banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst P



~paaien, pajen:
1> zelden gebruikte term voor: het onderwaterschip van een houten vaartuig met harpuis behandelen. [U>]
2> ongebruikelijke term voor vieren.
3> het schieten van vistuig.




~paal:
1> een mast.
2> een meerpaal o.i.d. [U>]
3>
PAALTJES PIKKEN
:
in de zeevaart: door golfslag lucht onder het schip krijgen, dat bij het ontsnappen naar de oppervlakte trillingen in het schip veroorzaakt.
In de binnenvaart volgens sommigen: het stoten van het voorschip op of tegen de golven.
4> elk der palen van een paalgording.




~paalbeschoeiing:
oeververdediging van, tegen de oever, strak tegen elkaar, geplaatste rij palen.




~paalfuik:
met palen opgestelde visweer.





~paalgording:
1> (de) palen: afsluiting van (een deel van) een water, door middel van naast elkaar geplaatste palen, voorzien van een, met de 'stadsboom' afsluitbare doorvaart, het oorgat.
De palen werden meestal aangebracht in verband met tolheffing/havengeld, maar op sommige plaatsen boden ze ook een, in zekere mate, veilige ligplaats. In de geschiedschrijving heb ik er nog niet veel over kunnen vinden maar in een land waar bijna alles over water ging, moet zoetwater-roverij toch ook aan de orde van de dag geweest zijn. Natuurlijk niet in zo'n massale en soms wrede vorm als op zee, maar toch zal men niet overal veilig geweest zijn voor de hebgierige medemens.


2> constructie van op enige afstand van elkaar geplaatste palen aan de bovenzijde door balken of planken met elkaar verbonden. Gerelateerde termen: paalwering, paalbeschoeiing.
De lichtste constructies worden gebruikt als oeververdediging (bescherming van rietkragen en het breken van golfslag); de zwaarste constructies kunnen bedoeld zijn om liggende schepen vrij van de oever te houden.





~paalmast:
mast, die uit één rondhout bestaat. In de binnenvaart de meest gebruikelijke mast.





~paalsteek:
steek, waarmee men een vaste lus in touw vormt. De paalsteek kent diverse varianten.




~paalwering:
1>
op het echte binnenwater: voor de oever geplaatste rij van naast elkaar geplaatste palen, die de golfslag en stroming moeten breken. Zie ook paalgording.
2>
paalbeschoeiing.




~paalwoning:
bijnaam voor een hefstuurhuis (containerstuurhut).


~paard: handpaard of voetpaard.




~paardejongen: trekschippersjongen.




~paardekont:
een achterschip zoals een Hasselteraak, maar dan wel één met een vol (1) achterschip.




~paardekontkastje:
weinig gebruikte benaming voor een Steilsteven.




~paardekontklipper:
soort klipperaak, met een erg vol achterschip.




~paardelijn, paardenlijn:
ongebruikelijk woord voor jaaglijn.




~paddel: peddel.




~paddestoel:
zie inzetpot.





~paddestoelventilator:
met een bolle, in hoogte verstelbare, kap afgedekte vertikale ventilatiepijp. [A>nr.5]




~padgeld:
geld dat men voor het gebruik van het jaagpad moest betalen.




~pagaaien:
herhaaldelijk, een in de handen gehouden pagaai, peddel of spaan, min of meer rechtstandig, tegengesteld aan de gewenste vaarrichting, door het water bewegen. Bij het gemis van een geschikte vaarboomof iets wat daarvoor dienst kon doen, pagaaide men geroeide vaartuigen, als er geen ruimte was om te roeien.




~pajen: zie paaien.




~pakijs:
opeen geschoven drijfijs.




~pakket:
verkorting van: belastingvrij pakket.



~pakketboot:
vaartuig dat gebruikt wordt voor bodediensten. [A>]
Al noemt men het een boot, het is een SCHIP (uitleg)
.




~pakkettenboot:
vaartuig dat belastingvrije pakketten aan boord bezorgd.
Gerelateerde term: Tolkamers Handels Belang.




~pakking:
1> pakwerk uit rijzen samengesteld.
2> afdichting rond assen, pijpen, deksels, enz..




~pakkingbus :
1> stopbus: busvormige constructie waarmee assen afgedicht worden.
2> verkorte vorm van glandpakkingbus.




~pakkingkamer:
ruimte waarin zich de pakking bevindt. Onderdeel van een pakkingbus, die gebruik maakt van dikke pakking, of van meerdere lagen pakking.



~pakschuit:
1> oorspronkelijk een scheepstype dat gelijk is aan de tentschuit, maar niet over een tent beschikt.

2> vaak gebruikt als synoniem voor die tentschuiten, die ook passagiers vervoerden en daartoe voorzien waren van een aan de tent aansluitende (soms erg royale) roef.

3> later in sommige streken in gebruik geraakt voor stalen beurtschepen, die enige overkomst vertoonden met de tent- of pakschuit. Sommigen waren gemotoriseerd en men sprak dan van een motorpakschuit.





~pakstrop:
ruime sleng van touw, op elkaar gestoken met behulp van een korte splis. De pakstrop wordt gebruikt voor het hijsen van diverse, voornamelijk, zachte goederen, zoals zakgoed. Met de sleng wordt rond de lading een schuivende lus gevormd. Bij het hijsen dient de splits zich aan de onderzijde van de last te bevinden.







~pakwerk:
uit rijzen en vlechttuinen bestaande onderlaag voor hellende oeververdedigingen.




~pal:
1> een klink(2), vooral wanneer deze in combinatie met een palrad gebruikt wordt.
2> grendel.




~palingaal:
Vis van het geslacht Anguilla. In principe duiden aal en paling dezelfde vis aan. Het woord aal wordt overwegend zowel in het Noorden als in het oosten van het land gebruikt. Paling wordt overwegend in het zuid, zuid-westen gebruikt. Langs de grote rivieren en in Noord en Zuid-Holland worden beide vormen gebruikt. Alhoewel men ook daar met beide termen dezelfde vis aanduidt, is de paling consumptief van betere kwaliteit dan de aal. In 'aal-gebieden' waar men een dergelijk onderscheid niet kan maken gebruikt men de term schieraal voor de mindere kwaliteit.





~palingaak, aalaak:
Heegeraak, soms ook een Lemmeraak, waarmee men men de paling voornamelijk naar Engeland gebracht werd.
Zie ook palingkoper.




~palingboot, palingkoper:
soort van klein motorbeurtscheepje met bun, waarmee de paling van de fuikenvissers naar de afnemers vervoerd werd.




~palingfuik, aalfuik, fuik:
fuik voor de vangst van paling. Bestaande uit een rond hoepels gespannen toelopend net, waarin zich trechtervormige delen, kebben, bevinden en eindigend in een soort van dichtgesnoerde zak, de kruik. Vaak voorzien van uitstaande vleugelnetten aan de eerste hoepel.




~palingkoper:
1> vaartuig, waarmee de paling van de fuikenvissers naar de palingaken of afnemers vervoerd werd.

2> vaartuig met bun, waarmee men paling uit de Oostzee ophaalde om ze hier, na enige tijd in de leggers verbleven te hebben, met de palingaken naar Engeland bracht. Hiervoor werden ondermeer Lemmeraken gebruikt.





~palingschaar:
zie aalschaar.





~palingschuit:
mogelijk willekeurig Fries scheepstype met bun, dat paling tussen de leggers(1) of karen en de palingaken vervoerde.





~pallenstuk, palstuk:
constructiedeel met pallen voor de braadspil. [T>]




~pallenwiel, pallewiel:
1> losse ring met pennen, stangen, plaatjes of een vertanding, die rond rond een draaiend, voorwerp ligt. Zie ook: palrad.
2> mogelijk hetzelfde als een kamrad.




~palletvervoer:
vervoer van goederen in vrij kleine verpakte eenheden. Vrij nieuwe vorm van vrachtvaart; ondermeer toegepast in de distrivaart.




~palm: oude lengte maat.  ca 8 cm. Na invoering van het decimale stelsel (ca. 1820) 10 cm. [T>]





~palrad:
1> vaak een kamrad.
2> soms een (klein) pallewiel.




~palring: kamring.




~palstuk: pallenstuk.




~pamelle: paumelle.




~Pampus:
Vroeger een ondiepte in het zuidwestelijk deel van de Zuiderzee, vlak voor de toegang tot de Amsterdamse haven. Tegenwoordig een vrij klein eiland in het IJmeer even ten noorden van Muiden. [U>]




~pan:
houten klos, dat als lagerblok voor de braadspil fungeert.




~pand: kanaalpand.





~pannenkoek, pannekoek:
ankerbol, die gevormd wordt door twee, haaks inelkaar gestoken schijven. De term is waarschijnlijk niet uit de echte beroepsvaart afkomstig.





~pannenkoekschip, pannekoekschip:
vaartuig of drijvende inrichting waarin een dergelijke eetgelegenheid gevestigd is.





~Pannerdense kop, Pannerdensche kop:
landtong op de splitsing van Waal en Nederrijn.





~Pannerdens kanaal, Pannerdensch kanaal:
gegraven waterweg tussen Doornenburg (Pannerdense kop) en Huissen. Onderdeel van de Neder-Rijn. Aangelegd tussen 1701 en 1709.
Het Pannerdens kanaal verbond de toenmalige Waal met de toenmalige Rijn, die zich in die tijd ten zuiden van Lobith reeds splitsten. Via de Oude (Gelderse) Rijn vloeide te weinig water naar de IJssel en het Westen van het land en bovendien verkortte de aanleg van dit kanaal, vooral nadat het Bijlands kanaal gegraven was, de vaarroute van en naar Duitsland aanzienlijk.






~
papegaai:
Zie: uitlegger. Mogelijk een watersportersterm.




~pappen:
een dekzeil met kledenpap insmeren.




~parachutefakkel:
soort lichtkogel die, dankzij een kleine parachute, geruime tijd in de lucht blijft.




~parallellineaal, pleinschaal:
twee, beweeglijk met elkaar verbonden, linealen, die altijd evenwijdig aan elkaar blijven. Wordt gebruikt om op de waterkaart de getekende koers te kunnen meten.




~parapluanker:
kleine opvouwbare ankerdreg, met rechte ankerarmen en lange slanke vloeien. Voornamelijk in de watersport gebruikt.




~parapluvaart:
de scheeppvaart welke bedreven werd met de Baquet de Charlerois.




~pardoen:
1> oude benaming voor achterwaarts gerichte stagen in het algemeen.
2> de stagen van een steng. In de zeevaart: de zijstagen van steng en bramsteng.




~parlevinken:
schepen langs varen om waren te verkopen.





~parlevinker:
1> kadraai, proviandeur: persoon, die met een vaartuig levensmiddellen naar schepen brengt.  [A> film]
Het parlevinken begon met aan het water wonende neringdoenden, die met een roeibootje het water op trokken om ook aan klanten, die niet tegen de wal kwamen, hun waren te slijten. In sommige gebieden liep dat, voor sommige ondernemers, goed en vormde het parlevinken een extra tak van hun bedrijf. In de grote havenplaatsen werd er echt van alles aangevoerd, brood, groente, vlees, maar ook kleding, lederwaren e.d. In de kleinere plaatsen ging het vaak minder goed en werd het voor sommige neringdoenden onrendabel om het water op te gaan. Een oplossing werd soms gevonden door een collega, die toch het water opging, de waren mee te geven. Hieruit groeide dan langzamerhand de varende supermarkt, die de parlevinker op het laatst was. Noodgedwongen moest de parlevinker zijn spullen duurder verkopen dan de grote winkels op de wal, dit en de schaalvergroting in de binnenvaart, wat betekent dat er minder mensen op het water leven, zijn een enkele van de vele oorzaken, die de ondergang van de parlevinker beteknd hebben. Hedentendage is hij in Nederland bijna verdwenen. Bijna, want het olieleurbootje bestaat nog. Dit is was de nering van de tagrijn-oliehandelaar, maar ook daarin is in de loop der tijden verandering gekomen. Het is tegenwoordig een verlengstuk van een bunkerschip en hij verschijnt op afroep. Geleurd, zoals de parlevinker dat moest, wordt er nauwlijks nog.


2> ruilebuitscheepje, parlevinkervlet, proviandboot, proviandeur: vaartuig dat door een parlevinker gebruikt wordt. [A>]

3> zie scharrelaar.



~parlevinkervlet:
Vlet of vletachtig vaartuig, dat door een parlevinker(1) gebruikt wordt. Dit geldt zowel voor geroeide, gezeilde, als voor motorvletten [A>]
De gemotoriseerde parlevinkervlet van eind jaren 50, begin jaren zestig was veelal al een varende supermarkt in het klein. In het klein moet men wel letterlijk nemen, want de scheepjes maten ca. 10 x 3 meter en beschikten vaak over niet meer dan 30 pk om jacht op eventuele klanten te maken. De schaalvergroting sloeg echter ook onder de parlevinkers toe en rond 1990 waren de scheepjes ca. 20 bij 4,5 m en beschikten ze over motorvermogens tot 400 pk, vaak gecombineerd met een Schottel-roerpropellor, zodat ze niet alleen snel maar ook wendbaar waren.





~pasplank:
één der buikdenningplanken met afwijkende breedte, die precies pas gemaakt worden, om de buikdenning goed sluitend te krijgen. Vergelijk: zomerlat.




~part :
deel van een touw, staaldraad of ketting.

HALEND PART
: het deel dat men in de hand houdt of vrij hangt.
STAAND PART
: het deel dat tussen twee punten min of meer vast zit of strak staat.
Bij het leggen van knopen is het halende part het gedeelte waarmee men werkt, het staande part het gedeelte dat reeds tot knoop verwerkt is. Bij takels is het halende part, het gedeelte van de loper waar men aan trekt, de staande parten de einden tussen de blokken. enz. enz.





~particulier:
particuliere vaart, particuliere binnenvaart:
 
de scheepvaart waarij de schipper, tevens de eigenaar is.
Tegenwoordig zijn een toenemend aantal schepen ondergebracht in een vof (vennootschap onder familie), een soort van één-man(echtpaar/familie)-één-schip-rederij dus, ook deze rekent men, over het algemeen, tot de particuliere binnenvaart.





~partuurlijn, portuurlijn:
lijn, die rond de ankervloei of de ankerstok geslagen wordt, om het anker te kunnen katten(3).




~partyschip:
niet nauwkeurig omlijnd begrip. Dagpassagiersschip, dat verhuurd wordt voor het houden van feesten en partijen. [A>] De grotere partyschepen worden soms evenementenschepen genoemd.




~passagier:
betalende gast aan boord(4).




~passagiersaccomodatie:
ruimtes, die speciaal ingericht zijn voor het verblijf van passagiers.




~passagiersbeurtdienst:
voorloper van de lijndienst.




~passagiersdek:
dek op passagiersschepen, dat voor publiek toegankelijk is.




~passagiersdienst:
zie passagierslijndienst.




~passagierslijndienst, passagiersdienst:
lijndienst waarbij (vrijwel uitsluitend) passagiers vervoerd worden.
De voorganger van de waterbus.




~passagiersschip:
vaartuig dat geheel of bijna geheel ingericht is, om vrij grote aantallen personen te vervoeren. Over het algemeen verstaat men tegenwoordig onder een passagiersschip zoiets als een rijncruiser, soms een dagpassagiersschip. Vroeger werd de term meestal gebruikt voor de schepen waarmee de lijn- en grote veerdiensten onderhouden werden. [A> keuzelijst]




~passagiersstoomdienst:
met een stoomboot/stoomschip, welke alleen passagiers vervoert, onderhouden bootdienst.




~passagiersvaart:
de scheepvaart met betalende gasten. Over het algemeen zal men veer- en overzetdiensten, die kort traject varen, niet tot de passagiersvaart rekenen.




~passeervak, passeerstrook:
plaatselijke verbreding van het vaarwater aangebracht om grote schepen de mogelijkheid te bieden elkaar te ontmoeten en voorbij te lopen.




~patent:
1> Rijnpatent.
2>
Radarpatent.




~patentbelasting:
belasting, die men moest betalen om bepaalde beroepen te mogen uit oefenen. [T>]




~patentblok:
een, van een kogellager voorzien, blok.




~patentbus:
kogellager voor een blok.





~patentdeurkruk:
deurkruk met sterk gebogen greep.
De sterk kromming moet voorkomen dat men al te gemakkelijk met kleding of touwen achter de deurkruk blijft hangen. Helaas werkt het niet 100%......





~patentglas:
soort fresnellens, die men in ronde dekglazen plaatste. Hiermee werd het invallende verstrooid, zodat men een betere belichting van de ruimte kreeg. Vergelijk: prisma.




~patenthouder:
over het algemeen de bezitter van een rijnpatent.





~patentlog, log:
mechanisch instrument, waarmee de snelheid van het schip t.o.v. het water gemeten kan worden. In de binnenvaart waarschijnlijk nauwelijks gebruikt.
Het log bestaat uit een propellor (afb.) welk via een krap geslagen koord met een mechanische snelheidsmeter gekoppeld is.






~patentolie:
bepaald soort olie gebruikt voor petroleumlantaarns.




~patentrecht
soort van bedrijfsvergunning waarover schippers, tot tegen het einde van de negentiende eeuw diende te beschikken. [T>]




~patentregister:
registers waarin de houders van het patentrecht ingeschreven werden. [T>]





~patentschalm, noodschalm :
meestal een gedeelde kettingschalm, die met klinkjes aan elkaar gezet wordt, maar er zijn diverse andere gepatenteerde schakels.
[E> US patent 4428187, US patent 5873232, ]
Dit soort verbindingen worden gebruikt om reparaties aan kettingen, die over rollen en schijven moeten kunnen lopen, uit te voeren. De totale sterkte van de ketting neemt echter wel sterk af. Ook worden ze soms als vervanging voor een gewone sluiting gebruikt, omdat ze geen verdikking veroorzaken en ook geen extra grote opening nodig hebben om door heen gestoken te kunnen worden.

Zie ook schalmsluiting.





~paternoster, gaffelrak, gaffellijn, rakje, rakband:
lijntje tussen de uiteinden van de klauw, van een gaffel, dat de klauw tegen de mast houdt. Vaak voorzien van klootjes.




~patrijspoort:
1>
eigenlijk elk willekeurig klein raampje op een schip.
2> openslaand, in een metaal gevat glas, dat een opening in een scheepswand af kan sluiten. [A>] Gerelateerde termen: poort, lichtrand, dekglas, wenkbrauw, poortdeksel, knevel, dagmaat.





~patrouilleboot:
zie bij patrouillevaartuig.





~patrouillevaartuig, patrouilleboot, surveillancevaartuig, surveillanceboot :
vaartuig dat ingericht is om, al varende, toezicht te houden op de scheepvaart of het water.
Gerelateerde termen: inspectievaartuig, peilvaartuig, bakenboot, inspectievaartuig, politievaartuig, havendienst, kantonniersvlet, rivierpatrouilleschip.
Alleen de OPEN vaartuigen mag men boten noemen, alle andere vaartuigen zijn SCHEPEN of SCHEEPJES. [uitleg].
De termen slaan, behalve het toevoegsel boot, vlet of vaartuig, op het gebruik van het vaartuig, doordoor is het, zo op het oog, niet altijd mogelijk te bepalen met welk vaartuig men het te doen heeft. Bovendien zijn de grenzen tussen de verschillende toepassingen steeds moeilijker te stellen. Een uitzondering daarop vormen natuurlijk de vaartuigen van de politie, douane en soms ook de havendiensten, die aan hun beschildering herkenbaar zijn.
Genoemde termen worden hoofdzakelijk in persberichten en officiele documenten gebruikt. Schippers zullend de vaartuigen meestal naar de dienst waartoe zij behoren noemen.






~paumelle, pamelle:
deelbaar scharnier, vaak toegepast voor deuren van stuurhutten.




~paviljoen:
1> eigenlijk het (verhoogde) achterdek op zeeschepen.

2a> bij sommige oude zeilschepen: het gedeelte van het achterdek boven het achteronder, dat tot de potdeksel verhoogd is. [A>]Verwante termen: salonroef, kot, durk, theehut, dekhut, salon, dekroef, voorroef.
b> bij sommige modernere motorschepen en de Franse spits: een roef op het achterschip, waarvan de wanden in het verlengde van de scheepshuid liggen.  [A>]
Ik ben de term paviljoenroef pas één keer tegengekomen, maar ik vind het wel een betere benaming voor dit soort paviljoens, dan alleen de term "paviljoen".


3> luchtig bouwsel, waaronder men kan zitten, op sommige speeljachten en aanverwante vaartuigen.

4> op sommige passagiersschepen: zeer luxe deksalon voor kleine gezelschappen.




~Paviljoenaak, Praamaak:
Aak(1) met paviljoen. Meestal een Hasselter aak.




~Paviljoenaardappeljacht:
aardappeljacht met paviljoen.




~paviljoenbeurtschip:
beurtschip, van een willekeurige type, met paviljoen.




~paviljoenboeierschip:
Boeierschip met paviljoen.




~paviljoendek:
het 'dak' van het paviljoen(2, 3).




~paviljoenhelmhout:
lang helmhout, soms voorzien van een stuurstok, waarvan het laatste stuk meestal opklapbaar was, zodat het de doorloop niet hinderde, wanneer men het roer midscheeps vast had staan.




~Paviljoenjacht:
soort Paviljoentjalk, mogelijk ook een Paviljoenboeierschip.
Indien de term betrekking heeft op een vrachtscheepje, dan gaat het meestal om een niet al te groot schip, dat er op gebouwd is om de afstand naar naburige steden snel te overbruggen en niet om grote hoeveelheden te transporteren of lange reizen te maken.






~paviljoenpoon:
een poon voorzien van een paviljoen. Op de grotere, voor de beurtvaart gebruikte, schepen had de paviljoenpoon soms ook een roef.[A>]





~Paviljoenpraam, Praamaak:
vermoedelijk Overijsselse praam met paviljoen(2).




~paviljoenroef:
zie bij paviljoen.




~paviljoenschip:
zeilschip met paviljoen(2).
PAVILJOENSCHEEPJE
: klein paviljoen schip of een grote paviljoenschuit.





~Paviljoenschuit:
meestal een kleine Paviljoentjalk. [S> Tjalken.]





~Paviljoenspits:
1> bepaald type motorspits waarbij het achterschip hooguit 60cm opgeboeid is. Op het paviljoen staat de stuurhut, die gedeeltelijk in het paviljoen verzonken is. Tegen het achterschild is de kookkast, aangebracht.
Het verschil met de Franse spits zit hem voornamelijk in de plaatsing van de stuurhut, die staat bij de Franse spitsen voor het paviljoen, en in de hoogte van het paviljoen, die bij de Franse spitsen duidelijk hoger is.

2> zie Franse spits.





~Paviljoentjalk:
Tjalk met paviljoen(2). Bij de in staal gebouwde schepen, meestal een Hollandse Tjalk, vaak echter wat kleiner en met wat minder holte. De kleinsten werden ook paviljoenschuit genoemd.




~pavoiseren:
feestelijk met vlaggen en wimpels versieren.




~peddel, paddel:
1> het bord van een scheprad.
2> korte roeiriem met breed blad.




~Peeke:
zie Duitse_P.




~Peelaak, peelspits:
scheepstype: verdwenen houten vrachtschip van het type aak (1) met een platte, dwarsscheeps beplankte heve.




~Peelspits:
scheepstype: nog niet voldoende bekend, mogelijk synoniem van peelaak.




~peerkous:
oud model kous; iets scherper dan de eikous, maar niet zo puntig als de puntkous.




~pegel:
1> (Duits voor) peil, waterstand.
2> peilmerk.




~pegelen:
merken i.v.m. de waterhoogtes aanbrengen.




~Pegge:
zie bij Somp.




~peil:
1> het niveau waarop het water staat, of referentievlak ten opzichte waarvan onderdoorvaarthoogtes, waterhoogtes en -dieptes gemeten worden.
Zie ook: waterstand en waterpeil.

2> het resultaat van het peilen. [U>]




~peilantenne, peilzoeker:
in een windroos, draaibaar opgestelde, richtinggevoelige radioantenne, waarmee men radiobakens kan peilen. Zie ook kruisantenne.




~peilbalk:
onder water opgehangen balk, waarmee de diepgang van de schepen gecontroleerd werd. (één vermelding, i.v.m. de vaart door de Hoogeveense vaart voor 1850, gevonden.)




~peilboot:
onjuiste benaming voor peilvaartuig.




~peilbord:
bord, waarop de minst gepeilde waterdiepte vermeld is.




~peilen:
1> het verrichten van een meting om de positie van het schip bepalen.
2> met een peilstok of een peillood de diepte van het water bepalen.




~peilglas:
voorzienig op een vloeistoftank of ketel, waarmee men het niveau van de vloeistof af kan lezen.




~peiling:
het resultaat van het peilen.




~peilkaart:
vrij onbekende term voor een waterkaart waarop de waterdieptes aangegeven zijn.




~peilkompas:
kompas, dat van een draaibaar vizier voorzien is. In de beroepsvaart nauwelijks gebruikt. Verwante term: pelorus, peilvizier.




~peillood, dieplood, werplood, handlood, handpeillood, lood:
onderaan een lijn gebonden gewicht, waarmee de diepte van het water gemeten wordt. Vaak langwerpig van vorm, met aan de onderkant van een holte, waarin men vet smeert, wanneer men grond wilt loden. Het peillood wordt thans nauwelijks meer gebruikt.




~peilmerk:
eenvoudig merkteken, dat een bepaald peil markeert.




~peilontvanger: radiopeilontvanger.




~peilraai:
@niet bekend.





~peilschaal:
1> schaal waarop de waterhoogte, meestal t.o.v. N.A.P., aangegeven is.

2> nabij een brug of andere overspanning van het vaarwater aangebrachte schaalverdeling, waarop de vrije onderdoorvaarthoogte af te lezen valt.




~peilstok, plegger, roeistok, plechtgaard:
lange stok, met doorlopende schaalverdeling, waarmee de waterdiepte te peilen valt. Vergelijk: slaggaard.




~peilvaartuig, opnemingsvaartuig, peilboot, peilvlet:
vaartuig, dat gebruikt wordt voor metingen op of in het water.
Zie ook motormeetvaartuig.




~peilvenster:
voorziening op een tank of stoomketel, waarmee men het niveau van de vloeistof af kan lezen.




~peilvizier:
op een kompas aangebrachte voorziening, waarmee men de richting van een landmerk kan bepalen.




~peilvlet:
peilvaartuig van het type Vlet. [A>]




~peilzoeker: peilantenne.




~pek.....: zie bij pik..... .




~pekken: zie bij pikken.





~pelikaanhaak, sliphaak, klephaak :
j-vormig gebogen stuk staal, dat beweeglijk aan, o.a. voor- en bakstagen, gemonteerd wordt en door een oog aan het schip gehaakt is. In veel gevallen is de pelikaanhaak niet direct met de stag verbonden, maar is deze onderdeel van de spanschroef, de klepspanschroef, die aan deze stagen zit. [A>]
Met de pelikaanhaak kan men de verbinding, waarop spanning staat, zonder veel moeite los maken of vast zetten. Ze werden/worden soms toegepast op de voorstag van diverse soorten masten, op bakstagen en op de zijstagen van laadmasten.






~pellerijgarnaal, consumptiegarnaal:
garnaal, die voor menselijke consumptie bestemd is. Vergelijk: pufgarnaal.




~pelorus:
een kompasroos met daarop een draaibaar vizier. Hulpmiddel, bij het ontbreken van een peilkompas.





~penbolder, nagelbolder, bolder:
bolder met minstens twee, tegenoverstaande, penvormige uitsteeksels. De term werd vroeger toen bolders vaak geen pen hadden gebruikt. Bij houten en gietijzeren bolders is de pen soms een korvijnagel.
[A> Meer bolders]





~pennen:
'lekenterm' voor duvelen (deuvelen).





~Peniche:
Frans - Waals woord voor vrachtschip. In Frankrijk door leken vaak gebruikt voor alles wat kan varen. Buiten het taalgebied vaak gebruikt als synoniem voor het scheepstype Spits, soms echter ook voor de op de Spits gelijkende schepen uit de groep der Walen.





~Peniche de Tournay:
zie Doornikker.





~pennenbank, pennenblok:
dikke stalen plaat met daarin gaten waarin stalen pennen gestoken kunnen worden. De pennenbank wordt gebruikt om zware profielstaal te kunnen buigen. [A>] [T>]




~penteren:
zeer onbekende term voor het katten van het anker.
E> betekenissen en aanverwante termen op: vaartips.nl.





~periodelicht, karakterlicht:
lichtbaken met een bepaald lichtkarakter.





~periscoop:
in de binnenvaart: twee, in een koker gemonteerde, spiegels, die dusdanig opgesteld zijn dat de kijkhoogte van degene aan het roer vergroot wordt. Vooral toegepast op sleepboten, die, af en toe, voor het duwen van vaartuigen gebruikt werden.`




~perkoen, barkoen:
houten paaltje dat gebruikt o.a. wordt voor beschoeiingen en paalweringen.





~pershuls, lashuls :
metalen huls, die om staaldraden geschoven en dan samengeperst wordt. Pershulzen worden gebruikt om lussen en verbindingen met staaldraad te maken. Ze vervangen het moeizame splitsen.
Bekende pershulzen zijn de zogenaamde Taluritsokken. Van de door deze fabrikant en patenthouder geproduceerde sokken zijn de sokken die uit een aluminium legering bestaan weer de bekendste. Van deze en andere fabrikanten bestaan echter ook lassokken van koper-, staal- en roestvrijstaallegeringen.






~pershulstang, lashulstang :
scharende tang met speciaal gevormde bek waarmee men pershulzen kan samenknijpen.
Sommige tangen zijn geschikt voor persen van hulzen in meerdere maten. Kleine tangen persen hulzen die geschikt zijn voor staaldraad tot ca. 5mm. De grotere tangen gaan tot 8mm. Nog grotere hulzen worden met speciale hulpmiddelen, waaronder hydraulische persen, geperst. De kleine hulzen worden meestal tweezijdig samengeperst. De grotere vaak vierzijdig.






~persleiding:
1> leiding waardoor de vloeistof, na het passeren van de pomp vloeit.
2> leiding waardoor vloeistof onder druk getransporteerd wordt.
Persleidingen voor transport over grote afstand treft men onderander aan bij zandzuigers. Deze leidingen bestaan, voor zover ze over het water liggen, uit stalen buizen van ca. 7,5m die door middel van rubberen tussen stukken met elkaar gekoppeld zijn. Elke buis rust aan begin en eind op een klein schuitje.





~personeelsbootje:
1> het vaartuig waarmee een bedrijfsveerdienst onderhouden wordt. [A>]
Mogelijk dat deze diensten héél vroeger inderdaad met open vaartuigen onderhouden werden, maar reeds sedert zeer lange tijd gebruikt men er vaartuigen met opbouwen en dekken voor, zodat de term personeelsbootje feitelijk onjuist is en men de voorkeur aan personeelsscheepje of personeelsvaartuig dient te geven.( verdere uitleg).


2> de dienst zelf.




~personeelsvaartuig:
vaartuig gebruikt voor het vervoer van personeelsleden van een bedrijf of instelling. Meestal, ook al is dat, in veel gevallen, niet correct 'personeelsbootje' genoemd.




~persturf:
soort lading: turf soort die wordt verkregen door losse, vaak natte, turf machinaal te persen en te drogen.




~pestriet:
zie bij drijfvuil.





~pet:
veenput; meestal klein en onbevaarbaar. Zie ook petgat.




~petgat:
langgerekte veenput (pet). Meestal in groepen naast elkaar gelegen en gescheiden door smalle niet doorlopende dijkjes (legakkers).





~petroleumlantaarn:
navigatielicht dat gebruik maakt van een petroleumlampje als lichtbron.
Bij het vervoer van ontplofbare of licht ontvlambare stoffen mocht in deze lantaarns geen petroleum gebruikt worden. Men nam dan zijn toevlucht tot stearine kaarsen of vulde de lantaarns met raap-, sla- of patentolie.





~petroleummotor:
explosiemotor met vonkontsteking, die petroleum als brandstof gebruikt.




~petroleummotorboot:
motorvaartuig aangedreven met behulp van een petroleummotor.




~petroleummotordekschuit:
motordekschuit aangedreven met behulp van een petroleummotor.





~peur, poer:
vistuig, bestaande uit een verzwaarde lijn, waaraan een tros van aaneen geregen wormen geknoopt is. Later scheen men de wormen in een nylonkous te stoppen. Nauwelijks beroepsmatig toegepast.




~peuren, poeren:
het vissen met een peur.




~peurder, peueraar:
iemand die peurt.




~Peurdersboot:
type Zalmdrijver, niet beroepsmatig gebruikt.




~peueraar: peurder.





~PHEN:
zie bij HBW.





~piek:
1> nok: uiteinde van de gaffel.
2> naar beneden gericht deel van het vlak bij een gepiektschip.
3a> oorspronkeleijk: scherp toelopend, achterste, deel van een vaartuig.
b> later ook: een zelfde ruimte voorin het schip.
c> voornamelijk op stalen schepen: niet voor bewoning of lading gebruikte ruimte, in de uiterste delen van het schip.




~pieken:
1> de gaffel steiler zetten.
2> het vlak van een neerwaartse buiging voorzien.




~piekenval:
nieuwe schrijfwijze van piekeval.





~piekeval, piekenval, nokval:
val, waaraan het uiteinde of het middendeel van de gaffel bevestigd is.
Gerelateerde term: klauwval.




~pier:
ver in het water uitstekende dam, steiger of aanverwante constructie.




~pieremachochel:
plompe roeiboot, meestal in de verhuur.





~Piipsterskûtsje, Pijpsterskûtsje:
skûtsje gebouwd op scheepswerf "De Pijp" te Drachten.





~pijp:
gemetselde stenen boogbrug.





~pijpbus:
aan het schip of een scheepsonderdeel bevestigd kort stuk pijp waardoor of waarover een schoorsteen- of ventilatiepijp geplaatst kan worden. (Geen èchte binnenvaartterm, maar wel vaak voorkomend op vaartuigen.)





~pijpenman:
functie onder het productie personeel op (hopper)zuigers en aanverwante vaartuigen.





~pijpkous:
hoefijzervormig gebogen stuk pijp waarvan de 'bovenste' helft in de bocht open is.
Oorspronkelijk vermoedelijk bedoeld om de 'lus' van een pakstrop tegen slijtage te beschermen en een weinig open te houden. Bij de tegenwoordige uitvoeringen raken de uiteinden elkaar bijna. Deze worden als een soort touwkous voor bepaalde soorten koord gebruikt.






~pik:
oude naam voor pek. Zeer dikke, bijna harde, teerachtige stof, waarmee men breeuwnaden afstreek.




~pikbak, pekbak, pikschouw:
scheepstype: eenvoudig vrijwel rechthoekig vaartuig, met vrijwel rechtopstaande boorden en borden, dat door werven gebruikt werd om schepen boven de waterlijn te onderhouden.





~pikhaak, haakstok, schippershaak, vaarhaak, bootshaak, welhaak, haak:
lange ronde stok, waaraan een combinatie van een metalen pen, de teen, en een haak, de klauw, bevestigd zijn. [A> + tekst.]





~pikhaakbeslag, bootshaak:
het metalen deel aan het uiteinde van een pikhaak/haakstok.





~pikjongen, pekjongen:
jongste hulp op de werf.





~pikken, pekken:
met pek bestrijken. In het bijzonder naden en kieren dichten, door er pek in te brengen.




~piklepel, peklepel:
lepel, die men gebruikte om pek in de naden te gieten.




~pikkrabben:
met een teersteker of krabber aangroeisel en oude teer van het schip halen.




~pikpot, pekpot:
pot waarin men pek vloeibaar maakte.




~pikschouw, pekschouw:
vaartuig. Niet voldoende bekend. Waarschijnlijk gelijk aan een pikbak.




~pikschrapen, pekschrapen:
overtollig pek naast de naden weg halen.




~pikton, pekton:
ton waarin de voorraad pek, op de werf, bewaard werd.




~pilo, pielo:
in de binnenvisserij: een jas van pilo.
Pilo is de naam voor een sterk half-linnen, half-katoenen weefsel, dat vaak voor werkkleding werd gebruikt.






~Pink:
type vissersschip van rond ca. 1600. Mogelijk niet op binnenwater gebruikt. @verder niet bekend.





~pioneer, pionier:
dubbelschalig bootje van thermoplastisch kunststof. In de jaren 70 en 80 veel als bijboot in gebruik geweest. [A>]





~pivot:
zie zwaaipaal.


Volgende





© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken