Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~kluis: 1> kleine opening in de scheepswand. 2> verkorting van (anker)kluisgat.
~kluisbaard, kluisring, huidbaard:
dikke zware, soms ook versierde, rand rond een kluisgat. [A>]
Over het algemeen wordt alleen de kluisring rond de openingen voor de anderketting baard genoemd. Op de oude zeilende zeeschepen werden echter de meeste huiddoovoeringen met het gezicht van een baardig mannetje versierd.
over of langs de steven(balk) uitstekende rondhout waaraan de voorste zeilen gevoerd kunnen worden en dat (met niet al te veel moeite) getopt of binnenboord getrokken kan worden.
~kluiverschoot, kluiffokschoot: schoot van de kluiver, soms tweedelig dus bestaand uit: een stuurboords- en een bakboordskluiverschoot.
~kluiverschootblok, kluiffokschootblok: blok waardoor de kluiverschoot loopt.
~kluiverstag, kluiffokstag: stag waarlangs de kluiver gehesen wordt.
Op de meeste binnenvaartschepen heeft de kluiver geen stag, omdat deze op een kluiverboom gevoerd wordt. Het toppeneind wordt dan kluivergeleiding gebruikt.
Zelfs de plaatsvervangend schipper op vrachtschepen werd vroeger nog knecht genoemd. Op vrachtschepen met een uitgebreidere bemanning maakte men soms nog onderscheid tussen eerste en tweede knecht, waarbij de eerste natuurlijk belangrijker verantwoordelijkheden had dan de tweede, en de 'jongen', die onder andere de schippersvrouw hielp met de zwaardere karweitjes, moest koperpoetsen en de bijboot moest roeien als iemand van of naar boord wilde. Hierbij moet opgemerkt worden dat men al op z'n twaalfde 'jongen' of knecht kon zijn. Aan boord van rederijsleepboten en passagiersschepen lagen de zaken een beetje anders en daar sprak men vaak van matroos in plaats van knecht.
~kneppel: (nog niet volledig bekend) 1> dwarshout, waaraan, bij het kuilnet, het aartouw bevestigd is. 2> blakje aan het uiteinde van een staand visnet.
1> constructie, waarmee een deksel, luik, o.i.d. stevig gesloten kan worden. De meest voorkomende knevel bestaat uit een scharnierende bout, waar omheen een moer met een ring of handvat zit. Deze treft men ondermeer aan bij patrijspoorten.
2>kneveltje: klein dwarshoutje door of aan een touw(tje) waaraan een lusje van een ander touw vastgezet kan worden.
~knikken: 1> een schip in tweeën delen en beide delen onder een hoek, waarbij voor- en achterschip hoger komen, weer aan elkaar lassen. Het knikken van schepen gebeurt vrijwel uitsluitend met skûtsjes, die men voor het wedstrijdzeilen gebruikt. Dat men hierdoor eigenlijk een heel nieuw scheepstype ontstaat, schijnt niemand te deren. 2> een stijf aangehaalde schoot iets vieren. (met een knik in de schoot varen!)
~knikplaats:
het gedeelte van een touw, meestal een val, dat slijtage vertoont.
~knikspant: spantvorm, uitsluitend bestaand uit rechte stukken, die elkaar onder een hoek raken. [A>]
~knikspantromp: rompvorm, waarbij de dwarsdoorsnede van het schip, uit een beperkt aantal (meestal 3 tot 7) rechte lijnstukken, bestaat. De term wordt hoofdzakelijk gebruikt voor schepen, die ook in hout gebouwd zijn, zoals bijv. de Hoogaars, de diverse Schouwen, de Grundel en de Punter.
metalen stagleuver (oud model) met beweegbaar verend deel.
2> kleine musketonhaak met aangevormd oog, waarmee men het voorlijk van stagzeilen aan de stagen haakt. Pas na WO II ingebruik geraakt en voornamelijk voor lichte (kleine) zeilen gebruikt.
~knippen:
KNIPPEN EN SCHEREN
: het traditionele recept bij een werfbeurt, namelijk schoonmaken en tweemaal teren.
~knoop: 1> maat voor de snelheid van (zee)schepen, overeenkomend met één zeemijl per uur. In de binnenvaart nauwelijks gebruikt. 2> stevenknie. 3> voor leken de verzamelnaam voor knopen(4), steken, en hielings. 4> eigenlijk verkorte benaming voor een stopperknoop. Een door slagen, omhalen en doorsteken veroorzaakte verdikking van een touw of staaldraad.
~knoopwerk: 1> alles wat door een herhaling van gelijke of verschillende knopen(3) of steken gevormd wordt. 2> schiemanswerk(2).
~knopbolder: bolder bestaande uit twee schuin van elkaar staande pijpen of zuilen, die zich aan de bovenzijde, vooral bij de naar buiten gerichte kanten, verdikken.
~Knots:
klein Belgisch vissersschip, alleen in hout gebouwd. In Nederland voornamelijk op de Westerschelde voor de garnalenvisserij gebruikt. @verder nog niet bekend.
~koeiehoorn,
koeienhoorn,
koehoorn: 1> ter weerszijden, aan de achterkant, van een kluisgat aangebrachte pennen of andere uitsteeksels, zodat het geheel als een soort van kikker gebruikt kan worden.
naar beide zijden uitstekend stuk, rondgebogen ijzer, dat, d.m.v. een stalen bus, aan het uiteinde van een schoorboom bevestigd is. Dit type schoorboom werd vooral gebruikt wanneer het uiteinde tegen een paal rustte. Zie ook schoorboombeslag.
~koeienpraam,
koepraam: praamachtig vaartuig, dat voor het transport van koeien tussen de weilanden en de boerderij gebruikt wordt.
~koektrommel:
naam voor de uitbouw aan sommige schepen waarin de kwadranten van de roerkoningen geborgen zijn.
Bij sommige schepen werden bij de verbouw tot motorschip de roeren niet onder, maar achter het schip geplaatst. De kwadranten staken dus buiten de feitelijke romp, die daarom ter plaatse van een uitbouw 'de koektrommel' voorzien werd.
~koeler: naam van diverse apparaten waarmee gas of vloeistoffen gekoeld worden. Zie bijv. gaskoeler en warmtewisselaar.
~koeler-reiniger:
Onderdeel van een gasgenerator. Zie verder bij gaskoeler.
~koelkast:
boven het dek uitstekend gedeelte van de ketel van een stoommachine.
~koelwater: 1>buitenwater, dat voor de koeling van de motor gebruikt wordt.
2>motorwater:
het water dat door het motorblok stroomt (dat hoeft niet persé buitenwater te zijn; sterker nog alleen bij oude motoren en kleine motoren, stroomt er buitenwater door het motorblok.)
~koelwatercirculatiepomp, reinwaterpomp, circulatiepomp: koelwaterpomp, waarmee, bij gesloten koelsystemen, het koelwater door het koelsysteem van de motor gepompt wordt.
~koelwaterfilter:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk een wierbak. Mogelijk een wierbak met een fijne zeef of de zeef zelf.
instrument waarop de temperatuur van het motorkoelwater af te lzen valt.
~koelzeil,
koelzeiltje:
door middel van hoepels gevormde kokervormige zeildoeken constructie, aan de voorzijde voorzien van twee op scepters geplaatste steunen, waarmee men, tijdens het ontgassen en schoonmaken van de tanks, frisse lucht in de ladingtanks tracht te brengen. Het spreekt voorzich dat de opening met de vleugels zoveel mogelijk op de wind gericht wordt en dat de 'koker' via het tankhoofd zo diep mogelijk in de tank geleid wordt.
1> zie kofschip(1). 2> zie koffe. 3> zie koftjalk. 4>K.O.F., Koninklijk Onderwijs Fonds (voor de scheepvaart):
Instituut dat diverse opleidingen voor de binnenvaart verzorgd.
[E>website K.O.F.]
Zie ook kofschip.
~kofferdam: 1>cofferdam: ongebruikte ruimte tussen twee water (of zelfs gas)dichte wanden, die twee opeenvolgende ruimen of (lading)tanks van elkaar scheiden.
~Kofke,
Koffe,
Kofje,
kofschuit:
klein kofschip dat veel meer de kenmerken van een tjalk vertoont dan van de grote kofschepen. Het vlak is wat breder. De kielbalk is laag of ontbreekt, Het schip voert zwaarden. Alleen het achterschip is gepiekt, maar zelfs dat niet altijd. De kleinsten zijn getuigd als éénmaster. De meeste van deze schepen zullen of een paviljoen of een roefje met achteronder gehad hebben. Wel hadden deze scheepjes meer holte dan een tjalk van dezelfde lengte. Lengtes, voor zover bekend vanaf ca. 13 tot ca 18 meter.
1> 18de, 19de eeuws scheepstype. Vrachtschip met ronde vormen en kromme voorstevenbalk. Gepiekt voor- en achterschip. Vrij smal vlak. 100-300 ton groot. De grote koffen waren kielschepen en hadden vaak geen zwaarden. Het waren tweemasters met een grote mast en bezaan. De grote mast was vaak zowel langsscheeps als (gedeeltelijk ook) dwarsscheeps getuigd. Ze werden voor de grote binnen- en voor de buitenvaart gebruikt. Vaak voorzien van roef en paviljoen.
[U>]
De kleinere grote koffen hadden vaak een minder diepe kiel (slechts ca. 10 cm i.p.v. ca. 30 cm.) en beschikten wel over zwaarden. Ze waren soms, vooral in het voorschip minder gepiekt. Nog kleinere koffen werden ook koffe of kofke genoemd. Voor een beschrijving zie aldaar.
tussen ca. 900 en 1600 n.chr. gebruikt als naam voor diverse dwarsgetuigde, overnaads gebouwde, kielschepen zonder zwaarden. De kleinere types waren binnenvaartschepen, de grote werden gebruikt voor de kust- en zeevaart.
~koggelboon, koekelkorrel, koekelkoorn, koekelkorn, koekel:
gifkorrel welke gebruikt wordt om de vis te verdoven, waarna de vis met behulp van een schepnet aan boord geschept kan worden.
Het spreekt voor zich dat dit een verboden vismethode is.
~koggeschuld,
riemtal:
vorm van belasting, die tijdens de invallen van de noormannen geheven werd en waarmee de plicht tot levering van een volledig voor de strijd uitgeruste (roei)kogge afgekocht werd.
~koken, opkoken: 1> metaal van het ene deel, met een kookbeitel, in het metaal van het andere deel drijven, om zodoende een water- en/of gasdichte naad te verkrijgen. Gedurende een bepaalde periode toegepast bij geklonkenschepen, verder ook bij geklonken stoomketels. 2> het tussen de klinknaden drijven van welijzer of menieplamuur.
1> meestal afneembaar, langsscheeps houten schot, langs het boord van een dekschuit, gebruikt om bulkgoed per dekschuit te kunnen vervoeren.
2> soms ook gebruikt voor een overeenkomstige vaste constructie in staal. [A>]
~kolenbunker, bunker:
bergruimte voor de kolen, waarmee de ketel op stoomschepen gestookt wordt.
~kolenherft:
herft waarin men (op grotere schepen) de kolen en het brandhout bewaarde.
Alleen op grotere schepen had men hiervoor een apart herft. Dit was meestal één der achterste herften, maar sommige echt grote schepen hadden nog een tweede kolenherft, welke dan meer bij het voorschip gelegen was.
~kolenschop, schop, schep:
schop met een vrij groot rechthoekig blad en enigzins opstaande randen. Gebruikt om kolen uit de bunkers op de stookplaat of in de vuren te scheppen.
~kolenstation, laadstation:
plaats waar schepenbunkerkolen kunnen laden.
~kolentip,
tip,
kieper:
tot (over) het water uitgebouwde constructie van waarmee gehele treinwagons gehesen en direct in het schip leeggekipt konden worden. Later is de naam overgegaan op normalere laad- en losinstallaties waarmee grote hoeveelheden kolen verladen konden worden.
~kolenvaarder: vaartuig, dat gedurende een lange aaneengesloten periode steenkool of bruinkool vervoert, dan wel de schipper op een dergelijk vaartuig.
~kolenvreter:
een stoomschip met een met kolen gestookte ketel.
~kolsum,
kolspijnstuk,
kolzwijn,
koldzwien: 1>mastspoor: brede zware, terhoogte van de mastkoker, over het midden van de leggers aangebrachte, houten balk(en) waarin de onderkant van de mastkoker valt. 2>zaadhout of overeenkomstige constructie in staal.
~kombaars:
een stel aan elkaar genaaide dekens. (?)
~kombuis: 1> term uit de zeevaart, die ook door sommige watersporters gebruikt wordt en waarmee de keuken of beter gezegd de kookhoek aan boord bedoeld wordt. De term werd in de binnenvaart vrijwel niet gebruikt. 2
a> vrij onbekende term voor een fornuis of kookkachel aan boord van schepen. b> zie kookkast.
~kommaliewand, kommaliewant, kommaliegoed:
door sommige watersporters gebruikte term uit de zeevaart waarmee al het keuken- en eetgerief aangeduid wordt.
~kompas,
compas: navigatie-instument dat de richting, waarin de magnetische Noordpool ligt, aangeeft. [U>]
DROOG KOMPAS
: eenvoudig kompas, dat gebruik maakt van een kompasnaald.
VLOEISTOFKOMPAS
: kompas, waarbij een magnetische kompasroos in een vloeistof zweeft. [A>]
Compas is een oudere schrijfwijze voor kompas. Deze schrijfwijze was in 1946 nog in gebruik.
~kompasafwijking, kompasfout, compasafwijking:
miswijzingen van het kompas, ongeacht of deze een gevolg van de constructie zijn of door invloeden van buitenaf veroorzaakt worden.
~kompasbeugel, compasbeugel:
ring van het cardan, waarin het kompas gehangen is.
~kompasbrug, compasbrug:
in de ketel van een vloeistof kompas aangebrachte constructie waarop de kompaspenhouder opgesteld is.
~kompasdop, compasdop:
in het midden van de kompasroos of kompasnaald aangebrachte lagerbus (vaak voorzien van een saffieren lagersteen) waarmee de naald of roos op de kompaspen rust.
~kompasdrijver, compasdrijver:
in de kompasroos van een vloeistofkompas aanwezige gesloten ruimte, die, door middel van de door deze ruimte veroorzaakte opwaartse kracht, de kracht waarmee de kompasroos op de kompaspen drukt vermindert.
~kompasfout, compasfout, kompasafwijking:
de miswijzingen van een kompas, die in het instrument zelf zitten.
~kompasketel, compasketel, ketel:
metalen panvormige behuizing van het kompas, aan de bovenzijde afgedekt met glas, waarin de kompasnaald of een draaiende kompasroos gemonteerd is.
~kompaskoers, compaskoers:
de koers die door het kompas aangegeven wordt.
Door kompasafwijkingen verschilt de richting waarin het noorden werkelijk ligt af van dat wat door het kompas aangegeven wordt. Door wind, stroming en andere oorzakenwijkt ook de koers die het schip werkelijk vaart af van wat het kompas aangeeft.
~kompasmaker, compasmaker:
oud beroep: iemand, die kompassen maakt. Tegenwoordig het werk van gespecialiseerde intrumentmakerijen.
~kompasnaald, compasnaald:
dunne, magnetische, in het midden gelagerde, metalen strip, aan beide zijden eindigend in een punt.
~kompaspeiling, compaspeiling:
met behulp van een kompas, en eventueel een pelorus, de richting waarin iets zich bevindt, bepalen.
~kompaspen, compaspen:
harde metalen stift waarop de kompasroos of kompasnaald rust.
~kompaspenhouder, compaspenhouder:
op de bodem van het kompas vast opgesteld voetje waarin de kompaspen opgenomen is.
~kompasraam, compasraam:
raampje, vaak een ovale poort, in de achterzijde van de roef, waardoor men het kompas, dat binnen opgesteld stond, kon zien. Vooral op Zeetjalken voorkomend.
~kompasroos, compasroos, roos:
1> als onderdeel van een vloeistofkompas: draaibaar opgestelde schijf, die zich altijd met het zelfde punt naar het magnetische noorden richt, waarop een windroos getekend is.
2> bij een droog kompas, pelorus e.d. en op waterkaarten: cirkelvormige schaalverdeling, met als beginpunt het geografische of magnetische Noorden.
Het essentiële verschil tussen een kompasroos en een windroos is het feit dat een windroos het geografische noorden aanwijst, terwijl een kompasroos naar het magnetische noorden gericht is/wordt. De termen worden echter veelvuldig door elkaar gehaald.
~kompassteller,
compassteller:
iemand, die kompassen compenseert.
~kompasstreek, compasstreek:
1/32ste deel van de kompasroos, dus 11,25 graden. Men kent hoofdstreken (N, O, Z, W), hoofdtussenstreken (NO, ZO, ZW, NW), tussenstreken (NNO, ONO, OZO, ZZO, enz.) en ten-streken (NtO, NOtN, NOtO, OtN, OtZ, ZOtO, ZOtZ, enz).
~kompastap, compastap:
aan de kompasketel aangebrachte pen waaraan de ketel beweegelijk opgehangen is.
~kompastaplager, compastaplager:
aan de cardanring van een kompas bevestigde steun waarop de kompastap rust.
~konvooi:
groep van schepen, die, meestal onder begeleiding van andere soorten schepen, in elkaars nabijheid blijft varen. Alleen bij ijsgang en tussen (1943-1945) werd er geregeld in konvooi gevaren. [A> film]
~kooibodem, laning:
houten vloer, die de onderkant van de kooi afdekt.
~kooiklamp:
op open boten, tegen de binnenzijde van de huid, aangebrachte klamp(2), waarop planken gelegd kunnen worden, zodat men een droge slaapplaats verkrijgt.
~kooiplank: 1> brede plank voorlangs de kooi, die moet voorkomen dat men uit de kooi rolt, wanneer het schip op één oor ligt. 2> één der planken, die op de kooiklampen gelgd wordt.
~kooispant:
voorste dwarsscheepse constructie, waarvan de legger nog op het vlak ligt. Op een flink aantal schepen was dit het punt waar de kooien in het vooronder begonnen.
~kookbeitel:
staalbeitel met ongelijke snede, waarmee men naden kookt.
~kookherft:
een ruimte, vaak een herft, waarin gedurende de warme maanden het kolenfornuis geplaatst werd. [A>] Zie ook kookhut. Door enkelen soms kombuis genoemd.
~kookkachel:
kachelhaard met vlakke bovenkant, waarop gekookt kan worden.
~kookkast, kombuis: 1> soort van stalen kast waarin het fornuis geplaatst kon worden. Ook van toepassing op kasten die gedeeltelijk ingebouwd zijn of een wand met een ander scheepsdeel gemeen hebben.
~koopschuit, botkoper:
schip dat op zee de vis opkoopt en naar de haven brengt.
~koord, schotentouw:
op touw gelijkend materiaal waarbij de vezels echter niet geslagen, maar gevlochten zijn. Koord wordt door de beroepsvaart alleen voor dunne lijnen gebruikt.
De term schotentouw was vroeger onder watersporters populair.
~koordhouder:
kleine kikker, meestal bestemd voor vlaggelijnen.
~koot,
kootjes:
kleine metalen versiering, bestande uit een horizontale staaf of strip, met kruislings daarop drie kortere. Toegepast op de steven / neusklos / boegplaat van ondermeer de Keen en de Kagenaar. Bij de stalen Kagenaar vaak een plaat, die op artistieke wijze deze versiering weergeeft. [A>]