitiereglement, R.P.R., RPR Reglement van Politie voor de Rijnvaart :
reglement met vaarregels geldend op de Rijn, Nederrijn, Lek, Waal, enz.
[E> Wettekst]
Het eerste internationaal geldende reglement inzake de vaart op de Rijn stamt van 28 juni 1831. Het werd vele malen, onder andere in 1851, 1939 en 1983 herzien. De laatste versie dateert van 1995. Tussen 1939 tot na 1954 werd de regeling "Reglement van Politie voor de Rijnvaart". Hoeveel eerder en later deze naam ook gebruikt is, is mij nog onbekend.






~rijnvaartsteigers:
steigers in het Rotterdamse havengebied waar gewoonlijk de sleepschepen met bestemming Ruhrgebied ligplaats vonden.




~rijnvloot:
de totale verzameling van schepen, die een geregelde rijnvaart beoefenen.




~Rijnvlot:
groot houtvlot, dat over de Rijn verplaatst wordt. Zie bij Hollander.




~Rijnvrachtschip:
groot vrachtschip dat in hoofdzaak voor de rijnvaart bedoeld is. Door leken vaak Rijnaak genoemd.




~Rijn-zeeschip:
1> een coaster waarmee men de Rijn tot en met het Roergebied kan bevaren.
2> kruiplijncoaster.




~rijs:
1> jong dun takje, meestal van een wilg.
2> bundel hiervan of van rijshout.
3> de mate waarin de waterstand gestegen is of zal stijgen. Meestal uitsluitend gebruikt voor getijdewater. Door sommige verward met rijzing. Zie ook: was.




~rijsband:
omknoping met rijs.




~rijsbed: rijsbeslag.




~rijsbeslag, rijsbed:
samengevlochten rijs, als ondergrond voor bijv. een steenstorting, aan de voet van een dijk.




~rijsboom:
dijkversterking of oeververdediging, bestaande uit palen met daartussen rijshout.




~rijsboot:
open vaartuig gebruikt voor het oogsten en transporteren van rijs.




~rijsdam:
met (rijs)zinkstukken versterkte dam.




~rijshout:
dunne takken en twijgen van bijv. de wilg. Zie ook: wiep.




~rijspakking, rijsvulling:
vulling, van een rijsboom, met rijshout.




~rijspakwerk:
versteviging met rijshout tegen steile hellingen.




~rijsvulling:
1> rijspakking.
2> opvulling met rijshout in een zinkstuk.




~rijswaring:
verouderde naam voor den. (Mogelijk alleen in Groningen en Friesland gebruikt.)




~rijswerk:
1> het werken met rijs en rijshout.
2> het geen met of met behulp van rijzen en rijshout gemaakt is.




~rijszinkstuk:
zinkstuk, grotendeels bestaande uit rijzen.




~rijt:
zie bij reit.




~rijzen....: zie ook rijs.... .




~rijzenbed:
laag van bijeengehouden rijshout.




~rijzing:
het verschil tussen de waterstand (bij hoog- of bij laagwater) en het reductievlak.


Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken