Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
Woordenlijst O
~octant: sextant
met een kortere gradenboog namelijk 1/8x360= 45 graden. In de binnenvaart
waarschijnlijk nauwelijks gebruikt.
~oever:
1a> eigenlijk:
aan het water grenzende strook land. Ook zoom genoemd. Zie verder
ook: kant,
boord(5),
wal,
wallekant. b>
Vaak gebruikt voor de scheiding tussen water en 'land'.
GROENE of ZACHTE OEVER
: oever zonder enige oeververdediging,
meestal tegen de rand van een weiland o.i.d.
HARDE OEVER
: meestal een oever met steenstortingen of
stenen glooiing.
LINKER OEVER
: stroomafwaarts
of richting zee gaand gezien, de linker oever.
~offerhout:
hout, dat
aangebracht is
om delen van het schip,
tegen aanvaring of
overmatige
slijtage te beschermen. Hiertoe behoren onder andere: de aanvaarklamp, het ijsboord, de kielzool, beuling, schuurlijst
etc..
een uiteinde of een overgang die sierlijk verloopt.
De term duikt tegenwoordig geregeld op, in oudere bronnen spreekt men van een gilling.
Een ojief, soms ook ogief, is een term uit de bouwwereld en wordt ondermeer gebruikt voor een lijst met een holle kant, die direct overgaat in een bolle kant.
~olie:
term die zowel voor brandstof (gasolie) als voor smeermiddel
(smeerolie) als voor bepaalde conserveermiddelen gebruikt wordt (lijnolie).
~olie-adsorptiedoek,
olie-adsorptievel,
olie-absorptiedoek,
olie-adsorptievel
:
relatief dun olie adsorberend materiaal (polypropyleenvezels) in rechthoekige vorm. Voornamelijk gebruikt om dunne oliesoorten, bijeen gehouden met olieschermen, op te 'zuigen'.
De correcte benaming is adsorptie. De olie hecht zich namelijk aan de vezels en wordt niet in de vezel opgenomen. Het verschil tussen vellen en doeken zou kunnen zijn, dat doeken sterker zijn of andere weefsels bevat om extra sterkte te verkrijgen. Vellen bestaan meestal uit vrij los materiaal. Vellen en doeken kunnen gestapeld, maar ook op geperforeerde rol geleverd worden.
~olie-adsorptierol,
olie-adsorptiestrook,
olie-absorptierol,
olie-absorptiestrook
:
rol met relatief dun olie adsorberend materiaal (polypropyleenvezels). Voornamelijk gebruikt om dunne oliesoorten, bijeen gehouden met olieschermen, op te 'zuigen'.
De correcte benaming is adsorptie. De olie hecht zich namelijk aan de vezels en wordt niet in de vezel opgenomen. Hierdoor zijn dit soort middelen soms voor hergebruik geschikt. Het verschil tussen 'rollen' en 'stroken' zit hem, naar het schijnt, in de manier waarop het gepakt wordt. Stroken kunnen gevouwen of losjes opgewikkeld zijn, rollen zijn meestal gewikkeld rond een harde kern die geschikt is voor het gebruik op een as.
Behalve specifieke oliebestrijdingsvaartuigen bestaan er ook vaartuigen die door toevoeging van veegarmen bij de bestrijding van olie ingezet kunnen worden.
douanedocument in verband met de in- en uitvoer, van en naar Duitsland, van brandstoffen en smeeroliën voor eigen gebruik. Een soort logboek waaarin men verantwoording aflegd van het brandstof- en smeerolieverbruik, als ook van de aanschaf van deze zaken. Wie geen olieboek had, moest bij de douane om een speciale vergunning om te mogen bunkeren vragen. Wie zijn boekhouding niet nauwkeurig genoeg had bijgehouden riskeerde een boete. In 2008 werd deze maatregel.
Evenals het vaartijdenboek ook wel leugenboek genoemd.
gasmotor, die voor de ontsteking van het gas, gebruik maakt van een kleine hoeveelheid vloeibare brandstof. Motoren, die een electrische ontsteking gebruiken om het mengsel te doen ontbranden, noemt men vol-gasmotoren. In de binnenvaart werden, omdat men vaak bestaande diesel en gloeikopmotoren ombouwde voor het gebruik op gas, olie-gasmotoren het meest toegepast.
Olie-gasmotoren werden onder gemaakt door Brons, Industrie (beiden zowel 4 als 2takt motoren), Hollandia (2takt), Kromhout (2takt gloeikop met gassluis), Deutz (2takt).
Er zijn ook motoren die wel starten op olie, maar eenmaal draaiende overschakelen op volgas gebruik.
~oliegoed: 1>
regenkleding van met lijnolie behandeld katoen. Bestaande uit een Zuidwester, een lange regenjas en soms ook een broek. In de visserij: jas, broek en schort van oliegoed(2).
1>oliekerendscherm: in het algemeen een lange strook kunststof (pvc) met aan de bovenzijde drijflichamen en aan de onderzijde ballast. Het scherm wordt rond de verontreiniging gelegd en moet voorkomen dat de verontreiniging zich verder verspreid.
De drijflichamen kunnen met luchtgevulde ruimtes, maar ook blokken of platen kunststofschuim zijn. Soms gebruikt men dunne schuimplaten die bijna de gehele breedte van de strook beslaan. De ballast bestaat vaak uit een metalen ketting die aan of in de onderzoom bevestigd is. De stroken kunnen door middel van speciale koppelingen met elkaar verbonden worden. De schermen houden de olie alleen tegen. Door het aanhalen van de schermen kan men de olie op één plaats concentreren en bijv. met een skimmer afgezuigen. De gekozen hoogte van het scherm is afhankelijk van de verwachte golfslag, de sterkte, welke belangrijk is bij het inhalen van het scherm, is afhankelijk van de benodigde lengte.
~oliestoker: stoomschip
dat
van
olie gestookte ketels gebruik maakt.
~olietanker: tankschip voor het vervoer van aardoliedestilaten/vloeibare brandstoffen. Meestal kortweg tanker genoemd.
[A>]
Men kent naast de gewone olietanker ondermeer olieboten en bunkervaartuigen.
~olieworst,
olieboom,
oliescherm:
langwerpig rond lichaam gevuld met olie absorberend materiaal.
In veel gevallen is het absorberende materiaal een polypropyleenvezel (mensenhaar schijnt ook heel goed te werken!) en wordt dit omgeven door een kokervormig net van het zelfde materiaal. Er bestaan ook dubbele worsten, waarbij als de eerste worst verzadigd raakt, de tweede worst voorkomt dat olie over de eerste deels gezonken worst heen slaat. De meeste worsten zijn slechts beperkt herbruikbaar.
:
zich omhoog gevaren hebben of door het zakken van het water aan de grond
komen.
OMHOOG WERKEN
:
met een zeilschip een eind tegen de wind in laveren, om een betere uitgangspositie, bijv. voor het aanlopen van een haven, te krijgen.
~omgooien:
van het roer:
snel naar
de
tegengestelde kant bewegen.
~omhalen: 1> (door
middel
van verhalen)
met de andere zijde tegen de wal
gaan liggen. 2>verhalen. 3>
de zeilen over de andere boeg(5)
zetten. 4> van de wind: naar een andere
richting draaiend.
: a>
het roer
zover mogelijk de andere kant opzetten. b>
terug gaan. [U> roer.]
~omloop:
soort balkweger,
tegen de binnenkant van de scheepshuid
en om
de spanten,
onder het dek, bij diverse
houten schepen.
Ook
de aanlopen en het onderkrophout
kunnen tot de omloop gerekend worden.
~omloopkoeling:
systemen
voor
motorkoeling,
waarbij het koelwater van de motor in een gesloten systeem circuleert.
Dergelijke systemen zijn: interkoeling,
bunkoeling, radiatorkoeling, vatkoeling en de
diverse vormen van kielkoeling.
~omloopriool:
afsluitbare duiker waardoor het
water in
en uit een sluiskolk gelaten
kan worden.
~ommelandvaarder,
Beltvaarder,
Sontvaarder:
zeewaardig binnenvaartschip of kustvaarder voor de vaart naar de Oostzee, waarbij men OM Denemarken
heen voer. De term werd hoofdzakelijk ten tijde van de zeilvaart gebruikt.
Zie ook: binnen-buitenvaart.
~ommelandvaart,
beltvaart,
sontvaart:
de vaart van en naar de Oostzee, waarbij men om Denemarken heen voer.
Voor zover bekend werd deze term voornamelijk begin 20ste eeuw gebruikt voor de groep zeewaardige schepen, die vanuit het binnenland direct naar het Skagerrak en de Oostzee voeren.
De term ommelandvaart is echter veel ouder en heeft dan meer betrekking op de vaart tussen de hanzesteden.
~omval:
plaats waar men, in de regel, vrij sterk van koers moet veranderen; vaak de plaats
waar men van de ene vaarweg een
belangrijke andere vaarweg opdraait.
De term komt van omvallen (de zeilen om laten vallen, overstag
gaan) en stamt dus uit de tijd van de zeilvaart. Sommige 'plaatsen'
ontlenen hun naam aan dit begrip: de Omval te Alkmaar en de Omval te
Amsterdam aan de Amstel.
~onderdoorvaart:
willekeurige
constructie,
waar men onder door kan varen.
~onderdoorvaarthoogte: 1> de
afstand tussen het wateroppervlak en een zich boven het vaarwater
bevindend voorwerp.
VRIJE ONDERDOORVAARTHOOGTE
: a> volgens sommigen: de onderdoorvaarthoogte van een
gesloten beweegbare brug. b> volgens sommigen: de onderdoorvaarthoogte bij
de hoogste waterstand.
~onderijken:
een vaartuig dusdanig ijken dat de ijkmerken een eind(je) onder de hoogst mogelijke positie staan.
Door het onderijken verandert wel de maximale hoeveelheid lading die het MAG vervoeren, maar het laad- en draagvermogen blijft natuurlijk onveranderd. Onderijken gebeurt slechts zelden. Men mag immers niet langer zoveel vervoeren als men wel kan, dus valt er ook minder te verdienen. Indien men echter verwacht dat men gedurende lange tijd toch het volle laadvermogen van het schip niet kan benutten, kan het gunstiger zijn het schip over te laten meten op een lagere tonnemaat. Bepaalde lasten, zoals havengeld, worden voor vrachtschepen namelijk berekend naar het, in de meetbrief vermelde, aantal tonnen.
~onderkoeling:
situatie waarbij de lichaamstemperatuur door invloeden van buitenaf onder de 35 graden raakt.
De meeste drenkelingen komen door onderkoeling en niet door verdrinking om het leven! Onderkoeling gaat bij gelijke temperatuur in water ca. 30 keer sneller dan op het droge.
~onderpees:
aan de onderzijde van een net bevestigde lijn. Deze lijn is vaak verzwaard en wordt dan Gerelateerde termen: loodpees genoemd of de lijn bevestigd het net aan een verzwaarde houten
balk of stalen pijp.
Gerelateerde term: bovenpees.
~onderpost:
balk of zware plank aan de onderzijde; in het bijzonder de onderste
post van een zwaard.
~ondertrekker,
viskoproer:
verwijderbaar koproer,
dat niet in een bun opgetrokken kan worden,
dus altijd onder het vlak uitsteekt. Voor het laden van het schip werd het koproer verwijderd en het moest dus na het lossen, weer onder het schip getrokken worden.
Wanneer men het roer wenste te verwijderen, liet men het een eindje zakken en zette het dwars. Daarna zette men een lijn op de bolder en deed om deze lijn een sluiting, zodat deze naar de bodem zou zakken. Men haalde de lijn voor de kop langs, tot een eind achter het voorschip. Vervolgens trok men de lijn strak en liep de lijn, terwijl men deze strak bleef houden, weer voor de kop langs naar het beginpunt. De lijn zat nu rond de koning van het roer geslagen. Bovenaan de roerkoning zat een oog, waaraan men een tweede lijn bond. Vervolgens liet men met deze lijn het roer uit de koker zakken, zodat de gehele koning vrij kwam. Op niet te diep water kon men het roer op de bodem laten zakken. Terwijl men de lijn aan de koning verder vierde werd de eerste lijn binnengehaald. Zo kreeg men de lijn aan de koning naast het schip boven water en kon het roer opgehaald worden. Als het roer weer onder het schip moest, dan liet men een lijntje met een gewicht door de koker zakken. Door een tweede lijn onder het schip door te halen, werd de eerste lijn opgevist. De eerste lijn werd vervolgens aan de roerkoning gebonden, het roer over boord gezet en in de koker getrokken.
~onderzoekingsvaartuig,
onderzoeksvaartuig:
algemene term voor die vaartuigen
waarmee de bodem van het vaarwater
[A>]
of de kwaliteit van het water
[A>]
of de huidige visstand onderzocht wordt.
~ondiep: 1> van water: met (te) geringe afstand tussen het water oppervlak en de bodem. 2> van vaartuigen: met een geringe holte (in verhouding tot lengte en/of breedte).
~ongedekt: 1>
eigenlijk:
geheel zonder dekken en gangboorden. 2>
meestal: zonder gangboorden, maar vaak wel met een klein voor-
en eventueel ook achterdek.
:
situatie bij het slepen met
meerdere strangen waarbij de
strangen met elkaar
verward zijn.
~O.N.S.: Onafhankelijke Nederlandse
Schippersbond:
Belangenorganisatie
voor schippers in de vrachtvaart.
~ontgassen: 1>
meestal
door natuurlijke
ventilatie, gassen uit als lading
bestemd bulkgoed
laten verdwijnen. 2>restgassen,
die
in de ladingtanks
van een tankschip
hangen, verwijderen.
~ontluchten:
lucht uit (brandstof)leidingen laten ontsnappen.
~ontluchting:
opening waardoor gassen uit een afgesloten ruimte kunnen ontwijken. De meeste ontluchtingen dienen tevens als beluchting.
Meestal spreekt men bij (nagenoeg) luchtdichte ruimtes, zoals tanks en dode ruimtes, van ont- of beluchting, en bij de overige ruimtes van ventilator.
[A>]
Zie ook: tankontluchting.
~ontslakken:
het geheel van handelingen dat men bij een brandstofvergasser verricht om as en slakken uit het apparaat te verwijderen.
~ontslakkingsbak:
deel van de onderruimte van een Kromhout brandstofvergasser waar zich de sintels verzamelen, die via de ontslakkingsmond verwijderd kunnen worden. Zie ook asbak.
~ontslakkingsdeur:
deel van de onderruimte van een Stork brandstofvergasser waarlangs men de sintels kan verwijderen.
~ontslakkingsmond:
deel van de onderruimte van een Kromhout brandstofvergasser waarlangs men de in de ontslakkingsbak verzamelde sintels kan verwijderen.
~onttakeld: 1> door storm, de mast(en)
verloren hebbend. 2a>
bij een zeilschip:
zonder zeilen, staand- en
lopend want. b>
voor de overige
schepen: een schip dat gestript
is. 3>afgetakeld: de
staat waarin het schip
na het onttakelen (1 of 2)
verkeerd.
~ontzeilen: 1>zeilend
ontkomen. 2> zeilend ergens langs kunnen komen, misvaren.
~ontzetten,
bevrijden:
een schip dat vastgevaren
is in het ijs (of waterplanten) uit deze situatie bevrijden.
[A>
filmbeelden van schepen, die in het ijs vastlopen.]
~onvaarbaar:
niet of zeer moeilijk kunnen varen,
eigenlijk alleen gebruikt in:
~oogblok:
ongebruikelijke term voor
een blok
met een neut.
~oogbout: 1> bout
waarvan de
kop
gevormd wordt door een klein oog. Vaak gebruikt voor sluitingen
en spalkklemmen. 2>
stevige
stalen
ring voorzien van een pen waarop schroefdraad aanwezig is. Gebruikt op
die plaatsen waar men een bevestigingsring nodig heeft, die door de
ondergrond
heen, vast gezet kan worden.
~oogsplits: splits
waarmee een oog of een lus
gevormd wordt.
[A>]
:
tijdens
het zeilen naar
één kant
overhellen. 2>
halfronde uitsparing. Zie ook: oorgat.
~oord:
(de oord) de binnenbocht van een rivier, dus het gedeelte met de
geringste stroomsnelheid en vaak ook het ondiepste gedeelte. De
buitenbocht noemt men de hang.
(Beide termen mogelijk uit het Duits overgenomen?)
onderbreking in het
brugdek van een
vaste
(stenen boog)brug, waar de mast
van het schip
doorheen past. Afgedekt met twee scharnierende planken voorzien van oorijzers.
~opbaggeren: 1> materiaal waaruit de bodem van het vaarwater bestaat boven water brengen (en afvoeren).
2> iets, meestal een groot voorwerp en meestal ongewild, vanaf de boden van het vaarwater boven water brengen.
~opbochten,
opschieten:
een touw of staaldraad in (steeds in dezelfde richting gemaakte) bochten neerleggen of ophangen.
Wanneer men touw met steeds tegengestelde (halve) bochten neerlegt, noemt men dat achten.
4>
volgens de meesten: een extra verhoging van het boeisel, dus een vast
settelboord,
tussen voor- en achterbolder,
dat naadloos aansluit op het boeisel.
~opbouw:
elke besloten ruimte, die
een
redelijk
eind boven het dek
uitsteekt. Kleine
opbouwtjes,
die als toegang tot benedendekse
ruimtes
dienen, worden vaak niet tot de opbouwen gerekend.
~opbouwen:
van opbouwen,
in het bijzonder van een grote (jachten)roef,
voorzien.
~op de bil slepen,
op de kont slepen:
in de Rijnsleepvaart: een
schip, op een zwemstrang, die
(soms) op een tornbolder
vastgezet werd, kort achter de sleepboot nemen.
~opdirken:
[U>] 1>
de giek met de dirk een eindje omhoog hijsen. 2>
één
der uiteinde van de ra
omhoog hijsen.
~opdraaien: 1> tegen de stroom of de wind in gaan varen. (Vaak als onderdeel van een manouvre; bijv. als men ergens moet wachten, maar varende wil blijven.)
[U>]
klein scheepje,
soms een boot, met ingebouwde motor, die tegen het achterschip van een vrachtschip
duwt. [A>]
[A>film]
Sommigen maken onderscheid tussen een opdrukkersleepboot
(de steilstevenopdrukker) en een opdrukkervlet
(vletopdrukker). Vooral in de Zuidelijke Nederlanden soms ook 'gatstoemper' genoemd.
Wanneer dat zo te pas kwam, werd de opdrukker niet achter maar voor het schip genomen, dus als sleepboot gebruikt. Het RPR van 1954 noemt het dan van een optrekker.
~opduwframe:
raamwerk bestaande uit een vertikaal en horizontaal deel aan de
voorzijde van een maaiboot,
waarmee
waterplanten 'opgeschept' kunnen worden.
[A>maaiboot
met opduwframe]
:
het plan van de Duitse bezetter om met binnevaartschepen
een landing op de Engelse kust uit te voeren. Een groot aantal schepen werd hiervoor in beslag genomen, waarna ze gekopt werden om als landingsvaartuig
dienst te doen. Mogelijk ook bekend onder de naam "Englandfahrt".
~opgeien: 1>
de onderkant van het zeil
optrekken. Alleen van toepassing op dwarsscheepse
zeilen. 2> bij het spriettuig:
het
zeil zoveel mogelijk tegen de mast
getrokken
en
vastgezet.
~opgekimd, getilt:
van een vlak: een vlak,
waarvan de zijkanten
hoger
liggen, dan het midden.