banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst Mes



~messing:
toelopende voorkant van een houten roer.




~mestjager:
zie strontjager.





~mestluik, laadpoort:
wegneembaar deel in de den, waardoor men lading in het ruim van het schip kan kruien. Voornamelijk voor de tweede wereldoorlog toegepast op schepen met een hoge of verhoogde den.
Gerelateerde termen: kruiwagenluik, zandluik.




~mestpraam:
Praam (waarschijnlijk een Friese praam), die mest vervoert.




~mestschot:
dwarsscheeps, tijdelijk in het ruim geplaatst, schot, dat de ruiminhoud dusdanig moest verkleinen dat de mest tot tegen de luikenkap geladen kon worden.




~mestschouw:
niet met zekerheid bekend. Waarschijnlijk een soort modderschouw voor het vervoer van mest.




~mestschuit:
niet met zekerheid bekend. Waarschijnlijk een Skûtsje, dat mest vervoerd.




~mesttjalk:
Tjalk of daarop gelijkend vaartuig, dat regelmatig met koemest vaart.




~metingdienst:
zie scheepsmeetdienst.




~metingdistrict:
zie scheepsmeetdistrict.




~metór:
motor (dialect uit de regio rond Broek op Langedijk) in de zin van een gemotoriseerde Langedijker akkerschuit. [A>]  De vroege exemplaren wijken niet af van de ongemotoriseerde exemplaren, latere exemplaren (verbouwd of al dus gebouwd) hebben een voor- en achterdekje en een boordrand.




~meubel:
HOOG MEUBEL
: zie bij hoog.





~Michot spits:
spits gebouwd bij de Michot Frères te Thuin. De berghoutplaat eindigt bij deze spitsen in een Franse lelie . Overige kenmerken nog niet bekend.





~middel....: zie ook: midden....





~middelboord: middenboord.





~middeldrukmotor, MD-Motor:
een motor waarbij de compressie niet toereikend is om ingespoten dieselolie zonder hulpmiddelen te ontsteken. Meestal is dit een gloeikopmotor.





~middenbolder:
meestal iets voor het midden, in het gangboord geplaatste, bolder. Zie ook: gangboordbolder.




~middenboord, middelboord:
bij schepen met een knikspantromp, waarbij de zijde uit drie vlakken bestaat: het boord direct onder het berghout. Slechts weinig schepen hebben een zijde, die uit drie boorden bestaat. Men kan het onder andere aantreffen bij kleine, oude, houten Schokkers.




~middendoorvaart:
doorvaart die (min of meer) tussen andere doorvaarten gelegen is.




~middenherft:
herft tussen het voorste en achterste ruim. Zie ook: tussenherft.




~middenherftdek:
het herftdek van het middenherft.




~middenmansknoop:
bepaalde steek, waarmee een lus in het midden van een touw gevormd kan worden, zonder de einden daarvoor vrij te hoeven maken.





~Middenrijn :
vertaling van 'Mittelrhein'. Het gedeelte van de Rijn tussen Bingen en Bad Honnef.





~middenroef:
ongebruikelijke term voor een roef die noch op het achterschip, noch op het voorschip staat.





~middenschip:
het gedeelte tussen voor- en achterschip.




~middenstand:
de waterstand, die precies midden tussen hoog- en laagwater ligt.
Niet te verwarren met halftij.





~middenstandswoning:
in sommige kringen de 'bijnaam' voor een roef ongeveer in het midden van het schip.




~middenzaadhout, middenzaathout:
1> zie: zaadhout(1).
2> kattespoor: midscheepse stalen versteviging op het vlak of over de leggers. [A>]




~middenzwaard, midzwaard:
ophaalbaar, in een midscheeps geplaatste bun opgehangen, vertikaal vlak, dat onder het schip uitsteekt en de drift tijdens het zeilen moet beperken. Niet of nauwelijks bij beroepsmatige vaartuigen in gebruik geweest.




~midscheeps:
1> langsscheeps en dwarsscheeps gezien, in het midden.
2> verkorting van midscheeps-achter / midscheeps-voor (in het midden van het achterschip/voorschip.) of van midscheepsbakboord / midscheepsstuurboord ( aan bakboord/stuurboord halverwege het schip).




~midvaarwater:
ongeveer het midden, van het voor de scheepvaart bruikbare gedeelte, van een vaarwater.




~midvaarwaterboei:
ronde, vertikaal rood-wit gestreepte, ton of boei, die het midden van het vaarwater aangeeft. Alleen op zeer brede wateren voorkomend.




~midzaadhout, midzaathout:
mogelijk middenzaadhout maar mogelijk ook binnenkiel.




~midzwaard: middenzwaard.




~Mignolle: Majol.




~Mijolle: Majol.




~mijnopruimingsschip:
vaartuig, dat ingezet wordt bij het opruimen van explosieven, die zich in het vaarwater bevinden. Voornamelijk kort na WO II in gebruik geweest.




~mik, bok(5):
1> metalen steun, waarop de giek kan rusten. [A>nr.8] [U>]
Gerelateerde term: broekschoorsteen, mastbok.

2> vermoedelijk onjuist gebruikt synoniem voor mastbok.




~mikken:
(bij weinig wind) met slappe voorstag zeilen.




~mikmakken:
met een zeilschip, met de kop recht tegen de wind in, liggen dobberen. [U>]





~milieuboot, milieuvaartuig:
verzamelnaam voor diverse vaartuigen, waaronder: bilgeboot, stofzuiger en vuilnisophaalvaartuig.
Al noemt men het een boot; in de meeste gevallen is het een schip of scheepje [uitleg]
.





~milieubootschipper:
1> schipper op een milieu'boot'.

2> mogelijk: verantwoordelijke op een bunkerschip, waar scheepsafvalstoffen ingenomen worden.





~milieuschaafkop, schaafkop:
De schaafkop is een platte, open trechter waarin slib wordt geduwd als gevolg van de heen en weer gaande beweging van het baggerwerktuig. Overtollig water wordt daarbij weggedrukt. Tijdens het baggeren meten porositeitsmeters de dichtheid in de kop om zo het proces te optimaliseren. Te stijve specie wordt met speciale mixers tot een verpompbaar mengsel vermalen. Wanneer de schaafkop geheel met slib gevuld is, zuigt de baggerpomp van het schip de kop leeg via de zuiginlaat en perst de vervuilde specie naar het stort. De schaafkop is eenzijdig werkend uitgevoerd. De arm wordt teruggezwaaid door zijlieren. Voorwaarde voor het effectief inzetten van de schaafkopzuiger, zijn grote oppervlakten verontreinigde waterbodem.
Citaat: Bodemrichtlijn.nl.





~milieuschaafkopzuiger:
zuiger met een milieuschaafkop.





~milieusnijkop :
snijkop van een snijkopzuiger die zo geconstrueerd is dat deze zo min mogelijk vertroebeling en mors veroorzaakt. [E> Bodemrichtlijn.nl]
De gewone milieusnijkop wijkt in zoverre van de normale snijkop af dat er over de bovenzijde van de kop een schild geplaatst is en dat men over het algemeen lagere toerentallen gebruikt.
Gerelateerde termen: milieuschijfsnijkop, milieuveegkop, milieuwormwielkop, milieuschaafkop.





~milieusnijkopzuiger:
zuiger met een milieusnijkop.





~milieuvaartuig:
weinig gebruikte toch ontegenzeggelijk betere benaming voor een milieu'boot'.





~milieuonderzoekingsvaartuig, laboratoriumvaartuig:
overheidsvaartuig, dat bodem- en watermonsters neemt.





~milieuveegkop, veegkop:
nog niet voldoende bekend helaas. Onderdeel aan het eind van de zuigbuis.
Zie eventueel E> Bodemrichtlijn.nl.





~milieuveegkopzuiger:
zuiger met een milieuveegkop.





~milieuwormwielkop, wormwielkop:
brede kop voor aan het eind van de zuigbuis van een zuiger, waarin een tweezijdige worm, die de bagger naar de zuigopening veegd, gemonteerd is.
Zie eventueel ook E> Bodemrichtlijn.nl.





~milieuwormwielkopzuiger, wormwielkopzuiger:
zuiger met een milieuwormwielkop.





~Millingse boot:
veerdienst tussen Millingen en Nijmegen.
Alhoewel men hier spreekt van BOOT, zal deze dienst ongetwijfeld met een SCHEEPJE uitgevoerd zijn. [Uitleg]






~minuutwijzer:
oude term voor de uithouder aan de masttop voor het rondomschijnend toplicht.




~Mirrlees:
naam die gebruikt voor motoren, die gebouwd werden door de firma, die over het algemeen bekend staat als Mirrlees Blackstone Company.
[E> Historie (Engelstalig), AE> Foto's]





~misslag:
slag bij het laveren, waarbij men geen voordeel behaalt.





~mistbel: zie: mistklok.




~misthoorn, nautofoon:
soort baken. Een krachtige luchthoorn, die bij slecht zicht, met regelmatige tussenpozen een geluidssein geeft.




~mistklok, mistbel:
luidklok, die bij slecht zicht klinkt.




~mistlicht:
zeer sterk wit licht (bijv. een schijnwerper), dat bij slecht zicht overdag getoont mag worden. (Circa sinds 2000 in gebruik.)




~mistsein:
1>
geluidssein, dat een schip bij slecht zicht moet geven. Varende schepen geven het geluidssein met de scheepshoorn. Stilliggende schepen doen dit door met de scheepsbel een reeks klokslagen te geven.
2> misthoorn, brulboei, nautofoon: instrument dat met een bepaalde regelmaat een krachtig geluidssein ten gehore brengt.




~misvaren:
1> zich in de vaarroute vergissen.
2> ergens net langs kunnen varen.




~miswijzing: declinatie.




~miszeilen:
zeilend misvaren.





~Mixte:
ijzeren spits met houten vlak.





~mobilisatieletter:
zie groepsletter.





~mobilofoon:
zend-ontvangstinstallatie waarmee men, via een telefoniste, verbinding had met het telefoonnet.




~modderbak:
1> eenvoudig vrijwel rechthoekig vaartuig, met vrijwel rechtopstaande boorden en borden. Inwendig 2 dwarsscheepse schotten, die het vaartuig verdelen in een ruimte voor de lading, met daarvoor en achter een ruimte waar men kan staan. Dit type vaartuig is onder andere terug te vinden in de modderschouw en in de langedijker modderbak en verwant aan de pikbak.

2> soms gebruikt als synoniem voor baggerbak.





~moddermolen:
oude naam voor een baggermolen, die met behulp van mankracht of paarden aangedreven wordt.




~modderpraam, slikpraam:
1> in Friesland: een Friese praam, die voor het vervoer van terpaarde gebruikt wordt.
2> willekeurige boerenschuit, die voor het vervoer van bagger gebruikt wordt. Zie ook modderschuit.




~Modderschouw, modderbak, baggerbak:
brede lage, eenvoudig gebouwde, Schouw. Meestal zonder bovenboord(2), voorzien van dwarsscheepse schotten in voor- en achterschip. [Tekening.] [AE> ]





~modderschuit:
1> modderschouw: breed plat open vaartuig voor het transport van bagger en gebeugeld veen.
2> willekeurig schip dat voor het transport van bagger gebruikt wordt.
3> minachtende benaming voor een willekeurig (vracht)schip.
4> in Friesland: scheepje (Skûtsje), dat terpaarde vervoert.




~moddersnik:
in Friesland: Snik waarmee terpaarde vervoert wordt.




~moddervaren:
in Friesland: terpaarde vervoeren.




~moederschip:
groot vaartuig dat als 'thuisbasis' voor dochterboten fungeert. Vrijwel alleen in de visserij gebruikt. Zie ook wachtschip.




~Moerdijker:
type Zalmdrijver, zie aldaar.




~moetrand:
een strook met aanslag, die ontstaat als een schip langdurig in (deels) geladen toestand heeft stil gelegen en zichtbaar wordt nadat het schip gelost is. Niet te verwarren met aangroei of baard.
Gerelateerde term: waterlijn.





~Moezelkeen:
aan de Keen verwant vaartuig. Verder nog niet voldoende bekend.




~Moezelschip:
bij Sopers vermeld, maar zeer beperkt beschreven scheepstype. Het zou overeenkomsten vertonen met bepaalde oude maasschepen. Het voorschip was voorzien van een heve. Tegen deze heve was een fantasie steventje, maar soms ook een echte steven bevestigd. Het achterschip vertoonde qua bouw overeenkomsten met de Dorstense aak. Alleen het voorste en achterste deel van het ruim waren gedekt. Ook deze schepen waren schepen die gejaagd werden.




~mol: zie krabbelaar.




~molen:
een zand-, grind- of baggermolen; kortom een emmermolen.





~molenbaas:
de gezaghebbende op een zand-, grind- of baggermolen of soortgelijke inrichting.





~molest:
schade door moedwil van derden ontstaan.





~molestverzekering:
verzekering, die het schip tegen molest verzekerd.




~mondblaas:
zie blaastoeter.





~Monnickendammer:
bepaald type motorvrachtschip dat in de jaren zestig door van Goor te Monnickendam gebouwd werd.





~monofilament:
vrij dikke kunststofvezel waarvan touw gemaakt wordt.





~monohull, éénrompsschip:
Engelse term die gebruikt wordt om onderscheid te maken tussen normale schepen en schepen met meerdere rompen.
Gerelateerde termen: meerrompsschip, catamaran, duoromp, swath.
De term wordt in het Nederlands meestal gebruikt in teksten over snelvarende schepen, dat daarmee de term uitsluitend voor snelvarende schepen gebruikt kan worden, zoals sommige bronnen beweren, lijkt me niet geheel juist.





~monopool:
zie monopoolsleepboot.




~monopoolboot:
zie monopoolsleepboot.




~monopoolsleepboot, monopoolboot, monopool:
sleepboot van de Reichswasserstrassenverwaltung, de staatssleepdienst die (vroeger) als enige de schepen op diverse Duitse kanalen mocht slepen. Zij resorteerden onder het Reichs Schleppfahrt Betrieb, het latere Bundes Schlepp Betrieb.
In verband met de sterk teruglopende sleepvaart op de kanalen werd de dienst in 1967 opgeheven.
De Monopoolboten droegen een nummer vooraf gegaan door een letter. De 'D' voor het district Duisburg, de 'M' voor het district Minden en de 'E' voor het district Emden.

[Monopool sleepboten in de schepenDB]




~monsterboeier:
vrij kleine Boeier gebruikt voor het vervoer van (graan)monsters.




~mooiweerschipper, walligger:
een schipper, die, in de ogen van anderen, het weer algauw te slecht vindt om nog te gaan varen.




~mooiweerzeil:
bijzeil dat alleen bij weinig wind gevoerd wordt.




~moordenaar met twee getuigen:
bijnaam voor een hijsinstallatie met twee bomen aan boord van schepen.





~moordkuil:
zie kwakkuil.





~mors:
daar een baggerwerktuig verplaatste, maar niet verwijderde bagger.





~morsmouw:
onderste helft van een losse mouw, gemaakt van manchester of oliegoed, die over de mouw van de jas heen wordt aangetrokken om deze tijdens het vissen of het verwerken van de vis, te beschermen.





~mortelschip:
schip waarop men betonmortel maakt.
Een dergelijk schip was onder meer bij de aanleg van de Rijn-Schelde verbinding in bedrijf.






~moskuil:
grote houten hamer. Werd onderandere gebruikt om kleinere delen te duvelen.




~Mosselaak, Bruinisser jacht:
in Zeeland gebruikte benaming voor Lemmeraak.




~mosselbank:
ondiepte waarop veel mosselen voorkomen.




~Mosselhengst:
1> een mosselvisser in het algemeen.
2> Hengst waarmee mosselen gevist worden.




~Mosselkaag:
nog geen gegevens bekend; mogelijk een kleine Kaag, gebruikt voor het vervoer van mosselen.




~mosselman:
1> mosselvisser.
2> iemand, die mosselen verkoopt.




~mosselvissen:
het van de bodem ophalen van mosselen.





~mosselvisser, mosselman:
1> Mosselhengst: vaartuig dat ingericht is om mosselen te vissen. [A>]

2> schipper op een dergelijk vaartuig.





~mosselzaad:
zeer jonge mosselen.




~mosterdpot:
schraag met op de bovenzijde een rol. Gebruikt om lang hout te verplaatsen en te steunen. [A>]




~mot:
1> afval.

1a> fijne turfmolm, (turfmot, -mul, -mulm, -meel,) soms ook zaagsel, o.a. gebruikt om opengetrokken naden van het onderwaterschip dicht te krijgen. [T> Breeuwen.]

1b> korte stukken hout, zaagsel, houtkrullen en ander houtafval, dat bij de bouw van een schip geproduceerd wordt. Dit werd ondermeer gebruikt in rokerijen.

2> Duitse mot.

3> leuver, in het bijzonder de schoothoorn.

4> getrensde, kleine opening in het zeil waarin de rifseizings of leuvers bevestigd zijn. Zijn de gaten voorzien van metalen kousen, dan spreekt men wel van kramgat.




~mothok:
bergplaats in de hellingschuur waar mot(1b) opgeslagen werd.




~motkoer: ben.




~motkorf, motkoer:
zie ben.




~motmatte:
mat waar men mot in gewreven heeft en die men langs het onderwaterschip haalt, teneinde lekkende breeuwnaden dicht te krijgen. [T> Breeuwen.]




~motschipper:
schipper, die mot(1b) voor de rokerijen vervoerde.




~motor......:
niet alle mogelijke samenstellingen, vooral niet die in combinatie met een scheepstype, zijn opgenomen.




~motor
1> Luxe-motor.

2> motortje: motorscheepje.

3> verbrandingsmotor, kar, scheepsdiesel, gloeikopmotor
LIGGENDE MOTOR
,
HORIZONTALE MOTOR
: motor waarbij de zuiger in horizontale richting heen en weer beweegt.
(DIRECT) OMKEERBARE MOTOR
: motor waarbij, voor het achteruit varen, de draairichting omgekeerd kan worden.
STATIONAIRE MOTOR
:
a> motor, die op een constant toerental draait.
b> motor, die met alle toebehoren één geheel vormt en min of meer in zijn geheel makkelijk verplaatst zou kunnen worden.




~motoraak:
algemene aanduiding voor een aak voorzien van een verbrandingsmotor.




~motoralarmsysteem:
electrisch of electronisch systeem, dat bij het overschrijden van bepaalde grenzen (te lage oliedruk, te hoge koelwatertemperatuur, e.d.) een lichtsignaal geeft en een krachtig geluidssignaal laat horen.




~motorankerlier:
ankerlier, dat door een motor (verbranding, electrisch of hydraulisch) aangedreven wordt.




~motorbeunschip, m.b.s.:
een beunschip dat met behulp van een verbrandingsmotor voortgestuwd wordt. [A>]





~motorbeurtschip, beurtmotor:
1> willekeurig scheepstype dat een beurtdienst vaart en dat voor de voortstuwing gebruik maakt van een verbrandingsmotor. Vooral de 'gewone' Luxe-motor en het 'gewone' motorscheepje werden nogal eens voor het uitoefenen van beurtdiensten gebruikt.

2> scheepstype, onder te verdelen in:
a>
het type dat min of meer gelijk is aan het stoombeurtschip. [A>]
b> een aangepaste Luxe-motor of een aangepast motorscheepje. [A>] Vaak werd het berghout breder en zwaarder gemaakt, soms werd het voordek en het vooronder groter dan gebruikelijk en bij het motorscheepje wilde men nog wel eens de roef weglaten. Een hijstuig behoorde vaak tot de standaard uitrusting.
Zie ook Katwijker en Potdekker.





~motorblazer:
Zie bij Blazer.





~motorboot:
1> algemene benaming voor een klein motorvaartuig.  In feite alleen van toepassing wanneer het vaartuig geheel open is, daar men het anders een motorscheepje (uitleg) dient te noemen.

SNELLE MOTORBOOT
: term uit diverse vaarreglementen, waarmee een klein motorvaartuig, dat een snelheid van meer dan 16 km/u kan behalen, bedoeld wordt.
2> landrottenterm voor motorschip. Zie ook: vrachtboot.




~motorbordes, bordes:
soort van loopbruggetje, op enige hoogte boven de motorfundatie, langs een motor. [A>] Alleen grote (hoge) motoren zijn voorzien van een bordes. Het bordes is bedoelt om het smeren van de tuimelaars en/of het plegen van onderhoud op de bovenzijde van de motor te vergemakkelijken. Het bordes bevindt zich meestal aan de bovenzijde van het carter of op minder dan 1,5 meter onder de bovenkant van de motor.




~motorbunschip:
1> bunschip met motor.
2> foute schrijfwijze van motorbeunschip.




~motorcruiseschip, mcp:
meestal in advertenties gebruikte benaming voor wat over het algemeen een rijncruiser genoemd wordt.




~motordekschip, dekschip:
soort vrachtschip speciaal gebouwd voor het vervoer van dekladingen. Soort van moderne variant van de motordekschuit alleen dan veel groter. Vaak voorzien van bewoonbare ruimtes op het achterschip. [A>]





~motordekschuit:
1> scheepstype. een vaartuig als een dekschuit, maar met het achterschip zoals van een motorscheepje. [A>]

2> een gewone dekschuit met eigen voortstuwing.




~motordrijver, machinist:
vroeger: knecht op de grotere motorschepen, die voor het onderhoud van de motor verantwoordelijk was. Sinds vrij kort: gediplomeerde functie.




~motorfundatie:
op of in het schip aangebrachte versteviging waarop een motor opgesteld is. [T>Machinekamers.] Zie ook: machinekamerfundatie, scheepsfundatie.




~motorinbouwer:
functie bij bedrijven, die motoren in schepen plaatsen.




~motorgrundel:
stalen Grundel met ingebouwde verbrandingsmotor. Behalve het ontbreken van tuigage is er voor zover bekend weinig verschil met de gewone grundel.



~Motorhagenaar:
1> onbekende term voor een motorschip(1a) met de afmetingen van een Wagenbrugger.
2> Hagenaar met motor.




~motorherft:
herft waarin een motor (meestal voor de lamme-vlerk) geplaatst is.




~Motorkagenaar:
Kagenaar met het achterschip zoals een motorscheepje.




~motorkast:
1> 'scheepstype': een Kast voortgestuwd door een verbrandingsmotor.
2> grote motorkist. [A>]




~motorkist, motorkast:
wegneembare, stalen of houten omkisting van een in de buitenlucht geplaatste motor. [T> Machinekamers.]




~Motorklipper:
1> Klipper zonder tuigage, maar met een ingebouwde scheepsdiesel.
2> scheepstype: namelijk een klipper met het achterschip zoals een Luxe-Motor, dus met een naar binnenvallend hek. Vaak bij de bouw nog wel voorzien van een complete tuigage. [A>]




~motorkoeler:
warmtewisselaar waarmee het koelwater van de motor gekoeld wordt. De term wordt vrijwel uitsluitend gebruikt wanneer men expliciet onderscheidt tussen de oliekoeler en koeler voor de motor wenst te maken.




~motorkoelwater:
motorwater.




~motorkotter, binnenvaartkotter:
algemene benaming voor een stalen vissersschip, met scherpe steile steven, een, naar voor, oplopende zeeg en vaak een flinke verschansing, voortgestuwd met behulp van een verbrandingsmotor.




~motorlier:
een werktuigelijk aangedreven anker- of draadlier.




~motorluik:
1> grote stalen deur in het machinekamerschot, waarlangs de motor, bijvoorbeeld voor reparatie, naar het ruim getakeld kan worden.
2> vlak luik in een vloer of dek, waardoor de motorruimte bereikbaar is. [T> Machinekamers.]




~motormeetvaartuig, meetvaartuig, opnamevaartuig :
motorvaartuig dat metingen in het vaarwater verricht.
Zowel het peilvaartuig als het motormeetvaartuig zullen ongetwijfeld diverse soorten metingen verrichten. Het zijn dus min of meer hetzelfde soort vaartuig.






~motormelkboot:
motorvaartuig, vaak, maar niet altijd, van een type verwant aan het motorschip, dat met melk, in bussen, maar soms ook in een tank, vaart.  Zie ook: melkboot. en melkscheepje.

De term boot is hier in het geheel niet op zijn plaats [uitleg]. Het zou, indien het een open vaartuig is, een motormelkschuit en indien het dekken heeft een motormelkscheepje moeten heten. Beide termen ben ik echter nog niet tegengekomen.





~motormelkbootvaarder:
schipper op een motormelkboot.




~motorpakschuit:
zie bij pakschuit.





~motorpassagiersschip, m.p.s.:
passagiersschip, dat voor de voortstuwing een verbrandingsmotor gebruikt. De term wordt tegenwoordig bijna uitsluitend in advertenties gebruikt. Vroeger, in de tijd dat er zowel stoom- als motorpassagiersschepen waren, is de term vaker in gebruik geweest. Zie ook: dagpassagiersschip, rondvaartboot, rijnpassagiersschip, enz.





~motorraderboot:
Raderboot/schip, dat voor de voortstuwing van een verbrandingsmotor gebruik maakt.
De term boot is hier niet op zijn plaats, omdat het zich in de meeste gevallen om een schip handelt (uitleg).






~motorradersleepboot, radermotorsleepboot, :
radersleepboot waarbij de schepraderen door een verbrandingsmotor aangedreven worden.
De enige motorradersleepboot die ooit de Rijn bevoer was de in 1885 als stoomradersleepboot gebouwde Franz Haniel I. In 1929 werd de toenmalige machine van 1300 ipk vervangen door twee MAN diesels van 500 pk elk. Het schip voer daarna voor Scheepvaart- en Handelsmaatschappij Trinitas NV Rotterdam, een dochteronderneming van Franz Haniel & Cie Gmbh. Zij zonk door oorlogsgeweld in 1945, werd in 1947 gelicht en vervolgens gesloopt. (Bron: Radersleepboten, A. Lentjes & T. de Wit.)






~motorpont:
een pont, die voor de voortstuwing gebruik maakt van een verbrandingsmotor.




~motorpraam:
1> scheepstype. Friese praam met een achterschip zoals van een motorscheepje.
Een vrijwel onbekend scheepstype waarvan in het Fries Scheepvaartmuseum toch een tekening te vinden is.





~motorreglement:
verzekeringsreglement waarin schade aan motoren en voortstuwingswerktuigen geregeld is.




~motorruimte:
soort van kleine machinekamer onder voordek, kuipvloer of soms ook stuurhutvloer. [T> Machinekamers.]




~motorscheepje, motortje:
1> scheepstype: type motorschip met minder holte en zeeg dan de Luxe-motor, indien aanwezig een salonroef, stuurhut meestal òp het dek met daarvoor de machinekamerlichten(1). Achter het ruim liggen het dek en de gangboorden meestal gelijk met de bovenrand van het vaartuig. Tot ca. 25 m lang en daarbij dan een laadvermogen van ca. 70 ton. Eventueel te onderscheiden in drie  types: het (meestal kleine) smalle type, het type met min of meer normale verhoudingen en het (meestal lange) lage brede type, dat volgens sommigen de bijnaam strijkijzer droeg. Veel motorscheepjes voeren echter als motorbeurtschip of met eigenvracht en waren daarom volledig aan het vaargebied en de wensen van de eerste eigenaar aangepast. [A>] Een vrij groot aantal schepen hebben eigenlijk of te veel zeeg, of een te grote holte om een echt motorscheepje te zijn. Ze worden door de eigenaren daarom graag als Luxe-motor gekwalificeerd.
2> klein motorschip(2a).





~motorschildje:
Metalen plaatje waarop het fabrikaat en typenummer, en soms nog meer, van de motor vermeld staat.




~motorschip :
1a> m.s.:
volgens schippers: een schip dat een motor heeft om zich voort te bewegen en niet over zeilen beschikt.
b> volgens de reglementen: een schip dat van een mechanische voortstuwing gebruik maakt. Volgens schippers is een schip met zeilen dus een zeilschip, ook wanneer het op de motor vaart, volgens de reglementen is het dan echter een motorschip.
Zie ook metór.

2a> Motor: algemene naam voor vrachtschepen met een rechte steile stafsteven en een geveegd achterschip met een naar binnenvallend hek. Men kent ondermeer: het Motorscheepje, de Luxe-motor (de Zelflosser) en het Motorbeurtschip(2).  De Wad en Sontvaarder (Beltvaarder) en de Katwijker zijn nauw verwant aan het motorschip, maar kunnen een afwijkend achterschip hebben.
b>
MODERN MOTORSCHIP,  MODERNE MOTOR
: bij gebrek aan typenamen gehanteerde aanduiding voor bijna elk motorvrachtschip, dat niet tot één der oude types behoort. Soms gebruikt met toevoegingen, die betrekking hebben op de vorm van het voor- of achterschip. Ook hanteert men vaak een naam die betrekking heeft op de afmetingen (zie maatschip) of het gebruik (droge-ladingschip, beunschip, tankschip, containerschip). Over het algemeen zijn het grote schepen (50 m en meer), zonder noemenswaardige zeeg, een grote, niet of weinig verzonken, roef op het achterschip en de stuurhut voor of op de roef, vaak voorzien van een brug of brugvleugels. Zie ook: eurovrachter, frontrunner, riverhopper.




~motorschot:
uitneembaar gedeelte, meestal met bouten en moeren vastgezet, van het machinekamerschot. [T> Machinekamers.]




~motorschuit:
1> algemene benaming voor schuiten met een ingebouwde mechanische voortstuwing.
2> zie Langedijker rondkont-motorschuit.




~motorsleepboot, m.slb.:
sleepboot, die voor de voortstuwing, gebruik maakt van een verbrandingsmotor.



~motorsleepvlet:
enig juiste, maar weinig gebruikte term, voor een motorvlet, die voor het verrichten van sleepwerk gebouwd is.




~motorspits:
1> een motorspits(2) met een motorspitsenkont.
2> een Spits voortgestuwd door een verbrandingsmotor.




~motorspitsenkont, spitsenkont, kruiserhek:
een achterschip van een spits, dat vanaf dekhoogte ongeveer recht naar beneden loopt, aan de achterzijde soms zelfs nog iets naar buitentoe weglopend, maar waarvan het onderste gedeelte geveegd is. Bij de Hollandse spits is de bovenhelft klein, t.o.v. de onderhelft, bij de Belgische spits is dat net anders om. [A>]




~motortankschip, tankmotorschip, motortanker, m.t.s.
tankschip met een verbrandingsmotor.





~motortankschuit:
niet al te groot motortankschip.




~motortankspits:
tankschip van het type spits.




~motortjalk, m.tj.:
Tjalk met verbrandingsmotor voor de voortstuwing.
Zie ook zeiljalk.



~motortje: motorscheepje.




~motorvaart:
zelden gebruikte term voor de scheepvaart met motorschepen(2). Zie ook: vaart(2).




~motorvaartuig:
1> volgens veel reglementen: een vaartuig, dat van een mechanische voortstuwing gebruik maakt, dus ook een zeilschip dat op de motor vaart en ook stoomschepen of schepen met electrische voortstuwing.

2> in het algemeen: een vaartuig dat voor de voortstuwing over een verbrandingsmotor kan beschikken, het kan eventueel dus ook met spierkracht of door de wind voortbewogen worden.




~motorvaartverbod:
verbod om met een motorvaartuig een bepaald water te mogen bevaren.




~motorvaartvergunning:
vergunning, die men in bepaalde gebieden moet kopen, om daar met een motorvaartuig te mogen varen.




~motorveer, motorveerdienst:
veerdienst die met een motorvaartuig onderhouden wordt.




~motorveerdienst:
zie motorveer.




~motorveerpont, motorpont:
pont, die door een verbrandingsmotor voortgestuwd wordt.
Zie ook motorveer.




~motorverzekering:
verzekeringspolis, die schade aan de voortstuwing dekt.




~Motorvlet:
vlet die door middel van een motor voortgestuwd wordt.
Zie ook motorsleepvlet.





~motorvrachtschip, m.v.s.:
vrachtschip, waarbij de voortstuwing door middel van een verbandingsmotor geschied.




~motorvulling:
1> de hoeveelheid lucht of 'gas' gemeten bij 1 atm. druk en een temperatuur van 21 graden, die in de zuigerruimte komt.
2> verzamelnaam voor alles waarmee de ruimte tussen de motorfundatie en de motorsteunen opgevuld wordt. Deze vullingen zijn noodzakelijk omdat elk der motorsteunen even veel moet dragen en de gehele motor precies op de juiste hoogte en precies rechtvoor de uitgaande as moet staan, hetgeen met de machinekamer fundatie niet te bereiken valt. Zie motorvulstuk, motorvulplaat.




~motorvulplaat:
rechthoekig plaatje van geringe dikte, met van af één derzijdes één of twee gleuven, breed genoeg voor de motorbevestigingsbouten, dat als motorvulling gebruikt wordt. Men bereikt de gewenste dikte, door meerdere van deze plaatjes om en om onder de motorsteunen te schuiven. Het systeem wordt voornamelijk bij kleine (hulp)motoren toepast.




~motorvulstuk:
1> massief of nagenoeg massief stuk metaal dat als motorvulling gebruikt wordt.
2> van kunststof, ter plekke, gegoten blok dat als motorvulling fungeert. Één der eerste producten op dit gebied was Chocking Compound "Chockfast Orange".







~motorwater, motorkoelwater:
1> term die gebruikt wordt om bij interkoeling systemen onderscheid te maken tussen het water dat van buiten komt, het buitenkoelwater en het water dat door de motor en warmtewisselaars, het motorkoelwater, circuleert.
2> het koelwater dat zich (bij stilstaande motor) nog in de motor bevindt.






~motorwatertemperatuur, motorkoelwatertemperatuur:
de temperatuur van het koelwater dat door de motorcirculeert. Zie ook koelwatertemperatuur.




~Motorwestlander:
1> type Westlander (13 tot 22m) met het achterschip zoals een Motorscheepje, dus met een naar binnenvallend hek. Machinekamer achter het ruim, soort salonroefje op het achterdek, soms voorzien van een doorlopend dek, i.p.v. een ruim, en dan meestal Melkschuit genoemd.
2> verwarrende benaming voor een gewone of grote Westlander met motor. Deze kwam vaak in de aanwezige roef, die dus machinekamer werd, zodat men op het voordek vaak maar een echte roef plaatste. [S>]




~motorzeeschip, m.z.s.:
in de binnenvaart: een kruiplijncoaster.




~motorzeil:
door enkelen gebruikt voor een hulptuig (op een motorschip) dat alleen uit een (vrij groot) grootzeil bestaat.




~mots: motse.




~motse, mots:
wijde schippersbroek.




~mousquetonhaak: musketonhaak.




~m.p.s.: motorpassagiersschip.




~m.s.: motorschip.




~m.slb.: motorsleepboot.




~m.tj.: motortjalk.




~m.t.s.: motortankschip.




~mude:
zie muiden.




~muiden, meide, mude;
monding van een rivier.




~muilband:
stalen band, die met behulp van een bout en moer, strak om rondhout geklemd kan worden.
Muilbanden werden ondermeer gebruikt wanneer rondhout, zoals de giek, door overbelasting, dreigde te gaan scheuren. Tegenwoordig gebruikt men dit soort klembanden ook als mastband.






~muis: muizing.





~muizeling, waterloopgat, loggat, lokgat, spiegat:
in de leggers aangebrachte of aanwezige openingen, waardoor het in het schip geraakte water naar het diepste punt kan vloeien.
[A> midscheeps, staal geklonken (tek) / in de kim, staal geklonken. ]




~muizen:
een muizing aanbrengen.




~muizing, muis:
1> kleine sjorring, ter borging van voorwerpen, onder nadere gebruikt om te voorkomen dat voorwerpen uit de bek van haak schieten. [A>]

2> met dun touw gemaakte verdikking rond dikker touw.




~mul, mulm: mot(1).




~mulm: mot(1).




~mulmmand: motkorf.




~multifilament:
dunne kunststofvezel waarvan touw gemaakt wordt.




~munitiehaven:
zie kruithaven.




~munitieschip, kruitschip:
schip, dat een explosieve lading vervoert of dat als opslag voor een dergelijke lading gebruikt wordt. Soms wordt onderscheid gemaakt tussen een munitietransportschip en een munitieopslagschip.




~munitieopslagschip, munitieschip:
schip dat voor de opslag van munitie gebruikt wordt, soms een gewoon vrachtschip of een lichter, maar er zijn ook speciaal voor dit doel schepen gebouwd.




~munitietransportschip, munitieschip:
schip dat voor het vervoer van munitie gebruikt wordt; vaak een gewoon vrachtschip.




~museumhaven:
haven, waarin historisch waardevolle schepen ligplaats hebben.




~museumschip:
1> vaartuig in het bezit van een museum. [A>]
2> geen strak omlijnd begrip. Onderandere schepen, die ligplaats hebben in een museumhaven en schepen, die geregistreerd staan als "Varend Monument®" worden museumschip genoemd.




~museumstatus:
bepaling van de historische waarde van een schip. De museumstatus kent een aantal catagotriën:
A.1. Varend Monument®, Volledig oorspronkelijk van uiterlijk en constructie
A.2. Varend Monument®, Volledig oorspronkelijk van uiterlijk
A.3. Varend Monument®, oorspronkelijk van uiterlijk
B. potentieel Varend Monument®.
C. Historische casco’s.
Bovendien kan aan schepen in restauratie een voorlopige status worden verleend.
Zie ook FONV.




~museumwerf:
geen strak omlijnd begrip. Onderanderen worden werven gevestigd in historische panden, werven waar ook een soort van scheepvaartmuseum gevestigd is en werven, waar men op de wijze zoals vroeger gebruikelijk was schepen bouwt of repareerd, museumwerf genoemd.





~musketonhaak, mousquetonhaak:
meestal vrij kleine haak, waarvan de opening met een schuivende pen afgesloten wordt. De haak is meestal voorzien van een wartelend oog. Ze worden veelvuldig voor hondenlijnen gebruikt.
Vrij veel mensen noemen deze haak abusievelijk karabijnhaak.





~muts:
1> metalen afdekking. Bijvoorbeeld op de naaf van het stuurrad.
2> bolderhoedje.




~mussenlijn:
zie knikstag:




~muur:
het boord(3) in:
OVER DE MUUR - GAAN, VALLEN, GOOIEN
.




~muurkluis, muurpot, sluispot:
in vertikale wanden, verzonken aangebrachte, voorziening waaraan een schip kan vast maken, bestaande uit een hardstenen kluis, waarin een stalen stang, kruis of ring bevestigd is. [A>]




~muurpot, muurkluis, sluispot:
in vertikale wanden, verzonken aangebrachte, voorziening waaraan een schip kan vast maken, bestaande uit een stalen nis, waarin een stalen stang, kruis, bolder of ring bevestigd is.




~m.v.s.: motorvrachtschip.




~M.W.M.: MotorWerke Manheim:
Duitse fabrikant van scheepsdiesels.




~myriameter: 10.000m.





~myriameterpaal, myriametersteen
markering (langs de Rijn) met daarop een getal dat het aantal tientallen kilometers vanaf het begin punt der telling, aangeeft. Later vervangen door de kilometerraai. [A>] [E> Rheinkilometrierung (Duitstalig-PDF file)]




~myriameterisering:
het afperken van afstanden van 10 km.




~m.z.s.: motorzeeschip.


Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken