Woordenlijst Lep
~
lepel:
het gedeelte van het
zwaard,
dat bij
geheel neergelaten zwaard in het water steekt. Vrij onbekende term,
mogelijk alleen plaatselijk gebruikt en waarschijnlijk alleen voor
vissersschepen.
~
lepelboor:
lange steel met dwarsgreep voorzien van een gutsvormig gedeelte waarmee
gaten in hout geboord kunnen worden. Door sommigen ook
avegaar genoemd. [
A> tekening,
foto]
(Dit soort boren werden niet alleen in de
scheepsbouw
gebruikt.)
~
lepelhaak:
zie
zakhaak.
~
lepelhek:
een sterk naar buitenvallend hek.
~
lepeltakker:
bepaald type
Luxe-motor ontworpen door, en vaak ook gebouwd in opdracht van N.V. Scheepbouwkundig bureau van J.C. Lepeltak. Afmetingen circa 31,5 x 5,05 x 2,10 meter, 203 ton groot. De schepen hadden minder zeeg dan gebruikelijk. De roef was tamelijk laag en de kop tamelijk vol. Boven de kimgang liep een extra slijtstrip tot aan de kop aan toe. De stuurhutdeuren zaten geheel vooraan.
Daar de heer Lepeltak vertegenwoordiger van de Hollandia fabrieken was, werden ze bij de bouw voorzien van een Hollandia diesel. De motoruitlaat stond aan stuurboord. Alle schepen zijn in de jaren 1929-1930 gebouwd. Men zegt dat er 7 schepen van dit type gebouwd zijn, waarvan 4 bij Scheepswerf Peters te Dedemsvaart.
De heer Lepeltak was zeer actief in het ontwerpen van schepen en ontwierp mogelijk ook Spitsen en Luxe-motors met andere dan de hier genoemde maten. In 1930 raakte hij verwikkeld in een fraude rond de hypotheek registratie.
~
leugenboek:
bijnaam van zowel het
vaartijden- als het
olieboek.
~
leunder:
1> synoniem voor
Lahnaak.
2> door sommigen gebruikte andere benaming van het scheepstype
Keen.
~
leurboot:
scheepje
dat gebruikt wordt om zaken aan
schippers
te verkopen. Vaak gebruikt als synoniem voor
olieboot.
Gerelateerde termen:
waterboot,
parlevinker,
ijsbootje.
~
leuter:
lummel.
~
leuterpen:
lummelpen.
~
leuterpot:
lummelpot.
~
leuvel:
zie
leuver.
~
leuver,
leuvel:
1> algemene
benaming voor de bevestiging van een
lijk
aan een
voorwerp.
2> schoothoorn,
mot,
hals:
door
touw
gevormd
oog langs het
lijk, en op de
hoekpunten, van een
zeil. [
A>]
AANGESPLITSTE LEUVER
: een oog van touw dat om het
lijkentouw
en door het zeil vastgezet is.
INGESPLITSTE LEUVER
:
een oog van touw dat gemaakt is door beide einden, van een kort
eind
touw, in het lijkentouw te
splitsen.
3a>
datgene dat de leuvers(2) van het
voorlijk
van een
stagzeil met
de
stag
verbindt.
b> zusterhaken.
c> knipleuver.
~
leuvergat:
gaatje in het
zeil, meestal voorzien
van een
zeilkous of
trens,
waardoor de
leuver bevestigd is. [
A>]
~
leven
:
GAAN LEVEN
: het, door
zeegang, in
beweging komen, van iets dat ontwrikbaar dient te blijven. Dit geldt ook voor de romp van
een schip, die in zware zeegang buigt of draait.
~
levendig:
(te veel) in beweging
zijnd. Ondermeer gebruikt voor de
lading,
de
mast en het gehele
schip.
LEVENDIG WORDEN
: ongewild,
bijvoorbeeld door zware
zeegang, in beweging komen.
EEN LEVENDIG SCHIP
:
1>
een schip dat zich in
golfslag
heftig beweegt.
2>
een schip, waarvan de
romp,
bij zware zeegang buigt of draait. Het tegengestelde is een
stijf
of
star schip.
~
leverworst,
SSL:
combinatie van een
slepend duwschip
en
een
duwsleepschip. In het
bijzonder
die combinaties van de Schweizerische Reederei AG, die tussen 1962 en
1984 met dergelijke
samenstellen
voeren.
SSL staat voor: Schlepp-Schub-Leichter.
~
licht:
1> navigatielicht.
2> fanaal:
een
lichtbaken
of alleen het schijnsel daarvan.
RONDOMSCHIJNEND LICHT
:
een licht (navigatielicht of lichtbaken) dat vanuit alle richtingen
te zien is.
GELEIDE LICHT
(geleidelicht):
op één lijn, met een ander licht, geplaatst lichtbaken. Zie verder bij
geleidebaken.
ISOFASE LICHT
,
ONDERBROKEN LICHT
:
een licht van een
baken met
een bepaald
lichtkarakter.
VAST LICHT
:
1> een licht van een baken, dat continu brandt.
2> het licht van een geleidelicht dat het dichtst bij het vaarwater staat. Zie verder bij
geleidebaken. Het andere licht noemt men wel de
loper
op de lichten varen
: vrij nauwkeurig van het ene naar het andere licht varen.
Zowel in smal of onbekend vaarwater, als bij gering zicht voer men op de lichten. Met de hedendaagse navigatiemiddelen is dat meestal niet meer zo erg vaak nodig.
~
lichtaccu:
1> accu,
die
voor het voeden van het
boordnet
en niet
voor het starten van motoren gebruikt wordt.
2>
type accu,
die niet geschikt is om zeer grote stromen, zoals die voor het
starten van
scheepsdiesels
nodig
zijn, te leveren.
~
lichtbak,
boordbak,
lantaarnbak:
houten of stalen driewandige bak [
A>],
of overeenkomstige, soms ingebouwde constructie [
A>],
waar de
boordlantaarns in geplaatst worden.
De term 'lantaarnbak' werd gebruikt in de tijd dat men nog geen electrische verlichting had en dus echte lantaarns gebruikte. Na
de komst van het electrische licht is de term lantaarnbak, alhoewel deze, naar mijn mening, eigenlijk juister is, in onbruik geraakt. De term lantaarnbak is daardoor min of meer gereserveerd een houten lichtbak, die aan de zijstagen, bevestigd is.
Gerelateerde termen:
lantaarnscepter,
draaiijzer.
~
lichtbaken,
lichtbaak,
vuur,
licht,
fanaal:
baken dat van een licht voorzien is. [
A>]
Alle lichtbakens zijn voorziern van een periodelicht; een licht met een bepaald lichtkarakter.
Gerelateerde termen:
wallicht,
lichtboei,
lichtopstand,
lampwisselaar,
ankersteen.
~
lichtboei:
drijvend
lichtbaken.
~
lichtboeilantaarn:
het lichtgevende gedeelte plus bijbehorende constructie van een
lichtboei.
De lantaarns van boeien en bakens vertonen veel overeenkomst met de lantaarns welke aan boord van schepen gebruikt worden. Tegenwoordig (2010) zijn veel lichtbakens voorzien zonnepanelen en lampwisselaars zodat het onderhoud tot een minimum beperkt wordt. Er zijn zelfs al LED-lantaarns.
~
lichtbrulboei:
combinatie van een
lichtboei
en een
brulboei.
~
lichten:
1> algemene betekenis: omhoog brengen.
HET ANKER LICHTEN
:
het
anker inhieuwen, vertrekken.
EEN SCHIP LICHTEN
: een gezonken
vaartuig bergen. [
T> bergen.]
EEN VISNET OF EEN FUIK LICHTEN
: de
vis uit
een
visnet of
fuik
halen. Voornamelijk gebruikt voor het lichten van andermans netten of
fuiken.
2> een deel van de
lading van een
schip in een ander
schip brengen om de
diepgang van de eerste te verminderen.
Gerelateerde term:
oplossen.
~
lichtenlijn:
denkbeeldige
lijn,
die een aantal, bij elkaar horende,
lichtbakens
met elkaar verbindt.
~
lichtenlijst:
bijlage van de zeemansgids waarin de positie en kenmerken van alle scheepvaartlichten, welke in het door de gids behandelde gebied voorkomen, opgenomen zijn.
~
lichter:
1> (klein)
vrachtschip,
dat een gedeelte van de
lading van een groter
schip
vervoert, omdat dit schip, in
afgeladen toestand, anders niet de
los- of
laadplaats kan bereiken. Zie
lichterschip.
2> liggerschip:
vrachtschip, van redelijke afmetingen, meestal zonder bewoonbare
ruimtes en zonder eigen
voortstuwing,
over het algemeen gebruikt voor
vletwerk(2)
of voor opslag.
3> Tesselse
kaag.
4> rijnlichter: vooral in de Rijnvaart (de haven van Rotterdam) genruikte term voor
sleepschip.
5> elk vaartuig van enig formaat dat niet zelfstandig kan varen. Term die voornamelijk door
havenarbeiders en door schippers die veelvuldig met hen in contact kwamen gebruikt werd/wordt.
~
lichterschip:
schip dat gebruikt wordt om een deel
van de
lading van een ander schip
over te nemen en vervolgens naar de ontvanger te transporteren.
Gerelateerde termen:
lichter,
lichten.
~
lichterschipper,
lighterschipper:
schipper op een
lichter.
De oude schrijfwijze, lighterschipper, heeft vooral betrekking op de de schippers op de rede van Texel.
.
~
lichtjoon:
joon voorzien
van een
lantaarn.
~
lichtkarakter
:
de wijze waarop het licht van een
lichtbaken aan en uit gaat.
Het karakter heeft een bepaalde duur en wordt continu herhaald. Men onderscheidt:
- vast licht: altijd aan.
- isofaselicht: even lang aan als uit.
- onderbroken licht: driemaal zolang aan, als uit.
- flikkerlicht: licht dat in tempo van 50-60 knipperingen per minuut aan en direct weer uit gaat.
- snelflikkerlicht: licht dat in tempo van 100-120 knipperingen per minuut aan en direct weer uit gaat.
- groep (snel)flikkerlicht: (snel)flikkerlicht dat na 3 of 9 flikkeringen enige tijd uit blijft.
- schitterlicht: minder dan 1sec. aan, vervolgens ruim 4 of 9sec. uit.
- lang schitterlicht: ca. 2sec. aan, vervolgens 3, 6 of 8sec. uit.
- groep schitterlicht: combinatie van 2, 3, 4 of 5 schitteringen, gevolgd door een periode waarin het licht uitblijft.
- gecombineerde lichten.
Zie ook
grafische voorstelling.
Lichtkarakters kunnen worden gebruikt om bijelkaar behorende bakens te kunnen herkennen, of anders gezegd om belangrijke bakens van een groep van bij elkaar behorende bakens te kunnen onderscheiden. Bovendien verhogen ze in sommige gevallen de herkenbaarheid van het baken.
~
lichtkogel:
noodsignaal in de
vorm van een sterk lichtende bolletje, dat met behulp van een op een
pistool lijkend apparaat, of een vuurpijl, afgeschoten wordt.
~
lichtkogelpistool:
afvuurmechanisme voor
lichtkogels
en
parachutefakkels.
~
lichtmachine:
snel draaiende
stoommachine
voor de opwekking van electriciteit.
~
lichtmast,
lantaarnmast:
mast
waaraan de
navigatielantaarns
en eventuele
dagtekens gevoerd worden.
Verder wordt de lichtmast ook gebruikt voor het voeren van vaarvlaggen, dekverlichting en tegenwoordig ook radarantennes en videocamera's.
De term LANTAARNMAST zou correcter zijn, maar is, voor zover bekend, niet erg ingeburgerd.
~
lichtmatroos:
officiele kwalificatie voor een soort knecht aan boord. Tenminste 15
jaar oud en een opleiding aan de schippersvakschool of een
gelijkwaardige schriftelijke cursus volgend. In de
binnenvaart een
vrij nieuwe (1980?) term. Gerelateerde termen:
deksman,
matroos,
volmatroos,
matroos-motordrijver,
stuurman,
machinist,
schipper.
~
lichtmotor:
hulpmotor
gebruikt voor de opwekking van electriciteit. Verouderde term.
~
lichtopstand:
op een paal of een open constructie geplaatst
lichtbaken.
[
A>]
Zie ook:
wallicht.
~
lichtprisma:
prismatisch glas in een rechthoekig
dekglas.
~
lichtrand,
schijnlicht:
in een metalen rand
gevat glas. [
A>]
Zie ook:
dekglas,
patrijspoort.
~
lichtschacht,
luchtschacht:
ruime kokervormige verbinding tussen
machinekamer
en
hemellicht.
~
lichtsector:
gebied
waarin
een
navigatielicht
schijnt. [
A>]
(NB. geldt ook voor
wallichten!)
~
lichtsein:
met een
licht,
vuur,
handstakellicht
of lamp
gegeven sein.
~
lichtval,
kraanlijn,
lampenlijn:
lijn waarmee men een
licht
in de
mast van een
zeilschip
hijst.
~
lier:
mechanisch werktuig waarmee
men
grote krachten op
touwen,
staaldraden
of kettingen kan uitoefenen.
Men kent onder
anderen:
handlieren
en
motorlieren,
draadlieren,
ankerlieren,
hijslieren,
zwenklieren,
koppellieren,
sleeplieren,
tuiglieren
en
zwaardlieren.
~
lieras:
een as in een lier. Men kent ondermeer de
enkelwerksas,
de
dubbelwerksas en de
hoofdas.
~
lieren:
een
schip
of een willekeurig iets met behulp van een
lier
verplaatsen
.
~
lierdraad:
soepele
staaldraad,
dat voor
draadlieren
gebruikt wordt. Zie ook
runner
en
verhaaldraad.
~
lierhuis:
op een
stuurhut
gelijkende
opbouw op
een
bok,
van waaruit men de
lieren
kan bedienen.
~
lierkop, draadkop,
winchkop:
stalen cilindervormig lichaam met holle wanden, dat op het uiteinde van
lierassen aangebracht kan zijn. [
A>] (Soort
verhaalkop, maar dan minder, of
in het
geheel niet conisch.)
~
liermotor:
motor waarmee een
lier in beweging gezet kan worden.
De term heeft niet alleen betrekking op motoren die direct naast, voor of achter de lier geplaatst zijn, maar ook op motoren die met de lier samengebouwd zijn en op motoren die op zekere afstand, bijv. benedendeks staan. In het laatste geval wordt de motor vaak nog voor andere doeleinden, bijvoorbeeld voor het pompen, aangewend.
~
lierschild:
schot waarin de
assen
van het
lier gelagerd
zijn. [
A>]
~
liertrommel:
draadtrommel
in een
draadlier.
~
lierwerk:
1> alle
lieren aan boord.
2> een combinatie van
twee of meer, aldanniet gelijke, lieren.
~
liftoverhaal,
schepenlift,
schuitenlift:
een
overhaal waarbij
de
vaartuigen uit het
water gehesen worden om in een
vaarwater
met een ander
waterpeil
weer neergelaten te worden. [
A>]
Vergelijk:
hemelwerk.
~
ligbok:
zie
mastbok.
~
ligdag:
1> oficiëel: een
laad-
of
losdag.
2> vaak gebruikt voor:
overligdag.
3> in het gesprek soms: een dag waarop
niet
gevaren
wordt, ongeacht of dat nu is om dat het één van de eerder
genoemde dagen is, of omdat men die dag niet kan varen (zondagssluiting
bijv.) of omdat men niet wil varen.
~
liggeld:
1> havengeld.
2> overliggeld.
~
ligger:
1> legger of
dekbalk.
2> eenvoudig geconstrueerd, klein
scheepje,
vanwaaruit men werkzaamheden, aan de buitenzijde van de
romp,
verricht. Meestal gebruikt door
werven en meestal bij reparatie van zeegaaande schepen.
3> schip of
schipper, die weinig, of bij slecht
weer in het geheel niet
vaart.
4> lichter in gebruik als
opslagschip.
5> notitieboeken van de scheepsmeetdienst waarin (op volgorde van het
meetbriefnummer) de belangrijkste gegevens van de gemeten vaartuigen opgenomen zijn.
[
E> Nadere uitleg op LVBHB.nl]
[
E> Verwijzingen naar enkele gedigitaliseerde (Exel) liggers op LVBHB.nl]
~
liggerschip:
ongebruikelijke naam voor een
lichter.
~
ligging:
1> de wijze waarop het
schip, in ledige toestand of
gelijkmatig beladen, in het water
ligt;
met
koplast, met
achterlast
of
gelijklastig. Zie ook
trim.
~
Lighter:
1> oude
schrijfwijze voor
lichter.
2> Tesselse
kaag.
~
ligne:
maataanduiding voor
lampeglazen
van petroleumlampen.
~
ligplaats:
1> aanleg,
aanlegplaats:
plaats die
ingericht is om
schepen
te doen
afmeren.
VASTE LIGPLAATS
: ligplaats, die voor één bepaald schip gereserveerd is.
GERESERVEERDE LIGPLAATS
:
ligplaats die voor één bepaald schip of een bepaalde catagorie van schepen, vrij gehouden (soms ook: pas bij nadering van een betrokken vaartuig, vrij gemaakt) moet worden.
LIGPLAATS KIEZEN
:
ergens
aanleggen.
2>
plaats waar een, niet
geankerd,
schip
ligt.
VASTE LIGPLAATS
: plaats waar een schip langdurig ligt.
~
ligplaatsonderwijs:
vorm van onderwijs zoals dat op
schippersschooltjes en
walscholen met schippersklas gegeven werd.
Schipperskinderen, die genoemde scholen bezochten gingen steeds maar voor een korte periode naar school. Voor de tussenliggende periodes kreeg men een huiswerkmap mee. De vorderingen werden bijgehouden in het vorderingenboekje.
Deze onderwijsvorm was niet ideaal. Men bleef, ondanks de langere schooltijden, toch met z'n resultaten vaak achter bij kinderen, die normaal naar school gingen. Daar stond tegenover dat de kinderen wel gewoon in hun eigen gezin opgroeiden en dat ze het vak van schipper van jongsaf aan met de paplepel ingegoten kregen. Als alternatief waren er de gewone school, waarbij men dan bij een pleeggezin ondergebracht werd en het schippersinternaat.
~
ligplaatsverbod,
aanlegverbod:
verkorting van: verbod tot het innemen van ligplaatsen. Het verbod om
met een schip ergens
aan te leggen.
Alhoewel beide termen als synoniem van elkaar gezien worden,
is er eigenlijk een klein verschil. Een aanlegverbod houdt eigenlijk in
dat men het schip niet ergens aan vast mag maken. Men zou eigenlijk dus
wel mogen ankeren of op sputpalen mogen liggen. Een ligplaatsverbod
houdt feitelijk in dat men in het geheel niet op de plaats waar het
verbod geldt stil mag houden.
Gerelateerde termen:
ankerverbod.
~
Ligter:
Oud Nederlands voor
lichter.
~
lij:
1> de richting waar
de
wind naartoe blaast.
2> lijzijde,
lijboord:
de kant waar de
giek naar
toe uitstaat.
Vergelijk:
Loef.
3>
luwte in:
IN LIJ LIGGEN
.
[
U>]
~
lijboord:
1> zie
lij(2).
2> lijwaring: het ganboord aan lij.
~
lijfhout:
1>
eigenlijk
verzamelnaam voor de
kantdelen
en
vissingstukken.
2> kantdeel:
plank langs de randen van het
dek,
gangboord,
deken,
opbouwen
of
dekluiken.
~
lijfhoutsgang:
1> gang,
op ondermeer de
botter,
die tegen het
lijfhout
van de
deken
aanligt.
2> gang, die tegen de zijkant van het
dek
valt.
~
lijgierig,
laf,
flauw:
een
zeilend schip
is lijgierig, wanneer het de neiging heeft om tijdens het
zeilen
de
kop van de wind af te
draaien.
~
lijk:
de rand van een
zeil.
UIT DE LIJKEN GESLAGEN ZIJN
:
letterlijk:
alle zeilen verspeeld hebben, omdat ze bij de lijken afgescheurd
zijn. Vaak gebruikt voor: door stormwind in ontredderde toestand
geraken. [
U>]
~
lijkaar:
de
kaar (5) aan
lijzijde.
~
lijken:
aanlijken.
~
lijkendreg:
constructie waarmee men met vier
dreggen tegelijk kan dreggen.
Elk der vier dreggen (8mm materiaaldikte) is via een 25cm lang stuk ketting verbonden met een stalen pijp van ca. 1m. Aan de pijp is tevens een spruit van 3 kettingen, die tezamen komen op één grote stalen ring, bevestigd. Op de ring wordt de dreglijn gestoken. Dit type 'dreg' werd, even als de raamdreg, door de rijkspolitie te water gebruikt.
~
lijkentouw:
1>
lang
geslagen
(hennep)
touw.
2> lijktouw.
~
lijkgaren:
soort
zeilgaren,
dat men voor het
aanlijken
gebruikt.
~
lijknaald:
soort
zeilnaald,
die men voor het
aanlijken
gebruikt.
~
lijktouw,
lijkentouw:
touw,
dat langs een
lijk vast
gezet is.
~
lijkvaart:
bevaarbaar
water, dat naar een kerk of kerkhof voert.
~
lijkvaren:
het transporteren van een
stoffelijk
overschot.
~
lijn
:
1a> dun
touw,
eigenlijk touw met een diameter tussen 5 en 25 mm.
RIDDER MET DE LANGE LIJN
: scheeps
jager(1).
1b>
verkorte vorm van
jaaglijn,
werplijn,
loglijn,
e.d. [
U>]
2> het
verloop van een vorm. Bijvoorbeeld in: 'de
lijnen
van het
schip'.
~
lijnbaan,
touwbaan:
1>
gedeelte van een
touwslagerij
waar
men de vezels tot
touw
slaat.
2>
de gehele touwslagerij.
~
lijnbaansplits:
een lange
splits.
~
lijnboot:
lekenterm voor een
schip
dat een
lijndienst
onderhoudt. Het zijn namelijk schepen en geen boten, die een dergelijke
dienst onderhouden. [
uitleg: boot-schip]
~
lijndienst,
veerdienst:
beurtvaart met goederen en/of passagiers,
waarbij een flink aantal
aanloophavens
aangedaan worden. Eigenlijk dus streekvervoer over het water en de
opvolger van de
trekschuit en
de
beurtschepen.
Zie ook:
passaqgierslijndienst.
~
lijndraaier:
degeen, die het rad op
de
lijnbaanronddraait.