Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
1>Cage, kage, Kaghe, Kageschuit, Kagerschuit, Kaagschuit,
Lighter:
in het algemeen niet al te groot maar toch redelijk zeewaardigscheepstype, dat waarschijnlijk rond het eind van de zestiende eeuw ontstaan is en in de loop van de negentiende eeuw verdwenen is. Model, bouw en soms ook de tuigage hebben in die tijd de nodige wijzigingen ondergaan.
De Kaag was een echte platbodem, met rechte vallende stevens, geschikt om op de overhaal gebruikt te worden. Een door Witsen beschreven kaag mat ca. 13,8 x 3,6 x 1,25 meter. Ze voerden een sprietzeil met fok, vaak ook een breefok. Men stelt dat de Kaag de eerste jaren overnaads gebouwd werd maar dat men hem in de loop van de 17de eeuw gladboordig is gaan bouwen.
Sommige Kagen hebben veel van een Schokker met een vol voorschip, andere meer van een dito Hengst. De kagen voor het echte binnenwater waren lichter van bouw en hadden minder zeeg dan de scheepjes voor het ruime water.
Ze werden veelvuldig voor beurtveren gebruikt. De meer zeewaardige exemplaren functioneerden bovendien vaak als lichter. De Kaag welke het beurtveer Amsterdam - Utrecht verzorgde werd Schietschuit genoemd.
Het WNT heeft enige twijfels of men met Kaag en Kaagschuit hetzelfde bedoeld wordt. Ik ben er van uit gegaan dat dat wel het geval is. Of de naam voor het vaartuig verband houdt met de aardrijkskundige aanduiding kaag, danwel met het Nederlandse scheepstype Kogge of het Oudnoorse woord Kaggi, is tot op heden niet echt duidelijk. Vaartips gaat er vanuit dat de Kaag en de Snebbeschuit (Snebschuit of snip) hetzelfde type schip aanduiden. Ik ga er echter van uit dat dat oorspronkelijk niet zo was. Diverse bronnen stellen dat de Snebbeschuiten, behalve de grootsten, kleiner en geen volwaardig zeilschepen waren. Men stelt ze soms op één lijn met groentenschuitjes. Alleen in Groningen en Friesland is het woord Snebbeschuit/Snip wel overgaan op de grotere modellen of om nauwkeuriger te zijn op de trekschuiten; de dus de Snik.
Het lijkt er op als of de Kaag een vaartuig was dat vooral in Holland gebuikt werd. Petrejus geeft een uitgebreide verhandeling over de Kaag en vooral over het feit dat er een grote verscheidenheid aan modellen bestaat. Naast het lichte model bestond er een zwaarder meer schokkerachtig model, wat vaak als lichter dienst deed.
In de loop van de achttiende eeuw zijn het meer zware tjalkachtige schepen die voor dit werk gebruikt en en ook Kaag genoemd worden (zie Gaffelkaag). Deze verandering van model vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in het feit dat het schokkerachtige model wel een goede zeiler was maar maar een beperkt laadvermogen had. Teneinde meer laadvermogen te verkrijgen werden er kagen gebouwd waarbij de stevens wat steiler staan en de voor- en achterschepen wat voller zijn, dan bij andere. Het lijkt er op als of al deze vormen naast elkaar bestaan hebben.
Uit het feit dat men twee zo uiteenlopende scheepstypes, of moet men zelfs van drie spreken, kaag wenst te noemen, blijkt eens te meer dat het gewone spraakgebruik overheerst. Dit was in de tijden dat er nauwelijks ingewijden waren die hun kennis opschreven, natuurlijk helemaal sterk aanwezig. Er bestaan verscheidene oude afbeeldingen waarop vaartuigen die men kagen noemt voorkomen. Het is meestal zo day deze 'kennis' er later aan toegevoegd is. Over de juistheid ervan valt dus te redetwisten.
~Kaagrijker schuit:
onbekend 18de eeuws vaartuig welk in een archiefstuk zich bevindende te Abbenbroek genoemd wordt. Volgens dat stuk zou het vaartuig rond 10 lasten, dus 20 ton, groot zijn. Haalmeijer en Vuik opperen de mogelijkheid dat men een soort Kaag bedoelde.
De waarde van dit soort éénmalige vermeldingen is een beetje twijfelachtig.
~kaaien: 1> het horizontaal brengen en naar het dek af laten zakken van de spriet. 2> een ra van zijn horizontale stand in de vertikale, of omgekeerd, brengen. 3> onverhoeds bewegen van het schip.
~kaaier:
onverhoedse beweging van het schip (door golfslag).
~kaakmand:
mand waarin vis, na het kaken, wordt verzameld. De mand kan ongeveer 30 pond vis bevatten.
Er werd in de binnenvisserij niet aan boord gekaakt. De vis werd op de wal verder verwerkt. Men gebruikte natuurlijk wel diverse zaken welke ook in de zeevisserij gebruikt werden.
~kaalhalen:
alle verf of teer van het schip halen.
~Kaan, kahn: 1> zie Keen. 2> door sommigen gebruikt voor de grote sleepschepen, meestal sleepkasten, die de Rijn bevoeren.
N.B.: het Duitse woord 'Kahn' kan vergeleken worden met onze woorden boot en Aak(8) en zoals deze in het Nederlands te pas en te onpas gebruikt worden, zo gebeurt dat ook in Duitsland met Kahn. Het woord 'kaan' is de Hollandse schrijfwijze. Het woord wordt door sommige schippers ook gebruikt voor diverse schepen van Duitse makelij.
~kaap: 1> in de zeevaart: een in zee uitstekend gedeelte van een gebergte (dus een opmerkelijk herkenningspunt).
2> landbaak: in de zee- en binnenvaart: langs de kust, meestal bij een zeegat, geplaatst baken. Kapen waren vaak een vrij open constructie van houten planken en latten of van staalprofielen.
kaap krat:
bijnaam die het westelijke uiteinde van het IJ-eiland aan de IJhaven van Amsterdam in de jaren '80, wegens de aldaar aanwezige opslag van frisdrank- en bierkratten, bekwam.
~kaapstander, gangspil:
grote vertikale spil. De kaapstander bestaat uit een grote vertikale cilinder met holle wand, die op een as gemonteerd is. In de bovenkant zijn gaten aangebracht waarin handspaken gestoken kunnen worden. De kaapstanders werd ondermeer op sluizen, overhalen, baggermolens, scheepswerven, Rijnvlotten etc. toegepast.
~kaar:
1>leefkaar, viskaar, houder, houwer, aalbun:
drijvende visbewaarplaats. Een grote kist, met geperforeerde bodem en zijkanten, die in het water gehangen is, of met luchtkisten drijvende gehouden wordt, en waarin levende vis bewaard wordt.
Zie ook:
kaarbord,
scheepskaar,
stevenkaar,
legger.
~kaarbord,
bunkaar,
kaarplaat:
geperforeerde metalen plaat, die de openingen van de (vis)bun, die onder water aangebracht zijn, afdekt. Vergelijk: pletter.
term welke sommige mensen verbinden met zekere vaartuigen.
Voor de herkomst van de naam zie de tekst Kaarseladeveer.
1> Middeleeuws? scheepstype vrachtschip. Geen verdere gegevens bekend.
De term is aangetroffen in een opsomming van scheepstypes. Helaas niet genoteerd in welk boek ik dat aantrof. Langzamerhand begin ik tot de overtuiging te geraken dat deze vermelding op een vergissing van deze of gene moet berusten.
2> door sommigen gebruikt als naam voor een scheepstype dat gebruikt werd voor de gelijknamige beurtdienst tussen Haarlem en Amsterdam. Het vaartuig wordt omschreven als hebbende:
- een rond voorschip met kromme stevenbalk
- een rond achterschip met rechte vertikale stevenbalk en aangehangen roer
- een breedte welke, over de gehele lengte tussen de boegen, vrij wel gelijk blijft
- rechte vertikale zijden
- weinig zeeg
- een boeisel dat over de gehele lengte nagenoeg dezelfde breedte/hoogte behoud
- een paviljoen
- een gaffeltuig en zwaarden.
Sommigen voegen hier nog aan toe dat het vaartuig zeer smal was.
Voor zover bekend is er niet voldoende materiaal voorhanden waaruit zou kunnen blijken, dat er werkelijk een aantal sterk op elkaar gelijkende schepen met ongeveer dezelfde maat, die aan deze beschrijving voldoen, bestaan hebben en dat het juist die schepen waren die op deze beurtdienst voeren. Het is mijns inziens niet onmogelijk, dat men diverse maatschepen van elders, zoals bijv. uit Westzaan, Oostzaan e.d. deze naam toedicht, ook is het mogelijk dat men de houten Kraak voor een kaarselade hield.
De afbeelding toont het beurtschip 'Eersteling' welk in 1867 op de werf 'Nachtegaal' te Amsterdam voor rekening van drie Haarlemse schippers gebouwd werd. Of deze schippers verbonden waren aan het Kaarselade veer is niet bekend.
latere naam van een reeds in 1520 genoemde Haarlemse beurtdienstonderneming die via Spaarndam en, naar men zegt, later ook via de Trekvaart een dienst op Amsterdam onderhield. In Haarlem ook bekend als het Amsterdamsche buitenveer, In Amsterdam als het Haarlemsche buitenveer. De onderneming hield in 1970 op te bestaan. [T>]
~kaartentafel:
plateau waarop men de benodigde kaarten kan bestuderen. Vaak onderdeel van een groter geheel. Bijna uitsluitend te vinden op sommige waterstaatvaartuigen en aanverwante vaartuigen met soort gelijke taken.
~kaartnoorden:
de noordwaartse richting welke op de kaart is aangegeven.
Het kaartnoorden is gelijk, of behoort dat althans te zijn, aan de richting van het geografische noorden.
~kaartkoers:
de vaarrichting, die op de kaart ingetekend of aangegeven is.
~kaartplotter: 1> eigenlijk: electronisch instrument dat met behulp van intpennen of stiften lijnen op papier tekent. 2> tegenwoordig gebruikt als aanduiding voor een monitor waarop een digitale (water)kaart getoont wordt. Het systeem is tegenwoordig bijna altijd gekoppeld aan een GPS zodat de positie van het schip in de kaart aangegeven kan worden. De monitor wordt daarop soms ook "GPS" genoemd.
~kabelaring,
kabbelaring:
1> In de oude zeevaart: een zeer grote ring van dik touw, later ook ketting, die gebruikt werd bij het hieuwen van de ankertros.
2> Een dik touw, bijwijze van stootrand, langs de bovenrand van een vaartuig. Kabelaringen waren op vletten en enkele kleine boten te vinden. Tegenwoordig bijna uitsluitend nog op pleziervaartuigen. Kabelaring is een verbastering van kabellarga, wat weer een verbastering is van het Portugese 'cabo de ala e larga'.
Door sommigen ook stoottros genoemd.
ongebruikelijk woord voor een gesloten ring van ketting (een kettingring), die gebruikt wordt ter aandrijving van iets. De meeste van dit soort kettingen zijn rollenkettingen (zoals een fietsketting) en worden dan aandrijfketting genoemd. Vroeger (en thans nog bij kettingtakels) werd ook kort-schalmige (gewone) ketting gebruikt.
~kabelaringas:
zeer onbekende term voor de hoofdas van een ankerlier.
~kabelaringschijf,
kabelaris,
kabbelaris
:
vrij onbekende term voor de nestenschijf in een ankerlier.
vaartuig ingericht voor het leggen van electriciteits en communicatiekabels door vaarwaters. Er zijn slechts enkele binnenvaartschepen voor dit doel gebouwd. Ze zijn hoofdzakelijk bedoeld voor erg brede wateren, zoals de Randmeren, de Zuid-Hollandse en Zeeuwse stromen e.d.
~kabellengte:
bepaalde lengtemaat. In veel landen ca. 185 m., wat overeen komt met 1/10 zeemijl of 100 vadem. Bij de Nederlandse marine echter ca. 225m. [T>]
De kabel heeft tot doel het afdrijven van de pont te voorkomen. Naar mate de voortstuwing geavanceerder is, is de fuctie van de kabel minder belangrijk en hangt de kabel meestal minder strak. De kabelpont kent echter vele vormen.
De met de hand voortbewogen kabelponten worden langs de kabel voortgetrokken. Zie ook overhaalpont.
De met een motor voortbewogen types maken tegenwoordig meestal gebruik van een roerpropeller.
Er bestaan ook types die een extra kabel gebruiken voor de voortstuwing. Het vaartuig trekt zich met behulp van een motor aan deze kabel naar de overkant. Soms ook gebruikt men een heen en weer gaande kabel en staat de motor op de wal, deze een kabel rondgaan. Met behulp van een knuppel op de bovenste danwel onderste draad wordt de pont 'vooruit', danwel 'achteruit' bewogen. Ook de reeppont en de
hoogkabelpont zijn kabelponten.
~kabeltros,
kabeltouw,
dubbelgeslagen touw:
dik touw, geslagen door drie touwen als kardelen te gebruiken. Het touw van deze 'kardelen' is eveneens uit drie kardelen geslagen. De standaardlengte van een kabeltros was ca. 185 meter, 100 vadem.
~kachelbak:
volgens G.J. Schutten synoniem van kookkast.
~kadaster:
overheidsinstelling, waarvan de afdeling Scheepsbewijzen, zich bezighoudt met de eigendomsregistratie van schepen. [T>]
KADASTRALE INSCHRIJVING
: de inschrijving (in het scheepsregister) van het kadaster.
Vroeger sprak men van het scheepshypotheekkantoor en de teboekstelling.
~kade,
kaai,
ka: 1> nagenoeg vertikale, meestal stenen, wand langs het vaarwater van aanzienlijke lengte, voorzien van een aansluitende bestrating.
2> lage smalle dijk.
~kadegeld,
kaaigeld,
kageld,
kaderecht:
1> opslaggeld, precariorecht: geld dat men dient te betalen wanneer men de goederen, die in of uit het schip komen, tijdelijk op de wal opslaat.
~kadehoofd:
duidelijk uitstekend deel van een kademuur, bijvoorbeeld op de hoek of het uiteinde van een kade.
De term is niet erg gebruikelijk en werd onder meer gevonden in P. Versnel's Vakwoordenboek.
~kadelengte:
eigenlijk de totale lengte van een kade. Voor schippers meestal: de, tot het afmeren van schepen, beschikbare lengte langs een kade. Zie ook afmeerlengte.
~kademuur,
kaaimuur:
het vertikale gedeelte van een kade of een lage stenen beschoeiing zonder aansluitende bestrating.
2> zij de naar de verrichtingen van of op een schip staan te kijken.
~kadewerker,
scheepslosser:
iemand, die bij het laden of lossen van schepen betrokken is.
Waarschijnlijk omdat er lang niet altijd voldoende werk was om continu uitsluitend met het laden of lossen van schepen bezig te zijn, is de term scheepslosser minder in zwang geweest.
~kadoesie:
Waarschijnlijk een verklein vorm van kadoes, wat dan op zijn beurt weer een verbastering van kardoes zou kunnen zijn. Zie verder bij kardoes.
Onder meer gebruikt voor een houten knieklamp tussen dek en boeisel op het voordekje van een punter.
~kadraai,
kaaidraai,
kaadraai,
kadraay,
kaydray
:
oud, reeds in de 15de eeuw genoemd, synoniem voor parlevinker. Vanaf de 17de eeuw voornamelijk gebruikt voor handelaren die op groot water actief zijn.
De term lijkt in de Zuidelijke Nederlanden het langst in gebruik geweest te zijn.
In de twintigste eeuw voornamelijk gebruikt voor de leveranciers van levensmiddellen e.d. aan zeeschepen.
scheepstype. Laag, vrij smal, stalen vrachtscheepje met geringe holte, behorend tot de groep der Aken(1). De gangen verzamelen zich aan de voorzijde bij de bergplaat, de achterzijde wordt afgesloten met een spiegel. Het scheepje heeft ruime kimmen. Het werd meestal gewogen, maar naar het schijnt waren er ook diverse zeilende exemplaren. Een voorkomende maat was 14,2 x 2,15m. [A>]
De Kagenaar heeft weinig bewerkelijke vormen en was daardoor goedkoop te bouwen. Het werd daardoor in het Zuid-Hollandse land- en tuinbouw gebied een populair vaartuig. Voor op de Kagenaar prijkt meestal een klein embleem, waarvan vaak gezegd wordt dat het drie kootjes zijn. De van Waverenkagenaars genoemd naar de werf van van Waveren te De Lier hadden echter een W -vormige versiering.
De Kagenaar wordt, nogal verwarrend, ook
Leidse vlet,
Kaag,
of Bok genoemd.
Verwant zijn de Bollenvlet, een wat kleinere Kagenaar, zonder roefje, en de Motorkagenaar, een Kagenaar met een geveegd achterschip. [Gerelateerde scheepstypen/soorten>]
~kajuit: 1a>hut: een, voor personen bedoeld, verblijf van beperkte omvang.
Term uit de zeevaart, ook door watersporters en ook voor dit soort vertrekken aan boord van passagiersschepen gebruikt.
b> onvoldoende bekend. Ruimte op beurtschepen zowel voor passagiers als voor lading gebruikt.
Uit de passageprijzen valt af te leiden dat dit de duurste ruimte was, daarop volgend kwamen de kelder en daarna de roef. (Vermelding 1815; vrachtlijst, beurtdienst Lemmer-Amsterdam.)
ring aan een pen, die de plaats van een deurkruk inneemt.
Veel deuren aan boord van schepen waren aan de binnenzijde voorzien van een 'eitje', maar aan de buitenzijde voorzien van een kajuitdeurring, omdat deze platter is en men er minder snel met een touw of kleding achter blijft hangen.
~kajuitpassagier:
passagier, die ook een kajuit/hut gereserveerd heeft.
De beurt- en lijnschepen, die langere trajecten voeren, hadden soms voor de passagiers verschillende verblijfsmogelijkheden. Men kon aan dek blijven, wat het goedkoopste was; men kon plaats nemen in de gezamenlijke salon en men kon een eigen kajuit nemen, wat natuurlijk het duurste was.
~kajuitstrap: 1> trap waarlangs men de kajuit betreedt.
~kakstoel,
achterharsponning,
draainis:
de hoek waartegen de achterhar van de sluisdeur waterdicht moet aansluiten. Het is de hoek waar de deur scharniert. [Gerelateerde termen>]
~kalfaatjongen,
kalefaatjongen:
jonge knecht, die het materiaal en gereedschap aan de breeuwer aanreikt.
De breeuwer zat geregeld in ongelukkige houdingen en soms ver onder het schip te werken. De aard van het werk brengt met zich mee dat men zich voortdurend in de lengterichting van het schip moet verplaatsen. Een knechtje werd dus aangesteld om er voor te zorgen dat de breeuwer stug door kon werken.
~kalfaten,
kalefaten,
kalfateren,
kalafaten,
kalafateren,
opkalefateren,
opkalfaten,
opkalfateren:
het dichten van naden en kieren van houten schepen; dus breeuwen.
[U>]
Met het voorvoegsel "op": mogelijk alleen gebruikt voor plaatselijk breeuwwerk, reparaties. Zowiezo vind men in de latere geschriften over houtbouw het woord kalfaten gebruikt in de zin van onderhouds of herstelwerk, terwijl men breeuwen vaak gebruikt voor nieuw werk.
boven, een reeds bestaand gangboord, aangebracht gangboord, met het doel het laagste waterdichte punt van het schip omhoog te brengen en zo het laadvermogen te vergroten. Genoemd naar oud minister J.A. Kalff. [
T>,
A>
]
~kalifaten:
verbastering van kalfaten. Slechts één vermelding gevonden.
zwaar gebouwde ark, voorzien van een vrij klein, open, ruim en royaal voor- en achterdek.
Kalkarken werden in voornamelijk in de steden gebruikt. Zij dienden voor de tijdelijke opslag en het vervoer van grond, kalk, stenen, puin enz.
~kalken:
een romp na het teren met kalk overdekken. Dit gebeurde bijna uitsluitend bij de (Groningse?) zeegaande vrachtschepen en had tot doel het aangroeien te beperken.
inrichting waarmee men de diepgang van zeeschepen kon verminderen, om ze zo over droogtes heen te kunnen krijgen. In 1688 door M.M.Bakker uitgevonden.
Het kameel bestaat uit twee afzinkbare, aan de scheepsvorm aangepaste, helften, welke doormiddel van braadspillen stijf tegen elkaar getrokken worden en zo het schip vastklemmen. Bovendien wordt het schip met behulp van schagen en door de geschutspoorten aangebrachte balken vanaf de dekken van het kameel gesteund. Na het leegpompen van het kameel werd het geheel met behulp van Marker waterschepen versleept. De diepgang van de zeeschepen kon op deze wijze met een meter of drie verminderd worden.
schijf met zaagtandvormige vertanding rond de buitenrand, waartegen een pal rust. Het kamwiel is bevestigd aan een ronddraaiend voorwerp en met de pal wordt voorkomen, dat dit, ongewenst, in tegengestelde richting draait. Zie ook: palrad.
3> metalen ringen of banden met dwarsstukken dat bijwijze van kamrad gebruikt wordt.
[T>]
~kamstuk: 1>waterbord. 2> kort waterbord waarin, in de bovenzijde, uitsparingen, gelijkend op de opening tussen verhaalkammen, gemaakt zijn. Soms ontbreken de openingen en zijn op het bord verhaalkammen geplaatst.
~kanaal: 1a> gegraven stuk vaarwater van redelijke omvang, waarin het water, kunstmatig, bijv. met sluizen, op een bepaald niveau gehouden wordt. b> gegraven waterloop ten behoeve van de waterhuishouding.
Diverse scheepvaartkanalen worden vaarten genoemd, het verschil tussen deze twee begrippen is moeilijk te omschrijven. Over het algemeen zal aan minstens één der einden van een kanaal een sluis aanwezig zijn. Bij vaarten is dat niet altijd het geval.
~kanaalpand:
gedeelte van een kanaal tussen twee sluizen. Soms ook vaartpand genoemd.
~kanaalpeil,
kanaalniveau:
het waterpeil, dat men in een kanaal tracht te handhaven.
~kanaalprofiel:
de vorm van de dwarsdoorsnede van het kanaal beneden het hoogste berekende kanaalpeil.
~kanaalschip: vrachtschip gebouwd voor de vaart op de kanalen en andere kleine beschutte wateren.
Tot tegen de jaren veertig onderscheidde de nieuw gebouwde kanaalschepen zich door een geringere zeeg en een lichtere bouw van de schepen van de algemene vaart. Vergeleken met de rivierschepen waren zij vooral kleiner. Later verdwijnt het verschil tussen kanaalschepen en de overige schepen steeds meer.
Het zijn de schippers die meestal regionale transporten verzorgen, vaak ook is het seizoenwerk, woont men aan de wal en heeft men ook nog andere beroepen.
~kanaalsleepboot,
kanaalboot: sleepboot welk zijn werk hoofdzakelijk op een kanaal heeft. De term werd onderandere langs de Maas in Limburg gebruikt om onderscheid tussen de sleepboten, die voornamelijk op de rivier voeren en zij, die op het Julianakanaal hun werk deden, te maken.
Alhoewel ik het als een foutieve verkorting zie, gebruikt men in het algemeen de term kanaalboot ipv kanaalsleepboot.
~kanaalstelsel:
onvoldoende bekend, waarschijnlijk alhetgeen een kanaal tot een kanaal maakt en wat er bij hoort; de vaart, de sluizen, de bruggen, de dijken, enz.
~kanaaltak:
stuk kanaal dat een afplitsing is van een andere deel.
Gerelateerde termen: kanaalarm,
zijkanaal.
~kanaaltuig,
vaarttuig,
Drents tuig: 1> benaming voor de tuigage, die schepen met een normale tuigage, wanneer zij de kleine kanalen opgingen, voerden.
Hiervan was voornamelijk sprake bij de scheepvaart tussen Drenthe en het westen van het land. De van 'zee' komende schepen lieten hun zware ankerkettingen, hun ankers, hun zeilen, giek en gaffel achter in Meppel. Bij elkaar was dat een flink gewicht. Daar werd dan een grootzeil van licht katoen, het vaartzeil, en een kleine Drentse fok aangeslagen. Naar sommige bronnen beweren gebruikte men bij het vaartzeil soms geen giek. Ook kon het zeil voorzien zijn van een Drentse gaffel. Men had zodoende niet alleen een makkelijker te hanteren tuig, maar ook flink wat minder diepgang hetgeen in de ondiepe kanalen een groot voordeel was. Op de vaart naar het westen wisselde men alles te Meppel weerom. Sommige schippers hadden hun eigen kanaaluitrusting en betaalden dus alleen voor opslag. Wie geen eigen kanaaltuig had, kon dat op diverse plaatsen te Meppel huren.
2> algemene benaming voor een wat beperkte, maar vooral lichte, tuigage, die door de kleine kanaalschepen gebruikt werd.
~kanaalvaart: 1> de scheepvaart, zoals die met kanaalschepen bedreven werd. (Ongebruikelijke term.)
2> de scheepvaart op één bepaald kanaal, danwel op kanalen in het algemeen.
3>
DE KANAALVAART
: 'verband' van eigenaren van sleepboten welke op het Julianakanaal voeren.
Deze sleepboten hadden (min of meer) een monopoliepositie op het kanaal. Alle sleepgelden werden in é´n pot gestort en daarna volgens een bepaalde sleutel verdeeld. De betrokken sleepboten waren verdeeld in boezemboten, schutboten en havenboten; samen kanaalboten en mogelijk ook Maassleepboten genoemd.
~kanaalvaartuig: 1> willekeurig vaartuig dat op een kanaal vaart.
2> vaartuig dat speciaal voor de vaart op een bepaald kanaal of op kanalen in het algemeen gebouwd is.
Gerelateerde termen: kanaalschip,
kanaalsleepboot.
~kanaalvlag:
niet voldoende bekend. Volgens P. Versnel's Vakwoordenboek is het een blokvlag hetgeen zou kunnen duiden dat de Belgische vaarvlag bedoeld wordt.
~kanaalwater:
het water in een kanaal of het water dat uit een kanaal afkomstig is.
~kanaliseren:
aantal werken, waardoor stromende wateren beter bevaarbaar moeten worden. Meestal bestaand uit het plaatsen van stuwen met sluizen en het afsnijden van sterke bochten.
2> soort groot formaat roeidol, die voor draaglappen gebruikt werd.
Alleen schepen die regelmatig stevelden waren uitgerust met een kandelaar op voor- en/of achterschip. Op andere schepen werd de draaglap op vernuftige wijze aan een bolder gebonden. De kandelaars waren niet permanent aanwezig maar werden, wanneer men ze nodig had, in de daarvoor aanwezige potten gestoken. Naar men zegt bevonden deze potten zich in de bovenzijde van bolders of in de potdeksel.
~kanohek:
term voor een schip met een smal achterschip, met ruime boegen, welke met een duidelijke, vaak vrij scherpe knik, te samenkomen. De bovenzijde of het boeisel valt hierbij meestal een weinig naar binnen.
Naar ik meen in de binnenvaart vaak een spitsgat genoemd.
: wanneer er een kant aan de wind is, ligt het punt waar men naar toe wilt zeilenin de wind, maar zodanig dat men over de ene boeg langere slagen kan maken (over strekboeg), dan over de andere boeg.
: a> die zijde van de sluis waar het water het laagst (hoogst) staat. b> die zijde waar de wind naartoe (vandaan) waait. Zie ook: lagerwal (hogerwal), lij (loef).
~kantanker:
volgens G.J. Schutten een synoniem van katanker. Het woord is verder echter nauwelijks bekend.
~kantdeel:
eigenlijk het lijfhout langs de randen, soms wordt de term echter gebruikt voor alle lijfhouten, dus ook die langs opbouwen, dekluiken, e.d..
Zie ook watergang en waterloop.
~kantelproef:
test waaraan reddingboten onderworpen worden, waarbij het vaartuig, na ondersteboven getakeld te zijn, uit zichzelf weer overeind dient te komen.
~kanteltrailer:
een boottrailer voorzien van een scharnierend juk, met daarop de rollen voor het transport en het geleiden van het vaartuig.[A>] Kanteltrailers worden vooral gebruikt voor zwaardere vaartuigen, bij schuin aflopende oevers en bij oevers, die voor een gewone trailer te hoog is. Bijna alle trailerbare bedrijfsvaartuigen worden met behulp van een kanteltrailer vervoerd. Ze zijn ondermeer ingebruik bij aannemers van waterwerken, brandweer en politie.
~kantelzak:
opblaasbare 'rubberen' zak, waarmee kleine reddingboten, zelfrichtend worden gemaakt.
~kanten,
kantrechten:
een stam ruwweg vierkant hakken.
1> dekzeil, waarmee voornamelijk de zijkanten van deklasten en -ladingen afgedekt wordt.
De onderkant van het kant- of kopkleed verzorgt meestal een redelijk waterdichte afdichting tussen water en schip en dekt zelden de bovenkant van de lading af.
De term kopkleed heeft mogelijk meer betrekking op die kleden die gebruikt werden om zaken die op het dek en luiken stond te bedekken, terwijl kantkleed misschien meer voor het afdekken van hetgeen zich boven het ruim bevond betrekking had.
2> stevige strook zeildoek dat, onder de dekzeilen, over de uiteinden van de luiken gelegd werd, om slijtage te beperken.
Het gebruik van dit soort kantkleden was iets van schippers die erg zuinig op hun kleden waren. De uiteinden van de luiken vormden een wat ruwe kant waar het kleed gauww slijtplekken ging vertonen. Door het onderleggen van een extra strook trachtte men dit te voorkomen.
~kantoor: 1> in het algemeen: de plaats waar een rederij of een vertegenwoordiging daarvan zich bevindt.
2> in de binnenvisserij: zetel van een maatschappij of rederij van binnenvissers en tevens pachter van het viswater en vishandelaar.
~kantoorband:
manchet, baan, rond de schoorsteen, uitlaat, van het schip beschilderd met bij een bepaalde rederij behorende kleurstelling en/of symbool.
Volkomen onbekende term. Tot nu toe alleen aangetroffen in P. Versnel's Vakwoordenboek.
~Kantoor Binnenvaart:
in 1998 opgericht samenwerkings verband van diverse belangenorganisaties in de binnenvaart. Vanaf 2011 is een toenemend aantal organisaties overgegaan naar de Binnenvaart Branche Unie en uiteindelijk werd het kantoor in 2013 opgeheven. Binnen het Kantoor Binnenvaart werkten (ondermeer) samen:
Christelijke Bond van Ondernemers in de Binnenvaart (CBOB),
Onafhankelijke Nederlandse Schippersvakbond (ONS),
Nederlandse RK Bond van Reders en Schippers St. Nicolaas,
Vereniging van duw- en sleepbooteigenaren Rijn en IJssel,
Vereniging Belgische Reders der Binnen- en Rijnvaart,
Bond van Eigenschippers (België),
Algemene Maatschappij voor Varenden,
Katholiek Sociaal en Cultureel Centrum voor Rijn- en Binnenvaart,
Nederlandse Particuliere Rijnvaart Centrale,
Landelijk Oudercontact van Trekkende Beroepsbevolking,
Vereniging van Eigenaren en Exploitanten van Overzetveren in Nederland (VEEON).
~kantoorletter:
letter of letters, die bij hypotheekkantoor waar het schip geregistreerd is, horen.
[T>Scheepsregistratie. ]
~kantoorschip: 1>schip dat eigendom van een rederij is.
~kantoorschokker:
riviervissersvaartuig dat eigendom is van een firma en waarop een ingehuurde bemanning werkt.
Behalve de kantoorschokker en de eigenschokker kende men ook nog vaartuigen varend met een zetschipper. De eigenaren van dit soort schepen verenigde zich soms tot een ploeg of vennootschap en vormde op die wijze eigenlijk weer een soort kantoor.
~kantzegenvisserij,
kantvisserij:
vorm van visserij waarbij men een zegen vanaf de oever of een zandplaat in de rivier uitbrengt en vervolgens met een boog tegen de stroom in weer naar het uitgangspunt terugbrengt. Bij het inhalen van het net wordt de ingesloten vis mee aan land getrokken.
bepaalde rang en aanspreektitel voor de gene die de verantwoordelijk aan boord draagt. Tegenwoordig (2012) tevens de 'titel' welke hoort bij de MBO4 opleiding, die deze naam draagt.
Kapitein is van oorsprong een militaire rang. Het woord is afkomstig uit de latijnse talen.
Vanaf de 15de eeuw komt men het woord kapitein (capiteyn, capyteyn) ook aan boord van schepen tegen. In eerste instantie gaat het dan om de bevelhebber over krijgsvolk te water of de bevelhebber op een oorlogsschip.
Eind 17de eeuw begint het woord kapitein opgang te maken op de koopvaardijschepen. Het woord kapitein komt in de binnenvaart pas tegen de tweede helft van de negentiende eeuw in gebruik.
Kapitein op het WNT.
De term kapitein werd, in de binnenvaart, in eerste instantie uitsluitend aan boord van de stoomschepen (passagiersschepen en sleepboten) gebruikt. Dit zijn veelal rederijschepen. Na de komst van de motorschepen blijft de term kapitein, op rederijschepen en in de Rijnvaart en aanverwante takken, meestal gehandhaafd. Daar buiten spreekt men meestal van schipper.
Het boek 'Blokkade' van Karel Kersten schrijft over de particuliere schipper die overstapt naar een rederij:"Van zelfstandige naar afhankelijke. Van schipper tot kapitein 'gedegradeerd', eertijds een scheldwoord voor 'kantoorschippers', geen eigenaren dus."
Ook in de wetgeving hanteert men het begrip schipper en ook kent men in de binnenvaart (bijna) uitsluitend schippersverenigingen en (bijna) geen kapiteinsverenigingen. Daarentegen wordt in veel officiële rapporten en documenten wel van kapitein gesproken.
'Binnenvaarttaal' hanteert, net als de wetgever, over het algemeen de term schipper.
~kapiteinsdiploma:
diploma dat men verkrijgt na het met succes gevolgd hebben van de gelijknamige MBO4 opleiding.
Naar men zegt is het kapiteinsdiploma anno 2012 een combinatie van het schippersdiploma en het diploma ondernemer in de binnenvaart.
~kaplaken:
soort fooi voor de schipper, in de hoop dat hij dan beter voor de vracht zou zorgen.