Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~loggen:
met behulp van een log de snelheid bepalen.
~loggerzak:
soort van leren, waterdicht gemaakte, plunjezak. Voornamelijk alleen in de (zee)visserij in gebruik geweest.
~loggerzeil: langsscheepszeil, dat voornamelijk op enkele kleine vaartuigen gebruikt werd. Het loggerzeil, lijkt op een gaffelzeil met een erg lange gaffel. Echter rust het bovenste rondhout niet tegen de mast, maar steekt daar een klein stukje voorbij en ook het onderste rondhout, moet men het een giek of onderra noemen, steekt, indien aanwezig, meestal tot naast de mast.
De grotere schepen zoals de Meppelder praam voerden dit zeil met giek. De Belgische kanaal schepen (Walen) maakten soms ook gebruik van dit zeil, maar dan meestal zonder giek. Het zeil wordt dan door sommigen een emmerzeil door anderen een emerzeil genoemd.
~logglas:
zandloper, die vroeger 14 of 28 seconden liep. Later is men tijdglazen die 15 of 30 seconden liepen gaan gebruiken.
Deze verandering houdt vermoedelijk verband met de algemene bruikbaarheid van het tijdglas. Bijgevolg van deze verandering werd de onderlinge afstand van de knopen in de loglijn natuurlijk aangepast.
~loglijn:
hennepen lijn op regelmatige afstand voorzien van knopen, waarmee men de snelheid van het schip kan bepalen.
De lijn is aan een voorloop, welke verbonden is met het logplankje geknoopt. De lijn had vroeger om de 1,44 m (1,5 yard), later om de 1,54 m een knoop. Het aantal knopen dat, terwijl men de loglijn laat vieren, gedurende 1 of 2 logglazen, door de hand loopt, geeft de snelheid in tienden knopen(1). Er zijn echter ook loglijnen waar in de knopen op 76,16 cm van elkaar zitten. Het aantal knopen per enkel logglas (van 15 seconden) geeft dan de snelheid.
~logplankje:
plankje in de vorm van een cirkelsegment van ca. 50 graden, aan de onderkant verzwaard met een strip lood. De tophoek is verbonden met de voorloop. De onderhoeken zijn samen verbonden met een pennetje dat in een busje dat aan de voorloop zit vastklemt. Tijdens het loggen zal het plankje zo wat rechtstandig in het water blijven. Geeft men een ruk, dan schiet het pennetje los, klapt het bordje om en kan men de lijn makkelijk in halen.
metalen houder, die in de cilinderkop geschroefd wordt, waarin het startlontje zich bevindt.
~lontstartend:
van motoren: met behulp van een startlontje op gang te brengen. Startlontjes worden (bijna) uitsluitend bij motoren met een voor- of wervelkamer gebruikt.
~loodijzermenie:
conserveringsmiddel voor staal, grondlaag voor diverse verfsystemen. Mengsel van lood- en ijzeroxide met synthetisch bindmiddel. Vaak als tussenlaag, tussen loodmenie en grondverf gebruikt.
In de oude zeevaart was de loodlijn een 18 garens, kabelslag, hennepen lijn op regelmarige afstanden voorzien van merken. Later is men ca. 6mm dik gevlochten hennep gaan gebruiken.
2> denkbeeldige lijn, haaks op de waterlijn, die het voorste of achterste punt van de romp (stevenbalken en andere uitsteeksels niet meegerekend) raakt.
~loodmenie:
conserveringsmiddel voor staal of hout, grondlaag voor diverse verfsystemen. Mengsel van loodoxide en lijnolie of tegenwoordig soms synthetisch bindmiddel.
~loodmenieplamuur,
loodplamuur,
bloedplamuur:
een mengsel van loodoxide, krijt en lijnolie. Het wordt op het onderwaterschip als een soort vulmiddel gebruikt.
~loodpees:
met behulp van lood (soms ook ijzer) verzwaarde lijn langs de onderkant van een visnet.
Gerelateerde termen: onderpees, bovenpees.
~loods: 1> (havenloods), binnenloods: persoon, die in verband met zijn of haar bekendheid van het vaarwater, de kapitein van een zeeschip advies geeft of hem inzake de navigatie vervangt. In de zeevaart zijn loodsen, door het rijk aangestelde, ambtenaren.
2>slikloods, binnenloods: meestal plaatselijke (oud-)schipper, die vreemde schippers behulpzaam zijn bij het varen of de navigatie.
3>rivierloods, binnenloods: persoon, die in verband met zijn of haar bekendheid van het vaarwater, de kapitein of schipper advies geeft of hem inzake de navigatie vervangt.
Vooral op de Rijn waren op diverse plaatsen loodsen aanwezig. In de jaren vijftig kon men ze bij Bingen, Rüdesheim, Kaub, St. Goar, Oberspay, Koblenz, Urmitz en Keulen aantreffen.
4> vaartuig, dat voor een ander vaartuig uit varend, de te volgen koers aangeeft.
Gerelateerde term: begeleidingsvaartuig.
~loodsboot:
Algemene term voor een vaartuig dat door loodsen(1) gebruikt wordt. In de binnenvaart, in tegenstelling tot de zeevaart, vaak inderdaad een (roei)boot. In de Rijnvaart ook bekend onder de naam 'leinenschlepper' en 'nachen'.
~loodskamer,
loodshut,
loodsenverblijf:
op de wat grotere schepen aanwezige ruimte waarin de loods kon overnachten.
Diverse delen van de Rijn waarop loodsplicht heerste, waren dermate lang dat loods aan boord moest blijven overnachten. Sommige van de grote schepen hadden daarvoor een aparte kamer in de voorroef of zelfs in de achteropbouw. Ook waren er soms een kamer gemaakt in de diepherften. Kleinere schepen konden de loods vaak niet de luxe van een eigen hokje bieden en deze moest dan inschikken bij de bemanning of zelfs genoegen nemen met een plaatsje op de bank in de roef.
~loodspatent:
bewijs van bekwaamheid waar men over dient te beschikken, wanneer men als loods (op de Rijn) wilt opereren.
Het beroep van loods, zoals uitgeoefend door de loodsen van Bingen, Kaub en St. Goar is een degelijke opleiding. De gegadigde werd tot de opleiding toegelaten als hij voldoende ervaring had opgedaan als scheepsjongen en matroos aan boord van een op de Rijn, de zijrivieren en kanalen varend binnenschip. Hij moest minstens 23 jaar oud zijn en in het bezit van het schipperspatent. Daarnaast moet hij van onbesproken gedrag en lichamelijk en geestelijk fit zijn voor het beroep van loods.
Wordt aan al deze voorwaarden voldaan, dan laat het Wasser- und Schifffahrtsamt in Bingerbrück toe, nadat er eerst contact wordt opgenomen met het plaatselijke loodsenstation, waar de aankomende loods in opleiding wil gaan. De kandidaat moet dan met z'n leerloods of leermeester een bepaald aantal vaarten - leervaarten - op de route waar hij z'n patent wil halen uitvoeren. Deze vaarten moet de kandidaat in een speciaal dienstboek laten opschrijven. Normaal gezien had de leerling ongeveer een jaar nodig om het aantal vaarten te volbrengen. Daarna laat hij z'n dienstboek zien aan het Wasser- und Schifffahrtsamt in Bingerbrück samen met de aanvraag voor het loodsenexamen. De examencommissie, bestaande uit de voorzitter van het WSA en twee 'proefmeesters' (loodsen van de lokale loodsenstations) neemt dan het examen af. Na gunstig resultaat krijgt de kandidaat z'n loodsenpatent dat door de staat uitgedeeld wordt. Nu kan hij op de op het paent vermelde route schepen beloodsen, voor loodsen uit Bingen: van Bingen naar Kaub, voor Kauber loodsen: van Kaub naar Bingen en van Kaub naar St. Goar, voor loodsen uit St. Goar: van St. Goar naar Kaub.
De loods is/was als bezitter van het loodsenpatent de nautische raadgever van de schipper. Onder alle omstandigheden behield de schipper echter het bevel aan boord. Tekst: Robert Delhaye.
~loodstok:
onderdeel van een raamwerk dat een visnet openhoudt, dat met lood verzwaard is, zodat het raamwerk vertikaal blijft.
~loodsvaartuig:
vaartuig dat door een loods gebruikt wordt: een loodsboot.
~loodswezen:
overkoeplende organisatie van de diverse loodsdiensten.
~loodvet,
loodmenievet:
mengsel van waterbestendig vet en loodoxide. Wordt gebruikt om bouten en moeren, die onder water zitten of geregeld nat worden, gangbaar te houden.
~loodwit,
witte menie:
grondverf, menie, op basis van basisch loodcarbonaat. Thans niet meer verkrijgbaar.
Alhoewel loodwit geregeld als menie gebruikt werd, wordt er beweerd dat deze juist het roesten bevorderd.
~van Loon:
Folkert N. van Loon (1775-1840). Friese scheepsontwerper en schrijver van het beroemde "Handleiding tot den Burgerlijken Scheepsbouw". [E> Uitgebreide levensbeschrijving.]
onder de kluiverboom of boegspriet gespannen 'net' waarlangs het uiteinde van de boom te bereiken is. Natuurlijk wordt het net ook kluiver(boom)net of kluifnet genoemd.
[A>]
Het loopnet is tot de komst van de charterschepen(1) in de binnenvaart slechts weinig in gebruik geweest. Bekijken we de werken van Groenewegen en Le Comte dan heeft geen van de schepen, ook de zeegaande schepen niet, een loopnet. Toch zijn er wel oude foto's waarop binnenvaartschepen met een loopnet te zien zijn. Het zijn dan vooral de grotere schepen, zo tegen de twintig meter of groter, welke een dergelijk net hebben. Een redelijk aantal van deze foto's zijn echter gemaakt toen het schip net van stapel gelopen was. Op schepen die overduidelijk de sporen van jarenlang gebruik dragen, ziet men zelden of nooit een loopnet. Of men daar bepaalde conclusies aan moet verbinden? Ik denk van wel. Het loopnet was waarschijnlijk een prijzig geval en moet heel wat onderhoud gevergd hebben. We spreken immers over de periode van natuurlijke touwvezels. Uit het feit dat een flink aantal schepen in plaats van het net voetpaarden gebruikten of helemaal geen net hadden, blijkt dat men het ook best zonder net kon stellen. Wat was logischer dan deze onderhoudsonvriendelijke kostenpost te verwijderen?
Vroeger waren de netten waren grofmazig. Het waren eigenlijk meer weeflijnen die tussen de boegstagen en twee hulplijnen gespannen waren dan een net. (Als men deze weeflijnen wegdenkt dan heeft men een kluiverboom met boegstagen en voetpaarden.) Tegenwoordig zijn ze in het algemeen nogal variabel van samenstelling. Bij de zeilende beroepsvaart dienen ze tegenwoordig echter aan bepaalde voorschriften te voldoen.
~loopschroef:
schroef die ontworpen is om het schip snelheid te geven.
Bij het ontwerpen van een schroef spelen zeer veel factoren een rol. Twee daarvan zijn het gewicht dat verplaatst moet worden en de snelheid waarmee dat gebeurt. Als gevolg daarvan kan men kiezen voor een schroef die goed presteert bij een redelijke snelheid, de loopschroef, of een schroef die goed werkt bij zware belasting, een trekschroef. Een trekschroef bewijst goede diensten bij sleepboten e.d., een loopschroef bij passagiersschepen.
~Loosdrechtse schouw:
circa 8 meter lange variant van de Loosdrechtse boot.
Bron: GJ Schutten (blz 323).
~Loosdrechtse boot:
vrij klein roeischouwtje dat door boeren rond de Vinkeveense plassen gebruikt werd. Volgens GJ Schutten (blz321) slechts 3,6 meter lang.
plat, vrij breed vaartuig met een brede, horizontale, steven. Ongeveer gelijk aan de Westlandse tuindersschuit, maar de Loosduinse is meestal iets groter, namelijk tot ca. 13m en heeft drie nokken op de steven. De vaartuigen zijn bestemd om gewogen te worden. [A>Afbeelding en filmpje] [Gerelateerde scheepstypen/soorten>]
Zo op het eerste gezicht zou men kunnen denken met een dekschuit te doen te hebben, maar deze tuindersschuiten hebben ronde kimmen. Verder bestaat de voorzijde uit niet meer dan een zware horizontale balk, loopt het achterschip smaller toe dan het voorschip en zijn deze schuiten voorzien van een ruim met luikendek. In voor- en achterdek bevinden zich weegstoelen. Afhankelijk van de belading werd het schip aan de voorzijde of de achterzijde gewogen. Het helmhout werd met behulp van een stuurboog/nagelbank in de gewenste positie vastgezet.
De platte voorsteven werd benut om het vaartuig, wanneer het met de kop tegen de wal lag, makkelijk te kunnen laden en lossen. Om dezelfde reden werden soms ook drielingengekopt.
Dat de nokken op de voorsteven het wapen van Loosduinen zouden symboliseren is gezien het veelvuldig voorkomen van nagelkoppen als versiering, niet waarschijnlijk.
~loosgat: a> willekeurige opening waardoor water af kan vloeien. Bijvoorbeeld een spuigat. b> soort spuigat, maar dan voor de kuipvloer, vaak afgesloten met een loosklep.
c> afsluitbare opening in de bodem van een stalen bijboot. Voornamelijk toegepast op bijboten die gewoonlijk in de davit hangen of aan boord staan.
~loospoort:
in de zijkant van een beun gemaakte opening waardoor water kan wegvloeien. De opening is vaak afsluitbaar gemaakt.
Gerelateerde term: lozingskoker,
vloeiklep,
beunschip.
: situatie waarbij het roer geen of nog maar weinig effect heeft.
~loper: 1>taliereep,
takelloper,
runner: touw of staaldraad, dat door een blok loopt, in het bijzonder touw of staaldraad waarmee een takel gevormd wordt. Slechts in een enkel geval bestaat de loper uit ketting; de zogenaamde kettingloper.
Vergelijk: talreep.
~losdag: 1> elk der, in de vrachtbrief of bij Koninklijk besluit vastgelegd aantal dagen, waarbinnen het schip na (de eventueel afgesproken) aankomst op de losplaatsgelost moet zijn.
2> dag waarop gelost wordt.
~losgeld,
losloon,
loskosten,
lastgeld:
vergoeding, die men aan personen, die bij het lossen van het schip behulpzaam waren, betaalde.
~losgereed,
losbereid,
losklaar:
van een schip: in de hoedanigheid dat men onmiddelijk met het lossen kan beginnen.
eenvoudige, tegenwoordig vaak hydraulisch bediende, inrichting meestal bestaande uit een vrij korte mast, mogelijk ook koning geheten, en een vrij lange 'laadboom', waarlangs een flinke leiding geleid is.
De installatie wordt op tankers gebruikt om de lading, vloeistof of poeder, te lossen.
[A>]
Op bunkervaartuigen spreekt men van een bunkergiek.
Gerelateerde term: laadgiek.
~losgoed,
mangoed,
handgoed:
zeer klein stukgoed. Te groot (of te kwetsbaar) om los te storten, te klein om per stuk te hijsen. Vroeger waren dat bijv. turven, rietbundels, bakstenen, e.d. [A>] Tegenwoordig wordt losgoed vervoerd per container of verpakt tot stukgoed.
Verwante termen: stortgoed, bulkgoed.
~losgooien:
de touwen of draden waarmee het schip vastligt losgooien en vertrekken.
~loslaten:
van het zog: herstellen van een door het schip veroorzaakte verplaatsing.
Men spreekt van schepen, die het water makkelijk of moeilijk loslaten. Bij de eersten vloeit het water als het schip vaart zonder al te veel kolkingen weer samen; dat zijn meestal geveegde schepen. In het tweede geval ontstaat er een sterke turbulentie in het water. Dit veroorzaakt soms schuim, dat als het ware tegen het achterschip blijft plakken. Het zijn meestal volgebouwde schepen die een dergelijk verschijnsel vertonen.
~lozingskoker:
in de zijkant van een beun van zandschepen gemaakte voorziening waardoor het water kan wegvloeien en men de hoogte tot waar geladen wordt kan bepalen.
De koker is een achter de beunwand aangebrachte vertikale schacht welke onderin het vlak uitmondt. Boven in de wand zijn een aantal makkelijk afsluitbare openingen aangebracht, zodat men de hoogte van de lading nat zand op eenvoudige wijze kan bepalen. Het voordeel van dit systeem boven het systeem met normale loospoorten is dat er geen zand door de gangboorden hoeft te spoelen. Zand dat in het gangboord blijft 'hangen' kan er toe bijdragen dat het schip scheef beladen wordt.
zuiger- of plunjerpomp, die van een luchthelm gebruik maakt. [A>voorwerp "G"] Dit soort pompen waren op oude motoren veelvuldig 'standaard' en werden als koelwater- en lenspomp gebruikt.
~luchtschelp:
lage, aan één zijde, soms ook twee zijdes, open, afdekking van een gat in een scheepswand, waardoor frisse lucht in de aangrenzende ruimte kan stromen. [A>]
~luchtsmering:
systeem waarbij over de (volle) breedte van van de romp, onder het voorschip, een 'gordijn' van luchtbellen opgewekt wordt, met het doel de wrijving van de romp te verminderen. Het systeem wordt ondermeer toegepast op enkele ijsbrekers en op futura carriers.
~luchtstart:
de mogelijkheid om een motor met behulp van samengeperste lucht, startlucht, te kunnen starten. [A>film]
Gerelateerde termen: aanzethandel,
aanzetklep.
~luchtstartmotor:
zuigermotor, die door middel van startlucht in beweging gezet wordt en die op zijn beurt de te starten motor in beweging zet.
~luchttank,
luchtfles:
stalen vat waarin samengeperste lucht, de startlucht, opgeslagen wordt.
~lui:
1> aangaande schepen: traag in al hun bewegingen.
2> inzake hout, ook loom: niet voldoende gebogen.
~luien:
bepaalde manier van het lossen van zakgoed.
Tot op heden geen duidelijke beschrijving van deze term kunnen vinden. Men spreekt over het op- en neerhalen van touwen, misschien moet men dus denken aan wippen.
een luik, dat geen vaste plaats in de luikenkap heeft en als reserve en voor het stuwen van een deklast gebruikt kan worden. De genummerde luiken behoren dus wel tot de kap en noemt men kapluiken.
~luikbeugel:
metalen beugel/strip waarmee een dekluik afgesloten kan worden.
Een zelfde soort beugel aan een kapluik noemt men ondermeer een zegelklep.
~luikdeksel:
ongebruikelijke, maar correcte, term voor het onderdeel waarmee een luikopening afgesloten wordt. Meestal wordt dit echter kortweg een luik genoemd.
~luikegoot(je),
luikegoot(je)
:
als merkel fungerende constructie aan het begin of eind van (een bepaald deel van) de luikenkap.
grote metalen kooivormige, makkelijk afbreekbare, constructie, die op de luikenkap of het roefdek
geplaatst wordt, waarin de kinderen van de schipper kunnen spelen. De luikenbox is in de jaren 70 in zwang geraakt.
~luikendek:
(vrij) platte luikenkap, die niet op een den maar direct op de gangboorden of het bovenboord rust en tevens geschikt is om als laaddek gebruikt te worden.
In mijn speurtocht naar het ontstaan van het woord zolderschuit kwam ik het bestaan van dit soort 'luikenkappen' tegen. Het vereist nog enige verdere studie voordat ik een verbinding tussen het woord zolder en het woord luikendek durf te leggen.
~luikenhoofd,
luikhoofd:
1> de bovenrand van de den, dus de laadopening of het laadhoofd.
Eigenlijk heet de opening waardoor het ruim toegankelijk is: luikopening of luikgat, of zo men wilt luikenopening of luikengat. Luikopening en luikgat worden echter alleen gebruikt voor kleine, met één of twee luiken te sluiten, openingen, terwijl de termen luikenopening en luikengat in het geheel niet gebruikt worden. De termen laadopening en laadhoofd worden in de binnenvaart weinig gebruikt. In de zeevaart zijn ze veel algemener. Al met al lijkt het er op als of men er in de binnenvaart weinig behoefte aan een term voor de opening heeft. Men spreekt meestal van 'onder de luiken', 'tussen de den' of van 'in het ruim'.
~luikenkram:
gegolfd metalenplaatje met één scherpe kant. De plaatjes werden o.a. gebruikt om beginnende scheuren in de luiken(2) in te tomen. Ze werden echter ook buiten de binnenvaart veelvuldig gebruikt om gescheurde planken te reparen.
hulpmiddel waarmee men metalen luiken, die de gehele breedte van de den overspannen, en dito merkels, makkelijker kon hanteren.
Wanneer men een luik, dat de volle breedte overspant, wil tillen, dan staat men onhandig dicht bij de den en er mee lopen wordt, zeker als er uitwendige denstutten zijn, helemaal een lastige zaak. Door op elk uiteinde van het luik twee luikenscharen te steken krijgt men twee stevige handgrepen en voldoende afstand tot de den. Voor het tillen van merkels gebruikt men opening A. Hier gebruikt men één schaar voor het tillen met haaks op de merkel een tweede waarmee men de zaak in balans houdt.
eenvoudige houten constructie, waarin, indien paarsgewijs opgesteld, de kleine rondhouten, bezems en ladders geborgen werden.
[A>+tekst]
~luikentouw,
merkeltouw:
lijntje, met aan één uiteinde een ingesplitste lus, waarmee men de merkels en de opgestapelde luiken samen- en/of vastbindt.
De term wordt bijna uitsluitend in verkleinvorm gebruikt.
Merkeltouwtje lijkt iets minder passend als luikentouwtje, maar sommige schippers volstonden met het samenbinden van de bovenste drie vier luiken met de daarop gestapelde merkels.
lange stalen pen waarvan het ene uiteinde omgebogen is en het andere uiteinde van een aangebogen handvat voorzien is. Luikhaken worden gebruikt bij het openleggen van een Friese luikenkap.
op de luiken van een luikenkap aangebracht merk, waaruit de plaats van het luik in de kap, afgeleid kan worden. [A>]
In de meeste kapluiken waren genummerd. Werden de merken gehakt dan werden hiervoor vaak romeinse cijfers gebruikt. Wanneer ze
geschilderd werden gebruikte men vaak arabische (gewone) cijfers. Bak- en stuurboord werden in dezelfde richting genummerd. Om onderscheid te kunnen maken tussen een bakboords en een stuurboordsluik werd één zijde voorzien van een extra merk; een punt, een
streep, o.i.d. [E>Meer over luiken en merken. (pdf 3,65mb)]
~luikopening,
luikgat:
een dekopening welke met één of twee luiken afgesloten wordt.
Sommigen gebruiken de term ook voor de ruimte tussen de den. Zie daarvoor luikenhoofd.
~Luikse aak:
kleine, vermoedelijk geheel open, aak met weinig diepgang uit de periode rond 1700.
De Luikse aak wordt in documenten betreffende 's Gravenmoer genoemd. Over het vaartuig is weinig tot niets bekend.
~Luikse sleep:
wijze van slepen waarbij de twee schepen, die gesleept worden, langszij van elkaar vastgemaakt zijn en er met één enkele draad op één van de schepen door een sleepbooot of motorschip getrokken wordt.
~Luikse vaart:
de spitsenvaart tussen Luik en het Ruhrgebied.
~luilijn:
plaatselijke term voor het touw waarmee het vooroor van de dwarskuil aan boord getrokken wordt. Zie ook luitouw.
~luitouw,
luilijn:
plaatselijke term voor het touw waarmee het vooroor van de dwarskuil aan boord getrokken wordt.
De term schijnt in Harderwijk in gebruik geweest te zijn. In Elburg noemde men het een luilink.
~luisteren:
GOED / SLECHT NAAR HET ROER LUISTEREN
: makkelijk of moeilijk bestuurbaar zijn.
~luiwagen:
1> vrij zachte boender aan een stok.
In de binnenvaart geniet de zogenaamde ankerluiwagen een zekere faam. De luiwagenborstel, waarin met donkere borstelharen de afbeelding van een anker verwerkt is, is verkrijgbaar met en zonder extra lange haren, een baard, aan de uiteinden.
De term LEIWAGEN wordt reeds bij van Yk genoemd. Alhoewel de term nog in de vanDale van 1956 vermeld wordt, scheen de term in de twintigste eeuw alleen nog in het West Vlaams in gebruik te zijn. In Nederland spreekt men over het algemeen van een overloop.
type motorschip met een vrij scherpe, vertikale steven, een fraaie zeeg, waarvan het laagste punt dichtbij de achterkant van het ruim ligt en een geveegd achterschip. De kop van een luxe-motor is beduidend hoger dan het achterschip.
[A>]
Verder een (luxueus ingerichte) salonroef, een stuurhut, die meestal op een verhoging, een uitbouw van de machinekamer, staat. Achter het ruim liggen het dek en de gangboorden gelijk met de bovenrand van het vaartuig.
De vroegste exemplaren waren vaak uitgerust met een hulptuig. Later werd dit vaak een hijstuig.
Veel van deze schepen waren in de zandvaart actief en waren daarom voorzien van een zelflosser. Het was zelfs zo dat 'zelflosser' synoniem werd voor een Luxe-motor met zelflosser.
Er wordt soms onderscheid gemaakt tussen de Hollandse Luxe-motor, meestal Hollandse motor genoemd, en de Groningermotor. De eerste heeft het algemeen gebruikelijke, sterk naar binnenvallend hek. Bij de Groninger staat het boeisel veel steiler. Ook zijn de Groningers wat voller gebouwd. Verder onderscheid men ondermeer de Lepeltakker.
Er zijn veel schepen, die als Luxe-motor betiteld worden, maar geen volwaardige luxe-motor zijn.
Wel hebben ze aardig wat zeeg of een flinke holte, maar volwaardige luxe-motors zijn het toch niet. Deze schepen worden in bepaalde kringen motorscheepjes genoemd. De Luxe-motor stond en staat blijkbaar nog steeds echter in hoger aanzien dan het motorscheepje, vandaar dat de eigenaren dit soort schepen het eerder een luxe-motor, dan een motorscheepje zullen noemen. Waar men precies de grens moet trekken tussen de luxe-motor en het motorscheepje valt niet te zeggen. Voor mij zelf hanteer ik over het algemeen (maar niet altijd) de norm dat als de machinekamer geheel onder de stuurhut blijft het een luxe-motor is. Is er tegen de voorkant van de stuuhut een uitbouw geplaatst om aan de machinekamer voldoende ruimte te bieden, dan noem ik het een motorscheepje.
Het scheepstype is een logische ontwikkeling, die voortkwam uit de reeds bestaande schroefschepen (de beurtmotors) en vrachtschepen. Het geveegde achterschip en het scherpe voorschip heeft het type van de sleepboten en stoomschepen geërfd. De scheepsverhoudingen zijn meer die van de vrachtschepen. Het is moeilijk te zeggen wanneer het scheepstype echt ontstaan is. In 1901 wordt er bij Pannevis al een motorschip van meer dan 100 ton met alle kenmerken van de luxe-motor/het motorscheepje gebouwd. Het zal echter tot in de twintiger jaren duren voordat ze algemeen goed gaan worden. Vooral in de begin periode was een motorvrachtschip in verhouding tot een zeilschip met hetzelfde laadvermogen namelijk vrij prijzig. Het waren dus voornamelijk alleen de rijkere schippers, die zich een dergelijk schip konden veroorloven.
De vrij voorlijke plaatsing van de motor bood op het achterschip voldoende mogelijkheid tot het plaatsen van een zeer royale roef, vooral ook omdat men de hoeveelheid 'dek' rondom de roef zeer beperkte. Deze roeven werden overeenkomstig de welstand van de eigenaar betimmerd en ingericht. Vergeleken met de vaak krappe kleine roefjes van de zeilende vrachtvaarders waren de roeven op deze motorschepen ware toonbeelden van welvaart en luxe, vandaar dat deze schepen al spoedig de naam 'luxe-motor' kregen.