banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst Kar





~kar:
1> hellingwagen: rijdende constructie, waarop het schip, als het de helling op getrokken wordt, staat.
[A> nr.3 + A> nr.2]
Op de karren staan: een werfbeurt ondergaan.

2> een (grote) motor (vroeger ook stoommachine).
Gerelateerde termen: naaimachine, wagen, kruiwagen, handkar.

3> zie kaarbord.





~Karaak:
oude schrijfwijze voor Kraak.





~karaaksteek:
bepaalde hieling. De enige hieling waarbij de tampen niet persé met een bindsel vast gezet hoeven te worden.
Laat men dit inderdaad na, dan verandert de knoop van vorm en kan als er erg veel kracht opgestaan heeft, moeilijk los te krijgen zijn.






~karabijnhaak:
haak met scharnierende klep, die de haakopening afsluit. In gesloten toestand lijkt de karabijn haak op een ovale ring.
Het komt vrij regelmatig voor dat men het woord musketonhaak, of in mindere mate klephaak, gebruikt, terwijl men een karabijnhaak bedoelt! Zowel de karabijn- als musketonhaak worden, als zodanig benoemd, afgebeeld in de katalogus (ca. 1980) van de fa. P.A. Schreuder.
De term karabijn is ongeveer sinds het midden van de negentiende eeuw (1855) in gebruik. De musketonhaak wordt pas sinds 1925 genoemd. In het Duits verstaat men onder een 'Karabiner' een musketonhaak. Een karabijnhaak noemt men o.a. een Feuerwehrkarabiner of Schnappkarabiner.






~Karacke:
oude schrijfwijze voor Kraak.





~karakterlicht:
zie periodelicht.





~kardeel:
1> tegenwoordig: synoniem voor streng.

2> vroeger, d.w.z. tot in de achttiende eeuw: een val.
De term komt oorspronkelijk uit het Frans en betekende touwm koord.






~kardeelblok:
blok waardoor een kardeel/val loopt.





~kardeelslag:
zie kardeelslagtouw.





~kardeelslagtouw, kardeelgeslagen touw:
1> linksgeslagen touw of garen. [Gerelateerde termen >]

2> vierstrengstouw.

3> geslagen als een kardeel, dus éénmaal getwijnd.





~kardeelknoop:
stopperknoop gelegd met de kardelen waaruit het touw bestaat.





~kardinaalstelsel, kardinaalsysteem:
systeem voor het plaatsen van boeien en bakens , waarbij de delen van het vaarwater die NIET bevaarbaar zijn gemarkeerd worden.
Het cardinaalstelsel maakt in hoofdzaak gebruik van geel-zwarte bakens met topteken. Het topteken geeft aan in welke positie ten opzichte van het 'gevaar' de boei/ton/baken ligt of staat.
Bij de overheid wordt in dit verband Cardinaal nog altijd met een C geschreven!






~kardoes:
1> oud woord voor knieklamp. Meestal gebruikt voor verbindingen tussen dekken of dekbalken en andere rompdelen. Soms verbasterd tot kadoes, met als mogelijke verkleinvorm kadoesie.

2> strook rietland.
De term schijnt alleen op het Kampereiland in gebruik geweest te zijn.





~karen:
vis uit de visbun, kaar of legger halen. Soms ook klaren genoemd.
Oorspronkelijk scheen het te gaan om het verwijderen van dode vissen uit de visbun, waarvoor men echter ook de term klaren gebruikt. Nadat men ijs aan boord kreeg, dit zal meestal alleen in de zeevisserij geweest zijn, had de term betrekking op het verwijderen van stervende vis ten einde deze tot 'ijsvis' te verwerken. Diverse bronnen zien het echter meer algemeen, zoals omschreven. Het is niet onwaarschijnlijk dat karen als speelse variant van klaren, in de zin van opruimen, gezien moet worden. Dit wordt door termen als klaarzak en klaarnet eigenlijk bevestigd.






~karing:
1> opstaande rand van een dek- luikopening. Vermoedelijk voornamelijk betrekking hebbende op houten schepen en randen die voorzien zijn van een droge-naad-stuk.

2> zie kaarbord.





~karnavalslicht: carnavalslicht.





~karl:
1> gehekelde hennep.

2> verkorte vorm van karreldoek, zeildoek gemaakt van karl.





~karldoek:
zeildoek van fijn gehekelde hennep, karl. Veelvuldig geschreven als karreldoek.





~karnaat, garnaat, granaat:
takel tot het hijsen van niet al te zware lasten. De term is gebruikt in de zeevaart maar is terug te vinden in het sporadisch gebruikte stagernaat.
Vaak in verkleinvorm gebruikt.






~karperbeugel:
bepaald haakvormig vangwerktuig dat echter begin twintigste eeuw al tot verboden visgerei gerekend werd.
Genoemd in: Reglement voor de Binnenvisserij 1911.






~Karraecke:
oude schrijfwijze voor Kraak.





~karren:
tijdens het varen bodemberoering hebben. (Verouderd.)





~karreldoek, karldoek, carldoek, carreldoek:
1> zeildoek gemaakt van FIJN gehekelde hennep = karl.

2> volgens sommigen zeildoek, dat reeds in zekere mate met karrelteer geïmpregneerd is.





~karrelteer, carlteer: bruine teer.





~Karveel, Kerveel:
1> vanaf circa 1450 tot ver in de zeventiende eeuw de verzamelnaam voor diverse gladboordig gebouwde schepen in de binnen- en buitenvaart.
Alhoewel sommigen het Karveel als een scheepstype willen zien, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat de benaming werkelijk beperkt bleef tot één type schip.
Volgens tolregisters hadden ze een laadvermogen van 40 tot 65 ton.

SMAL-KARVEEL
: waarschijnlijk een gladboordig gebouwd Smalschip.
WIJD-KARVEEL
: waarschijnlijk een gladboordig gebouwd Wijdschip.
ROND-KARVEEL
: niet bekend.

2> zie: gladboordig.

3> zie: karviel.






~karveelbouw:
bouwwijze waarbij de gangen van de scheepshuid met de zijden tegen elkaar aanliggen. Men krijgt dan een gladboordig schip. Het tegengestelde noemt men overnaads.





~karveelhout:
weger op de hoek van gangboord en den.
Gerelateerde term: dekhoekstaal.





~karveelnaad, karaveelnaad:
breeuwnaad tussen karveel (=gladboordig) liggende delen.
Gevonden in: Handleiding tot den Burgerlijken Scheepsbouw door F.N. van Loon Workum 1838.






~karveelnagel:
zie korvijnagel.





~karveel(s)werk, karvielwerk:
1> datgene wat met/in karveelbouw gemaakt is/wordt.

2> door Nicolaas Witsen gebruikte term, waarmee hij ontegenzeggelijk de overnaadse bouwwijze bedoelt. MEN ziet in 'karviel' echter hetzelfde hetzelfde woord als 'karveel' waarmee men echter de gladboordige bouwwijze aanduidt.





~karviel:
zwaar (scheeps)hijsblok.
Bron: W.A. Winschooten Seeman, Leiden 1681 en F. Bly, Onze Zeil-Vischsloepen. Waarschijnlijk alleen in de zeevaart gebruikt. Met het karviel werden de ra's gehsen.






~karvielnagel:
zie korvijnagel.





~karwylnagel, karijlnagel:
verbastering van korvijnagel. Alleen door Mr. J. van Lennep in het Zeemanswoordenboek 1856 en daarvan afgeleide teksten vermeldt.





~kas:
1> in Vlaanderen (ook in samenstellingen) gehanteerd synoniem voor Kast(scheepstype).

2> plaatselijke benaming voor een kaar; een visbewaarplaats.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~kasko......:
onder andere in P. Versnel's Vakwoordenboek gebruikte schrijfwijze voor casco.





~kassiersmuts:
term die in sommige kringen gebruikt wordt voor een kettingpijp.
Er zijn tot op heden (2012) geen oude vermeldingen van dit woord gevonden.






~Kast, kas:
stalen vrachtschip met steile steven en geveegd achterschip met recht opstaand hek. Allen op het voor- en achterschip heeft het schip een boeiing /verschansing. Langs de gangboorden heeft men niet meer dan alleen het bestek.[A>]
De bewering dat de naam 'Kast' iets te maken zou hebben met de rechte vorm van deze schepen lijkt me aanvechtbaar. Zeker de zeilkasten hebben een fraaie zeeg en zelfs de lange sleepkasten hebben toch een zekere sierlijkheid die men bij diverse oudere scheepsmodellen tevergeefs zal zoeken. Mogelijk houdt de naam meer verband met 'een ruime bergplaats'; we zeggen immers 'een kast van een schip'. Zoals zo vaak bij schepen is de herkomst van de naam van het type echter zeer moeilijk na te wijzen en is de ene verklaring al net zo geloofwaardig als de andere.
De term sleepkast valt voor het eerst rond 1895. IJzeren sleepschepen worden dan al geruime tijd gebouwd. Eerst soms nog met een klippersteven of een scherpe steile steven. Vanaf het eind van de 19de eeuw wordt het voorschip gelijdelijk aan steeds voller van vorm en ontstaat de kast zoals men die later is gaan kennen.

Men kent onder meer: de Bolsjewiek, de Dedemsvaartse kast, de Friese (maat)kast, de Kempenaar, de Motorkast, de Salonkast, de Stukgoederenkast, en de Sleepkast.





~kastaakschip:
term uit de liggers van de meetdiensten waarmee men een steilsteven bedoeld.





~kastenkont:
een geveegd achterschip met laag rechtopstaand hek.





~Kastje:
eigenlijk elke 'kleine' kast. De term wordt echter bijna uitsluitend voor de Friese Zeilkast gebruikt.





~kat:
1> takel die gebruikt wordt om het anker mee onder de boegspriet, kluiverboom, botteloef, of katbalk te hijsen.
Waarschijnlijk door de misvattingen van minder terzakekundige personen komt men het woord kat ook tegen als zijnde een onderdeel van voornoemde takel of van een willekeurige takel.


2> cabine aan de loopkat waarin de kraanmachinist van een laadbrug zijn werk verricht.

3> verkorting van loopkat.

4> verkorting van katpaal.

5> ongebruikelijke verkorting van katting.

6> volgens Mr Jhr. J. van Lennep ook een kleine lichter in de havens.
Het is twijfelachtig of er werkelijk een scheepstype met die naam bestaan heeft.






~katanker, tuianker:
1> in de binnenvaart: stokanker zonder stok en met maar één (anker)arm, dat gebruikt wordt als walanker. Vooral in zuidelijke streken ook propanker genoemd. [A> Meer ankers]

2> in de zeevaart: een klein anker dat gebruikt werd om een katting te maken.





~katarak, kataraksken:
Maurice Kaak stelt dat het een samenstelling van katten (van het grootzeil) en rak (in de zin van touwtje?) is en het daarom het katblok is waarmee men de hals van het grootzeil kat.
Op dit moment is mij alleen de katteval bekend. De takel van deze val liep niet tussen de rakbanden door.






~katbalk, kraanbalk:
1> over het voorschip uitstekende zware balk waaraan het anker opgehesen kan worden.
De katbalk op de oude zeegaande schepen bevat vaak drie schijven. Deze kon in combinatie met een katrol een gijntakel vormen.
Zie ook dovejut.

2> zwaar I vormig staalprofiel bestemd om in combinatie met een loopkat voorwerpen te hijsen. In de binnenvaart vaak kraanbalk genoemd.
Gerelateerde term: katkraan.





~katblok:
1> zie katrol(1).

2> zie katteblok.

3> misschien door misverstand ook verklaard als op de oever geplaatste paal waarachter men het anker (van zeeschepen) haakte. Zie katpaal.
Gerelateerde termen: katanker(1), dooiebed, dode man.

4> door Maurice Kaak genoemd blokje dat gebruikt wordt de hals van het grootzeil te katten. Zie ook katarak.





~kathaak:
eigenlijk de haak van een katrol. Bij uitbreiding elke haak die men gebruikt om het anker te hijsen.





~kathalzen:
bij vlagen hard waaien of stormen.





~Katholiek Sociaal Cultureel Centrum, KSCC:
in Nijmegen gevestigde sociaal maatschappelijke organisatie voor de Rijn- en Binnenvaart. [E> Website]





~katkraan:
willekeurige hijsconstructie met een, uitstekend, lang horizontaal deel, waarlangs een 'wagen', de loopkat, waar aan de last hangt, heen en weer gereden/geschoven kan worden.
Gerelateerde term: katbalk.
Aan boord van binnenvaartschepen komen katkranen weinig voor, alleen schepen die regelmatig kleine zware ladingen aan boord moeten nemen, zoals passagierschepen hun voorraden, zijn er soms van voorzien.
In machinekamers van diverse binnenvaartschepen treft men vaak wel een katbalk voorzien van een loopkat aan om zware machinedelen te kunnen hijsen. Daar de balk meestal geen vrijhangend uitstekend deel heeft, kan men dat echter nauwlijks een 'kraan' noemen. Men spreekt aan boord meestal van een kraanbalk of van een takelbalk.
Walkranen en drijfkranen voor het laden en lossen van schepen zijn zeer vaak katkranen.






~katloper:
loper van de kattakel.





~katning:
term voor een vlecht-, of knoopwerk, dat meestal gebruikt wordt om voorwerpen te bekleden. Enkele katnings zijn:
de halve-steekkatning, (wordt gebruikt voor leguanen en stootwillen ), de kroonkatning (vaak gebruikt in allemanseinden en soms ook in stootwillen), de troensekatning, de Svendborgkatning, de rondtornkatning, de kruiskatning en de gewevenkatning (worden gebruikt voor het bekleden van handvaten en relingen). De meeste overige vlechtwerken worden plattings genoemd.





~katpaal, kat:
een eind uit de oever geplaatste meerpaal.





~katoenijzer:
volgens sommige bronnen gelijk aan een breeuwijzer. De naam doet echter vermoeden dat het een breeuwijzer voor katoen in plaats van voor hennep is.
Katoen werd voornamelijk in smalle breeuwnaden als werk gebruikt.






~katoenpakking:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk van katoen gevlochten vetpakking. Hetgeen volgens mij voor vetpakkingen gebruikelijk is.
Katoenpakking wordt aangetroffen in P. Versnel's Vakwoordenboek.






~katrol:
1> drieschijfsblok met haak.
Ook katblok, katteblok, katrolblok of kip genoemd.
In deze zin van het woord wordt er verband gelegd met met het katten/penteren van het anker met behulp van de katbalk aan boord van zeilende zeeschepen. In deze katbalk bevonden zich vaak drie schijven waarmee in combinatie met de drie schijven in de katrol en de katloper een gijn samengesteld kon worden. Met deze zesde-last-takel werd het anker dan tot tegen het bovenboord van het schip gehesen.
Volgens de etymologiebank is de herkomst echter onduidelijk.


2> tegenwoordig een landrotten term voor elk willekeurig blok. In de negentiende eeuw echter vrij algemeen in deze betekenis gebruikt. Soms ook katrolblok genoemd.
C.J.Pilaar stelt op bladzijde 119 van de Handleiding tot de kennis van het schip en deszelfs tuig (1838): ¨ver de Werktuigen aan boord der Schepen in gebruik: Hier komen in de eerste plaats als van het voornaamste gebruik aan boord zijnde, de Katrollen, aan boord der schepen enkel Blokken genoemd zij bestaan uit vier delen...... Dus toen al gebruikte men liever de term blok dan katrol.


3> volgens voornamelijk oudere bronnen (bijv.Nicolaas Witsen) de schijf in een blok of kraanbalk. Correcter is het te spreken van een katrolschijf.
Ook volgens het WNT zou dit de oorspronkelijke betekenis (1567) van het woord zijn. Een 15 jaar later schijnt het echter al in de betekenis van katrolblok voor te komen.


4> (bij uitbreiding) takel met twee, drieschijfsblokken; een gijn.





~katrolblok:
bepaald drieschijfblok met haak. Zie katrol.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~katrolschijf:
schijf in een katrol.
Bron o.a.: P. Versnel's Vakwoordenboek en Online Woordenboek der Nederlandse Taal GTB INL.
Aant. Vroeger meer algemeen gebruikt voor elke schijf. Later mogelijk meer specifiek de schijf in een drieschijfsblok.






~katsjoe: cachou.





~kattakel:
1> takel aan de kraanbalk of ankerdavit waarmee men het (stok)anker ophijst.

2> takel waarmede men het anker kat.Zie ook pentertakel.
Gerelateerde term: katrol, katbalk.





~katteblok:
1> houten blok met twee schijven naast elkaar.

2> katrolblok, katblok: oudere term voor de katrol(1).

3> bij vergissing gebruikt als synoniem voor kinnebaksblok.





~kattekop, kattenkop:
1> een houten blok zonder strop of beslag maar met een speciaal gevormde knop als neut. onder meer gebruikt voor de katteval. [A>]  De
DUBBELE KATTEKOP
heeft een gelijkgevormd hondsvot.

2> zware zuiger- of membraampomp, vroeger vaak gebruikt als lenspomp op zandschepen.
Naar men zegt komt de naam kattekop van het op spinnen lijkend geluid dat deze pompen zouden moeten maken. Het is vermoedelijk het klapperen van de kleppen wat dit geluid veroorzaakt.


3> roodkoperen boeglantaarn, zoals dat onder andere op Botters gebruikt werd.

4> emmertjespomp.

5> Vlaams voor een metalen dommekracht.

6> (mogelijk plaatselijk) synoniem voor speen.

7> naar men zegt een soort bijnaam voor een signaalkanon.





~katten:
1> het met de katteval optrekken van de hals van het grootzeil. Zie ook opkatten, halzen.

2> foutieve benaming voor geien of opdirken.

3> kippen, penteren: het (stok)anker  optakelen en/of het anker onder de boegspriet, kluiverboom, kranebalk, botteloef, of katbalk, of tegen het voorschip, zeevast zetten.
In de zeevaart hieuwt men het anker tot het voor de boeg komt. Vervolgens kat men het zodat het onder de kraanbalk hangt, daarna kipt men het zodat de stok vertikaal tegen en de armen horizontaal op het schip rusten.


4> een katting maken. Aan het ankerkruis een tweede, meestal klein, anker binden. In de binnenvaart weinig toegepaste methode. Het tweede anker wordt in de zeevaart katanker genoemd.

5> een anker dat op de wal gebracht is, door middel van, in de grond gedreven, palen zekeren.




~katterug, kattenrug:
men spreekt van een katterug wanneer de langsscheepse lijnen van het schip bol staan.
Slechts zeer weinig schepen worden zo gebouwd. (Zie ook stapelbocht.) In de meeste gevallen zijn het lange schepen, zonder enige zeeg, die door een verkeerde wijze van belading, zie opladen en doorladen 'verbogen' zijn. Bij ongeladen zeer lange schepen heeft men het effect dat het voorschip met ankergerei en boegschroef en het achterschip met ankergerei en voortstuwing zo erg aan het lege middenschip hangen dat er een katterug ontstaat. Zijn deze schepen geladen dan ontstaat er het omgekeerde.

Gerelateerde term: katterugdek.





~katterugdek, kattenrugdek:
geleidelijk, tegen de zeeg in, aflopend dek.
Dit soort dekken kon men op sommige van de raderstoomsleepboten aantreffen. Het weinig fraaie beeld dat zou zou ontstaan wordt vaak kundig door opbouwen en verschansingen gecamoufleerd. Het voordeel van een dergelijk dek is dat men bij de ketels en machines profiteert van de extra ruimte die het geeft. Terwijl men in voor en achterschip, waar men deze hoogte niet nodig heeft, niet de last van een hoge romp hoeft te torsen. Een geringe diepgang kon een uitermate belangrijke rol spelen in de Rijnvaart.





~kattespoor, kattenspoor:
1> bij stalen schepen: vaak gebruikt synoniem voor wrang, legger. (De dwarsscheepse constructie op het vlak)
Eigenlijk alleen de bovenzijde van deze legger; het deel waarop de buikdenning ligt is het kattespoor, al spreekt men ook van tegenspant. Het onderste deel, dat op het vlak ligt is de legger. De plaat die de verbinding tussen de twee voornoemde delen vormt is de wrang.


2> bij houten schepen: dwarsscheepse latten op het midden van lage leggers om de buikdenning of vloer overal op zekere hoogte boven het vlak te brengen. (Friese term?)

3> vaak gebruikt, maar niet correct, synoniem voor zaadhout.

4a> langsscheepse verstevigingen over de leggers, waaraan de mastkoker bevestigd is.
Mogelijk een Friese term voor wat over het algemeen kolsum of mastspoor genoemd wordt. Het is echter ook mogelijk dat dit op een foutieve aanname berust.


5a> aan de binnenzijde tegen de buikdenning en de wegering aangebrachte dwarsverbanden.
Meestal heeft de term betrekking op een, in één stuk doorlopend, hout dat op de buikdenning ligt en tot in de zijde omhoog loopt. Alleen op grotere, vooral brede, schepen werden enkele van dit soort kattesporen geplaatst. Het is dus mogelijk voorbehouden aan zeegaande schepen.
Een enkele maal wordt de term ook gebruikt voor een versterking die alleen tegen de binnenkant van de zijde aanwezig is. Deze loopt soms hoger door dan de spanten en oplangers en biedt dan steun aan het bovenboord.

b> volgens een enkeling: op de leggers aangebrachte dwarsscheepse steunen voor de mastkoker; schetsplaten.

c> volgens sommige bronnen gebruikt als synoniem voor dorpel.





~kattestaart, kattenstaart:
1> bepaald soort klamp. @verder niet bekend

2> stukje touw aan de ankerboei, waarschijnlijk om het opvissen te vergemakkelijken.

3> bij de marine: met seinvlaggen gegeven tegensein.





~katteval, katval:
val vanaf het dek, naar een blok hoog in de mast en vandaar naar een punt dichtbij de halshoek. Met de katteval kan men de hals van het grootzeil een eindje optrekken (katten), waardoor het zeil oppervlak verkleind, maar het zeil wel buikiger wordt. Men kan zulks doen om:
a. een beter uitzicht naar voor te verkrijgen (vooral bij achterlijke wind toegepast).
b. vaart te verminderen.
c. de loefgierigheid te verminderen.

Er worden twee manieren voor het voeren van de katteval beschreven:
a. de val loopt vanaf het kattevalblok door de gaatjes in de halve-maantjes, die aan de rakbanden zitten, en is op het onderste maantje vastgezet.
Deze methode wordt wel in sommige boeken beschreven, maar foto's waarop zulks te zien is, heb ik nog niet gevonden

b. de val loopt van het kattevalblok, tussen alle rakbanden door naar de kous van de onderste rakband en is aldaar vastgezet.





~kattevalblok:
blok waardoor de katteval loopt.





~katting:
een tweede anker dat aan het ankerkruis van het eerste vastgemaakt is.





~katval:
onbekend woord voor katteval.





~Katwijker:
variabel scheepstype, behorend tot de motorschepen(1a). Meestal tussen 20 en 24 meter lang, geen al te grote holte, zware berghouten, meestal geen roef, vaak een kleine stuurhut, soms voorzien van een rechtopstaand of zelfs achterovervallend hek. Katwijkers werden veel als beurtschip, maar ook als gewoon vrachtschip en voor de visserij gebruikt.





~katzwijm:
windstilte (bij warm weer).
IN KATZWIJM LIGGEN
: met een zeilschip, door gebrek aan wind, ronddrijven. Later ook gebruikt voor motorschepen, die door een gebrek aan de voortstuwing, stil komen te liggen.





~kavalje:
oud, versleten schip.





~kavel:
Zeeuws, Vlaamse vorm van kabel.





~kazerneschip:
(drijvende inrichting) schip dat gebruikt wordt ter huisvesting van militairen.





~K-bord:
vierkant, zwart omrand, geel bord met daarop de letter K. Het bord geeft aan dat er kabels in de bodem van het vaarwater liggen. Het tot op de bodem neerlaten, of neer gelaten hebben, van een anker is ter plaatse verboden. [A>]





~keb:
zie bij inkel.





~kebbe:
zie bij inkel.





~keel:
1> trog.

2> groef waarin, bij schijven en kousen, het touw of de staaldraad ligt. Volgens sommigen ook baai, spoor of groef genoemd.

3>
a> trechtervormig visnetje in een fuik, kruik of kuilnet. Zie verder bij inkel.
b> van tenen gevlochten trechtervormig deel in een prikkorf.

4> het schuine deel van een haaklas.





~keelmerkel:
nog niet bekend.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~keelteen teen waarvan de keel in prikkorf gevlochten is.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~Keen :
1> Overlander, Bovenlander, Kaan:
Duits scheepstype, dat veel verwantschap met onze aken(1) vertoont. [A>] Vrij grote, platte, licht gebouwde, houten rivierschepen die overnaads gebouwd waren. Vrij spits toelopend voor en achterschip met ruime overhang. Ze waren voorzien van een klaphekkenroer. Bij de voorsteven vergaarden de gangen zich op een neusklos, waarin het verdere verloop van de gangen uitgehouwen was. Terweerszijden daarvan bevonden zich de beretanden met daarachter het beretandschild. Later ook in staal gebouwd.
De Keen wordt door sommigen ook Leunder genoemd. Dit is een foutieve, dus verwarrende, benaming want de Leunder, hoewel verwant aan de Keen is een ander type vaartuig: zie Lahnaak.

Volgens Sopers te onderscheiden in:

Keen: grote anderhalf-masters, een slank voor- en achterschip en een soort paviljoen. Lengtes tot circa 42 meter, breedtes tot circa 6 meter en een laadvermogen welk volgens Sopers (blz.118) op kon lopen tot 265 ton.
G.J. Schutten (blz.385) stelt dat de gewone Keen hier te lande ook Peelaak of Moezelaak genoemd werden.


Keenaak: een keen met een wat voller voor- en achterschip en meestal een roef op het achterste deel van de luikenkap. Lengtes tot circa 36 meter.
Volgens G.J. Schutten (blz. 386) zouden voor- en achterschip van de Keenaak juist wat spitser zijn.


Keenschip: een keen met een nog voller voor- en achterschip, gladboordig en met een grotere holte. Mogelijk een Nederlandse variant.

Gerelateerde types: de 's-Gravenmoerse aak, de HOUTEN Hagenaar, de Lahnaak, de Moezelkeen, de Mulmse aak, de Slof(4), de Zuilichemse keen, enz.

Grote Keen: volgens G.J. Schutten een Keen met een laadvermogen van 250 ton en meer. Deze zouden vooral te Mülheim (an der Ruhr) gebouwd zijn.

2> zie bij gein.





~Keenaak: zie bij Keen.





~Keenschip: soort Keen.





~keep:
groef, bijvoorbeeld in de wang van een stropblok, waarin het touw waarmee het voorwerp vastgemaakt is. De keep moet voorkomen dat het touw verschuift.





~keerder: tegenhouder.





~keerdeur, keersluisdeur:
sluisdeur in een keersluis. Ook sperdeur genoemd. Zie ook toldeur.





~keerfok:
vaak door watersporters gehanteerde term voor boomfok.





~keerkoppeling, omkeerkoppeling, omkeerbeweging:
mechanische inrichting waarmee de draairichting van de schroefas omgekeerd kan worden en waarmee men bovendien de schroefas van de motor kan losgekoppelen. Schijnt ook in combinatie met stoommachines (ik neem aan stoomturbines) gebruikt te zijn. [A>]

Hydraulische keerkoppeling
:
keerkoppeling waarbij de koppelingbewegingen met behulp van oliedruk geschieden.
Mechanische keerkoppeling
:
keerkoppeling waarbij de bediening door middel van een met stangen tot stand gebrachte overbrenging geschied.
Gerelateerde termen: korthalskeerkoppeling, langhalskeerkoppeling.





~keerkoppelingshandel:
pook of hefboom waarmee de keerkoppeling bediend wordt.





~keerkoppelingshefboom, keerkoppelingshandel:
lange zware stalen hefboom, waarvan het scharnierpunt op (of onder) de stuurhutvloer ligt, waarmee, middels een setsel van stangen en knieën de keerkoppeling bediend wordt. [ nr.4 in A>]





~keerluik:
weinig gebruikte term waarmee men de kokerluiken bedoelt.
Bron: lezing H. Dessens.






~keernagel:
op de samenkomst van naden aangebrachte afdichting die moet vookomen dat water naar binnen lekt. Soms ook scheinagel genoemd. Keernagels vind men onder meer tussen de lassen van kielbalken en tussen de las van kielbalk en stevenbalk, en wel op het punt waar de huidbeplanking de lasnaad raakt. De normale afdichting van de naad, mospapier, teervilt, of iets dergelijks, scheen ontoereikend te zijn.
Er is enig verschil in hoe de keernagel nu werkelijk toegepast werd. Het geheel wordt onder meer beschreven in "Verhandeling over de zamenstelling en het verband der zeilschepen" door Hendrik Adrian van der Speck Obreen (1842). Hij heeft het, als ik het goed begrepen heb, eigenlijk over een mosnaad die met houten proppen afgesloten wordt. Bij zeeschepen schijnen er daarvan meerdere naast elkaar gelegen te hebben. Uit de schaarse beschrijvingen in zake de binnenvaart blijkt dat men op de plaats waar de afdichting moest komen, gewoon een gat boorde en daar een goed passende duvel in dreef. In het water gelegen, zal de duvel opzwellen en voor de afdichting zorgen.
P. Dorleijn noemt in de "bouwgeschiedenis van de botter" dat daarbij afhankelijk van de werf mosnaden, danwel keernagels gebruikt werden.






~keerpaal:
schuinsweg, in de vaar- of stroomrichting, tegen een brugpijler geplaatste houten paal, die tot doel heeft de pijler te beschermen. Keerpalen werden vooral bij houten bruggen toegepast. Behalve tegen onvoorzichtige schippers vormde het ook een bescherming tegen op drift geraakte ijsmassa's.
Alhoewel niet geheel gelijk van aard wordt de keerpaal soms ook schoorpaal genoemd.






~keernet:
elk van de twee rechtopstaande netten, langs twee tegenoverelkaar liggende zijdes van het zalmkruisnet, aangebrachte netten. [Diverse termen inzake het vistuig >.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~keerrol:
1> keerschijf met naar verhouding tot de breedte, kleine diameter.
2> onvolledige benaming voor adhesietrommel.





~keerschijf:
schijf, meestal voor staaldraad, die de richting waarheen de draad loopt sterk, vaak ca. 180 graden verandert.
Keerschijven worden meestal gebruikt om de lier waarop de draad gewikkeld is gunstiger op te kunnen stellen.





~keerschot(je):
zie waterschot.





~keerschut(je):
zie waterschot.





~keersluis, stuwsluis, stouwsluis, rabot:
schutsluis of een, op één of andere wijze, afsluitbare doorvaart, die alleen in bepaalde situaties, meestal bij dreigend hoogwater, gebruikt wordt. [A>]





~keersluisdeur:
zie keerdeur.





~keerspant:
1> het eerste spant dat, vanaf het achterschip gezien, de binnenhoek naar voor gericht heeft. Het keerspant treft men alleen op geklonken schepen aan.

2> volgens enkelen: een webspant bij een geklonken schip.

3> stalen hoeklijn, die tegengesteld aan de naast liggende hoeklijn bevestigd is. Wanneer deze direct tegen het spant ligt spreekt men ook van dubbelingsspant De term keerspant wordt ook gebruikt voor wat over het algemeen  het kattespoor genoemd wordt. (Deze is namelijk tegengesteld gericht aan de onderste hoeklijn van de legger.)





~keerwant:
visweer bestaande uit netten.





~kees:
1> hondenras. Zie schipperskees.

2> keesje: met loodhagel gevuld leren zakje aan het uiteinde van een werplijn. Het zakje is voorzien van een lus. Hierop wordt de werplijn gestoken.

3> kleine kees, klein keesje: een, vaak met ijzer verzwaarde (tijdelijke) werpknoop. Ook apevuist genoemd.





~Kees-ottes, door Nicolaas Witsen genoemd scheepstype en door hem omschreven als: "Sterke binne-zee-scheepen tot Enkhuizen, waar mede van onder water kanon, zilver, en andere zwaarte, boven gehaalt wert, en daar men ook mede vischt. Welke konst aldaar onder zekere luiden beter is, als elders in de werelt; konnende zy geheele scheepen uit de grondt boven halen: hunne werktuigen houden zy geheim, en willen niemant vreemts by den arbeidt dulden." Over de verschijning van de schepen zegt hij dus niets.





~keete, keet :
a> Vlaamse term voor statie.
Bron: Maurice Kaak.

b> bovenste soms afneembaar deel van de statie op bepaalde Vlaamse schepen.
Onder andere bij de Denderpleit was een gedeelte van de statie en de roerkop (soms) afneembaar. Ze bezaten ook afneembaar deel van het neusje van de voorstevenbalk met een aangrenzend deel van het kluishout dat ezel genoemd werd. Voor deze ezel gebruikte men echter soms de term Loose keet.
Ook deze betekenissen wordt door Maurice Kaak genoemd.






~keilpen:
zie deutel.





~keg:
houten wig.
a> zie spalkkeg.
b> zie kojne.





~kegel:
dagteken. Op dit moment kennen de vaarreglementen kegels in twee verschillende kleuren; zwarten en blauwen.
De zwarte kegel geeft over het algemeen aan dat het vaartuig zich in zijn bewegingen anders zal gedragen, dan men zo op het oog zou verwachten.
De blauwe kegel geeft aan dat het schip een gevaarlijke lading vervoert. Het aantal kegels, 1, 2 of 3, geeft de gevarenklasse aan. Hoe meer kegels hoe gevaarlijke de lading. Blauwe kegels worden met de punt naar beneden gevoerd en worden 'snachts door blauwe rondomschijnende lichten vervangen.
Volgens de geldende reglementen moet de basis van de kegel een doorsnede van 60cm hebben en mag de hoogte niet minder dan de doorsnede van de basis zijn.
Kegels worden veelvuldig vervangen door constructies, die slechts de vorm van een kegel weergeven. Ook vaak toegepast zijn kegels die geheel gemaakt zijn van doek en waarbij de basis in model gehouden wordtdoor een dunne metalen ring.






~kegelpaal:
elk der meerpalen, dukdalven of soortgelijke constructies, die geplaatst zijn om kegelschepen ligplaats te bieden.





~kegelplaats:
ligplaats bestemd voor kegelschepen.





~kegelschip:
schip, dat een gevaarlijke lading vervoert en daarom één of meerdere kegels dient te voeren. [A>]
De kegels zijn blauw van kleur en worden met de punt naar beneden gevoerd. Bij slecht zicht en duisternis voert men blauwe lichten in plaats van kegels. Afhankelijk van de aard der lading worden één tot drie kegels/lichten gevoerd. Deze kegels/lichten staan in een vertikale lijn boven elkaar met een tussenruimte van 1 meter. Schepen, die als gevaarlijk omschreven stoffen vervoeren, voeren één kegel. Bij schadelijke stoffen voert men twee kegels en bij ontplofbare stoffen drie kegels. Dit is echter maar een globale aanduiding. Het vervoer van gevaarlijke stoffen is uitgebreid geregeld in het ADNR. Het gedrag van kegelschepen op ligplaatsen in sluizen, en dergelijke, als mede het gedrag van gewone schepen ten opzichte van kegelschepen en dat van kegelschepen onderling is geregeld in de vaarreglementen.






~kegelton:
ton met spitse bovenkant; een spitse (groene) ton of boei.





~keggen: spalken.





~keggenbank, keggebank, spalkdek, bulb, dekzeilrand:
horizontale 5 tot 7 cm brede rand langs de den op ca. 20 cm. onder de bovenkant, voorzien van opstaande, schuin geplaatste stalen plaatjes, de spalkijzers. De keggenbank wordt gebruikt om de dekzeilen op vast te kunnen spalken. [A> 1, 2.]
Gerelateerde termen: spalkbeugel, spalkhaak, spalkdek, spalkijzer, spalkklem, spalkkeg, spalklat.





~keggenzak:
jute of zeildoeken zak waarin de niet gebruikte spalkkeggen bewaard worden.





~keghamer:
houten of rubberen hamer waarmee de spalkkeggen, die bij het spalken gebruikt worden vastslaat.





~kelder:
1> de bodem van het vaarwater in:
NAAR DE KELDER GAAN
.

2> onvoldoende bekend. Vertrek, ruimte op een beurtschip, afgaand op de prijzen die gevraagd werden van mindere stand dan de kajuit, maar heel wat comfortabeler dan de roef.

3> verkorting van sluiskelder.





~kelderen:
zinken; meestal door een oorzaak van buitenaf. Zie ook kelder.





~kelderwinde, kelderwind:
1> al sinds de 17de eeuw gebruikt als synoniem voor een dommekracht.

2> volgens G.J. Schutten ook synoniem voor de grondvijzel/aardewinde.





~kelf:
zie kennef.





~Kemel:
door riviervissers gebruikte term voor het scheepstype Schokker.
Gijs Sepers, Waalschokkers zijn geen schokkers, Spiegel der Zeilvaart 8/2000.






~Kempenaar:
maatschip met maximale maten van 50 x 6,6 x 2,5 m. ca. 600 ton laadvermogen en een kruiphoogte van liefst minder dan 4,2 m. De Kempenaar is een schip dat gebouwd is voor de vaart door de kanalen in de Belgische Kempen. Het model van de oudere Kempenaars is bijna altijd dat van een Kast. [A>]  
Gerelateerde remen: Brusselaar, Twente Rijn kempenaar, Bolsjewiek, Kempenspits, Weerter kempenaar, roggebroodkempenaar, Nervien Kempenaar, Enkhuizer kempenaar, 50-meter-schip, 55-meter-schip, Hoogeveense kempenaar .
In sommige kringen wordt een strenge scheiding gemaakt tussen kastjes, kasten en Kempenaars. De grenzen tussen deze groepen liggen echter niet voor iedereen die dit onderscheid hanteert bij precies dezelfde maten.
De maat van het schip werd bepaald door de sluizen in het vaargebied. Echter al in 1920 kwamen er in een groot gedeelte van het vaargebied sluizen gereed die schepen met de afmetingen 55 x 7,2m toelieten. Onderandere de Zuid-Willemsvaart behield echter de oude maat. De nieuwe sluizen hadden tot gevolg dat er schepen van 55 x 7m gebouwd werden. Sommigen willen ook deze 55 meter schepen een Kempenaar noemen, hetgeen echter, om verwarring te voorkomen, geen navolging verdient. De term 55-meter-schip is mijns inziens correcter.
Verder werden na de tweede wereldoorlog een groot aantal motorschepen met de kempische maten maar met een compleet afwijkend model gebouwd. Alhoewel de term kempenaar voor deze 50-meter schepen verdedigbaar is, zie ik hier liever de termen 50-meter-schip gebruikt worden.
Zowel voor de moderne 50 x 6,60 als voor de 55 x 7 gebruikt men soms de termen nieuwe Kempenaar of moderne kempenaar.






~Kempenspits, Fox:
maatschip met de maten van 50 x 6,6 x 2,5 m. en met het model van een gewone spits. Dit resulteerde in ca. 680 ton laadvermogen. Dat is ongeveer 100 ton meer dan bij de meer gangbare kempenaar.





~Kempische spits:
scheepstype. Maatschip met een model gelijk aan dat van de Belgische spits maar met de afmetingen 66 x 6,6 m.
De bron hiervoor was: http://www.ethesis.net/baasrode. Dit artikel over de werven Baasrode is echter niet meer toegankelijk.
Het bestaan van deze maat wordt in twijfel getrokken. Het misschien weer een aanpassing van de gewone Kempenaarmaat aan inmiddels vergrote sluizen.






~kennef, kelf, :
voorwerp met langwerpige opening waarin iets besloten kan worden. onder meer van toepassing op sluitingen en op het oog dat bijvoorbeeld aan een zwaardbout gevormd kan zijn.
De term in deze betekenis schijnt vrijwel uitsluitend in het zuidelijk taalgebied gebruikt te zijn.






~kenspreuk:
zin, of lettercombinatie van de eerste letters van een zin, die gebruikt wordt als scheepskenmerk. Bijv. 'Wacht Uw Tijd Af' en het daarvan afgeleide 'WUTA'.





~kenteken:
datgene waarbij een schip aangeroepen wordt en wat duidelijk leesbaar op het schip aangebracht dient te zijn. Meestal een naam, een kenspreuk of een letter-cijfercombinatie. Vissersschepen voeren het toegewezen visserijteken, een letter-cijfercombinatie als kenteken.





~kenten:
oude schrijfwijze van senten (ook wel als centen geschreven).





~kenteren:
1> kapseizen: omslaan. Meestal gebruikt wanneer het schip omslaat, nadat het door binnengekomen water of het schuiven van de lading, instabiel geworden is.

2> van het tij: het omkeren van de stroomrichting, ten gevolge van de werking van eb en vloed.

3> eigenlijk: op zijn kant leggen. Zie krengen, kielen.





~kentering:
1> het kenteren.

2> kanteling, weertij: periode tussen eb en vloed, waarin de stroming omkeert. Zie ook doodstroom.
Op één punt gezien is dit slechts een kort moment, in een groter gebied kan dit echter geruime tijd duren.

Zie ook: doodwater.





~kenterschoot:
takel die gebruikt wordt om de giek verder naar loef te trekken.
Deze handeling scheen bij het vissen, vermoedelijk wanneer men de dwarskuil gebruikte, weleens nodig zijn. Voor zover ik weet, werd zoiets in de vrachtvaart niet toegepast.

Vergelijk bulletalie.





~keper:
onbekende term voor bok(1a).





~kepering:
bovenste deel van het boeisel, achter de buiboegsels, bij (bepaalde) in hout gebouwde Vlaamse scheepstypes. Ze worden een enkele maal dolleboom of rankgeerd genoemd.
Voor zover bekend komt deze constructie bij Nederlandse types niet voor en is er dus ook geen Nederlands synoniem. Aan de keperingen zijn meestal de zogenaamde pennen gevormd of bevestigd.
Bron: Maurice Kaak.






~kerende hoogte:
de hoogte van een sluisdeur of stuw gemeten ten opzichte van NAP.





~kerkbootje:
kleine glazenkast, voornamelijk door rijke families gebruikt om 's zondags naar de kerk te varen.





~kerkschip:
vaartuig ingericht om kerkdiensten in te houden.
Gerelateerde term: evangelisatieschip.





~kerkschuit:
beurtveer en het vaartuig waarmee deze veerdienst uitgeoefend werd, waarmee men op zon en feestadagen naar de nabij gelegen kerk kon komen.
In dit verband wordt meestal de kerkschuit van Hobrede-Oosthuizen, die van 1825 tot het eind van de 19de eeuw gevaren heeft, genoemd. Bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Deel 5 Door A. J. van der Aa en verspreide geschriften.






~kermisschuit:
1> vaartuig van een kermisexploitant of aanverwante beroepsgroep. Ook amusementsschip genoemd.

2> minachtende benaming voor een vrachtscheepje met overdreven veel tierelantijnen of voor een vrachtscheepje met veel 'rotzooi' aan dek en op de luikenkap.





~kermistjalk:
tjalkachtig scheepje gebruikt voor het vervooer van een kermisattractie.





~kern:
het hart van touw of staaldraad.





~kernluik:
plaatje tegen de cilinderkop of het motorblok dat de opening, waarlangs de koelwaterruimte bereikbaar is, afdekt.





~kerstboom:
lichtmast met meerdere ra's en aan het uiteinde van elke ra een licht. [A>]





~kerveel:
oude schrijfwijze voor karveel.





~kerven:
van touw: afhakken, doorsnijden als ook op maat maken. (Verouderd).





~kesp:
1> hoos, die tussen dwarsklampen of een dwarsdubbeling ligt. De kesp was vaak met blik beslagen.

2> de planken van een dwarsdubbeling of een dwarsklamp.

3> bovenkant van de deken tussen de dekenpoten.

4> dwarsbalk onder de vloer van een (houten) sluis. De kesp verbindt de koppen van de heipalen. [Gerelateerde termen >].





~ketel:
1> kompasketel.

2> stoomketel.





~ketelappendages:
toebehoren bij een verwarmings- of stoomketel, zonder welke de ketel niet gebruikt kan worden.





~ketelbekleding:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk buitenste laag die, ter isolatie of bescherming, om een stoomketel ligt.





~ketelboek:
niet bekend.





~ketelfundatie:
verstevigingen binnen in de romp die, in combinatie met de ketelstoelen de ketel dragen.





~ketelhuis, ketelruimte:
geheel of grotendeels vrijstaande ruimte waarin de ketel voor een stoommachine opgesteld staat.
Over het algemeen zal men de term ketelhuis gebruiken voor op het dek geplaatste ruimtes en ketelruimte voor ruimtes die gedeeltelijk verzonken zijn.






~ketelluis:
zie pijpluis.





~ketelromp:
de buitenkant van een stoomketel.





~ketelruimte:
ruimte waarin de ketel voor een stoommachine opgesteld staat.
Slechts weinig binnenvaartuigen hebben een gescheiden ketelruimte en een machinekamer. Drijvende werktuigen zoals bokken en stoombaggermolens hebben bijna altijd een keteruimte; de machines staan immers aan dek. Vaak noemt men dit echter een ketelhuis.






~ketelschip:
tankschip waarbij de lading in, afzonderlijke, in het schip geplaatste, tanks vervoerd wordt.
Elke tank is dus een afzonderlijke eenheid, die pas bij plaatsing in het schip in het geheel opgenomen wordt.
De eerste ketelschepen waren 'normale' vrachtschepen die, toen er een groeiende vraag naar vloeibare brandstoffen ontstond, voorzien werden van, in het ruim geplaatste grote houten vaten. Vanwege de nodige lekkage en toenemende brandbaarheid van de, te vervoeren, vloeistoffen ontstonden in de eerste jaren van de twintigste eeuw al de eerste tankers. Voor het vervoer van poederachtige stoffen gebruikt men hedentendage nog vaak ketelschepen, maar toch ook ruimschepen.

Gerelateerde termen: poedertanker, cementtanker, cementpompboot.





~ketelsluis:
1> bijnaam van "De sluis te Ketelhaven".

2> kom- tot cirkelvormige sluiskolk met drie of meer sluishoofden. De sluis fungeert niet alleen als schutsluis met meerdere uitgangen, zoals een driewegsluis, maar tevens als zwaaikom.
Behalve te Embden is een dergelijke sluis ook te Agde, Frankrijk, te vinden.
Een sluis die zich verbreedt achter de sluishoofden noemt men geen ketelsluis zoals men soms beweerd (Wikipedia juli 2013), maar een komsluis.






~ketelstoel:
op de machinekamerfundatie geplaatste steunen, waarin, meestal met tussenvoeging van een plaat lood, de stoomketel rust.
Gerelateerde term: ketelfundatie.





~ketelvuur:
de verwarmingsbron van een verwarmings- of stoomketel.





~ketting:
plaats waar een ketting (soms ook een andere versperring) over het water ligt. Meestal een plaats waar tol geheven wordt of waar een kettingpont vaart. Zie ook havenketting.





~kettingbak, bak:
1> kettingkast: onderdekse ruimte of kist waarin de ankerketting geborgen wordt. [A>]
Vanaf het ankerlier of de braadspil wordt de ankerketting door de kettingpijp naar beneden geleid. Hier komt de ketting terecht in een bak. Het uiteinde van de ketting welke zich in de bak bevindt is op één of andere wijze stevig met de romp van het schip of een schot verbonden. Deze verbinding wordt door sommigen een slampamper genoemd. Ook komt het voor dat men, wanneer men over twee ankers met kettingen beschikt, men de uiteinden van de kettingen met elkaar verbonden heeft.


2> kettingkist: op het dek gemonteerde houten kist waarin men de ankerketting bergt.
Dit soort kettingbak werd uitsluitend gebruikt bij een braadspil en dan alleen nog op kleine schepen of bij ankers die men geheel op de hand bediende.






~kettingboot:
lelijke verkorting van kettingsleepboot.





~kettingen:
werkwoord: fuikepalen met behulp van kettingen en hefbomen uit de grond trekken.





~kettinghaak:
1> haak met zeer smalle bek bestemd om rond kettingen gehaakt te worden.

2> vaak gebruikt synoniem of verkorting van neuringkettinghaak.

3> instrument dat men gebruikt om met de hand zware kettingen te verplaatsen (voort te slepen).





~kettinghuis:
tolhuis waar een tolketting over het vaarwater lag.





~kettingkabel:
somtijds gehanteerd als synoniem met kabelketting.





~kettingkast:
zie kettingbak.





~kettingkist:
zie bij kettingbak.





~kettingklamp:
door enkelen gehanteerde term voor slemphout.





~kettingkluis:
1> willekeurig kluisgat voor een ketting.

2> dekkluis, kluispijp, kluiskoker: pijp, die vanaf het ankerlier door het voor- of achterschip loopt en bij het kluisgat van het anker uitkomt. [A>]





~kettingknie:
door enkelen gehanteerde term voor slemphout.





~kettingkwadrant:
kwadrant dat door kettingen bewogen wordt.
Gerelateerde termen: kettingstuurwerk, zie ook kwadrant.





~kettingleng, kettingsleng, beseisketting:
flink eind ketting met aan de ene zijde een grote ronde ring en aan de andere zijde een eliptische ring, die door de ronde ring genomen kan worden.
De kettingleng wordt gebruikt voor het hijsen van harde zware voorwerpen. Voor een betere grip op de last worden er tussen de ketting en voorwerp, bijv. stalen balken, houten klossen, de zogenaamde worstjes, gelegd.
De term leng is hier niet op zijn plaats (zie sleng). De term snotter zou correcter zijn
.





~kettingloper:
een loper die uit ketting bestaat.





~kettingpijp, kettingkluis:
pijp, die als dekdoorvoer voor de ankerketting, tussen kettingbak en ankerlier of braadspil dient. [A>]
De afgebeelde kettingpijp schijnt ook als kassiersmuts bekend te staan.

Gerelateerde termen: kabelgatsluik, kabelkas, kabelkoker.





~kettingwiel:
over het algemeen een flinke schijf bestemd om een ketting te geleiden of voort te bewegen.
Een dergelijke schijf in een ankerlier noemt men een nestenschijf.






~kettingpomp:
bepaald type pomp die wel als lenspomp gebruikt werd.
De kettingpomp bestaat uit een, over een rad hangende rondlopende ketting. Eén kant van de lus loopt door een pijp vanaf onder in het schip tot bovendeks. Rond de ketting zijn op regelmatige afstanden schijven, proppen, verdikkingen, aangebracht die nauwsluitend in de pijp passen. Wanneer het rad rondgedraad wordt zullen de 'proppen' het in de pijp bevindende water naar boven duwen.
Voor zover bekend werd deze pomp al spoedig verdrongen door de emmertjespomp.
Bij de scheepspomp zal het onderste rad in de afbeelding veel kleiner zijn, dan bij de afgebeelde irrigatiepomp.






~kettingpont, kettingveer, kettingveerpont :
een heen-en-weer, die langs een, door het water liggende ketting, wordt voortbewogen.
Volgens een 'journalist' van de Gelderlander is ook een gierpont een kettingveer. Een gierpont ligt namelijk met een ketting in de rivier verankerd. Of er meerdere aanhangers van deze verklaring bestaan is mij niet bekend.

Gerelateerde termen: veer, veerboot, pont, heen-en-weer, gierpont, kabelpont, reeppontvoetveer, veerwagen, wagenveer, overzet, zweefveer, trekpont, hoogkabelpont.





~kettingschaar:
volgens G.J. Schutten synoniem met schalmvork.





~kettingschijf:
schijf, bijv. in een blok, speciaal bedoeld voor ketting. [A>] Zie ook: nestenschijf.





~kettingsleepboot, kettingboot:
soort sleepboot, die zich aan een, op de bodem van het vaarwater liggende, ketting voorttrekt.
Gerelateerde term: draadboot.
Ter informatie: deze vorm van slepen is in Nederland in de 19de eeuw beperkt in gebruik geweest. Kettingboten voeren onderandere op de Zuiderzee om zeeschepen langs Pampus te trekken, tussen  Rotterdam en Lobith (tot ca. 1873) en het kanaal Gent naar Terneuzen (tot 1869). Eind 20ste eeuw voeren er alleen in Frankrijk nog kettingboten (Toueur in het Frans). De eerste kettingboten werden door een paardentredmolen bewogen, de laatsten veelal door electromotoren.
Gerelateerde termen: Nederlandsche Kettingstoomsleepboot Maatschappij.





~kettingsleepdienst:
lelijke verkorting van wat eigenlijk kettingsleepbootdienst zoudt moeten heten. Een sleepdienst, die met een kettingsleepboot onderhouden wordt.





~kettingsmederij:
smederij, die onder meer ankerkettingen smeedt. Vaak grofsmederij genoemd.





~kettingspruit:
twee of meer kettingen die op één punt, meestal een zware ring of sluiting, te samen komen.
Kettingspruiten worden gebruikt bij het slepen en bij het hijsen van sommige lasten.






~kettingsteek:
herhaling van door elkaar stekende lussen, meestal gevormd door bochten in één en hetzelfde touw.





~kettingstoomsleepboot, stoomkettingsleepboot:
kettingsleepboot die door middel van een stoommachine voortgestuwd wordt.





~kettingstopper:
1> in de zeevaart: stuk ketting, waarmee men staaldraden en touw, die men van de verhaalkop neemt, strak houdt.

2a> kettinggrendel, dekstopper:
in de kettingpijp aangebrachte 'grendel' waarmee men de ankerketting vastzet. [A> Nog een foto]
b> in de binnenvaart: willekeurige inrichting, tussen ankerlier en kettingkluis, waarmee men het ongewenst uitlopen van de ankerketting tracht te voorkomen:
- gewoon een dikke stalen staaf die men net boven de kettingkluis of net achter het kluisgat door de schalmen steekt.
- een schalmvork.
- een duivelsklauw.
- een soort van rattendeksel. [A>]
- dat wat men in de zeevaart een dek- of boegstopper noemt. [A>]





~kettingstrop:
meestal een met ketting gevormde leng, een kettingleng, minder vaak een met ketting gevormde snotter.





~kettingstuurwerk:
stuurwerk waarbij de bewegingen van het stuurrad (grotendeels) via ketting overgebracht wordt op een roer.
Er zijn diverse soorten kettingstuurwerken.
Ongetwijfeld de oudste vorm had een rol gemonteerd op het helmhout. Rond deze rol was een ketting, waarvan de uiteinden aan de boorden van het schip bevestigd waren, geslagen. De rol was verbonden met het rad. Draaide men het rad, dan draaide de rol en werd het helmhout (met rad en al) naar één kant getrokken.
Bij de volgende variant werden rad en rol op een steun geplaatst. De ketting liep over schijven aan de boorden van het schip naar het uiteinde van het helmhout of naar de rug van het roer (zie foto). Men was bij deze systemen erg gebonden aan een plaatsje dicht bij het roer.
De daarop volgende systemen waren er op ontworpen meer vrijheid te hebben in de plaatsing van het rad, in de keuze van de kracht overbrenging en in toegepaste roerconstructie. Daartoe maakte men gebruik van een stuurwerk, stuurkettingen, stangen, schijven en een kwadrant, dat op de roerkoning of aan het roer gemonteerd was.






~kettingveer: zie kettingpont.





~kettingveerpont: zie kettingpont.





~kettingvoorloop:
stuk ketting als voorloop op een anker- of sleeptros.





~keul:
verouderde vorm van kuil, zijnde een kuilnet.





~Keulenaar:
scheepstype. Mij nog onbekend, maar volgens sommigen gelijk aan de Samoreus, alhoewel sommigen de term ook voor de Keulse aak gebruiken..





~keulra:
streek gebonden term (Fries?). Men houdt het op een verbastering van korra, wat een kornet zou zijn. Ik heb echter het vermoeden dat men een kuilhout bedoelt.





~Keulse aak:
16-17de eeuws type vrachtschip behorend tot de groep der Aken(1). Vrij grote lange schepen met een zeer breed roer, een plat vlak, een platte brede heve, die op halve hoogte achterover helt. Dit betreft dan de vroege modellen. De late modellen hebben een iets afwijkend model. De heve zou onder de knik al in een punt eindigen. Pas na 1650 schijnt het vaartuig geregeld met zwaarden uitgerust te zijn. Weer later verdwijnt de gebroken neus en krijgt het schip berghouten.
Het hiernaast getoonde model uit het Rheinmuseum, Emmerich is naar een 17de eeuws voorbeeld.
Het schip was uitgerust met een hoge ronde luikenkap. Hiertegen was een soort loopplank gemaakt waarop de roeiers stonden. Deze roeiers kwamen vooral in actie in de bochten en wanneer men tegen of van de oever wilde. De roeikasten/roeidollen bevonden zich wel gewoon op de potdeksel.
Volgens sommigen zou dit type schip ook Samoreus genoemd worden. Ik vermoed echter dat men zich hier vergist met de 'Keulenaar'.






~Keulse vaart:
rond 1823 ontstane vaarweg vanaf de Amstel bij de Omval in Amsterdam, via Weesp, Utrecht en Jutphaas naar de Lek even ten westen van Vreeswijk. Tot de aanleg van het Merwedekanaal een zeer belangrijke vaarweg.
Het doel van de vaarweg was Amsterdam een goede verbinding met Duitsland (Keulen) te geven. Tot dan toe moesten de grote beurtschepen op Duitsland buitenom over het IJ en de Zuiderzee naar Muiden en vervolgens via de Vecht naar Weesp en verder.
De vaarweg bestond uit een reeds sinds 1639 bestaande aaneenschakeling vaarwegen, die in die jaren grondig onder handen genomen waren. Van de Amstel ging men via de Weespertrekvaart naar de Vecht bij Weesp, dan over de Vecht naar Utrecht, daar via de Stadsbuitengracht naar de Vaartse Rijn welke naar Vreeswijk voert. De vaarweg werd vanaf 1825 gevolgd door het Zederikkanaal dat naar Gorkum voerde.






~Keulse waag:

in 1792 te Amsterdam ingestelde voorziening die bedoeld was om alle lading die met de beurtdienst op Keulen vervoerd zou worden voor inlading te wegen. De Keulse waag werd opgericht na conflicten die er op de plaats van bestemming, over de vervoerde goederen, rezen. De eerste Keulse waag dreef ongeveer ter hoogte van het 'sGravenhekje in wat men nu het Oosterdok noemt. Toen, rond 1824, de schepen van de beurtdienst op Keulen hun ligplaats aan de Amstel kregen werd daar in het water een nieuwe waag gebouwd.
Later, vermoedelijk na het tot stand komen van het Merwedekanaal kregen de beurtschepen op Duitsland ligplaats in de IJgracht. De waag aldaar was inmiddels vernieuwd.
Onder andere gebaseerd op afbeeldingen in het Archief van de Gemeente Amsterdam.

Gerelateerde termen: waterwaag, Keulse vaart, Samoreus, Rijntol.





~Keuls schip:
hoogst waarschijnlijk bedoelt men een Keulse aak.





~keuring:
in de meeste gevallen wordt hiermee een werfkeuring bedoeld. Er zijn echter, vooral tegenwoordig, diverse keuringen, die uitgevoerd moeten zijn, wanneer een schip aan de beroepsvaart deel wenst te nemen.





~keuringscertifikaat, keuringsrapport:
document waarin de bevindingen van een keuring beschreven zijn. Aanverwante termen: boorbriefje, klopbrief, vlakdikterapport, werfkeuring, werfrapport.
Een keuringrapport beoordeeld de algehele toestand van het gehele vaartuig en vaak ook van alle uitrustingsstukken, toebehoren, en dergelijke.





~keuringsrapport:
 zie keuringscertifikaat.





~keus:
1> holle klamp waarover de slede van een sleephelling glijdt.
Bron: Ir. J. van Duijvendijk, Het liefst eigen baas. 2016.


2> verkorting van keuspen.






~keuspen:
1> uitstekend onderuiteinde van de achterhar van een sluisdeur. De keuspen of keus is meestal voorzien van een stalen muts en vormt samen met de keuspot het taatslager waarop de sluisdeur draait. Keuspen wordt soms ingekort tot keus.
In plaats van een keuspen met muts kan men ook een geheel metalen prop gebruiken.






~keuspot, schoen:
metalen pot of kom die de onderste helft van het taatslager van een sluisdeur vormt. In algemener gebruik ook hartpot of taatskom genoemd.
In deze pot rust de met een metalen muts omsloten keuspen of keus, danwel de prop die aan de onderzijde van de achterhar bevindt.






~kib:
zie kubbe.





~kibbe:
deel van een (aal)fuik. Zie kubbe.





~kibbes:
voorste rand van het lijf van een korf, bijvoorbeeld van een aalkorf.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~kiebes:
een fijnmazige fuik aan de staart van een ankerkuil/schokkerkuil of raampalingfuik. Het gebruik van een kiebes, ook kub of fuik genoemd, was sinds ca. 1914 gedurende de zomermaanden verplicht en had tot doel jonge en kleine vis te beschermen.
Diverse termen inzake het vistuig >.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~kiel, kil:
1a> het middelste gedeelte van het vlak van een schip.
b> de kielgang.
c> de kielbalk.
LOZE KIEL
: een kiel die geen deel uitmaakt van de constructie van het schip, maar apart aangebracht wordt.
De loze kiel loopt soms niet de gehele lengte van het vlak door. De loze kiel moet niet verward worden met de kielzool of -slof, maar wordt dat vaak wel.


2> een schip.

3> het vlak of het diepst stekende punt, van een schip. Bijv. in: "genoeg water onder de kiel hebben".





~kielbalk, kiel:
langsscheepse, duidelijk onder het vlak uitstekende, balk in het midden van het vlak.





~kielblok:
in, het midden van, een schepenlift of dok geplaatste werfstoel, waarop het schip komt te staan.





~kieldeel:
één van de planken of andere houten delen, waaruit de kielgang of de kielbalk bestaat.





~kielen, kielhalen, :
1> het verrichten van onderhoud aan een te water liggend schip, dat  gekrengd is. [A>]
Zie voor nadere uitleg bij krengen.

2> synoniem voor krengen.





~kielgalg:
op de oever geplaatste galg, waaraan de kielgijn bevestigd is.





~kielgang, kielplaat, kiel, middenvlakplank:
de middelste gang van het vlak. Bij houten schepen meestal wat dikker, dan de overige vlakdelen.





~kielgewicht:
onderste (vaste) gewicht van de wegerij.





~kielgijn:
gijn waarmee men het schip krengt.





~kielhalen:
1> synoniem voor krengen en kielen.

2> volgens P. Versnel's Vakwoordenboek synoniem voor banken.





~kielhout:
hout dat geschikt is om voor de kielbalk of kielgang gebruikt te worden.





~kielkade:
kade ingericht voor het kielen/krengen van schepen.
Dit soort voorzieningen waren bestemd voor de zeegaande schepen. Voor de binnenvaart waren er kanthellingen.






~kielkoeling:
1> algemene benaming voor de methode, waarbij het koelwater van de motor, in onder het schip aangebrachte buizen, door het langsstromende buitenwater, gekoeld wordt. [A>]
2> eigenlijk: systeem als 1, maar waarbij de buizen tegen de zijkant van, een onder het schip uitstekende, kiel of tegen de scheg aangebracht zijn. Vergelijk: vlakkoeling, kimkoeling.





~kiellas:
verbinding tussen twee delen van een kielbalk of stafkiel.





~kiellegging:
Het leggen van het middelste deel van het vlak of van de kielbalk.
In de binnenvaart wordt aan het leggen van het eerste stuk hout of staal, weinig tot geen aandacht besteed.





~kiellengte:
de lengte van de kiel.
Deze lengte is bij veel scheepstypes moeilijk te bepalen en ook is moeilijk af te spreken hoe deze maat genomen moet worden. In die gevallen waarin deze maat enige opgang gemaakt heeft, gaat het bijna altijd om het nagenoeg rechte stuk dat bij de bouw als eerste op de bouwhelling vastgezet wordt. Scheggen en stevenbalken vallen dus af.






~kiellichter:
drijvend werktuig gebezigd om schepen te kunnen krengen, kielhalen. Of er veel verschil is met de hulk is mij niet bekend.
Bron: Mr. J. van Lennep Zeemanswoordenboek 1856.







~kielnaad:
elk der naden ter weerszijden van de kielbalk of kielgang.





~kielnagel:
zie bij naainagel of keernagel.





~kiellijnafstand:
bij het varen van een bocht aan te houden afstand in de lengterichting van het vaartuig gemeten vanaf het zwaartepunt van het vaartuig tot de oever van de buitenbocht.
Deze term, onder meer gebruikt door D. Breedveld, wordt gebruikt bij de theoretische benadering van het varen van bochten.






~kiellinie:
in een rechte lijn achter elkaar varen of gesleept worden.





~kielplaat:
stalen kielgang of deel daarvan.
Bij stalen schepen bestaat de kielgang uit meerdere achter elkaar geplaatste kielplaten.





~kielplank:
lekenterm voor kielzool, kieldeel of de gehele kielgang wanneer deze van hout is. In Vlaanderen echter de gebruikelijke term voor deze delen.





~kielruimte:
term afkomstig uit de zeevaart die voornamelijk betrekking heeft over de ruimte tussen vloeren en de scheepshuid bij een V vormige kiel. Ook bilge of lensruimte genoemd.





~kielschip:
schip met een duidelijk onder het vlak uitstekende kielbalk.
Alhoewel sommige bronnen stellen dat het de toenemende ondiepte van het vaarwater was dat rond 1570 voor de sterke opkomst van het zijzwaard zwaard zorgde, bleven er tot het eind van de zeventiende eeuw kielschepen in gebruik. Daarna ziet men vaker een combinatie van een vlakke bodem met een slechts een lage, of in het geheel geen, kielbalk.





~kielslof, slof:
 zie kielzool.





~kielsponning:
in de kiel- en stevenbalken aangebrachte groef waarin de, tegen de balken aansluitende of eindigende, gangenvastgezet worden.





~kielstuk:
minder gangbare term voor de kielgang/kiel.
Onder meer genoemd bij F.N. van Loon Beschouwing van den Nederlandschen scheepsbouw met betrekking tot deszelfs zeilaadje. Haarlem 1838






~kielton:
bepaald type boei of ton. onder meer in de 19de eeuw op de Zuiderzee in gebruik geweest.





~kielvlot:
niet bekend. Mogelijk een vlot van waar af men werk aan de bodem van het schip verricht; een werfbakje, een werkvlot.
Bron: P. Versnel's Vakwoordenboek.






~kielwater: kielzog.





~kielzog, zog, kielwater:
door de romp van het schip veroorzaakte turbulentie in het water. [U>]
Volgens Nicolaas Witsen is het zog de plaatst waar het vlak het schip op gaat lopen en waar de scheg of piek begint.
Men kan zich terecht afvragen of Witsen hier vergist, want zog heeft meestal betrekking op zuigen en de beweging vloeistoffen en niet op de instrumenten die dat veroorzaken.

Gerelateerde termen: schroefwater, vaarspoor, vertroebelen, walmen, wamen, enz.





~kielzool, kielslof, kielplank:
houten plank, een schuurstrook, tegen de onderkant van de kiel of kielbalk. Onder andere toegepast om het schip bij het aan de grond lopen te beschermen. Tegenwoordig ook slijtkiel genoemd.





~kieper:
minder gebruikelijk synoniem voor kolentip.





~kieperdraad(je):
zie waterman.





~kieperend:
zie waterman.





~kiepsteiger, laadbrug:
op een oprit gelijkende constructie voor vrachtwagens van waar af de lading vanuit de vrachtwagen direct in het schip gekiept kan worden. [Gerelateerde termen >]
Kiepsteigers vonden veelvuldig toepassing tijdens de bietencampagne. Aangezien het uiteinde meestal een eindje buiten de oever steekt, kon dit uiteinde, wanneer de steiger buiten gebruik was, soms opgeklapt worden. Ongeladen schepen met een zeer hoge den hadden soms weleens problemen om onder de steiger te komen. Men bleef dan buiten het uiteinde van de steiger liggen. Tijdens het laden kwam het schip dan scheef en dieper te liggen zodat men verder onder de steiger kon schuiven om alsnog recht te laden.






~kies:
1> staaldraadkies, draadklem: metalen klemconstructie, waarmee men twee staaldraden tegen elkaar klemt en men zo de draad kan verlengen of een lus kan vormen.

2> metalen nok, meestal paarsgewijs aangebracht, waarmee het verschuiven van (draaibare) metalen beslagbanden(2) voorkomen wordt.
Een enkele kies kon de kop van een korte metalen pen zijn; een soort van stevige dikke spijker. Later was het een smeedijzeren plaatje voorzien van bevestigings gaten met daarop een stevige metalen nok. Nog weer later bracht men twee nokken op één grondplaat aan. Ze werden vooral gebruikt voor het vastzetten van de schootbeugel.


3> geheel in het oppervlak ingelaten metalen versterking.

4> elk der metalen nokken, die de vernauwingen in een nestenschijf vormen.

5> metalen beschermingsstrip of plaatje.
Dit type kies vindt men onder meer tegen de binnenzijde van een houten bolder op (onder meer) de Botter als ook waar het helmhout de stuurboog en de kannagels raakt.
Bron: Bouwgeschiedenis van een botter. P. Dorleijn.


6> taps in dikte aflopend plaatje waarmee men de ruimte tussen het spant en de geklonken gangen opvult.
Bron: Th. Volmer. Constructie en bouw van schepen voor de binnenvaart.
Zowel deze term, als de geschetste toepassing komt men slechts sporadisch tegen.


7>
KIEZEN ZETTEN
: een noodreparatie uitvoeren aan het tandwiel van een lier of stuurwerk.
Wanneer een tand geheel uitgebroken was, kon men op de plaats van het tandwiel gaten boren, daar draadeinden in draaien en vervolgens door vijlen en lassen de zaak zo goed mogelijk herstellen.
Bron: kustvaartforum.com






~kiesbank:
uit het Duits afkomstige, in de Rijnvaart gebruikte, term voor grindbank.





~kiesjager:
zie kiesmotor.




~kiesmotor, kiesjager:
term uit de Rijnvaart, afkomstig van het Duits 'kies' = grind. Vrachtschip dat grind vervoert.





~kieuwnet:
zie bij warnet.





~kiezentrekker:
1> bijnaam voor een boutentrekker.

2> vaartuig aan de voorzijde voorzien van een bok/keper waarmee men palen uit de grond trok. Het schip werd gebruikt voor het plaatsen van zinkers en het bergen van vaaruigen.



Volgende




© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Haarlem.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken