banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst O



~octant:
sextant met een kortere gradenboog namelijk 1/8x360= 45 graden. In de binnenvaart waarschijnlijk nauwelijks gebruikt.




~oesterbank:
ondiepte waarop oesters uitgezet zijn. Zie ook: oesterplaat.




~oestercultuur, oesterteelt:
de kunstmatige kweek van oesters.




~oesterkor, oesternet:
ijzeren raamnet waarmee oesters gevist worden.




~oesterkweker:
persoon die, of een bedrijf dat, zich toelegt op het kweken van oesters.




~oesterkwekerij:
plaats waar oesters gekweekt worden. Zie ook: oesterbank.




~oesternet: oesterkor.




~oesterpan:
met kalk bestreken dakpan, waarop oesterzaad zich af kan zetten.




~oesterpark:
@nog niet voldoende bekend.




~oesterplaat:
zandbank waarop veel oesters voorkomen. Zie ook: oesterbank.




~oesterput:
uitgraving waarin oesters gekweekt worden.




~oesterschuit:
vaartuig gebruikt voor het transport van oesters.




~oesterteelt, oestercultuur:
de kweek van oesterzaad.




~oestervanger:
iemand, die oesters vangt.




~oestervissen:
het, op één of andere wijze, vergaren van oesters.




~oestervisser:
1> vaartuig waarmee men oesters 'vist'.
2> schipper op een oestervisser(1).
3> oestervanger.




~oesterzaad: zeer jonge oesters.




~oever:
1a>
eigenlijk: aan het water grenzende strook land. Ook zoom genoemd. Zie verder ook: kant, boord(5), wal, wallekant.
b> Vaak gebruikt voor de scheiding tussen water en 'land'. 
GROENE of ZACHTE OEVER
: oever zonder enige oeververdediging, meestal tegen de rand van een weiland o.i.d.
HARDE OEVER
: meestal een oever met steenstortingen of stenen glooiing.
LINKER OEVER
: stroomafwaarts of richting zee gaand gezien, de linker oever.
DE EIGEN OEVER
: in de vaarrichting gezien, de rechter oever.




~oeverbekleding:
soort van glooiende oeververdediging.




~oeverberoering:
het, met een vaartuig, raken van de oever.




~oeverbescherming:
zie oeververdediging.




~oeverhaam:
soort visnet waarmee men langs de oevers vist.




~oeverlicht:
langs de oever geplaatst wallicht.




~oeverstaat:
zie Rijnoeverstaat.




~oeverstoffering:
niet (meer) varende vaartuigen, die langs de oever gemeerd liggen. Vaak worden hiermee woonschepen, maar soms ook opgelegde schepen bedoeld.




~oeverval:
instorting van de oever.





~oeververdediging, oeverbescherming:
tegen of voor de oever geplaatste palenrij, wand, of steenstorting, die de oever tegen afkalven of het land tegen verzakking moet beschermen.
MILIEUVRIENDELIJKE OEVERVERDEDIGING
: vaak een glooiende steenstorting.





~oeververkenning:
OEVERVERKENING HEBBEN
: tijdens het varen op groot water, de oever, het land, kunnen zien.




~oeverwerk:
1> eigenlijk: elk werk aan een oever.
2> vaak: het plaatsen of onderhouden van oeververdedigingen en kades.




~offerelectrode: zinkanode.




~offerhout:
hout, dat aangebracht is om delen van het schip, tegen aanvaring of overmatige slijtage te beschermen. Hiertoe behoren onder andere: de aanvaarklamp, het ijsboord, de kielzool, beuling, schuurlijst etc..





~ojief:
een uiteinde of een overgang die sierlijk verloopt. De term duikt tegenwoordig geregeld op, in oudere bronnen spreekt men van een gilling.
Een ojief, soms ook ogief, is een term uit de bouwwereld en wordt ondermeer gebruikt voor een lijst met een holle kant, die direct overgaat in een bolle kant.






~olie:
term die zowel voor brandstof (gasolie) als voor smeermiddel (smeerolie) als voor bepaalde conserveermiddelen gebruikt wordt (lijnolie).
AFGEWERKTE OLIE
: smeerolie, die reeds gebruikt is.





~olie-absorptiedoek:
zie olie-adsorptiedoek.





~olie-absorptievel:
zie olie-adsorptiedoek.





~olie-absorptierol:
zie olie-adsorptierol.





~olie-absorptiestrook:
zie olie-adsorptierol.





~olie-adsorptiedoek, olie-adsorptievel, olie-absorptiedoek, olie-adsorptievel :
relatief dun olie adsorberend materiaal (polypropyleenvezels) in rechthoekige vorm. Voornamelijk gebruikt om dunne oliesoorten, bijeen gehouden met olieschermen, op te 'zuigen'.
De correcte benaming is adsorptie. De olie hecht zich namelijk aan de vezels en wordt niet in de vezel opgenomen. Het verschil tussen vellen en doeken zou kunnen zijn, dat doeken sterker zijn of andere weefsels bevat om extra sterkte te verkrijgen. Vellen bestaan meestal uit vrij los materiaal. Vellen en doeken kunnen gestapeld, maar ook op geperforeerde rol geleverd worden.

Gerelateerde term: oliebetrijdingsmiddel.




~olie-adsorptierol, olie-adsorptiestrook, olie-absorptierol, olie-absorptiestrook :
rol met relatief dun olie adsorberend materiaal (polypropyleenvezels). Voornamelijk gebruikt om dunne oliesoorten, bijeen gehouden met olieschermen, op te 'zuigen'.
De correcte benaming is adsorptie. De olie hecht zich namelijk aan de vezels en wordt niet in de vezel opgenomen. Hierdoor zijn dit soort middelen soms voor hergebruik geschikt. Het verschil tussen 'rollen' en 'stroken' zit hem, naar het schijnt, in de manier waarop het gepakt wordt. Stroken kunnen gevouwen of losjes opgewikkeld zijn, rollen zijn meestal gewikkeld rond een harde kern die geschikt is voor het gebruik op een as.

Gerelateerde term: oliebetrijdingsmiddel.




~olie-adsorptievel:
zie olie-adsorptiedoek.





~olieafgifteboekje, bilgeboekje:
document dat men dient te bezitten om zonder directe betaling oliehoudendafval op de daarvoor bestemde inzamelpunten af te mogen geven. [A>]
Verwante termen:
scheepsafvalstoffen, bilge, bilgekaart, ecokaart.





~olieafscheider:
mechanische constructie, waarmee olie uit water, stoom of perslucht afgescheiden wordt.





~oliebadankerlier:
ankerlier waarvan de tandwielen in een, deels met olie gevulde, behuizing onder gebracht zijn.





~oliebestrijdingsmiddel:
alle zaken welke bij de verontreiniging van het oppervlakte water met oliehoudende stoffen gebruikt kunnen worden.
Dit zijn ondermeer:
olieworsten (oliebooms, olieschermen), olie-adsorptievellen, olie-adsorptiestroken/rollen, skimmers, olie(kerende)schermen, veegarmen en oliebestrijdingsvaartuigen.
[E> Overzicht Rijkswaterstaat (pdf)]





~oliebestrijdingsvaartuig:
vaartuig, dat ingezet wordt om olieverontreinigingen te bestrijden.
[E> Rijkswaterstaat WOCB overzicht (pdf)]
Behalve specifieke oliebestrijdingsvaartuigen bestaan er ook vaartuigen die door toevoeging van veegarmen bij de bestrijding van olie ingezet kunnen worden.

Gerelateerde term: veegarm.





~olieboek:
douanedocument in verband met de in- en uitvoer, van en naar Duitsland, van brandstoffen en smeeroliën voor eigen gebruik. Een soort logboek waaarin men verantwoording aflegd van het brandstof- en smeerolieverbruik, als ook van de aanschaf van deze zaken. Wie geen olieboek had, moest bij de douane om een speciale vergunning om te mogen bunkeren vragen. Wie zijn boekhouding niet nauwkeurig genoeg had bijgehouden riskeerde een boete. In 2008 werd deze maatregel.
Evenals het vaartijdenboek ook wel leugenboek genoemd.





~olieboom:
zie olieworst.





~olieboot, oliebootje, leurboot, olieleurboot, bunkerboot:
tankscheepje dat brandstof aan binnenvaartschepen verkoopt. [A>]
Zie ook: bunkervaartuig.
Al spreekt men over een olieboot; de vaartuigen in kwestie zijn schepen. (uitleg).






~oliebroek:
broek van oliegoed(2).





~oliebunker:
ander woord voor brandstoftank.





~olieën:
1> met olie, of op olie gelijkende vloeistoffen, bestrijken, bevloeien of doordrenken.

2> smeerpunten van werktuigen of machines van olie of dun vet voorzien.





~olie-gasmotor:
gasmotor, die voor de ontsteking van het gas, gebruik maakt van een kleine hoeveelheid vloeibare brandstof. Motoren, die een electrische ontsteking gebruiken om het mengsel te doen ontbranden, noemt men vol-gasmotoren. In de binnenvaart werden, omdat men vaak bestaande diesel en gloeikopmotoren ombouwde voor het gebruik op gas, olie-gasmotoren het meest toegepast.
Olie-gasmotoren werden onder gemaakt door Brons, Industrie (beiden zowel 4 als 2takt motoren), Hollandia (2takt), Kromhout (2takt gloeikop met gassluis), Deutz (2takt).
Er zijn ook motoren die wel starten op olie, maar eenmaal draaiende overschakelen op volgas gebruik.






~oliegoed:
1> regenkleding van met lijnolie behandeld katoen. Bestaande uit een Zuidwester, een lange regenjas en soms ook een broek. In de visserij: jas, broek en schort van oliegoed(2).

2> de stof waarvan deze kleding gemaakt is.




~oliejas:
lange regenjas van oliegoed(2).





~oliekerendscherm:
zie oliescherm.





~oliekoeler:
warmtewisselaar, waarmee olie van de motor of van de keerkoppeling gekoeld wordt.




~oliekop:
trechtervormige oliehouder, waarmee onderdelen van stoommachines gesmeerd kunnen worden.




~olieleurboot:
zie olieboot.




~oliemotor:
1> algemene benaming voor een explosiemotor, die vloeibare brandstof gebruikt.

2> een dieselmotor.





~oliemouw:
zie morsmouw.





~oliescherm, :
1> oliekerendscherm: in het algemeen een lange strook kunststof (pvc) met aan de bovenzijde drijflichamen en aan de onderzijde ballast. Het scherm wordt rond de verontreiniging gelegd en moet voorkomen dat de verontreiniging zich verder verspreid.
De drijflichamen kunnen met luchtgevulde ruimtes, maar ook blokken of platen kunststofschuim zijn. Soms gebruikt men dunne schuimplaten die bijna de gehele breedte van de strook beslaan. De ballast bestaat vaak uit een metalen ketting die aan of in de onderzoom bevestigd is. De stroken kunnen door middel van speciale koppelingen met elkaar verbonden worden. De schermen houden de olie alleen tegen. Door het aanhalen van de schermen kan men de olie op één plaats concentreren en bijv. met een skimmer afgezuigen. De gekozen hoogte van het scherm is afhankelijk van de verwachte golfslag, de sterkte, welke belangrijk is bij het inhalen van het scherm, is afhankelijk van de benodigde lengte.

Gerelateerde term: oliebetrijdingsmiddel.

2> soms gebruikt als naam voor bepaalde olieworsten.





~olieschort:
zie schootsvel.




~oliesloof:
zie schootsvel.




~oliestoker:
stoomschip dat van olie gestookte ketels gebruik maakt.





~olietanker:
tankschip voor het vervoer van aardoliedestilaten/vloeibare brandstoffen. Meestal kortweg tanker genoemd. [A>]
Men kent naast de gewone olietanker ondermeer olieboten en bunkervaartuigen.





~olieveegarm:
zie veegarm.





~olievel:
zie schootsvel.





~olieworst, olieboom, oliescherm:
langwerpig rond lichaam gevuld met olie absorberend materiaal.
In veel gevallen is het absorberende materiaal een polypropyleenvezel (mensenhaar schijnt ook heel goed te werken!) en wordt dit omgeven door een kokervormig net van het zelfde materiaal. Er bestaan ook dubbele worsten, waarbij als de eerste worst verzadigd raakt, de tweede worst voorkomt dat olie over de eerste deels gezonken worst heen slaat. De meeste worsten zijn slechts beperkt herbruikbaar.

Gerelateerde term: oliebetrijdingsmiddel.





~ombrassen:
bij een dwarsgetuigdschip: de zeilen, ra's omhalen(3).




~omhoog :
ZICH OMHOOG VAREN
: zich met het schip tegen een ondiepte vast varen.
OMHOOG ZITTEN
: zich omhoog gevaren hebben of door het zakken van het water aan de grond komen.
OMHOOG WERKEN
: met een zeilschip een eind tegen de wind in laveren, om een betere uitgangspositie, bijv. voor het aanlopen van een haven, te krijgen.





~omgooien:
van het roer: snel naar de tegengestelde kant bewegen.




~omhalen:
1> (door middel van verhalen) met de andere zijde tegen de wal gaan liggen.
2> verhalen.
3> de zeilen over de andere boeg(5) zetten.
4> van de wind: naar een andere richting draaiend.




~omhangzwaard:
zie overhanger.




~omkeerbaar :
(DIRECT) OMKEERBARE MOTOR
: motor met twee draairichtingen. [A>] [A> film]
OMKEERBARE SCHROEF
: een schroef waarvan de bladen in drie standen, vooruit, neutraal en achteruit, gedraaid kunnen worden. [T> Schroeven.]




~omkeerbeweging:
het systeem waarmee men de schroef in de tegengestelde richting laat draaien. Bijv. een keerkoppeling of het systeem waarmee men een omkeerbare motor of omkeerbare schroef omzet.




~omkeerkoppeling:
keerkoppeling.




~omkenteren:
dubbelzegging of contaminatie: kenteren, omslaan.




~omkijken, achteromkijken, omzien:
ongewenst afvallen na het overstag gaan.




~omkruisen:
laverend kruisen.




~omleggen:
1> overleggen.
2>
HET ROER OMLEGGEN/OMGOOIEN
:
a> het roer zover mogelijk de andere kant opzetten.
b> terug gaan. [U> roer.]




~omloop:
soort balkweger, tegen de binnenkant van de scheepshuid en om de spanten, onder het dek, bij diverse houten schepen. Ook de aanlopen en het onderkrophout kunnen tot de omloop gerekend worden.




~omloopkoeling:
systemen voor motorkoeling, waarbij het koelwater van de motor in een gesloten systeem circuleert. Dergelijke systemen zijn: interkoeling, bunkoeling, radiatorkoeling, vatkoeling en de diverse vormen van kielkoeling.




~omloopriool:
afsluitbare duiker waardoor het water in en uit een sluiskolk gelaten kan worden.




~ommelandvaarder, Beltvaarder, Sontvaarder:
zeewaardig binnenvaartschip of kustvaarder voor de vaart naar de Oostzee, waarbij men OM Denemarken heen voer. De term werd hoofdzakelijk ten tijde van de zeilvaart gebruikt.
Zie ook: binnen-buitenvaart.





~ommelandvaart, beltvaart, sontvaart:
de vaart van en naar de Oostzee, waarbij men om Denemarken heen voer.
Voor zover bekend werd deze term voornamelijk begin 20ste eeuw gebruikt voor de groep zeewaardige schepen, die vanuit het binnenland direct naar het Skagerrak en de Oostzee voeren.
De term ommelandvaart is echter veel ouder en heeft dan meer betrekking op de vaart tussen de hanzesteden.

Zie ook: binnen-buitenvaart.
[E> Nederlandse Sontregisters (Nationaal archief)]





~ommer: hommer.





~ommevaart: omvaart.





~omvormer:
apparaat dat van een gelijkspanning, meestal 12 of 24 volt, een wisselspanning, meestal 220 volt, maakt.
ROTERENDE OMVORMER
: een combinatie van een gelijkstroommotor en een wisselstroomgenrator, meestal in één behuizing.
STATISCHE OMVORMER
: trilleromvormer of electronische omvormer.
TRILLEROMVORMER
: omvormer met een op 50 Hz trillend relais in combinatie met een transformator.
ELECTRONISCHE OMVORMER
: blokgolf-, trapezium(golf)-, of sinus(golf)omvormer: electronische schakeling in combinatie met een transformator.





~omscheren:
een touw of staaldraad op andere wijze door één of meerdere blokken voeren.




~omschieten:
andersom opschieten.




~omschutten:
schutten, zonder dat er schepen in de kolk liggen. Ook: omzetten. Verwante termen: opschutten, afschutten.




~omslaan:
1> kapseizen.
2> kenteren.




~omslag:
bij onderlingen: de naast de gewone verzekeringspremie te betalen bedrag.




~omvaart, ommevaart:
1> rondvaart: de vaart waarbij vertrek- en aankomsthaven gelijk zijn.
2> het langs een omweg varen.
3> kruisen: her en der varen.





~omval:
plaats waar men, in de regel, vrij sterk van koers moet veranderen; vaak de plaats waar men van de ene vaarweg een belangrijke andere vaarweg opdraait.
De term komt van omvallen (de zeilen om laten vallen, overstag gaan) en stamt dus uit de tijd van de zeilvaart. Sommige 'plaatsen' ontlenen hun naam aan dit begrip: de Omval te Alkmaar en de Omval te Amsterdam aan de Amstel.





~omvallen:
overstag gaan.





~omvaren:
1> ronden: ergens omheen varen.
2> een omvaart maken.
3> omver varen.




~omzeilen:
zeilend omvaren.




~omzetten:
1> van een sluis: omschutten.
2a> van een omkeerbare motor: de draairichting wijzigen.
b> van een omkeerbare schroef: de stuwrichting omkeren.
3> van een lier: een andere gang(2) kiezen.




~omzien: omkijken.





~onbevaarbaar:
niet met een (bepaald) schip te bevaren zijnde.





~onbevaren:
1> geen ervaring met het varen hebbend.

2> van water: niet door schepen bevaren.





~onbewegerd:
van het ruim (op houten schepen): zonder wegering.





~onder:
1> lager: aan lij.

2>
ONDER DE SLUIS
: aan die zijde van de sluis waar het water het laagst staat.

3> 
ONDER ZEIL GAAN
: vertrekken.

4> 
ONDER DE WAL BLIJVEN
: dichtbij de oever blijven.





~onderboord, neerboord, geerd, geerde, kimgang, kimplank, zandboord:
bij schepen met een scherpe kim: het gedeelte tussen berghout of middelboord en vlak.





~onderbouw:
onderste deel van iets. In het bijzonder het onderste, meest stalen, deel van een stuurhut.




~onderdek:
zie benedendek.




~onderdeks, benedendeks:
onder het dek gelegen.




~onderdoorvaart:
willekeurige constructie, waar men onder door kan varen.




~onderdoorvaarthoogte:
1> de afstand tussen het wateroppervlak en een zich boven het vaarwater bevindend voorwerp.

VRIJE ONDERDOORVAARTHOOGTE
:
a> volgens sommigen: de onderdoorvaarthoogte van een gesloten beweegbare brug.
b> volgens sommigen: de onderdoorvaarthoogte bij de hoogste waterstand.

2> doorvaarthoogte.

Verwante termen: kruiphoogte, schrikhoogte.




~onderijken:
een vaartuig dusdanig ijken dat de ijkmerken een eind(je) onder de hoogst mogelijke positie staan.
Door het onderijken verandert wel de maximale hoeveelheid lading die het MAG vervoeren, maar het laad- en draagvermogen blijft natuurlijk onveranderd. Onderijken gebeurt slechts zelden. Men mag immers niet langer zoveel vervoeren als men wel kan, dus valt er ook minder te verdienen. Indien men echter verwacht dat men gedurende lange tijd toch het volle laadvermogen van het schip niet kan benutten, kan het gunstiger zijn het schip over te laten meten op een lagere tonnemaat. Bepaalde lasten, zoals havengeld, worden voor vrachtschepen namelijk berekend naar het, in de meetbrief vermelde, aantal tonnen.






~onderkoeling:
situatie waarbij de lichaamstemperatuur door invloeden van buitenaf onder de 35 graden raakt.
De meeste drenkelingen komen door onderkoeling en niet door verdrinking om het leven! Onderkoeling gaat bij gelijke temperatuur in water ca. 30 keer sneller dan op het droge.






~onderkrophout:
verlengstuk van de omloop in het voorschip.





~onderkuip:
gedeelte waarin de hefconstructie van stuurhutten gefundeerd en deels ondergebracht is.





~onderlegger:
Zie hulk.




~onderlijk:
de onderrand van een zeil. Bij een gaffelzeil ook broek(2) genoemd.




~onderlinge, onderlinge verzekeringsmaatschappij:
soort vereniging van scheepseigenaren, die zichzelf verzekeren.




~onderloper:
vaartuig, dat het ijs breekt, door de steven of een ijsploeg onder het ijs te schuiven.





~onderlosser:
beunschip waarvan de bodem naar beneden toe open kan openklappen, waardoor de lading, die meestal uit bagger of stenen bestaat, gelost wordt. [A>]





~onderlossing:
het lossen van een onderlosser.




~ondermaats:
van vis: beneden de voorgeschreven maat.




~ondermast:
onderste deel van een stengemast.




~onderpees:
aan de onderzijde van een net bevestigde lijn. Deze lijn is vaak verzwaard en wordt dan Gerelateerde termen: loodpees genoemd of de lijn bevestigd het net aan een verzwaarde houten balk of stalen pijp.
Gerelateerde term: bovenpees.



~onderpost:
balk of zware plank aan de onderzijde; in het bijzonder de onderste post van een zwaard.




~onderra:
1> het onderste rondhout aan een dwarsscheepszeil.
2> het onderste rondhout aan een langsscheepszeil wanneer dit rondhout tot naast of voorbij de mast steekt.




~onderroe:
onderste rondhout van een latijnzeil. Vaak ontbrekend.




~onderroosterwerk:
het, van wiepen gemaakte, onderste roosterwerk van een rijzenbed, zink- of kraagstuk.




~onderslag:
de fundering, bodem, van een sluis.




~onderslagbalk:
één der balken van de fundering van een sluis.




~onderslagdorpel, onderslagdrempel:
slagdrempel aan die kant van de sluis waar het water het laagst staat.




~onderslagdrempel:
zie onderslagdorpel.




~onderstrijker:
1> mast, waarvan het ondereind door het dek heen steekt. [A>]
2> idem, maar tevens met de strijktalie benedendeks.
Zie ook bij bovenstrijker.




~onderstroom:
stroming, onder de bovenste laag van het water, indien deze in richting en/of snelheid duidelijk afwijkt van de bovenstroom.




~ondertal:
het tekort aan lading.




~ondertrekker, viskoproer:
verwijderbaar koproer, dat niet in een bun opgetrokken kan worden, dus altijd onder het vlak uitsteekt. Voor het laden van het schip werd het koproer verwijderd en het moest dus na het lossen, weer onder het schip getrokken worden.
Wanneer men het roer wenste te verwijderen, liet men het een eindje zakken en zette het dwars. Daarna zette men een lijn op de bolder en deed om deze lijn een sluiting, zodat deze naar de bodem zou zakken. Men haalde de lijn voor de kop langs, tot een eind achter het voorschip. Vervolgens trok men de lijn strak en liep de lijn, terwijl men deze strak bleef houden, weer voor de kop langs naar het beginpunt. De lijn zat nu rond de koning van het roer geslagen. Bovenaan de roerkoning zat een oog, waaraan men een tweede lijn bond. Vervolgens liet men met deze lijn het roer uit de koker zakken, zodat de gehele koning vrij kwam. Op niet te diep water kon men het roer op de bodem laten zakken. Terwijl men de lijn aan de koning verder vierde werd de eerste lijn binnengehaald. Zo kreeg men de lijn aan de koning naast het schip boven water en kon het roer opgehaald worden. Als het roer weer onder het schip moest, dan liet men een lijntje met een gewicht door de koker zakken. Door een tweede lijn onder het schip door te halen, werd de eerste lijn opgevist. De eerste lijn werd vervolgens aan de roerkoning gebonden, het roer over boord gezet en in de koker getrokken.

Zie ook: bunroer.




~ondertuigd:
met een, naar verhouding tot het schip, te kleine tuigage.




~onderwant:
zie hoofdwant.




~onderwatergedeelte:
zeer ongebruikelijke term voor onderwaterschip.




~onderwaterschip, onderwatergedeelte:
het gedeelte van het schip dat altijd onder water is.




~onderwijsvaartuig:
zie opleidingsvaartuig.




~onderzoekingsvaartuig, onderzoeksvaartuig:
algemene term voor die vaartuigen waarmee de bodem van het vaarwater  [A>] of de kwaliteit van het water [A>] of de huidige visstand onderzocht wordt.




~ondiep:
1> van water: met (te) geringe afstand tussen het water oppervlak en de bodem.
2> van vaartuigen: met een geringe holte (in verhouding tot lengte en/of breedte).




~ondiepte:
klein gedeelte van het vaarwater waar de bodem hoger ligt dan elders.
Zie ook: bank, rug, stroombult, raffel, draap.



~ongedekt:
1> eigenlijk: geheel zonder dekken en gangboorden.
2> meestal: zonder gangboorden, maar vaak wel met een klein voor- en eventueel ook achterdek.




~ongeladen:
zonder lading en ballast.




~ongestaagd: onverstaagd.




~onklaar:
in een (tijdelijke) toestand waarin het niet bruikbaar is, verkerend.
ONKLAAR ANKER
:
een anker waarbij de ketting, tros of draad om één der (anker)armen of (anker)vloeien geslagen is.
onklare sleep
:
situatie bij het slepen met meerdere strangen waarbij de strangen met elkaar verward zijn.




~O.N.S.: Onafhankelijke Nederlandse Schippersbond:
Belangenorganisatie voor schippers in de vrachtvaart.




~ontgassen:
1> meestal door natuurlijke ventilatie, gassen uit als lading bestemd bulkgoed laten verdwijnen.
2> restgassen, die in de ladingtanks van een tankschip hangen, verwijderen.




~ontluchten:
lucht uit (brandstof)leidingen laten ontsnappen.





~ontluchting :
opening waardoor gassen uit een afgesloten ruimte kunnen ontwijken. De meeste ontluchtingen dienen tevens als beluchting. Meestal spreekt men bij (nagenoeg) luchtdichte ruimtes, zoals tanks en dode ruimtes, van ont- of beluchting, en bij de overige ruimtes van ventilator. [A>] Zie ook: tankontluchting.




~ontluchtingspijp:
leiding van de ontluchting.





~ontmoeten:
elkaar met tegengestelde koersen naderen.





~
ontramponeerd, ontrampeneerd:
gehavend. Voornamelijk gebruikt voor schade aan de tuigage.




~ontredderd:
door averij in een dergelijke staat verkerend, dat het schip, zonder hulp van buiten af, geen veilige haven meer kan bereiken.




~ontschepen, debarkeren:
van boord gaan of lossen.




~ontslakken:
het geheel van handelingen dat men bij een brandstofvergasser verricht om as en slakken uit het apparaat te verwijderen.




~ontslakkingsbak:
deel van de onderruimte van een Kromhout brandstofvergasser waar zich de sintels verzamelen, die via de ontslakkingsmond verwijderd kunnen worden. Zie ook asbak.




~ontslakkingsdeur:
deel van de onderruimte van een Stork brandstofvergasser waarlangs men de sintels kan verwijderen.




~ontslakkingsmond:
deel van de onderruimte van een Kromhout brandstofvergasser waarlangs men de in de ontslakkingsbak verzamelde sintels kan verwijderen.




~onttakelen, :
1> aftakelen: in de zin van de takelage, dus al het touwwerk, wegnemen. [U>] Zie ook: onttakeld.
2> vaak gebruikt als synoniem voor aftuigen.
3> strippen, kalen.





~onttakeld :
1> door storm, de mast(en) verloren hebbend.
2a> bij een zeilschip: zonder zeilen, staand- en lopend want.
b> voor de overige schepen: een schip dat gestript is.
3> afgetakeld: de staat waarin het schip na het onttakelen (1 of 2) verkeerd.




~ontzeilen:
1> zeilend ontkomen.
2> zeilend ergens langs kunnen komen, misvaren.




~ontzetten, bevrijden:
een schip dat vastgevaren is in het ijs (of waterplanten) uit deze situatie bevrijden. [A> filmbeelden van schepen, die in het ijs vastlopen.]




~onvaarbaar:
niet of zeer moeilijk kunnen varen, eigenlijk alleen gebruikt in:
ONVAARBAAR WEER
.




~onverstaagd:
van masten: zonder zij- en bakstagen.




~onzinkbaar:
niet kunnen zinken.




~oog: kleine (nagenoeg) ronde opening; bijv. een kleine lus of een kleine zware ring.
VAST OOG
: in touw of staaldraad door knopen, bindselen of splitsen, gevormde kleine lus.
LOS OOG
: in een kleine cirkel gelegd touw.




~oogblok:
ongebruikelijke term voor een blok met een neut.




~oogbout:
1> bout waarvan de kop gevormd wordt door een klein oog. Vaak gebruikt voor sluitingen en spalkklemmen.
2> stevige stalen ring voorzien van een pen waarop schroefdraad aanwezig is. Gebruikt op die plaatsen waar men een bevestigingsring nodig heeft, die door de ondergrond heen, vast gezet kan worden.




~oogsplits:
splits waarmee een oog of een lus gevormd wordt. [A>]




~oor:
1> de zijde in:
OP ÉÉN OOR LIGGEN
: tijdens het zeilen naar één kant overhellen.
2> halfronde uitsparing. Zie ook: oorgat.




~oord:
(de oord) de binnenbocht van een rivier, dus het gedeelte met de geringste stroomsnelheid en vaak ook het ondiepste gedeelte. De buitenbocht noemt men de hang.
(Beide termen mogelijk uit het Duits overgenomen?)





~oorgat:
1> uitsparing tussen boeisel en voorstevenbalk, waardoor de ankertros gevoerd kon worden. [A>]

2> onderbreking in het brugdek van een vaste (stenen boog)brug, waar de mast van het schip doorheen past. Afgedekt met twee scharnierende planken voorzien van oorijzers.

3> doorvaartopening in een paalgording(1).




~oorijzer:
gebogen ijzeren stang aan een plank over het oorgat(2).




~oorlogshaven:
zie marinehaven.




~oorlogsletter:
Zie groepsletter.




~oosterdijk:
de dijk aan de oostzijde van de rivier.





~oosteren:
van kompassen: een afwijking naar het oosten hebben.




~oostoverligger, linker-schip:
zeilend
vissersschip dat in span vist en daarbij over de bakboord ligt.




~Oostzee......: zie ook Zee......





~Oostzeetjalk:
zie bij: Tjalk.




~Oostzeevaart:
de scheepvaart met (beperkt) zeewaardige binnenvaartschepen van en naar de Oostzee.





~opbaggeren:
1> materiaal waaruit de bodem van het vaarwater bestaat boven water brengen (en afvoeren).

2> iets, meestal een groot voorwerp en meestal ongewild, vanaf de boden van het vaarwater boven water brengen.





~opbochten, opschieten:
een touw of staaldraad in (steeds in dezelfde richting gemaakte) bochten neerleggen of ophangen.
Wanneer men touw met steeds tegengestelde (halve) bochten neerlegt, noemt men dat achten.





~opboeien, boeien:
een houten romp vanaf het berghout verder ophogen, dus een boeisel aanbrengen.
Gerelateerde termen: boeisel, opboeisel.




~opboeisel:
1> volgens sommigen: synoniem voor boeisel.

2> bij houten schepen, volgens sommigen: het gedeelte van het boeisel boven het dek.

3> volgens sommigen: een gewoon settelboord.

4> volgens de meesten: een extra verhoging van het boeisel, dus een vast settelboord, tussen voor- en achterbolder, dat naadloos aansluit op het boeisel.




~opbouw:
elke besloten ruimte, die een redelijk eind boven het dek uitsteekt. Kleine opbouwtjes, die als toegang tot benedendekse ruimtes dienen, worden vaak niet tot de opbouwen gerekend.




~opbouwen:
van opbouwen, in het bijzonder van een grote (jachten)roef, voorzien.





~op de bil slepen, op de kont slepen:
in de Rijnsleepvaart: een schip, op een zwemstrang, die (soms) op een tornbolder vastgezet werd, kort achter de sleepboot nemen.





~opdirken: [U>]
1> de giek met de dirk een eindje omhoog hijsen.
2> één der uiteinde van de ra omhoog hijsen.




~opdoeken, beslaan:
de zeilen samen nemen en vastzetten. [A>] [U>]




~opdraaien:
1> tegen de stroom of de wind in gaan varen. (Vaak als onderdeel van een manouvre; bijv. als men ergens moet wachten, maar varende wil blijven.) [U>]

2> indraaien, inhieuwen: met een lier ophijsen of binnenboord trekken.





~opdrijven:
1> zich door de vloed mee laten voeren.
2> het gaan drijven van iets, dat eerst op de bodem van het water gelegen heeft.




~opdrukken:
een vrachtschip met een opdrukker voortduwen. [A>]





~opdrukker, opduwer, gatstoemper:
klein scheepje, soms een boot, met ingebouwde motor, die tegen het achterschip van een vrachtschip duwt. [A>] [A> film] Sommigen maken onderscheid tussen een opdrukkersleepboot (de steilstevenopdrukker) en een opdrukkervlet (vletopdrukker). Vooral in de Zuidelijke Nederlanden soms ook 'gatstoemper' genoemd.
Wanneer dat zo te pas kwam, werd de opdrukker niet achter maar voor het schip genomen, dus als sleepboot gebruikt. Het RPR van 1954 noemt het dan van een optrekker.





~opdrukkersleepboot:
1> opdrukker, die ook voor sleepwerk geschikt (gemaakt) is. [A>]

2> opdrukker met sleepbootachtig model, ook steilstevenopdrukker genoemd, maar mogelijk heeft de steilstevenopdrukker iets minder zeeg. [A>]





~
opdrukkervlet:
stalen vlet met ingebouwde motor, die als opdrukker gebruikt wordt. Deze vletten worden zowel met spiegel, als met geveegd achterschip gebouwd. [A>]
Zie ook: vletopduwer.





~opduwer: opdrukker.




~opduwframe:
raamwerk bestaande uit een vertikaal en horizontaal deel aan de voorzijde van een maaiboot, waarmee waterplanten 'opgeschept' kunnen worden. [A> maaiboot met opduwframe]





~open:
OPEN VAARTUIG
, boot: een vaartuig zonder dekken (evt. een klein voor- en/of achterdekje uitgezonderd), gangboorden, den, opbouwen, enz.

OPEN WATER
:
a> water waar geen vast ijs of samengepakt drijfijs op voorkomt.
b> een meer of zeearm.
c> vaarwater dat niet door sluizen ingesloten is.




~openleggen, opengooien:
de luiken van het ruim afnemen.




~openteren:
langs de weeflijnen in de zijstagen omhoog klimmen.




~operatie:
operatie zeeleeuw
,
operation Seelöwe
:
het plan van de Duitse bezetter om met binnevaartschepen een landing op de Engelse kust uit te voeren. Een groot aantal schepen werd hiervoor in beslag genomen, waarna ze gekopt werden om als landingsvaartuig dienst te doen. Mogelijk ook bekend onder de naam "Englandfahrt".





~opgeboeid:
van een boeisel voorzien.




~opgedoekt:
van zeilen: netjes tegen rondhout of stagen gebonden.




~opgeien:
1> de onderkant van het zeil optrekken. Alleen van toepassing op dwarsscheepse zeilen.
2> bij het spriettuig: het zeil zoveel mogelijk tegen de mast getrokken en vastgezet.




~opgekimd, getilt:
van een vlak: een vlak, waarvan de zijkanten hoger liggen, dan het midden.




~opgetuigd:
1> eigenlijk: van een tuigage voorzien.
2> zeilklaar, met de zeilen gehesen.




Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken