banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst I





~Ielbūs:
boeierachtig type bunschip, voornamelijk gebruikt voor het transport van levende vis.




~I.F.K.S., Iepen Fryske Kampioenskippen Skūtsjesilen
organisatie van eigenaren van skūtsjes, die tot doel heeft jaarlijks een aantal wedstrijden voor de aangesloten leden te organiseren. Opgericht 1981.




~ijk: ijkmerk.




~ijken:
een scheepsmeting (laten) verrichten en de daarmee verbandhoudende ijkmerken en ijkschalen aan (laten) brengen.
Zie ook: onderijken.



~IJker: zie bij Turfijker.




~ijkmerk, ijk, ijkteken:
ingebeiteld of gebrand teken, dat aangeeft tot waar het schip beladen mag worden. [A>]

OP DE IJKEN LIGGEN
: afgeladen zijn.

zone 2 ijk
: ijkmerk dat van toepassing is op de Duitse zee armen. Voor zover bekend van toepassing op de beneden Brake, op de unterweser, en beneden Hamburg op de unterelbe.

Gerelateerde termen: ijkschaal, vlagijk, donauijk, plimsollmerk, ijkplaat.




~ijkplaatje, ijkplaat:
ijkmerk in de vorm van een los tegen het schip geklonken of gelast plaatje. [A>]




~ijkschaal:
onder het ijk aangebrachte schaalverdeling in centimeters, waarop de inzinking van het vaartuig af te lezen is. [A>]
Gerelateerde term: laadhoogte, ijkmerk, uitliggen, densimeter, winst_en_verlies.
Een ijkschaal kan gebruikt worden om de hoeveelheid lading die er in of uit het schip gegaan is te bepalen.  Ze zijn, door hun plaatsing, minder geschikt om de diepgang van een vaartuig te bepalen; daartoe dient de diepgangschaal.





~ijkteken:
ongebruikelijke naam voor ijkmerk.




~IJlsterboot:
op de werf van Eeltje Holtrop van der Zee gebouwd Fries aakje.




~ijsbank:
opeengepakt veld drijfijs.




~ijsbericht:
door Rijkswaterstaat verspreide mededelingen over de aanwezigheid van ijs op de vaarwegen en de eventueel, daarmee verbandhoudende, vaarverboden.





~ijsbeuker, ijsbreker(2):
zwaar houten blok aan een lange stok, of soortgelijke constructie in staal, waarmee men het ijs rond het schip brak Soms ook tijdens de vaart(2) gebruikt.





~ijsbijl:
bijl met lange steel, o.a. gebruikt, om bij ijsgang, een strook rondom het schip ijsvrij te houden.





~ijsboei:
in de tijd dat de boeien nog van hout waren: een metalen boei.





~IJsboeier:
Zie Langedijker ijsboeier.
Op het moment van schrijven is het nog niet bekend of elders te lande, dan op de Langedijk, ijsboeiers gebouwd zijn.





~ijsboord :
1> ijsbord, ijsplank: bij ijsgang, rond de waterlijn van het voorschip aangebrachte houten constructie, die beschadiging van de gangen door ijsschotsen moesten voorkomen.
2> soort van losse stalen kop, die men bij ijsgang voor het schip kon hangen.




~ijsbootje, ijsboot:
meestal een kleine open boot met buitenboordmotor, waarin een vrieskist geplaatst is en waarmee men langs pleziervaartuigen vaart om ijs (en soms nog andere zaken) te verkopen. [A>] Deze vorm van beroepsvaart is vrij nieuw en komt alleen in gebieden waar veel pleziervaartuigen op het water komen, voor. Gerelateerde term: leurboot.




~ijsbord: ijsboord(1).




~ijsbreker:
1>  vaartuig speciaal gebouw om ijs te breken.  [A>] [A> film, 3x]
[E> IJsbreken op de zaan.
Opm. wat bij de foto een ijsploeg genoemd wordt is, volgens mijn gegevens, een ijsslof.
]
[E> IJsbreker Jan Blanken te Gouda.]
2> metalen ijsbreuker.





~ijsbrekersteven, ijssteven:
(vaak) een steven, die vanaf net boven de waterlijn, vrij sterk schuin naar achter loopt, waardoor het vaartuig op het ijs zal schuiven. Bovendien is de steven extra stevig en zwaar uitgevoerd.





~ijsclausule:
in de overeenkomst tussen schipper en bevrachter op genomen clausule volgens welke men, wanneer men door ijsgang niet kan varen, voor elke dag dat men gedwongen stilligt een vergoeding krijgt.
Deze vergoeding bedraagt vaak ongeveer 50% van het wettelijk geregelde overliggeld. Naar het schijnt kan, wanneer deze clausule niet in de overeenkomst is opgenomen, deze vergoeding middels de rechter toch worden afgedwongen.






~ijsdam:
stuwwal van drijfijs.




~ijsduin:
in meerdere lagen op elkaar geschoven veld drijfijs. Mogelijk gelijk aan ijsbank.




~IJsel.....: zie IJssel.





~ijsgang:
1> de aanwezigheid van ijs op vaarwegen.
Gerelateerde termen: ijsbreker, ijsploeg, ijsschoen, ijsboord, toewater, drijfijs, ijsdam, ijsduin, ijsbank, ijskropping, ijsclausule, ijsgeld, ijstoeslag, doorijzen, slop, ijszaag, ijsbijl, ijsbeuker, enz.

2> de beweging van drijfijs.





~ijsgeld:
uitkering aan personeel van beurt- en lijndiensten, wanneer er door ijsgang niet gevaren kon worden.
Zie ook ijstoeslag.



~ijsjacht:
soort ijsschuit, meestal voor de recreatie.




~ijskropping:
ophoping van drijfijs op stromend water.




~ijsplank: ijsboord(1).




~ijsploeg:
 voor een schip, meestal een sleepboot, geplaatste drijvende constructie, die onder het ijs schuift en daardoor het ijs breekt, waardoor het schip dus als ijsbreker gebruikt kan worden. Vergelijk: ijsslof.




~ijsschoen, ijsslof, ijsschuif:
voor een schip, meestal een sleepboot, geplaatste drijvende constructie, die op het ijs schuift en daardoor het ijs breekt, waardoor het schip dus als ijsbreker gebruikt kan worden. Vergelijk: ijsploeg.




~ijsschouw:
zie bij schietboot.




~ijsschuit:
een ijszeiler met een romp gelijkend op die van een zeilend vaartuigje. [A>]




~IJsselaak:
 vrachtscheepje van het type aak(1). IJsselaakjes hebben een voorstevenbalk en zijn over het algemeen wat kleiner dan bijv. de Hagenaar of de Hasselteraak. Ze hebben meestal een beetje volle en hoge kop, een geveegd(1) achterschip en een fraaie zeeg. De boeisels, op voor- en achterschip staan meestal in lijn met de romp, soms vallen ze iets naar binnen. [A>]
Het type is ontstaan rond de Hollandse IJssel. Ze werden veelvuldig voor het vervoer zand, riet en bouwmaterialen gebruikt. De Rietaak en de Zandaak worden vaak tot de IJsselaken gerekend, terwijl de IJsselaak op zijn beurt soms weer tot de Boeieraken gerekend wordt.
Verwante term: IJsseljacht.




~IJsselboeier:
soort Zuid-Hollandse boeier, vrij kort en breed.




~IJsseljacht:
welbesneden IJsseltjalk.




~IJsselkop:
aardrijkskundige naam voor de landpunt op de scheiding van Rijn en IJssel ten zuiden van Westervoort (kmr. 879).



~IJsselman:
een IJsselschipper.




~IJsselmeerkotter:
motorvaartuig dat gebruikt wordt voor de visvangst op het IJsselmeer.




~IJsselmeervisser:
1> willekeurig vaartuig, dat gebruikt wordt om op het IJsselmeer vis te vangen. De nieuwe types worden over het  algemeen motorkotter, soms ook IJsselmeerkotter, genoemd. [A>] Tot de oudere types behoren ondermeer: de Aken(2), de Bollen(1), de Zeeschouwen, de Schokker, de Staverse jol, de Botter en de Zeepunter.
2> visser die hoofdzakelijk op het IJsselmeer vist.




~IJsselmeervisserij:
de visserij op het IJsselmeer.




~IJsselmeervlet:
reddingboot van het scheepstype vlet. Ontworpen voor Waddenzee en IJsselmeer.




~IJsselschip, IJsselscheepje:
scheepje van de IJsselschippers. Een IJsselaakje of IJsseltjalk.




~IJsselschipper:
schipper, die zand beugelde en vervoerde op de Hollandse IJssel.




~IJsseltjalk:
niet al te grote Hollandse tjalk, echter minder hoekig en wat sierlijker van lijn. Vooral voor het beugelen en transport van zand gebruikt. Vaak voorzien van paviljoen(2). De mooiste scheepjes werden soms IJsseljacht genoemd. [S> Tjalken.]




~IJsseltoilet: zie scheepstoilet.




~ijssteven:
1> i.v.m. het varen door ijs extra sterk gebouwd voorschip.
Zie ook ijsversterking.

2> zie ijsbrekersteven.





~ijstoeslag:
bepaalde extra vergoeding aan de schipper, wanneer er bij ijsgang of vriezend weer gevaren moet worden.
IJstoeslag wordt soms ook ijsgeld genoemd.





~ijsversterking:
in verband met het varen door ijs in het voorschip aangebrachte verstevigingen.
Deze verstevegingen bestaan meestal uit extra dikke huidplaaten, extra of extra zware spanten en mogelijk ook stringers. Spanten en platen kunnen ook als dubbeling aangebracht zijn. IJsversterkingen treft men niet alleen op ijsbrekers, ijsbrekende sleepboten, maar ook op diverse vrachtschepen, in het bijzonder tankschepen, aan.






~IJsvlet: Urker ijsvlet.




~ijsvrij:
zonder noemenswaardige hoeveelheden vast ijs of drijfijs.




~ijszaag:
lange handzaag met zeer grove vertanding. De ijszaag wordt onder andere gebruikt bij het doorijzen en wanneer men bij ijsgang een strook rond het schip ijsvrij wenst te houden.




~ijszeilen:
zich met een ijsjacht of -schuit verplaatsen.




~ijszeiler:
1> ijsjacht of -schuit.
2> iemand die ijszeilt.




~IJveer:
naam en algemene aanduiding voor de vaartuigen van het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf Amsterdam, waarmee een oeververbinding tussen het centrum van de stad en Amsterdam-noord onderhouden wordt. [A>]
Reeds in 1308 wordt er gesproken van een veerdienst tussen de monding van de Amstel en de Volewijk (Voelwije) in het huidige Amsterdam Noord. Of het IJveer daarmee een plaatsje in het Guinessbook of records verdient, is me niet bekend.





~ijzen: doorijzen.




~ijzer:
1> klipperijzer: hiermee wordt in de binnenvaart een bepaalde soort staal, het zogenaamde puddelijzer bedoeld.
2> lekenbenaming voor staal.





~IJzeren varken:
aan de Overijsselse pot verwant scheepstype. Met vrij steile, gebogen, voorstevenbalk, vrij spits voorschip, rond achterschip, voorzien van luikenkap en roef, draai-over-boord.




~ijzerglimmerdekverf:
dekverf met metaalsplinters, waardoor een stroef oppervlak ontstaat. Zie ook: antislipverf.




~ijzermenie, dodekop:
roestwerende verf met rood-bruine kleur, welke ijzeroxides bevat.




~ijzermenieplamuur, bloedplamuur:
mengsel van plamuur en ijzeroxides.




~ijzerplamuur, staalplamuur:
1> ijzermenieplamuur.
2> willekeurige plamuur geschikt om op staal gebruikt te worden.




~impeller, impellor:
1>
rubberen schoepenrad bij bepaalde waterpompen.
2>
schoepenrad, soort veelbladige schroef, van een waterjet.




~impellerpomp, impellorpomp:
type vloeistofpomp met een soort van rubberen schoepen.




~impellor: impeller.




~inblaascompressor:
onderdeel bij een inblaasmotor. Luchtpomp waarmee de inblaaslucht onderdruk gebracht wordt.




~inblaaslucht:
gecomprimeerde lucht waarmee, bij inblaasmotoren, de brandstof in de verbrandingsruimte gebracht wordt.




~inblaasmotor, compressormotor:
in 1893 door Rudolf Diesel ontwikkelde motor, waarbij de brandstof met behulp van samengeperste lucht in de verbrandingsruimte gebracht wordt.
Deze lucht had men nodig om de brandstof, tegen de compressiedruk in de cilinder in, in de verbrandingsruimte te brengen. In 1927, met de komst van de, door Robert Bosch uitgevonden, hoge druk brandstofpomp kwam er langzaam een eind aan het bestaan van deze inblaasmotoren.




~inblaasvat:
onderdeel bij een inblaasmotor. Luchttank waarin de voor de brandstofinspuiting noodzakelijke, gecomprimeerde, lucht wordt opgeslagen.




~inbuigen:
van inhouten of stalen spanten: door buigen passend maken.




~inclinatie:
de mate waarin de ligging van een kompasroos of naald afwijkt van horizontaal.
De inclinatie is eigenlijk de hoek dat een vlak ten opzichte van een standaard vlak heeft. De inclinatie van het aardmagnetisme ten opzichte van het aardoppervlak in Nederland bedraagt ca. 67 graden. Op de magnetische polen van de aarde is dat 90 graden. De voor Nederland geproduceerde kompassen zijn gecompenseerd voor de in Nederland voorkomende inclinatie. De kompasroos, naald, zal dus horizontaal liggen. Reist men echter verder noordwaarts dan zal het kompas steeds verder voorover gaan duiken.






~indicateur:
instrument waarmee het drukverloop in een cylinder, tijdens het bewegen van de zuiger, opgetekend kan worden.




~indicateurpaardekracht, indicateur-PK, iPK: het vermogen van een stoommachine berekend aan de hand van de met de indicateur gemeten waardes.




~indompeling: diepgang.




~indraaien:
van ankers: zie opdraaien of inhieuwen.




~indrijven:
zie binnendrijven.





~Industrie:
voormalige Nederlandse dieselmotoren fabriek. Vooral bekend van langzaamlopers. [E>] Samen met Brons en Bolnes 'eigenaar' van Samofa.




~industriehaven:
een haven of zijhaven in een industriegebied, meestal verboden voor pleziervaartuigen.





~ingangskap:
klein opbouwtje met scharnierende of schuivende bovenkant en vaak ook deurtjes, dat als ingang tot een benedendekse ruimte fungeert. [A>]




~ingangskoekoek:
koekoek, die tevens als ingang tot een benedendekse ruimte fungeert.




~ingebouwd:
van roeven: zuid-Nederlands, Vlaams synoniem voor verzonken.




~ingelaten:
het resultaat van het inlaten.




~ingezonken:
1> het resultaat van het inzinken.

2> verzonken.

3> ingelaten.




~ingieren:
zie inscheren(2).




~inhieuwen, hieuwen:
1> van ankers: het omhoog halen van het anker.
De term is voornamelijk van toepassing wanneer het anker met de hand of met een braadspil, stukje bij beetje omhooggetrokken wordt. Wanneer men een ankerlier gebruikt, spreekt men in het algemeen van opdraaien of indraaien.


2> in het algemeen: iets naar boven of naar zich toe trekken.




~inhout:
1> spant: willekeurig stuk hout, dat na het aanbrengen van de gangen (men bouwt dus op mallen), aan de binnenzijde tegen deze gangen bevestigd wordt.
2> spant: verzamelnaam voor alle houten verbindingsdelen aan de binnenzijde van de romp.
3> staander.




~inkel:
trechtervormig net in een fuik (zie ook kruik) of in een kuilnet.




~inklaren:
de douaneformaliteiten bij het binnenkomen van een land vervullen.




~inklaring:
het inklaren.





~inkorten:
1> van een schip: ongeveer uit het midden van een schip, een stuk weghalen en daarna beide delen weer aan elkaar lassen.
2> van een mast: van de onderzijde een stuk afhalen.
3> zie opkorten.





~inkorthaak:
op een moderne hijshaak gelijkende haak echter met een zeer smalle bek bestemd om rond kettingschalmen te haken. [E> inkorthaak]
Gerelateerde term: inkortklauw.





~inkortklauw:
twee-tenige korte en stevige metalen 'haak', die om een kettingschalm past, waarmee men kettingstroppen in kan korten. Vroeger vaak met langere 'tenen' en ook duivelsklauw genoemd. [E> moderne inkortklauw]
Gerelateerde term: inkorthaak.





~inkrimpen:
1> het schip met de kop in de wind draaien en houden.
2> oploeven. (In beide betekenissen vrij onbekend.)




~inlaat:
1> uitsparingen in het lijfhout waarin de dekdelen eindigen.
2> Uitstulpingen aan een dekdeel, daar waar het het lijfhout raakt, en waartegen het naast liggende dekdeel eindigt.
3> huiddoorvoer waardoor buitenwater in het schip kan komen.
4> uitsparing in de ondergrond, waarin een voorwerp geheel of gedeeltelijk verdwijnt.
INGELATEN GANG
: een gang, die tussen de andere gangen aangebracht is en waarbij de naast liggende gangen versmald zijn. Zie ook insteker.




~inladen: laden.




~inlaten:
1> een inlaat (1, 2 of 4) maken.
2> water van een gebied met hoge waterstand naar een gebied met lage waterstand laten vloeien.




~inlaveren:
ergens laverend invaren.




~inlegpremie:
bedrag dat men moet betalen wanneer men als deelgenoot bij een onderlinge toetreedt (meestal een zeer klein percentage van de verzekerde waarde van het schip).





~inlegspie, meeneemspie:
bij oudere 'werktuigen' een veel gebruikt 'machine'onderdeel. Een klein 'balkje' van staal dat klem in een uitsparing op een as past, maar meestal een met een zeer geringe speling in de ruimte, uitgespaard in het voorwerp rond die as, ligt. Onder andere toegepast tussen schroefas en schroef en tussen de verschuifbare tandwielen van lieren en de lierassen.




~inlieren:
iets met een lier naar 'binnen' draaien.




~in-lijn-koppeling, langhalskeerkoppeling:
keerkoppeling waarbij de verschillende mechanismen zoveel mogelijk achter elkaar geplaatst zijn en waarbij de ingaande en uitgaande as op één lijn liggen.




~inloeven:
1> onbekend synoniem voor oploeven.
2> scherp aan de wind ergens naar binnen varen.




~inloodsen: binnenloodsen.




~innemen :
ZEIL INNEMEN
: een zeil reven of een bijzeil strijken en bergen.




~inpalmen:
een touw, staaldraad of ketting met de handen binnenboord trekken.
Meestal gebruikt wanneer men daarmee geen last verplaatst, dus wanneer het makkelijk gaat. In andere gevallen spreekt men vaak van inhieuwen.





~inscharen:
het uitslijten van de oever, als gevolg van stroming. (Onbekende term.)




~inscharing:
het resultaat van het inscharen.




~inschepen, embarkeren:
het aan boord (laten) gaan van passagiers of vee, soms ook laden.




~inscheping:
het inschepen.




~inscheren :
1> strietsen, doorscheren: een touw of staaldraad over de schijf van een blok geleiden of door oog voeren. halen.

2> ingieren: met een gesleept schip een haven of iets dergelijks gaan invaren, terwijl de sleepboot zijn koers op het hoofdvaarwater blijft volgen. Zie ook: inzwemmen.




~insertplaat:
tegen of in de huid aangebrachte versteviging, t.b.v. een waterjet, in de vorm van een dikke plaat.




~inspectievaartuig:
algemene benaming voor een vaartuig dat door een overheid voor de toezicht op (de toestand van) het vaarwater (en de daarbij behorende kunstwerken) gebruikt wordt. Zie ook: patrouillevaartuig en kantonniersvlet.




~insteekdok:
afsluitbare insteekhaven.




~insteekhaven:
vrij smalle haven, die direct op een vaarwater of andere haven uitmond.




~insteken:
EEN NIEUW BOORD INSTEKEN
: bij houten schepen een (deel) van een gang of boord vervangen.




~insteker:
1> gang die, tussen andere gangen in ligt en bij één van de stevens begint, maar niet tot de andere steven doorloopt.
2> het midderste deel van het boeisel bij ondermeer de botter.
3> vrij onbekende term voor een opsteker, die tegen de onderkant van de botteloef aangebracht is.




~instructieschip:
meestal niet varend schip, waarop praktijklessen voor de binnenvaart gegeven worden. Zie ook: opleidingsschip.




~instructievaartuig:
meestal een varend schip, waarop praktijklessen voor de binnenvaart gegeven worden. Zie ook: opleidingsschip.





~insplitsen:
1> door middel van een splits vormen of met elkaar verbinden.
Het is in dit geval moeilijk aan te geven wanneer men alleen het woord splitsen danwel het woord insplitsen moet gebruiken.


2> een voorwerp in een touw of een staaldraad opnemen, door het touw, of de staaldraad, strak om het voorwerp te leggen en met een splits vast te zetten.





~intercominstallatie, praaiinstallatie:
electronisch apparaat, waarmee men tussen twee punten kan communiceren. [A> hoornluidsprekers, versterker.]




~interkoeling
koelsysteem voor motoren met twee gescheiden koelwatercircuits.




~internaat: schippersinternaat.




~Internationaal (scheeps)registratie nummer: Europanummer.




~intimmeren
voor permanente bewoning geschikt maken. Zie ook: betimmeren,




~invaart:
1> een doorvaart, die toegang tot een min of meer afgesloten gebied, bijv. een haven, een sluis e.d., geeft, maar ook de toegang van een meer naar smal water o.i.d. 
2> de schepen, die invaren.




~invaartlicht, doorvaartlicht:
1> soort verkeerslicht waarmee het invaren van sluizen geregeld wordt.
2> lichtbaken dat de toegang tot een vaarwater aangeeft.




~invaren:
het binnen varen van sluis, haven, invaart of bruggat.




~invreten:
vorm van overmatig materiaalverlies of slijtage.




~inwateren: 
1> het binnendringen van regenwater in hout of staaldraad.
2> lichte lekkage bij de naden of kieren op een houten schip
EEN SCHIP LATEN INWATEREN
: nadat een uitgedroogd schip te water is gelaten, water in het hout laten trekken.




~inzamelstation:
over het algemmen bedoelt men daarmee een plaats waar men het chemisch afval van schepen kwijt kan.





~inzetcilinder, inzetglas
gekleurd cilindrisch of gebogen glas waarmee men het licht van bijvoorbeeld de boordlichten kleurt.





~inzetpot, paddestoel
verwisselbaar deel in de zuigerbodem. Bij Kromhout motoren wel 'paddestoel' genoemd.
Men spreekt van zuigerbodem, maar men bedoelt de bovenkant van de zuiger. De kant die gesloten is.





~inzinking
de afstand tussen de huidige waterlijnen de waterlijn van het ledige schip.
HET VLAK VAN INZINKING
: het vlak dat door de, op dat moment heersende, waterlijn loopt.
HET VLAK VAN GROOTST TOEGELATEN INZINKING
: het vlak dat, bij een volledig geladen schip, door de dan heersende waterlijn loopt. Dit vlak is d.m.v. ijken of inzinkingsmerken op het schip aangegeven.




~inzinkingsmerk:
ingebeiteld merkteken, dat het vlak van grootst toegelaten inzinking aangeeft.




~inzwemmen, zwemmen:
al uitdrijvend een haven of iets dergelijks invaren. Voornamelijk van toepassing op de wijze waarop de sleepschepen in de Rijnsleepvaart de haven binnenliepen.
Zie ook inscheren/ingieren.





~iPK: indicateurpaardekrachten.





~isofaselicht:
lichtbaken met een bepaald lichtkarakter.





~I.V.R., Internationale Vereniging het Rijnschepenregister:
Internationale Vereniging voor de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de binnenvaart en de verzekering en voor het houden van het register van binnenschepen in Europa.
(citaat website I.V.R.)




~IVS-post:
kantoor, waarin de gegevens met betrekking tot de aangemelde schepen verzameld wordt.
Zie ook: I.V.S.90.




~I.V.S.90, Informatie- en VolgSysteem Scheepvaart :
Scheepvaart begeleidingssysteem, dat voornamelijk gebruikt maakt van marifoonverbindingen tussen de schepen en IVS-posten. [E>]
Verwant: Z.H.I.S.


Volgende





© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken