Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
Woordenlijst G
~gaande:
1> de periode tussen hoogwater en het inzetten van de eb.
2>
gaande houden
, steken:
met de kop in de wind gaan liggen en trachten zo weinig mogelijk voortgang, in welke richting dan ook, te maken.
De term zwenkdraad wordt voornamelijk gebruikt voor werktuigelijk bewogen draden, de overige woorden voor touwen en takels, die met handkracht bediend worden.
Lieren voor de zwenkdraden staan meestal op het voordek. De draden lopen dan via blokken aan bak- en stuurboord naar de nok. In sommige gevallen is er, om de blokken in een gunstiger, hogere, positie te plaatsen zelfs een hele stellage over het voordek en het gangboord gebouwd.
Bij de door mankracht bediende gaarden loopt er één naar het gangboord aan de waterkant, terwijl de andere meestal naar een punt op de wal loopt.
~gaardloper:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk het touw van de takel,
waarmee de laadboombuitenboord
getrokken wordt. Zie ook: gaarde.
~gaarkeuken:
plaats gelegen aan het van Starkenborgkanaal in de provincie Groningen ca. 19 km westelijk van de stad Groningen en bekend om de sluis waarbij soms zeer lange wachttijden ontstonden. De naam schijnt ontstaan te zijn omdat aldaar een herberg stond.
rondhout, waaraan de bovenzijde van een gaffelzeil vast gemaakt is en dat met een vorkvormig uiteinde tegen de mast rust.
De meeste houten gaffels waren klauwgaffels, pas later is men gaffels met een gaffelschoen gaan gebruiken.
GEBOGEN GAFFEL of FRIESE GAFFEL
: gaffel met een gebogen gaffelhout, vloeiend overgaand in de klauw.
KROMME GAFFEL
: gaffel waarvan het gaffelhout gebogen is, maar waar de klauw met een knik op aansluit.
RECHTE GAFFEL
: gaffel met een recht gaffelhout, waar de klauw met een knik op aansluit, vaak ook een combinatie van een recht gaffelhout en een gaffelschoen.
STAANDE GAFFEL
: lange zware rechte gaffel, die slechts moeilijk gestreken kan worden. Meestal voorzien van gaarden en geschikt om als laadboom gebruikt te worden. Tot in de negentiende eeuw in gebruik geweest.
strijkende gaffel
: gaffel, die langs de mast omhoog en naar beneden gehaald kan worden. Sinds begin 19de eeuw de meest gebruikte vorm.
Zie ook: Drentse gaffel.
~gaffelgaarde, gaffelgei, geilijn, gaarde, vanglijn, gei: geitouw aan de nok van de gaffel.
Gaffelgaarden werden gebruikt om bij tuigages met een staande gaffel de gaffel in bedwang te houden. De staande gaffels waren over het algemeen namelijk veel langer dan de strijkende gaffels. Ook in de begin periode van de strijkende gaffel, waren de gaffels soms dermate lang, dat men een gaffelgaarde noodzakelijk achte.
~gaffelhout: 1> het niet gevorkte gedeelte van de gaffel(2). 2> een (rechte) gaffel, die scharnierend aan de mast of aan een gaffelschoen bevestigd is.
De oudste vorm van het gaffelzeil was het zeil met staande gaffel. Deze gaffel was een vrij zware boom, die slechts met moeite gestreken kon worden. Zeil minderen deed men door te geien. Men voer het zeil zonder giek. De staande gaffel is in de 17de eeuw voor schepen op ruim water in zwang gekomen.
Een iets latere ontwikkeling was de strijkende of vallende gaffel. Een kortere en veel lichtere boom dan de staande en bovendien van dek af makkelijk te strijken. In vroeger tijd vaak zonder giek, maar later voornamelijk met giek en losse broek gevaren. De strijkende gaffel verdrong in de eerste helft van de 19de eeuw de staande gaffel en het sprietzeil bijna geheel en is daarna tot het einde van het zeiltijdperk het belangrijkste grootzeil gebleven.
draaibare metalen constructie aan de masttop waaraan een blok opgehangen kan worden.
Over het algemeen is men niet erg consequent in de naamgeving van de verschillende soorten ophangingen van blokken. Het was moeilijk te bepalen wat het meest gebruikt voor wat of wat het meest juiste was. De term 'hanger' is de verzamelnaam voor diverse soorten ophangingen.
~gang:
1>strook, huidgang: stroken staal of houten planken, waarmee de scheepshuid gevormd wordt.
EEN VERLOREN GANG
: een gang, die niet tot de stevens toe doorloopt. Vergelijk: insteker. 2> omschakelbare versnelling (eigenlijk vertraging), bij bijvoorbeeld een ankerlier. 3> een slag bij het laveren. 4> een laag turven. 5> tijdens het bomen: éénmaal van voor, naar achter, en weer terug, gelopen hebbend.
1> handel waarmee men, op o.a. anker- en draadlieren, een andere vertraging kiest. [A>]
De ganghandel op handankerlieren is een eenvoudige hefboom met aan het uiteinde een vork die met twee pennen in een groef die tegen het rondsel zit grijpt. Het draaipunt van de handel ligt iets boven de vork.
Niet alle lieren met meerdere vertragingen hadden ganghandels. De rondsels moesten dan gewoon met de hand heen en weer geschoven worden. Meestal waren er dan wel pallen aangebracht, die er voor moesten zorgen dat de rondsels niet ongewild in of uit het andere tandwiel schoven.
2> soms gebruikt voor de koppelingshandel, waarmee men kleine motoren aan lieren e.d. koppelt en waarmee dus het lier in gang gezet wordt.
~gangspil:
grote vertikale spil, meestal door meerdere personen tegelijk bewogen. Voornamelijk op zeeschepen en op drijvende werktuigen toegepast. Zie ook: kaapstander.
~gangway:
Engels voor ondermeer het gangboord. In Nederland voornamelijk gebruikt voor opgangen naar hefstuurhuizen of aanverwante constructies. Men zou het ook een loopbrug kunnen noemen.
~gapen:
het door uitdroging opentrekken van breeuwnaden.
eigenlijk een kotter, die op garnalen vist, maar sinds het woord in gebruik is, is 'kotter' eigenlijk meer een algemene aanduiding voor een visserschip geworden en heeft het met het scheepstype kotter weinig meer te maken.
~garneren:
het aanbrengen van een tijdelijke wegering bestaande uit zeildoek vastgezet met latten.
~gas:
het gas
: algemene benaming voor de inrichting waarmee men het gewenste toerental van een motor instelt.
Gerelateerde termen: gashandel, manette, gasspindel.
~gasboei: 1> verlicht, drijvend baken waarbij men voor de verlichting gebruik maakt van gas. 2>meerboei, die ten behoeve van het ontgassen van tankers gelegd is.
~gasbun:
watersportterm, voor iets wat geen bun is, maar een gasherft, gaskast of gaskist genoemd zou moeten worden.
~gasdroger:
onderdeel van een gasgenerator. Ruimte waarin nog in het gas aanwezig waterdamp uit het gas verwijderd wordt. Vaak is de gasdroger een deel van de gaskoeler-reiniger en wordt droging verkregen doordat het gas verder afgekoeld raakt. Soms echter is het een zelfstandig onderdeel en wordt de droging verkregen door houtwol in de koeler. Soms wordt er na een koeler-reiniger met interne droger nog een extra en dus met houtwol gevulde droger geplaatst. Men spreekt dan wel van een nadroger.
installatie, al dan niet met alle toebehoren, waarmee men uit vaste brandstoffen, gas wint.
Gasgeneratoren zijn in de binnenvaart niet populair geweest, alleen tegen het einde van de tweede wereldoorlog, toen vloeibare brandstoffen zeer schaars werden, zijn een aantal schepen van een dergelijke installatie voorzien. Gasgeneratoren werden door diverse bedrijven, o.a. Deutz, HaEs, Kromhout en Nijhuis, gemaakt.
Men maakt onderscheid tussen zuiggasgeneratoren, waarbij de zuiggasmotor voor voldoende trek moet zorgen, en gewone generatoren, die voor dat doel voorzien zijn van een ventilator en met een gewone gasmotor werken.
Verder onderscheiden gasgeneratoren zich ondermeer in wijze van vergassing; opwaartse, neerwaartse of dwarsvergassing.
De productie van het generatorgas vindt plaats in de brandstofvergasser, daarna wordt het gas gereinigd en gekoeld, om vervolgens via een buffertank naar de gasmotor geleid te worden. (Zie tekening bij gasinstallatie.)
Veel van de bezwaren, die men bij toepassing van de gasgenerator bij het autoverkeer ondervond, had men bij de scheepvaart niet. Men beschikte over voldoende water voor de koeling en reiniging van gas, de installatie werd meestal langdurig in de zelfde mate belast, waardoor het eenvoudiger was de gasproductie daarop af te stemmen en het belangrijkste: de tot gas omgebouwde oliemotoren bleven nagenoeg het zelfde vermogen leveren.
~gasherft:
binnen de den gelegen ruimte waarin gasflessen opgesteld zijn.
~gasinstallatie: 1> de leidingen, drukregulatoren, kranen, schotdoorvoeren, e.d. en ook eventueel vast aangesloten verbruikers,die met de 'gasflessen' gekoppeld zijn.
~gaskast:
in- of aangebouwde stalen kast, waarin gasflessen opgesteld zijn. [A>]
~gaskist:
op het dek geplaatste afsluitbare constructie, waarin gasflessen opgesteld zijn.[A> +tekst.]
~gaskoeler,
koeler, condensator, scrubber:
onderdeel van een gasgenerator, dat het hete gas koelt en daardoor van aanwezige vluchtige verontreinigen ontdoet.
Men maakt onderscheidt tussen natte en droge koelers. Bij de natte koelers, ook koeler-reinigers genoemd, wordt er water in de hete gasstroom gebracht. Deze gaskoelers fungeren meteen als stofreiniger waardoor een cycloon overbodig wordt. De natte koelers onderscheiden zich weer door koeler-reinigers, die het gas door waterschermen of nevels leiden en koeler-reinigers waarbij het gas door een, constant met water besproeit, filtermateriaal geleid wordt. Dat filtermateriaal is meestal de cokes of antraciet, wat ook als brandstof gebruikt wordt. Het gebruikte koelwater, inclusief stof en teer, wordt via een waterslot buitenboord afgevoerd. De natte koeler-reinigers hebben een in- of aangebouwde gasdroger, waarin het gas van de aanwezige waterdamp ontdaan wordt.
Droge koelers worden meestal wel met water gekoeld, maar het koelwater komt niet in direct contact met gas. Aangezien het meeste stof door de cycloon wordt afgescheiden en er geen water bij de gasstroom komt, is er geen afvoer met waterslot aanwezig.
~gasmotor: 1> motor, die gasvormige brandstof gebruikt. Men maakt onderscheidt tussen vol-gasmotoren, deze gebruiken een electrische ontsteking, en olie-gasmotoren, die een kleine hoeveelheid vloeibare brandstof voor de ontsteking gebruiken. Tevens kan men onderscheid maken tussen zuiggasmotoren en niet zuiggasmotoren. De motoren werden, behalve tijdens de tweede wereldoorlog, aan boord van binnenvaartschepen zelden gebruikt.
Sommige volgasmotoren startten normaal op olie en worden zodra de gasgenerator voldoende gas levert op gas overgeschakeld. Sommige olie-gasmotoren draaien stationair volledig op olie en gebruiken dan geen gas. Het te veel aan gas laat men gewoon ontsnappen.
2>voorkamermotor: dieselmotor met voorkamer, dit is tevens een motor met gasverstuiving.
~gasolie:
gebruikelijke naam voor de dieselolie, die door de beroepsvaart gebruikt wordt.
~gasolietoeslag:
@nog niet bekend.
Gerelateerde term: brandstoftoeslag.
~gaspomp:
onderdeel van een gasgenerator welke in combinatie met een niet-zuiggasmotor moet werken. Pomp/ventilator waarmee het, in de generator geproduceerde, gas naar de motor gepompt wordt.
~gasreiniger, reiniger: toestel dat gebruikt wordt bij gasgeneratoren. Meestal wordt er voor het reinigen gebruik gemaakt van water, dat het hete gas koelt en daarom meestal gaskoeler genoemd. Droge reinigers maakten vaak gebruik van een sterk circulerende gasstroom en werden cycloon genoemd.
onderdeel van een gasmotor. Gassluizen werden toegepast op 2takt-zuiggasmotoren waar de druk in het carter gebruikt werd om het gas aan te zuigen. Het brandbare gas mag namelijk niet in het carter komen. De onderdruk in het carter wordt daarom gebruikt om het gas in een soort buffervat, de gassluis, te zuigen, waarna de carteroverdruk het gas in de verbrandingsruimte perst
Dit systeem van ombouw tot gasmotor werd het eerst door de firma Heesen te Amsterdam, naar aanwijzingen van de Commissie voor Inbouw van Gasgeneratoren in Voertuigen toegepast.
toerentalverstelinrichting, bestaande uit een 'wiel' met daaraan wormas waarom heen een blok, dat door het draaien van het wiel op en neer bewogen wordt. Het blok is verbonden met een kabel of overbrenging die dan de brandstofpompen op de motor bedient. De gasspindel werd vooral in combinatie met langzaamlopers toegepast. Kortweg vaak 'het gas' genoemd.
[A>Aanverwante afbeeldingen]
Verwante term: gashandel, manette.
inspuitsysteem bij dieselmotoren waarbij de verstuiver door één opening de brandstof in de voorkamer, wervelkamer of verbrandingsruimte spuit. Gasverstuiving werkt met drukken tot 150 atm. Zie ook: drukverstuiving
Bij inspuiting in de verbrandingsruimte zelf is de bovenkant van de zuiger dikwijls zo gevormd dat er een werveling ontstaat. Bij inspuiting in een wervelkamer zorgt deze kamer voor een goede menging van brandstof en verbrandingslucht. Bij inspuiting in een voorkamer ontstaat er in de voorkamer een vermenging met een kleine hoeveelheid lucht, die tijdens de compressieslag de kamer binnengedrongen is. De hitte in de voorkamer zorgt voor de ontsteking van de brandstof. Deze ontbranding perst het resterende mengsel in de verbrandingsruimte.
~gat: 1>doorvaart tussen twee meren. 2>zeegat: doorvaart naar zee.
~gebritteld: 1> van strangen: in de brittelhaak gehangen zijn. 2> van schepen: door middel van een brittelhaak met de strangen van de achterliggende schepen verbonden zijn:
~gedekt: 1>bedekt: bij vaaruigen: van dekken en of gangboorden voorzien. 2> bij een stuurstand: van een dak voorzien.
Zie verder bij: dekken.
~geer: 1>gilling: inname van een kleed van een zeil, om het zeil de juiste snit te geven. 2> verlengde van een vlakgang, die bij de stevens in een punt uitloopt.
~geien:
1> het verkleinen van het effectieve zeiloppervlak door één of meerdere lijken, naar een ander lijk te trekken.
a> bij razeilen: het onderlijk richting ra.
b> bij een sprietzeil: achterlijk richting bovenlijk en mast (voorlijk). Hier meer een vorm van opdoeken, dan van zeil minderen. c> bij een gaffelzeil met strijkende gaffel: het vieren van de piekeval, waardoor de gaffel, dus het bovenlijk, tegen de mast, dus het voorlijk, komt te liggen. Hetgeen sommigen katten of als de zeilen daarbij niet vastgezet worden, afpieken of afnokken, noemen. e> bij een gaffelzeil met staande gaffel: het achterlijk richting bovenlijk en mast trekken.
~gek,
gekko,
schoorsteengek:
draaibare, schuine afdekking, boven een kachelpijp, die de gesloten kant naar de wind gedraaid houdt, waardoor niet alleen het inregenen wordt voorkomen, maar waardoor tevens de kacheltrek verbetert.[A>]
~geklopt:
van staal: door rondkloppen in vorm gebracht.
~geknepen:
van (vol gebouwde) achterschepen: naar ondertoe niet langer bijna haaks maar onder een steeds scherper wordende hoek tegen de achterstevenbalk aansluitend.
: onder andere in het Binnenvaartpolitiereglement van 1 juli 2009 gebruikt begrip
waarmee een verband van vaartuigen waarbij van gekoppeld slepen sprake is, aangeduid wordt.
In het algemeen zal het gaan om een motorvaartuig (een duwschip), dat een duwsleepschip of duwbak,
langzij meevoert. Zoals wel vaker tegenwoordig in de Nederlandse wetgeving is de naamgeving ongelukkig gekozen.
Beide woorden betekenen hetzelfde en geven geen enkele hint naar de wijze waarop er samengesteld of gekoppeld is.
~Gelderse Kaag:
type Kaag, echter vierkanter gebouwd, dus met meer laadvermogen bij gelijke maten.
~Gelderse samoreus:
soort Samoreus, echter lichter van bouw.
~geleidebaken, geleide baken,
bolbaken:
één van de twee, op één lijn, geplaatste bakens, meestal lichten, waarmee de ligging van de vaargeul aangeven wordt. Beide lichten staan exact in het verlengde van de vaargeul. Het voorste (het dichtst bij het vaarwater geplaatste) licht wordt het vaste licht genoemd. De achterste de de loper.
Wanneer men in het donker door de vaargeul wenst te varen dan koerst men dusdanig dat beide lichten precies boven elkaar staan. Zodra men van de koers afwijkt, ziet men de lichten niet meer recht boven elkaar. Staat het bovenste licht rechts ten opzichte van het onderste dan zit men rechts van de vaargeul, staat het bovenste links, dan zit men ook links van de vaargeul. Het komt voor dat er slechts aan één eind van de vaargeul dergelijke lichten staan. De schippers van de schepen die zich van de lichten verwijderen, moeten dus geregeld achterom kijken of zij nogwel op koers liggen.
~geleidelicht:
één van de twee, achter elkaar op één lijn geplaatste, lichtbakens, waarmee de ligging van de vaargeul aangeven wordt. Zie verder bij geleidebaken.
~geleidelijn:
denkbeeldige lijn tussen of in het verlengde van, twee geleidebakens of -lichten.
houten, soms ook stalen, constructie die sluishoofden, pijlers van bruggen, enz. tegen aanvaringen moet beschermen. [A>]
Een geleide werk wordt vaak remmingwerk genoemd en het komt ook geregeld voor dat beide functies in één constructie verenigd zijn. Toch behoort men korte remmingen eigenlijk 'geleidewerk' te noemen.
~gelijklastig:
ongeveer horizontaal liggend. Een gelijklastig schip ligt noch voorover, noch achterover; het heeft noch koplast, noch achterlast.
~generatorgas,
krachtgas:
het door een gasgenerator geleverde gas.
~generatorhout:
hout dat gebruikt werd om houtgenratoren te voeden. Helaas is me niet bekend welke houtsoorten de voorkeur hadden, wel wordt verteld dat ongeveer vuistgrote blokken veelal de voorkeur hadden. Het hout moest tevens schoon en luchtdroog zijn.
~generatorkamer:
ruimte in of op het schip waarin hulpmotoren (bijv. een aggregaat of generatorset) opgesteld staan. Zie ook: pompkamer.
~generatorset,
generator:
mechanisch samenstel waarmee electriciteit, meestal 220/240V wisselspanning, opgewekt wordt
Zie verder bij aggregaat.
~gepiekt:
met een, bij de kiel of kielbalk, naar beneden buigend vlak.[A>]
~gepotdekseld:
van een dek: gelijk met het bovenboord liggend en dus aan de potdeksel vast gezet.
~geraamte:
een schip in aanbouw waarbij de huid nog niet aangebracht is.
~gering: 1>geering, geerstuk: een bovenste of onderste gang, die bij de ene steven begint en niet tot de andere steven doorloopt. Geeringen liggen, integenstelling tot instekers, niet tussen doorlopende gangen in. 2> de mate waarin de kleden of banen van een zeil smaller worden.
~gesausd: 1> van schilderwerk: dusdanig beschilderd dat het blank hout lijkt. 2> van drinkwatertanks: inwendig van een laag cement voorzien.
Gestropte blokken werden tot het eind van de 19de eeuw veelvuldig gebruikt. Voor de meeste blokken was het gebruikelijk dat ze omgeven werden door een beetje ruime grommer. Aan de bovenzijde kwam een bindsel waardoor niet alleen de grommer strak rond het blok kwam te liggen, maar er tevens een oog gevormd werd waaraan het blok opgehangen werd. Bij staartblokken wordt de strop gevormd door een nauwsluitend gesplitste lus. Jufferblokken e.d. werden direct aan de stag bevestigd, door deze er strak omheen te nemen en vervolgens te bindselen. Ook waren er blokken met twee grommers en nog diverse andere variaties.
~getijdesluis,
getijsluis,
tijsluis: 1>sluis, die alleen gedurende bepaalde getijstanden in gebruik is.
Meestal is een dergelijke sluis alleen tussen een paar uur voor en na hoogwater bruikbaar. De oorzaak hiervan ligt in het feit dat het goedkoper is om een sluis te maken die niet diep is, dan één die wel diep is. De diepte van een sluis op getijde water wordt bepaald door de toegelaten diepgang der schepen, plus het verschil tussen de hoge en lage waterstand. Door de sluis nu alleen gedurende een periode rond hoogwater te gebruiken is het verschil tussen de hoogste en laagste waterstand aanmerkelijk minder.
~getijdewerf: 1> Oorspronkelijk werf, die het getij gebruikte om schepen droog te kunnen zetten. 2> Werf met dwarshelling, dit type helling is aan getijde water het meest gebruikt en ook omdat het voor veel echte getijdewerven, dit het typehelling dat zich het beste paste op het terrein.
Gerelaterde termen: banken, zaat, kuisbank.