Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~kaaien: 1> het horizontaal brengen en naar het dek af laten zakken van de spriet. 2> een ra van zijn horizontale stand in de vertikale, of omgekeerd, brengen. 3> onverhoeds bewegen van het schip.
~kaaier:
onverhoedse beweging van het schip (door golfslag).
~kaalhalen:
alle verf of teer van het schip halen.
~Kaan, kahn: 1> zie Keen. 2> door sommigen gebruikt voor de grote sleepschepen, meestal sleepkasten, die de Rijn bevoeren.
N.B.: het Duitse woord 'Kahn' kan vergeleken worden met onze woorden boot en Aak(8) en zoals deze in het Nederlands te pas en te onpas gebruikt worden, zo gebeurt dat ook in Duitsland met Kahn. Het woord 'kaan' is de Hollandse schrijfwijze. Het woord wordt door sommige schippers ook gebruikt voor diverse schepen van Duitse makelij.
~kaap: 1> in de zeevaart: een in zee uitstekend gedeelte van een gebergte (dus een opmerkelijk herkenningspunt).
2> landbaak: in de zee- en binnenvaart: langs de kust, meestal bij een zeegat, geplaatst baken. Kapen waren vaak een vrij open constructie van houten planken en latten of van staalprofielen.
kaap krat:
bijnaam die het westelijke uiteinde van het IJ-eiland aan de IJhaven van Amsterdam in de jaren '80, wegens de aldaar aanwezige opslag van frisdrank- en bierkratten, bekwam.
~kaapstander, gangspil:
grote vertikale spil. De kaapstander bestaat uit een grote vertikale cylinder met holle wand, die op een as gemonteerd is. In de bovenkant zijn gaten aangebracht waarin handspaken gestoken kunnen worden. De kaapstanders werd ondermeer op sluizen, overhalen, baggermolens, scheepswerven, Rijnvlotten etc. toegepast.
~kaar: 1>leefkaar, viskaar, houder, houwer: drijvende visbewaarplaats. Een grote kist, met geperforeerde bodem en zijkanten, die in het water gehangen is, of met luchtkisten drijvende gehouden wordt, en waarin levende vis bewaard wordt. Zie ook: scheepskaar, legger(1). 2> vismand, die in de visbun geplaatst is. 3> visbun. 4> vismand, die men op de rug draagt. 5> afdeling in de visbun.
~kaarbord, bunkaar:
geperforeerde metalen plaat, die de openingen van de (vis)bun, die onder water aangebracht zijn, afdekt. Vergelijk: pletter.
Haarlemse beurtdienstonderneming (Spaarne 10) die, varend via de Haarlemmertrekvaart en later via het Noordzeekanaal, een dienst op Amsterdam onderhield.
Volgens de schaarse gegevense die ik heb, bestond deze beurtdienst reeds aan het einde van de 17de eeuw en heeft zij tot 1970 bestaan. Vroeger hadden zij in Amsterdam een vaste ligplaats aan de Brouwersgracht/Heerenmarkt. De laatste jaren van het bestaan vervoerde men voornamelijk cacao (voor Droste) en papier (voor uitgeverij Spaarnestad). Vanaf de jaren 50 hadden ze ook een dienst met vrachtwagens.
Men heeft in de laatste jaren ondermeer twee motordekschuiten in de vaart gehad. De 'Steven', 54 ton groot, uitgerust met een Kromhout gloeikopmotor en thans nog in de vaart als werkschuit en de iets grotere 'Hans'.
Rond 1891 bezaten zij een mooi stoombootje genaamd 'Stad Haarlem' en een drijvend kantoor aan de Herenmarkt te Amsterdam.
~kaartentafel:
plateau waarop men de benodigde kaarten kan bestuderen. Vaak onderdeel van een groter geheel. Bijna uitsluitend te vinden op sommige waterstaatvaartuigen en aanverwante vaartuigen met soort gelijke taken.
~kaartkoers:
de vaarrichting, die op de kaart ingetekend of aangegeven is.
~kaartplotter: 1> eigenlijk: electronisch instrument dat met behulp van intpennen of stiften lijnen op papier tekent. 2> tegenwoordig gebruikt als aanduiding voor een monitor waarop een digitale (water)kaart getoont wordt. Het systeem is tegenwoordig bijna altijd gekoppeld aan een GPS zodat de positie van het schip in de kaart aangegeven kan worden. De monitor wordt daarop soms ook "GPS" genoemd.
~kabelaring, kabbelaring: 1> In de oude zeevaart: een zeer grote ring van dik touw, die gebruikt werd bij het hieuwen van de ankertros. 2> Een dik touw, bijwijze van stootrand, langs de bovenrand van een vaartuig. Kabelaringen waren op vletten en enkele kleine boten te vinden. Tegenwoordig bijna uitsluitend nog op pleziervaartuigen. Kabelaring is een verbastering van kabellarga, wat weer een verbastering is van het Portugese 'cabo de ala e larga'.
ongebruikelijk woord voor een gesloten ring van ketting (een kettingring), die gebruikt wordt ter aandrijving van iets. De meeste van dit soort kettingen zijn rollenkettingen (zoals een fietsketting) en worden dan aandrijfketting genoemd. Vroeger (en thans nog bij kettingtakels) werd ook kort-schalmige (gewone) ketting gebruikt.
~kabelaringas:
zeer onbekende term voor de hoofdas van een ankerlier.
~kabelaringschijf:
zeer onbekende term voor de nestenschijf in een ankerlier.
~kabelen:
met kabels vast leggen. (Vrij onbekende term.)
~kabelgaren:
in elkaar gedraaide vezels, die men tot kardeelslaat.
~kabelgat: 1> In de zeevaart: bergplaats voor touw.
1> op oude vissersschepen luikje vooraan het voordek (vlak achter de eventuele braadspil) waardoor de ankerkabel naar binnengeleid werd.
2> luik waarmee de toegang tot het kabelgat afgedekt is.
~kabelketting,
kettingkabel:
oud woord voor damketting, later ook gebruikt als synoniem voor ankerketting.
De term is vermoedelijk uit de zeevaart afkomstig.
~kabellat: 1>schuurlijst bedoeld om delen van het schip tegen slijtage veroorzaakt door kabels te vrijwaren. 2> onjuist: kabbellat.
~kabellegger: vaartuig ingericht voor het leggen van electriciteits en communicatiekabels door vaarwaters. Er zijn slechts enkele binnenvaartschepen voor dit doel gebouwd. Ze zijn hoofdzakelijk bedoeld voor erg brede wateren, zoals de Randmeren, de Zuid-Hollandse en Zeeuwse stromen e.d.
~kabellengte:
bepaalde lengtemaat. In veel landen ca. 185 m., wat overeen komt met 1/10 zeemijl of 100 vadem. Bij de Nederlandse marine echter ca. 225m. [T>]
~kabeltros,
kabeltouw,
dubbelgeslagen touw:
dik touw, geslagen door drie touwen als kardelen te gebruiken. Het touw van deze 'kardelen' is eveneens uit drie kardelen geslagen. De standaardlengte van een kabeltros was ca. 185 meter, 100 vadem.
~kadaster:
overheidsinstelling, waarvan de afdeling Scheepsbewijzen, zich bezighoudt met de eigendomsregistratie van schepen. [T>]
KADASTRALE INSCHRIJVING
: de inschrijving (in het scheepsregister) van het kadaster.
Vroeger sprak men van het scheepshypotheekkantoor en de teboekstelling.
~kade,
kaai,
ka: 1> nagenoeg vertikale, meestal stenen, wand langs het vaarwater van aanzienlijke lengte, voorzien van een aansluitende bestrating.
2> lage smalle dijk.
~kadegeld,
kaaigeld,
kageld: 1> opslaggeld, precariorecht: geld dat men dient te betalen wanneer men de goederen, die in of uit het schip komen, tijdelijk op de wal opslaat. 2> in sommige gevallen: havengeld.
~kadelengte:
eigenlijk de totale lengte van een kade. Voor schippers meestal: de, tot het afmeren van schepen, beschikbare lengte langs een kade. Zie ook afmeerlengte.
~kademuur, kaaimuur:
het vertikale gedeelte van een kade of een lage stenen beschoeiing zonder aansluitende bestrating.
~kadoesie:
Waarschijnlijk een verklein vorm van kadoes, wat dan op zijn beurt weer een verbastering van kardoes zou kunnen zijn. Zie verder bij kardoes.
Onder meer gebruikt voor een houten knieklamp tussen dek en boeisel op het voordekje van een punter.
~kadraai: 1>parlevinker, die op groot water actief is (Zuid-Nederlandse term?) 2> soort parlevinker voor zeeschepen.
~kadraaien, kaaidraaien:
met een vaartuigschepen langsgaan om zaken te verkopen.
~Kagenaar:
laag, vrij smal, vrachtscheepje met zeer geringe holte, behorend tot de groep der Aken(1). De bouwwijze doet sterk aan die van de Keen denken. De gangen verzamelen zich aan de voorzijde bij de bergplaat, de achterzijde wordt afgesloten met een spiegel. Het scheepje maakt een beetje hoekige indruk en werd meestal gewogen. Ook Leidsche vlet en zeer verwarrend alleen Kaag of Bok genoemd. [A>] Verwant zijn de Bollenvlet, een wat kleinere Kagenaar, zonder roefje, en de Motorkagenaar, een Kagenaar met een geveegd achterschip.
~kajuit: 1a> een, voor personen bedoeld, verblijf. Term uit de zeevaart, ook door watersporters en soms ook op passagiersschepen gebruikt.
b> onvoldoende bekend. Ruimte op beurtschepen zowel voor passagiers als voor lading gebruikt uit de passageprijzen valt af te leiden dat dit de duurste ruimte was, daarop volgend kwamen de kelder en de roef. (Vermelding 1815; vrachtlijst, beurtdienst Lemmer-Amsterdam)
ring aan een pen, die de plaats van een deurkruk inneemt.
Veel deuren waren aan de binnenzijde voorzien van een 'eitje', maar aan de buitenzijde voorzien van een kajuitdeurring, omdat deze platter is en men er minder snel met een touw of kleding achter blijft hangen.
~kaken:
door insnijding onder het linker kieuwdeksel een deel van de ingewanden, o.a. van haring en ansjovis, verwijderen.
~kalfaatjongen,
kalefaatjongen:
jonge knecht, die het materiaal en gereedschap aan de breeuwer aanreikt.
De breeuwer zat geregeld in ongelukkige houdingen en soms ver onder het schip te werken. De aard van het werk brengt met zich mee dat men zich voortdurend in de lengterichting van het schip moet verplaatsen. Een knechtje werd dus aangesteld om er voor te zorgen dat de breeuwer stug door kon werken.
~kalfaten,
kalefaten,
kalfateren,
kalafaten,
kalafateren,
opkalefateren,
opkalfaten,
opkalfateren:
het dichten van naden en kieren van houten schepen; dus breeuwen.
[U>]
Met het voorvoegsel "op": mogelijk alleen gebruikt voor plaatselijk breeuwwerk, reparaties. Zowiezo vind men in de latere geschriften over houtbouw het woord kalfaten gebruikt in de zin van onderhouds of herstelwerk, terwijl men breeuwen vaak gebruikt voor nieuw werk.
boven, een reeds bestaand gangboord, aangebracht gangboord, met het doel het laagste waterdichte punt van het schip omhoog te brengen en zo het laadvermogen te vergroten. Genoemd naar oud minister J.A. Kalff. [T>toelichting.]
~kalifaten:
verbastering van kalfaten. Slechts één vermelding gevonden.
~kalkark:
zwaar gebouwde ark, voorzien van een vrij klein, open, ruim en royaal voor- en achterdek.
Kalkarken werden in voornamelijk in de steden gebruikt. Zij dienden voor de tijdelijke opslag en het vervoer van grond, kalk, stenen, enz.
~kalken:
een romp na het teren met kalk overdekken. Dit gebeurde bijna uitsluitend bij de (Groningse?) zeegaande vrachtschepen en had tot doel het aangroeien te beperken.
~kameel, scheepskameel:
inrichting waarmee men de diepgang van zeeschepen kon verminderen, om ze zo over droogtes heen te kunnen krijgen. In 1688 door M.M.Bakker uitgevonden.
~kamrad, kamwiel:
schijf met zaagtandvormige vertanding rond de buitenrand, waartegen een pal rust. Het kamwiel is bevestigd aan een ronddraaiend voorwerp en met de pal wordt voorkomen, dat dit, ongewenst, in tegengestelde richting draait. Zie ook: palrad.
~kamring, palring: 1> buitenste rand van een kamrad. 2> ring met zaagtandvormige vertanding. 3> metalen ringen of banden met dwarsstukken dat bijwijze van kamrad gebruikt wordt.
[T>]
~kamstuk: 1>waterbord. 2> kort waterbord waarin, in de bovenzijde, uitsparingen, gelijkend op de opening tussen verhaalkammen, gemaakt zijn. Soms ontbreken de openingen en zijn op het bord verhaalkammen geplaatst.
~kanaal: 1> gegraven stuk vaarwater van redelijke omvang, waarin het water, kunstmatig, bijv. met sluizen, op een bepaald niveau gehouden wordt.
Diverse kanalen worden vaarten genoemd, het verschil tussen deze twee begrippen is moeilijk te omschrijven. Over het algemeen zal aan minstens één der einden van een kanaal een sluis aanwezig zijn. Bij vaarten is dat niet altijd het geval.
~kanaalbeambte:
persoon, die deel uit maakt van een kanaaldienst.
~kanaalboot:
sleepboot welk zijn werk hoofdzakelijk op een kanaal heeft. De term werd onderandere langs de Maas in Limburg gebruikt om onderscheid tussen de sleepboten, die voornamelijk op de rivier voeren en zij, die op het Julianakanaal hun werk deden, te maken.
~kanaaldienst:
groep ambtenaren, die belast zijn met toezicht op een kanaal en/of de bediening van de daarin gelegen kunstwerken.
~kanaalgeld:
geld, dat men voor het bevaren van sommige kanalen moet betalen.
Gerelateerde termen: doorvaartje, vaartrechten.
~kanaalpand:
gedeelte van een kanaal tussen twee sluizen.
~kanaalpeil:
het waterpeil, dat men in een kanaal tracht te handhaven.
~kanaalschip: vrachtschip gebouwd voor de vaart op de kanalen en andere kleine beschutte wateren.
~kanaaltuig, Drentstuig: 1> benaming voor de tuigage, die schepen met een normale tuigage, wanneer zij de kleine kanalen opgingen, voerden.
Hiervan was voornamelijk sprake bij de scheepvaart tussen Drenthe en het westen van het land. De van 'zee' komende schepen lieten hun zware kettingen en ankers, hun zeilen, giek en gaffel achter in Meppel. Bij elkaar was dat een flink gewicht. Daar werd dan een licht vaartzeil met dito giek en Drentse gaffel en een kleine Drentse fok aangeslagen. Men had zodoende niet alleen een makkelijker te hanteren tuig, maar ook flink wat minder diepgang hetgeen in de ondiepe kanalen een groot voordeel was. Op de vaart naar het westen wisselde men alles te Meppel weerom. Sommige schippers hadden hun eigen kanaal uitrusting en betaalden dus alleen voor opslag. Wie geen eigen kanaal tuig had, kon dat op diverse plaatsen te Meppel huren.
2> algemene benaming voor een wat beperkte, maar vooral lichte, tuigage, die door de kleine kanaalschepen gebruikt werd.
~kanaalvaart:
de scheepvaart, zoals die met kanaalschepen bedreven werd. (Ongebruikelijke term.)
~kanaliseren:
aantal werken, waardoor stromende wateren beter bevaarbaar moeten worden. Meestal bestaand uit het plaatsen van stuwen met sluizen en het afsnijden van sterke bochten.
2> soort groot formaat roeidol, die voor draaglappen gebruikt werd.
Alleen schepen die regelmatig stevelden waren uitgerust met een kandelaar op voor- en/of achterschip. Op andere schepen werd de draaglap op vernuftige wijze aan een bolder gebonden. De kandelaars waren niet permanent aanwezig maar werden, wanneer men ze nodig had, in de daarvoor aanwezige potten gestoken. Naar men zegt bevonden deze potten zich in de bovenzijde van bolders of in de potdeksel.
: wanneer er een kant aan de wind is, ligt het punt waar men naar toe wilt zeilenin de wind, maar zodanig dat men over de ene boeg langere slagen kan maken (over strekboeg), dan over de andere boeg.
: a> die zijde van de sluis waar het water het laagst (hoogst) staat. b> die zijde waar de wind naartoe (vandaan) waait. Zie ook: lagerwal (hogerwal), lij (loef).
~kantdeel:
eigenlijk het lijfhout langs de randen, soms ook gebruikt voor alle lijfhouten.
~kantelproef:
test waaraan reddingboten onderworpen worden, waarbij het vaartuig, na ondersteboven getakeld te zijn, uit zichzelf weer overeind dient te komen.
~kanteltrailer:
een boottrailer voorzien van een scharnierend juk, met daarop de rollen voor het transport en het geleiden van het vaartuig.[A>] Kanteltrailers worden vooral gebruikt voor zwaardere vaartuigen, bij schuin aflopende oevers en bij oevers, die voor een gewone trailer te hoog is. Bijna alle trailerbare bedrijfsvaartuigen worden met behulp van een kanteltrailer vervoerd. Ze zijn ondermeer ingebruik bij aannemers van waterwerken, brandweer en politie.
~kantelzak:
opblaasbare 'rubberen' zak, waarmee kleine reddingboten, zelfrichtend worden gemaakt.
~kanthelling: helling waarop men het schip scheef trekt, om bij het vlak te kunnen komen. Later is de term overgegaan op de dwarshelling, die in veel gevallen een bestaande kanthelling verving.
~kantje:
ca. 94 kilo gezouten haring. 17 kantjes = 1 (haring)last.
1> dekzeil, waarmee voornamelijk de zijkanten van deklasten en -ladingen afgedekt wordt.
2> stevige strook zeildoek dat, onder de dekzeilen, over de uiteinden van de luiken gelegd werd, om slijtage te beperken.
~kantoorschokker:
riviervissersvaartuig dat eigendom is van een firma en waarop een ingehuurde bemanning werkt.
Behalve de kantoorschokker en de eigenschokker kende men ook nog vaartuigen varend met een zetschipper. De eigenaren van dit soort schepen verenigde zich soms tot een ploeg of vennootschap en vormde op die wijze eigenlijk weer een soort kantoor.