banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst L



~laadarm:
zie bij laadgiek.




~laadbaas:
Niet voldoende bekend. Vermoedelijk hij die bij het laden van hand- en stukgoed er op toeziet dat er op correcte wijze geladen wordt.
In de meeste gevallen is het de schipper zelf die daar toezicht ophoudt. Alleen bij tankers is dat, geloof ik, niet het geval.

Zie ook laadmeester





~laadblok, laadreepblok, reepblok:
1> blok aan het uiteinde van de laadboom, waardoor de laadreep loopt.
Gerelateerde termen: wipwiel, graanwiel
2> wipwiel: soort stalen blok waarvan het 'huis' alleen een deel aan de bovenzijde bedekt.





~laadboot:
naar het schijnt een Maleis woord voor vrachtschip. Het is in ieder geval geen Nederlands.





~laadbord:
1> houten bord, dat tegen de buitenzijde van de romp gehangen wordt, om het schip tijden het laden te beschermen. Bij binnenvaartschepen weinig gebruikt.

2> schotten, die bij het transport van stenen gebruikt werden. Hoe en waar is helaas nog niet bekend.





~laadboom:
1>  gaart, boom, giek:
rondhout, dat bewegelijk aan een laadmast bevestigd is en waarmee men lasten kan hijsen. Zie ook laadgaffel.
2>
parsprototo van hijstuig.
3> laadgiek.





~laadbrug:
1> soort oprit voor vrachtwagens, waarmee men dan de lading direct in het schip kan storten.
 
2> op de wal geplaatste constructie waarmee schepen geladen en gelost kunnen worden. De laadbrug is een soort van over het water uitgebouwde portaalkraan in vakwerkconstructie. Onder het horizontale gedeelte beweegt zich een grote zware grijper. Het geheel wordt vaak vanuit een meerijdende cabine, de kat, bediend. Bij deze constructies is het boven water stekende deel opklapbaar. De laadbrug wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de overslag van bulkgoed vanuit zeeschepen in binnenvaartschepen.
Gerelateerde termen: uitlegger, loopkat, kat.

3> soms gebruikt als synoniem voor drijfkraan.





~laadcapaciteit:
willekeurige maat waarmee aangegeven wordt hoeveel een schip kan vervoeren. De meest gebruikte maat, voor vrachtschepen is tonnage, voor passagiersschepen het aantal passagiers, voor containerschepen het aan TEU, enz.




~laaddag:
1>
één der, in de vrachtbrief of bij Koninklijk besluit vastgelegd aantal dagen, waarbinnen het schip na de (afgesproken) aankomst op de laadplaats, geladen moet zijn.
2>
dag dat men ligt te laden.




~laaddek:
dek of gedeelte daarvan, dat bestemd is voor het plaatsen van de te vervoeren lading. Meestal van toepassing op oude veer-, beurt- en lijnschepen. Ook beschikken sommige zolderschuiten over een laaddek.




~laadgaffel:
laadboom, die met een gaffel, opgehangen aan een hanger, tegen de mast rust.




~laadgeld, lastgeld:
vergoeding, die men aan personen, die het schip laadden, betaalde.




~laadgerei:
1>
hijstuig.
2>
het hijstuig en alles wat bij het laden (of lossen) noodzakelijk kan zijn.
klein laadgerei
: al het losse spul, dat men bij het laden nodig kan hebben zoals: schinkelhaken, krabbers, duivelsklauwen, pakstrop, stophouten, worstjes, zakkenklem enz.





~laadgiek, laadarm:
eenvoudige, tegenwoordig vaak hydraulische bediende, 'hijs'inrichting, meestal bestaande uit een vrij korte mast, mogelijk ook koning geheten en een vrij lange 'laadboom', gebruikt voor het laden (en lossen) van het vaartuig.
Gerelateerde termen: losgiek, bunkergiek.





~laadhaak:
zie veiligheidshaak.





~laadhaven:
1> haven waar men moet laden.
2>
loshaven: haven waar schepen geladen en gelost worden.




~laadhoofd:
1> in de zeevaart gebruikelijke term voor wat in de binnenvaart, de den of luikenhoofd genoemd wordt.

2> minder gebruikelijk woord voor tankhoofd.




~laadhoofddeksel:
zie tankhoofddeksel.




~laadhoogte:
de afstand tussen de ledige waterlijn en de geladen waterlijn bij maximale toegelaten belading. De laadhoogte komt dus (in theorie. Zie winst en verlies) overeen met de lengte van de ijkschaal.




~laadinstallatie:
1>
ongebruikelijke naam voor hijstuig.
2>
werktuigelijke inrichting, waarmee een schip geladen kan worden.




~laadkist:
1> goed Nederlandse, maar toch ongebruikelijke, term voor container.

2> eigenlijk willekeurige kistvormige verpakking die gebruikt wordt om goederen te transporteren.




~laadkade:
1>
kade waar men moet laden.
2>
  loskade: kade, die gebruikt wordt om schepen te laden of te lossen.




~laadklaar:
gereed om geladen te worden.




~laadkoker: meestal vierkante houten koker, waardoor blukgoed ook op moeilijk toegankelijke plaatsen in het ruim gestort kon worden. Ondermeer toegepast in de tijd dat men met kruiwagen en grijpers laadde en men de ruimte onder de roef nog als laadruimte benutte.





~laadlier, loslier, hijslier, mastlier:
draadlier waarmee lasten gehesen worden. Over het algemeen alleen gebruikt voor de hijslieren van zelflossers en aanverwante installaties.





~laadmast:
1> stalen, maar vroeger ook houten mast, waaraan één of twee laadbomen bevestigd zijn. [A> nr.2]
In tegenstelling tot de zelflosser steken de bomen van laadmasten meestal niet voorbij de uiteinden van de luikenkap. De lengte van de mast is niet groot; de afstand tussen de lummel en de onderste mastband is vaak niet meer dan 0,6x de lengte van de boom (tussen lummel en laadreep). De zijstagen zijn erg gespreid; twee zijstagen één aan elke zijde van het schip, grijpen aan een eind voor de mast (dezen MOETEN bij het strijken van de mast los genomen worden), twee zijstagen ter hoogte van de mast en bij gebruik van twee bomen, ook twee zijstagen, die een eind achter de mast aangrijpen. Behalve de zijstagen kunnen er, vooral bij installaties met twee laadbomen, ook nog bakstagen aanwezig zijn. Deze kunnen dan zowel voorwaarts als achterwaarts staan. De bomen worden met de boomtalie op hoogte gesteld en met de hanger geborgd. De boom wordt met behulp van gaarden of zwenkdraden heen en weer bewogen. De last wordt met de hijstalie gehesen.

2> parsprototo voor het hele hijstuig.




~laadmeester:
persoon, die bij grotere scheepsladingen, toezicht houdt op het laden en lossen.





~laadnet: net dat bij het laden van bepaalde goederen gebruikt wordt.
Laadnetten vonden (vroeger) ruime toepassing bij het transport van suikerbieten






~laadopening: zie bij luikenhoofd.





~laadpier: zie laadsteiger.




~laadpijp: zie stortbuis.




~laadplaats, laadplek:
1> plaats waar het schip moet gaan laden.
2> plaats waar schepen geladen (of gelost) kunnen worden. Zie ook lastage.




~laadplek: laadplaats.




~laadpomp:
pomp waarmee men lading kan innemen. Vaak tevens lospomp, dus beter gezegd een ladingpomp.





~laadpoort, mestluik, zandluik, kruiwagenluik:
wegneembaar deel van verschansing, boeisel of den.





~laadreep, runner:
touw of staaldraad waarmee de lading gehesen wordt.





~laadreepblok:
zie laadblok.





~laadreephaak:
zie veiligheidshaak.





~laadroef:
meestal tijdelijke, op het achterste deel van de den of het achterdek geplaatste houten constructie, waarin een deel van de lading of deklast geborgen werd. Zie ook potkast, zomerroef.




~laadruim: ruim.




~laadruimte:
willekeurig deel van een vaartuig, waarin men lading bergt. Bijvoorbeeld: het gedeelte van een open vaartuig, dat bestemd is voor de lading. Zie ook ruim.




~laadstation: kolenstation.




~laadsteiger, laadpier:
1> steiger waar men moet gaan laden.
2> lossteiger: steiger waar schepen geladen of gelost worden.




~laadstoel:
soort knecht aan de mastkoker van de laadmast.




~laadtalie, laadtakel,
LAAD-EN LOSTALIE
:
zie hijstalie.




~laadtakel:
te modern woord voor laadtalie (hijstalie).




~laadtijd:
de tijd die men nodig heeft om de lading in het schip te krijgen.





~laadvermogen, tonne(n)maat, draagvermogen, lastage:
de hoeveelheid die een schip kan of mag vervoeren. [T>]
Het laadvermogen werd vroeger uitgedrukt in lasten (1 last = 2 ton), later in tonnen gewicht (1 ton = 1000 kg) en weer later in tonnen waterverplaatsing (1 ton = 1m³).






~laadvloer:
ongebruikelijk synoniem voor buikdenning; mogelijk alleen van toepassing voor open vaartuigen en dekschepen.





~laadvolgorde:
schema volgens welke de ruimen van een vrachtschip geladen moeten worden. Elk schip heeft, om opladen of doorladen te voorkomen, een bepaalde laadvolgorde. Het is, echter lang niet altijd mogelijk zich aan deze laadvolgorde te houden.








~laafnet:
soort schepnet, waarmee de vis uit het visnet geschept wordt.




~laag:
TE LAAG UITKOMEN, STUREN
: niet ver (genoeg) tegen de windrichting in.
LAAG IN DE HIJS
: een zeil staat laag in de hijs wanneer de giek laag over de luikenkap en eventuele roef ligt.
DE LAGE KANT
: lijzijde, lij.




~laagtij: eb.




~laagwater:
1> eb: het moment waarop, tijdens één volledig tij, de laagste waterstand bereikt is.
2> opvallende vermindering van het waterpeil.




~laagwaterlijn:
1> lijn die zich, tijdens eb, langs oevers aftekent.
2> niveau tot waar het water tijdens eb, gewoonlijk zakt.




~laagwaterspring, springeb:
tijdens springtij optredend extra laagwater.





~laaglaagwaterspring :
het meerjarig gemiddelde van de laagste waterstand in elke maand van die periode. Ook geschreven als laag laagwaterspring.





~laagwatertoeslag:
procentuele verhoging van de vrachtprijs in verband met geringe vaardieptes op de rivieren.





~laak, leek, lake, lek:
(grensvormende) waterloop.
Zie ook Lee.





~laan: zie laning.





~laarskap:
ziedomp.





~laarzeklomp:
zie klomplaars.





~labberen:
men zegt dat het zeil labbert, wanneer het uitgewaaid is of wanneer er te weinig spanning op de lijken staat, waardoor er, terwijl men de wind in de zeilen heeft, toch veranderlijke rimpels en plooien ontstaan.
LABBERSE KOELTE
: labberkoelte.




~labberkoelte, labberse koelte:
een zachte wind, dus maximaal windkracht 3.




~laboratoriumvaartuig:
milieuonderzoekingsvaartuig, waar bodem- en watermonsters in, een aan boord gevestigd laboratorium, onderzocht kunnen worden.




~ladder: jacobsladder.




~ladderbaggermolen:
emmermolen die voor het baggeren gebruikt wordt.





~ladderbok:
onderdeel van een emmermolen. Stalen constructie op het uiteinde van het ponton, waartussen de emmerladder opgehangen is.





~ladderring:
grofmazig net, dat als een scherm voor het eigenlijke vangnet hangt. Ondermeer toegepast bij het schakelnet en het drijfnet.




~ladderketting, jacobsladder:
onderdeel van een emmermolen. Eindeloze aaneenschakeling van elementen met emmers waarmee de bodem van het vaarwater afgegraven kan worden.





~laddermolen:
zie bij emmermolen.





~laden:
1> inladen, inschepen: het innemen of aan boord brengen van lading. [U>]

2> opladen: aan accu's energie toevoeren.





~lading
1> vracht: producten of grondstoffen, die voor een ander, of voor de handel, vervoert worden. In ruimere zin: datgene wat vervoerd wordt (dus ook vee, passagiers, post, enz.) [U>] [E>]
IN LADING LIGGEN
: geladen zijn.
Gerelateerde termen: blokvracht, splitreis.

2> mogelijke verbastering van laning.

3> aan accu's toegevoerde hoeveelheid energie.





~ladingaanbod:
1> de totale hoeveelheid vracht, die op een gegeven moment vervoerd moet worden.

2> de soort lading die in een bepaalde periode in een bepaald gebied te vervoeren valt.





~ladingdek:
dek, waarop men lading stouwt. Vrijwel alleen aanwezig op de grotere schepen waarmee veer- of lijndiensten onderhouden worden.




~ladingdocument, ladingpapier:
willekeurig document dat betrekking heeft op de lading. Het belangrijkste document is de vrachtbrief.




~ladingjournaal:
soort dagboek, dat op tankschepen bij gehouden moet worden en waarin de soort lading en de data waarop deze geladen en gelost is, vermeld is.




~ladingmeester:
persoon, die, voor de verlader of ontvanger, toezicht houdt op het laden of lossen.




~ladingmeter:
(electronisch) systeem waarmee de hoeveelheid lading, die in het schip zit, gemeten kan worden.




~ladingmonster:
een zeer kleine hoeveelheid van de lading, op verschillende plaatsen in de lading, of in verschillende tanks, genomen, waarmee de kwaliteit van de lading vastgesteld kan worden.




~ladingpapier:
zie ladingdocument.




~ladingpomp:
pomp waarmee de lading (vloeistof of poeder) aan of van boord gepompt kan worden.




~ladingrest:
1> ruimveegsel: dat gene wat na het lossen in het ruim achtergebleven is.

2> dat gene wat na het eerste (grove, machinale) loswerk, nog in het ruim ligt.




~ladingruim: ladingruimte.




~ladingruimte:
1> begrensde ruimte, waarin de lading geborgen kan worden. Bijvoorbeeld; een beun, het ruim of een ladingtank.

2> scheepsruimte.




~ladingschade:
schade aan de lading. De schade kan zowel van buitenaf komen (waterschade) als in de lading zelf ontstaan zijn (broei, ongedierte).




~ladingsverwarminsketel:
zie bij verwarmingsketel.




~ladingtank, trunk:
vast ingebouwde tank, waarin vloeibare lading, gas, of poederachtige stoffen vervoerd worden.
[A> ladingtank inwendig.]
Gerelateerde termen: tankhoofd.




~ladingtonkilometer:
door de overheid gehanteerde eenheid, waarmee de productieviteit van een schip/schipper 'gemeten' werd.
Wilde men (vroeger) zijn vervoersvergunning behouden, dan moest men per jaar aan voldoende ladingtonkilometers komen. Een ladingtonkilometer is het product van (via de beurs) verkregen lading, gemeten in tonnen en de afstand, in kilometers, waarover deze vervoerd is. Verder informatie hieriver ontbreekt nog. Wel is bekend dat een klein schip in 1983 aan 83.300 ladingtonkilometers moest komen wilde het de vergunning behouden.






~laf:
zie lijgierig.




~lager:
meer met de wind mee.
LAGER STUREN
: minder scherp aan de wind gaan varen of minder tegen de stroom in sturen.




~lageruit:
meer stroomafwaarts.
Zie ook: lager.





~lagerstoel:
metalen constructie waarin een rol of glijlager opgenomen is en dat voorzien is van een constructie waarmee de stoel onbeweeglijk met het schip verbonden kan worden.



~lagerwal, lijwal:
de wal waar de wind vanaf het water naar het land komt.




~Lahnaak:
soort Keen zonder luikenkap.
De Lahnaak of Leunder was een soort Keen, die meestal niet van een luikenkap voorzien was. Ze kwamen uit de streek bij het dorp Leun in het Duitse Hessen, aan het riviertje de Lahn, een zijtak van de Rijn.




~lak, jachtlak, vernis, blanke lak:
vloeibare substantie op basis van hars zonder kleurpigmenten, die na opdroging/uitharding een harde, vaak glanzende, beschermende laag op de ondergrond waarop het opgebracht is, achterlaat.
Onder jachtlak verstaat men gewoonlijk synthetische lak, vernis is meestal op basis van natuurlijke harsen gemaakt.
Vernis werd vooral voor mooi hout gebruikt: afwerkingsstroken van de binnenbetimmering, de stuurhut, het naambord, e.d. Voor al het andere hout (de rondhouten) gebruikte men lijnolie, verf, bruine teer, e.d.


BELGISCHE LAK
: mengsel van lijnolie, blanke lak en wat dieselolie. Meestal gebruikt om staal aan de binnenzijde te conserveren. 





~lake:
zie laak.





~lakverf:
1> tegenwoordig: een harde glanzende verfsoort die zowel voor de tussenlagen als voor de afdekkingslaag gebruikt wordt.

2> vroeger: een glanzende duurzame verfsoort die, daar zij roestbevorderend was, uitsluitend als afwerkingslaag gebruikt mocht worden. Deze verf werd strijkklaar vanaf de fabriek geleverd. Lees ook bij verf.





~lameroen:
kleine wartelende haak, o.a. gebruikt in touwslagerijen.





~lamme-vlerk, lamme-arm, zijschroef, zijschroefinstallatie:
middel tot voortstuwing met een dekmotor, soms ook een benedendeks geplaatste motor, die een langs het boord hangende schroefas met schroef aandrijft. [A>] [T>]
De termen lamme-arm en lamme-vlerk schijnen niet algemeen in gebruik geweest te zijn. Mogelijk bleef het gebruik van deze eerste termen beperkt tot het noorden van ons land. Vooral de laatste decennia zijn deze termen populair geworden. De term zijschroef was algemener.






~lampenhut:
kleine ruimte aan boord van de grotere schepen, zoals radersleepboten, stoompassagiersschepen e.d. waarin de petroleumlantaarns plus alle daarbij behorende zaken opgeslagen waren.
Het ging hierbij niet alleen om de navigatielichten van het schip, ook voor de vele vertrekken en als dekverlichting gebruikte men petroleumlantaarns.






~lampenlijn, lichtval:
lijn waarmee, op petroleum brandende, top- of ankerlichten in de lichtmast gehesen werden.





~lampwisselaar:
voorziening die automatisch van lamp wisselt, wanneer er een lamp kapot gaat. Dit soort voorzieningen worden voornamelijk toegepast in lichtbakens.
Lampwisselaars gebruiken meestal 3 tot 6 lampen. Een microprosessor controleert de toestand van de in werking zijnde lamp en zodra de lamp stuk gaat, wordt er een motor geactiveerd die de volgende lamp in de bovenste positie draait waarbij deze dan in werking treedt. De eenheid is vaak gecombineerd met een programeerbare 'knipperlicht' en duisternisschakeling, een laadinrichting voor voeding door zonnecellen en soms zelfs met een zendertje waarmee de belangrijkste gegevens over de toestand van de elctrische installatie in het lichtbaken over gezonden kan worden.






~
land:
1> zoom, overzoom: overlappende naad bij geklonken stalen schepen [A>(tek)] en overnaads gebouwde houten schepen.

2> in de binnenvaart vaak synoniem met wal of oever. [U>]

HET VASTE LAND
: land, dat niet door water, van enige omvang, van andere stukken land gescheiden is.




~landanker:
vrij onbekende term (landrottenterm?) voor walanker.




~landbaken, landbaak, baken, baak, kaap, rikbaak:
een op de wal geplaatst baken.




~landen:
1>
met een schip ergens tegen een oever, o.i.d. gaan liggen. De term wordt zelden nog gebruikt. Zie ook: aanlanden.
2> verouderde term voor: ontschepen, lossen.





~landhoofd, walhoofd:
met het land verbonden, gesloten, gedeelte van een kunstwerk.
Gerelateerde term: sluishoofd.





~landingsplaats:
plaats waar een schip tegen de oever komt. Voornamelijk gebruikt voor ponten en veerboten.




~landjevaarder:
in Groningen gebruikte term voor een schipper op een jaag- of trekschuit.




~landlubber:
een landrot.




~landmerk:
herkenningspunt op het land, dat voor de navigatie van belang is.





~landrot, walrat, landlubber:
persoon, die weinig tot niets van schepen en varen weet.





~landschuit, grondschuit:
rond Aalsmeer gebruikte term voor terplaatse voorkomende boerenschuiten; eerst Aalsmeerse punters, later Grundels.




~landtong:
in het vaarwater uitstekende, smalle strook land.





~landvast:
touw waarmee men een stilliggend schip vastlegt.
De term landvast wordt onder de beroepsvaart niet gebruikt. Het is een uit de zeevaart overkomen waaien watersportersterm. Voor de duidelijkheid heb ik deze term, vaker dan mij lief was, moeten gebruiken. Schippers noemen het meestal gewoon een touw, soms een tros of een lijntje, of in sommige gevallen een meertouw, meerdraad, o.i.d.
Specifieker benoemd worden de 'touwen' met de termen: vooreind, achtereind, steekeind of spring en achtersteekeind of achterspring.






~landvolk:
allen, die niet op een schip wonen. Vergelijk: walvolk.
Wat minder negatieve term dan "landrotten".





~landzijde:
die kant, van bijv. een sluis, die niet aan groot open water grenst.




~lanen: zie bij laning.




~Langedijker:
1> voornamelijk door buitenstaanders gebruikte term, waarmee men zowel een Langedijker Platkop aak, een Langedijker Platkop motoraak, een Langedijker maatschip (zie 2) als de diverse Langedijker akkerschuiten kan bedoelen.

2> maatschip. Willekeurig schip met hooguit de maximale maten waarmee vanuit Alkmaar de Langedijk bereikt kon worden. [A>]
Eerst werden de afmetingen bepaalt door een overhaal in de Hoornsevaart te Oudorp bij Alkmaar.
Op die plaats schenen 3 overhalen te zijn of ze alle op een ander vaarwater aansloten, is me niet bekend. Het complex droeg daardoor de naam de "Zes wielen", een naam die men ook voor de molengroep aldaar en de later gebouwde sluis gekozen heeft.
De overhaal werd in 1756 vervangen door een sluis. De sluis had een maximale schutlengte van ca. 13 meter. De breedte was maximaal 3.16 meter en de onderdoorvaarthoogte bedroeg 1.85 meter. In 1769 kwam er ook op de Langedijk een sluis met ongeveer dezelfde lengte-breedte maat. In 1919 werd de sluis 'de Zes Wielen' verlengd en kwam de maximale lengte op 23,50 meter. In 1939 verdween de sluis en kwam er een ongehinderde doorvaart. De sluis op de Langedijk werd in 1941 vervangen door een groter exemplaar.
Tot de Langedijker maatschepen behoorden ondermeer de Langedijker damschuit, Langedijker koftjalk, de platkop aak  en enkele motorscheepjes met bovengenoemde maten.
De zogenaamde akkerschuiten uit dit gebied rekent men niet tot de maatschepen, daar de beperkte afmetingen meer een gevolg waren van de aard van gebruik en het vaarwater, dan van de eerder genoemde kunstwerken.
E> waarschijnlijk nauwkeuriger en uitgebreider verhaal op LangedijkWaterrijk.






~Langedijker akkerschuit, Broek-op-Langedijker koolschuit, Langedijker:
algemene benaming voor boerenschuiten, in die streek akkerschuiten genoemd, die voorkwamen/voorkomen in het Grootgeestmerambacht en omgeving. [A>]
De scheepjes vertonen enige overkomst met de punterachtige vaartuigen elders in het land.
Lang, over het algemeen niet al te breed, plat vlak, dat naar de stevens toe, tot de waterlijn opgebogen is. Het breedste punt van het vaartuig ligt op ca. een kwart vanaf de voorkant Bij de vaarders versmalt het vaartuig naar achter toe sterker dan bij de dragers. Rechte vrij sterk vooroverhellende stevens. Bij de houten schepen zijn de stevens, uitwendig, soms breder dan lang. Rechte eveneens vrij sterk naar buiten vallende boorden.
Veel, vooral houten, scheepjes hadden geen berghout, boeisel of bovenboord, maar waren voorzien van een vrij zwaar scheepsboord, dat ter plaatse kloetrand genoemd werd. Bij sommige stalen schuiten heeft deze kloetrand soms enige 'extra' hoogte, waardoor het onderscheid met een echt bovenboord eigenlijk wegvalt.
Zoals altijd zijn er, binnen de verschillende groepen van dit type, de nodige variaties, die veelal bepaald werden door de inzichten van de bouwer, de plaatselijke gewoonten of de wensen en financiele draagkracht van de opdrachtgever.
De voortstuwing geschiedde veelal door te bomen, hetgeen in die streek kloeten genoemd wordt, maar veel scheepjes beschikten ook over een eenvoudig spriettuig of driehoekzeil. De scheepjes bezaten geen vaste zwaarden, maar een zogenaamde overhanger.
Vanaf 1920 in toenemende mate in ijzer of staal gebouwd, na 1935 bijna geen houtbouw meer.
Na de oorlog werden een toenemend aantal scheepje van een ingebouwde voortstuwing voorzien. Melding wordt gemaakt van het gebruik van een antiwierschroef, die te Warmenhuizen uitgevonden zou zijn. [A>]
Men onderscheid ondermeer: *kloetschuitje, het *roeischuitje, het Stekertje, de *Zeilschuit, het *melkersschuitje, het *modderbakje, het *bunschuitje, de *boeier, de *ijsboeier, de *platkopschuit, de *praam (de halve praam, de driekwarter, de hele praam en de veepraam), de *vlet (veevlet), de metór, de *trekkerschuit en de *Rondkontmotorschuit. [E>]
Zie ook: strekerveldschuit.

Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen zijn de met een * gemarkeerde types in deze lijsten van het voorvoegsel 'Langedijker' voorzien.





~Langedijker bunschuit, bunschuit(je):
Langedijker akkerschuit, iets groter dan de kloetschuit, voorzien van een visbun, waarin de paling levend bewaard werd. Zowel in hout als in staal gebouwd. [A>]
Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd.





~Langedijker boeier, boeier:
Nog onvoldoende bekend. Mogelijk een Langedijker akkerschuit met een duidelijk bovenboord?
Lengte ca. 4,5 - 5,5 m. Zie ook Langedijker ijsboeier.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd.





~Langedijker damschuit:
damschuit(2) met de maten van een Langedijker(3). [A>]




~Langedijker ijsboeier, ijsboeier:
stevig gebouwde Langedijker akkerschuit met een flink bovenboord en mogelijk een vlak dat aan de voorzijde hoger opgebogen is dan gebruikelijk. Zoals de naam al zegt, gebouwd om het ijs op sloten en vaarten te breken. Zowel in hout, lengte tot ca. 5,5m., als in staal, lengte tot ca. 6,5m. gebouwd.
[A>] [E>]
Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd.





~Langedijker kloetschuit, kloetschuit(je):
Langedijker akkerschuit, die voornamelijk bomend (kloetend) werd voortbewogen. In hout tot ca. 4,5m lang, in staal tot ca. 6m. lang. [A>]
Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.





~Langedijker koftjalk, Langedijker zeilkof, Langedijker kof, koftjalk:
Maatschip van het 'type' Langedijker. Kleine tjalkachtige voor de algemene vaart. De stalen opvolger van de Langedijker damschuit.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In de streek zelf zal men misschien het voorvoegsel weglaten.
[A>] [E1>] [AE>] [S> tjalken]




~Langedijker maten:
zie bij Langedijker.




~Langedijker melkschuit(je), langedijker melkersschuit(je), melkschuit:
kloetschuitje(?) voor het vervoer van melk en melkers.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.






~Langedijker modderbak(je), modderbak(je):
voor zover bekend niet afwijkend van de andere kleine modderbakken. Lengte rond de 4 meter.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.






~Langedijker motorscheepje, Langedijks motorscheepje, Langedijker:
Motorscheepje met langedijker maten (zie bij Langedijker).





~Langedijker Platkop aak, Platkop aak, Langedijker:
1> vrij lang smal scheepstype met een knikspantromp, die aan voor en achterzijde met een bord afgesloten wordt; voorzien van zwaarden, zeiltuig en aangehangen roer. [A>] Een kanaalscheepje dat voornamelijk voor de gewone vrachtvaart gebruikt werd.
Volgens betrouwbare gegevens is het eerste exemplaar in 1895 in Zaandam gebouwd.

2> zie Langedijker platkop motoraak.




~Langedijker Platkop motoraak, Platkop motoraak, Langedijker, motoraak:
als de platkop aak, maar zonder zeilage en zwaarden en inplaats daarvan voorzien van ingebouwde mechanische voortstuwing en in sommige gevallen een laadtuig.





~Langedijker platkopschuit, platkopschuit, platkopvlet, trekkerschuit, langedijker:
Zo op het eerste gezicht een op de Langedijker vlet gelijkend type, maar dan breder. Het vlak versmalt aan voor en achterzijde echter maar weinig. Bij het voorschip loopt het vlak tot het bovenboord toe op. Achter is er een kleine niet al te hoge spiegel. [A>] Al met al wordt het dus meer een schouw of aak dan een punterachtig vaartuig. Het scheepje werd vaak gebruikt door loonwerkers en pikkeniers (hier in de betekenis van groentenventer?) en voor het transport van landbouwwerktuigen, paarden, enz. Door de grote breedte en daarmee gepaardgaande stabiliteit waren de scheepjes uitermate geschikt om als trekkerschuit gebruikt te worden.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.






~Langedijker praam, praam :
soort Langedijker akkerschuit, naar de foto's te oordelen soms met een spiegel of achterbord, soms is dit zeer klein en het lijkt er soms zelfs op alsof het alleen een zeer brede achterstevenbalk is.
De pramen zijn te onderscheiden in:
de halve praam: ca. 5,5 meter lang.
de driekwarter: ca. 6,5 meter lang. [A>]
de slikpraam: een drie kwarter met twee dwarsscheepse schotten, waartussen de lading opgeslagen werd.
de hele praam: ca. 7,5 meter lang.
de veepraam: niet voldoende bekend. Mogelijk een grote/hele praam met vloering. [A>] [E>] Mogelijk ook veevlet genoemd.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.






~Langedijker roeischuit, roeischuit:
drie tot vijf meter lange Langedijker akkerschuit. Getuige de naam moet het scheepje uitgerust zijn geweest met dollen of een dolboord? en doften.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.





~Langedijker rondkontmotorschuit, rondkontmotorschuit, motorschuit :
Langedijker akkerschuit met min of meer een achterschip als een motorscheepje, soms voorzien van een iets verhoogd achterschip. [A>]
[AE> korte beschrijving en foto's.]





~Langedijker trekkerschuit:
Waarschijnlijk een Langedijker praam of vlet gebouwd of geschikt gemaakt voor het vervoer van landbouwvoertuigen en daartoe voorzien van een aangepast voorschip met brede steven en op- en afrijvoorzieningen (rijbruggen?).  Zie ook Langedijker platkopschuit.
[EA> afbeeldingen en korte beschrijving.]
Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.






~Langedijker vlet, vlet :
nog onvoldoende bekend. Waarschijnlijk stalen opvolger van de Langedijker praam speciaal gebouwd om gesleept te worden. Grootte1 tot 4 ton. Later soms van een eigen motor voorzien en dan metor genoemd.
Indien gebruikt voor het transport van vee, soms veevlet genoemd.
Zie ook Langedijker platkopschuit.
Het woord vlet heeft in deze weinig te maken met het algemeen bekende scheepstype vlet. [uitleg]

Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.





~Langedijker zeilschuit, zeilschuit:
Langedijker akkerschuit met een eenvoudige tuigage, ongever 6m. lang.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.





~langhals(keer)koppeling, inlijn-koppeling:
reductiekeerkoppeling waarbij in- en uitgaande as in elkaars verlengde liggen.
De term inlijnkoppeling kan voor elke koppeling, waarbij in- en uitgaande as in elkaars verlengde liggen, gebruikt worden. De term langhalskoppeling heb ik tot nu toe alleen aangetroffen voor keerkoppelingen met reductie.





~langpijper:
Onvoldoende bekend. Waarschijnlijk heeft het betrekking op stoomsleepboten met een hoge slanke schoorsteenpijp of deze van één bepaalde firma moeten zijn is me niet bekend.




~langsden:
één der, als fundatie, in de lengterichting van de helling gelegde, balken.




~langsdoft:
langsscheepse zitbank/plank.




~langsgetuigd, langsscheepsgetuigd:
voorzien van een langsscheepstuig.




~langshelling:
helling, waarbij het schip in de lengterichting in of uit het water gebracht wordt. [A>]





~langskrib:
ongebruikelijke term voor strekdam.




~langslag:
1>
langsslag.
2> zie langslagtouw.




~langslagtouw:
touw, waarvan de vezels en kardelen tijdens het slaan slechts weinig ineen gedraaid zijn.




~langsligger:
stringer of weger.




~langsligging:
de wijze waarop het schip langsscheeps gezien in het water ligt; voorover of achterover of horizontaal.
Verwante termen: koplast, achterlast.




~langsscheeps:
in de lengterichting van het schip.




~langsscheepsgetuigd: zie langsgetuigd.




~langsscheepstuig:
tuigage met als belangrijkste zeil, een langsscheepszeil.




~langsscheepsverband:
houten of stalen delen, binnen de romp, die dwarsscheepse delen verbinden en bijdragen tot de sterkte van het vaartuig.





~langsscheepszeil:
een zeil waarvan het punt waarom het zeil kan draaien zich op of nabij de rand van het zeil bevindt.
Langsscheepse zeilen zijn te onderscheiden in:
>> zeilen, die met een rand, het voorlijk, aan een mast bevestigd zijn. Dat zijn ondermeer: het gaffelzeil, het sprietzeil en het driehoekzeil.
>> zeilen waarvan het voorlijk aan een stag bevestigd is, de stagzeilen. Dat zijn ondermeer: de fok, de kluiver en het bezaanstagzeil.
>> zeilen die min of meer vrij hangen. Dat zijn onder meer: de vlieger, de aap, de blinde, het waterzeil, het gaffeltopzeil en de aap.
>> zeilen waarvan het draaipunt (deels) net achter het meest voorlijke punt ligt. Dat zijn onder meer: het loggerzeil en het latijnzeil.
Gerelateerde term: dwarsscheepszeil.




~langsslag:
staaldraad waarvan de richting waarin de kardelen geslagen zijn, gelijk is aan de richting waarin de staaldraad geslagen is. Bij touw is dit niet mogelijk.




~langswaring:
Gronings voor gangboord.




~langszij, langszijde:
naast een ander schip vastgemaakt zijn.
LANGSZIJ KOMEN
: naast een ander schip gaan liggen.




~langszijde:
verouderde vorm van langszij.




~langzaamlopend:
van motoren: met een maximaal toerental van 500 t.p.m. In de jaren zestig verhoogd naar ca. 750 t.p.m. In watersportkringen maximaal 2000 t.p.m.




~langzaamloper:
langzaamlopende diesel- of gloeikopmotor. [A>] [A> film]




~laning, lanen, laring, laningen, laan, lading:
mogelijk termen met verschillende betekenissen, maar veelvuldig door elkaar gebruikt voor:
a> een houten vloerplank in een bewoond vertrek of in de kuip.  Verwante term: buddeling.
b> de gehele vloer in een bewoond vertrek of een kuip.
c> de bodem onder een kooi.




~laningen:
1> laning.

2> rooster op kooibodem.





~lantaarn, :
1> scheepslantaarn:
oude, algemene benaming voor een navigatielicht (waarbij het licht opgewekt wordt met behulp van een vlam).
Gerelateerde termen: inzetcilinder, schoorsteen.

2> uit de oude zeevaart afkomstige benaming voor een koekoek.





~lantaarnbak:
zie bij lichtbak.





~lantaarnmast:
zie bij lichtmast.





~lantaarnscepter:
scepter, aan de bovenzijde voorzien van een soort vork, waarop een navigatielantaarn geplaatst wordt. [A>] Aanverwante term: draaiijzer.


Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken