banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst Lep



~lepel:
het gedeelte van het zwaard, dat bij geheel neergelaten zwaard in het water steekt. Vrij onbekende term, mogelijk alleen plaatselijk gebruikt en waarschijnlijk alleen voor vissersschepen.





~lepelbagger:
zie baggerlepel.





~lepelboor:
lange steel met dwarsgreep voorzien van een gutsvormig gedeelte waarmee voorgeboorde gaten in hout op maat gemaakt kunnen worden. Door sommigen ook avegaar genoemd. [A> tekening, foto] (Dit soort boren werden niet alleen in de scheepsbouw gebruikt.)





~lepelhaak:
zie zakhaak.





~lepelhek:
een sterk naar buitenvallend hek.





~lepeltakker:
bepaald type Luxe-motor ontworpen door, en vaak ook gebouwd in opdracht van N.V. Scheepbouwkundig bureau van J.C. Lepeltak. Afmetingen circa 31,5 x 5,05 x 2,10 meter, 203 ton groot. De schepen hadden minder zeeg dan gebruikelijk. De roef was tamelijk laag en de kop tamelijk vol. Boven de kimgang liep een extra slijtstrip tot aan de kop aan toe. De stuurhutdeuren zaten geheel vooraan. Daar de heer Lepeltak vertegenwoordiger van de Hollandia fabrieken was, werden ze bij de bouw voorzien van een Hollandia diesel. De motoruitlaat stond aan stuurboord. Alle schepen zijn in de jaren 1929-1930 gebouwd. Men zegt dat er 7 schepen van dit type gebouwd zijn, waarvan 4 bij Scheepswerf Peters te Dedemsvaart. Lepeltak heeft ook twee schepen voor Franse rekening bij De Bode te Krimpen a/d IJsel laten bouwen. Vermoedelijk waren dit spitsen. Bij Mulder en Suurmeijer, Foxhol, werden minstens 3 schepen van 33,9 meter gebouwd.
De heer Lepeltak was zeer actief in het ontwerpen van schepen en ontwierp mogelijk ook Spitsen en Luxe-motors met andere dan de hier genoemde maten. In 1930 raakte hij verwikkeld in een fraude rond de hypotheek registratie.






~lessenaar:
Vlaams synoniem voor klapluik/delsel.





~leugenboek:
bijnaam van zowel het vaartijden- als het olieboek.





~leunder:
1> synoniem voor Lahnaak.

2> door sommigen gebruikte andere benaming van het scheepstype Keen.





~leurboot, leurschip:
scheepje dat gebruikt wordt om zaken aan schippers te verkopen. Vaak gebruikt als synoniem voor olieboot.
Vreemd genoeg geeft de Google zoekmachine (in oktober 2011) meer treffers voor leurschip, dan voor leurboot en dat terwijl de term leurschip on de binnenvaart toch maar zelden gebruikt werd.
Van oorsprong is een leurboot min of meer gelijk aan de parlevinker. Wanneer de parlevinkers op steeds meer plaatsen verdwijnen gaat de term meer en meer over op het oliebootje.

Gerelateerde termen: waterboot, parlevinker, ijsbootje.





~leurlichter:
andere benaming voor een olieleurboot, kortweg olieboot. Mogelijk plaatselijke benaming.
Bron: Overlevering van Hegge, Schiedam.






~leurschip: zie leurboot.





~leuter: lummel.





~leuteren:
van de zeilen bij zeer zwakke wind: onbestemd heen en weer bewegend.





~leuterpen: lummelpen.





~leuterpot: lummelpot.





~leuvel:
zie leuver.




~leuver, leuvel:
1> algemene benaming voor de bevestiging van een lijk aan een voorwerp. In het bijzonder de bevestiging van het voorlijk van een zeil aan een stag.

2> schoothoorn, mot, hals: door touw gevormd oog langs het lijk, en op de hoekpunten, van een zeil. [A>] Vaak voorzien van een stalen (ronde) kous ter bescherming en daarom ook kousleuver genoemd.

AANGESPLITSTE LEUVER
: een oog van touw dat om het lijkentouw en door het zeil vastgezet is.
INGESPLITSTE LEUVER
: een oog van touw dat gemaakt is door beide einden, van een kort eind touw, in het lijkentouw te splitsen.

3> datgene dat de leuvers(2) van het voorlijk van een stagzeil met de stag verbindt. De stagleuver.
Eigenlijk zijn de leuvers de ogen die aan het zeil zitten. Gewoonlijk noemt men echter het onderdeel dat langs de stag schuift eveneens leuver. Gangbare oudere benamingen behalve stagring en eventueel zuiger heb ik niet kunnen vinden. Een mooie term, maar slechts een enkele maal aangetroffen is ook: loopleuver.

Gerelateerde termen: zusterhaken, knipleuver, oogleuver, schroefleuver, stag(zeil)ring, zuiger.





~leuvergat:
gaatje in het zeil, meestal voorzien van een zeilkous of trens, waardoor de leuver bevestigd is. [A>]
Gerelateerde term: motgat.





~leven :
GAAN LEVEN
: het, door zeegang, in beweging komen, van iets dat ontwrikbaar dient te blijven. Dit geldt ook voor de romp van een schip, die in zware zeegang buigt of draait.





~levendig:
(te veel) in beweging zijnd. onder meer gebruikt voor de lading, de mast en het gehele schip.
LEVENDIG WORDEN
: ongewild, bijvoorbeeld door zware zeegang, in beweging komen.
EEN LEVENDIG SCHIP
:
1> een schip dat zich in golfslag heftig beweegt.
2> een schip, waarvan de romp, bij zware zeegang buigt of draait. Het  tegengestelde is een stijf of star schip.





~leverworst, SSL:
bijnaam van een combinatie van drie vaartuigen. Het draait daarbij om een duwbak die gesleept wordt. Deze beschikt echter niet over roeren en daarom koppelt men er een sleepschip met duwsteven achter.
Voor zover bekend voer alleen de Schweizerische Reederei AG, tussen 1962 en 1984 met dergelijke samenstellen.
De werkelijke benaming was: Schlepp-Schub-Leichter, afgekort tot SLS.
Bron: Jos Hubens. Vogens een andere bron zou het echter de combinatie van een slepend duwschip en een duwsleepschip zijn.






~Liberated Ships Agreement, LSA:
in 1946 door de geallieerde strijdkrachten overeengekomen regeling waarbij schepen waarvan de eigenaar niet vaststaat teruggaan naar het land waar zij op 14 mei 1940 stonden geregistreerd.





~licht:
1> navigatielicht.

2a> fanaal: een baken dat gekenmerkd wordt door een duidelijk zichtbaar schijnsel: een lichtbaken. Vroeger ook binnenvuur genoemd.
b> het schijnsel wat het voornoemde baken verspreidt.

RONDOMSCHIJNEND LICHT
:
een licht (navigatielicht of lichtbaken) dat vanuit alle richtingen te zien is.
GELEIDE LICHT
(geleidelicht):
op één lijn, met een ander licht, geplaatst lichtbaken. Zie verder bij geleidebaken.
ISOFASE LICHT
,
ONDERBROKEN LICHT
:
een licht van een baken met een bepaald lichtkarakter.
VAST LICHT
:
1> een licht van een baken, dat continu brandt.
2> het licht van een geleidelicht dat het dichtst bij het vaarwater staat. Zie verder bij geleidebaken. Het andere licht noemt men wel de loper
op de lichten varen
: vrij nauwkeurig van het ene naar het andere licht varen.
Zowel in smal of onbekend vaarwater, als bij gering zicht voer men op de lichten. Met de hedendaagse navigatiemiddelen is dat meestal niet meer zo erg vaak nodig.


3>
licht gebouwd
:
met een geringere materiaaldikte en of een grotere spantafstand dan gebruikelijk.






~lichtaccu:
1> accu, die voor het voeden van het boordnet en niet voor het starten van motoren gebruikt wordt.

2> type accu, die niet geschikt is om zeer grote stromen, zoals die voor het starten van scheepsdiesels nodig zijn, te leveren.





~lichtbak, lantaarnbak:
houten of stalen driewandige bak [A>], of overeenkomstige, soms ingebouwde constructie [A>], waar de boordlantaarns in geplaatst worden. Soms navigatiebak of boordbak genoemd.
De term 'lantaarnbak' werd gebruikt in de tijd dat men nog geen electrische verlichting had en dus petroleumlantaarns gebruikte. Na de komst van het electrische licht is de term lantaarnbak, alhoewel deze, naar mijn mening, eigenlijk juister is, in onbruik geraakt. De term lantaarnbak is daardoor min of meer gereserveerd een houten lichtbak, die aan de zijstagen, bevestigd is.
AL rond 1900 werden er lichtbakken op binnenvaartschepen gebruikt. Of ze toen al werkelijk verplicht waren, is mij niet bekend.
Gerelateerde termen: lantaarnscepter, draaiijzer.





~lichtbaken, lichtbaak, vuur, licht, fanaal:
baken dat van een licht voorzien is. [A>]
Alle lichtbakens zijn voorziern van een periodelicht; een licht met een bepaald lichtkarakter.

Gerelateerde termen: wallicht, lichtboei, lichtopstand, lampwisselaar, ankersteen, vurenzicht, dioptrisch glas.





~lichtboei:
drijvend lichtbaken.





~lichtboeilantaarn:
het lichtgevende gedeelte plus bijbehorende constructie van een lichtboei.
De lantaarns van boeien en bakens vertonen veel overeenkomst met de lantaarns die aan boord van schepen gebruikt worden. Tegenwoordig (2010) zijn veel lichtbakens voorzien zonnepanelen en lampwisselaars zodat het onderhoud tot een minimum beperkt wordt. Er zijn zelfs al LED-lantaarns.






~lichtbrulboei:
combinatie van een lichtboei en een brulboei.





~lichten:
1> algemene betekenis: omhoog brengen.
HET ANKER LICHTEN
: het anker inhieuwen, vertrekken.
EEN SCHIP LICHTEN
: een gezonken vaartuig bergen. [T> bergen.]
EEN VISNET OF EEN FUIK LICHTEN
: de vis uit een visnet of fuik halen. Voornamelijk gebruikt voor het lichten van andermans netten of fuiken.

2> een deel van de lading van een schip in een ander schip brengen om de diepgang van de eerste te verminderen.
Een moderne variant van het woord in deze betekenis is lichteren.

Gerelateerde term: lastbreken, oplossen, overvletten, toelast.





~lichtenlijn:
denkbeeldige lijn, die een aantal, bij elkaar horende, lichtbakens met elkaar verbindt.





~lichtenlijst:
bijlage van de zeemansgids waarin de positie en kenmerken van alle scheepvaartlichten, die in het door de gids behandelde gebied voorkomen, opgenomen zijn.





~lichter:
1a> lichterschip, lichtervaartuig, lichterschuit: (klein) vrachtschip, dat een gedeelte van de lading van een groter schip vervoert, omdat dit schip, in afgeladen toestand, anders niet de los- of laadplaats kan bereiken. Soms ook gebruikt voor tijdelijke opslag.
De term lichtervaartuig wordt meestal gebruikt als men lichters van allerlei slag bedoelt. Lichterschip zal meestal gebruikt worden voor de grotere lichters, lichterschuit voor de kleinere, soms open lichters.

b> soms gebruikt als synoniem voor een grote, zwaar gebouwde kaag.
Sommige Kagen, zoals bijv. de Tesselse kaag werden als lichter gebruikt.

Gerelateerde termen: graanlichter, korenlichter, kapiteinslichter, vlotschuit, Tesselse lichter, Wieringer lichter.

2> liggerschip: vrachtschip, van redelijke afmetingen, geregeld zonder bewoonbare ruimtes en zonder eigen voortstuwing, over het algemeen gebruikt voor vletwerk(2) of voor opslag.

3a> Rijnlichter: vooral in de Rijnvaart (de haven van Rotterdam) gebruikte term voor sleepschip.
b> elk vrachtvaartuig van enig formaat dat niet zelfstandig kan varen.
ZAND EN KANAALLICHTER
vermoedelijk een beunschip zonder eigen voortstuwing. Term uit de liggers van de meetdiensten.
c> elk binnenvaartvrachtschip.
Term die voornamelijk door (Rotterdamse) havenarbeiders en door schippers die veelvuldig met hen in contact kwamen gebruikt werd/wordt. Men ging daarbij soms zover dat ook elk sleepschip en ook elke dekschuit een lichter genoemd werd.


4> de visser die bij de zalmsteek de fuiken moet lichten.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.







~lichterbrief:
soort vervoerscontract dat in verband met het overbrengen van de lading per lichter opgesteld wordt.





~lichterdienst:
soort rederij die lichterschepen exploiteerd.





~N.V. lichterdienst de Blauwe Pijp, N.V. lichterdienst de Witte Pijp, N.V. lichterdienst de Roode Pijp, N.V. lichterdienst de Oranje Pijp, :
elk van deze vennootschappen vormde een rederij die een aantal lichterschepen exploiteerden. Ze waren gevestigd te Amsterdam. De Oranje Pijp werd in 1912 opgericht; de Blauwe in 1898, de Witte in 1905 en de Roode in 1907. Het leek voornamelijk om vletwerk tussen Amsterdam en Rotterdam te gaan.





~lichteren:
rond 2002 onstaan taalgedrocht met dezelfde betekenis als lichten in de zin van gedeeltelijk lossen.
De term werd tot in de 19de eeuw gebruikt voor het kisten van een lijk!






~lichtergeld:
1> zie lichterkosten.

2> zie lichterhuur.

3> zie lichterloon.





~lichterhuur, lichtergeld, lichterloon:
1> de prijs die men voor scheepsruimte, die alleen voor opslag gebruikt wordt, betaald.

2> zie lichterkosten.





~lichterkosten, lichtergeld, lichterloon:
1> de prijs die men voor het, door lichters, over laten brengen van een deel der lading moet betalen.

2> zie lichterhuur.





~lichterlading, lichtervracht, :
de lading die met lichters vervoerd wordt, vervoerd is, vervoerd zal gaan worden of opgeslagen is.





~lichterliedengilde, lichtermangilde, :
gilde waarin de lichterlui vereenigd dienden te zijn.





~lichterloon:
1> geld dat de lichterlieden en lichterschipper betaald moet worden.

2> zie lichterkosten.

3> zie lichterhuur.





~lichterlui, lichterlieden:
de 'knechten' die met de lichter ingehuurd worden om voor het vervoer en het laden en lossen beschikbaar te zijn.





~lichterman:
elk der lichterlieden.





~lichterschip:
schip dat gebruikt wordt om een deel van de lading van een ander schip over te nemen en vervolgens naar de ontvanger te transporteren. Zie lichter.





~lichterschipper, lighterschipper:
schipper op een lichter.
De oude schrijfwijze, lighterschipper, heeft vooral betrekking op de schippers op de rede van Texel.
.





~lichterschuit:
zie bij lichter.





~lichtervaartuig:
zie bij lichter.





~lichtervracht:
zie bij lichterlading.





~lichtgaand:
weinig diepgang hebbend. Verouderde term.





~lichtgeld:
(plaatselijke) belasting die men betaalt voor het doen lichten en in standhouden van lichtbakens. Zie ook bakengeld, vuurgeld.
Gevonden in: Handboek voor de binnen-schippers door J.G.C. Meijer Hoogeveen 1855.






~lichting:
1> dat deel van de lading dat per lichter vervoer wordt, gaat worden of vervoerd is.

2> 17de eeuwse term voor een rondtorn rond een spil of kaapstander.





~lichtjoon:
joon voorzien van een lantaarn.





~lichtkap:
1> onder meer op bewoonde vrachtschepen: licht doorlatend gedeelte in de luikenkap.

2> minder gebruikte term voor een koekoek, schijnlicht, of soortgelijke inrichting.





~lichtkarakter :
de wijze waarop het licht van een lichtbaken aan en uit gaat.
Het karakter heeft een bepaalde duur en wordt continu herhaald. Men onderscheidt:
- vast licht: altijd aan.
- isofaselicht: even lang aan als uit.
- onderbroken licht: driemaal zolang aan, als uit.
- flikkerlicht: licht dat in tempo van 50-60 knipperingen per minuut aan en direct weer uit gaat.
- snelflikkerlicht: licht dat in tempo van 100-120 knipperingen per minuut aan en direct weer uit gaat.
- groep (snel)flikkerlicht: (snel)flikkerlicht dat na 3 of 9 flikkeringen enige tijd uit blijft.
- schitterlicht: minder dan 1sec. aan, vervolgens ruim 4 of 9sec. uit.
- lang schitterlicht: ca. 2sec. aan, vervolgens 3, 6 of 8sec. uit.
- groep schitterlicht: combinatie van 2, 3, 4 of 5 schitteringen, gevolgd door een periode waarin het licht uitblijft.
- gecombineerde lichten.
Zie ook grafische voorstelling.
Lichtkarakters kunnen worden gebruikt om bijelkaar behorende bakens te kunnen herkennen, of anders gezegd om belangrijke bakens van een groep van bij elkaar behorende bakens te kunnen onderscheiden. Bovendien verhogen ze in sommige gevallen de herkenbaarheid van het baken.






~lichtklap:
een constructie waardoor daglicht in het vooronder) kan komen. Mogelijk een ander woord voor koekoek. De term komt uit de riviervisserij en heeft mogelijk alleen betrekking op deze constructie op de (Waal)schokker. Ook huisje en lichtluik genoemd.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.

Gerelateerde term: stalen hort.





~lichtkogel:
noodsignaal in de vorm van een sterk lichtende bolletje, dat met behulp van een op een pistool lijkend apparaat, of een vuurpijl, afgeschoten wordt.





~lichtkogelpistool:
afvuurmechanisme voor lichtkogels en parachutefakkels.





~lichtluik:
een constructie waardoor daglicht in het vooronder) kan komen. Mogelijk een ander woord voor koekoek. De term komt uit de riviervisserij en heeft mogelijk alleen betrekking op deze constructie op de (Waal)schokker. Ook huisje en lichtklap genoemd.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.

Gerelateerde term: stalen hort.





~lichtmachine:
snel draaiende stoommachine voor de opwekking van electriciteit.





~lichtmast, lantaarnmast:
mast waaraan de navigatielantaarns en eventuele dagtekens gevoerd worden.
Verder wordt de lichtmast ook gebruikt voor het voeren van vaarvlaggen, dekverlichting en tegenwoordig ook radarantennes en videocamera's.
De term LANTAARNMAST zou correcter zijn, maar is, voor zover bekend, niet erg ingeburgerd.






~lichtmatroos:
officiele kwalificatie voor een soort knecht aan boord. Tenminste 15 jaar oud en een opleiding  aan de schippersvakschool of een gelijkwaardige schriftelijke cursus volgend. In de binnenvaart een vrij nieuwe (1980?) term.  Gerelateerde termen: deksman, matroos, volmatroos, matroos-motordrijver, stuurman, machinist, schipper.





~lichtmotor:
hulpmotor gebruikt voor de opwekking van electriciteit. Verouderde term.





~lichtopstand:
op een paal of een open constructie geplaatst lichtbaken. Zie ook: wallicht.





~lichtprisma:
prismatisch glas in een rechthoekig dekglas.





~lichtrand, schijnlicht:
in een metalen rand gevat glas. [A>] Zie ook: dekglas, patrijspoort.





~lichtschacht, luchtschacht:
ruime kokervormige verbinding tussen machinekamer en hemellicht.





~lichtsector:
gebied waarin een navigatielicht schijnt. [A>] (NB. geldt ook voor wallichten!)





~lichtsein, lichtsignaal :
met een licht, vuur, handstakellicht of lamp gegeven sein.





~lichtsignaal:
zie lichtsein.





~lichtval, kraanlijn, lampenlijn:
lijn waarmee men een licht in de mast van een zeilschip hijst.





~lier:
mechanisch werktuig waarmee men grote krachten op touwen, staaldraden of kettingen kan uitoefenen.
Men kent onder meer: handlieren, motorlieren, draadlieren, ankerlieren, bergingslieren, bootlieren, davitlier, hijslieren, koppellieren, pompankerlieren, ratellieren, schootlieren, sjorlieren, sleeplieren, sluislieren, strangenlieren, stuurlieren, trailerlieren, tuiglieren, zandlieren, zwenklieren, en zwaardlieren.
Verder kent men bovendien nog: de achterankerlier, de achterlier, de achterzijlier, de binnenhoeklier, de buitengijlier, de davitlier, de kokerlier, de mastlier, de miklier, de vallier, de zijlier, enz.
Aan onderdelen onder meer; ankerlierkap, draadtrommel, jaagwiel, kamrad, lieras, liermotor, lierschild, pallichter, palrad, rondsel, slinger, spaakmoer, vang/remband, verhaalkop, enz. Zie ook bij de desbetreffende lieren, zoals het ankerlier.





~lieras:
een as in een lier. Men kent onder meer de enkelwerksas, de dubbelwerksas en de





~lierdraad:
1> soepel staaldraad, dat voor draadlieren gebruikt wordt.
Gerelateerde termen: runner, verhaaldraad.
Lierdraden werden aan de lastzijde vaak voorzien van een ingesplitste (later geperste) kous. Aan de lierzijde werd met slechts drie van de strengen en een soort lange splits, de kettingsplits, een oog gevormd. Dit oog werd met een stevige bout + ring op de draadtrommel van de lier vastgezet.


2> draad aan bijv. een vistuig dat met een lier ingedraaid wordt.





~liereman/vrouw:
zie lierman.





~lieren:
een schip of een willekeurig iets met behulp van een lier verplaatsen.
Gerelateerde termen: drillen, uitwinden, verhalen, voortlieren, binnenlieren.





~lierenfabriek:
bedrijf dat gespecialiseerd is in de fabricage van onder meer anker-, tuig-, schoot-, zwaard-, zwenk- en hijslieren. Meestal tevens de fabrikant roer- en stuurwerken als ook overbrengingen.





~liergast:
zie lierman.





~lierhandel:
ganghandel of koppelingshandel waarmee de lier in- of uitgeschakeld wordt.





~lierhuis:
op een stuurhut gelijkende opbouw op een bok, van waaruit men de lieren kan bedienen.





~lierketting:
een ketting die gebruikt wordt om een lier aan te drijven of een ketting waarmee het lier een andere inrichting, bijvoorbeeld een braadspil, aandrijft.





~lierkop, draadkop, winchkop:
stalen cilindervormig lichaam met holle wanden, dat op het uiteinde van lierassen aangebracht kan zijn. [A>] (Soort verhaalkop, maar dan minder, of in het geheel niet conisch.)





~lierman, liereman, liergast :
persoon, die voor de bediening van het laad- en loslier verantwoordelijk is, indien van het vrouwelijk geslacht: ook wel liervrouw genoemd.





~liermotor:
motor waarmee een lier in beweging gezet kan worden.
De term heeft niet alleen betrekking op motoren die direct naast, voor of achter de lier geplaatst zijn, maar ook op motoren die met de lier samengebouwd zijn en op motoren die op zekere afstand, bijv. benedendeks staan. In het laatste geval wordt de motor vaak nog voor andere doeleinden, bijvoorbeeld voor het pompen, aangewend.






~lierpal:
een pal/klink in een lier.





~lierschild:
schot waarin de assen van de lier gelagerd zijn. [A>]





~lierslinger:
zie bij slinger.





~liertrommel:
draadtrommel in een draadlier.





~liervrouw:
zie lierman.





~lierwerk:
1> alle lieren aan boord.
2> een combinatie van twee of meer, aldanniet gelijke, lieren.





~lierzijde:
dat einde, van bijvoorbeeld een lierdraad, dat het dichtsbij of in, de lier komt.





~lierzwengel:
zie slinger.





~liftoverhaal, schepenlift, schuitenlift:
een overhaal waarbij de vaartuigen uit het water gehesen worden om in een vaarwater met een ander waterpeil weer neergelaten te worden. [A>] Vergelijk: hemelwerk.





~ligbok:
zie mastbok.





~ligdag:
1> oficiëel: een laad- of losdag.
2> vaak gebruikt voor: overligdag.
3> in het gesprek soms: een dag waarop niet gevaren wordt, ongeacht of dat nu is om dat het één van de eerder genoemde dagen is, of omdat men die dag niet kan varen (zondagssluiting bijv.) of omdat men niet wil varen.





~liggeld:
1>
havengeld.
2> overliggeld.





~ligger:
1>
een legger of dekbalk.

2> eenvoudig geconstrueerd, klein scheepje, vanwaaruit men werkzaamheden, aan de buitenzijde van de romp, verricht. Meestal gebruikt door werven en meestal bij reparatie van houten zeegaande schepen.
De meer rechthoekige vaartuigjes, die men bij werven voor de binnenvaart gebruikt noemt men over het algemeen werfbakjes.


3> schip of schipper, die weinig, of bij slecht weer in het geheel niet vaart.

4> lichter in gebruik als opslagschip.
Gerelateerde term: olieligger.

5a> notitieboeken van de scheepsmeetdienst waarin (op volgorde van het meetbriefnummer) de belangrijkste gegevens van de gemeten vaartuigen opgenomen zijn. Een aanvulling op deze liggers vormen de zogenaamde binnenmeetbrieven.
[E> Zie ook de rubriek Geschiedenis bij de LVBHB]
b> notitieboeken van het kadaster waarin onder meer de relatie tussen de meetbrieven en de brandmerken vastgelegd zijn.





~liggerschip:
1> ongebruikelijke naam voor een lichter.

2> schip van een rederij, dat als een soort thuisbasis fungeert. Vaak ook in gebruik voor de opslag van materialen, voorraden, e.d.





~ligging:
1> de wijze waarop het schip, in ledige toestand of beladen, in het water ligt; met koplast, met achterlast of gelijklastig. Zie ook trim.





~Lighter:
1> oude schrijfwijze voor lichter.
2> Tesselse kaag.





~ligne:
maataanduiding voor lampeglazen van petroleumlampen.
6 en 10 ligne werden onder meer gebruikt voor boordlantaarns; 14, 15 en 20 voor de binnenverlichting.





~ligplaats:
1> aanleg, aanlegplaats: plaats die ingericht is om schepen te doen afmeren.
Er is een wezenlijk onderscheid tussen plaatsen die een ligplaats zijn ook wanneer er geen schip ligt en plaatsen die een ligplaats zijn omdat er een schip ligt. Een aanleg(plaats) is altijd een ligplaats of er nu een schip ligt of niet.

Gerelateerde termen: autosteiger, calamiteitensteiger, faciliteitensteiger, loswal, overnachtingshaven, overnachtingsplaats, wachthaven, wachtplaats, wachtsteiger.
VASTE LIGPLAATS
: ligplaats, die voor één bepaald schip gereserveerd is.
GERESERVEERDE LIGPLAATS
: ligplaats die voor één bepaald schip of een bepaalde catagorie van schepen, vrij gehouden (soms ook: pas bij nadering van een betrokken vaartuig, vrij gemaakt) moet worden.
LIGPLAATS KIEZEN
: ergens aanleggen. [Gerelateerde termen >].

2> plaats waar een schip ligt.

VASTE LIGPLAATS
: plaats waar een schip langdurig of veelvuldig ligt.





~ligplaatsonderwijs:
vorm van onderwijs zoals dat op schippersschooltjes en walscholen met schippersklas gegeven werd.
Schipperskinderen, die genoemde scholen bezochten gingen steeds maar voor een korte periode naar school. Voor de tussenliggende periodes kreeg men een huiswerkmap mee. De vorderingen werden bijgehouden in het administratieboekje (vorderingenboekje).
Deze onderwijsvorm was niet ideaal. Men bleef, ondanks de langere schooltijden, toch met z'n resultaten vaak achter bij kinderen, die normaal naar school gingen. Daar stond tegenover dat de kinderen wel gewoon in hun eigen gezin opgroeiden en dat ze het vak van schipper van jongsaf aan met de paplepel ingegoten kregen. Als alternatief waren er de gewone school, waarbij men dan bij een pleeggezin ondergebracht werd en het schippersinternaat waar men, omdat men langere schooltijden hanteerden, in een versneld tempo de lagere school kon doorlopen.






~ligplaatsschool:
school waar men ligplaatsonderwijs kan volgen.





~ligplaatsverbod, aanlegverbod, meerverbod, afmeerverbod, aanmeerverbod, :
verkorting van: verbod tot het innemen van ligplaatsen. Het verbod om met een schip ergens aan te leggen.
Alhoewel de termen vaak als synoniem van elkaar gezien worden, is er eigenlijk een klein verschil. Een aanleg en afmeerverbod houdt eigenlijk in dat men het schip niet ergens aan vast mag maken. Men zou eigenlijk dus wel mogen ankeren of op spudpalen mogen liggen. Een ligplaatsverbod houdt feitelijk in dat men in het geheel niet op de plaats waar het verbod geldt stil mag houden.

Gerelateerde termen: ankerverbod.





~ligplaatsverordening:
regeling van een lagere overheid waarin het gebruik van ligplaatsen, anders dan die op Rijkswater, geregeld is.





~ligschip:
in de liggers van de meetdiensten gebruikte term voor het kantoorscheepje of drijvend pakhuis van beurtdiensten.
Gerelateerde term: commiezenhuisje.





~Ligter:
Oud Nederlands voor lichter.





~lij:
1> de richting waar de wind naartoe blaast.
2> lijzijde, lijboord: de kant waar de giek naar toe uitstaat. Vergelijk: Loef.
3> luwte in:
IN LIJ LIGGEN
. [U>]





~lijboord:
1> zie lij(2).

2> lijwaring: het ganboord aan lij.





~lijerman, lijman:
bij de spanvisserij het lijwaartse schip. De ander noemt men loeverman.
Gerelateerde term: oostoverligger.





~lijf:
1> deel van een knie. Zie aldaar.

2> het gedeelte van het net van een fuik dat over de hoepels gespannen is. Het gedeelte voor de voorste hoepel (vanaf de opening gezien) wordt voorlijf genoemd. Het meest achterlijke deel ,waarin de gevangen vis zich zal verzamelen, noemt men de kruik. Direct daarvoor bevindt zich het achterlijf. Daar tussenin bevindt zich het middenlijf dat kan bestaan uit een eerste, tweede, enz. lijf.
Onder de diverse groepen van vissers worden andere benamingen zoals 'huis' of 'rak' gebruikt en tot overmaat van ramp bezien sommigen het geheel niet vanaf de opening, maar vanaf de kruik.


3> cilindervormige buitenkant van een aal-, prik- of spieringkorf.
Ook hier kent men weer een voorlijf tot de eerste keel, een middenlijf tussen de twee kelen in en een achterlijf achter de tweede keel.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.

Gerelateerde termen: opzetsel, krop en keel.





~lijfhout:
1> eigenlijk verzamelnaam voor de kantdelen en vissingstukken.

2> kantdeel: plank langs de randen van het dek, gangboord, deken, opbouwen of dekluiken.
Het kantdeel is soms zwaarder uitgevoerd. Soms ook verloopt de dikte. De dikste kant ligt dan tegen de opstaande wand, de dunne kant is net zo dik als de naast liggende delen. Op jachten zijn de lijfhouten vaak gelakt, terwijl de overige delen blank gelaten zijn. In het Vlaams spreekt men van een buitendekplank.






~lijfhoutsgang:
1> gang, op onder meer de botter, die tegen het lijfhout van de deken aanligt.

2> gang, die tegen de zijkant van het dek valt. Zie ook scheergang.





~lijfplaat:
bij stalen schepen: de buitenste gang van het dek.
De term komt uit de zeevaart en schijnt in de binnenvaart weinig gebruikt te worden.
Eigenlijk is de lijfplaat dat deel van een staalprofiel dat de grootste krachten draagt. Dus wat men overhoudt als men flenzen en verstevigingen weghaalt.






~lijfteen:
teen die in het lijf van een korf, bijvoorbeeld een prikkorf, verwerkt is. (Mogelijk bedoelt men hier de teen die in de lengterichting van de korf loopt, mee.)
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~lijgierig, laf, flauw:
een zeilend schip is lijgierig, wanneer het de neiging heeft om tijdens het zeilen de kop van de wind af te draaien. Vroeger sprak men ook wel van afvallig.





~lijhals:
bij een dwarsscheepszeil de hals, dus de onderhoek, aan lijzijde.





~lijk:
de rand van een zeil.
UIT DE LIJKEN GESLAGEN ZIJN
: letterlijk: alle zeilen verspeeld hebben, omdat ze bij de lijken afgescheurd zijn. Vaak gebruikt voor: door stormwind in ontredderde toestand geraken. [U>]
Men kent onder meer: het achterlijk, het bovenlijk, het gaffellijk, het onderlijk, het ralijk en het voorlijk. Overige gerelateerde termen: lijkentouw, lijkgaren, lijknaald, broek, leuver, schoothoorn, staart, enz.





~lijkaar:
de kaar (5) aan lijzijde.





~lijken:
1> aanlijken: lijkentouw aan het zeil naaien.

2> het zeil naar de wind zetten.
Bron: J.M. Koenen 'Verklarend Handwoordenboek' 1923. Verder echter geen vermeldingen gevonden. Mogelijk ook alleen in de zeevaart in gebruik geweest.






~lijkendeurtje:
kleine doorgang tussen het bewoonbare achteronder en het ruim. Een soort dievendeurtje.
De term werd tot nu toe slechts éénmaal aangetroffen en werd opgetekend uit de woorden van een bejaard schipperske. (Bokkepoot dec. 2015)
Het deurtje was in dit geval in de achterwand van een kooi.






~lijkendreg:
constructie waarmee men met meerdere dreggen tegelijk kan dreggen.
De waterpolitie te Amsterdam maakte vroeger gebruik van vier dreggen (8mm materiaaldikte) die via een 25cm lang stuk ketting met een stalen pijp van ca. 1m verbonden waren. Aan de pijp is tevens een spruit van 3 kettingen, die tezamen komen op één grote stalen ring, bevestigd. Op de ring wordt de dreglijn gestoken. In belgië werd onder meer gebruik gemaakt van een grote, maar licht geconstrueerde dreg met aan elk daar armen een eindje ketting met een kleine dreg.

Gerelateerde term: raamdreg.





~lijkengaren:
soort zeilgaren, dat men voor het aanlijken gebruikt. Gewoonlijk lijkgaren genoemd.
Genoemd in: Mededelingenblad Historische Vereniging Hardinxveld-Giessendam 14/2.






~lijkentouw:
lang geslagen (hennep) touw.
Het gaat hier om het SOORT touw. Het touw, ongeacht de soort, dat aan het lijk zit, noemt men lijktouw.
Men gebruikte langgeslagen touw opdat de rek beperkt en het touw voldoende soepel, zal zijn. Het is wel strakgeslagen. Het voelt daardoor spoepel maar toch voldoende hard aan. Het was van hennep en werd, met het zeil mee, getaand. Tegenwoordig gebruikt men kunststof. (Bron: o.a. Schiemanswerk, S.P. de Boer.)






~lijkgaren:
soort zeilgaren, dat men voor het aanlijken gebruikt. Ook lijkengaren genoemd.





~lijkklaar:
van een zeil: zover gereed dat de lijken aangenaaid kunnen worden.
De term heb ik tot nu toe alleen bij P. Dorleijn aangetroffen.





~lijknaald:
soort zeilnaald, die men voor het aanlijken gebruikt.
Waarin deze verschilt van andere zeilnaalden is me nog niet bekend






~lijktouw:
touw, dat langs een lijk vast gezet is.
De touwSOORT die men hiervoor gewoonlijk gebruikt, noemt men lijkentouw.






~lijkvaart:
bevaarbaar water, dat naar een kerk of kerkhof voert.





~lijkvaren:
het transporteren van een stoffelijk overschot.





~lijman:
zie lijerman.





~lijn:
1a> koord: dun touw, maar eigenlijk touw met een diameter tussen 5 en 25 mm.
Mogelijk hanteert men voor de begrippen lijn (<5mm), touw en tros (>25mm) in de binnenvaart andere maten. Het is echter ook mogelijk dat schippers van grote schepen andere maten hanteren dan schippers van kleine schepen.
Tagrijn Weduwe de Vries te Amsterdam hanteerde voor een lijn een maat tussen 3 en 12mm.

1b> verkorte vorm van jaaglijn, werplijn, loglijn, e.d. [U>]
RIDDER MET DE LANGE LIJN
: scheepsjager(1).

2> het verloop van een vorm. Bijvoorbeeld in: 'de lijnen van het schip'.

3>: de koerslijn; in het bijzonder de koerslijn zoals die aangegeven wordt door electronische navigatiesystemen zoals Tresco. Zie ook tresco-schipper.





~lijnbaan, touwbaan:
1>
gedeelte van een touwslagerij waar men de garens tot touw slaat.

2> de gehele touwslagerij.
Gerelateerde termen: baanderwagen, hekel, lameroen, slagmachine, slee/slede, klos/tol.




~lijnbaansplits:
een lange splits.





~lijnboot:
lekenterm voor een schip dat een lijndienst onderhoudt. Het zijn namelijk schepen en geen boten, die een dergelijke dienst onderhouden. [uitleg: boot-schip]





~lijnbrug:
in een jaagpad gelegen brug (meestal) bestemd om een zijkanaal, vaart of sloot te kunnen kruisen. Ook jaagbrug of passerelle genoemd. Ze worden vaak gekenmerkd door een lage brugleuning aan de zijde van het vaarwater.






~lijndienst, veerdienst:
beurtvaart met goederen en/of passagiers, waarbij een flink aantal aanloophavens aangedaan worden. Eigenlijk dus streekvervoer over het water en de opvolger van de trekschuit en de beurtschepen.
Zie ook: passagierslijndienst.





~lijndraaier:
degeen, die het rad op de lijnbaan ronddraait.
Het bij Jan Luyken's 'Het menselyk bedrijf' als lijndraaier afgebeelde figuur is geen lijndraaier maar een twijnder o.i.d.






~lijnduwboot:
ander woord voor trajectduwboot.





~lijnenplan:
naam voor de tekeningen die het ontwerp van de romp vormen. [A>]
Een lijnenplan bestaat meestal uit een zijaanzicht, waarin de vorm van de vertikalen te zien is, een, al dan niet gecombineerd voor- en achteraanzicht, het spantenplan, waarin de vorm van de spanten te zien is en een onderaanzicht, waarin de vorm van de waterlijnen en senten te zien zijn.
Andere voorkomende lijnen de deklijn, het dekplan, de loeflijn, de wellinglijn, enz.
Gerelateerde termen: trekzolder, sleeptank, modellenmakerij.





~lijngaren:
garens waaruit men lijnen slaat.





~lijnhaak:
een vishaak.





~lijnlegger:
ambtenaar die controleert of men wel binnen het gebied waar men (met een bepaald vistuig) mag vissen, blijft.
De term was in gebruik bij de Zuiderzeevisserij.






~lijnolie:
uit lijnzaad, dat is vlaszaad, gewonnen olie.
RAUWE LIJNOLIE
: dik vloeibare olie, die slechts zeer langzaam (in een periode van meerdere weken) droogt. Over het algemeen gebruikt als bescherming tegen vocht, bij hout en staal, op weinig kwetsbare plaatsen of voor staaldraden.
GEKOOKTE LIJNOLIE
: dik vloeibare olie, die, eventueel na toevoeging van siccatief, binnen 12 tot 24 uur droogt. Vooral gebruikt als ondergrond voor verflagen of als basis voor lijnolieverven. Met toevoeging van siccatief ook als blanke lak op kaal staal.
DUBBELGEKOOKTE LIJNOLIE
: verschil met gekookte lijnolie is me nog onbekend.
Gekookte lijnolie wordt verkregen door rauwe lijnolie enige uren tot ca. 250 graden te verwarmen. Er kunnen aan de olie lood- en mangaanverbindingen toegevoegd zijn.
Het is me niet bekend wat de zogenaamde dubbelgekookte lijnolie precies is. Vermoedelijk is de tijd dat het verwarmd wordt langer.
Lijnolie de basis voor standolie, harpuis, Belgische lak en diverse schippersmiddeltjes.
Met lijnolie verontreinigde (katoenen) lappen, kunnen onder bepaalde omstandigheden tot zelfontbranding komen!
Verwante term: standolie.





~lijnolieverf:
verf op basis van lijn- of standolie.





~lijnpad:
Ongebruikelijk synoniem voor jaagpad.





~lijnschip:
vaartuig dat een lijndienst vaart.
In de meeste gevallen gaat het om stoomraderschepen, die zowel goederen als een flink aantal passagiers vervoeren. Noodzaak is dat echter niet. De term was vooral zo tussen 1920 en 1950 in gebruik. De passagiersschepen die dergelijke diensten onderhielden kan men zien als de voorlopers van de hedendaagse waterbussen, fastferries, e.d.
Verwante term: stukgoedschip.




~lijnslager: touwslager.





~lijnstoomvaart:
zelden gebruikte term voor een lijndienst, die met stoomschepen onderhouden wordt.
De term is gerelateerd aan binnenlijnstoomvaart.






~lijntjeshouwer:
persoon die bij de staatsvisserij vanaf de haal een drietal lijnen met daaraan een haak over de bovenreep van de streek van de zegen gooit, waardoor er plooien, bochten in het net ontstaan. De zo ontstane verdeling maakt het makkelijker om de streek van het net op de haal te trekken. De buitenste bochten noemt men de omkorting. De laatste, binnenste, bocht die men binnen haalt de kuil. [Diverse termen inzake de visserij >.]
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~lijntrekker:
iemand die een schip voorttrekt; een scheepsjager dus.
De term is na de 18de eeuw in onbruik geraakt, lijkt het.






~lijnvaart:
het onderhouden van een lijndienst.





~lijschoot:
bij een dwarsscheepszeil de schoot aan lij.





~lijstag:
een stag aan lij.





~lijstlijn:
uit de 17de eeuw stammende term voor een lijn waarmee men een bonnet aan het zeil rijgt. Later ook gebruikt voor andere rijglijnen, marllijnen. Thans echter sterk verouderd.
Bron o.a.: Mr. J. van Lennep Zeemanswoordenboek 1856.

Zie ook bonnetlijn.





~lijwaarts:
aan lij(2).

LIJWAARTS TIJ
: getijde waarbij de stroom met de wind meeloopt.
Erg ongebruikelijke, door Nicolaas Witsen vermelde, term.






~lijwal:
vrij onbekende term voor lagerwal.





~lijwant:
de zijstagen aan lij.





~lijwaring:
uit het Fries afgeleide term voor het gangboord aan lij; het lijboord.





~lijzijde: lij(2).





~lijzwaard:
het zwaard aan lij.





~linet:
meestal geschreven als: linnet.





~links:
zie bij rechts.





~linksstuur:
stuurwerk waarbij men het rad linksom moet draaien om het schip een bocht naar rechts te laten maken. Ook een contrasturend stuurwerk genoemd.
Dat 'linksstuur' onlosmakelijk met een broodwagen verbonden is, is niet juist. Broodwagens die linkssturend zijn noemt men vaak een engels stuurwerk.






~linksgeslagen: zie bij touw.





~linnet, linet, lunete, lunette, lanet, stuurplank:
1> klapscheg.

2> soort zwaard aan het roer van een sleepschip, waarmee het effectieve oppervlak naar wens vergroot of verkleind kon worden. [A> Linnet van een Kempenaar, linnet van een waal]
Deze voorziening wordt onder meer genoemd in F.N. van Loon Beschouwing van den Nederlandschen scheepsbouw met betrekking tot deszelfs zeilaadje. Haarlem 1838. (blz 49)


3> Mogelijk ook de naam voor een, met hetzelfde doel, in het roer van sleepschepen aangebrachte, roerschuif. [A>]






~linnetlier:
klein draadliertje waarmee men de linnet opdraait en viert.





~lip:
uitstekende pen in het oog aan de voorzijde van de boetnaald. Meestal tong genoemd.
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.







~lipklamp:
ongebruikelijke term voor een kikker. Volgens sommige bronnen echter een klamp met maar één hoorn/oor; meestal een halve klamp genoemd.





~Lister:
Engelse fabrikant van scheepsdiesels. In Nederland vooral bekend door de grote aantallen één-cilinder luchtgekoelde hulpmotoren, die in veel vrachtschepen voor startlucht en/of licht zorgden. [A> menu Listermotoren.]





~l.o.a., Lengte over alles:
lengte van het vaartuig gemeten vanaf het achterste vaste deel tot en met het voorste vaste deel.





~locomotieve:
bepaald merk drijfcachou. Zie ook cachou.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~lodde:
kleine soort zalm.





~Lodder:
Nederlandse machinefabriek; onder andere bekend van anker- en draadlieren.





~loden, peilen:
met een peillood de diepte van het water bepalen. Vroeger ook diepen.
GROND LODEN
: met een peillood, dat daartoe aan de onderzijde met vet ingesmeerd is de grondsoort van de bodem bepalen.





~loding:
1> peiling: het resultaat van het loden.
2> het loden.





~loef, loevert:
1> de richting waar de wind vandaan komt.
DE FOK TE LOEVERT
:
de fok naar de andere kant, dan waar de giek naar uitstaat, hebben.

2> loefzijde, loefboord, loever(t)zijde:
de kant waar de wind op staat. Vergelijk: Lij.

3>
IEMAND DE LOEF AFSTEKEN
: zie afknijpen.





~loefbiter:
Fries voor botteloef.





~loefbijter, boegbijter, loefhouder, sloffe:
aan de onderzijde van de voorsteven, vooruitstekend deel. Loefbijters zijn vooral op kromstevens te vinden, maar ook bij enkele andere scheepstypes kunnen ze voorkomen. [A> tijdelijk]
De term loefhouder is ouder dan loefbijter. Het laatste is mogelijk onder invloed van het Friese woord loefbîter ontstaan. Vroeger sprak men wel van bit, bithout of bitstuk. In Vlaanderen spreekt men van een hiel.






~loefboord:
1> zie loef.
2> het gangboord aan loefzijde.





~loefgang:
plank waarmee de den opgehoogd kan worden teneinde een flinke deklast te kunnen zetten. Ook steekleer genoemd.
Volgens skûtsjehistorie.nl zou het een verbastering van loeggang zijn. Zie verder aldaar.





~loefgierig, wreed:
een zeilschip is loefgierig wanneer het, tijdens het zeilen, de neiging heeft, de kop naar loef, dus tegen de wind in, te draaien.





~loefhals:
bij een dwarsscheepszeil de hals, dus de benedenhoek, aan loefzijde.





~loefhouden:
1> aan de wind blijven zeilen niet afvallen.

2> op koers blijven niet afdrijven.
Onder meer te vinden in: F.N. van Loon Beschouwing van den Nederlandschen scheepsbouw met betrekking tot deszelfs zeilaadje. Haarlem 1838.






~loefhouder:
1> oud Nederlands voor loefbijter. Oudste gevonden vermelding stamt uit het begin 19de eeuw. Tegenwoordig wordt de term nog zelden gebruikt. Volgens sommige bronnen is het een vertaling van het Friese: loefhâlder. In het Fries gebruikt men tegenwoordig echter de term loefbîter.

2> oude term voor een schip dat goed aan de wind zeilt.





~loefijzer:
ongebruikelijke term voor botteloef.





~loefkaar:
de kaar (5) aan loefzijde.





~loefkracht:
bedoelt wordt: weerstand tegen het verlijeren.
Gevonden in: Handleiding tot den Burgerlijken Scheepsbouw door F.N. van Loon Workum 1838.






~loeflijn:
1> scheepsbouwkundige lijn die omtrek van de buikdenning, dus in het spantenplan ook de hoogte waarop de bovenkant van deze ligt, aangeeft.
Voor zover bekend alleen genoemd in: Handleiding tot den Burgerlijken Scheepsbouw door F.N. van Loon Workum 1838.

Gerelateerde term: lijnenplan.

2> willekeurig touwtje, lijntje aan loefzijde.





~loefschoot:
bij een dwarsscheepszeil de schoot aan loef.





~loefstag:
1> stag aan loefzijde.

2> zie bij bulletalie.





~loefwaarts:
aan loef(2).





~loefwal:
Ongebruikelijke term voor hogerwal.





~loefwant:
de zijstagen aan loef.





~loefwaring:
uit het Fries afkomstige term voor het gangboord aan loef.





~loefzijde: loef.





~loefzwaard:
het zwaard aan loef.





~loegen:
het, op een bepaalde wijze, opstapelen van turven.
Oorspronkelijk heeft het woord de betekenis van op elkaar leggen, stapelen. Niet alleen van turf maar ook van hooi, schoven, e.d. In de 18-19de eeuw schijnt het meer betrekking te krijgen op turf, maar niet lang daarna lijkt het uit het algemeen spraakgebruik te verdwijnen en blijft het voornamelijk alleen in de veengebieden van noordoost Nederland in gebruik.
Bij het loegen bouwt men, nadat het ruim met turven gevuld is, een muur van net gestapelde turven langs de buitenranden van het schip, als ook dwarsscheeps over voor- en achterschip. Zoda de muur enige hoogte bereikt heeft wordt de binnenruimte met turven gevuld en vervolgens verhoogt men de muur weer een stuk. Dit gaat door tot het genoeg is. Dat wil zeggen dat men of de beschikbare lading geborgen heeft of men onder de geldende omstandigheden het maximale bereikt heeft. De ladingen steken vaak manshoog boven de dekken en kunnen zelfs hoogtes van meer dan 2,5 meter boven het dek bereiken.
Heeft de lading de gewenste hoogte bereikt, dan wordt de bovenkant dusdanig afgewekt dat de bovenste turven vlak liggen terwijl de gehele lading naar de zijkanten afwaterd. Vervolgens dekt men de bovenzijde af met dekkleden en luiken, terwijl de zijkanten extra versterkt worden met de loeggangen. Vervolgens wordt de lading gesjord.
Bij een groot aantal schepen met een deklast turven kan men zien dat de deklast aan de bovenzijde breder is, dan ter hoogte van het gangboord. Volgens sommige bronnen is dit om het regenwater dat van de bovenkant druipt vrij van de deklast te houden. Om de zelfde reden laat men daartoe ook de loeggangen soms uitsteken.
Behalve i.v.m. het afwateren zou het breder uitbouwen van de lading ook een kwestie van het bergen van meer lading kunnen zijn.
Bij heet weer en veel zonneschijn wordt de lading soms met lakens of zeiltjes tegen al te sterke uitdroging beschermd.






~loeggang:
1> stevige houten plank die gebruikt werd bij het sjorren van een deklast (turf).

2> volgens sommige bronnen de oorspronkelijke benaming voor loefgang.
Zowel in betekenis 1 als 2 is er een directe relatie met het zetten van een deklast, het loegen.






~Loerdenne, Lauertanne, Lordanne:
Duits scheepstype. Open houten vrachtschip, ca. 20 tot 40 ton groot, 12 tot 15 meter lang. Rechthoekige, van vurenhout gebouwde, vaartuigen met vlakke zijdes, voor en achter voorzien van brede, platte, vrij sterk naar buiten vallende stevens. Tussen Basel en Keulen werd er voornamelijk gesteveld, verder stroomafwaarts werd er ook gezeild en soms zelfs geroeid.
Het scheepstype is in de 14de eeuw in de contreien rond Basel ontstaan. Ze vervoerden voornamelijk stukgoed en voeren uitsluitend stroomafwaarts. Tot de geregelde lading behoorde Elzasser wijn, LAUER en dat in combinatie met de houtsoort waarvan ze gemaakt waren, TANNE, gaf hun de naam Lauertanne. Op hun eindbestemming, Mainz, Koblenz, Keulen en later ook verder stroomafwaarts, aangekomen, werden ze gesloopt en het hout werd verkocht. De vaartuigen waren daardoor in veel plaatsen vrijgesteld van het zogenaamde stapelrecht.
In de 18de eeuw begint de teruggang van dit type, maar het heeft tot het begin van de 19de eeuw geduurd voordat ze geheel verdwenen waren. Veel in omvang waren ze toen niet gegroeid. Werner Böcking en diverse anderen vermelden geen grotere maat dan 40 ton met een uitloop naar circa 60 ton aan het einde van de achtiende en begin negentiende eeuw.
Haalmeijer en Vuijk maken er melding van dat er rond 1600, vaartuigen van dit type, met een laadvermogen van 250 ton gevaren zouden hebben. Bij het lezen van sommige andere bronnen krijgt men de indruk, dat de Loerdenne bedoelt was voor de (zeil)vaart vanaf Basel-Straasburg naar plaatsen langs de Nederlandse rivieren in het bijzonder die aan de Gelderse IJssel. Het lijkt er echter op dat het leeuwendeel van de eerder genoemde KLEINE scheepjes nooit Nederland bereikt hebben en het scheepstype lijkt me ook weinig geschikt voor de zeilvaart op de Nederlandse rivier. Mogelijk is er een ander scheepstype met min of meer gelijke naam geweest. Zie Londaine.






~loerding:
zie lording.





~loet:
1> verkorting van fokkeloet.

2> loete: bepaalde soort bezem, 'spaanse bezem', om het schip onder de waterlijn te kunnen loeten/schrobben.
Erg onbekende term. Een loet is in de meeste betekenissen een metalen schraper aan een lange steel; een soort schoffel. Waarom het in de scheepvaart een bezem zou zijn, is me niet bekend.






~loeten: een schip onder de waterlijn schrobben. Bijvoorbeeld met een loet.
Erg onbekende en verouderde term.






~loeven: oploeven.





~loever:
1> schip dat oploeft.

2> loef.





~loeverman:
bij de spanvisserij het loefwaartse schip. De ander noemt men lijerman of lijman.
Gerelateerde term: oostoverligger.





~loevert:
zie bij loef.





~loevertzijde:
Verouderde term voor loef.





~loeverzijde:
loef. Verouderde term.





~lofwerk, loofwerk:
1> geschilderde versiering, met Jugendstilachtige krullen, door sommige rattestaarten genoemd, op het boeisel terweerszijden van voor- en/of achtersteven. [A>]

2> soms ook gebruikt voor, in hout gesneden of geschilderde, langgerekte krullige versieringen op andere plaatsen.
De woorden lof- en loofwerk zijn ongeveer even oud en worden lange tijd naast elkaar gebruikt. In de loop van de twintigste eeuw ontstaat in de binnenvaart echter een voorkeur voor het woord lofwerk.




Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Haarlem.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken