Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
soort stalen blok waarvan het 'huis' alleen een deel aan de bovenzijde bedekt.
~laadboot:
naar het schijnt een Maleis woord voor vrachtschip. Het is in ieder geval geen Nederlands.
~laadbord: 1> houten bord, dat tegen de buitenzijde van de romp gehangen wordt, om het schip tijden het laden te beschermen. Bij binnenvaartschepen
weinig gebruikt.
2> schotten, die bij het transport van stenen gebruikt werden. Hoe en waar is helaas nog niet bekend.
~laadbrug: 1> soort oprit voor
vrachtwagens, waarmee men dan de lading
direct
in het schip kan storten.
2> op de
wal geplaatste constructie
waarmee schepen geladen en gelost kunnen worden. De laadbrug is een
soort van over het water uitgebouwde portaalkraan in
vakwerkconstructie. Onder het horizontale gedeelte beweegt zich een
grote zware
grijper. Het
geheel wordt vaak vanuit een meerijdende cabine, de kat, bediend. Bij deze constructies
is het boven water
stekende deel opklapbaar. De laadbrug wordt
hoofdzakelijk gebruikt voor de overslag van bulkgoed
vanuit zeeschepen in binnenvaartschepen.
Gerelateerde termen: uitlegger,
loopkat, kat.
~laaddag:
1>
één
der, in de vrachtbrief
of bij
Koninklijk besluit vastgelegd aantal dagen, waarbinnen het schip
na de (afgesproken) aankomst op de laadplaats,
geladen moet zijn.
2> dag dat men ligt te laden.
~laaddek: dek of gedeelte daarvan, dat bestemd
is
voor het plaatsen van de te vervoeren lading.
Meestal van toepassing op oude veer-,
beurt- en lijnschepen.
Ook beschikken sommige zolderschuiten
over een laaddek.
~laadgiek,
laadarm:
eenvoudige, tegenwoordig vaak hydraulische bediende, 'hijs'inrichting, meestal bestaande uit een vrij korte mast, mogelijk ook koning geheten en een vrij lange 'laadboom', gebruikt voor het laden (en lossen) van het vaartuig.
Gerelateerde termen: losgiek, bunkergiek.
~laadhoogte:
de afstand tussen de ledige waterlijn en de geladen waterlijn bij maximale toegelaten belading. De laadhoogte komt dus (in theorie. Zie winst en verlies) overeen met de lengte van de ijkschaal.
~laadinstallatie:
1> ongebruikelijke naam
voor hijstuig.
2>
werktuigelijke
inrichting, waarmee een schip
geladen kan
worden.
~laadkist: 1> goed Nederlandse, maar toch ongebruikelijke, term voor container.
2> eigenlijk willekeurige kistvormige verpakking die gebruikt wordt om goederen te transporteren.
~laadkoker:
meestal
vierkante houten koker, waardoor blukgoed
ook op moeilijk toegankelijke plaatsen in het ruim
gestort kon worden. Ondermeer toegepast in de tijd dat men met
kruiwagen en grijpers laadde
en men de
ruimte
onder de roef nog als laadruimte
benutte.
1> stalen, maar vroeger ook
houten mast, waaraan
één of twee laadbomen
bevestigd zijn. [A> nr.2]
In tegenstelling tot de zelflosser steken de bomen van laadmasten meestal niet voorbij de uiteinden van de luikenkap. De lengte van de mast is niet groot; de afstand tussen de lummel en de onderste mastband is vaak niet meer dan 0,6x de lengte van de boom (tussen lummel en laadreep). De zijstagen zijn erg gespreid; twee zijstagen één aan elke zijde van het schip, grijpen aan een eind voor de mast (dezen MOETEN bij het strijken van de mast los genomen worden), twee zijstagen ter hoogte van de mast en bij gebruik van twee bomen, ook twee zijstagen, die een eind achter de mast aangrijpen. Behalve de zijstagen kunnen er, vooral bij installaties met twee laadbomen, ook nog bakstagen aanwezig zijn. Deze kunnen dan zowel voorwaarts als achterwaarts staan. De bomen worden met de boomtalie op hoogte gesteld en met de hanger geborgd. De boom wordt met behulp van gaarden of zwenkdraden heen en weer bewogen. De last wordt met de hijstalie gehesen.
meestal tijdelijke,
op
het achterste deel van de den
of het achterdek
geplaatste houten
constructie, waarin een deel van de lading of deklast
geborgen werd. Zie ook potkast, zomerroef.
~laadruimte:
willekeurig deel van een vaartuig,
waarin men lading bergt. Bijvoorbeeld: het gedeelte van een open
vaartuig, dat bestemd is voor de lading.
Zie ook ruim.
Het laadvermogen werd vroeger uitgedrukt in lasten (1 last = 2 ton), later in tonnen gewicht (1 ton = 1000 kg) en weer later in tonnen waterverplaatsing (1 ton = 1m³).
~laadvloer:
ongebruikelijk synoniem voor buikdenning; mogelijk
alleen van toepassing voor open vaartuigen en dekschepen.
schema volgens welke de ruimen van een vrachtschip geladen moeten worden. Elk schip heeft, om opladen of doorladen te voorkomen, een bepaalde laadvolgorde. Het is, echter lang niet altijd mogelijk zich aan deze laadvolgorde te houden.
~laafnet:
soort schepnet, waarmee de vis uit het visnet
geschept wordt.
~labberen:
men zegt dat het zeil
labbert, wanneer het uitgewaaid
is of
wanneer er te weinig spanning op de lijken
staat,
waardoor er, terwijl men de wind in de zeilen heeft, toch
veranderlijke rimpels en plooien ontstaan.
~ladderbok:
onderdeel van een emmermolen. Stalen constructie op het uiteinde van het ponton, waartussen de emmerladder opgehangen is.
~ladderring:
grofmazig net, dat als een scherm voor het eigenlijke vangnet hangt. Ondermeer toegepast bij het schakelnet en het drijfnet.
~ladderketting,
jacobsladder:
onderdeel van een emmermolen. Eindeloze aaneenschakeling van elementen met emmers waarmee de bodem van het vaarwater afgegraven kan worden.
~ladingaanbod: 1> de totale hoeveelheid vracht, die op een gegeven moment vervoerd moet worden.
2> de soort lading die in een bepaalde periode in een bepaald gebied te vervoeren valt.
~ladingdek: dek, waarop men lading
stouwt. Vrijwel alleen aanwezig op de grotere schepen
waarmee veer- of lijndiensten
onderhouden worden.
~ladingdocument,
ladingpapier:
willekeurig document dat betrekking heeft op de lading.
Het belangrijkste document is de vrachtbrief.
~ladingjournaal:
soort dagboek, dat op tankschepen
bij gehouden moet worden en waarin de soort lading
en de data waarop deze geladen
en gelost
is, vermeld is.
~ladingmeester:
persoon,
die, voor de verlader
of ontvanger,
toezicht houdt op het laden
of lossen.
~ladingmeter:
(electronisch)
systeem waarmee de hoeveelheid lading,
die
in
het schip zit, gemeten kan worden.
~ladingmonster:
een zeer kleine hoeveelheid van de lading,
op
verschillende plaatsen in de lading, of in verschillende tanks,
genomen, waarmee de kwaliteit van de lading vastgesteld kan worden.
~ladingtank, trunk:
vast ingebouwde
tank,
waarin vloeibare lading,
gas, of
poederachtige
stoffen vervoerd worden.
[A>ladingtank
inwendig.]
Gerelateerde termen: tankhoofd.
~ladingtonkilometer:
door de overheid gehanteerde eenheid, waarmee de productieviteit van een schip/schipper 'gemeten' werd.
Wilde men (vroeger) zijn vervoersvergunning behouden, dan moest men per jaar aan voldoende ladingtonkilometers komen. Een ladingtonkilometer is het product van (via de beurs) verkregen lading, gemeten in tonnen en de afstand, in kilometers, waarover deze vervoerd is. Verder informatie hieriver ontbreekt nog. Wel is bekend dat een klein schip in 1983 aan 83.300 ladingtonkilometers moest komen wilde het de vergunning behouden.
metalen constructie waarin een rol of glijlager opgenomen is en dat voorzien is van een constructie waarmee de stoel onbeweeglijk met het schip verbonden kan worden.
~lagerwal, lijwal:
de wal
waar de wind vanaf het water naar het land komt.
~Lahnaak:
soort Keen zonder luikenkap.
De Lahnaak of Leunder was een soort Keen, die meestal niet van een luikenkap voorzien was. Ze kwamen uit de streek bij het dorp Leun in het Duitse Hessen, aan het riviertje de Lahn, een zijtak van de Rijn.
~lak, jachtlak, vernis, blanke lak:
vloeibare substantie op basis van hars zonder kleurpigmenten, die na opdroging/uitharding een harde, vaak glanzende, beschermende laag op de ondergrond waarop het opgebracht is, achterlaat.
Onder jachtlak verstaat men gewoonlijk synthetische lak, vernis is meestal op basis van natuurlijke harsen gemaakt.
Vernis werd vooral voor mooi hout gebruikt: afwerkingsstroken van de binnenbetimmering, de stuurhut, het naambord, e.d. Voor al het andere hout (de rondhouten) gebruikte men lijnolie, verf, bruine teer, e.d.
BELGISCHE LAK
:
mengsel van lijnolie, blanke lak en wat dieselolie. Meestal gebruikt om staal aan de binnenzijde te conserveren.
~lakverf: 1> tegenwoordig: een harde glanzende verfsoort die zowel voor de tussenlagen als voor de afdekkingslaag gebruikt wordt.
2> vroeger: een glanzende duurzame verfsoort die, daar zij roestbevorderend was, uitsluitend als afwerkingslaag gebruikt mocht worden. Deze verf werd strijkklaar vanaf de fabriek geleverd. Lees ook bij verf.
De termen lamme-arm en lamme-vlerk schijnen niet algemeen in gebruik geweest te zijn. Mogelijk bleef het gebruik van deze eerste termen beperkt tot het noorden van ons land. Vooral de laatste decennia zijn deze termen populair geworden. De term zijschroef was algemener.
~lampenhut:
kleine ruimte aan boord van de grotere schepen, zoals radersleepboten, stoompassagiersschepen e.d. waarin de petroleumlantaarns plus alle daarbij behorende zaken opgeslagen waren.
Het ging hierbij niet alleen om de navigatielichten van het schip, ook voor de vele vertrekken en als dekverlichting gebruikte men petroleumlantaarns.
voorziening die automatisch van lamp wisselt, wanneer er een lamp kapot gaat. Dit soort voorzieningen worden voornamelijk toegepast in lichtbakens.
Lampwisselaars gebruiken meestal 3 tot 6 lampen. Een microprosessor controleert de toestand van de in werking zijnde lamp en zodra de lamp stuk gaat, wordt er een motor geactiveerd die de volgende lamp in de bovenste positie draait waarbij deze dan in werking treedt. De eenheid is vaak gecombineerd met een programeerbare 'knipperlicht' en duisternisschakeling, een laadinrichting voor voeding door zonnecellen en soms zelfs met een zendertje waarmee de belangrijkste gegevens over de toestand van de elctrische installatie in het lichtbaken over gezonden kan worden.
~landen:
1> met een schip ergens
tegen een oever,
o.i.d. gaan liggen. De term wordt zelden nog gebruikt. Zie ook: aanlanden. 2> verouderde
term voor: ontschepen, lossen.
~landhoofd,
walhoofd:
met het land verbonden, gesloten, gedeelte van een kunstwerk.
Gerelateerde term: sluishoofd.
~landingsplaats:
plaats
waar
een schip tegen de oever
komt. Voornamelijk gebruikt voor ponten
en veerboten.
~landjevaarder:
in
Groningen
gebruikte term voor een schipper
op een jaag- of trekschuit.
~landtong:
in het vaarwater
uitstekende, smalle strook land.
~landvast: touw waarmee men een stilliggend schip
vastlegt.
De term landvast wordt onder de beroepsvaart niet gebruikt. Het is een uit de zeevaart overkomen waaien watersportersterm. Voor de duidelijkheid heb ik deze term, vaker dan mij lief was, moeten gebruiken. Schippers noemen het meestal gewoon een touw, soms een tros of
een lijntje, of in sommige gevallen een meertouw, meerdraad, o.i.d.
Specifieker benoemd worden de 'touwen' met de termen: vooreind, achtereind, steekeind of spring en achtersteekeind of achterspring.
~landvolk:
allen, die niet op een schip wonen. Vergelijk: walvolk.
2>maatschip.
Willekeurig schip met hooguit de
maximale maten waarmee vanuit Alkmaar de Langedijk bereikt kon worden. [A>]
Eerst werden de afmetingen bepaalt door een overhaal
in de Hoornsevaart te Oudorp bij Alkmaar.
Op die plaats schenen 3 overhalen
te zijn of ze alle op een ander vaarwater aansloten, is me niet bekend.
Het complex droeg daardoor de naam de "Zes wielen", een naam die men
ook voor de molengroep aldaar en de later gebouwde sluis gekozen heeft.
De overhaal werd in 1756 vervangen door een sluis. De sluis had een maximale schutlengte van ca. 13 meter. De breedte was maximaal 3.16 meter en de onderdoorvaarthoogte bedroeg 1.85 meter.
In 1769 kwam er ook op de Langedijk een sluis met ongeveer dezelfde lengte-breedte maat.
In 1919 werd de sluis 'de Zes Wielen' verlengd en kwam de maximale lengte op 23,50 meter.
In 1939 verdween de sluis en kwam er een ongehinderde doorvaart. De sluis op de Langedijk werd in 1941 vervangen door een groter exemplaar.
Tot de Langedijker maatschepen behoorden ondermeer de Langedijker
damschuit, Langedijker koftjalk, de platkop aak en
enkele motorscheepjes
met bovengenoemde maten.
De zogenaamde akkerschuiten uit dit gebied rekent men niet tot de
maatschepen, daar de beperkte afmetingen meer een gevolg waren van de
aard van gebruik en het vaarwater, dan van de eerder genoemde kunstwerken. E> waarschijnlijk
nauwkeuriger en uitgebreider verhaal op LangedijkWaterrijk.
~Langedijker akkerschuit,
Broek-op-Langedijker koolschuit,
Langedijker:
algemene benaming voor boerenschuiten,
in die streek akkerschuiten
genoemd, die
voorkwamen/voorkomen in het Grootgeestmerambacht en omgeving. [A>]
De scheepjes vertonen enige overkomst met de punterachtige
vaartuigen elders in het land.
Lang, over het algemeen niet al te breed, plat vlak,
dat naar de stevens toe, tot de waterlijn opgebogen is. Het
breedste punt
van het vaartuig ligt op ca. een kwart vanaf de voorkant Bij de vaarders versmalt het vaartuig naar
achter
toe sterker dan bij de dragers.
Rechte
vrij sterk vooroverhellende stevens.
Bij de houten
schepen zijn de stevens, uitwendig, soms breder dan lang. Rechte
eveneens vrij sterk naar buiten vallende boorden.
Veel, vooral houten, scheepjes hadden geen berghout, boeisel of bovenboord, maar waren voorzien
van een vrij zwaar scheepsboord,
dat
ter plaatse kloetrand genoemd
werd. Bij sommige stalen schuiten heeft deze kloetrand soms enige
'extra' hoogte, waardoor het onderscheid met een echt bovenboord
eigenlijk wegvalt.
Zoals altijd zijn er, binnen de verschillende groepen van dit type, de
nodige variaties, die
veelal bepaald werden door de inzichten van de bouwer, de
plaatselijke
gewoonten of de wensen en financiele draagkracht van de opdrachtgever.
De voortstuwing geschiedde veelal door te bomen,
hetgeen in die streek kloeten
genoemd wordt,
maar veel scheepjes beschikten ook over een
eenvoudig spriettuig of driehoekzeil. De scheepjes
bezaten geen
vaste zwaarden, maar een
zogenaamde overhanger.
Vanaf 1920 in toenemende mate in ijzer of staal gebouwd, na 1935 bijna
geen houtbouw meer.
Na de oorlog werden een toenemend aantal scheepje van een ingebouwde
voortstuwing voorzien. Melding wordt gemaakt van het gebruik van een
antiwierschroef, die te Warmenhuizen uitgevonden zou zijn. [A>]
Men onderscheid ondermeer: *kloetschuitje,
het *roeischuitje,
het Stekertje, de *Zeilschuit,
het *melkersschuitje,
het *modderbakje,
het *bunschuitje, de
*boeier,
de
*ijsboeier, de *platkopschuit, de *praam (de halve praam, de
driekwarter,
de hele praam en de veepraam), de *vlet
(veevlet), de metór, de *trekkerschuit en
de *Rondkontmotorschuit.
[E>]
Zie ook: strekerveldschuit.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde
naamgeving te voorkomen zijn de met een * gemarkeerde types in deze
lijsten van het voorvoegsel 'Langedijker' voorzien.
~Langedijker ijsboeier, ijsboeier:
stevig gebouwde Langedijker
akkerschuit met een flink bovenboord
en mogelijk een vlak dat aan de
voorzijde
hoger opgebogen is dan gebruikelijk. Zoals de naam al zegt, gebouwd om
het ijs op sloten en vaarten te breken. Zowel in hout, lengte tot ca.
5,5m., als in staal, lengte tot ca. 6,5m. gebouwd.
[A>]
[E>]
Om verwarring met scheepjes met dezelfde
naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd.
~Langedijker kloetschuit,
kloetschuit(je): Langedijker akkerschuit,
die voornamelijk bomend
(kloetend) werd voortbewogen. In hout tot ca. 4,5m lang, in staal tot
ca. 6m. lang. [A>]
Om verwarring met scheepjes met dezelfde
naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In
de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde
naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In
de streek zelf zal men misschien het voorvoegsel weglaten.
~Langedijker melkschuit(je),
langedijker melkersschuit(je), melkschuit: kloetschuitje(?)
voor het
vervoer van melk en melkers.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde
naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In
de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.
~Langedijker modderbak(je),
modderbak(je):
voor zover bekend niet afwijkend van de andere kleine modderbakken.
Lengte rond de 4 meter.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde
naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In
de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.
~Langedijker Platkop motoraak,
Platkop motoraak,
Langedijker,
motoraak:
als de platkop aak, maar zonder zeilage en zwaarden en inplaats daarvan voorzien van
ingebouwde mechanische voortstuwing en in sommige gevallen een laadtuig.
Zo op het eerste gezicht een op de Langedijker
vlet gelijkend type, maar dan breder. Het vlak
versmalt aan voor en achterzijde echter maar weinig. Bij het voorschip loopt het vlak tot het bovenboord toe op. Achter is er
een
kleine niet al te hoge spiegel. [A>] Al met al wordt het dus
meer een schouw of aak
dan een punterachtig vaartuig. Het
scheepje werd vaak gebruikt door loonwerkers en pikkeniers (hier in de
betekenis van groentenventer?) en voor het transport van
landbouwwerktuigen, paarden, enz. Door de grote breedte
en daarmee gepaardgaande stabiliteit waren de scheepjes uitermate geschikt om als trekkerschuit
gebruikt te worden.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde
naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In
de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.
soort Langedijker
akkerschuit,
naar de foto's te oordelen soms met een spiegel
of achterbord, soms is dit
zeer klein
en het lijkt er soms zelfs op alsof het alleen een zeer brede achterstevenbalk is.
De pramen zijn te onderscheiden in:
de halve praam: ca. 5,5 meter
lang.
de driekwarter: ca. 6,5 meter
lang. [A>]
de slikpraam: een drie kwarter
met twee dwarsscheepseschotten, waartussen de lading
opgeslagen werd.
de hele praam: ca. 7,5 meter
lang.
de veepraam: niet voldoende
bekend. Mogelijk een grote/hele praam met vloering.
[A>]
[E>] Mogelijk ook veevlet genoemd.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde
naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In
de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde
naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In
de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.
~Langedijker trekkerschuit:
Waarschijnlijk een Langedijker
praam of vlet
gebouwd of geschikt
gemaakt voor het vervoer van landbouwvoertuigen en daartoe voorzien van
een aangepast voorschip met
brede steven en op- en
afrijvoorzieningen (rijbruggen?).
Zie ook Langedijker
platkopschuit.
[EA>
afbeeldingen en korte
beschrijving.]
Om verwarring met scheepjes met dezelfde
naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In
de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.
~Langedijker vlet,
vlet:
nog onvoldoende bekend. Waarschijnlijk stalen opvolger van de Langedijker praam speciaal
gebouwd om gesleept te worden.
Grootte1 tot 4 ton. Later
soms van een eigen motor voorzien en dan metor
genoemd.
Indien gebruikt voor het transport van vee, soms veevlet genoemd.
Zie ook Langedijker
platkopschuit.
Het woord vlet heeft in deze weinig te maken met het algemeen
bekende scheepstype vlet. [uitleg]
Om verwarring met scheepjes met dezelfde
naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In
de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.
Om verwarring met scheepjes met dezelfde
naamgeving te voorkomen is het voorvoegsel 'Langedijker' toegevoegd. In
de streek zelf zal men over het algemeen het voorvoegsel weglaten.
De term inlijnkoppeling kan voor elke koppeling, waarbij in-
en
uitgaande as in elkaars verlengde liggen, gebruikt worden. De term
langhalskoppeling heb ik tot nu toe alleen aangetroffen voor keerkoppelingen met reductie.
~langpijper:
Onvoldoende bekend. Waarschijnlijk heeft het betrekking op stoomsleepboten met een hoge
slanke
schoorsteenpijp of deze van één bepaalde firma moeten
zijn is me niet bekend.
~langsden:
één
der, als fundatie, in de
lengterichting van de helling
gelegde,
balken.
~langsligging:
de wijze waarop het schip langsscheeps
gezien in het water ligt; voorover of achterover of horizontaal.
Verwante termen: koplast, achterlast.
~langsscheeps:
in de
lengterichting van het schip.
~langsscheepsverband:
houten of stalen delen, binnen de romp,
die
dwarsscheepse delen verbinden en bijdragen tot de sterkte van het vaartuig.
~langsscheepszeil:
een zeil waarvan het punt waarom het zeil kan draaien zich op of nabij de rand van het zeil bevindt.
Langsscheepse zeilen zijn te onderscheiden in:
>> zeilen, die met een rand, het voorlijk, aan een mast bevestigd zijn. Dat zijn ondermeer: het gaffelzeil, het sprietzeil en het driehoekzeil.
>> zeilen waarvan het voorlijk aan een stag bevestigd is, de stagzeilen. Dat zijn ondermeer: de fok, de kluiver en het bezaanstagzeil.
>> zeilen die min of meer vrij hangen. Dat zijn onder meer: de vlieger, de aap, de blinde, het waterzeil, het gaffeltopzeil en de aap.
>> zeilen waarvan het draaipunt (deels) net achter het meest voorlijke punt ligt. Dat zijn onder meer: het loggerzeil en het latijnzeil.
Gerelateerde term: dwarsscheepszeil.
~langsslag: staaldraad
waarvan de richting waarin de kardelen
geslagen zijn, gelijk is aan de richting waarin de staaldraad
geslagen is. Bij touw is
dit niet mogelijk.
~langzaamlopend:
van
motoren:
met een maximaal toerental van 500 t.p.m. In de jaren zestig verhoogd
naar ca. 750 t.p.m. In watersportkringen maximaal 2000 t.p.m.
~laning, lanen,
laring, laningen,
laan, lading:
mogelijk termen met verschillende betekenissen, maar veelvuldig door
elkaar gebruikt voor: a> een houten vloerplank in een
bewoond vertrek of in de kuip.
Verwante term: buddeling. b>
de gehele vloer in een bewoond vertrek of een kuip. c> de
bodem onder een kooi.
1>scheepslantaarn:
oude, algemene benaming voor een navigatielicht
(waarbij het licht opgewekt wordt met behulp van een vlam).
Gerelateerde termen: inzetcilinder, schoorsteen.
2>
uit de oude zeevaart afkomstige benaming voor een koekoek.
~lantaarnscepter: scepter,
aan de bovenzijde voorzien van een soort vork, waarop een navigatielantaarn geplaatst
wordt. [A>]
Aanverwante term: draaiijzer.