banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!




Woordenlijst J



~jaagas:
ongebruikelijk synoniem voor enkelwerksas. Vermoedelijk zo genoemd vanwege het jaagwiel (jachtwiel).





~jaaggeld, jaagloon:
vergoeding, die men aan ingehuurde jagers(1) moest betalen.





~jaaghout:
1> los rondhout dat onderandere aan boord van de Biesbosch aak gebruikt werd om de jager uit te zetten.
Bron G.J. Schutten.

2> zie kluiverboom.





~jaaglijn, trekschipperslijn, treklijn, paardelijn, vaartstreng:
lijn waaraan men een schip, met behulp van paarden of één of meerdere personen, voorttrekt, jaagt. Vroeger ook treil, treillijn of trijl genoemd.
Jaaglijnen waren hennepen lijnen met een lengte van ca. 60 tot 100 meter. De zijde met de lus kwam aan het paard of de trekzeel. Het andere eind ging door een blokje in de mast dat aan een val hing en werd op het achterschip vast gezet. In sommige gevallen was de jaaglijn aan beide einden voorzien van een lus. Aan de scheepszijde werd de jaaglijn dan verlengd met een opzet.
Sommigen wensen een onderscheid te maken tussen een trek- en een jaaglijn en stellen dat de eerste gebruikt werd, wanneer mensen het vaartuig trokken, terwijl de jaaglijn voor paarden gebruikt werd. Dit onderscheid is iets dat, voor zover ik kon na gaan, pas in de laatste decennia gemaakt wordt.






~jaagloon: jaaggeld.





~jaagmast:
vrij korte mast op schepen die men jaagt. Zie ook: jaagstut.





~jaagpaard, vaartpaard:
een paard, dat geleerd heeft schepen te jagen. [T>]





~jaagpad, lijnpad, treilpad, trekweg:
pad langs de oever van het water, dat vrijgehouden moest worden om schepen te kunnen jagen. Elders ook tragel of wegel genoemd.
Gerelateerde term: kanaalpad.





~jaagpadgeld:
bijdrage, die men voor het onderhoud van het jaagpad moest betalen.
Misschien ook een vergoeding, die men voor het onderhoud van een jaagpad, dat over zijn land liep, ontving?






~jaagpont:
pont die bedoelt is om jaagpaarden naar de andere zijde van het, of over een kruisend, vaarwater te brengen.





~jaagpenning: zie jagerspenning.





~jaagscheepvaart: zie trekscheepvaart.





~jaagschuit, pakschuit, trekschuit:
vaartuig dat gebouwd is om gejaagd te worden.
Over het algemeen wordt de term 'trekschuit' gebruikt voor scheepjes, die voornamelijk passagiers en hun bagage vervoerden. Zij deden ook aan pakket en postbezorging. De pak- of tentschuit was een jaagschuit, die voornamelijk voor het vervoer van goederen gebruikt werd. Zij voeren zowel beurtdiensten als ook 'wilde vaart'. De term 'jaagschuit' wordt gebruikt voor ALLE schepen, die bestemd waren om voortgetrokken te worden. Dat wil niet zeggen, dat geen van deze konden zeilen. Voor al de jaagschuiten in gebieden met veel meren en brede vaarten hadden vaak ook een (beperkte) zeilage. Jaagschuiten die een beurtdienst voeren werden ook trekveer en trekveerschip genoemd.






~jaagspaak:
Gronings? synoniem voor weegboom.





~jaagstut:
korte jaagmast.





~jaagvergunning:
door de vaarwegbeheerder of provincie af te geven vergunning die men nodig had om beroepsmatig schepen te jagen. Bij de vergunning hoorde de zogenaamde jagerspenning. [T>]





~jaagwiel:
minder gebruikelijk synoniem voor jachtwiel.





~jaagzeel: zie bij trekzeel.





~jacht:
1> Jager: vroeger (rond 17de eeuw?): elk snel zeilend niet al te groot vaartuig. In sommige streken (vooral Friesland) is men de term tot in de 20ste eeuw voor dat soort schepen blijven gebruiken. Men kent ondermeer: het Fries jacht, het Lemmerjacht, het Noordhollandsjacht, het Bruinisserjacht, het Boterjacht, het Kopjacht, de Kaasjager en het Blokzijlerjacht.
ROND JACHT
: een Boeier of Fries jacht.

2> snel zeilend vaartuig voor uiteenlopende doelen. Men kent ondermeer het Admiraliteitsjacht, het Statenjacht, het compagniejacht als het Koopmansjacht. Men onderscheidt ondermeer binnenjachten, buitenjachten en spiegeljachten.

3> moderne benaming voor een pleziervaartuig, ook wanneer het niet snel is en ook wanneer het door een motor en niet door zeilen voortgestuwd wordt. Vroeger speeljacht genoemd.  





~jachtbaken:
baken behorende tot de aanvullende bebakening, die men wel de jachtbebakening noemt.





~jachtbebakening, jachtbakens, recreatiebakens:
vorm van aanvullende bebakening. De bakens geven aan tot waar er, met een geringe diepgang, meestal maximaal 1,5 m, gevaren kan worden.





~jachtblok, jachtenblok:
1> oorspronkelijk: essenhouten blokje met binnenbeslag.

2> in later tijd: willekeurig, niet al te groot, houten blok.





~Jachtboot, Jachthoogaars:
een variant op de Hoogaars die gedurende de laatste decenia te Nieuw Lekkerland gebouwd werd. Het schip had niet alleen in het achterschip ronde vormen zoals ook de Lemmerhoogaars die heeft, ook in het voorschip was de knikspant vervangen door een rondspant. Alleen midscheeps hield het schip een hoekige kim. Ze bezaten een bun en het voordek liep door tot achter de mast, die strijkbaar was. Ze werden zowel overnaads als geheel gladboordig gebouwd.
De term jachtboot genoemd door G.J. Schutten (blz. 445) is vermoedelijk alleen plaatselijk gebruikt. Anderen hanteren de term Jachthoogaars. Het scheepstype zelf blijkt slechts door een enkeling gekend te worden.






~jachtdweil: stokdweil.





~jachtenblok: jachtblok.




~jachtenroef:
roef, die het grootste gedeelte van het vaartuig beslaat, meestal fraai van lijn en met een gewelfd dak. [A>]
Gerelateerde termen: salonroef, kot, durk, theehut, dekhut, salon, dekroef, voorroef, paviljoen.





~jachtenschutting:
schutting waarbij, bij voorkeur, geen beroepsvaart of grote vaartuigen geschut worden.





~jachthaven:
haven voor pleziervaartuigen.





~Jachthoogaars:
zie Jachtboot.





~jachtlak:
zie lak.





~jachtpomp:
zuig-perspomp, die met behulp van een jachtwiel aangedreven wordt.





~jachtschip:
1> in de liggers van de meetdiensten gebruikte term voor een jaagschuit.
De term wordt begin twintigste eeuw door sommige scheepsmeters gebruikt en men heeft helaas nagelaten het begrip duidelijk te omschrijven. Het heeft er alle schijn van dat het meer gaat om schepen met het model van de in die regio gangbare jaagschuiten, dan om het feit dat deze werkelijk gejaagd worden. Men kent ook het motorjachtschip.


2> vanaf de zestiende tot in de achtiende eeuw gebruikte term voor een speel-, staten-, of admiraliteitsjacht en daarop gelijkende scheepjes.





~jachtschipper:
in loondienst werkende schipper op een pleziervaartuig.





~jachtschuit:
1> in de liggers van de meetdiensten gebruikte term voor een jaagschuit.

2> vanaf de zestiende tot in de achtiende eeuw gebruikte term voor een speel-, staten-, of admiraliteitsjacht en daarop gelijkende scheepjes.

3> een gedekt of half-gedekt jacht.





~jachtwiel, spaakwiel, jaagwiel, vliegwiel:
wiel met 6 of 8 gebogen of rechte spaken voorzien van een handvat, een slingergreep. [A>] Gebruikt om assen van lieren rond te draaien.
De term spaakwiel en vliegwiel zijn min of meer een lekentermen.






~Klaas Jacobsen: zie boeitang.





~jacobsladder:
1> noria: eindeloze aaneenschakeling van segmenten, bijvoorbeeld die waar de emmers van een emmermolen of bunkermachine bevestigd zijn; de emmerketting.

2> bij uitbreiding elke losinstallatie die gebruik maakt van de in 1 genoemde emmerketting.

3> soort touwladder, alleen voorkomend op zeegaande zeilschepen.





~jagen:
1> treilen: het vanaf de wal voorttrekken van een vaartuig. [Jagen: tekst, verhaal, afbeeldingen.]

G.J. Schutten stelt dat jagen altijd door dieren geschied en dat mensen een schip trekken in plaats van jagen. Het is een interessante veronderstelling, maar het zal lastig zijn hiervoor een gedegen bewijs te vinden.
Diverse bronnen willen het soms doen voorkomen dat de schipper rustig een pijpje rokend aan het roer zat, terwijl vrouw en kinderen in de lijn aan het ploeteren waren. Over het algemeen was het echter zo dat iedereen naar vermogen hielp het schip zo snel mogelijk op de plaats van bestemming te krijgen. Kon men tijdens het jagen de kans hebben een gunstige wind te krijgen, dan bleef, in verband met het hijsen der zeilen, de schipper meestal aan boord en werd er vanaf het schip met de vaarboom geholpen.

Gerelateerde termen: jaaglijn, jaagmast, jaagloon, jaagpaard, jaagpad, jaagschuit, jagerspenning, rolpaal, trekschuit, trekvaart, trekzeel.

2> vroeger: het vervolgen en onschadelijk maken van vijandige schepen.

3> met ruime wind (en kluiver of jager) zeilen.





~jager........: samenstellingen met jager(2 en 3) zijn niet opgenomen.





~jager :
1> scheepsjager, scheepstrekker, paardenjager, schuitenjager:
a> persoon, die het paard, waarmee een schip gejaagd wordt ment.
b> tijdelijke knecht, die voor het voorttrekken van een schip ingehuurd werd. Vroeger ook lijntrekker genoemd. In Vlaanderen spreekt men van een boottrekker.
[T> Jagen.]
c> persoon die de tractor of het locomotiefje, waarmee men in België en Frankrijk schepen wel voorttrekt, bedient.
De term paardenjager wordt vooral door onze zuiderburen gebruikt om onderscheid te maken tussen de eerste en laatst genoemde jagers.
De term scheepstrekker is minder gebruikelijk. Sommige bronnen zeggen dat scheepstrekkers zelf trokken en scheepsjagers paarden gebruikten. Hiervoor zijn de bewijzen echter schaars.
De term schuitenjager is voornamelijk in Groningen in zwang geweest, daar gebruikte men ook termen als schuitenschuiver en snabbevaarder.


2> (kleine)buitenkluiver.

3> elk bijzeil, mits het voorlijk aan een stag of lijn aangeslagen is.

4> in samenstellingen met namen van scheepstypes: jacht.

5> synoniem voor vissermansfok.





~jagersboot:
boot die bij de jacht gebruikt wordt.
Gerelateerde termen: schietboot, jagerschouw.





~Jagersschouw:
1> volgens sommige bronnen een op een boerenschouw gelijkend vaartuig niet groter dan 370 x 88 x 30 cm. Deze schouwen zouden rond Lexmond en wat grotere rond de Zuid-Hollandse venen in gebruik geweest zijn.

2> Schietschouw, Schietboot:
soort Roeischouw van een plaatselijk type met een vlak dat holler staat dan gebruikelijk. Tegen dit vlak zijn geregeld schenen en schinkels aangebracht. De vaartuigen zijn grotendeels van vurenhout gebouwd en daardoor zeer licht. Ze worden vaak achterin geroeid. Ze worden gebruikt door vissers en jagers. De lengte van deze vaartuigen is veelal minder dan vier meter en ze hebben geen scheg, hetgeen ze zeer wendbaar maakt. De soms zeer holle bouw heeft te maken met de geringe lengte en eventueel aanwezige bun. Exemplaren zonder bun kunnen vlakker van bouw zijn.
Ondanks de mogelijke verwarring met andere vaartuigen die men schietschouw of schietschuit noemt, worden de meeste van dit soort jagersschouwen schietschouwen of schietboten genoemd.
Men kent ondermeer de Nieuwkoopse schietschouw*, de Vinkeveense schietschouw, Aalsmeerse schietboot*, de Westbroekse schietboot*, de Hazerswoudense schietschouw, etc.

De verhalen rond de schietschouw hebben, omdat de ijsschouw vaak ook zo genoemd wordt, voor de nodige verwarring gezorgd. Men had het enerzijds over een licht makkelijk te hanteren vaartuig voor jagers en sprak over een holstaand vlak en een beperkte lengte, anderzijds sprak men over stevige schuiten waarmee men meerdere reizigers over de half bevroren rivieren bracht. Het is dus duidelijk dat men minstens twee geheel verschillende vaartuigen op het oog had.
Wat betreft de jagerschouw; het lijkt onwaarschijnlijk dat men onder een schuitje met een holstaand vlak, dat gebouwd is van kwetsbaar vurenhout, glijijzers/schinkels zal zetten om zich op het ijs te kunnen begeven. Toch was dit soms wel het geval. Jan Lunenburg heeft in 'Oud nuus' van 1985 uitgebreid over het gebruik van deze vaartuigjes te Aalsmeer geschreven en vertelt dat men zelfs in 1968 nog een dergelijk schuitje gebruikte om de half bevroren ringvaart over te steken. Het is echter misschien voorbarig te stellen dat ALLE jagersschouwen-schietschouwen ook op het ijs gebruikt werden. Zelfs de aanwezigheid van schinkels zegt niet alles. Die zijn, vooral bij een vurenhouten vlak, namelijk ook zeer gedienstig als men een scheepje over een dam of overhaal wilt halen.
Buiten de Hollandse veengebieden scheen dit type vaartuig niet voor te komen.
G.J. Schutten tekent de met een * gemerkte types met schenen.
Bronnen: G.J. Schutten, Willem van Houten [E>], Jan Lunenburg en vooral ook H de Vries, Aalsmeer [E>].






~Jager-schroef:
schroef met erg groot bladoppervlak. Verder geen gegevens bekend.





~jagerspenning, jaagpenning:
bewijs, in de vorm van een bronzen penning, dat men vergunning tot het uitoefenen van het beroep als jager(1) had. [T>]





~jagersval:
val voor de jager/buitenkluiver.





~jagersvalblok:
blokje voor de jagersval.





~Janssenboot:
Alhoewel men van een Jansenboot spreekt, gaat het hier om schepen [uitleg].

beurtschip van de Fa. Janssen, Venlo.





~Jeanneau:
Fabrieksnaam, die onder schippers synoniem was voor hun type "Rigiflex Aqua Peche 400"; een dubbelschalige kunststoffen 'bijboot', die vooral in de jaren '80 vrij populair was.
[A> Meer bijboten]





~jelt, held:
dwarse steun, klamp, aan het uiteinde van de vaarboom of pikhaak. [A>]





~jenevertuig:
een tuig met slecht gesneden zeilen.





~jijn:
zie bij gijn.





~jijnbalk:
zie bij gijnbalk.





~jijnblok:
zie bij gijnblok.





~jijnen:
zie bij gijnen.





~jijnloper:
zie bij gijnloper.





~jijntakel:
zie bij gijntakel.




~jijntalie:
zie bij gijntakel.





~jijntouw:
zie bij gijntouw.





~jochelen:
zie joggelen.





~joempen:
bepaalde wijze van het in de grond werken van een zware fuikestok.
Deze door P. Dorleyn opgetekende term is waarschijnlijk alleen plaatselijk ingebruik geweest.





~joggelen, jochelen:
het vervormen van een rand van een stuk staal. In het bijzonder: aan staal een rand vormen, die waterdicht op de naastliggende plaat aan zal sluiten. [A>]





~jokdorpel: slagdrempel.




~jol:
1> naam van bepaalde soort takels. Zie enkeljol of dubbeljol.

2> aanduiding voor diverse, meestal kleine, open boten.
Men kent ondermeer: de Zaanlandse Jol (boerenjol, melkjol, jagersjol, Oostzaner Bunjol, Handelaarsjol, Landsmeerse nestjol, Waterlandse Jol, Waterlandse Bunjol) de Durgerdammer Jol, de Giethoornse Jol, de Staverse Jol (Ansjovisjol, herfstjol, fuikejol), de Mariekerkse Jol (Willebroekse jol), en de Scheldejol (schippersjol, spiegelboot, overzetter, grote jol, mercator).
Volgens de Etymologiebank en het WNT is de eigenlijk herkomst van het woord onzeker. Het stamt uit de Saksische talen en heeft het zich daarna, door middel van de zeehandel, over Europa verspreid. In de Nederlandse taal wordt het voor het eerst in 1567 aangetroffen. Tot tegen het eind van de negentiende eeuw wordt het woord jol voornamelijk gebruikt voor een soort van bijboot, die de zeegaande schepen gebruiken. Dit vaartuigje wordt meestal omschreven als hebbende een steile rechte steven en een spiegel. Ze worden geroeid, met tot 6 riemen, en gezeild. Het is niet onwaarschijnlijk dat oude, minder zeewaardige exemplaren emplooi in de zeehavens en daaraan grenzende gebieden vonden. Mogelijk is dat de reden geweest waarom de met jol aangeduidde boten en schuiten in de binnenvaart, die meestal een sterk afwijkend model van de 'bijboot van het zeeschip' hebben, toch die naam hebben. Mogelijk is ook dat de plaatselijke scheepsbouwers, zowel de jollen voor de zeeschepen als ook de vaartuigjes voor de boeren bouwden en alle kleine scheepjes gewoon weg jol noemden, want met uitzondering van de Giethoornse (Gieterse) Jol vindt men de jol uit de binnenvaart voornamelijk in gebieden die direct grenzen aan steden en streken, die een nauw contact met de zeevaart hadden.


3a> Oorspronkelijk één der kleine zeil-/ roeiboten aan boord van de zeilende zeeschepen.
b> in kusthavenplaatsen gebruikte term voor open vaartuigen met een spiegel. Zie ook sloep en Staverse jol.

4> algemene term voor een bijbootje, dat behalve gezeild, ook geroeid kan worden. (De term werd voornamelijk door watersporters gebruikt).






~jolleman:
1> iemand die met een jol vaart.

2> persoon, die mensen met een jol overvaart. Waarschijnlijk alleen van toepassing op degenen die het verkeer tussen de kade en hun zeeschip per jol onderhielden.

3> volgens sommige woordenboeken: verhuurder van roeivaartuigen (jollen). Zie ook vletterman.





~Jong, Gerben de:
Gerben de Jong (IJlst 14 juli 1884-Alkmaar 11 maart 1963) bijgenaamd 'De Vader van het Schippersonderwijs'. In 1912 was hij medeoprichter van de Vereniging van Gezagvoerders bij de Binnenvaart. In 1921 was hij oprichter en voorzitter, later directeur van het Onderwijsfonds voor de Scheepvaart (later Koninklijk). Tevens was De Jong initiatiefnemer, medeoprichter en erelid van de Vereniging "De Amsterdamse Haven".





~joon:
klein drijfbaken voorzien van een vlaggetje, vaak gebruikt door vissers. Meestal bestaande uit een houten vaatje, een aantal kurken, etc. met daardoor een lange stok, die aan de onderkant verzwaard is met lood.





~joontouw:
de lijn waarmee de joon met het anker van het visnet verbonden is.





~jopper, zeiljopper, schippersjas:
korte duffelse jas met brede kraag. (Niet zo vaak door schippers gedragen als veel watersporters wel geloofden.)





~journaal, scheepsjournaal, scheepsdagboek, dagregister:
eigenlijk: dagboek waarin alle bijzonderheden, die met het schip te maken hebben, uitgezonderd alles wat met het navigeren verband houdt, genoteerd wordt.
Uitgebreide navigatie zoals dat in de zeevaart voorkomt, wordt bij gehouden in een logboek. In de binnenvaart komt een dergelijke uitgebreide navigatie zelden voor en worden aantekeningen i.v.m. de navigatie meestal wel in het journaal vermeld.






~Jouster boeier:
Friese boeier gebouwd bij Auke van der Zee te Joure.





~Jouster praam:
Friese praam gebouwd bij Eeltje Holtrop van der Zee. Lengte meestal tussen 7 en 11 meter. Lengte-breedte verhouding ca. 4,5 : 1. Laadvermogen gemiddeld rond de 8 ton.





~jouw:
bepaald driehoekig schepnet voor de vangst van kleine vis.
Mogelijk een plaatselijke term. Slechts één vermelding gevonden.






~juffer:
1> verkorting van jufferblok.

2> bepaalde houtmaat; zie bij spier.

3> bepaald soort visnet.





~jufferblok, juffer:
een gestropt rond blok zonder schijven, maar met drie gaten (meestal in een driehoek). [A>] Zie verder bij wanttalie. Gerelateerde termen doodshoofd, woutermannetje.





~juk:
1> over het algemeen: een zware scharnierende constructie.

2> constructie aan de bovenzijde van de roerkoning, waaraan de stangen van bijvoorbeeld een hydraulisch stuurwerk of een broodwagen, bevestigd zijn.

3> ankerjuk.





~jut:
soort houten hoosvat.
De term werd voornamelijk in de noordelijke provincies gebruikt.

Voor 'dove jut' zie dovejut.


Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Amersfoort.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

De verantwoording en rechten inzake door derden ingezonden materiaal berusten bij de inzenders!

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken