banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst Mes



~mesien, mesjien:
constructie van een vijftal met boutjes aan elkaar gekoppelde bladen van zeisen, voortgetrokken met behulp van leren riemen, waarmee de wiersnijders het wier oogsten.
Deze constructie werd rond 1900 uitgedacht. Daarvoor maaide men met de zeis. De, na het drogen en persen, behaalde oogst van één dag werk bedroeg dan ongeveer 2 pakken van 50kg. Met de mesien werd de opbrengst verhoogd naar 10 tot 15 pakken per dag.
De term is de foenetische schrijfwijze voor de uitspraak van het woord machine te Wieringen.





~messing:
toelopende voorkant van een houten roer.





~mestjager:
zie strontjager.






~mestluik, laadpoort:
wegneembaar deel in de den, waardoor men lading in het ruim van het schip kan kruien. Voornamelijk voor de tweede wereldoorlog toegepast op schepen met een hoge of verhoogde den.
Gerelateerde termen: kruiwagenluik, zandluik.





~mestpraam:
Praam (waarschijnlijk een Friese praam), die mest vervoert.





~mestschot:
dwarsscheeps, tijdelijk in het ruim geplaatst, schot, dat de ruiminhoud dusdanig moest verkleinen dat de mest tot tegen de luikenkap geladen kon worden.





~mestschouw:
soort boerenschouw voor het vervoer van mest. Men kent onder andere de Rijndijkse mestschouw.





~mestschuit:
niet met zekerheid bekend. Waarschijnlijk een Skûtsje, dat mest vervoerd.





~mesttjalk:
Tjalk of daarop gelijkend vaartuig, dat regelmatig met koemest vaart.





~mestvaarder, strontschipper:
schipper, die met mest vaart.





~mestvaart:
de scheepvaart met schepen die mest vervoeren.
Gerelateerde term: strontjager.





~mestvaren:
het met een schip transporteren van (koe)mest.





~metingdienst:
zie scheepsmeetdienst.





~metingdistrict:
zie scheepsmeetdistrict.





~metór:
motor (dialect uit de regio rond Broek op Langedijk) in de zin van een gemotoriseerde Langedijker akkerschuit. [A>]  De vroege exemplaren wijken niet af van de ongemotoriseerde exemplaren, latere exemplaren (verbouwd of al dus gebouwd) hebben een voor- en achterdekje en een boordrand.
Zie ook bij Langedijker.





~Metselschouw:
gedeeltelijk open ijzeren vaartuig gebruikt voor werkzaamheden aan kade en bruggen. Een tiental jaren eerder in 1901, kalkschuit genoemd.
Woord bron: Gem. Leiden
De meeste vaartuigen in deze omgeving werden voorzien van een weegstoel. De metselschouw bezat echter roeikasten.






~meubel:
HOOG MEUBEL
: zie bij hoog.





~Michot spits:
spits gebouwd bij de Michot Frères te Thuin. De berghoutplaat eindigt bij deze spitsen in een Franse lelie . Overige kenmerken nog niet bekend.





~middel....: zie ook: midden....





~middelboord: middenboord.





~middeldrukmotor, MD-Motor:
een motor waarbij de compressie niet toereikend is om ingespoten dieselolie zonder hulpmiddelen te ontsteken. Meestal is dit een gloeikopmotor.





~middelfok:
volgens G.J. Schutten de kluiver op een groot rivierschip.





~middenbolder:
meestal iets voor het midden, in het gangboord geplaatste, bolder. Zie ook: gangboordbolder.





~middenboord, middelboord:
1> bij schepen met een knikspantromp, waarbij de zijde uit drie vlakken bestaat: het boord direct onder het berghout. Slechts weinig schepen hebben een zijde, die uit drie boorden bestaat. Men kan het onder andere aantreffen bij kleine, oude, houten Schokkers.
Eigenlijk is dit geen correcte term. Het deel boven het berghout, het boeisel, wordt in de houtbouw meestal niet als boord gezien.

2> bij schepen waarbij het gedeelte onder het berghout uit drie boorden bestaat het middelste boord.

3> plaatselijk synoniem voor binnenboord/draam.





~middendeur:
zie tussendeur.





~middendoorvaart:
doorvaart die (min of meer) tussen andere doorvaarten gelegen is.





~middengebint:
Vlaamse term voor een (houten) gebint ter hoogte van het ruim.
Bron: Maurice Kaak.






~middenherft:
herft tussen het voorste en achterste ruim. Zie ook: tussenherft.





~middenherftdek:
het herftdek van het middenherft.





~middenhoofd:
een sluishoofd dat de sluiskolk verdeelt in twee, min of meer gelijke, delen.
Zie ook: sluishoofd.





~middenhout:
middelste vertikale paal in het raam van een raamkuil.





~middenkolk:
bij een sluis met drie kolk, de centraal gelegen kolk. [Gerelateerde termen >].





~middenmansknoop:
bepaalde steek, waarmee een lus in het midden van een touw gevormd kan worden, zonder de einden daarvoor vrij te hoeven maken.





~middenlijf:
deel van een fuik. Zie bij lijf.





~Middenrijn :
vertaling van 'Mittelrhein'. Het gedeelte van de Rijn tussen Bingen en Bad Honnef.





~middenroef:
ongebruikelijke term voor een roef die noch op het achterschip, noch op het voorschip staat.
Vroeger kwamen dit soort roeven ondermeer voor op Walen. Volgens G.J. Schutten waren er ook houten Rijnschepen die een roef halverwege de luikenkap hadden, deze zou dan afbreekbaar geweest zijn.
In later tijd vindt men op onder meer de Sattelschleppers roeven die nabij het midden van het vaartuig staan.
Middenroeven op de moderne schepen worden gekscherend ook wel middenstandswoning genoemd.





~middenschip:
1> het gedeelte tussen voor- en achterschip.

2> ongeveer halverwege het schip.





~middensloof:
zie bij sloof.





~middensluis:
bij een sluizencomplex met drie sluizen, de centraal gelegen sluis. [Gerelateerde termen >].





~middenstand:
de waterstand, die precies midden tussen hoog- en laagwater ligt.
Niet te verwarren met halftij.






~middenstandswoning, middenroef:
in sommige kringen de 'bijnaam' voor een roef ongeveer in het midden van het schip.





~middenvlakplank:
weinig professionele benaming voor de kielgang op een houten schip.
Bron: G.J. Schutten.






~middenzaadhout, middenzaathout:
1> zie: zaadhout(1).
2> kattespoor: midscheepse stalen versteviging op het vlak of over de leggers. [A>]





~middenzwaard, midzwaard:
ophaalbaar, in een midscheeps geplaatste bun opgehangen, vertikaal vlak, dat onder het schip uitsteekt en de drift tijdens het zeilen moet beperken. Niet of nauwelijks bij beroepsmatige vaartuigen in gebruik geweest.





~midscheeps:
1> langsscheeps en dwarsscheeps gezien, in het midden.
2> verkorting van midscheeps-achter / midscheeps-voor (in het midden van het achterschip/voorschip.) of van midscheepsbakboord / midscheepsstuurboord ( aan bakboord/stuurboord halverwege het schip).





~midvaarwater:
ongeveer het midden, van het voor de scheepvaart bruikbare gedeelte, van een vaarwater.





~midvaarwaterboei:
ronde, vertikaal rood-wit gestreepte, ton of boei, die het midden van het vaarwater aangeeft. Alleen op zeer brede wateren voorkomend.





~midzaadhout, midzaathout:
mogelijk middenzaadhout maar mogelijk ook binnenkiel.





~midzwaard: middenzwaard.





~Mignolle: Majol.





~Mijolle: Majol.





~mijnopruimingsschip:
vaartuig, dat ingezet wordt bij het opruimen van explosieven, die zich in het vaarwater bevinden. Voornamelijk kort na WO II in gebruik geweest.





~mijnsteenbak:
splijtbak, elevatorbak ingezet voor het vervoer van mijnsteen vanaf Zuid-Limburg.





~mik, bok(5):
1> metalen steun, waarop de giek kan rusten. [A>nr.8] [U>]
Gerelateerde term: broekschoorsteen, mastbok.

2> vermoedelijk onjuist gebruikt synoniem voor mastbok.

3> soms gebruikt als synoniem voor bootsklamp.

4> mikdraad, mikpoten: kabel van een ankerkuil/geikuil waaraan de onderboom opgehangen is.
Meestal zijn zowel begin als uiteinde van de mik aan de onderboom bevestigd. Het middelpunt van de mik is dan verbonden met de mikloper die via een blok in de mast, naar de miklier loopt.






~mikdraad:
plaatselijke term voor de mik van een ankerkuil.





~mikkeloper:
zie mikloper.





~mikken:
(bij weinig wind) met slappe voorstag zeilen.





~miklier:
lier met daaraan de mikloper, waarmee men de onderboom van een ankerkuil/geikuil hijst en viert.





~mikloper, mikloper:
staaldraad tussen de miklier en de mik aan boord van ondermeer een waalschokker.





~mikmakken:
met een zeilschip, met de kop recht tegen de wind in, liggen dobberen. [U>]





~mikpoten:
plaatselijke term voor de mik van een ankerkuil.
Voor zover bekend alleen in meervoudsvorm voorkomend.






~milieuboot, milieuvaartuig:
verzamelnaam voor diverse vaartuigen, waaronder: bilgeboot, stofzuiger en vuilnisophaalvaartuig.
Al noemt men het een boot; in de meeste gevallen is het een schip of scheepje [uitleg]
.





~milieubootschipper:
1> schipper op een milieu'boot'.

2> mogelijk: verantwoordelijke op een bunkerschip, waar scheepsafvalstoffen ingenomen worden.





~milieuschaafkop, schaafkop:
De schaafkop is een platte, open trechter waarin slib wordt geduwd als gevolg van de heen en weer gaande beweging van het baggerwerktuig. Overtollig water wordt daarbij weggedrukt. Tijdens het baggeren meten porositeitsmeters de dichtheid in de kop om zo het proces te optimaliseren. Te stijve specie wordt met speciale mixers tot een verpompbaar mengsel vermalen. Wanneer de schaafkop geheel met slib gevuld is, zuigt de baggerpomp van het schip de kop leeg via de zuiginlaat en perst de vervuilde specie naar het stort. De schaafkop is eenzijdig werkend uitgevoerd. De arm wordt teruggezwaaid door zijlieren. Voorwaarde voor het effectief inzetten van de schaafkopzuiger, zijn grote oppervlakten verontreinigde waterbodem.
Citaat: Bodemrichtlijn.nl.





~milieuschaafkopzuiger:
zuiger met een milieuschaafkop.





~milieusnijkop :
snijkop van een snijkopzuiger die zo geconstrueerd is dat deze zo min mogelijk vertroebeling en mors veroorzaakt. [E> Bodemrichtlijn.nl]
De gewone milieusnijkop wijkt in zoverre van de normale snijkop af dat er over de bovenzijde van de kop een schild geplaatst is en dat men over het algemeen lagere toerentallen gebruikt.
Gerelateerde termen: milieuschijfsnijkop, milieuveegkop, milieuwormwielkop, milieuschaafkop.





~milieusnijkopzuiger:
zuiger met een milieusnijkop.





~milieuvaartuig:
weinig gebruikte toch ontegenzeggelijk betere benaming voor een milieu'boot'.





~milieuonderzoekingsvaartuig, laboratoriumvaartuig:
overheidsvaartuig, dat bodem- en watermonsters neemt.





~milieuveegkop, veegkop:
nog niet voldoende bekend helaas. Onderdeel aan het eind van de zuigbuis.
Zie eventueel E> Bodemrichtlijn.nl.





~milieuveegkopzuiger:
zuiger met een milieuveegkop.





~milieuwormwielkop, wormwielkop:
brede kop voor aan het eind van de zuigbuis van een zuiger, waarin een tweezijdige worm, die de bagger naar de zuigopening veegd, gemonteerd is.
Zie eventueel ook E> Bodemrichtlijn.nl.





~milieuwormwielkopzuiger, wormwielkopzuiger:
zuiger met een milieuwormwielkop.





~Millingse boot:
veerdienst tussen Millingen en Nijmegen.
Alhoewel men hier spreekt van BOOT, zal deze dienst ongetwijfeld met een SCHEEPJE uitgevoerd zijn. [Uitleg]






~minderen:
ZEIL MINDEREN
: het totale zeiloppervlak verminderen.
Men kan het zeiloppervlak verminderen door zeilen weg te nemen, te reven, een eventuele bonnet af te nemen. Met nokken, katten en geien mindert men geen zeil, maar mindert men wel het effectieve oppervlakte van het zeil.
In de zeevaart sprak men ook van bollen indien men het effectieve oppervlak van het bezaanzeil minderde. Of de term ook in de binnenvaart in gebruik geweest is, is me niet bekend.





~minuutwijzer:
oude term voor de uithouder aan de masttop voor het rondomschijnend toplicht.




~missie:
De MISSIE
soms ook missiepost: soort winkel in enkele plaatsen in Duitsland waar Nederlanders kort na de oorlog levensmiddellen konden verkrijgen.
Kort na de oorlog was er in Duitsland een groot te kort aan alles en vooral ook aan eten. Voor de varenden had men in enkele plaatsen langs de Rijn posten ingericht waar men de noodzakelijkste dingen, tegen het inleveren van bonnen die men gekregen had, kon verkrijgen. Deze posten werden eerst voornamelijk door Engelse bezettingstroepen bemand, later scheen de Firma de Gruyter hier de nodige belangen te hebben.






~misslag:
slag bij het laveren, waarbij men geen voordeel behaalt.





~mistbel: zie: mistklok.





~misthoorn, nautofoon:
soort baken. Een krachtige luchthoorn, die bij slecht zicht, met regelmatige tussenpozen een geluidssein geeft.





~misthoornfluit(je):
vermoedelijk het 'riet' van een blaastoeter.
Gevonden in: documenten tagrijn Weduwe S.J. de Vries & zonen.






~mistklok, mistbel:
luidklok, die men bij slecht zicht luidt.





~mistlicht:
zeer sterk wit licht (bijv. een schijnwerper), dat bij slecht zicht overdag getoont mag worden. (Circa sinds 2000 in gebruik.)





~mistsein, mistsignaal:
1> geluidssein, dat een schip bij slecht zicht moet geven. Varende schepen geven het geluidssein met de scheepshoorn. Stilliggende schepen doen dit door met de scheepsbel een reeks klokslagen te geven.
2> misthoorn, brulboei, nautofoon: min of meer vast opgesteld instrument dat met een bepaalde regelmaat een krachtig geluidssein ten gehore brengt.
3> mistlicht zeer krachtig vooruit gericht licht dat de zichtbaarheid van schepen welke bij mist overdag en aanverwante omstandigheden varen, moet verbeteren.





~mistsignaal:
zie mistsein.





~misvaren:
1> zich in de vaarroute vergissen.
2> ergens net langs kunnen varen.





~miswijzing:
zie declinatie.





~miszeilen:
zeilend misvaren.





~Mixte:
ijzeren spits met houten vlak.





~mobilisatieletter:
zie groepsletter.





~mobilofoon:
zend-ontvangstinstallatie waarmee men, via een telefoniste, verbinding had met het telefoonnet.





~Modag, Modaag :
Motoren Darmstadt AG. Duitse motoren fabrikant. [E>]





~modderbak:
1> eenvoudig vrijwel rechthoekig vaartuig, met vrijwel rechtopstaande boorden en borden. Inwendig twee dwarsscheepse schotten, die het vaartuig verdelen in een ruimte voor de lading, met daarvoor en achter een ruimte waar men kan staan. Dit type vaartuig is onder andere terug te vinden in de modderschouw en in de langedijker modderbak en verwant aan de pikbak.
De termen modderbak en modderschouw worden niet strikt gescheiden gebruikt. Over het algemeen zal de term modderbak beter passen bij de schuiten met een geheel recht vlak en rechte zijdes, terwijl men bij de modderschouwen een iets gebogen vlak en zijdes mag verwachten.


2> soms gebruikt als synoniem voor baggerbak.





~modderen:
vroeger wel gebruik als term voor het varen op ondiep water.





~moddergeld:
belasting die geheven wordt voor het uitbaggeren van het water. Zie ook diepgeld.





~moddermolen:
oude naam voor een baggermolen, die met behulp van mankracht of paarden aangedreven wordt.





~modderpraam, slikpraam:
1> in Friesland: een Friese praam, die voor het vervoer van terpaarde gebruikt wordt.
2> willekeurige boerenschuit, die voor het vervoer van bagger gebruikt wordt. Zie ook modderschuit. [Gerelateerde scheepstypen/soorten >]





~Modderschouw, modderbak, baggerbak:
brede lage, eenvoudig gebouwde, Schouw. Meestal zonder bovenboord(2), voorzien van dwarsscheepse schotten in voor- en achterschip.
Rond 'het Groene hart' gebruikte men echter boerenschouwen welke voorzien waren van dwarsschotten als baggerschouw. Ook dit werden modderschouwen genoemd.
In Noord-Holland hadden de schouwen echter flinke voor- en achterborden. In Geesterambacht gebruikte men een meer rechthoekig model, meer een modderbakje.
[Tekening.] [Gerelateerde scheepstypen/scheepssoorten >]





~modderschuit:
1> modderschouw: breed plat open vaartuig voor het transport van bagger en gebeugeld veen.
2> willekeurig schip dat voor het transport van bagger gebruikt wordt.
3> minachtende benaming voor een willekeurig (vracht)schip.
4> in Friesland: scheepje (Skûtsje), dat terpaarde vervoert.





~moddersnik:
in Friesland: Snik waarmee terpaarde vervoert wordt.





~moddervaren:
in Friesland: terpaarde vervoeren.





~moederschip:
groot vaartuig dat als 'thuisbasis' voor dochterboten fungeert. Vrijwel alleen in de visserij gebruikt. Zie ook wachtschip.





~moelband:
zie muilband.





~moelje:
verouderde term voor een havendam.





~moerboutsluiting:
zie bij tuigsluiting.





~Moerdijker:
type Zalmdrijver, zie aldaar.





~moet, moetrand:
een strook met aanslag, die ontstaat als een schip langdurig in (deels) geladen toestand heeft stil gelegen en zichtbaar wordt nadat het schip gelost is. Niet te verwarren met aangroei of baard.
Gerelateerde term: waterlijn.





~Moezelaak:
bij GJ Schutten genoemd als synoniem van Keen. Mogelijk echter een ander woord voor Moezelkeen.





~Moezelkeen:
aan de Keen verwant vaartuig. Verder nog niet voldoende bekend.
Het model in Emmerich toont een schip dat opgebouwd is met erg brede gangen in verhouding tot de gangen van een Keen. De bovenste gang vertoont de kenmerken van een boeisel. Het schip oogt kleiner dan de Keen en heeft geen paviljoen.






~Moezelschip:
bij Sopers vermeld, maar zeer beperkt beschreven scheepstype. Het zou overeenkomsten vertonen met bepaalde oude maasschepen. Het voorschip was voorzien van een heve. Tegen deze heve was een fantasie steventje, maar soms ook een echte steven bevestigd. Het achterschip vertoonde qua bouw overeenkomsten met de Dorstense aak. Alleen het voorste en achterste deel van het ruim waren gedekt. Ook deze schepen waren schepen die gejaagd werden.





~mol: zie krabbelaar.





~molen:
een zand-, grind- of baggermolen; kortom een emmermolen.





~molenaar:
korte staaf in het midden opgehangen aan een ketting met ruime ring, waarmee men, door de molenaar in het spongat te steken, vaten hijst.





~molenbaas:
de gezaghebbende op een zand-, grind- of baggermolen of soortgelijke inrichting.





~molenzak, aalszak, aalzak:
niet al te groot aalsraamnet dat men voor de uitloop van een molen of spui plaatst.





~molest:
schade door moedwil van derden ontstaan.





~molestverzekering:
verzekering, die het schip tegen molest verzekerd.





~mollerup-pomp:
automatisch smeertoestel welk op stoommachines toegepast werd. [E> Verklaring.]





~molykotebrothers, molykote brothers, molycoatbrothers, molycoat brothers:
bijnaam van een groep van (Amsterdamse) werklieden, welke verantwoordelijk waren voor smering van de beweegbare vruggen.
'Molykote' is de productnaam van een aantal bekende smeermiddelen.






~mondblaas:
zie blaastoeter.





~Monnickendammer:
bepaald type motorvrachtschip dat in de jaren zestig door van Goor te Monnickendam gebouwd werd.





~monnik:
oude benaming voor een stevig houten paaltje dat als steun voor iets dient. Vergelijk: mannetje, apostel, betingstijl en speen.





~monofilament:
vrij dikke kunststofvezel waarvan touw gemaakt wordt.





~monohull, éénrompsschip:
Engelse term die gebruikt wordt om onderscheid te maken tussen normale schepen en schepen met meerdere rompen.
Gerelateerde termen: meerrompsschip, catamaran, duoromp, swath.
De term wordt in het Nederlands meestal gebruikt in teksten over snelvarende schepen, dat daarmee de term uitsluitend voor snelvarende schepen gebruikt kan worden, zoals sommige bronnen beweren, lijkt me niet geheel juist.






~monopool:
zie monopoolsleepboot.





~monopoolboot:
zie monopoolsleepboot.





~monopoolsleepboot, monopoolboot, monopool:
sleepboot van de Reichswasserstrassenverwaltung, de staatssleepdienst die (vroeger) als enige de schepen op diverse Duitse kanalen mocht slepen. Zij resorteerden onder het Reichs Schleppfahrt Betrieb, het latere Bundes Schlepp Betrieb.
In verband met de sterk teruglopende sleepvaart op de kanalen werd de dienst in 1967 opgeheven.
De Monopoolboten droegen een nummer vooraf gegaan door een letter. De 'D' voor het district Duisburg, de 'M' voor het district Minden en de 'E' voor het district Emden.
Ook de nummers hadden een zekere betekenis. De nummers 1-99 waren voor stoomslepers met meer dan 200 pk vermogen. Nummers die met een 0 begonnen werden gebruikt voor de tijdens de Tweede Wereldoorlog gebouwde stoomslepers met een hoge druk installatie. Tussen de nummers 100 tot 199 vond men 63 eenvoudige stoomslepers die vanaf 1914 gebouwd waren. Bij de tweehondertallen waren 29 tot motorsleper verbouwde stoomslepers ingedeeld. Bij de driehondertallen zaten 20 motorsleepboten tot 200 pk en bij de vierhondertallen zaten 47 sleepboten met een gasinstallatie.
Tot slot waren bij de vijfhonderdtallen alle sleepboten ondergebracht, die in de periode 1939-1945, geconfisceerd waren.
De kanalen waarop men actief was waren:Ems-JadeKanal, Küsten Kanal, Haren-Rütenbrock Kanal, Ems-Vecht Kanal, Dortmund-Ems Kanal, Mittellandkanal, Wesel-Datteln Kanal, Datteln-Hamm Kanal en het Rhein-Herne Kanal.

[Monopool sleepboten in de schepenDB]





~monopoolvlag:
een witte vlag met daarin een zwarte M die men zette wanneer men bij de eerst volgende gelgenheid een monopoolsleepboot wenste.





~monsterboeier:
vrij kleine Boeier gebruikt voor het vervoer van (graan)monsters.





~mooiweerschipper, walligger:
een schipper, die, in de ogen van anderen, het weer algauw te slecht vindt om nog te gaan varen.





~mooiweerzeil:
bijzeil dat alleen bij weinig wind gevoerd wordt.





~moordenaar met twee getuigen:
bijnaam voor een hijsinstallatie met twee bomen aan boord van schepen.





~moordkuil:
in eerste instantie de bijnaam van de wonderkuil, later (door sommigen) ook voor de dwarskuil en de kwakkuil gebruikt. In een enkel geval wordt zelfs de ankerkuil/schokkerkuil zo genoemd.
De bijnaam danken deze netten aan het feit dat alles wat voor de kuil komt uiteindelijk achter in het nauwe gedeelte zo zwaar op elkaar gepakt raakt dat bijna alle bijvangst de dood vindt. Bij de ankerkuil beweren sommigen echter dat gezonde kleine vissen wel degelijk uit het net kunnen ontsnappen, omdat de maaswijdte naar achtertoe slechts geleidelijk afneemt en de stroming in het net in het achterste deel gering is.
.





~morlen:
zie morrelen.





~morrelen, morlen:
oorspronkelijk: in het donker, op de tast, moeten werken. Bij uitbreiding op slecht verlichte en moeilijk toegankelijke plaatsen, dus bijvoorbeeld in de hoeken van het ruim, moeten werken.





~mors:
door een baggerwerktuig verplaatste, maar niet verwijderde bagger.





~morsekabel, teleflexkabel:
trek-drukkabel welke voor het op afstand bedienen van motoren gebruikt werd/wordt.
Teleflex is één van de fabrikanten van dit soort kabels. Morsekabel is de naam van het product.
Dit type kabel werd in eerste instantie voornamelijk gebruikt voor de bedieningen in vliegtuigen en onderzeeboten, pas later worden ze in de binnenvaart toegepast. Voor zover bekend zijn ze op grotere vaartuigen nooit populair geweest.
In 'Schip en werf' van 1939 (nr4) worden ze beschreven als: "... kronkelvrije draden uit één stuk, volgens een bijzondere methode, die uit verschillende met links en rechts met verschillende spoed gewikkelde draden van grote sterkte bestaan, welke in nauwkeurig bewerkte geelkoperen buizen met heel weinig speling schuiven, terwijl zij met een speciaal vet worden gesmeerd. Ook de aansluitingen zijn genormaliseerd en heel precies gemaakt, zodat de lege gang op een minimum beperkt blijft." Hoe flexibel deze kabels waren, ben ik niet te weet gekomen.
Latere kabels hebben vaak een met kunststof beklede, spiraalvormig gewikkelde, metalen buitenmantel en een met kunststof omgeven, van metaaldraden gevlochten, beweeglijke kern.






~morsmouw:
onderste helft van een losse mouw, gemaakt van manchester of oliegoed, die over de mouw van de jas heen wordt aangetrokken om deze tijdens het vissen of het verwerken van de vis, te beschermen.





~mortelschip:
schip waarop men betonmortel maakt.
Een dergelijk schip was onder meer bij de aanleg van de Rijn-Schelde verbinding in bedrijf.






~mosbout:
vermoedelijk een soort keernagel, welke bestaat uit een met mos gevuld boorgat dat aan beide zijden met een houten prop gesloten wordt. Zie ook mosnaad.




~moskel:
zie moskuil.





~moskuil, moskwil, moskel, :
grote houten hamer. Deze werd onderandere gebruikt om kleinere delen te duvelen en als hamer bij het gebruik van beitels gutsen en dergelijke. Oorspronkelijk echter bedoelt om mos, wat gebruikt werd voor het breeuwen, te pletten.
Het woord 'moskwil' zoals dat in Winschooten's Seeman voorkomt, berust, zo neemt men aan, op een verschrijving. De term 'moskel' is een plaatselijke variant.
Dat de moskuil een groef in de kop zou hebben, zoals sommige bronnen beweren, berust op een verwarring met de kleedkuil.






~moskwil:
zie moskuil.





~moslat:
1> lat welke achter de breeuwnaad geslagen werd wanneer de naad het breeuwsel onvoldoende vast hield.
Misschien ook naadlat genoemd?


2> mogelijk ook een erg dunne lat welke achter de sintels gebracht wordt, teneinde het werk/breeuwsel met minder sintels beter vast te kunnen houden.





~mosnaad:
een soort keernagel, welke bestaat uit een met mos gevuld boorgat dat aan beide zijden met een houten prop gesloten wordt. Mogelijk ook mosbout genoemd.
Zie ook mossponning.





~mospapier:
tot vellen geperst veenmos dat bijvoorbeeld achter het doodskleed of tussen houten dubbelingen en verbindingen aangebracht werd om een goede waterdichte afsluiting te verkrijgen.
Gerelateerde termen: breeuwen, keernagel, mosnaad.





~Mosselaak, Bruinisser jacht, Bruinisser aak:
1> veelal in Zeeland gebouwde, aangepaste versie van de Lemmeraak. Het schip had geen bun en was tussen vooronder en achterschip geheel open. Ze werden gebruikt voor het vervoer van mosselzaad.
Volgens GJ Schutten (blz.426) waren de houten schepen wat zwaarder gebouwd dan de gewone (Friese) Lemmeraken. Houten schepen tussen 12 en 14 meter werden volgens hem Zeeuws Lemmerjacht en grotere schepen Zeeuwse mosselaak genoemd.
Onder de stalen (motor)mosselaken bevindt zich ondermeer een bij Stapel te Enkhuizen gebouwd exemplaar met voor de stuurkuip een kleine roef.


2> in Zeeland gebruikte benaming voor Lemmeraak.





~mosselbank:
ondiepte waarop veel mosselen voorkomen.





~Mosselhengst:
1> een mosselvisser in het algemeen.
2> Hengst waarmee mosselen gevist worden.





~Mosselkaag:
waarschijnlijk een Kaag, gebruikt voor het vervoer van mosselen.





~mosselkor:
ca. 1,9 meter brede metalen kor waarmee mosselen gevangen worden. Per kotter sleept men 2 tot 4 van deze korren voort.





~mosselkotter:
algemene benaming voor een motorvaartuig waarmee men mosselen vist.





~mosselman:
1> mosselvisser.
2> iemand, die mosselen verkoopt.





~mosselperceel:
bepaald deel van een mosselbank.





~mosselton:
gewichtseenheid gelijk aan 100 kilogram. Ook een baal genoemd.





~mosselvissen:
het van de bodem ophalen van mosselen.





~mosselveiling:
plaats waar mosselen in grote partijen verhandeld worden.
De enige mosselveiling ter wereld (anno nov.2011) staat in Yerseke.






~mosselvisser, mosselman:
1> Mosselhengst: vaartuig dat ingericht is om mosselen te vissen. [A>]

2> schipper op een dergelijk vaartuig.





~mosselwagen:
1> de dwarsbalk van de sleepbeting.

2> de ruimte tussen twee betings, als er twee betings zijn of de ruimte tussen de betingstijlen, als er maar één beting is.
Voorbeelden waarin deze term gebruikt wordt zijn schaars, evenals betrouwbare verklaringen. De tweede betekenis lijkt de oudste vermeldingen te hebben, maar is moeilijk te verklaren. De eerste betekenis kan een misvatting van de tweede zijn.






~mosselzaad:
zeer jonge mosselen tot circa 2 cm groot.





~mosselzaadinvanginstallaties:
niet voldoende bekend. Schijnt onderdeel te zijn van de hangmosselcultuur.





~mossponning, mosnaad:
1> soort breeuwnaad echter meer in de vorm van een holle gleuf waarin men mos of mospapier aanbracht. Dit mos werd eventueel met sintels vastgezet.

2> door uitholling van twee tegenelkaar sluitende delen gevormde gang welke geheel met mos gevuld zal gaan worden. Zie ook mosnaad.





~mosterdpot:
schraag met op de bovenzijde een rol. Gebruikt om lang hout te verplaatsen en te steunen. [A>]





~mot:
1> afval.
a> fijne turfmolm, (turfmot, -mul, -mulm, -meel,) soms ook zaagsel, o.a. gebruikt om opengetrokken naden van het onderwaterschip dicht te krijgen. [T> Breeuwen.]
Gerelateerde termen: houtmot, spaanmot.

b> korte stukken hout, zaagsel, houtkrullen en ander houtafval, dat bij de bouw van een schip geproduceerd wordt. Dit werd ondermeer gebruikt in rokerijen.

2> Duitse mot.

3> leuver, in het bijzonder de schoothoorn.

4> zie motoog.





~motgat:
zie motoog.





~mothok:
bergplaats in de hellingschuur waar mot(1b) opgeslagen werd.





~motkoer: ben.





~motkorf, motkoer:
zie ben.





~motmatte:
mat waar men mot in gewreven heeft en die men langs het onderwaterschip haalt, teneinde lekkende breeuwnaden dicht te krijgen. [T> Breeuwen.]





~motoog: ~
getrensde, kleine opening in het zeil waarin de rifseizings of leuvers bevestigd zijn. Zijn de gaten voorzien van metalen kousen, dan spreekt men wel van kramgat. Ook mot of motgat genoemd.
Gerelateerde term: zeilkous.





~motschipper:
schipper, die mot(1b) voor de rokerijen vervoerde.





~motor......:
niet alle mogelijke samenstellingen, vooral niet die in combinatie met een scheepstype, zijn opgenomen.





~motor
1> Luxe-motor.

2> motortje: motorscheepje.

3> verbrandingsmotor, kar, scheepsdiesel, gloeikopmotor
LIGGENDE MOTOR
,
HORIZONTALE MOTOR
: motor waarbij de zuiger in horizontale richting heen en weer beweegt.
(DIRECT) OMKEERBARE MOTOR
: motor waarbij, voor het achteruit varen, de draairichting omgekeerd kan worden.
STATIONAIRE MOTOR
:
a> motor, die op een constant toerental draait.
b> motor, die met alle toebehoren één geheel vormt en min of meer in zijn geheel makkelijk verplaatst zou kunnen worden.





~motoraak:
1> algemene aanduiding voor een aak voorzien van een verbrandingsmotor.

2> verkorte vorm van Langedijker Platkop motoraak.





~Motoraakschip:
term die in de liggers van de meetdienst gebruikt wordt voor een aak/lastaak met mechanische voortstuwing.





~motoralarmsysteem:
electrisch of electronisch systeem, dat bij het overschrijden van bepaalde grenzen (te lage oliedruk, te hoge koelwatertemperatuur, e.d.) een lichtsignaal geeft en een krachtig geluidssignaal laat horen.





~motorankerlier:
ankerlier, dat door een motor (verbranding, electrisch of hydraulisch) aangedreven wordt.





~motorbrandbluspatrouillevaartuig:
combinatie van een brandblusvaartuig en een patrouillevaartuig.
De term wordt ondermeer in de liggers van de scheepsmeetdienst gebruikt.






~motorbebergingsvaartuig:
bergingsvaartuig tot voortstuwing van het vaartuig voorzien van een verbrandingsmotor.
De term wordt ondermeer in de liggers van de scheepsmeetdienst gebruikt.






~motorbeunschip, m.b.s.:
een beunschip dat met behulp van een verbrandingsmotor voortgestuwd wordt. [A>]





~motorbeurtschip, beurtmotor:
1> willekeurig scheepstype dat een beurtdienst vaart en dat voor de voortstuwing gebruik maakt van een verbrandingsmotor. Vooral de 'gewone' Luxe-motor en het 'gewone' motorscheepje werden nogal eens voor het uitoefenen van beurtdiensten gebruikt.

2> scheepstype, onder te verdelen in:
a>
het type dat min of meer gelijk is aan het stoombeurtschip. [A>]
b> een aangepaste Luxe-motor of een aangepast motorscheepje. [A>] Vaak werd het berghout breder en zwaarder gemaakt, soms werd het voordek en het vooronder groter dan gebruikelijk en bij het motorscheepje wilde men nog wel eens de roef weglaten. Een hijstuig behoorde vaak tot de standaard uitrusting.
Zie ook Katwijker en Potdekker.





~motorblazer:
Zie bij Blazer.





~motorbok:
aanduiding uit de liggers van de scheepsmeetdiensten waarmee men een gemotoriseerde bok bedoelt.





~motorboot:
1> algemene benaming voor een klein motorvaartuig.  In feite alleen van toepassing wanneer het vaartuig geheel open is, daar men het anders een motorscheepje (uitleg) dient te noemen.

SNELLE MOTORBOOT
: term uit diverse vaarreglementen, waarmee een klein motorvaartuig, dat een snelheid van meer dan 20 km/u kan behalen, bedoeld wordt.
2> landrottenterm voor motorschip. Zie ook: vrachtboot.





~motorbootvaarder:
schipper op een motorboot.





~motorbordes, bordes:
soort van loopbruggetje, op enige hoogte boven de motorfundatie, langs een motor. [A>] Alleen grote (hoge) motoren zijn voorzien van een bordes. Het bordes is bedoelt om het smeren van de tuimelaars en/of het plegen van onderhoud op de bovenzijde van de motor te vergemakkelijken. Het bordes bevindt zich meestal aan de bovenzijde van het carter of op minder dan 1,5 meter onder de bovenkant van de motor.





~motorbunschip:
1> bunschip met motor.
Gerelateerde termen: aalboot, koopschuit, palingkoper, visafhaler.

2> foute schrijfwijze van motorbeunschip.





~motorcementschip, motorvrachtschip dat ingericht is (of gebruikt wordt) om cement te vervoeren. Meestal zijn dit cementtankers.





~motorcruiseschip, mcp:
meestal in advertenties gebruikte benaming voor wat over het algemeen een rijncruiser genoemd wordt.





~motordekaak:
een dekaak met mechanische voortstuwing.





~motordekaakschip:
vermoedelijk een dekaak met mechanische voortstuwing.





~motordekschip, dekschip:
soort vrachtschip speciaal gebouwd voor het vervoer van dekladingen. Soort van moderne variant van de motordekschuit alleen dan veel groter. Vaak voorzien van bewoonbare ruimtes op het achterschip. [A>]





~motordekschuit:
1> scheepstype. Een vaartuig als een dekschuit, maar met het achterschip zoals van een motorscheepje. [A>]

2> een gewone dekschuit met eigen voortstuwing.





~motordrijfvuilboot:
een drijfvuilschuit voorzien van een mechanische voortstuwing.





~motordrijfvuilschuit:
een drijfvuilschuit voorzien van een mechanische voortstuwing.





~motordrijfvuilvisboot:
een drijfvuilschuit voorzien van een mechanische voortstuwing.





~motordrijfvuilvisschuit:
een drijfvuilschuit voorzien van een mechanische voortstuwing.





~motordrijver, machinist:
vroeger: knecht op de grotere motorschepen, die voor het onderhoud van de motor verantwoordelijk was.
Tegenwoordig, maar ook vroeger al: een gediplomeerde functie.





~motorduwboot:
volledige maar weinig gebruikte term voor wat men gewoonlijk een duwboot noemt.





~motorduwsleepboot:
volledige maar weinig gebruikte term voor wat men gewoonlijk een duwsleepboot noemt.





~motorelevatorklepbak:
term die in de liggers van de meetdienst gebruikt wordt voor een soort van onderlosser met mechanische voortstuwing.





~motorelevatorschip:
term uit de liggers van de meetdiensten waarmee men een bepaald soort beunschip bedoelt.





~motorfundatie:
op of in het schip aangebrachte versteviging waarop een motor opgesteld is. [T>Machinekamers.] Zie ook: machinekamerfundatie, scheepsfundatie.





~motorinbouwer:
functie bij bedrijven, die motoren in schepen plaatsen.





~motor-instructievaartuig:
term uit de liggers van de meetdiensten waarmee men een opleidingsschip bedoelt.





~motorgoederenboot:
oude benaming voor een motorvrachtSCHIP.
Het gaat hier vanzelfsprekend om een schip en niet om een boot!
Het ging in die tijd (ca. 1900-1925) dat de term gebruikt werd gebruikt veelal om flinke vrachtschepen met eigen laad- en losgerei.
In bepaalde kringen ook motorlichter(schip) genoemd.






~motorgrundel:
stalen Grundel met ingebouwde verbrandingsmotor. Behalve het ontbreken van tuigage is er voor zover bekend weinig verschil met de gewone grundel.





~Motorhagenaar:
1> onbekende term voor een motorschip(1a) met de afmetingen van een Wagenbrugger.
2> Hagenaar met motor.





~motorherft:
herft waarin een motor (meestal voor de zijschroef) geplaatst is.





~Motorhevelaakschip:
term die in de liggers van de meetdienst gebruikt wordt voor een hevelaak met mechanische voortstuwing.





~motorhoorn:
grote maat blaastoeter.
Bron: documenten tagrijn Weduwe S.J. de Vries & zonen.






~motorjachtschip:
in de liggers van de meetdiensten gebruikte term voor een met een brandstofmotor uitgerust beurtscheepje, maar ook voor een dito rondvaartbootje en een pleziervaartuig.





~motorkaan, motorkaanschip:
in de liggers van de meetdienst gebruikte term voor een vijftal schepen welke te Westerbroek en Martenshoek voor Duitse eigenaren gebouwd werden. Vier schepen waren rond 54 meter, de vijfde 39 meter. Model onbekend. Extra informatie zie bij Kaan.





~motorkabelpont:
kabelpont welke gebruikt maakt van een eigen voortstuwing.
Alhoewel het in de term niet besloten ligt, krijg ik de indruk dat de term hoofdzakelijk gebruikt wordt voor kabelponten die zich zelf met een scheepsschroef (roerpropeller) voortstuwen.






~Motorkagenaar:
Kagenaar met het achterschip zoals een motorscheepje.





~motorkamer:
1> minder gebruikelijk term voor machinekamer.

2> soms gebruikt als aanduiding voor de ruimte waar andere motoren dan de voortstuwingsmotoren opgesteld staan.





~motorkast:
1> 'scheepstype': een Kast voortgestuwd door een verbrandingsmotor.
2> grote motorkist. [A>]





~motorkist, motorkast:
wegneembare, stalen of houten omkisting van een in de buitenlucht geplaatste motor. [T> Machinekamers.]





~Motorklipper:
1> algemene term voor een Klipper zonder tuigage, maar met een in gebouwde scheepsdiesel.
Zie ook motorklipperschip.

2> scheepstype: namelijk een klipper met het achterschip zoals een Luxe-Motor, dus met een naar binnenvallend hek. Vaak bij de bouw nog wel voorzien van een volledige tuigage. [A>]
Er zijn slechts enkele van dit soort schepen gebouwd.


3> verwarrende benaming voor een Luxe-motor met klipperkop.
Voor zover bekend is het schip van Reidinga uit Akkrum het enig bestaande exemplaar. Het is een volwaardige Luxe-motor, dus met salonroef, stuurhut en zonder tuigage, maar met een echte klipperkop. Men hoopte dat men bij de vaart over het IJsselmeer minder vast water over zou krijgen dan met de normale scherpe steven.






~Motorklipperaak:
Klipperaak zonder tuigage, maar met een ingebouwde scheepsdiesel.
Zie ook motorklipperaakschip.





~motorklipperaakschip:
term uit de liggers van de meetdiensten waarmee een gemotoriseerde klipperaak aangeduid wordt.
Inschrijving A18260N maakt melding van een België gebouwd klipperaakschip uit 1881!!!






~motorklipperschip:
term uit de liggers van de meetdiensten waarmee een gemotoriseerde klipper aangeduid wordt.
Zie ook: motorklipper.





~motorkoeler:
warmtewisselaar waarmee het koelwater van de motor gekoeld wordt. De term wordt vrijwel uitsluitend gebruikt wanneer men expliciet onderscheidt tussen de oliekoeler en koeler voor de motor wenst te maken.





~motorkoelwater, motorwater:
1> het water dat door de motor stroom om deze te koelen.

2> term die gebruikt wordt om bij interkoeling systemen onderscheid te maken tussen het water dat van buiten komt, het buitenkoelwater en het water dat door de motor en warmtewisselaars circuleert, het motorkoelwater.
Soms ook omloopkoelwater genoemd.





~motorkoelwatercircuit:
alle met elkaar verbonden ruimten waarin zich het motorkoelwater bevindt. Dit omvat behalve het motorblok zelf, de warmtewisselaars, oliekoelers, pompen, expansievat, eventuele nakoelers en alle bijbehorende leidingen en afsluiters.





~motorkoelwaterpomp:
de pomp die het koelwater door het motorblok pompt. Bij omloopkoeling is dat dus de koelwatercirculatiepomp, bij doorstroomkoeling de buitenwaterpomp.





~motorkoelwatertemperatuur:
de temperatuur van het koelwater gemeten nadat het net de cilinderkoppen verlaten heeft.
Omdat het meestal wel duidelijk is dat men het over de motor heeft, spreekt men meestal van koelwatertemperatuur.





~motorkoelwaterthermometer:
meestal koelwatertemperatuurmeter genoemd.





~motorkotter, binnenvaartkotter:
algemene benaming voor een stalen vissersschip, met scherpe steile steven, een, naar voor, oplopende zeeg en vaak een flinke verschansing, voortgestuwd met behulp van een verbrandingsmotor.





~motorkustvaartuig:
term uit de liggers van de meetdiensten waarmee een gemotoriseerde kustvaarder/coaster aangeduid wordt.





~motorlenspomp:
lenspomp die door een motor aangedreven wordt. Over het algemeen wordt de term alleen voor die lenspompen die door een verbrandingsmotor aangedreven worden gebruikt. Gerelateerde term: pompaggregaat.





~motorlichter, motorlichterschip:
lichterschip dat met behulp van een verbrandingsmotor voortgestuwd wordt.
Dit soort schepen werden in hun tijd ook aangeduid als motorgoederenboot.






~motorlier:
een werktuigelijk aangedreven anker- of draadlier.





~motorluik:
1> grote stalen deur in het machinekamerschot, waarlangs de motor, bijvoorbeeld voor reparatie, naar het ruim getakeld kan worden.
2> vlak luik in een vloer of dek, waardoor de motorruimte bereikbaar is. [T> Machinekamers.]





~motormeetvaartuig, meetvaartuig, opnamevaartuig :
motorvaartuig dat metingen in het vaarwater verricht.
Zowel het peilvaartuig als het motormeetvaartuig zullen ongetwijfeld diverse soorten metingen verrichten. Het zijn dus min of meer hetzelfde soorten vaartuigen.






~motormelkboot, melkmotor(tje):
motorvaartuig, vaak, maar niet altijd, van een type verwant aan het motorschip, dat met melk, in bussen, maar soms ook in een tank, vaart.
Zie ook: melkboot. en melkscheepje.
De term boot is hier in het geheel niet op zijn plaats [uitleg]. Het zou, indien het een open vaartuig is, een motormelkschuit en indien het dekken heeft een motormelkscheepje moeten heten. Beide termen ben ik echter nog niet tegengekomen.





~motormelkbootvaarder:
schipper op een motormelkboot.





~Motormosselaak:
mosselaak welke ontworpen is om tevens van een motorische voortstuwing gebruik te maken. Het achterschip heeft in verband daarmee soms iets meer volume. Verder zijn er echter bijna geen verschillen met de gewone mosselaak.





~Motoronderlosser:
term die in de liggers van de meetdienst gebruikt wordt voor een onderlosser met mechanische voortstuwing.





~motoroverslagschip:
overslagschip ter voortstuwing voorzien van een verbrandingsmotor. Aanduiding uit de liggers van de scheepsmeetdiensten.





~motorpakschip:
aanduiding uit de liggers van de scheepsmeetdiensten waarmee men een motorpakschuit bedoelt.





~motorpakschuit:
1> scheepstype. Een ijzeren of stalen pakschuit met een achterschip dat lijkt op dat van het motorscheepje of ander geveegd achterschip.

2> een gemotoriseerde pakschuit.

3> meestal klein motorscheepje, dat de diensten welke eerst met de pakschuit verricht werden, uitvoert.





~motorpassagiersschip, m.p.s.:
passagiersschip, dat voor de voortstuwing een verbrandingsmotor gebruikt. De term wordt tegenwoordig bijna uitsluitend in advertenties gebruikt. Vroeger, in de tijd dat er zowel stoom- als motorpassagiersschepen waren, is de term vaker in gebruik geweest. Zie ook: dagpassagiersschip, rondvaartboot, rijnpassagiersschip, enz.





~motorpaviljoenaak:
een paviljoenaak, die voor de voortstuwing gebruik maakt van een verbrandingsmotor.





~motorpaviljoenschip, paviljoenmotorschip, :
een paviljoenschip, die voor de voortstuwing gebruik maakt van een verbrandingsmotor.





~motorpaviljoentjalk:
een paviljoentjalk, die voor de voortstuwing gebruik maakt van een verbrandingsmotor.





~motorpont:
een pont, die voor de voortstuwing gebruik maakt van een verbrandingsmotor.





~motorpraam:
1> scheepstype. Friese praam met een achterschip zoals van een motorscheepje.
Een vrijwel onbekend scheepstype waarvan in het Fries Scheepvaartmuseum toch een tekening te vinden is.






~motorraderboot:
Raderboot/schip, dat voor de voortstuwing van een verbrandingsmotor gebruik maakt.
De term boot is hier niet op zijn plaats, omdat het zich in de meeste gevallen om een schip handelt (uitleg).






~motorradersleepboot, radermotorsleepboot :
radersleepboot waarbij de schepraderen door een verbrandingsmotor aangedreven worden.
De eerste motorradersleepboot die ooit de Rijn bevoer was de in 1885 als raderstoomsleepboot gebouwde Franz Haniel I. In 1929 werd de toenmalige machine van 1300 ipk vervangen door twee MAN diesels van 500 pk elk. Het schip voer daarna voor Scheepvaart- en Handelsmaatschappij Trinitas NV Rotterdam, een dochteronderneming van Franz Haniel & Cie Gmbh. Zij zonk door oorlogsgeweld in 1945, werd in 1947 gelicht en vervolgens gesloopt. (Bron: Radersleepboten, A. Lentjes & T. de Wit.)
Later werden ook enkele andere sleepboten tot motorschip omgebouwd, maar groot is hun aantal nooit geweest.
Op de Elbe en Donau hebben echter meerdere van dit soort schepen gevaren. (Zie het blad Binnenvaart 4/2012.) Dit waren niet alleen dieselradersleepboten, enkele waren gedurende de oorlog voorzien van gasmotoren die door houtvergassers gevoed werden.






~motorreglement:
verzekeringsreglement waarin schade aan motoren en voortstuwingswerktuigen geregeld is.





~motorroefje:
op een roefje gelijkende opbouw welke geplaatst is om de motor te kunnen herbergen. Dit geldt ook als dit gedeelte min of meer een verlenging van een reeds bestaand roefje is.





~motorruimte:
soort van kleine machinekamer onder voordek, kuipvloer of soms ook stuurhutvloer. [T> Machinekamers.]





~motorscheepje, motortje:
1> scheepstype: type motorschip met minder holte en zeeg dan de Luxe-motor, indien aanwezig een salonroef, stuurhut meestal òp het dek met daarvoor de machinekamerlichten(1). Achter het ruim liggen het dek en de gangboorden meestal gelijk met de bovenrand van het vaartuig. Tot ca. 25 m lang en daarbij dan een laadvermogen van ca. 70 ton. Eventueel te onderscheiden in drie  types: het (meestal kleine) smalle type, het type met min of meer normale verhoudingen en het (meestal lange) lage brede type, dat volgens sommigen de bijnaam strijkijzer droeg. Veel motorscheepjes voeren echter als motorbeurtschip of met eigenvracht en waren daarom volledig aan het vaargebied en de wensen van de eerste eigenaar aangepast. [A>] Een vrij groot aantal schepen hebben eigenlijk of te veel zeeg, of een te grote holte om een echt motorscheepje te zijn. Ze worden door de eigenaren daarom graag als Luxe-motor gekwalificeerd, zonder dat echt te zijn.

2> klein motorschip(2a).





~motorschepenkont:
een achterschip zoals een Luxe-motor of een motorscheepje, dus een flink geveegd achterschip met een naar binnen vallend hek, wat van bovenaf gezien rond eindigd.





~motorschepenkop:
een voorschip zoals een Luxe-motor of een motorscheepje, dus een vrij scherp voorschip met een rechte vertikaal staande steven.





~motorschildje:
Metalen plaatje waarop het fabrikaat en typenummer, en soms nog meer, van de motor vermeld staat.





~motorschip :
1a> m.s.:
volgens schippers: een schip dat een motor heeft om zich voort te bewegen en niet over zeilen beschikt.
b> volgens de reglementen: een schip dat van een mechanische voortstuwing gebruik maakt. Volgens schippers is een schip met zeilen dus een zeilschip, ook wanneer het op de motor vaart, volgens de reglementen is het dan echter een motorschip.
Zie ook metór.
MOTORSCHIP VAN DE MOERVAART
: ook bietenschip van de Moervaart genoemd. Zie bij bietenschip.

2a> Motor: algemene naam voor vrachtschepen met een rechte steile stafsteven en een geveegd achterschip met een naar binnenvallend hek. Men kent ondermeer: het Motorscheepje, de Luxe-motor (de Zelflosser) en het Motorbeurtschip(2).
De Wad en Sontvaarder (Beltvaarder) en de Katwijker zijn nauw verwant aan het motorschip, maar kunnen een afwijkend achterschip hebben.
b>
MODERN MOTORSCHIP,  MODERNE MOTOR
: bij gebrek aan typenamen gehanteerde aanduiding voor bijna elk motorvrachtschip, dat niet tot één der oude types behoort. Soms gebruikt met toevoegingen, die betrekking hebben op de vorm van het voor- of achterschip. Ook hanteert men vaak een naam die betrekking heeft op de afmetingen (zie maatschip) of het gebruik (droge-ladingschip, beunschip, tankschip, containerschip). Over het algemeen zijn het grote schepen (50 m en meer), zonder noemenswaardige zeeg, een grote, niet of weinig verzonken, roef op het achterschip en de stuurhut voor of op de roef, vaak voorzien van een brug of brugvleugels. Zie ook: eurovrachter, frontrunner, riverhopper.





~motorschokker:
vissersvaartuig van het type Schokker dat van een verbrandingsmotor voorzien is.
Voor zover bekend zijn er geen belangrijke verschillen in de rompvorm tussen de Schokkers welke zeilen en die welke op de motor varen.






~motorschot, motorluik:
uitneembaar gedeelte, meestal met bouten en moeren vastgezet, van het machinekamerschot. [T> Machinekamers.]





~motorschuit:
1> algemene benaming voor schuiten met een ingebouwde mechanische voortstuwing.

2> zie Langedijker rondkont-motorschuit.





~motorsleepboot, m.slb.:
sleepboot, die voor de voortstuwing, gebruik maakt van een verbrandingsmotor.





~motorsleepkaan:
éénmalig in de liggers van de meetdienst gebruikte term. Volgens een krantenartikel gaat om een schip uit een serie van 8 voor rekening van de Firma Rörs & Co. te Bremen. Mogelijk betreft het een slepend vrachtschip ook sleepmotorschip genoemd. Extra informatie zie bij Kaan.





~motorsleepvlet:
enig juiste, maar weinig gebruikte term, voor een motorvlet, die voor het verrichten van sleepwerk gebouwd is.
De term komt ondermeer voor in de liggers van de meetdiensten.





~motorspits:
1> een motorspits(2) met een motorspitsenkont.

2> een Spits voortgestuwd door een verbrandingsmotor.





~motorspitsenkont, spitsenkont, kruiserhek:
een achterschip van een spits, dat vanaf dekhoogte ongeveer recht naar beneden loopt, aan de achterzijde soms zelfs nog iets naar buitentoe weglopend, maar waarvan het onderste gedeelte geveegd is. Bij de Hollandse spits is de bovenhelft klein, t.o.v. de onderhelft, bij de Belgische spits is dat net anders om. [A>]





~motorsteenstorter:
een steenstorter voorzien van een verbrandingsmotor ter voortstuwing van het vaartuig.





~motorsteilsteven:
zie bij steilsteven.





~motortankschip, tankmotorschip, motortanker, m.t.s.
tankschip met een verbrandingsmotor.





~motortankschuit:
niet al te groot motortankschip.





~motortankspits:
tankschip van het type spits.





~motortender:
een tender/barkas met verbrandingsmotor.





~motortjalk, m.tj.:
Tjalk met verbrandingsmotor voor de voortstuwing.
Zie ook zeiljalk, motortjalkschip.




~motortjalkschip:
term uit de liggers van de meetdiensten waarmee een gemotoriseerde tjalk aangeduid wordt. De liggers kennen ook het sleeptjalkschip en het gewone tjalkschip.
Zie ook: motortjalk.





~motortje: motorscheepje.





~motoruur:
elk der uren dat een (motor)zeilschip op zijn motor gevaren heeft.
Vergelijk draaiuur.





~motorvaart:
zelden gebruikte term voor de scheepvaart met motorschepen(2). Zie ook: vaart(2).





~motorvaartuig:
1> volgens veel reglementen: een vaartuig, dat van een mechanische voortstuwing gebruik maakt, dus ook een zeilschip dat op de motor vaart en ook stoomschepen of schepen met electrische voortstuwing.

2> in het algemeen: een vaartuig dat voor de voortstuwing over een verbrandingsmotor kan beschikken, het kan eventueel dus ook met spierkracht of door de wind voortbewogen worden.





~motorvaartverbod:
verbod om met een motorvaartuig een bepaald water te mogen bevaren.





~motorvaartvergunning:
vergunning, die men in bepaalde gebieden moet kopen, om daar met een motorvaartuig te mogen varen.





~motorveer, motorveerdienst:
veerdienst die met een motorvaartuig onderhouden wordt.





~motorveerboot:
term uit de liggers van de meetdiensten waarmee een gemotoriseerde pont o.i.d. aangeduid wordt.
De gevonden omschrijving had betrekking op wat men een overzetbootje noemt.






~motorveerdienst:
zie motorveer.





~motorveerpont, motorpont:
pont, die door een verbrandingsmotor voortgestuwd wordt.
Zie ook motorveer.





~motorverzekering:
verzekeringspolis, die schade aan de voortstuwing dekt.





~Motorvlet:
1> vlet die door middel van een motor voortgestuwd wordt.
Gerelateerde term: motorsleepvlet.

2> algemene aanduiding voor motorvaartuigen voor het transport van producten in het akker- en tuinbouwbedrijf. Zoals bijv. de Langedijker rondkontmotorschuit.
[Gerelateerde scheepstypen/soorten >]




~motorvrachtboot:
aanduiding uit de liggers van de scheepsmeetdiensten waarmee men een motorvrachtscheepje bedoelt.
Voor zover kon worden na gegaan gaat het meestal om scheepjes welke in een regelmatige dienst varen.
Ondanks het gebruik van de term BOOT gaat het hier natuurlijk om SCHEPEN of scheepjes.






~motorvrachtschip, m.v.s.:
vrachtschip, waarbij de voortstuwing door middel van een verbandingsmotor geschied.
Gerelateerde termen: motorvrachtboot, sleepschip, stoomvrachtschip, zeilvrachtschip, enz.





~motorvuilvisvaartuig:
gewoonlijk slechts vuilvisvaaruig genoemd.





~motorvulling:
1> de hoeveelheid lucht of 'gas' gemeten bij 1 atm. druk en een temperatuur van 21 graden, die in de zuigerruimte komt.

2> verzamelnaam voor alles waarmee de ruimte tussen de motorfundatie en de motorsteunen opgevuld wordt. Deze vullingen zijn noodzakelijk omdat elk der motorsteunen even veel moet dragen en de gehele motor precies op de juiste hoogte en precies rechtvoor de uitgaande as moet staan, hetgeen met de machinekamer fundatie niet te bereiken valt. Zie motorvulstuk, motorvulplaat.





~motorvulplaat:
rechthoekig plaatje van geringe dikte, met van af één derzijdes één of twee gleuven, breed genoeg voor de motorbevestigingsbouten, dat als motorvulling gebruikt wordt. Men bereikt de gewenste dikte, door meerdere van deze plaatjes om en om onder de motorsteunen te schuiven. Het systeem wordt voornamelijk bij kleine (hulp)motoren toepast.





~motorvulstuk:
1> massief of nagenoeg massief stuk metaal dat als motorvulling gebruikt wordt.

2> van kunststof, ter plekke, gegoten blok dat als motorvulling fungeert. Één der eerste producten op dit gebied was Chocking Compound "Chockfast Orange".





~motorwagenveerboot:
in de liggers van de meetdiensten gebruikte term waarmee men een door een verbrandingsmotor aangedreven groot wagenveer, een veerboot dus, bedoeld.





~motorwater:
1> zie motorkoelwater.

2> het koelwater dat zich (bij stilstaande motor) nog in de motor bevindt.





~motorwatertemperatuur, motorkoelwatertemperatuur:
de temperatuur van het koelwater dat door de motorcirculeert. Zie ook koelwatertemperatuur.





~motorwerkschip:
term uit de liggers van de meetdiensten waarmee een gemotoriseerd werkschip aangeduid wordt.





~Motorwestlander:
1> type Westlander (13 tot 22m) met het achterschip zoals een Motorscheepje, dus met een naar binnenvallend hek. Machinekamer achter het ruim, soort salonroefje op het achterdek, soms voorzien van een doorlopend dek, i.p.v. een ruim, en dan meestal Melkschuit genoemd.
2> verwarrende benaming voor een gewone of grote Westlander met motor. Deze kwam vaak in de aanwezige roef, die dus machinekamer werd, zodat men op het voordek vaak maar een echte roef plaatste.





~motorzeeschip, m.z.s.:
in de binnenvaart: een kruiplijncoaster.





~motorzeil:
door enkelen gebruikt voor een hulptuig (op een motorschip) dat alleen uit een (vrij groot) grootzeil bestaat.





~mots: motse.





~motse, mots:
wijde schippersbroek.





~moustache, knevel:
naam die aan de soort berghouten/stuiten op de houten Franse en Belgische scheepstypes, zoals de Walen gegeven wordt.
Het is me niet duidelijk of de term alleen het bovenste, alleen het onderste of beide berghouten, indien het tenminste om een scheepstype dat ze beide heeft gaat, betreft.






~mousquetonhaak: musketonhaak.





~m.p.s.: motorpassagiersschip.





~m.s.: motorschip.





~m.slb.: motorsleepboot.





~m.tj.: motortjalk.





~m.t.s.: motortankschip.





~M.T.U., Motoren und Turbinen-Union:
Duitse producent van ondermeer scheepsdieselmotoren. De vestiging in Friedrichshafen, voluit MTU Motoren- und Turbinen-Union Friedrichshafen GmbH was tot 1969 bekend als 'Maybach Mercedes-Benz Motorenbau GmbH'. MTU kent tevens een vestiging München, welke bekend staat als MTU Aero Engines GmbH.





~mude:
zie muiden.





~muide:
zie muiden.





~muiden, meide, muide, mude;
monding van een rivier.





~Muidertrekvaart:
1> rond 1640 aangelegde trekvaart tussen de vestinggracht van Muiden en de Diemen even ten zuiden van Amsterdam.
De trekvaart ontstond eigenlijk op aandrang van Naarden, welke een makkelijke veilige verbinding met Amsterdam wenste te hebben. Het verbindende deel naar Naarden is de Naardertrekvaart.


2> somtijds gebruikte benaming voor de Naardertrekvaart.





~muil:
1> zie bij bek.

2> zie bakkes.





~muilband:
1a> stalen band, die met behulp van een bout en moer, strak om een rondhout geklemd kan worden.
Muilbanden werden ondermeer gebruikt wanneer rondhout, zoals de giek, door overbelasting, dreigde te gaan scheuren. Tegenwoordig gebruikt men dit soort klembanden ook als mastband. Men gebruikt dan vaak de term trekband.
Ook de mastbeugel maakt van dit principe gebruik maar is net als de stagkrans scharnierend uitgevoerd.

b> moelband: in het algemeen stalen banden welke de verbindingen tussen houten delen moet versterken.
Niet specifiek een binnenvaartterm.

Gerelateerde termen: veer, d-stuk, spanijzer.

2> zie gaffelrak/paternoster.





~muis:
1> muizing.

2> merkteken op een touw in de vorm van een met touw gemaakte verdikking.





~Muizekopje:
zie Maasspits.





~muizeling, waterloopgat, loggat, lokgat, spiegat, vullinggat:
in de leggers aangebrachte of aanwezige openingen, waardoor het in het schip geraakte water naar het diepste punt kan vloeien. [A> midscheeps, staal geklonken (tek) / in de kim, staal geklonken. ]
Volgens sommige bronnen is loggat een verbastering van logtgat, luchtgat, wat er op zou wijzen dat deze gaten, men spreekt van drie duim groot, ook voor ventilatie moesten dienden. Andere bronnen berichten dat muizelingen gewoonlijk ca. 2 duim breed en 1 duim hoog (ca. 5 x 2,5 cm) waren.






~muizen:
1> een muizing aanbrengen.

2> in de zeevaart ook wel het aanbrengen van de seizings aan de kabelaring.





~muizing, muis:
1> kleine sjorring, ter borging van voorwerpen, onder nadere gebruikt om te voorkomen dat voorwerpen uit de bek van haak schieten. [A>]

2> met dun touw gemaakte verdikking rond dikker touw.





~mul, mulm: mot(1).





~Mülheimer aak: zie Mulmse aak.





~mullen:
zie mulmen.





~mulm: mot(1).





~mulmen, mullen:
met de motkorf langs het schip gaan om de naden te dichten. [T> Breeuwen.]





~mulmmand: motkorf.





~Mulmsche aak: zie Mulmse aak.





~Mulmse aak, Mulmsche aak, Mülheimer aak:
1> volgens sommigen een synoniem voor Ruhraak, soms meer bepaald een Ruhraak uit Mülheim.

2> Gedekte aak: scheepstype. Sterk aan de slof verwant schip echter voorzien van een den en luikenkap. Verder heeft het schip een rechthoekige doorsnede met gladde zijden. In afwijking van de slof ontbreekt het roefje, daarentegen zijn voor- en achterdek gepotdekseld zodat er meer leefruimte ontstaat. Voorkomende maat 40 x 5,7
G. J. Schutten noemt dit scheepstype een Mulmse aak. Sopers spreekt van een gedekte aak. E. van Konijnenburg beschrijft geen duidelijk verschil tussen Slof en Mulmse aak. Andere bronnen ontbreken nog.






~multifilament:
dunne kunststofvezel waarvan touw gemaakt wordt.





~multi-knikspantromp:
knikspantromp waarbij men gebruik maakt van 7 of meer knikken om een enigszins ronde dwarsdoorsnede te bereiken.
De term is afkomstig uit de pleziervaart en wordt in de beroepsvaart weinig gebruikt.






~munitiehaven:
zie kruithaven.





~munitieschip, kruitschip:
schip, dat een explosieve lading vervoert of dat als opslag voor een dergelijke lading gebruikt wordt. Soms wordt onderscheid gemaakt tussen een munitietransportschip en een munitieopslagschip.





~munitieopslagschip, munitieschip:
schip dat voor de opslag van munitie gebruikt wordt, soms een gewoon vrachtschip of een lichter, maar er zijn ook speciaal voor dit doel schepen gebouwd.





~munitietransportschip, munitieschip:
schip dat voor het vervoer van munitie gebruikt wordt; vaak een gewoon vrachtschip.





~museumhaven:
haven, waarin historisch waardevolle schepen ligplaats hebben.





~museumschip:
1> vaartuig in het bezit van een museum. [A>]

2> geen strak omlijnd begrip. Onderandere schepen, die ligplaats hebben in een museumhaven en schepen, die geregistreerd staan als "Varend Monument®" worden museumschip genoemd.

3> vaartuig waarin een museum of aanverwante instelling gevestigd is.





~museumstatus:
bepaling van de historische waarde van een schip. De museumstatus kent een aantal catagotriën:
A.1. Varend Monument®, Volledig oorspronkelijk van uiterlijk en constructie
A.2. Varend Monument®, Volledig oorspronkelijk van uiterlijk
A.3. Varend Monument®, oorspronkelijk van uiterlijk
B. potentieel Varend Monument®.
C. Historische casco’s.
Bovendien kan aan schepen in restauratie een voorlopige status worden verleend.
Zie ook FONV.





~museumwerf:
geen strak omlijnd begrip. Onderanderen worden werven gevestigd in historische panden, werven waar ook een soort van scheepvaartmuseum gevestigd is en werven, waar men op de wijze zoals vroeger gebruikelijk was schepen bouwt of repareerd, museumwerf genoemd.





~musketonhaak, mousquetonhaak:
meestal vrij kleine haak, waarvan de opening met een schuivende pen afgesloten wordt. De haak is meestal voorzien van een wartelend oog. Ze worden veelvuldig voor hondenlijnen gebruikt.
Vrij veel mensen noemen deze haak abusievelijk karabijnhaak.





~muts:
1> metalen afdekking. Bijvoorbeeld op de naaf van het stuurrad.
2> bolderhoedje.





~mussenlijn:
zie knikstag:





~muur:
het boord(3) in:
OVER DE MUUR - GAAN, VALLEN, GOOIEN
.





~muurkluis, muurpot, haalkom:
sluispot:
in vertikale wanden, verzonken aangebrachte, voorziening waaraan een schip kan vast maken, bestaande uit een hardstenen kluis, waarin een stalen stang, kruis of ring bevestigd is. [A>]





~muurpot, muurkluis, haalkom, sluispot:
in vertikale wanden, verzonken aangebrachte, voorziening waaraan een schip kan vast maken, bestaande uit een stalen nis, waarin een stalen stang, kruis, bolder of ring bevestigd is.





~muziekschip:
1> de schepen Bach, Beethoven, Brahms, Berlioz, Mozart, Schubert en Schumann van de Nederlandse Transport Maatschappij en na 1946 van de Nederlandse Rijnvaart Vereeniging.

2> niet nader verklaarde term in het boek "Binnenvaart in Oorlogstijd". Volgens dat boek zou het gaan om meer dan 262 schepen die in, op Duits kapitaal draaiende, Nederlandse vennootschappen waren ondergebracht.





~m.v.s.: zie motorvrachtschip.





~M.W.M.: MotorWerke Manheim:
Duitse fabrikant van scheepsdiesels. [ A>]





~myriameter: 10.000m.





~myriameterpaal, myriametersteen
markering (langs de Rijn) met daarop een getal dat het aantal tientallen kilometers vanaf het begin punt der telling, aangeeft. Later vervangen door de kilometerraai. [A>] [E> Rheinkilometrierung (Duitstalig-PDF file)]





~myriameterisering:
het afperken van afstanden van 10 km.





~m.z.s.: motorzeeschip.


Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Amersfoort.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

De verantwoording en rechten inzake door derden ingezonden materiaal berusten bij de inzenders!

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken