banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst Log



~log:
1> instrument om de snelheid, door het water, van een schip te bepalen.
a> de combinatie van logplankje en loglijn.
b> zie patentlog.





~logboek:
1> het boek waarin alle gegevens, die verband houden met het navigeren, bijgehouden worden.

2> voornamelijk onder watersporters: een kombinatie van een soort dagboek (journaal) aangevuld met enige gegevens met betrekking tot het varen.





~logementschip:
vaartuig dat ingericht is als onderkomen voor grote groepen mensen.
De term werd meestal gebruikt gebruikt voor vaartuigen van de overheid/defensie die een dergelijke functie hadden.






~logen, loogen:
oude term voor boegbranden.
Tot nu toe alleen bij Mr Jhr. J. van Lennep aangetroffen.






~loggat: zie muizeling.





~loggen:
met behulp van een log de snelheid bepalen.





~loggerzak:
soort van leren, waterdicht gemaakte, plunjezak. Voornamelijk alleen in de (zee)visserij in gebruik geweest.





~loggerzeil:
langsscheepszeil, dat voornamelijk op enkele kleine vaartuigen gebruikt werd. Het loggerzeil, lijkt op een gaffelzeil met een erg lange gaffel. Echter rust het bovenste rondhout niet tegen de mast, maar steekt daar een klein stukje voorbij en ook het onderste rondhout, moet men het een giek of onderra noemen, steekt, indien aanwezig, meestal tot naast de mast. Men kan het natuurlijk ook zien als een ra zeil, dat men langsscheeps zet met de bovenra een eind voorbij de mast en het ondereind tot de mast. Het is maar hoe men het bekijken wilt.
De grotere schepen zoals de Meppelder praam voerden dit zeil met giek. De Belgische kanaal schepen (Walen) maakten soms ook gebruik van dit zeil, maar dan meestal zonder giek. Het zeil wordt dan door sommigen een emmerzeil door anderen een emerzeil genoemd.





~logglas:
zandloper, die vroeger 14 of 28 seconden liep. Later is men tijdglazen die 15 of 30 seconden liepen gaan gebruiken.
Deze verandering houdt vermoedelijk verband met de algemene bruikbaarheid van het tijdglas. Bijgevolg van deze verandering werd de onderlinge afstand van de knopen in de loglijn natuurlijk aangepast.






~loglijn:
hennepen lijn op regelmatige afstand voorzien van knopen, waarmee men de snelheid van het schip kan bepalen.
De lijn is aan een voorloop, die verbonden is met het logplankje geknoopt. De lijn had vroeger om de 1,44 m (1,5 yard), later om de 1,54 m een knoop. Het aantal knopen dat, terwijl men de loglijn laat vieren, gedurende 1 of 2 logglazen, door de hand loopt, geeft de snelheid in tienden knopen(1). Er zijn echter ook loglijnen waar in de knopen op 76,16 cm van elkaar zitten. Het aantal knopen per enkel logglas (van 15 seconden) geeft dan de snelheid.






~logplankje:
plankje in de vorm van een cirkelsegment van ca. 50 graden, aan de onderkant verzwaard met een strip lood. De tophoek is verbonden met de voorloop. De onderhoeken zijn samen verbonden met een pennetje dat in een busje dat aan de voorloop zit vastklemt. Tijdens het loggen zal het plankje zo wat rechtstandig in het water blijven. Geeft men een ruk, dan schiet het pennetje los, klapt het bordje om en kan men de lijn makkelijk in halen.





~logtgat: zie muizeling.





~lokgat:
verbastering van loggat, zie muizeling.





~Londense aak:
zie palingaak.





~Londaine:
onbekend. Het gaat hier waarschijnlijk om een vrij groot (30 meter?) rivierschip. Het zou kunnen dat dit de Loerdenne is, waar Haalmeijer en Vuik het over hebben. Zie bij Loerdenne.





~lonthouder, kaars:
metalen houder, die in de cilinderkop geschroefd wordt, waarin het startlontje zich bevindt.




~lontstartend:
van motoren: met behulp van een startlontje op gang te brengen. Startlontjes worden (bijna) uitsluitend bij motoren met een voor- of wervelkamer gebruikt.





~lood:
1> algemene benaming voor een klein zwaar voorwerp dat bedoelt is om iets te doen laten zinken.

2> verkorting van peillood.

3> loodje: metalen plaatje, vaak in de vorm van een muntje, dat als bewijs van betaling dient. Zie verder bij scheepvaartpenning.





~loodijzermenie:
conserveringsmiddel voor staal, grondlaag voor diverse verfsystemen. Mengsel van lood- en ijzeroxide met synthetisch bindmiddel. Vaak als tussenlaag, tussen loodmenie en grondverf gebruikt.





~loodijzermenieplamuur, bloedplamuur:
zie loodijzerplamuur.





~loodijzerplamuur, loodijzermenieplamuur, bloedplamuur:
mengsel van krijt en lood- en ijzeroxiden, met lijnolie of een synthetisch bindmiddel.





~loodjestang:
1> tweedelige, tangvormige gietvorm voor het gieten van loodjes voor de visnetten.

2> tangvormig instrument waarmee ambtenaren de verzegelingen borgen.





~loodlijn:
1> lijn aan een peillood.
In de oude zeevaart was de loodlijn een 18 garens, kabelslag, hennepen lijn op regelmarige afstanden voorzien van merken. Later is men ca. 6mm dik gevlochten hennep gaan gebruiken.

2> denkbeeldige lijn, haaks op de waterlijn, die het voorste of achterste punt van de romp (stevenbalken en andere uitsteeksels niet meegerekend) raakt.





~loodmenie:
conserveringsmiddel voor staal of hout, grondlaag voor diverse verfsystemen. Mengsel van loodoxide en lijnolie of tegenwoordig soms synthetisch bindmiddel.





~loodmenieplamuur, loodplamuur, bloedplamuur:
een mengsel van loodoxide, krijt en lijnolie. Het wordt op het onderwaterschip als een soort vulmiddel gebruikt.





~loodpees:
met behulp van lood (soms ook ijzer) verzwaarde lijn langs de onderkant van een visnet.
Gerelateerde termen: onderpees, bovenpees.





~loodplamuur:
zie bij loodmenieplamuur.





~loods, loodsman:
1> (havenloods), binnenloods: persoon, die in verband met zijn of haar bekendheid van het vaarwater, de kapitein van een zeeschip advies geeft of hem inzake de navigatie vervangt. In de zeevaart zijn loodsen, door het rijk aangestelde, ambtenaren.

2> slikloods, binnenloods: meestal plaatselijke (oud-)schipper, die vreemde schippers behulpzaam zijn bij het varen of de navigatie.

3> rivierloods, binnenloods: persoon, die in verband met zijn of haar bekendheid van het vaarwater, de kapitein of schipper advies geeft of hem inzake de navigatie vervangt.
Vooral op de Rijn waren op diverse plaatsen loodsen aanwezig. In de jaren vijftig kon men ze bij Bingen, Rüdesheim, Kaub, St. Goar, Oberspay, Koblenz, Urmitz en Keulen aantreffen.



4> vaartuig, dat voor een ander vaartuig uit varend, de te volgen koers aangeeft.
Gerelateerde term: begeleidingsvaartuig.




~loodsboot:
Algemene term voor een vaartuig dat door loodsen(1) gebruikt wordt. In de binnenvaart, in tegenstelling tot de zeevaart, vaak inderdaad een (roei)boot. In de Rijnvaart ook bekend onder de naam 'leinenschlepper' en 'nachen'.





~loodsbotter:
Botter die door de loodsdiensten gebruikt werd.
Tot welk type deze botter precies behoorde is mij niet bekend maar waarschijnlijk is het dat het vaartuig op de Urker botter gebaseerd is.






~loodsdienst:
1> een organisatie van loodsen.

2> een loodsenstation.

3> het werk dat een loods verricht.





~loodsdwang:
de verplichting om op bepaalde trajecten met een loods te varen.





~loodsen:
1> het werk van een loods.
2> een schipper, op een voor hem onbekend vaarwater voorvaren.





~loodsenexamen:
examen dat een leerlingloods moet afleggen voordat hij zich loods kan noemen.





~loodsenstation, loodsstation, loodskantoor :
plaats of gebouw waar loodsen zich verzamelen.





~loodsenverblijf:
zie loodskamer.





~loodsgeld, loodsloon, loodsonkosten:
betaling die men voor de beloodsing verschuldigd is.





~loodshut:
zie loodskamer.





~loodsim:
ondersim voorzien van loodjes.





~loodskamer, loodshut, loodsenverblijf:
op de wat grotere schepen aanwezige ruimte waarin de loods kon overnachten.
Diverse delen van de Rijn waarop loodsplicht heerste, waren dermate lang dat loods aan boord moest blijven overnachten. Sommige van de grote schepen hadden daarvoor een aparte kamer in de voorroef of zelfs in de achteropbouw. Ook waren er soms een kamer gemaakt in de diepherften. Kleinere schepen konden de loods vaak niet de luxe van een eigen hokje bieden en deze moest dan inschikken bij de bemanning of zelfs genoegen nemen met een plaatsje op de bank in de roef.






~loodskantoor:
zie loodskantoor.





~loodsknecht:
loods in opleiding.





~loodsloon:
zie loodsgeld.





~loodsman:
ander woord voor loods.





~loodsmanteken, loodsloodje:
metalen plaatje ten teken dat men bevoegd is als loods op te treden.





~loodsonkosten:
zie loodsgeld.





~loodspatent:
bewijs van bekwaamheid waar men over dient te beschikken, wanneer men als loods (op de Rijn) wilt opereren.
Het beroep van loods, zoals uitgeoefend door de loodsen van Bingen, Kaub en St. Goar is een degelijke opleiding. De gegadigde werd tot de opleiding toegelaten als hij voldoende ervaring had opgedaan als scheepsjongen en matroos aan boord van een op de Rijn, de zijrivieren en kanalen varend binnenschip. Hij moest minstens 23 jaar oud zijn en in het bezit van het schipperspatent. Daarnaast moet hij van onbesproken gedrag en lichamelijk en geestelijk fit zijn voor het beroep van loods.
Wordt aan al deze voorwaarden voldaan, dan laat het Wasser- und Schifffahrtsamt in Bingerbrück toe, nadat er eerst contact wordt opgenomen met het plaatselijke loodsenstation, waar de aankomende loods in opleiding wil gaan. De kandidaat moet dan met z'n leerloods of leermeester een bepaald aantal vaarten - leervaarten - op de route waar hij z'n patent wil halen uitvoeren. Deze vaarten moet de kandidaat in een speciaal dienstboek laten opschrijven. Normaal gezien had de leerling ongeveer een jaar nodig om het aantal vaarten te volbrengen. Daarna laat hij z'n dienstboek zien aan het Wasser- und Schifffahrtsamt in Bingerbrück samen met de aanvraag voor het loodsenexamen. De examencommissie, bestaande uit de voorzitter van het WSA en twee 'proefmeesters' (loodsen van de lokale loodsenstations) neemt dan het examen af. Na gunstig resultaat krijgt de kandidaat z'n loodsenpatent dat door de staat uitgedeeld wordt. Nu kan hij op de op het paent vermelde route schepen beloodsen, voor loodsen uit Bingen: van Bingen naar Kaub, voor Kauber loodsen: van Kaub naar Bingen en van Kaub naar St. Goar, voor loodsen uit St. Goar: van St. Goar naar Kaub.
De loods is/was als bezitter van het loodsenpatent de nautische raadgever van de schipper. Onder alle omstandigheden behield de schipper echter het bevel aan boord. Tekst: Robert Delhaye.






~loodsstation:
zie loodsenstation.





~loodstok:
onderdeel van een raamwerk dat een visnet openhoudt, dat met lood verzwaard is, zodat het raamwerk vertikaal blijft.





~loodsvaartuig:
vaartuig dat door een loods gebruikt wordt: een loodsboot.





~loodswezen:
overkoeplende organisatie van de diverse loodsdiensten.





~loodvet, loodmenievet:
mengsel van waterbestendig vet en loodoxide. Wordt gebruikt om bouten en moeren, die onder water zitten of geregeld nat worden, gangbaar te houden.





~loodwit, witte menie:
grondverf, menie, op basis van basisch loodcarbonaat. Thans niet meer verkrijgbaar.
Alhoewel loodwit geregeld als menie gebruikt werd, wordt er beweerd dat deze juist het roesten bevorderd.





~loofwerk:
zie bij lofwerk.





~loog:
vrij onbekende term voor hout dat door boegbranden kromgebogen is, of moet worden.





~loogschip:
zie loogtanker.





~loogtanker, loogschip:
tankschip ingericht voor het vervoer van basische vloeistoffen.





~loom:
zie lui.





~van Loon:
Folkert N. van Loon (1775-1840). Friese scheepsontwerper en schrijver van het beroemde "Handleiding tot den Burgerlijken Scheepsbouw". [E> Uitgebreide levensbeschrijving.]





~loop:
1> verkorting van waterloop.

2>
de loop van de rivier
de weg die de rivier in stroomafwaartse richting volgt.





~loopbaan, luikenloopbaan, rolbaan:
stevige brede rand langs de bovenkant van de den waarover schuifluiken heen en weer geschoven kunnen worden.





~loopbrug:
1> vrijhangende verbinding tussen een meerpaal, een bunkerschip, een aanlegponton, een steiger, enz. en de oever. [A>] [Gerelateerde termen >]

2> gangway: beweegbare opgang naar hefstuurhuizen,  of aanverwante constructies.





~loopbus:
zie glandloopbus.





~loopdraad:
naar het schijnt wordt hier onder een spring verstaan.
Bron. P. Versnel's Vakwoordenboek. De term lijkt buiten een paar woordenboeken niet voor te komen.






~loopgang:
verouderde term voor loopplank.





~loophek:
ongebruikelijke term voor een luikenbox en aanverwante constructies.
Bron. P. Versnel's Vakwoordenboek.






~loopkat:
aan rail(s) opgehangen verplaatsbare takel (een kat). Ook van toepassing op grote omvangrijke constructies zoals laadbruggen.





~looplijn:
midden over de luikenkap gespannen veiligheidslijn voor aan boord spelende kinderen.





~loopnet, vinkennet:
onder de kluiverboom of boegspriet gespannen 'net' waarlangs het uiteinde van de boom te bereiken is. Natuurlijk wordt het net ook kluiver(boom)net of kluifnet genoemd. [A>]
Het loopnet is tot de komst van de charterschepen(1) in de binnenvaart slechts weinig in gebruik geweest. Bekijken we de werken van G. Groenewegen en P. Le Comte dan heeft geen van de schepen, ook de zeegaande schepen niet, een loopnet. Toch zijn er wel oude foto's waarop binnenvaartschepen met een loopnet te zien zijn. Het zijn dan vooral de grotere schepen, zo tegen de twintig meter of groter, die een dergelijk net hebben. Een redelijk aantal van deze foto's zijn echter gemaakt toen het schip net van stapel gelopen was. Op schepen die overduidelijk de sporen van jarenlang gebruik dragen, ziet men zelden of nooit een loopnet. Of men daar bepaalde conclusies aan moet verbinden? Ik denk van wel. Het loopnet was waarschijnlijk een prijzig geval en moet heel wat onderhoud gevergd hebben. We spreken immers over de periode van natuurlijke touwvezels. Uit het feit dat een flink aantal schepen in plaats van het net voetpaarden gebruikten of helemaal geen net hadden, blijkt dat men het ook best zonder net kon stellen. Wat was logischer dan deze onderhoudsonvriendelijke kostenpost te verwijderen?
Vroeger waren de netten waren grofmazig. Het waren eigenlijk meer weeflijnen die tussen de boegstagen en twee hulplijnen gespannen waren dan een net. (Als men deze weeflijnen wegdenkt dan heeft men een kluiverboom met boegstagen en voetpaarden.) Tegenwoordig zijn ze in het algemeen nogal variabel van samenstelling. Bij de zeilende beroepsvaart dienen ze tegenwoordig echter aan bepaalde voorschriften te voldoen.






~loopplank, plank:
houten plank waarover men van en aan boord kan komen of een gelijkwaardige constructie van aluminium. [U>]
Zie ook richter.





~loopring, uithalerring: kluiverboomring.





~loopschroef:
schroef die ontworpen is om het schip snelheid te geven.
Bij het ontwerpen van een schroef spelen zeer veel factoren een rol. Twee daarvan zijn het gewicht dat verplaatst moet worden en de snelheid waarmee dat gebeurt. Als gevolg daarvan kan men kiezen voor een schroef die goed presteert bij een redelijke snelheid, de loopschroef, of een schroef die goed werkt bij zware belasting, een trekschroef. Een trekschroef bewijst goede diensten bij sleepboten e.d., een loopschroef bij passagiersschepen.






~loopstag: voetpaard.





~loos, bocht(6), slek, slack:
ruimte in een touw of een staaldraad, dat eigenlijk strak zou moeten staan. Zie ook slak.

LOOS GEVEN
: een touw, draad of ketting een beetje vieren.





~Loosdrechtse schouw:
circa 8 meter lange variant van de Loosdrechtse boot.
Bron: G.J. Schutten (blz 323).






~Loosdrechtse boot:
vrij klein roeischouwtje dat door boeren rond de Vinkeveense plassen gebruikt werd. Volgens G.J. Schutten (blz321) slechts 3,6 meter lang.





~Loosduinse tuindersschuit, vletschouw:
plat, vrij breed vaartuig met knikspantromp en tot de bovenzijde van het vaartuig op lopend vlak dat eindigt tegen een brede, horizontale, steven. Ongeveer gelijk aan de Westlandse Groenten- of tuindersschuit, maar de Loosduinse is meestal groter, namelijk tot ca. 13m. Beiden hebben drie nokken op de steven. De vaartuigen zijn bestemd om gewogen te worden. [A>Afbeelding en filmpje] [Gerelateerde scheepstypen/soorten >]
Zo op het eerste gezicht zou men kunnen denken met een dekschuit te doen te hebben, maar deze tuindersschuiten hebben ronde kimmen. Verder bestaat de voorzijde uit niet meer dan een zware horizontale balk, loopt het achterschip smaller toe dan het voorschip en zijn deze schuiten voorzien van een ruim met luikendek. In voor- en achterdek bevinden zich weegstoelen. Afhankelijk van de belading werd het schip aan de voorzijde of de achterzijde gewogen. Het helmhout werd met behulp van een stuurboog/nagelbank in de gewenste positie vastgezet.
De platte voorsteven werd benut om het vaartuig, wanneer het met de kop tegen de wal lag, makkelijk te kunnen laden en lossen. Om dezelfde reden werden soms ook drielingen gekopt. Dat de nokken op de voorsteven het wapen van Loosduinen zouden symboliseren is gezien het veelvuldig voorkomen van nagelkoppen als versiering, niet waarschijnlijk.






~loosgat:
a> willekeurige opening waardoor water af kan vloeien. Bijvoorbeeld een spuigat.
b> soort spuigat, maar dan voor de kuipvloer, vaak afgesloten met een loosklep.

c> afsluitbare opening in de bodem van een stalen bijboot. Voornamelijk toegepast op bijboten die gewoonlijk in de davit hangen of aan boord staan.





~loosklep:
1> zie kantelklep.

2> willekeurige klepconstructie waarmee voorkomen wordt, dat water door een loosgat of loospijp in het schip komt.





~loosleiding:
de afvoerleiding van een lenspomp.





~loospijp:
pijp waardoor het water op een vloer, dek of dak kan weglopen. [A> nr.1]
Zie ook: spuikoker.





~loosplug:
zie lensplug.





~loospoort:
in de zijkant van een beun gemaakte opening waardoor water kan wegvloeien. De opening is vaak afsluitbaar gemaakt.
Gerelateerde term: lozingskoker, vloeiklep, beunschip.





~lopen: varen.
VAART LOPEN
: snelheid  (t.o.v. de wal) hebben.
UIT HET ROER LOPEN
: situatie waarbij het roer geen of nog maar weinig effect heeft.





~loper:
1> taliereep, takelloper, runner:
touw of staaldraad, dat door een blok loopt, in het bijzonder touw of staaldraad waarmee een takel gevormd wordt. Slechts in een enkel geval bestaat de loper uit ketting; de zogenaamde kettingloper.
Vergelijk: talreep.

2> hanger(1).

3> het achterste licht van een geleidebaken.





~loperdraad, runnerdraad:
soepel staaldraad.





~Lordanne:
zie Loerdenne.





~lording, loerding, lorring:
geteerde hennepen lijn die bij het bekleden gebruikt werd.





~lorring:
zie lording.





~losbak:
zie sleepbak.





~losbereid:
zie losgereed.





~losdag:
1> elk der, in de vrachtbrief of bij Koninklijk besluit vastgelegd aantal dagen, waarbinnen het schip na (de eventueel afgesproken) aankomst op de losplaats gelost moet zijn.

2> dag waarop gelost wordt.





~losgeld, losloon, loskosten, lastgeld:
vergoeding, die men aan personen, die bij het lossen van het schip behulpzaam waren, betaalde.





~losgereed, losbereid, losklaar:
van een schip: in de hoedanigheid dat men onmiddelijk met het lossen kan beginnen.





~losgerei:
1> andere term voor hijstuig.

2> alles wat bij het (laden of ) lossen noodzakelijk kan zijn.





~losgiek:
eenvoudige, tegenwoordig vaak hydraulisch bediende, inrichting meestal bestaande uit een vrij korte mast, mogelijk ook koning geheten, en een vrij lange 'laadboom', waarlangs een flinke leiding geleid is.
De installatie wordt op tankers gebruikt om de lading, vloeistof of poeder, te lossen. [A>]
Op bunkervaartuigen spreekt men van een bunkergiek.
Gerelateerde term: laadgiek.





~losgoed, mangoed, handgoed:
zeer klein stukgoed. Te groot (of te kwetsbaar) om los te storten, te klein om per stuk te hijsen. Vroeger waren dat bijv. turven, rietbundels, bakstenen, e.d. [A>] Tegenwoordig wordt losgoed vervoerd per container of verpakt tot stukgoed.
Verwante termen: stortgoed, bulkgoed.





~losgooien:
de touwen of draden waarmee het schip vastligt losgooien en vertrekken.





~loshaven:
1> haven waar men moet lossen.

2> laadhaven: haven waar schepen geladen en gelost worden.





~losinstallatie:
1> ongebruikelijke naam voor hijstuig of zelflosser.

2> werktuigelijke inrichting waarmee een schip gelost kan worden.





~loskade:
1> kade, waar men moet lossen.

2> laadkade: kade waar schepen geladen en gelost worden.





~losklaar:
zie losgereed.





~loskomen:
na aan de grond gezeten te hebben, weer kunnen varen.





~loskosten:
1> zie losgeld.

2> lossingskosten: alle kosten die verband houden met het lossen van een vaartuig.





~loslaten:
van het zog: herstellen van een door het schip veroorzaakte verplaatsing.
Men spreekt van schepen, die het water makkelijk of moeilijk loslaten. Bij de eersten vloeit het water als het schip vaart zonder al te veel kolkingen weer samen; dat zijn meestal geveegde schepen. In het tweede geval ontstaat er een sterke turbulentie in het water. Dit veroorzaakt soms schuim, dat als het ware tegen het achterschip blijft plakken. Het zijn meestal volgebouwde schepen die een dergelijk verschijnsel vertonen.

Gerelateerde term: doodwater.





~loslier: zie bij laadlier.





~losloon:
zie losgeld.





~losmotor:
zie overslagmotor.





~losplaats, losplek:
1> de plaats of de plek waar gelost moet worden.

2> stuk oever, ingericht voor het laden en lossen van schepen.





~losplek: losplaats.





~lospomp:
pomp waarmee men lading kan lossen. Vaak tevens laadpomp, dus beter gezegd een ladingpomp.





~losschot:
zie Zandschot.





~losse boot:
een sleep- of duwboot, die geen andere vaartuigen voortbeweegt. Ook een vrijvarende boot genoemd.





~lossen:
1> uitladen, uitlossen: de lading uit, of van, het schip halen.
Gerelateerde term: mannen.

2> iets, meestal een touw ( val, schoot of meertouw) losmaken, laten vieren.





~losser:
iemand, die schepen lost.





~lossing:
het lossen.
IN LOSSING LIGGEN
: aan het lossen zijn.





~lossingskosten:
nog niet bekend. Mogelijk synoniem van loskosten.





~lossteiger:
1> steiger waar men moet lossen.
2> laadsteiger: steiger waar schepen geladen of gelost worden.





~lostalie: laadtalie.





~lostijd:
de tijd die men nodig heeft om de lading uit het schip te krijgen.





~lostornen, tornen, vrijtornen, :
een schip, dat aan de grond zit, los trachten te krijgen, door voor- of achterschip, afwisselend, de ene of de andere kant op te doen bewegen.





~losvarend:
een losvarende sleep- of duwboot: Een sleep- of duwboot, die niet sleept of duwt.
Gerelateerde term: vrijvarend.





~loswal:
1> vrij korte kade aan een oever, die verder niet als ligplaats bedoeld is. [A>]
Gerelateerde termen: laaddam, damgeld, laadkade, kadegeld, haven.

2> lage kade, voor een hoger gelegen kade, bijv. een winterkade.





~loswerk:
het lossen.





~lotuitdeler:
iemand die bij de sluizen de briefjes uitdeelt waarop het volgnummer van in- en uitvaren vermeld staat. (Verouderd).
Gerelateerde term: sluiswachter.





~Louw:
niet voldoende bekend. Vrachtschip van rond 1800 van het formaat van de toenmalige tjalken of wat groter.





~L.O.V., Landelijk Oudercontact Varenden:
Organisatie van ouders wier kinderen het schippersinternaat bezoeken.





~lozen:
vloeistoffen in het water doen geraken.





~lozing: het lozen.





~lozingskanaal:
zie spuikanaal.





~lozingsklep, loosklep:
klep of schot in de lozingskoker of loospoort van beunschepen en dergelijke.





~lozingskoker:
in de zijkant van een beun van zandschepen gemaakte voorziening waardoor het water kan wegvloeien en men de hoogte tot waar geladen wordt kan bepalen.
De koker is een achter de beunwand aangebrachte vertikale schacht die onder op het vlak uitmondt. Boven in de wand zijn een aantal makkelijk afsluitbare openingen aangebracht, zodat men de hoogte van de lading nat zand op eenvoudige wijze kan bepalen. Het voordeel van dit systeem boven het systeem met normale loospoorten is dat er geen zand door de gangboorden hoeft te spoelen. Zand dat in het gangboord blijft 'hangen' kan er toe bijdragen dat het schip scheef beladen wordt.






~lucht :
1> startlucht.

2>
LUCHT SLAAN
: wordt gezegd wanneer een schroef gedeeltelijk boven water draait of wanneer de schroef behalve water ook lucht aanzuigt. Zie ook blind slaan.

3>
LUCHT POMPEN
: de luchttank of -flessen(1) met een compressor(c) weer onder druk brengen.

4> zie luchtig.





~luchtaanzetklep:
zie aanzetklep.





~luchtaggregaat:
zie compressorset.





~luchtcompressor:
zie compressor.





~luchtfles:
1> startfles: lange slanke luchttank. [A>]
Aangezien de luchtfles bijna altijd in hoofdzaak bedoeld is om de motor te starten, kan startfles als synoniem gezien worden.


2> handelsfles met gecomprimeerde lucht.





~luchtfluit: scheepshoorn.





~luchtgat: zie muizeling.





~luchthapper, luchtkoker, happer, ventilator:
vertikale pijp met een ovale, of ronde, horizontaal gerichte opening. [A> Aanverwante afbeeldingen]





~luchthelm:
deels met lucht gevulde ruimte op of direct na de uitlaat van een waterpomp.
De luchthelm wordt voornamelijk toegepast op enkelwerkende pompen en heeft tot doel een constante waterstroom te verkrijgen. [A>]






~luchthelmpomp:
zuiger- of plunjerpomp, die van een luchthelm gebruik maakt. [A> voorwerp "G"] Dit soort pompen waren op oude motoren veelvuldig 'standaard' en werden als koelwater- en lenspomp gebruikt.





~luchthoorn: scheepshoorn.





~luchtig:
1> vlot(2), niet geheel afgeladen.

2> uitwatering.
"20 cm luchtig" tot 20 cm onder de ijken geladen zijnd. Voornamelijk in gebruik onder schippers rond de Hollandsche IJssel.





~luchtkamer:
zie bij luchtkist.





~luchtkast:
zie, ook voor samenstellingen, bij luchtkist.





~luchtkist, luchtkast, luchtkamer:
luchtdicht afgesloten ruimte, die tot doel heeft een vaartuig, dat vol water staat, drijvende te houden. [A>]





~luchtkistdoft, luchtkastdoft:
zit- of roeibank (doft), die op of tegen de luchtkist geplaatst is.





~luchtklok:
in de stuurhut geplaatste manometer waarop de druk van de startlucht af te lezen valt.





~luchtklep:
1> klep waarmee men kan ontluchten.

2> klep waarmee men gecomprimeerde lucht tot een instument of machine toelaat.





~luchtkoeler: nakoeler.





~luchtkoker: luchthapper.




~luchtkussenvoertuig:
amfibievoertuig, dat een klein eindje boven het water of het land zweeft. In de binnenvaart zeer zelden voorkomend.





~luchtschacht: zie lichtschacht.





~luchtschelp:
lage, aan één zijde, soms ook twee zijdes, open, afdekking van een gat in een scheepswand, waardoor frisse lucht in de aangrenzende ruimte kan stromen. [A>]





~luchtsmering:
systeem waarbij over de (volle) breedte van van de romp, onder het voorschip, een 'gordijn' van luchtbellen opgewekt wordt, met het doel de wrijving van de romp te verminderen. Het systeem wordt ondermeer toegepast op enkele ijsbrekers en op futura carriers.





~luchtstart:
de mogelijkheid om een motor met behulp van samengeperste lucht, startlucht, te kunnen starten. [A> film] Gerelateerde termen: aanzethandel, aanzetklep.





~luchtstartmotor:
zuigermotor, die door middel van startlucht in beweging gezet wordt en die op zijn beurt de te starten motor in beweging zet.





~luchttank, luchtfles:
stalen vat waarin samengeperste lucht, de startlucht, opgeslagen wordt.





~lui:
1> aangaande schepen: traag in al hun bewegingen.

2> inzake hout, ook loom: niet voldoende gebogen. Soms ook: wat gebogen moet zijn.

3>: zie luij.

4>: (houten) rand van een boogje boven de deur, de kuif.





~luien:
bepaalde manier van het lossen van zakgoed.
Tot op heden geen duidelijke beschrijving van deze term kunnen vinden. Men spreekt over het op- en neerhalen van touwen (als bij het luiden van klokken?), misschien moet men dus denken aan wippen.






~luier:
erg onbekende term voor luiwagen/overloop.
Dron: G.J. Schutten.






~luij, luy, lui:
1> deel van het roer bij houten Vlaamse schepen ongeveer ter hoogte van het helmhout.
Bron: Maurice Kaak.


2> roerbus: rechthoekige metalen bus voorzien van veren aan de bovenzijde van het roer van een Baquet. In de bus wordt het inspet gestoken.





~luik:
1> vlakke afdekking van een opening, ook klapluik genoemd. De meeste luiken van dit soort zijn zogenaamde stolpluiken.

2> kapluik, scheepsluik, luikenkapluik:
onderdeel van de luikenkap.
[E> Filmpje; open- en dichtleggen luikenkap]
EEN BLIND LUIK:
 een luik, dat geen vaste plaats in de luikenkap heeft en als reserve en voor het stuwen van een deklast gebruikt kan worden. De genummerde luiken behoren dus wel tot de kap en noemt men kapluiken.
EEN SCHIP MET PLATTE LUIKEN:
 met een Friese luikenkap.
luiken zetten:
de den met behulp van speciale steunen en de kapluiken ophogen, teneinde een deklast beter te kunnen bergen.

3>
DE LUIKEN
: de luikenkap.





~luikbeugel:
metalen beugel/strip waarmee een dekluik afgesloten kan worden.
Een zelfde soort beugel aan een kapluik noemt men ondermeer een zegelklep.





~luikbout, luikenbout:
1> stalen pen met grote platte kop, waarmee de luikklampen aan de planken van het luik geklonken wordt. [T>]

2> zegelbout.





~luikdeksel:
ongebruikelijke, maar correcte, term voor het onderdeel waarmee een luikopening afgesloten wordt. Meestal wordt dit echter kortweg een luik genoemd.





~luikegoot(je), luikegoot(je) :
als merkel fungerende constructie aan het begin of eind van (een bepaald deel van) de luikenkap.
De luikegoten zitten meestal aan het voor- en achterschild van de den, de luikehoofden, aan de tussendekken en aan herften. De luikegoten van de herft zelf noemt men herftgoot.






~luiken:
kardelen tot touw slaan.





~luikenbak:
duwbak voorzien van schuifluiken of andere ruimafdekking.





~luikenbout:
zie luikbout.





~luikenbox, speelkooi, apekooi, apenkooi, buitenbox:
grote metalen kooivormige, makkelijk afbreekbare, constructie, die op de luikenkap of het roefdek geplaatst wordt, waarin de kinderen van de schipper kunnen spelen. De luikenbox is in de jaren 70 in zwang geraakt.





~luikendek:
(vrij) platte luikenkap, die niet op een den maar direct op de gangboorden of het bovenboord rust en tevens geschikt is om als laaddek gebruikt te worden.
In mijn speurtocht naar het ontstaan van het woord zolderschuit kwam ik het bestaan van dit soort 'luikenkappen' tegen. Het vereist nog enige verdere studie voordat ik een verbinding tussen het woord zolder en het woord luikendek durf te leggen.






~luikenhaak:
luikhaak.





~luikenhoofd, luikhoofd:
1> de bovenrand van de den, dus de laadopening of het laadhoofd.
Eigenlijk heet de opening waardoor het ruim toegankelijk is: luikopening of luikgat, of zo men wilt luikenopening of luikengat. Luikopening en luikgat worden echter alleen gebruikt voor kleine, met één of twee luiken te sluiten, openingen, terwijl de termen luikenopening en luikengat in het geheel niet gebruikt worden. De termen laadopening en laadhoofd worden in de binnenvaart weinig gebruikt. In de zeevaart zijn ze veel algemener. Al met al lijkt het er op als of men er in de binnenvaart weinig behoefte aan een term voor de opening heeft. Men spreekt meestal van 'onder de luiken', 'tussen de den' of van 'in het ruim'.


2> denschild: de dwarsscheepse voor- of achterkant van de den. Zie ook voor- en achterschild.

3> volgens sommigen: de gehele den.





~luikenkap, kap, de luiken:
metalen of houten afdekking van het ruim. [A>keuzelijst]

FRIESE LUIKENKAP, FRIESE KAP
: houten of aluminium luikenkap, die in het midden geknikt is. (meer....)
BELGISCHE LUIKENKAP, BELGISCHE KAP
luikenkap met dwarsscheeps gebogen luiken. (meer....)

Gerelateerde termen: beurt(luiken)kap, schuif(luiken)kap, tausend bretter, luikendek, luikenschaar, kistluik, kledenkap, voorkap, achterkap, kapdeksel, kapluik, scheerbalk, hulpscheerbalk, luikengootje, merkel en diverse woorden beginnend met luik of luiken.
[E> Meer over luiken. (pdf 3,65mb)]





~luikenkapluik:
een kapluik of een blind luik.





~luikenkram:
gegolfd metalenplaatje met één scherpe kant. De plaatjes werden o.a. gebruikt om beginnende scheuren in de luiken(2) in te tomen. Ze werden echter ook buiten de binnenvaart veelvuldig gebruikt om gescheurde planken te reparen.





~luikenloopbaan: loopbaan.





~luikenschaar:
hulpmiddel waarmee men metalen luiken, die de gehele breedte van de den overspannen, en dito merkels, makkelijker kon hanteren.
Wanneer men een luik, dat de volle breedte overspant, wil tillen, dan staat men onhandig dicht bij de den en er mee lopen wordt, zeker als er uitwendige denstutten zijn, helemaal een lastige zaak. Door op elk uiteinde van het luik twee luikenscharen te steken krijgt men twee stevige handgrepen en voldoende afstand tot de den. Hierbij gebruikt men opening B.
Voor het tillen van merkels gebruikt men opening A. Hier gebruikt aan elk einde van de merkel één schaar, in het verlengde van de merkel, om deze te tillen en een tweede, haaks op de merkel, waarmee men de zaak in balans houdt.






~luikenschip:
vrachtschip met een ruim dat wordt gedekt met behulp van een luikenkap.





~luikenstoeltje, luikestoeltje, stoeltje, boomstoeltje, barlijn(stoel):
eenvoudige houten constructie, waarin, indien paarsgewijs opgesteld, de kleine rondhouten, bezems en ladders geborgen werden. [A>+tekst]





~luikentouw, merkeltouw:
lijntje, met aan één uiteinde een ingesplitste lus, waarmee men de merkels en de opgestapelde luiken samen- en/of vastbindt.
De term wordt bijna uitsluitend in verkleinvorm gebruikt.
Merkeltouwtje lijkt iets minder passend als luikentouwtje, maar sommige schippers volstonden met het samenbinden van de bovenste drie vier luiken met de daarop gestapelde merkels.






~luikenwagen:
constructie waarmee de luiken van een luikenkap opgetilt en verplaatst kunnen worden.





~luikgat: luikopening.





~luikhaak, luikenhaak:
lange stalen pen waarvan het ene uiteinde omgebogen is en het andere uiteinde van een aangebogen handvat voorzien is. Luikhaken worden gebruikt bij het openleggen van een Friese luikenkap.





~luikhoofd:
1> rand rond een luikopening.
De uitvoering van luikhoofden hangt sterk af van hun hoogte en het materiaal. Bij houten constructies gebruikt men vaak een waterlijst/hollijst en dan spreekt men ondermeer van een karing.


2> zie luikenhoofd.

3> dwarsscheepse opstaande (houten) rand langs een luikopening. Het langse deel wordt dan schaarstok genoemd.
Bron: F. Bley. Onze zeil-vischsloepen, 1902.





~luikhout:
hout waarvan men een luik maakt.





~luikklamp:
dikke houten plank tegen de onderzijde van een luik. Soms ook een stalen strip. [A>nr.2]. In het Vlaams wel laanstok genoemd.
[E> Meer over luiken. (pdf 3,65mb)]





~luiklip:
zie zegelklep.





~luikmerk:
op de luiken van een luikenkap aangebracht merk, waaruit de plaats van het luik in de kap, afgeleid kan worden. [A>]
In de meeste kapluiken waren genummerd. Werden de merken gehakt dan werden hiervoor vaak romeinse cijfers gebruikt. Wanneer ze geschilderd werden gebruikte men vaak arabische (gewone) cijfers. Bak- en stuurboord werden in dezelfde richting genummerd. Om onderscheid te kunnen maken tussen een bakboords en een stuurboordsluik werd één zijde voorzien van een extra merk; een punt, een streep, o.i.d. [E> Meer over luiken en merken. (pdf 3,65mb)]





~luikopening, luikgat:
een dekopening die met één of twee luiken afgesloten wordt.
Sommigen gebruiken de term ook voor de ruimte tussen de den. Zie daarvoor luikenhoofd.






~luikplank:
plank van een luik.
Vreemd genoeg bren ik deze term tot nu toe alleen in het Vlaams tegen gekomen.






~luikschip:
vrachtschip, dat een luikenkap heeft.





~luikschuit:
houten schuit waarin de lading deugdelijk met luiken afgedekt kan worden.
In Amsterdam ging het om (een soort) korenlichters waarmee de lading van de grote schepen in de haven overgenomen werd. De vaartuigen werden uitsluitend met handkracht voortbewogen.






~Luikschuitenvoerder:
schipper op een luikschuit.





~Luikse aak:
kleine, vermoedelijk geheel open, aak met weinig diepgang uit de periode rond 1700.
De Luikse aak wordt in documenten betreffende 's Gravenmoer genoemd. Over het vaartuig is weinig tot niets bekend.






~Luikse sleep:
wijze van slepen waarbij de twee schepen, die gesleept worden, langszij van elkaar vastgemaakt zijn en er met één enkele draad op één van de schepen door een sleepbooot of motorschip getrokken wordt.





~Luikse vaart:
de spitsenvaart tussen Luik en het Ruhrgebied.





~luikspang:
metalen versluiting van een houten luik.
Zie ook spang.





~luilijn:
plaatselijke term voor het touw waarmee het vooroor van de dwarskuil aan boord getrokken wordt. Zie ook luitouw.





~luilink:
plaatselijke term voor luitouw.





~luitouw, luilijn:
plaatselijke term voor het touw waarmee het vooroor van de dwarskuil aan boord getrokken wordt.
De term schijnt in Harderwijk in gebruik geweest te zijn. In Elburg noemde men het een luilink.






~luisteren:
GOED / SLECHT NAAR HET ROER LUISTEREN
: makkelijk of moeilijk bestuurbaar zijn.





~luiwagen:
1> vrij zachte boender aan een stok.
In de binnenvaart geniet de zogenaamde ankerluiwagen een zekere faam. De luiwagenborstel, waarin met donkere borstelharen de afbeelding van een anker verwerkt is, is verkrijgbaar met en zonder extra lange haren, een baard, aan de uiteinden.


2> leiwagen, overloop, schootleider, luier:
dwarsscheepse balk of stang waar het luiwagenblok langs kan schuiven. [A>]
De term LEIWAGEN wordt reeds bij van IJk genoemd. Alhoewel de term nog in de vanDale van 1956 vermeld wordt, scheen de term in de twintigste eeuw alleen nog in het West Vlaams in gebruik te zijn. In Nederland spreekt men over het algemeen van een overloop.


3> verwarrende benaming voor hennebalk of stuurboog.





~luiwagenblok:
1> het fokkeschootvoetblok, wanneer er van een luiwagen(2) gebruik wordt gemaakt. [A>]
2> volgens sommigen ook: het grootschootvoetblok, wanneer er van een overloop gebruik wordt gemaakt.





~luiwagengrendel, klik, klink:
op sommige zeilschepen toegepaste constructie bij de luiwagen van fokkeschoot, waarmee het fokkeschootblok in de uiterste standen vastgezet kan worden.
Deze grendel vergemakkelijkt het bak houden van de fok
.





~luiwagenstopper:
verdikking of ring aan het uiteinde van de luiwagen, die voorkomt dat de ring waaraan het blok zit, te ver doorschiet.





~lul, lulle:
zeventiende eeuwse benaming voor kluiver. Volgens een enkele bron ook een gewone (stag)fok.
In deze betekenis was het woord niet echt gangbaar maar pas in de loop van de 18de eeuw is men dit woord vanwege de obscene betekenis gaan mijden.






~lulle, zie lul.





~lummel, leuter:
1> aan het voorste uiteinde van de giek bevestigde, scharnierende, constructie, bestaande uit een arend en een lummelpen. [A>]
2> lummelpen.

3> volgens G.J. Schutten ook een kluiverboomring.





~lummelbeslag:
al het ijzerwerk dat voor het aanbrengen en het gebruik van een lummel(1) noodzakelijk is.





~lummelpen, lummel:
onderdeel van de lummel. Een ronde pen, die in de lummelpot gestoken en daarna tegen uitwippen geborgd kan worden.





~lummelpot, leuterpot:
aan een mastband, de mastkoker of in de knecht aangebrachte bus, waarin de lummel gestoken wordt.





~lummelring:
niet geheel juiste benaming voor het zwaansoog, waarin de zwaanshals gehaakt wordt.





~lummelstoel:
metalen constructie waarin de lummelpot of de lummel zelf opgenomen is. Bij laadmasten met twee bomen is de lummelstoel zijwaarts klapbaar uitgevoerd.
Wanneer de lummelstoel in de breedte uitgebouwd is en de mogelijkheid tot het beleggen van vallen biedt, noemt men het een knecht.






~lunete, lunette: linnet.





~lurken:
met een (hand)lenspomp het laatste beetje water op trachten te pompen.
Mogelijk is de term alleen in beperkte kring in gebruik geweest.





~lus:
een ruime gesloten bocht in touw, staaldraad, riemen of ketting.





~lusknoop:
lekenterm voor een steek die men toepast om een vast oog te vormen. De bekendste lusknoop is wel de paalsteek.





~lussen:
in touw, staaldraad of riemen een lus vormen.





~luy:
zie luij.





~Luxe-motor, motor:
type motorschip met een vrij scherpe, vertikale steven, een fraaie zeeg, waarvan het laagste punt dichtbij de achterkant van het ruim ligt en een geveegd achterschip. De kop van een luxe-motor is beduidend hoger dan het achterschip. [A>]
Verder een (luxueus ingerichte) salonroef, een stuurhut, die meestal op een verhoging, een uitbouw van de machinekamer, staat. Langs het achterschip, vaak ook op de roef en langs het gangboord relingwerk. Achter het ruim liggen het dek en de gangboorden gelijk met de bovenrand van het vaartuig. De vroegste exemplaren waren vaak uitgerust met een  hulptuig. Later werd dit vaak een hijstuig. Veel van deze schepen waren in de zandvaart actief en waren daarom voorzien van een  zelflosser. Het was zelfs zo dat 'zelflosser' synoniem werd voor een Luxe-motor met zelflosser.
Er wordt soms onderscheid gemaakt tussen de Hollandse Luxe-motor, meestal Hollandse motor genoemd, en de Groningermotor. De eerste heeft het algemeen gebruikelijke, sterk naar binnenvallend hek. Bij de Groninger staat het boeisel veel steiler. Ook zijn de Groningers wat voller gebouwd. Verder onderscheid men ondermeer de Lepeltakker.

De term Luxe-motor is vermoedelijk pas in de jaren vijftig ontstaan. Het oudste bewijs tot nu toe draagt het jaartal 1959.
Over wat nu wel en niet een Luxe-motor is, lopen de verschillen (flink) uiteen.
Er zijn veel schepen, die als Luxe-motor betiteld worden, maar geen volwaardige luxe-motor zijn.
Wel hebben ze aardig wat zeeg of een flinke holte, maar volwaardige luxe-motors zijn het toch niet. Deze schepen worden in bepaalde kringen motorscheepjes genoemd. De Luxe-motor stond en staat blijkbaar nog steeds echter in hoger aanzien dan het motorscheepje, vandaar dat de eigenaren dit soort schepen het eerder een luxe-motor, dan een motorscheepje zullen noemen. Waar men precies de grens moet trekken tussen de luxe-motor en het motorscheepje valt niet te zeggen. Voor mij zelf hanteer ik over het algemeen (maar niet altijd) de norm dat als de machinekamer geheel onder de stuurhut blijft het een luxe-motor is. Is er tegen de voorkant van de stuuhut een uitbouw geplaatst om aan de machinekamer voldoende ruimte te bieden, dan noem ik het een motorscheepje.

Het scheepstype is een logische ontwikkeling, die voortkwam uit de reeds bestaande schroefschepen (de beurtmotors) en vrachtschepen. Het geveegde achterschip en het scherpe voorschip heeft het type van de sleepboten en stoomschepen geërfd. De scheepsverhoudingen zijn meer die van de vrachtschepen. Het is moeilijk te zeggen wanneer het scheepstype echt ontstaan is. In 1901 wordt er bij Pannevis al een motorschip van meer dan 100 ton met alle kenmerken van de luxe-motor/het motorscheepje gebouwd. Het zal echter tot in de twintiger jaren duren voordat ze algemeen goed gaan worden. Vooral in de begin periode was een motorvrachtschip in verhouding tot een zeilschip met hetzelfde laadvermogen namelijk vrij prijzig. Het waren dus voornamelijk alleen de rijkere schippers, die zich een dergelijk schip konden veroorloven.
De vrij voorlijke plaatsing van de motor bood op het achterschip voldoende mogelijkheid tot het plaatsen van een zeer royale roef, vooral ook omdat men de hoeveelheid 'dek' rondom de roef zeer beperkte. Deze roeven werden overeenkomstig de welstand van de eigenaar betimmerd en ingericht. Vergeleken met de vaak krappe kleine roefjes van de zeilende vrachtvaarders waren de roeven op deze motorschepen ware toonbeelden van welvaart en luxe. Men neemt aan dat ze daarom de naam 'luxe-motor' kregen. Helemaal sluitend is deze redenatie niet. Er waren al tientallen sleepschepen die wel grotere en vaak ook mooiere roeven hadden.

Gerelateerde termen: beurtmotor, Boomse motor, Motorscheepje.





~LVBHB: Landelijke Vereniging tot Behoud van het Historisch Bedrijfsvaartuig.



Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Amersfoort.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

De verantwoording en rechten inzake door derden ingezonden materiaal berusten bij de inzenders!

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken