banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst N





~naad :
BLINDE NAAD
:
a>
een naad in het zeil, die alleen aangebracht is om het juiste model in het zeil te brengen.
b> een nep breeuwnaad.




~naaiing:
soort van takel zonder blokken. Vergelijk: sjorring, zwichting.




~naaldenbikhamer, roesthamer:
pneumatisch gereedschap, waarmee men roest en oude verf- of teerlagen kan verwijderen. [A>]





~naaldenhoorn:
gedeeltelijk met naaldenvet gevulde koeiehoorn, waarin de zeilnaalden gevet en bewaard werden. Verwante termen: zeilmaker, zeilnaald.





~naaldenvet, naaldvet:
zuurvrij vet, dat gebruikt werd om de zeilnaalden te vetten.





~naaldstuw:
waterkering bestaande uit een groot aantal naast elkaar geplaatste balken, die door een wegneembaar frame overeind gehouden worden.




~naambord:
houten plank (tegenwoordig vaak een kunststoffen bord) waarop de naam of kenspreuk en thuishaven van het schip vermeld staan. Volgens veel reglementen dienen op een schip de naam of kenspreuk en de thuishaven duidelijk zichtbaar aangebracht zijn.




~naamwimpel:
op het voorschip gevoerde wimpel met daarin de naam van het schip. Het voeren van een naamwimpel was geen algemeen gebruik. Men zag ze het vaakst op passagiersschepen en sleepboten.





~Nabricolier:
koppellier van de firma Nabrico.





~Nachen:
1> Oud Duits woord voor een primitief vaartuig (uitgeholde boomstam), later voor een kleine boot in het algemeen. In de eerste helft van de twintigste eeuw vaak een eenvoudig, aan voor en achterzijde nagenoeg gelijkgevormd, beetje schouwachtig vaartuig, al dan niet van een bovenbord voorzien, waarbij voor- en achterbord uit niet meer dan een flinke houten klos bestaan. Mogelijk gelijk aan de drieplank/dreibord.
[E> Ingolstadt.de, Museum Gimbsheim.]

2> ook gebruikt als synoniem voor leinenschlepper (Roeiboot die door de Duitse Rijnloodsen gebruikt werd).





~nachtboot: nachtschuit.




~nachtdienst:
de afvaart van een veer-, lijn- of beurtdienst, na een bepaald uur, laat in de avond. Zie ook: postdienst.




~nachtgeld: @niet bekend.





~nachthuis, kompashuis:
op een kijkopening na, geheel gesloten behuizing rondom een kompas met daarin verlichting, zodat men, zonder, in de rest van de stuurhut, last te hebben van het schijnsel, toch het kompas kan aflezen. Bij dakmontage van het kompas tevens als bescherming tegen weer en wind.
Het nachthuis biedt vaak de mogelijkheid de lantaarn voor de verlichting zowel links als rechts op te stellen, zodat men geen last van weerkaatsing van het licht op het kompas hoeft te hebben. Vaak ook is het nachthuis voorzien van houders waarin de metalen, die voor de compensatie van het kompas noodzakelijk zijn, geplaatst kunnen worden.


[A> Verwante afbeeldingen]




~nachtschuit, nachtboot:
beurt- of veerschip dat in de late avond vertrekt. [U>]
De term nachtboot is een landrotten term, daar deze vaartuigen minstens schuiten en veelal schepen waren. (uitleg)
.




~nachtvaart:
1> eigenlijk het varen ongeveer tussen zonsondergang en zonsopkomst.
2> in de regel: het varen tussen een uur of 8 à 10 'savonds en een uur of  6 'smorgens.




~nachtvloedtij:
plaatselijke term voor vloed tijdens de nacht.




~nadroger:
onderdeel van een gasgenerator. Extra gasdroger, na de reeds in de gaskoeler aanwezige droger.





~nagel:
1> gesmede 'spijker' met rechthoekige doorsnede.

2> korvijnagel.

3> klinknagel.

4> deutel.

5> bout: de as (indien deze voorzien is van een kop) van een blok.





~nagelbank:
1> knecht: plank of balk waarin korvijnagels gestoken kunnen worden.
2> onjuiste benaming voor de stuurboog.




~nagelbolder:
weinig gebruikte term voor een penbolder, waarbij de pen een doorgestoken korvijnagel is, of lijkt.




~nagelgat:
1> gat, dat voor het aanbrengen van een klinknagel geboord is.
2> gat waarin een korvijnagel gestoken kan worden.




~nagelheter, nagelstoker:
smid of werfknecht, die de klinknagels heet stookt. [T>]




~nagelplug: nagelprop.




~nagelprop, nagelplug:
korte, dikke , houten pen, waarmee het overgebleven gedeelte van het gat, dat voor een duvel of dook geboord is, afgedicht wordt. Zie ook: daalder.




~nagelstoker: nagelheter.




~nagelziek:
een schip is nagelziek wanneer er geregeld klinknagels kapot springen of gaan lekken. Dit is meestal een gevolg van slecht klinkwerk of van een slechte kwaliteit staal dat voor de nagels gebruikt is. Verwante term: hellingziek.




~nageven:
terwijl er spannning op staat, een touw, staaldraad of ketting langzaam vieren.




~nakoeler:
motoronderdeel, dat de door de turbo-compressor geleverde lucht koelt.




~nakoeling:
systeem met nakoeler.




~N.A.P., normaal Amsterdams peil, normaal Amsterdamsch peil, nieuw Amsterdams peil, nieuw Amsterdamsch peil, nauwkeurig Amsterdams peil, nauwkeurig Amsterdamsch peil:
referentievlak, ongeveer overeenkomend met de gemiddelde waterstand tijdens de vloed, waarnaar de waterstanden in Nederland gemeten worden.
Tussen 1684 - 1880 sprak men van Amsterdamsch peil. Dit peil was afgeleid van de gemiddelde hoogwaterstand op het IJ te Amsterdam, gedurende de zomer. Sinds 1860 werd dit punt als referentie door geheel Nederland gebruikt. Daarbij waren er echter fouten begaan. Na afsluiting van het IJ te Amsterdam was men instaat het gemiddelde beter te bepalen en ontstond het 'nauwkeurig Amsterdamsch peil'. Tussen 1885 en 1894 werden de AP merken vervangen door nieuwe gecorrigeerde en genormaliseerde merken, dit werd het 'Normaal Amsterdamsch peil' genoemd. In de volksmond werden deze NIEUWE merken aangeduid met 'nieuw Amsterdamsch peil'.






~nat :
NAT WERK
: het graven van een kanaal, haven, o.i.d. zonder het instromen van water in het uitgegraven deel te beletten.
EEN NAT SCHIP
: een schip dat veel buiswater aan dek krijgt.
een natte spits
: een spits, die in ongeladen toestand waterballast in moet nemen om voldoende water op de schroef te hebben.




~Nationaal Register Mobiel Erfgoed, NRME:
Het NRME heeft tot doel een overzicht te geven van wat er zoal aan mobiel erfgoed in ons land aanwezig is en inzicht te verschaffen in de cultuurhistorische waarde daarvan. Het register kan gezien worden als een monumentenlijst voor historische vervoermiddelen. Het Nationaal Register Mobiel Erfgoed is, met steun van het Ministerie van OCW, ontwikkeld door de stichting Mobiele Collectie Nederland (MCN).
Bron: Website Stichting Mobiele Collectie Nederland.





~Nationale Schippersvereniging (te) Groningen:
Behalve dat deze vereniging rond 1931 bestond, dat P. Harkema voorzitter is geweest en dat ze de belangen der schippers inzake het invoeren van de evenredige vrachtverdeling behartigden, is er bij mij verder niets over deze vereniging bekend.





~natuurvezel:
voor touw gebruikt materiaal van plantaardige oorsprong.
Als natuurvezels worden ondermeer gebruikt: katoen (vlaggelijnen), manilla (trossen), cocos (trossen) en hennep (lijkentouw).






~naumachie: spiegelgevecht.




~nautiek: scheepvaartkunde.





~nautisch, maritiem:
de scheepvaart betreffende.
Tegenwoordig gebruikt men 'maritiem' vaak als synoniem voor 'nautisch'. Maritiem wil echter zeggen de ZEEvaart betreffende; de binnenvaart hoort daar dus niet bij!





~nautisch-instrument: navigatie-instument.





~nautofoon, misthoorn, mistsein:
op de wal of een boei geplaatst instrument, dat met een bepaalde regelmaat een krachtig geluidssein ten gehore brengt. Het instrument wordt meestal alleen bij slecht zicht ingeschakeld.
Een nautofoon onderscheidt zich van een sirene, welke ook wel als mistsein gebruikt werden, door het feit dat het voortgebrachte geluid constant van toonhoogte en volume is en niet zoals bij een serine opzwelt en uitstreft.






~nautop:
turbo woord voor nautische opleidingen. Officieel echter de naam van de in 1986 ingestelde werkgroep Nautische Opleidingen Rijkswaterstaatpersoneel.
Men kent drie niveau's. NAUTOP 1 voor assistent nautsich opzichter, matroos/motordrijver, matroos, bootsman en sluiswachter. NAUTOP 2 voor nautisch opzichter, pontvoerder, gezagvoerder, stuurman, assistent sluismeester, sluismeester en brugwachter. NAUTOP 3 voor mobiel verkeersleider, verkeersleider en vuurtorenwachter.





~nauwkeurig Amsterdamsch peil: zie bij N.A.P..




~nauwkeurig Amsterdams peil: zie bij N.A.P..




~Naveel:
14de eeuws scheepstype, waarvan de grootsten voor de zeevaart gebruikt werden. Mogelijk verwant aan de Kogge. @Geen verdere gegevens bekend.




~naverhitter: stoomdroger.




~navigatie:
1> het navigeren.
2> stuurmanskunst.
3> de scheepvaart.




~navigatiegeluid:
vrij onbekende term voor geluidssein.




~navigatie-instument, nautisch-instrument:
instrument, dat voor het navigeren van belang kan zijn zoals radar, kompas, bochtaanwijzer, G.P.S., enz.





~navigatielantaarn, navigatielicht, licht, lantaarn, fanaal:
elk der lichten, die een schip, om de overige scheepvaart op zijn aanwezigheid te attenderen, moet voeren. [A>]





~navigatielicht, licht, lantaarn, fanaal:
1> elk der lichten, die een schip, om de overige scheepvaart op zijn aanwezigheid te attenderen, moet voeren. [A>]
Eigenlijk is navigatielantaarn een correctere benaming, daar de term licht betrekking heeft op het schijnsel en niet op het voorwerp.
Tot in de 19de eeuw gebruikte men uitsluitend witte rondonschijnende lichten. Pas rond 1900 worden de gekleurde sectorlichten ingevoerd. Het model dat dan ontstaat is tot ca. 1984 ingebruik geweest. Eerst als petroleumlantaarn en na de tweede wereldoorlog in toenemende mate electrisch.
Elk der lichten mag slecht binnen een bepaalde horizontale boog zichtbaar zijn. Deze boog is
- voor de boordlichten van rechtvooruit, langs de eigen zijde, tot 22,5 graden achterlijker dan dwars.
- voor het toplicht van rechtvooruit, naar beiden zijden, tot 22,5 graden achterlijker dan dwars.
- voor het heklicht van rechtachteruit, naar beiden zijden, tot 22,5 graden achterlijker dan dwars.

Gerelateerde termen: boordlicht, bakboordlicht, stuurboordlicht, toplicht, heklicht, ankerlicht, lichtbak, lantaarnscepter, slede.

2> het schijnsel van een navigatielantaarn.





~navigatieteken:
sein, bord, baken, etc. dat voor het varen van belang kan zijn.





~navigatieverlichting:
alle navigatielantaarns te samen.




~navigeren:
1> besturen, varen, in het bijzonder; gericht ergens naar toe varen.
2> dat gene wat men onderneemt om de positie, richting, en/of snelheid van het schip (op groot water ) te bepalen.




~Neckarschip:
op de Dorstense aak gelijkend schip echter slechts ca. 25 bij 3,8 meter groot. De holte bedroeg ca. 1,4 meter en het laadvermogen kwam op ca. 120 ton. Het waren vrij licht gebouwde rivierschepen voor de Bovenrijn en Neckar. Ze hadden geen zeilage, maar werden gejaagd of mens stevelde.
Sopers vertelt over deze schepen dat ze veel steenzout vervoerden. Mede hierdoor werden bouten, spijkers en andere metalen bevestigingsdelen aangetast waardoor het schip bij een stevige deinig flink kon werken. "Zij kronkelde dan als een levende paling"zo schijft hij.





~ Nederlandschen Rooms Katholieke Bond van Reders en Schippers Sint Nicolaas, RKSB, Rooms Katholieke Schippersbond:
Geen gegevens bekend, behalve dan dat deze reeds in 1931 bestond.




~ Nederlandse Protestansch-Christelijken Schippersbond, NPCSB:
vroegere naam (tot 1969) van de CBOB.




~Nederlandse Particuliere Rijnvaart Centrale, N.P.R.C.:
in 1935 opgericht samenwerkingsverband van particuliere sleepschepen, sleepboten en motorschepen (in de Rijnvaart) met midden jaren '50 meer dan 500 deelnemende vaartuigen. Typisch werk van de NPRC in die tijd was het vervoer van sojabonen of fosfaat naar Mannheim en stukgoed van Hoechst of Ludwigshafen naar Rotterdam of Antwerpen. De organisatie droeg toen, om niet geheel verklaarbare redenen, de bijnaam Mau Mau.
Thans (2009) is de NPRC een coöperatie met zo'n 80 schepen en een bevrachtingsafdeling.
[E>]





~
Nederlandse Rijnvaart Vereeniging, N.R.V. :
Samenwerkingsverband gevestigd te Rotterdam; voorheen de Nederlandse Transport Maatschappij, R'dam, ook bekend als "
De steenkolen
".
De vlootlijst op de schepenDB en de vlootlijst op sleepschepen.nl.





~Nederlandse Vereniging van Zeilmakers en Scheepstuigers, NVZS:
bedrijfsvereniging. Opgericht op 6 mei 1949. Op 14 maart 1956 bij de fusie met de Vereniging van Scheepsbenodigdhedenhandelaren opgeheven, waarna de belangen behartigd werden door de Vereniging van Scheepsbenodigdhedenhandelaren, zeilmakers en scheepstuigers (SZS).





~Nederrijn :
1> Duitse Nederrijn: de Rijn tussen Bonn en de Nederlandse grens.
De Nederlandse schippers spreken vaak van Beneden Rijn


2> Neder Rijn, Neder-Rijn: de Rijn tussen Pannerdense kop en Wijk bij Duurstede.
Dit traject staat onder schippers ook bekend als Het Fietspad. Doorgaande schepen, die deze route varen, doen dat meestal omdat het op de Nederrijn minder hectisch is dan op de Waal.
Het eerste deel van dit water bestaat uit het Pannerdens kanaal. Sommige mensen zien dit niet als onderdeel van de Nederrijn, maar als zelfstandige vaarweg.
Bij Westervoort splitst de rivier zich en gaat de naar het noorden afbuigende tak IJssel heten. (Vermoedelijk bestonden Rijn en IJssel rond het begin van de jaartelling als gescheiden rivieren en is er meer dan 1000 jaar geleden op natuurlijke of kunstmatige wijze een verbinding gekomen.) Na Wijk bij Duurstede gaat de rivier Lek heten. Vroeger boog de rivier daar echter naar het noorden; dit gedeelte staat bekend als Kromme Rijn.






~neer, neerd:
een, aan de hoofdstroom, tegengestelde stroming. Deze treed o.a. tussen de kribben en in andere hoeken en gaten, op. [U>]
Gerelateerde termen: eer, kribstroom.





~neerboord:
1> onderboord.
2> het onderste, gladboordig deel van de huid bij ondermeer de Keen.




~neerhaalder: neerhaler.




~neerhaler, neerhaalder:
1> bekaaier: lijn aan de klauw- of tophoek van een zeil, waarmee het zeil, als de val losgemaakt is, naar beneden getrokken kan worden.
 2> lijn aan de onderkant van een petroleum-navigatielicht, waarmee voorkomen wordt dat het licht te veel kan slingeren.
3>takel, tussen de giek, een eindje van de mast, en een, zo laag mogelijk punt, tegen de mast(koker), waarmee de giek naar benden getrokken kan worden. In de beroepsvaart niet of nauwlijks gebruikt.




~neerschutten: afschutten.




~neervoet:
pad langs de onderkant van de dijk.




~Negenkorter: zie bij Korter.




~negotieschipper:
schipper, die met eigenhandel (meestal voor de verkoop aan partikulieren) vaart. Zie ook: parlevinker, potschipper.




~negotievaart, neringvaart:
de vaart met eigenhandel. Meestal voor de verkoop aan partikulieren.





~nekslag:
1> bepaalde steek waarmee men een touw of ketting op een haak zet.
2> slipsteek op een halve klamp of een hakblok.





~neringvaart: negotievaart.





~Nervien kempenaar:
kempenaar gebouwd bij Arnold Maassen te Maastricht. Deze kempenaars waren gebouwd om op de Zuid-Willemsvaart, waar een maximale diepgang van 1,9m gold, toch veel mee te kunnen nemen. Ze hadden op éénnegentig een laadvermogen van ca. 460 ton. Overige kenmerken van deze schepen zijn nog niet bekend.





~Neska, Niederlandisches SchifffahrtKontor, Niederrheinisches Schiffahrtskontor, Nederlands Scheepvaart Kantoor:
Door de Nederlandse Rijnvaartvereeniging in 1925 opgerichte onderneming met vestigingen te Keulen en Dusseldorf. In 1932 veranderde de naam van Niederländisches in Niederrheinisches Schiffahrtkontor. De naam Neska is een afkorting van Nederlands Scheepvaart Kantoor; deze laatste naam is echter officieel nooit in gebruik geweest.
De Neska verzorgde niet alleen de bevrachting van de schepen der Nederlandse Rijnvaart Vereniging in Duitsland, ze was tevens de rederij van de motorschepen der NVR.
Behalve de eigen schepen van de Neska waren er ook diverse schepen onder de vlag van de NVR die de naam Neska gevolgd door een nummer droegen.





~nest:
1> kom: komvormige uitsparing in de nestenschijf van bijv. een ankerlier. [A>nr.8]
2> ondermaatse of onbruikbare vis (uit het IJsselmeer).





~nestenschijf, komschijf:
kettingschijf met uitsparingen, nesten, waarin de liggende schakels precies passen. [A> nr.7]
Kettingschijven zijn het best bekend van ankerlieren, maar bijvoorbeeld ook in kettingstuurwerken worden nestenschijven toegepast.

Zie ook kabelaringschijf.





~net:
1> verzamelnaam voor al het vlecht- of knoopwerk met grote openingen.
2>
visnet. [U>]




~nettenboeten, boeten:
visnetten herstellen




~nettenboeter, nettenknoper:
man, die visnetten herstelt.




~nettenboetster, nettenknoopster:
vrouw, die visnetten herstelt.




~nettenbreien, nettenknopen:
het fabriceren van visnetten.




~nettenbreier, nettenknoper:
man, die visnetten fabriceert.




~nettenbreister, nettenknoopster:
vrouw, die visnetten fabriceert.




~nettenknoopster:
1> nettenbreister.
2> nettenboetster.




~nettenknopen:
1> nettenbreien.
2> nettenboeten.




~nettenknoper:
1> nettenbreier.
2> nettenboeter.




~nettenruim:
tot berging van netten bestemde, flinke, ruimte binnen de romp van een vissersschip.





~neuring, neuringketting, ankerlijn, partuurlijn:
lijn, staaldraad of ketting waarmee het anker getakeld kan worden en waaraan vaak ook de ankerboei gebonden werd.
[T> Rijnsleepvaart, ankeren.]





~neuringketting:
ketting waarmee het anker getakeld kan worden en waaraan vaak ook de ankerboei gebonden werd. [A>] [T> Rijnsleepvaart, ankeren.]





~neuringring:
ring of oog aan de ankerschacht waaraan de neuring gebonden kan worden.




~neus, neusje:
het bovenste, meest voorlijke, vaste deel van de romp.




~neusklos:
massief houten sluitsuk aan de bovenzijde van de voorsteven bij ondermeer de Vlet en de Keen.




~neusputting:
putting, die tegen de voorsteven of voorstevenbalk bevestigd is. Vaak hetzelfde als de voorstagputting.




~neust:
zie hoosvat.




~neuswaring:
Niet geheel bekend. Volgens sommigen een leguaan. Dit is echter niet in overeenstemming met de andere vormen met waring te brengen, dan zou men eerder aan een waterbord o.i.d. denken.





~neut:
1> oog aan (de bovenkant van) een blok, waarmee het blok bevestigd wordt. De term wordt voornamelijk gebruikt voor de door touw gevormde ogen aan een gestropt blok.
2> volgens sommigen: groeven of uitsparingen in het hout van een gestropt blok, waarmee voorkomen wordt dat de strop van het blok  afglijdt.




~nevelinstallatie:
installatie, die een fijne waternevel sproeit, waarmee bijv. een blusvaartuig koel en brandvrij gehouden wordt.




~nevenvaarwater:
vaarwater van minder belang dan het hoofdvaarwater.




~niersvuil:
drijvende restanten van het oogsten van riet, stro en hooi, die het riviertje 'De Niers' af komen drijven.
Zie ook drijfvuil.





~Nieuw Amsterdamsch peil: zie bij N.A.P..




~Nieuw Amsterdams peil: zie bij N.A.P..




~nieuwbouwwerf, bouwwerf, scheepsbouwwerf, scheepsnieuwbouwwerf:
1> scheepswerf waar men alleen nieuwe schepen bouwt en geen schepen repareert.
2> bouwhelling.




~Nieuwe Leeuwarder Stoomboot Maatschappij:
In 1911 door een fusie tussen de "Friesch - Noord-Hollandsche Stoombootmaatschappij" en de "Leeuwarder Stoomboot Maatschappij" ontstane beurtvaartonderneming. Zie ook bij Stanfries.





~Nieuwe-Merwede:
zie bij Merwede.





~Nieuwe Rijn:
zie bij Oude Rijn(2).





~Nijhuis, Firma:
De firma Nijhuis, gevestigd te Winterswijk, produceerde vanaf 1917 zuiggasinstallaties. De ten tijde van de tweede wereldoorlog op schepen toegepaste vergasser, was een zogenaamde dwarsvergasser.





~Nijhuis koeler-reiniger:
onderdeel gasgenerator: natte gaskoeler-reiniger met ingebouwde droger gemaakt door de firma Nijhuis, Winterswijk.






~nobel:
ander woord voor leggers bij een punters (Giethoorn e.o.).




~nok
1>
tophoek, nokhoek: bovenhoek van een driehoekig of de achterboven hoek van een vierhoekig zeil.
DE NOK ERAF HALEN
: nokken(2).
2> het vrije uiteinde van giek, kluiverboom, boegspriet of gaffel.




~nokbindsel:
bindsel, waarmee men de nok van het zeil aan de nok van de gaffel of spriet vast maakt.




~nokblok: nokkevalblok.




~nokhoek: nok(1).




~nokken:
1>
een nokbindsel aanbrengen.
2> afnokken, afpieken:
de piekeval vieren om het zeiloppervlak te verkleinen. Gerelateerde termen: geien, halzen, reven.




~nokken......: zie nokke..... .




~nokkeval, nokval, piekeval:
1> val aan de hanepoot(1) aan de gaffel.
2> val aan de nok van de spriet bij een ferrietuig.




~nokkevalblok, piekevalblok, nokblok:
mastblok waardoor de nokkeval loopt.




~noklap:
zeildoeken versteviging bij de nok van het zeil.





~noktakel :
1> takel tussen mast en de nok van een spriet (of laadboom).

2> halfgijn, halve gijn:
takel bestaande uit een drieschijfs- en een tweeschijfsblok. De benodigde kracht op de loper is theoretisch een vijfde van de last.
I.p.v. GIJN gebruikt men ook het woord gein of jijn.






~nommer: hommer.





~nommerstuk:
tegen de hommer aangebrachte klampen, die de mars steunen.





~noodanker:
anker dat als reserve gehouden wordt. In de binnenvaart niet erg gebruikelijk.





~noodbaken:
1>in feite elke vorm van herkenningsteken dat in geval van nood gebruikt wordt.
Meestal gebruikt voor kleine drijvende objecten die een radiosignaal uitzenden wanneer ze geactiveerd worden.
Gerelateerde termen: EPIRB, SART, SARSAT, reddingboeilicht, baken.






~noodhaven:
1> vrij onbekende term voor vluchthaven.
2> soms gebruikt voor een haven of havenplaats, die men in geval men de reis onverwachts moet onderbreken, aan zal lopen.




~noodnagel:
tapse stalen of eikenhouten pen, die men, als er door het verliezen van een klinknagel een lek ontstaan was, in het klinkgat sloeg.





~noodschalm:
bij kettingbreuk te gebruiken schalm. Vaak een schalmsluiting. De meest gebruikte noodschalm lijkt de patentschalm te zijn.
Dit soort verbindingen worden gebruikt om reparaties aan kettingen, die over rollen en schijven moeten kunnen lopen, uit te voeren. De totale sterkte van de ketting neemt echter wel sterk af. Ook worden ze soms als vervanging voor een gewone sluiting gebruikt, omdat ze geen verdikking veroorzaken en ook geen extra grote opening nodig hebben om door heen gestoken te kunnen worden.






~noodsein:
willekeurig signaal dat men geeft wanneer men in nood verkeert. Een noodsein kan bestaan uit: een geluidssein: een reeks van lange stoten of klokslagen, een dagteken: zwaaien met een rode vlag, de vlag in sjouw hijsen of rooksignalen, lichtseinen: het zwaaien met een rode lamp of het tonen van een sterk rood (stakel)licht of vuur, het afvuren van lichtkogels of parachutefakkels of een combinatie van dit alles. Een bijzonder noodsein is het blijf-weg-siggnaal.




~noodstuurinrichting, noodstuurwerk:
meestal mechanische stuurinrichting, die ingeschakeld kan worden, wanneer de gebruikelijke stuurinrichting uitvalt.




~noodstuurwerk: noodstuurinrichting.




~noorderdijk:
de dijk aan de noordzijde van de rivier.




~Noordhollandse boeier:
zie Amsterdamse boeier.




~Noordhollandse bok: zie Amsterdamse bok.




~Noordhollandsjacht:
vrij klein snel tjalkachtig vaartuig.




~noordtijd:
herftsweer met voornamelijk noorden winden.




~noordoostenweer:
helder weer met NO-wind.




~Noordzee.....: zie ook zee...... .




~Noordzeebotter:
grote, zwaar gebouwde, vaak stalen, Botter.




~Noordzeeschokker:
grote, zwaar gebouwde, vaak stalen, Schokker.




~Noordzeevisserij:
eigenlijk de visserij op de Noordzee, maar in Groningen ook gebruikt voor de visserij, die zich op het wad en rond de waddeneilanden voltrekt.




~noordzuid:
nog te doen.




~noppenijzer: druppelplaat.




~noppenplaat: druppelplaat




~noria:
1> emmertjespomp.
2> jacobsladder.




~Normaal Amsterdamsch peil: zie bij N.A.P..




~Normaal Amsterdams peil: zie bij N.A.P..




~normalisatie:
van een rivier: het geheel aan maatregelen, die genomen worden om een rivier goed bevaarbaar te maken.




~notarisbootje:
kleine glazenkast.




~notedop:
klein nietig scheepje (op groot water).




~nPK., nominale paardekrachten:
andere benaming voor ePK.




~N.P.R.C:
Zie Nederlandse Particuliere Rijnvaart Centrale.




~nummeren:
zich op de schippersbeurs aanmelden.




~N.V. Reederij Stânfries:
Zie bij Stanfries.




~N.Z.H.R.M., (Koninklijke) Noord- en Zuid-Hollandse ReddingMaatschappij:
Zie bij reddingmaatschappij.


Volgende





© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken