Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
De aan elkaar geschreven vorm 'kopvoornemen' zou onder invloed van P. Versnel's Vakwoordenboek kunnen zijn ontstaan.
KOP OP DE EB
,
KOP OP DE VLOED
, lijken geen gebruikelijke Nederlandse termen te zijn. Tot nu toe heb ik ze alleen aangetroffen in vertaallijsten. Bijv. p. Versnel's Vakwoordenboek; een uitleg wordt dus niet gegeven.
soort miniatuur duwbak bestemd om voor bakken en pontons met een platte voorkant te koppelen. [A>] Pontons en sommige duwbakken, o.a. Lash- en Baco-bakken beschikken niet over eigen ankergerei en verlichting. Deze bakken worden, wanneer ze de voorkant van een duwcombinatie vormen, voorzien van een kopbak, die dus over ankergerei, verlichting, ballasttanks (ledige en volle bakken verschillen immers in diepgang) en in sommige gevallen een boegschroef beschikken. Zo voldoet dus een duwcombinatie weer volledig aan de eisen. (Met dank aan J. v. Haarlem).
Veel ponten moeten wanneer zij aan de oever aangeland zijn, voor alle zekerheid (want meestal blijft men met draaiende schroef liggen) vast gelegd worden. Hiervoor gebruikt men een eind touw, staaldraad of herculestouw met twee lussen. Een kleine lus, die krap om de bolder op de pont past (soms wordt deze m.b.v. een kies nog verder verkleind) en een ruimere lus voor rond de walbolder. Op sommige ponten is men er toe over gegaan speciale bevestigingspunten voor de kopdraad te maken. Meestal is op elk hoekpunt van de pont een dergelijke tros aanwezig.
~kopbolder:
ongebruikelijke term voor stevenbolder.
~kopdraadscepter:
stalen vertikale steun waaraan de kopdraad opgehangen kan worden.
Vermoedelijk is dit koperen alleen toegepast op schepen van de overheid en dan alleen nog op schepen welke vrijwel permanent op zoutwater verkeerden. Het moest het hout tegen het aangroeien en aantasting, door de paalworm, beschermen.
Bij het koperen werd de romp vanaf de geladen waterlijn tot en met de kiel met dunne platen koper bedekt. Deze platen werden met huidnagels tegen het schip vastgezet.
~kopergeklonken:
door middel van koperen (of messing) pennen aan elkaar geklonken zijn. Het met koper klinken wordt vrijwel alleen bij kleine houten scheepjes toegepast. [T>]
~kophout:
kort stuk rond hout met in beide uiteinden een rond gat, waardoor het voor- en het achterlijk bij de top van een fok geleid kunnen worden.
Het kophout is een soort fokkegaffel, maar dan eentje die in het zeil opgenomen is. Het doorlopende lijketouw wordt boven het kophout tot een oog gebindseld.
soort boeier meestal van redelijk formaat en met een soort klein paviljoen of groot achterhuisje. De voorstevenbalk eindigt in een sterk opwaarts gerichte scherpe punt. Het vlak is vrij plat en breed, de kimmen vrij krap. Het achterschip is echter sterk geveegd/behaald en tevens gepiekt. De achtersteven helt iets achterover. Het boeisel is soms vrij laag, soms echter opgehoogd met een extra rand, een soort waterbord. Het berghout heeft ook in de zijde de nodige dikte en eindigt zowel tegen voor- als achtersteven in slemphouten. Het vaartuig is meestal voorzien van een gaffeltuig met korte gaffel.
De schepen werden zo genoemd omdat het roerbeeld een hoofd was. In veel gevallen een mannenhoofd getooid met hoed (waarop dan een krokodillen figuur zat). Ook sommige 'gewone' boeiers, Statenjachten en tjalkachtigebeurtschepen gebruikte echter een dergelijk hoofd als roerbeeld hetgeen het onderscheiden van de verschillende types er niet makkelijker op maakt.
Het kopjacht was zeer zeker niet alleen een pleziervaartuig. Het werd vaak ook gebruikt om proeven of monsters van handelswaar naar de kopers/handelsmarkten te brengen. Terwijl grotere exemplaren, zo'n 16 meter lang, ook als veerschip dienst deden.
Kopjachten trof men voornamelijk in de Zaanstreek en langs de Noord-oever van het IJ aan.
~koplader:
een pont die alleen over de voorsteven zijn lading (personen, fietsen, auto's, treinwagons) aan en van boord kan zetten. [A>]
Gerelateerde term: zijlader, achterlader.
~kopleguaan: leguaan welke aan de voorsteven bevestigd is.
Aangezien dit de normale plaats voor een leguaan is, laat men het voorvoegsel kop bijna altijd weg. Voor zover bekend is er geen gangbare term voor een leguaan op het achterschip.
~koppelen:
twee of meer vaartuigen onwrikbaar met elkaar verbinden, opdat ze tijdens het varen als één groter vaartuig zullen gedragen.
GEKOPPELD VAREN
: met twee schepen, die langszij van elkaar vastgemaakt zijn varen, soms ook stevelen.
GEKOPPELD SLEPEN
: met twee schepen, die langszij van elkaar vastgemaakt zijn en waarvan één schip niet over een middel tot voortstuwing beschikt, varen.
~koppeldeur: sluisdeur welke gebruikt wordt om de waterdruk welke op de deur van een schutsluis, waarmee de koppeldeur verbonden is, heerst, op te heffen.
Het gaat er hierbij om, om, net als bij een waaiersluis, de deur te kunnen openen wijl het waterniveau voor en achter de deur nog verschillend is. Anders dan bij de waaiersluis is de koppeldeur via een mechanisme met de deur welke de kolk moet afsluiten gekoppeld. Bij een waaierdeur vormen die twee deuren één solide constructie.
Men krijgt de indruk dat het meestal gaat om een verbinding tussen een (van oorsprong) stromend water en kanaal. Onderandere de sluis die de Pekel Aa, via het Pekelder Hoofddiep, met het Stadskanaal/Boerendiep verbindt en de sluis tussen de Biltsche of Zeistergrift en de Blikkenburgsche Vaart naar Slot Zeist wordt een koppelsluis genoemd. Ook Amersfoort kende terweerszijden van de Koppelpoort de grote en kleine koppelsluis welke de stadssingel met de Eem koppelden.
Het gaat hier om benamingen die reeds voor 1900 hun beslag vonden.
Wijd verbreid lijkt deze term niet geweest te zijn.
In het blad 'De Ingenieur' van 1905-1906 wordt in verband met bepaalde sluizen in het Panamakanaal de term koppelsluis gehanteerd. Daarna lijkt de term in deze betekenis in onbruik te geraken tot hij rond 2010 bij de aanleg van de vaarverbinding Erica - Ter Apel weer opduikt.
permanent opgestelde voorzieningen in de duwvaart, die het mogelijk moeten maken, twee schepen onwrikbaar met elkaar te verbinden. [A>]
Gerelateerde termen: koppellier,
knikkoppeling,
duwsteven,
duwknie.
De term ben ik nog niet tegengekomen en ook Google geeft nul resultaten. Voor een beter begrip is het echter noodzakelijk dat ik deze term aan de lijsten toevoeg. (mei 2010)
1> bij vrachtschepen: het verwijderen van het bestaande voorschipen er een voorschip met een ander model voor in de plaats brengen.
Tentijde van de tweede wereldoorlog zijn een flink aantal binnenvaartschepen door de bezetter gekopt. Ze kregen dan een voorschip zoals dat van een landingsvaartuig of er werd een rijklep in het voorschip aangebracht. Men dacht ze zo geschikt te kunnen maken voor een landing in Engeland.
Ook in de begin van de duwvaart zijn er schepen gekopt om ze van een duwbakkenneus te kunnen voorzien.
2> het rechttrekken van de voorsteven van een klipper. Een klipper waarbij zulks gebeurt is noemt men een gekopte klipper. [A>]
~koppengeld:
bepaald bedrag, dat de gezamenlijke zalmvissers, die in loondienst werkten, per gevangen exemplaar ontingen.
Zie ook vangstpremie.
~koppetje:
kleine ronde dikke schijf die in een strop of lus opgenomen is. De schijf is voorzien van een afgerond gat woordoor een touw gehaald kan worden. Het geheel fungeert als een soort blokje en wordt meestal gebruikt als een beweeglijke verbinding voor een touwspruit of voor de geleiding van een touw van het lopend want.
~kopplaat: 1> ongebruikelijk synoniem voor stevenplaat.
~kopstringer:
onbekende term voor een stringer in het voorschip. (1x vermeld)
~kopstuk: 1> vrij onbekende term voor de klik op de voorstevenbalk. Een wegklapbaar kopstuk wordt door sommige mensen abusievelijk een klapmuts genoemd.
2>spiegel: houten dubbeling op de kop van het zwaard. Het kopstuk verbindt de uiteinde van de zwaardposten met elkaar.
~kor,
kornet,
sleepnet: 1a> zakvormig visnet, dat men over de bodem voortsleept en dat aan de voorzijde door een boom opengehouden wordt. Vergelijk sleepkuil.
De betekenissen van de termen 'kor' en 'sleepkuil' worden soms door elkaar gebruikt. De sleepkuilen hebben echter geen boom welke de voorzijde openhoudt.
Naar men zegt is de kor specifiek voor platvis en garnaal bedoeld.
~kordeelbak:
nog niet bekend. Een houten, rechthoekige, lage bak.
Gelet op de betekenis van het woord kordeel is het waarschijnlijk, dat het een bakje is waarin het aas gelegd wordt. De haken van het hoekwant zitten op de randen van de bak en worden na het aanpikken van het aas op een stok gezet. Daarmee wordt dan de beug uitgezet.
~korder:
persoon of schip dat met het kornet vist.
~Kortenhoefse boot:
roeischouw met een ongeveer vertikaal staand bovenboord. Voor- en achterbord vallen naar buiten. Ondanks een flinke stapeling van het vlak (12:1) vertoont de bovenrand nauwelijks zeeg. Men kende een 12 en een 14 voets boot. De grootste had twee paar dollen.
Bron: Schutten blz.278.
De schuitjes worden in plaatselijk dialect ke`toever genoemd.
vaartuig van ongeveer gelijke constructie als de Kortenhoefse bok/Hollandse bok, doch wat kleiner. Hij mat circa 8,5 bij 2,2 meter.
Bron: GJ Schutten blz. 278. Schutten tekent de praam met een stevenbalk welke breder is dan diep. Bij de door hem getekende bok is dat omgekeerd. De brede steven siert menige schuit uit de Hollandse gewesten. De drie 'nagels' zijn daarbij een standaard versiering.
~korthals(keer)koppeling: keerkoppeling, met gedrongen bouw, waarbij de uitgaande as, lager ligt dan de ingaande as. [A>]
~kortslagtouw: touw, dat bij het slaan, sterk ineen gedraaid is. Het touw is daardoor stugger en lastiger te splitsen. Vergeleken met langslagtouw van dezelfde diameter vertoont het meer rek, is het iets minder sterk, maar wel slijtvaster.
~korvijnagel,
korvijnnagel,
corvijnagel,
karveelnagel,
kavielnagel,
nagel,
kanvinjenagel,
kannagel:
metalen pen, vroeger ook van hout, met een verdikking als handgreep. Korvijnagels worden gebruikt om schoten, vallen, kraanlijnen, e.d. op te beleggen en zijn daartoe door een houten balk of plank gestoken. Zie ook knecht.
Het woord is ontstaan uit de kaviel, dat al nagel, houten of stalen pen, betekende.
~kotter: 1> bepaald type vissersschip (vrijwel) uisluitend voor de zeevisserij gebruikt. Zie ook garnalenkotter. 2a> vroeger een lekenterm, voor elk vissersschip dat een motorschip is. 2b> gebruikelijke term voor elk vrij modern vissersschip.
: het klinken van staal met klinken, die niet heet gestookt hoeven te worden. Het koud klinken wordt alleen voor lichte constructies en aluminium toegepast.
KOUD OP HET STAAL STAAN
: van motoren: wanneer er tussen de motorsteunen en de fundatie geen trillingsdempersaangebracht zijn.
De meeste van deze kousen zijn gemaakt van gegalvaniseerd staal, tegenwoordig ook wel van RVS. Ze worden veelvuldig toegepast in de leuvers en schoothoorns van de zeilen.
2> katoenen netwerk dat bij de hangmosselcultuur het mosselzaad tot de mosseltjes zich voldoende gehecht hebben, tegen het touw geklemd houdt.
~kraaiepoot:
constructie in de masttop waaraan een blok voor een val, kraanlijn, toppenend, o.i.d. gehangen wordt. Een kraaiepoot bestaat uit vier smalle stalen strips, veren, die op één punt te samenkomen en die gespreid tegen de masttop bevestigd worden. Vergelijk: hanepoot, galg.
zeilend ijzeren of stalen vrachtschip met steile steven en geveegd achterschip. De kraak is makkelijk te herkennen; de steven knikt boven het berghout naar achter (al schijnen er schepen te zijn, die dit missen en die men toch Kraak noemt). Verder is het model nogal variabel. Meestal tussen de 20 en 25 m lang, lengte-breedte verhouding ca. 5:1. Kraken waren veelal gebouwd op een lage kruiphoogte, het waren vaak paviljoenschepen en kwamen van over het algemeen van Zuid-Hollandse werven.
Kraken schijnen zo tussen 1870 en 1905 gebouwd te zijn. Hun aantallen waren niet groot en er zijn er slechts weinig bewaard gebleven. In het boek '
Schepen die blijven' staat een aardige verhandeling over de kraak met een lijstje van overgebleven exemplaren. In mijn ogen is het echter wel zo dat de schrijver in zijn ijverig misschien een beetje te veel ondefiniëerbare 'scheepstypes' bij de kraken geveegd heeft.
17de tot 19de eeuws scheepstype. Ronde vormen met gekromde voorstevenbalk, paviljoen, nauwelijks zeeg en een erg laag boeisel. Naar men zegt zowel overnaads als gladboordig gebouwd. ca. 45 ton groot. Het vaargebied lag voornamelijk vanaf de Zuid-Hollandse wateren tot aan Amsterdam, Zaandam.
Diverse bronnen beschijven het vaartuig als een lange smalle tjalk zonder enige zeeg en met vlakke rechte zijden. Het zou kunnen dat men deze schepen voor ogen had bij de 'Kaarselade'.
~kraam:
de ruimte welke men met deklastschotten of overeenkomstige constructies op de den schept.
De kraam werd ondermeer gebruikt bij het bieten varen.
Alhoewel vergelijkbaar met de potkast, kan men bij de kraam toch niet van een potkast spreken omdat de potkast wel, maar de kraam niet met de luiken afgedekt wordt.
~kraan:
KRAAN VAN NEDERLAND
voorlopige naam voor een bij Westervoort gelegen waterbouwkundigwerk dat bij extreem hoge rivierafvoer een deel van het Rijnwater naar de IJssel sluist.
~kraanbak: duwbak, meestal een open beunbak, waarop een (hydraulische) kraan geplaatst is.
2> takelbalk, trijsbalk, hijsbalk:
in het algemeen: willekeurige balkachtige constructie, die voor het hijsen van voorwerpen aangebracht is. Indien deze balk voorzien is van een loopkat, ook katbalk genoemd.
In machinekamers van diverse binnenvaartschepen treft men boven de motor vaak een zware balk aan, waaraan men takels op kan hangen zodat zware machinedelen gehesen kunnen worden.
~kraanbalkarm:
ongebruikelijke term voor de arm/giek van een ankerdavit.
containerschip, dat uitgerust is met een forse kraan waarmee het mogelijk is het schip zelfstandig te laden of te lossen. Dus net zoals veel beurtvaartschepen vroeger ook instaat waren zelfstandig hun lading te laden en te lossen.
Recentelijk (2005) ontwikkeld schip dat een bepaalde leemte in het vervoer van containers binnen de grote havens moet gaan vullen. Het eerste schip van dit type was, voor zover bekend de 'Mercurius' uit Amsterdam in de vaart gebracht door de Mercurius Scheepvaart Group.
~kraankind:
arbeider welke de stadskraan bedient en bij uitbreiding een arbeider van welke schepen laadt en lost.
~kraanlijn: 1>touw waarmee kleine voorwerpen gehesen worden. 2>dirk. 3> In Zuid-holland: toppenend.
1> kraanbeunschip:
een vrachtschip waarop een flinke hijskraan geplaats is, waarmee het schipgeladen en gelost kan worden. Deze schepen worden vaak voor werkzaamheden aan het vaarwater gebruikt en zijn vaak beunschepen. [A>]
2> kraanoverslagschip, overslagkraanschip:
vrachtschip, waarvan het ruim niet voor lading gebruikt wordt, een gemotoriseerd ponton, motordekschuit, o.i.d., waarop een flinke hijskraan geplaatst is. Zie ook overslagschip.
~kraansluis:
bepaalde sluis in Amsterdam, namelijk die, die bij de stadshijskraan, gelegen op de uitmonding van de Kromme waal in het Oosterdok, gelegen was.
onbekende term voor een stalen kikker gevormd uit een stuk strip of staf. Slechts één vermelding gevonden.
~krabben: 1> het zich, terwijl men geankerd ligt, over de bodem van het vaarwater, verplaatsen van het anker. In vroeger tijden sprak men (ook) van dreggen of doordreggen. 'Het anker dregt' in plaats van 'Het anker krabt'.
willekeurig voorwerp waarmee men de bodem loswoelt, opdat het baggeren makkelijker zal gaan of opdat de heersende stroming de losgewoelde grond zal afvoeren.
Er schijnen ook schepen geweest te zijn, die voor dat doel van krabbelaars voorzien werden. Deze krabbelaars leken meer op een soort eggen; de latere baggerploeg.
soort vaartuig, mogelijk bepaald scheepstype. Zeilend houten vaartuig met breed achterschip, waarmee krabbelaars(1) voortgesleept werden. Deze schepen schijnen vanaf de 15de eeuw tot ??? in gebruik geweest te zijn.
Naar het zich laat aanzien is er weinig over deze schepen bekend en wordt er vaak gerefereerd naar uit de provincie zeeland afkomstige exemplaren. Vandaar dat men ook veelvuldig de benaming Zeeuwse krabbelaar aantreft.
Een verdere ontwikkeling van de mol vormen de ploegsleepboten en de W.I.D..
~krabber:
1>scheepskrabber, schraapijzer, schrap(p)er: willekeurig stuk gereedschap waarmee men oude verf, teer of aangroeisel van het schip krabt.
~Krabschuit,
Krabschuyte,
Krapschuit,
Krapschuyt,
Crabschuit,
Crabschuyt,
Crapschuit,
Crapschuyt: 1> mogelijk bepaald scheepstype. Naar men zegt een overnaads gebouwd Vissersschip zonder zwaarden, gebruikt voor de vangst van krabben en kreeften. Het vaartuig had een kromme voorsteven, een rechte iets vallende achtersteven en was getuigd met sprietzeil. Rond 1600 ongeveer 25 tot 35 ton groot.
Bronnen in de periode tussen circa 1450 en 1750 maken melding van krabschuiten. Het is niet waarschijnlijk dat een scheepstype drie eeuwen lang onveranderd is gebleven. De voorgaande typebeschrijving kan dus niet meer dan een momentopname zijn. De beschrijving schijnt gebaseerd te zijn op een tekening op een kaart uit 1602 van Jacobus Hondius. Men kan echter de juistheid van de afbeeldingen op die kaart in twijfel trekken.
Het is waarschijnlijk dat de term krabschuit gebruikt werd voor alle overnaads gebouwde schepen. Zoiets zien we immers ook bij Karveel.
Of er met de krabschuit inderdaad krabben gevangen werden of dat de schrijver een makkelijke verklaring voor de naam zocht is niet meer te achterhalen, maar als men er van uit gaat dat Krabschuit alleen slaat op de overnaadse bouwwijze, dan is er van vissersschuit of krabbenvangst sowieso geen sprake.
Mogelijk komt de aanduiding van het woord 'krap'; een groef, kerf of plooi. De krapstok en de kraplat vertonen soms een zaagtand vormige stuctuur, iets wat de overnaadse bouwwijze ook heeft.
2> mogelijk benaming welke gebruikt werd voor diverse overnaads gebouwde schepen.
~krag, kragge: 1> aaneen gegroeide planten massa in water. Soms steunend op de bodem, soms losdrijvend. Pas wanneer de kragge groot en oud genoeg is gaat hier riet op groeien en ontstaat een drijftil. 2> waarschijnlijk foutief gebruikt als synoniem voor legakker/ribbe.
~Krajer:
scheepstype, vermoedelijk zeegaand. Geen gegevens bekend.
~kram: 1> niet voldoende bekend: mogelijk synoniem voor hommer of krans. 2> klein U-vormig stukje metaal, dat gebruikt wordt om zaken met elkaar te verbinden. O.a. gebruikt voor het 'sluiten' van leren drijfriemen. 3> metalen strook welke aan het schip gehecht wordt en als ijk dienst doet. Later ook als synoniem voor ijk gebruikt
Geen duidelijke verklaringen van dit begrip gevonden, maar het vermoeden bestaat dat het oorspronkelijk ging om een metalen strook, circa 30 bij 4 cm, met omgebogen of aangevormde punten welke men rechtstreeks op een houten schip vast kon slaan.
~krek:
Niet voldoende bekend: men zegt: een steun aan de wand binnen in het schip.
~krengen,
kielen,
kenteren:
een schip, voor reparatie of onderhoud scheeftrekken. [A>]
In de zeevaart verstaat men onder KRENGEN het schip zo scheef trekken dat men een deel van onderwaterschip kan bereiken en onder KIELEN het zover overhalen dat men de kiel kan bereiken.
Voor zover bekend verstaat men in de binnenvaart onder KIELEN een schip dat in het water ligt voor onderhoud scheeftrekken en onder KRENGEN een schip dat (grotendeels) op de wal ligt voor onderhoud aan één kant zover opvijzelen dat men bij (een groot deel van) het onderwaterschip kan komen.
1> in de rivier uitstekende, met basalt beklede, haaks op de oever staande, dam.
Een krib welke niet met basaltblokken bekleed is noemt men een kleischoor
.
KRIBBETJE VAREN
: bij het stroomopwaarts varen, zoveel mogelijk tussen de kribben in varen, om zodoende minder last van de tegenstroom te hebben of zelfs van de neer te kunnen profiteren.
~kribbenlijn:
denkbeeldige lijn die de kopen van de kribben met elkaar verbindt.
~kribstroom:
de versnelde stroming rond de kop van de krib.
Gerelateerde termen: eer,
neer.
~krikkemik: 1> kleine kreek of stroomgeul op getijdewater.
2> hijswerktuig dat vroeger ondermeer op scheepswerven gebruikt werd. Door Witsen [E>] omschreven als: een werktuig van drie palen, welke van onder uit elkaar staan en van boven samen lopen, waar een blok in hangt om zware spullen te heffen. Vaartips weet daar aan toe te voegen: Niet altijd betrouwbaar, want bij zware lasten konden de poten uitelkaar glijden.
~krikkemikken:
te hoog aan de wind varen, waardoor de zeilen gaan killen.
~kroegbevrachting:
naam voor de, tussen de bevrachters en schippers, in kroegen, gesloten vervoersovereenkomsten. Kroegbevrachting vond voornamelijk tussen 1880 en 1933 plaats.
De bevrachter trachtte vaak door het geven van een 'gratis' rondje de schipper over te halen de reis voor het aangeboden bedrag te accepteren. Mocht één rondje niet werken, dan volgenden er wel meer...
Een andere vorm was die waarbij de kroeguitbater tevens de bevrachter was. Dan gold meestal dat de schipper die het meest in de nering spandeerde de beste reizen kreeg.
1>
Voormalige Nederlandse scheepsmotoren fabrikant, vooral bekend van langzaamlopende gloeikopmotoren en van de in licentie geproduceerde matig snellopende scheepsdiesels, die bekend staan als Kromhout-Gardnermotoren.
[A>Menu]
De naam was eerst verbonden aan de in 1757, aan de Hoogte Kadijk te Amsterdam, opgerichte timmerwerf van Doede Jansen Kromhout. In 1867 werd dit bedrijf overgekocht door Daniel Goedkoop Sr. Rond 1900 werd er een begin gemaakt met de productie van stoommachines, maar al spoedig (1907) stapte men over op de productie van motoren waarvoor aan de Ketelstraat in Amsterdam-Noord de Kromhout Motoren fabriek opgericht werd. In 1911 werd de scheepswerf verkocht aan de Firma Ceuvel. In de jaren 30 begon Kromhout, die tot dan voornamelijk gloeikopmotoren produceerde, met de fabricage van in licencie met Gardner vervaardigde dieselmotoren en richtte men zich tevens op de bouw van bedrijfswagens. Tijdens de oorlogsjaren wordt tevens de productie van brandstofvergassers en de ombouw van de motoren tot gasmotor ter hand genomen. In 1968 wordt het bedrijf overgenomen door (Stork-)Werkspoor en komt er een eind aan de productie van Kromhout motoren.
2> vaak als synoniem van krommer of spant gebruikt. [U>]
3> kromgegroeid stuk hout. Geschikt voor het maken van knieën e.d. Vergelijk rechthout.
~Kromme Rijn:
gedeelte van de oude loop van de Rijn tussen Wijk bij Duurstede en Utrecht, die verder ten westen van Utrecht zich voorzet als Oude Rijn. De Kromme Rijn is thans voor de binnenvaart van geen belang.
Deze oude loop is waarschijnlijk 1000 jaar voor het begin van onze jaartelling ontstaan. Tegen het jaar duizend verzandde deze tak en werd de Lek steeds belangrijker. In 1122 werd te Wijk bij Duurstede de verbinding met de huidige Nederrijn afgedamd en verloor de rivier aan betekenis. Rond 1950 was alleen het gedeelte tussen Bunnik en de stad Utrecht nog van enig belang voor de binnenvaart, maar ook dat is allang verleden tijd.
De Kromme Rijn gaat in Utrecht over in de Catharijnensingel.
scheepstype. Open houten schuit behorend tot de groep van Hollandse bokken. Naar men zegt de geheel open variant van de wat grotere Utrechtse praam. Ruim 12 meter of meer lang en ruim 2 meter breed.
Het uit twee gangen bestaande boord, bestond uit een brede ondergang met daarop een, iets minder naar buitenvallende, smallere bovengang. Hierop was dan een klein zetboordje geplaatst.
[E>www.krommerijnder.nl].
De krommerijnder was geen aak en het is ook niet bekend waar deze kreet in dit geval vandaan komt. Het vaargebied lag voornamelijk ten oosten van Gouda en ten zuiden van Utrecht. Het scheepje kon, bij gunstige wind, worden gezeild maar werd meestal gewogen of geboomd. Het werd gebruikt voor allerhande vormen van vervoer, zelfs voor passagiersvaart, in welk geval het scheepje soms met een huif overdekt werd.
GJ Schutten beschrijft het type op blz.367 e.v.
~kroppen: dompen(1) of hielen, om reparaties uit te kunnen voeren.
Oudere bronnen, Witsen onder anderen, stellen echter dat kroppen het lichten van het voorschip is, hetgeen dus hetzelfde effect heeft als hielen; het extra beladen van het achterschip.
Kruiend ijs is een groot gevaar voor schepen. Niet alleen kunnen er ijsdammen gevormd worden, die de verdere doorvaart onmogelijk maken, ook kunnen schepen die in kruiend ijs bekneld raken in elkaar gedrukt of tegen dijken of oevers opgedrukt worden.
~kruiphoogte, kruiplijn,
strijkhoogte:
de vertikale afstand tussen de waterlijn en het hoogste vaste punt van een schip.
De term strijkhoogte was voornamelijk tijdens de periode van de zeilvaart, toen de bovenkant van de mastkoker vaak het hoogste vaste punt vormde, in gebruik.
~kruiplijn:
denkbeeldige horizontale lijn getrokken door het hoogste vaste punt van het schip. Vaak gebruikt als synoniem voor kruiphoogte.
~kruiplijncoaster,
lage kruiplijn-coaster:
klein zeeschip, met (voor een zeeschip) lage kruiphoogte, zodat de lading tot ver landinwaarts gebracht kan worden. Het Rijn-zeeschip is een kruiplijncoaster die geschikt is voor de vaart naar het Duitse Ruhrgebied. De Seinecoaster is een kruiplijncoaster waarmee men tot in Parijs kan komen.
De wetgeving spreekt in beide gevallen van een lage kruiplijn-coaster en stelt een maximum lengte van 115 meter.
De kruiplijncoaster is in tegenstelling tot het binnen-buitenschip een zeeschip en valt dus verder buiten het bestek van deze encyclopedie.
meestal gegoten bolder in de vorm van een staand (gelijkbenig) kruis.
DUBBELE KRUISBOLDER
: min of meer, twee kruisbolders tegen elkaar geplaatst zodat de horizontale delen één geheel vormen. Niet te verwarren met een kruisbeting waar de uitstekende delen zeer kort zijn.
~kruisen, omkruisen: 1> zonder vast doel (heen en weer) varen. 2> laveren. 3> in de pleziervaart vaak: in afwachting van de bediening van sluis of brug, heen en weer, of rondjes, varen.
~kruiserhek, motorspitsenkont:
een achterschip, dat vanaf dekhoogte ongeveer recht naar beneden loopt, soms aan de achterzijde soms zelfs nog iets naar buitentoe weglopend, maar waarvan het onderste gedeelte vrij sterk geveegd is.
horizontaal visnet, dat door elkaar kruisende (bij ouder exemplaren, gebogen) stokken in model gehouden wordt. Aan het kruispunt der stokken is een stevige lijn bevestigd waarmee men het net naar de bodem afvierd.
De door de beroepsvissers werden dermate grote netten gebruikt dat deze niet meer direct hanteerbaar waren. Het vaartuigje van waar uit ze visten was daarom voorzien van een bok en op of in de schuit stond een eenvoudige windas.
In de moderne spelling is totebel, totebel gebleven.
~kruispeiling:
elk der, twee of meer op elkaar volgende, kompaspeilingen, waarmee men de exacte positie van het schip tracht te bepalen.
2>staaldraad waarvan de richting waarin de kardelen geslagen zijn, tegengesteld is aan de richting waarin de staaldraad geslagen is.
Voor touw is dit de enig bruikbare methode.
De voor dit doel gebruikte draden zijn (meestal) voorgevormd; d.w.z. dat ze reeds de vorm hebben die ze in de totale draad aan moeten nemen.
4> aantal rondtorns die na het leggen van een bindsel tussen de voorwerpen door rond het bindsel gemaakt worden.
~kruissnelheid:
de gebruikelijke snelheid van het schip. Bij vrachtschepen: meestal de snelheid, die het schip, bij het gebruikelijke motortoerental, behaalt.
~kruithaven, munitiehaven: haven waarin schepen met een explosieve lading, ligplaats mogen nemen. Meestal verboden voor andere vaartuigen.
N.B. sommige havens dragen nog wel de naam kruithaven, maar worden niet meer, of slechts bij hoge uitzondering als zodanig gebruikt.
~kruitkaag:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk een Kaag waarmee men kruit aanbracht.
~kruitschip, munitieschip: schip, dat een explosieve lading vervoert of waarin een dergelijke lading opgeslagen ligt.
De term kruitschip is ouder dan de term munitieschip en wordt dus voornamelijk voor de oudere schepen gebruikt.
~kruiwagen: 1>langzaamlopende, één-cilinder motor met liggende cilinder en één groot vliegwiel. [A>]
Gerelateerde termen: naaimachine,
wagen,
kar,
handkar. 2> inhoudsmaat; ongeveer 75 liter.
~kruiwagenluik,
kruiluik:
(minder gebruikelijke term voor) een laadpoort in de den.
~kruk: een slinger.
~krukhaak:
algemene term voor een handvat (een kruk) met daaraan een puntig haakvormig gebogen stuk metaal.
Gerelateerde termen: zakhaak,
smokkelaartje/weghoudertje.
zuigerpomp, waarvan de trekstang, niet direct, maar via een hefboom bewogen wordt. Drinkwaterpompen aan boord van binnenvaartschepen waren vaak krukpompen. [A> + tekst]
~K-schip:
tanker, die lichtontvlambare stoffen vervoert. Volgens de oude regelgeving inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen waren schepen ingedeeld in verschillende klasses aangeduid met K.0, K.1, K.2, K.3 eventueel aangevuld met de letter z. Deze tankschepen moesten indertijd voorzien zijn van een blauwe band, 30 cm hoog, rond het gehele schip.
~K.S.V. Schuttevaer:
Koninklijke Schippers Vereniging Schuttevaer. Belangenvereniging, die zich inzet voor het welzijn van de schipper en de bevaarbaarheid van het water.
Uitgever van o.a. de Schippersalmanak.
1>scheepstype; overnaads gebouwde, vrij kleine, ca. 4,5 meter lange, open houten boot, met enigszins spits toelopend voorschip, vrij ronde kimmen en zijden en iet wat rond achterschip. De voorstevenbalk is gekromd, de achterstevenbalk valt sterk achterover. Het vaartuigje werd geroeid en heeft daartoe één doft welke vrij ver voorin het vaartuigje geplaatst is. Het achterschip is voorzien van een royale klapmuts. Naar het schijnt waren er ook enkele zeilende exemplaren. Deze waren voorzien van een driehoekzeiltje, zeezwaarden en een echt vissermanroertje. De zeilende versie werd voornamelijk langs de westwal, de geroeide versie langs de zuidwal van de Zuiderzee gebruikt voor het vissen met de aalkubbe. Na de afsluiting van de Zuiderzee stierf dit scheepstype uit.
GJ Schutten (blz.432) maakt onderscheid tussen een Oostwal-, Westwal- en een vergrote kubboot.
De Oostwalkubbboot heeft geen bun, tuig, roer of zwaarden en is circa 5 meter lang.
De Westwalkubboot heeft een bun, driehoekzeil, fok, roer, zwaarden en is circa 5,6 meter lang.
De vergrote Kubboot uit Harderwijk was gladboordig, circa 9 meter lang en had een bun, gaffelzeil, fok, roer en zwaarden.
Verwant aan de kubboot is de Wieringer fuikenboot.
1a> een grote lengte touw of staaldraad, meestal meer dan 10 mm dik, dat tot een soort klos, zonder spoelkern, opgewikkeld is. b> de volle lengte van touw of staaldraad zoals dat door de 'fabriek' geleverd wordt; (bijna altijd) 220 meter.
~kuiler:
persoon die, of schip dat, met een kuil vist.
~kuilhout
: 1>kuilstok: ca. 8m lang dwarsscheeps, ter hoogte van de mast geplaatst, los rondhout waarmee het voorste aartouw van de dwarskuil uitgehouden wordt.
Gerelateerde termen:
aartouw,
boordtouw,
leng
.
2>kwakboom: kruislings boven het achterschip, bij de achterbolders naar buiten, tot onderwater neerwaarts, gestoken bomen waaraan de kwakkuil voortgesleept wordt. Plaatselijk ook drijfboom of kwakpoot genoemd.
3>legger, kuilboom: tot 12 meter lange en 30 cm dikke rondhouten aan de boven en onderzijde van de bek van een ankerkuil.
De onderste boom is door een omwoeling met ketting verzwaard en wordt tot ca. 30 cm boven de rivierbodem afgevierd. (Dit omdat er anders teveel 'opgeschept' wordt.) De bovenste viert men, opdat drijvend vuil niet in het net zal geraken, tot net iets onder de waterspiegel af.
Beide bomen zijn aan staalkabels, de buiten- en de binnengei, welke via de masttop naar de lieren op het dek lopen opgehangen en van het dek af bedienbaar. Bij het sluiten van het net, trekt men de onderboom met behulp van de mik tot tegen de bovenboom.
Onder en bovenboom worden doormiddel van sprinkels haaks op het vaartuig gehouden. Het vaartuig verkeerd dan in vangpositie. De sprinkels zitten met een springslot aan het 'knooppunt'. Tevens is de bovenboom aan het binneneinde soms in diverse richtingen met kabels of kettingen aan het schip gefixeerd. Zie ondermeer: hengstetoom en bolderketting.
~kuillier: lier waarmee men het raam van een raamkuil op en neer kan doen laten bewegen.
~kuilnet,
kuil
:
lang trechtervormig visnet.
Algemeen gebruikt synoniem voor, of in het geval van 'kuil' verkorting van, diverse van de hierna genoemde netten.
- Kuilnetten welke door middel van één of twee vaartuigen voortgetrokken worden en men wel sleepkuilen noemt.
Hiertoe behoren de dwarskuil,
de wonderkuil, en
de kwakkuil.
- Kuilnetten welke met behulp van een vaartuig in stromend water in postie gehouden worden.
Dit zijn ondermeer de ankerkuil,
de raamkuil,
de bliekkuil en
de aaskuil.
STAANDE KUILEN
. Een soort kuilnet, dat tussen palen in ondiep water opgesteld wordt.
Dat zijn onder meer de raamkuil,
de aaskuil en
de staalbomen.
1> lager dan het dek of het bovenboord gelegen, open ruimte, dat voor het 'verblijf' van één of meerdere personen bedoeld is. Op vissersschepen ook wel hol genoemd.
Gerelateerde term: stuurkuip.
2>brug: opstaande wand voorlangs de stuurhut. Lees verder bij brug.
~kuipband:
cirkelvormige stalen band, die verschillende delen hout bij elkaar moet houden. Soms gebruikt bij de verbinding tussen klauw en gaffelhout en vroeger ook wel voor de verbinding tussen mast en masttop. Stalen equivalent van een woeling.
~kuipbodem: 1>kuipvloer. 2> de binnenzijde van het vlak ter hoogte van de kuip.
~kuiplaning:
de planken of vlonders, die de kuipvloer vormen. Zie ook laning.
~kuipvloer,
kuipbodem,
kuiplaning,
vloering:
het gedeelte van de kuip, dat bedoeld is om op te staan.
~kuipwand:
de zijkanten van de kuip, voorzover dit niet de scheepshuid is.
~kuisbank,
gril:
langs de zijde van het vaarwater, boven de bodem aangebrachte, balkenvloer, vaak voorzien van een aangrenzende remming, waarop men het schip voor onderhoud droog kan laten vallen.
[A>]
Gerelateerde term: strandingsbank.
touw tussen de voorste zijstagen en de bovenrand van het vaartuig, dat de stagen strak houdt, wanneer de mast gestreken wordt. De kurren en stagen samen worden soms ook strijkwant genoemd.
~kurf,
kurve,
korf,
korve,
curve: 1> in bepaalde streken de algemene term voor een houten verbindingsstuk met een duidelijke bocht of knik.
2> in sommige streken gebruikte naam voor een zitter(spant) vanaf de zijkant van het vlak tot aan de bovenkant van het boeisel.
~kurfmal,
korfmal:
van hout gemaakt voorbeeld van een zitter/spant.
Voornamelijk bij de bouw van boerenschuitjes, zoals bijvoorbeeld de punter en de bok, maakte men vele exemplaren met dezelfde vorm en afmetingen, het gebruik van mallen lonend.
~kurketrekker,
kurkentrekker: 1>varkensstaart. 2>blijvende, spiraalvormige vervorming, van staaldraad.
stootwil gemaakt van een zeildoeken soms met touw omknoopte, cilindervormige zak, die met kurk, touwresten, riet en later ook kunststofschuim brokken, gevuld is.
In vroeger tijd werden de zware met touw omknoopte stootwillen nog veelvuldig door de beroepsvaart gebruikt. Met de opkomst van de stalen schepen lijkt het gebruik af te nemen om als de autoband een gemeen goed gaat worden bijna volledig te verdwijnen. Alleen op jachten en kleine boten worden nog lang kurkezakken gebruikt. Deze zijn meestal niet voorzien van een touwen bescherming.
Met de opkomst van de kunststof stootwil rond het einde van de jaren zestig van de vorige eeuw, verdween de kurkezak al ras geheel van het toneel. Gelukkig heeft het Fries scheepvaartmuseum nog een aantal exemplaren uit de watersport in de collectie zo dat we ze ook hedentendage nog kunnen zien.
eigenlijk een lagerblok voor horizontale assen. Bij uitbreiding een lager, ongeacht het type of de uitvoering.
~kustlijn:
denkbeeldige lijn, die men kan trekken langs en tussen de uiterste delen van het vaste vaste land.
~kustvisserij:
variabel begrip. a> vanaf 1908 tot 1931: alle visserij ongeveer vanaf de grens tussen zoet- en zoutwater tot de grens van de territoriale wateren. b> vanaf 1931 tot ????: niet voldoende bekend. c> heden (2012) de visserij in de kustwateren zoals die zijn vastgelegd in 'Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970' en grofweg te omschrijven als het zoute water binnen de uiterste kustlijn.
De visserij zeewaarts van deze grenzen noemt men zeevisserij.
[Gerelateerde termen>]
1> aan de roerkoning bevestigde, horizontaal liggende, 'halve' schijf, welke door kabels, kettingen of tandwielen heen en weer bewogen kan worden en zodoende de stand van het roer bepaalt. [A>]
Men zou ook de term kabelkwadrant verwachten. Deze term wordt wel gebruikt, maar ik ben hem nog niet in binnenvaartkringen tegen gekomen.
hoog houten bruggetje. In het bijzonder een bruggetje met een volkomen vlakke overspanning en korte steile opgangen in de vorm van trappen of planken met dwarslatten.
Dat naast deze brug een lage ophaalbrug zou moeten liggen, zoals soms wordt verondersteld, kan ik niet bevestigen. Ook dat het de naam van een bepaald type ophaalbrug zou zijn, heb ik niet bevestigd gezien. Wel komt het vaak voor dat een nieuwe brug welke op de plaats van de vroegere kwakel gelegd is vaak kwakel blijft heten. Ook wanneer deze nieuwe brug van een geheel ander type is.
De verklaring voor het feit dat een kwakel en een ophaalbrug, bij toeritten van gering belang, vaak samen gaan is simpel.
Men kon met paard en wagen niet over de kwakel, maar men kon ook niet de gehele dag iemand bij een ophaalbrug zetten waar nauwelijks verkeer over kwam. Vandaar dus dat onbelangrijke toeritten vaak de combinatie van kwakel en ophaalbrug vertonen. De voetgangers konden de hele dag ongehinderd heen en weer en de voertuigen liet men wanneer dat nodig was over de brug. Men kon immers zelf, wanneer men aan de verkeerde kant van de ophaalbrug stond, altijd over de kwakel om de brug te sluiten.
De term kwaak wordt soms ook gebruikt voor een brug welke bestaat uit één enkele plank
Men zegt dat kwakel van kwakkel in de zin van zwak, onbetrouwbaar, wiebelig, komt.
Bronnen: WNT, verspreide teksten en beelden.
De kwakkuil werd met een viertal lijnen recht achter het schip voortgesleept. Twee kruislings over het achterschip naar beneden gerichte bomen drukten de lijnen welke vanaf het voorschip kwamen diep onder water.
De kwakkuil kon, zoals de naam al doet vermoeden alleen door de grotere zeilende vissersschepen, zoals de kwakken, voortgesleept worden. Zij maakten daarbij gebruik van grootzeil, fok en breefok. In sommige kringen wordt dit net ook wonderkuil of moordkuil genoemd.
~kwartierswind:
wind ongeveer 45 graden schuin van voor.
~kweekvis:
vis, die gekweekt en daarna uitgezet is.
~kweekvijver:
vijver waarin men vis kweekt.
~kweetje:
binnen-buiten-schakel van een rollenketting. (Een rollenketting, zoals een fietsketting, wordt normaal per twee rollen verlengd. Met een kweetje kan men deze met één rol verlengen.)
~kwelkom: 1> achter een dijk gelegen, door een lagere dijk omgeven gebiedje waarin het kwelwater, dat is het water dat door de dijk lekt, opgevangen wordt. Niet te verwarren met een wiel of breek.
Mogelijk worden kwelkommen met grotere afmetingen hedentendage kwelvensters genoemd.
2> ruimte tussen twee opeenvolgende deuren of andere keringen van een keersluis welke of tot doel heeft door lekkend water op te vangen of tot doel heeft een gelijkmatiger druk verdeling op de kering te bewerkstelligen. [Gerelateerde termen>]