Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
'vaartuig' bestemd om waterplanten uit vaarten(5) en sloten te verwijderen. Ook geschikt voor het maaien van (riet langs) de oevers. [A>] Min of meer de opvolger van de rietsnijder. De meeste maaiboten zijn geschikt om per kanteltrailer vervoerd en te water gelaten te worden. Ze zijn, gezien het geringe vrijboord, niet geschikt voor groot water. De tegenwoordige maaiboot kan naar believen uitgerust worden met een veegmes, een opduwframe, een taludmaaier en/of een T-frontmaaier. [E>]
Het vaartuig is grotendeels open, dus is de term boot, niet geheel onterecht en deze term wordt ook algemeen gebruikt. Het vaartuig opereeert echter volledig zelfstandig en dus zou de term schuit beter op zijn plaats zijn. [uitleg] Persoonlijk geef ik echter de voorkeur aan het ruimere begrip 'maaivaartuig'.
~maaiverzamelboot, maaiverzamelvaartuig:
soort maaiboot. De maaiverzamelboot heeft integenstelling tot de maaiboot de mogelijkheid om een redelijke hoeveelheid van het gemaaide aan boord te bergen. Aan de voorzijde is het vaartuig voorzien van drie balkmaaiers om de waterplanten te maaien, waarna ze op een open transportband naar de opslag verplaatst worden.
[E>]
~maalstroom,
draaikolk:
ronddraaiende stroming, vaak veroorzaakt door het samenkomen of ontmoeten van twee stromingen. [U>]
halve schijfjes, die tussen de klootjes over de rakbanden geschoven worden. Halve maantjes zijn, ten behoeve van de katteval in het midden doorboord. [A>]
~Maasschip:
naam, die door sommigen aan oudere scheepstypes, die de Maas bevoeren, gegeven wordt. Deze, vaak primitieve, schepen waren tamelijk rechthoekig van bouw. Voor en achterzijde waren meestal met dwarsscheeps aangebrachte planken afgesloten en helden iets naar buiten. Ook op de Rijn schenen dergelijke schepen te varen, deze worden daarom wel Rijnschip genoemd.
De vlakke schuin oplopende stevens doen sommige er toe besluiten deze schepen in de groep van aken(1) onder te brengen. Het is echter niet waarschijnlijk dat deze schepen in die tijd al zo genoemd werden.
~maasschipper:
een schipper, die met zijn schip vooral de Maas bevaart.
scheepstype: een beetje op een belgische spits gelijkend schip. Meestal echter 43m lang, maar wel 5,05 meter breed. De kop is wat scherper, loopt meer op en de steven helt een weinig voorover. Het achterschip is erg rond, voor een spits, en het boeisel loopt naar de achtersteven toe vrij sterk op.
Later is het model ook met grotere afmetingen namelijk 47 x 5,6 meter gebouwd.
[E> uitgebreide tekst over Belgische schepen]
~maaswerk: 1> het breien of boeten van netten. 2> alles wat door het verrichten van maaswerk(1) ontstaat.
~maat: 1> in het algemeen: een collega.
2> persoon waarmee men samen het beroep uitoefent; een maatschap is aangegaan.
Beide termen zijn geen echte binnenvaarttermen. In de visserij is het werken in maatschap echter nog vrij gebruikelijk, terwijl dit elders niet vaak meer voorkomt. Derhalve kan men betekenis 2 toch ook als binnenvaartterm aanmerken.
~machinekamerbel:
in de machinekamer aanwezige luidklok welke vanaf de stuurhut of brug geluid kan worden.
De machinekamerbel was op diverse stoomschepen te vinden. Deze verzorgde samen met de telegraaf en de eventueel aanwezige spreekbuis de communicatie tussen die twee plaatsen.
~machinekamerdek, machinekamerdak:
de bovenkant van de machinekameropbouw.
~machinekamerlenspomp, machinekamerpomp, bilgepomp, bilgewaterpomp: lenspomp waarmee de machinekamer leeg gepompt kan worden.
~machinekamerlicht: 1> tegen de voorwand van de stuurhut geplaatste, lage, stalen uitbouw, afgedekt met met stalen luikjes, voorzien van lichtranden, waarlangs men de machinekamer kan bereiken en deze van lucht en licht voorziet. [A>] 2>hemellicht. 3> lichtpunt in de machinekamer.
~machinekameropbouw:
boven het dek uitstekende ruimte, waarin of waaronder de machinekamer zich bevindt. [T>Machinekamers.]
~machinekamerplaat, vloerplaat:
staalplaten, die als vloer in de machinekamer fungeren. Deze vloerplaten zijn vaak van profielplaat gemaakt. Tegenwoordig gebruikt men ook roosters en aluminium profielplaten.
~machinekamertrap:
trap waarlangs men in de machinekamer af kan dalen.
~machinekamerventilator:
inrichting waarmee (warme) lucht en dampen uit de machinekamer afgevoerd worden.
Tegenwoordig zijn dit meestal electrische ventilatoren die via, van buitenaf afsluitbare roosters, de lucht afvoeren. Tot voor kort en nog wel maakte men echter gebruik van natuurlijke ventilatie.
~machinist: 1> vroeger: term voor iemand die een functie in de machinekamer van een stoomvaartuig vervulde, ook meester genoemd. Later ook van toepassing op machinekamerpersoneel op de grotere (passagiers)schepen. 2> tegenwoordig: officiele kwalificatie voor iemand die tenminste 18 jaar en in het bezit van een diploma machinist is of die minimaal 19 jaar is en ten minste 2 jaar als matroos-motordrijver op een binnenschip met eigen motor(en) gevaren heeft. Ook scheepswerktuigkundige of motordrijver genoemd.
In de binnenvaart een vrij nieuwe (1980?) term. Gerelateerde termen: deksman, lichtmatroos, matroos, volmatroos, matroos-motordrijver, stuurman, schipper.
~MajolMajole,
Mijole,
mignole,
marguelle:
1> over het algemeen gebruikt voor alle schepen met een duidelijke heve, zoals bijv. de Herna/Heveaak.
Het oorspronkelijke franse woord is Mignole. De andere vormen zijn zowel met dubbel 'L' als met een enkele 'L' gevonden. Waar de term marguelle vandaan zou moeten komen is me nog niet bekend.
2> door sommigen gebruikt als verkorting van Walenmajol.
~M.A.K.,
Motore Anlage Kiel,
Machinebau Kiel Gmbh:
Duitse fabrikant van ondermeer scheepsdiesels. MAK is een na-oorlogse voortzetting van Deutsche Werke, Kiel.
De motoren droegen de bijnaam; "Mist aus Kiel".
~Makkumer aak:
verwarrende benaming voor een soort Wieringer bol.
~mal: 1> tijdelijk spant, bij de bouw van houten schepen, dat na het aanbrengen van de gangen, door de werkelijke dwarsverbindingen vervangen wordt. 2> van een makkelijk(er) te bewerken materiaal gemaakt voorbeeld, aan de hand waarvan bepaalde scheepsonderdelen gevormd worden.
~mallenmakerij:
gedeelte van een nieuwbouwwerf waar de mallen, waarnaar de spanten gebogen worden, gemaakt worden.
~mallenloods, mallenschuur:
gebouw waarin de mallen bewaard werden.
juiste, maar ongebruikelijke naam, voor de handel waarmee het toerental van de motor geregeld wordt. Meestal gashandel genoemd.
[A>Aanverwante afbeeldingen]
kleine, water- en soms ook gasdicht gesloten, opening waardoor een ruimte, die normaal niet door personen betreden wordt, bereikt of geïnspecteerd kan worden. Eigenlijk dient een mangat groot genoeg te zijn om een persoon door te laten, anders spreekt men liever van een pompgat of inspectiedeksel. [A>]
~mangatdeksel:
metalen plaat, of vervangende metalen constructie, waarmee mangaten afgesloten zijn.
~manneke: 1>mannetje. 2> ongebruikelijke term voor een houten roerkoning.
~Mannesmannpijp:
stalen naadloze pijp. Genoemd naar de eerste of bekendste fabrikant van dit soort pijp in voor laadmasten geschikte maten.
~mannetje, manning, manneke: 1> kleine houten bolder of daarop gelijkende constructie zoals een beretand of een speen. 2> pen, bout of klink door een sluiting. 3> vrij onbekende term voor roeidol.
~mannetjesketting, damketting:
ketting met dwarsverbindingen, dammen, in de schalmen. Veelvuldig gebruikt als ankerketting in de zeevaart, minder gebruikelijk in de binnenvaart.
~Mannheim:
ACTE VAN MANNHEIM
, rijnvaartacte:
internationaal verdrag dat de ongehinderde vaart voor schepen, uit welk land dan ook, op de Rijn en haar zijrivieren moet waarborgen.
~manoeuvreerwiel, manouvreerwiel:
wiel, waarmee de draairichting van omkeerbare motoren bepaald wordt.
~manoeuvreren, manouvreren:
serie van kortstondige bewegingen met een schip, met het doel het schip in een bepaalde positie of op een bepaalde plaats te krijgen of te houden.
~mantel: 1> een loper van een klaploper, waaraan een blok bevestigd is. 2> onjuiste benaming voor schinkel.
~marinewerf:
terrein, kade, of scheepswerf van de marine.
~mariniseren:
het ombouwen van een vrachtwagen- of stationaire motor tot scheepsdiesel. [T>]
~maritiem:
de zeevaart betreffende. De binnenvaart hoort daar dus niet bij.
Gerelateerde term: nautisch.
~markeerboei:
tegenwoordig een gele boei, die de plaats van een, tijdelijk in het water aanwezig, obstakel aangeeft (bijv. een ankerboei) of een deel van het water, waar een bijzondere regel voor geldt (bijv. een speedbotenbaan), afbakent.
~Markerboot: 1>dagpassagiersdienst vanuit Amsterdam naar Marken. 2>schip dat deze dienstregeling uitvoert.
~markeringsboei,
markeringston:
drijvend baken dat een bijzondere plaats, dan wel, indien groepsgewijs gebruikt, een bijzonder gebied markeert.
Tot de markeringsboeien behoren ondermeer de ankerboei en thans (2010) gele boeien van het lateraalstelsel.
De termen 'Marker rond' en 'Rondbouw' zijn een verkorting (Nederlanders schijnen een broertje dood te hebben aan het gebruik van lange namen) van Marker rondbouw. De term 'Ronde schouw' kan alleen verklaard worden als men het woord 'schouw' ziet als een algemene benaming voor een schip en de naam 'spekbak' moet in dit geval gezien worden als een algemene benaming voor een vissersschip. De woorden 'schouw' en 'spekbak' slaan in dit geval NIET op het scheepstype. De term rondkop zal vermoedelijk alleen plaatselijk in gebruik zijn geweest.
~Marker waterschip: vissersschip met ongeveer de lijnen van een Botter, echter zonder zwaarden, doch met kiel. Verder wat voller gebouwd en met meer vrijboord, getuigd met sprietzeil. Deze schepen hadden ook tot taak zeeschepen van en naar Amsterdam te slepen. [S>]
~marktboeier:
hiermee bedoelen sommigen een Boeier, die door handelaren gebruikt werden om kleine ladingen of monsters naar de markt te brengen. Vaak werden deze boeiers ook voor het spelevaren gebruikt.
scheepstype behorend tot de Turfpramen. Te onderscheiden in de
Drentse Marktpraam
en de
Hoogeveense marktpraam
, beiden ook
kleine (turf)praam
of
ongeboeide praam
genoemd.
Grotendeels open houten vrachtschip. Afmetingen ca. 16 tot 18 meter lang, 3,6 meter breed, één meter hol en met een laadvermogen van 24 tot 36 ton. Voornamelijk gebruikt voor het vervoer van turf van uit zuid- en zuidoost-Drenthe naar Meppel en Zwartsluis, soms ook Zwolle en Kampen.
Enigszins spits toelopend achterschip met aangehangen roer. Naar
het schijnt was ook het voorschip in vroeger tijden een weinig spits toelopend, maar in later tijd voller
ronder. Licht gekromde bijna vertikale voorstevenbalk.
Vrij breed plat vlak met hoekige kim en rechte, minder dan 30 graden naar buiten vallende zijdes.
De bovenrand van de romp wordt in feite gevormd door het, vrij brede, berghout met een aansluitend potdeksel. In de zijdes is het vrijboord ca. 65 cm. De voor- en achtersteven zijn respectievelijk ruim een meter en iets minder dan een meter hoger. Alleen het voorschip bezat, ter plaatse van het vooronder, een vast boeisel. De oorspronkelijk losse zetboorden (settelboorden) sloten hier op aan. Ze namen langzaam in hoogte af en eindigden aan de achterzijde van het ruim met een gilling. Later zijn deze losse zetboorden vervangen door een vast boeisel van gelijke vorm.
Onder het achterdek bevond zich een klein achteronder. Boven het achterdek bevond zich een houten boog, terplaatse worp genoemd, ongeveer vergelijkbaar met de stuurboog. Hierop rustte (volgens Schutten) het helmhout.
Het ruim was ongewegerd en meestal ook zonder luikenkap. Wanneer ze graan moesten laden, werd het ruim gegarneerd. Ze hadden geen gangboorden. Over de lading werden langsscheepse planken gelegd, zodat men toch naar voor kon lopen of kon bomen.
Indien het schip met luiken gevaren werd dan lagen deze meestal direct op de potdeksel. Het schip was voorzien van een tuigage met vaartzeil en fok.
Bij Petrejus is een Drentse boeier of Marktpraam afgebeeld, die afwijkt van de hier beschreven modellen. Zie verder bij Drentse boeier.
Naar verluid lag het berghout bij de Hoogeveense marktpramen een halve voet lager, dan bij de elders gebouwde types. Sopers tekent dit schip met een smaller vlak, een erg spits achterschip, een vrij stomp voorschip, gebogen zijdes, vast boeisel en een luikenkap. Hij noemt het een Hoogeveense praam.
Belangrijkste bronnen: Sopers en Schutten.
~marktschip, marktschuit: beurtschip (zowel goederen als passagiers) waarvan de dienstregeling afgestemd is op de marktdagen van de omliggende plaatsen.
~marlpriem, marlpen:
1> houten priem met een afgeronde platte punt, o.a. gebruikt voor het splitsen van touw, vooral wanneer dat van natuurlijke vezels gemaakt is. 2> foutieve benaming voor splitshoorn of marlspijker.
~marlpriemsteek:
bepaalde steek die een schuiflus vormt, welke rond de marlpriem genomen wordt.
Men gebruikt deze steek om dik garen extra sterk aan te halen. De steek wordt daartoe vlak bij het voorwerp gelegd. De priem wordt door de lus gestoken, dusdanig dat de punt tegen het werkstuk rust, waarna men het uiteinde van de priem van het werkstuk af beweegt. De priem wekt dan als een hefboom.
~marlslag:
ongebruikelijke benaming voor marlsteek.
~marlsteek,
marlslag:
bepaalde steek waarmee men voorwerpen samenbindt of vastzet. De marlsteek wordt altijd als een serie van op elkaar volgende steken gelegd. Behalve de gewone (enkele) marlsteek bestaan er nog een aantal varianten.
~marmeren:
dusdanig beschilderen, dat het marmer lijkt.
~mars:
één van de namen voor de onderste verbinding tussen steng en ondermast. Mogelijk ook schild of zaling genoemd.
In de zeevaart is de mars het platform, dat zich bij de onderzijde van een steng bevindt. De steng zelf ligt, zowel langsscheeps als dwarsscheeps opgesloten tussen zalingen. Uit dien hoofde zou de term zaling beter zijn. De term wordt in de binnenvaart echter al gebruikt voor dwarsscheepse delen die de stagen van het topwant spreiden. Mogelijk daarom is men de term mars gaan gebruiken. De term schild lijkt dubieus, daar een schild meestal een schot is dat iets begrensd. Daarvan is hier niet echt sprake.
~mastband, muilband: 1>
gesloten stalen band rond de mast of masttop, vaak voorzien van de mogelijkheid zaken er aan te bevestigen. Zie ook: krans, mastbeugel, giekband.
1>ligbok, bok(5):
houten klos of schraag, of overeenkomstige constructie, al dan niet gedeeltelijk in staal, waarop de gestrekenmast rust. Ook gebruikt als rust voor de giek.
Gerelateerde: mik.
2> hijstoestel waarmee men (vaste) masten in het schip plaatst.
~mastbos: 1> bos met naaldbomen, aangeplant voor de productie van rondhouten. 2> mastenbos: grote hoeveelheid, in elkaars nabijzijn liggende, zeilschepen.
dwarsscheepse bout, door de bovenzijde van de mastkoker en door de mast, waar omheen de mast draait, wanneer deze gestreken wordt.
~mastbroek, mastbroeking, mastkraag, broek:
stuk zeildoek, dat de mast van boven de hieling tot en met het dek omgeeft. Bedoeld om lekkage langs de mast te voorkomen.
~mastenhout:
hout dat voor masten en rondhouten gebruikt wordt. Over het algemeen het hout van sparren en de lariks.
~mastenkraan:
hijskraan, waarmee men vaste masten in het schip plaatst. In sommige vissersplaatsen was van gemeentewege een dergelijke kraan geplaatst.
~mast- en tuigcertificaat:
document, af te geven door het bureau "Register Holland", waarmee verklaard wordt dat de zeilerij op het schip voldoet aan de eisen voor de vaart met betalende passagiers. [A>]
~mastgrendel,
mastklink,
mastkling:
aan de onderkant van de mastkoker bevestigde wegneembare bout of stalen plaat, die moet voorkomen dat de mast, wanneer de voorstag los raakt of gemaakt wordt, achterover valt.
~mastherft, herft:
op oude (voormalige) sleepschepen het herft waarop de lichtmast stond.
Op deze schepen stond vroeger de lichtmast niet tegen het voorschild of de voorroef maar op ca. 1/3 van voor 'op' de luikenkap.
~masthiel, hiel: 1> het aller onderste stuk van de mast. 2> volgens sommigen: hieling.
breed wigvormig vulstuk, dat onderin de mastkoker geplaatst wordt en de ruimte tussen de masthiel en het dek vult. Bij het zetten van de mast zal, de hiel op de keg lopen, waardoor de mast op het dek en niet al te veel op de mastbout zal leunen.
~mastspoor: 1>kolsum: op de leggers aangebrachte verstevigingen voor de mastkoker of de mastvoet. 2> in de deklast (turven) uitgespaarde gleuf, waarin de gestreken mast kan liggen.
~maststeun:
vertikale houten plank, waarin de gestrekenmast kan rusten. Zie ook: (mast)schaar en mik.
~mastvoet: 1> onder in het schip geplaatste constructie, waarin de onderkant van de mast, de masthiel gezet wordt. 2> onjuiste benaming van hieling of hiel.
masttopversiering op het uiteinde van de trommelstok. De mastwortel is een stuk houtsnijwerk dat vaak uit een aantal fraai bewerkte ringen, die naar boven toe in diameter afnemen, bestaat. Op jachten werd deze vaak verguld.
In hoeverre de mastwortel in de beroepsbinnenvaart gebruikelijk was, is me niet echt bekend. Voor zover deze gebruikelijk was, is zij vermoedelijk in de loop van de 19de eeuw verdwenen.
~matroos: 1> vroeger, vooral op sleepboten en passagiersschepen die voor rederijen voeren, gehanteerde term vor wat elders knecht genoemd werd.
2> sinds de jaren tachtig(?) officiele kwalificatie voor een soort knecht aan boord van een schip. Een matroos is minstens 17 jaar oud en heeft een gepaste opleiding gevolgd of is 19 jaar oud en heeft minstens 3 jaar als deksman gevaren.
In de binnenvaart een vrij nieuwe (1980?) term. Gerelateerde termen: lichtmatroos, volmatroos, matroos-motordrijver, stuurman, machinist, schipper.
~meeligger: vaartuig dat in, min of meer, dezelfde richting vaart. Vergelijk: oploper.
~meeltankschip,
meeltanker: vrachtschip voor het vervoer van losgestort meel. [E>]
~meelvaarder: 1> voornamelijk in de regio Groningen gebruikte term voor schepen die de vaart op de aardappelmeelfabrieken onderhielden. 2> de schipper van een meelvaarder(1).
~meer: 1> water met een aanzienlijke lengte en breedte. 2>mare, maar: oorspronkelijk naam voor een grenswater; later de naam voor een water in het algemeen.
~meerbaksduwvaart:
de duwvaart waarbij er voor de duwboot meer dan één duwbak gekoppeld is.
een schip met twee of meer rompen. Term die gebruikt wordt om onderscheid te kunnen maken tussen normale schepen en schepen met meerdere rompen.
Op 21 juni 2007 werden er door de Google zoekmachine geen vermeldingen gevonden. Ik heb toen het woord hier geïntroduceerd.
Op 26 april 2010 vond Google inmiddels 113 vermeldingen!
zware, in het water geplaatste, constructie om een schip aan te meren. Meestal bestaand uit een aantal dichtbij elkaar geplaatste en met elkaar verbonden meerpalen. [A>]
Schippers spreken over het algemeen van einden, touwen en soms van trossen.
Woorden als meertouw worden misschien wel door schijvers maar zelden of nooit door het die actief aan de beroepsbinnenvaart deelnemen gebruikt en landvast al helemaal niet.
~melkersschuit(je):
eigenlijk een schuitje voor het vervoer van melkers van en naar het land, maar vaak gebruikt als synoniem voor melkschuit.
Zie ook: Langedijker melkersschuit.
~melktanker,
melktankschip: tankschip voor het vervoer van losse melk. [A>]
~melkvaarder: 1> melkboot: schip waarmee melkbussen ( naar de melkfabriek) vervoerd werden. Zie ook: motormelkboot, melkschuit. 2> schipper op een melkvaarder(1).
~menie:
verzamelnaam voor roestwerende grondverven.
~menieplamuur, meniestopverf:
vroeger een mengsel van meniepoeder en stopverf, later van meniepoeder en plamuur. Vaak gebruikt om kleine naden te dichten en daarom stopmenie genoemd.
Dit soort mengsels werden vaak naar eigen inzicht gemaakt en niet altijd waren de ingredienten en de verhoudingen overal gelijk. Ondermeer gebruikt werd een mengsel van loodmeniepoeder, krijt en lijnolie in een volumeverhouding van 1:1:1.
scheepstype. Zeilend, overnaads gebouwd, houten vrachtschip met vrijwel vertikaal staande rechte zijdes en vrij spits voor- en achterschip. Het was een vrij smal schip (ca. 21 x 3,9m en ca. 40 ton) dat naar het schijnt vooral voor het vervoer van boomstammen gebruikt werd. In verband daarmee stond de mast een weinig uit het midden. Aan de mast werd een loggerzeil en fok gevoerd.
In verband met de smalle, hoge vorm en de gelijkvomigheid van voor- en achterschip werd dit scheepstype door Groningse schippers
snijboon
genoemd.
Het scheepstype is waarschijnlijk ver voor 1800 ontstaan. Na ca. 1850 gaat men over tot de bouw van gladboordige pramen, die met de verbreding en verdieping van de belangrijke vaarwegen in Overijssel en Drente (1850-1890) ook breder, voller en hoger werden (waarschijnlijk heeft ook een verschuiving van het ladingaanbod hiertoe bij gedragen). Alhoewel dit schip dus niet specifiek voor de turfvaart bestemd was vertoont hij toch duidelijke overeenkomsten, zoals de licht gekromde voorsteven die bijna vertikaal staat, met de andere vertegenwoordigers uit de groep der turfpramen. Het schip had weinig zeeg, geen berghout en was gedekt met een luikenkap. Het ruim was lang en onbewegerd. Voor- en achteronder waren klein en sober. Volgens Haalmeijer en Vuik bestond er van deze praam ook een korte versie.
~Meppeler......:
zie bij Meppelder.
~Mercator:
alleen in staal gebouwde variant van de Jol(3), met een duidelijke zeeg. Tamelijk licht gebouwd, met in voor- en achterschip luchtkisten en een V vormig gebogen plaat als scheg. Beperkt als bijboot in gebruik geweest.
Merkels waren vroeger (geregeld ook op stalen schepen) van hout; een vierkante balk met holle goot en aan de uiteinden verschraald. Later is men stalen merkels gaan gebruiken. Naar het schijnt eerst een liggend half-I profiel en later gewone hoeklijn.
uitsparing in de scheerbalk of de bovenrand van de den, waarin het uiteinde van een merkel rust. [A>nr.9]
~merkijzer,
brandmerkijzer,
brandmerk,
brandijzer:
stalen letter of cijfer aan een lange, haakse, stalen, steel waarmee men het brandmerk aanbracht.
~Merwede,
Merwe
:
rivierdeel in de delta van Maas (tot 1904) en Waal beginnend bij Loevenstein. Tot in de 18de eeuw de naam van de wateren die via Dordrecht en Krimpen a/d Lek tot aan Rotterdam/Pernis liepen. Na het gereed komen van de Nieuwe Merwede (1874), van Werkendam naar het Hollands Diep, kregen de verschillende delen andere namen.
Het vervolg van de Waal tussen Loevenstein en Werkendam ging Boven-Merwede heten en het deel tussen Werkendam en Dordrecht kreeg de naam Beneden-Merwede. Het resterende deel van de oude rivierloop vanaf Dordrecht kreeg tot de samenkomst met de Lek bij Krimpen, de naam Noord, terwijl het laatste deel Nieuwe Maas genoemd werd.