banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst G






~gaande:
1> de periode tussen hoogwater en het inzetten van de eb.

2>
gaande houden
, steken:
met de kop in de wind gaan liggen en trachten zo weinig mogelijk voortgang, in welke richting dan ook, te maken.




~gaard:
zie gaarde. Niet te verwarren met gaart.





~gaarde, gaard:
1> geerde, geerd: touwen, één aan bakboord en één aan stuurboord, van af de nok van de spriet naar de boorden op het achterschip.
Gerelateerde term: sprietzeil.

2> gei, geerd, geerde, zwenkdraad, boomgei:
touw of draad, soms ook een takel, aan de nok van een laadboom, waarmee de boom binnen- en buitenboord getrokken kan worden.
De term zwenkdraad wordt voornamelijk gebruikt voor werktuigelijk bewogen draden, de overige woorden voor touwen en takels, die met handkracht bediend worden.
Lieren voor de zwenkdraden staan meestal op het voordek. De draden lopen dan via blokken aan bak- en stuurboord naar de nok. In sommige gevallen is er, om de blokken in een gunstiger, hogere, positie te plaatsen zelfs een hele stellage over het voordek en het gangboord gebouwd.
Bij de door mankracht bediende gaarden loopt er één naar het gangboord aan de waterkant, terwijl de andere meestal naar een punt op de wal loopt.


3> gaffelgei.

4> slaggaard of peilstok.




~gaardloper:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk het touw van de takel, waarmee de laadboom buitenboord getrokken wordt. Zie ook: gaarde.




~gaarkeuken:
plaats gelegen aan het van Starkenborgkanaal in de provincie Groningen ca. 19 km westelijk van de stad Groningen en bekend om de sluis waarbij soms zeer lange wachttijden ontstonden. De naam schijnt ontstaan te zijn omdat aldaar een herberg stond.




~gaart: laadboom.





~gaffel :
1> klauwgaffel:
rondhout, waaraan de bovenzijde van een gaffelzeil vast gemaakt is en dat met een vorkvormig uiteinde tegen de mast rust.
De meeste houten gaffels waren klauwgaffels, pas later is men gaffels met een gaffelschoen gaan gebruiken.

GEBOGEN GAFFEL of FRIESE GAFFEL
:
gaffel met een gebogen gaffelhout, vloeiend overgaand in de klauw.
KROMME GAFFEL
:
gaffel waarvan het gaffelhout gebogen is, maar waar de klauw met een knik op aansluit.
RECHTE GAFFEL
:
gaffel met een recht gaffelhout, waar de klauw met een knik op aansluit, vaak ook een combinatie van een recht gaffelhout en een gaffelschoen.
STAANDE GAFFEL
:
lange zware rechte gaffel, die slechts moeilijk gestreken kan worden. Meestal voorzien van gaarden en geschikt om als laadboom gebruikt te worden. Tot in de negentiende eeuw in gebruik geweest.
strijkende gaffel
:
gaffel, die langs de mast omhoog en naar beneden gehaald kan worden. Sinds begin 19de eeuw de meest gebruikte vorm.
Zie ook: Drentse gaffel.

2> gaffelklauw.





~gaffelaar:
oude term voor een willekeurig vaartuig met een grootzeil met staande gaffel.




~gaffeleind: zie gaffelklauw.




~gaffelgaarde, gaffelgei, geilijn, gaarde, vanglijn, gei:
geitouw aan de nok van de gaffel.
Gaffelgaarden werden gebruikt om bij tuigages met een staande gaffel de gaffel in bedwang te houden. De staande gaffels waren over het algemeen namelijk veel langer dan de strijkende gaffels. Ook in de begin periode van de strijkende gaffel, waren de gaffels soms dermate lang, dat men een gaffelgaarde noodzakelijk achte.




~gaffelgei:
zie gaffelgaarde.




~gaffelgiek:
giek, die niet met een zwaanshals of lummel aan de mast of knecht zit, maar met een gaffel(1) tegen de mast rust.





~gaffelgrootzeil:
een gaffelzeil, als grootzeil.








~gaffelhout:
1> het niet gevorkte gedeelte van de gaffel(2).
2> een (rechte) gaffel, die scharnierend aan de mast of aan een gaffelschoen bevestigd is.




~Gaffelkaag, Gaffelschip:
laat type Kaag met gaffeltuig.





~gaffelklauw, gaffeleind, klauw, bek:
vorkvormig uiteinde van een gaffel.
Eigenlijk een dubbelzegging, omdat zowel gaffel als klauw al op het vorkvormig uiteinde betrekking hebben.





~gaffellijn: paternoster.




~gaffelrak:
zie paternoster.




~Gaffelschip:
algemene naam voor schepen met een gaffeltuig, maar van een type dat oorspronkelijk een sprietzeil voerde. [A>] Ondermeer gebruikt voor de Schuit(4) en de Kaag. Zie ook gaffelschuit, gaffelaar.





~gaffelschoen, gaffelslof, klauwschoen, klauwslof, schoen, slof:
gebogen metalen plaat aan het mast-uiteinde van een gaffelhout(2).





~Gaffelschuit, Gaffelschip:
type Schuit(4) met gaffeltuig.




~gaffelslof: gaffelschoen.





~gaffeltopzeil, vlieger:
driehoekig langsscheepszeil zeil dat boven de gaffel gevoerd kon worden.




~gaffeltouwtje: gaffelrak.




~gaffeltuig:
tuigage met een gaffelzeil als grootzeil. Ook bezaan genoemd.




~gaffelval:
val waarmee de gaffel en dus het grootzeil op kleinere vaartuigen gehesen wordt. Op grotere vaartuigen zijn hiervoor twee vallen, de klauwval en de piekeval nodig.





~gaffelzeil, bezaan:
vierhoekig langsscheepszeil waarvan het bovenlijk aan een gaffel en het voorlijk aan de mast bevestigd is.[A>]
De oudste vorm van het gaffelzeil was het zeil met staande gaffel. Deze gaffel was een vrij zware boom, die slechts met moeite gestreken kon worden. Zeil minderen deed men door te geien. Men voer het zeil zonder giek. De staande gaffel is in de 17de eeuw voor schepen op ruim water in zwang gekomen.
Een iets latere ontwikkeling was de strijkende of vallende gaffel. Een kortere en veel lichtere boom dan de staande en bovendien van dek af makkelijk te strijken. In vroeger tijd vaak zonder giek, maar later voornamelijk met giek en losse broek gevaren. De strijkende gaffel verdrong in de eerste helft van de 19de eeuw de staande gaffel en het sprietzeil bijna geheel en is daarna tot het einde van het zeiltijdperk het belangrijkste grootzeil gebleven.

Gerelateerde termen: tophoek/nok, klauwhoek, hals, schoothoek, voorlijk, onderlijk, achterlijk, bovenlijk, broek.





~galg:
1> algemene term voor een (zware) constructie waar iets aan opgehangen is.

2> In de zuidelijke Nederlanden gebezigde term voor knecht.

3> uithouder:
draaibare metalen constructie aan de masttop waaraan een blok opgehangen kan worden.
Over het algemeen is men niet erg consequent in de naamgeving van de verschillende soorten ophangingen van blokken. Het was moeilijk te bepalen wat het meest gebruikt voor wat of wat het meest juiste was. De term 'hanger' is de verzamelnaam voor diverse soorten ophangingen.

Gerelateerde termen: hanepoot, kraaiepoot, hanger.





~galei:
vrij groot, geroeid vaartuig. Tot in de zeventiende eeuw, voornamelijk door toezichthoudende overheidsdiensten, in gebruik geweest.




~galeiwerf:
scheepswerf waar galeiën gebouwd werden.




~galen:
(niet voldoende bekend) soort net dat voor de haring of ansjovisvangst gebruikt werd.





~Galgewater:
zie bij Oude Rijn(2).




~galjoen:
voor de voorsteven geplaatste, opengewerkte, uitbouw op sommige oude scheepstypes. Voornamelijk bij schepen voor de buitenvaart en bij Statenjachten.




~gang:
1> strook, huidgang: stroken staal of houten planken, waarmee de scheepshuid gevormd wordt.
EEN VERLOREN GANG
: een gang, die niet tot de stevens toe doorloopt. Vergelijk: insteker.
2> omschakelbare versnelling (eigenlijk vertraging), bij bijvoorbeeld een ankerlier.
3> een slag bij het laveren.
4> een laag turven.
5> tijdens het bomen: éénmaal van voor, naar achter, en weer terug, gelopen hebbend.





~gangboord, boordgang, legwaring, langswaring, waring:
beloopbaar (gedeelte van het) dek langs de zijden van een schip.[A>.]
gangboorden spoelen
: tijdens het zeilen zo scheef gaan dan het water in het gangboord komt of zo diep geladen zijn, dat de gangboorden bijna continu onder water liggen.




~gangboordbolder, gangboordsbolder:
in het gangboord geplaatste bolder. Vergelijk: middenbolder.





~gangboordplaat:
stringerplaat in het gangboord.





~gangboordtrap, gangboordstrap:
zie buitenboordtrap.





~ganghandel:
1> handel waarmee men, op o.a. anker- en draadlieren, een andere vertraging kiest. [A>
De ganghandel op handankerlieren is een eenvoudige hefboom met aan het uiteinde een vork die met twee pennen in een groef die tegen het rondsel zit grijpt. Het draaipunt van de handel ligt iets boven de vork.
Niet alle lieren met meerdere vertragingen hadden ganghandels. De rondsels moesten dan gewoon met de hand heen en weer geschoven worden. Meestal waren er dan wel pallen aangebracht, die er voor moesten zorgen dat de rondsels niet ongewild in of uit het andere tandwiel schoven.


2> soms gebruikt voor de koppelingshandel, waarmee men kleine motoren aan lieren e.d. koppelt en waarmee dus het lier in gang gezet wordt.




~gangspil:
grote vertikale spil, meestal door meerdere personen tegelijk  bewogen. Voornamelijk op zeeschepen en op drijvende werktuigen toegepast. Zie ook: kaapstander.




~gangway:
Engels voor ondermeer het gangboord. In Nederland voornamelijk gebruikt voor opgangen naar hefstuurhuizen of aanverwante constructies. Men zou het ook een loopbrug kunnen noemen.




~gapen:
het door uitdroging opentrekken van breeuwnaden.




~garde:
zie bij plonsstok.





~Gardner:
Engels merk dieselmotor. Als scheepsdiesel werd dit merk voornamelijk bekend door de in licentie door Kromhout gebouwde snellopers.




~gareel:
1>
greelband.
2> talreep van de greelband.




~garen:
dun touw, dat gevormd is door vezels te twijnen en één maal te slaan.




~garenstopper:
door het marlen van een bundel dunne lijnen gevormde stopper.




~garenstrop:
door het marlen van een bundel dunne lijnen gevormde strop.





~garnaalknots:
scheepje van het type Knots dat voor de garnalenvisserij gebruikt wordt.
[E> Op Zeelandnet]





~garnalenkotter:
eigenlijk een kotter, die op garnalen vist,  maar sinds het woord in gebruik is, is 'kotter' eigenlijk meer een algemene aanduiding voor een visserschip geworden en heeft het met het scheepstype kotter weinig meer te maken.




~garnalenvangst:
het vangen van garnalen, de garnalenvisserij.




~garnalenvisser:
1> vissersvaartuig uitgerust om garnalen te vangen. Zie ook garnalenkotter.  [A>]
2> een schipper op een ganalenvisser(1).




~garnalenvisserij:
het 'vissen' van garnalen.




~garneren:
het aanbrengen van een tijdelijke wegering bestaande uit zeildoek vastgezet met latten.




~gas:
het gas
: algemene benaming voor de inrichting waarmee men het gewenste toerental van een motor instelt.
Gerelateerde termen: gashandel, manette, gasspindel.




~gasboei:
1> verlicht, drijvend baken waarbij men voor de verlichting gebruik maakt van gas.
2> meerboei, die ten behoeve van het ontgassen van tankers gelegd is.





~gasbun:
watersportterm, voor iets wat geen bun is, maar een gasherft, gaskast of gaskist genoemd zou moeten worden.





~gasdroger:
onderdeel van een gasgenerator. Ruimte waarin nog in het gas aanwezig waterdamp uit het gas verwijderd wordt. Vaak is de gasdroger een deel van de gaskoeler-reiniger en wordt droging verkregen doordat het gas verder afgekoeld raakt.  Soms echter is het een zelfstandig onderdeel en wordt de droging verkregen door houtwol in de koeler. Soms wordt er na een koeler-reiniger met interne droger nog een extra en dus met houtwol gevulde droger geplaatst. Men spreekt dan wel van een nadroger.





~gasgenerator, gasinstallatie:
installatie, al dan niet met alle toebehoren, waarmee men uit vaste brandstoffen, gas wint.

Gasgeneratoren zijn in de binnenvaart niet populair geweest, alleen tegen het einde van de tweede wereldoorlog, toen vloeibare brandstoffen zeer schaars werden, zijn een aantal schepen van een dergelijke installatie voorzien. Gasgeneratoren werden door diverse bedrijven, o.a. Deutz, HaEs, Kromhout en Nijhuis, gemaakt.
Men maakt onderscheid tussen zuiggasgeneratoren, waarbij de zuiggasmotor voor voldoende trek moet zorgen, en gewone generatoren, die voor dat doel voorzien zijn van een ventilator en met een gewone gasmotor werken.
Verder onderscheiden gasgeneratoren zich ondermeer in wijze van vergassing; opwaartse, neerwaartse of dwarsvergassing.

De productie van het generatorgas vindt plaats in de brandstofvergasser, daarna wordt het gas gereinigd en gekoeld, om vervolgens via een buffertank naar de gasmotor geleid te worden. (Zie tekening bij gasinstallatie.)
Veel van de bezwaren, die men bij toepassing van de gasgenerator bij het autoverkeer ondervond, had men bij de scheepvaart niet. Men beschikte over voldoende water voor de koeling en reiniging van gas, de installatie werd meestal langdurig in de zelfde mate belast, waardoor het eenvoudiger was de gasproductie daarop af te stemmen en het belangrijkste: de tot gas omgebouwde oliemotoren bleven nagenoeg het zelfde vermogen leveren.

Gerelateerde termen: brandstofvergasser, generatorgas, buffervat, draairooster, cycloon, stofbunker, gaskoeler, gasreiniger, slakkenploeg, brandstofkolf.




~gashandel, manette:
toerentalverstelinrichting, waarbij van een kleine hefboom gebruik gemaakt wordt. [A>] Vaak kortweg 'het gas' genoemd.
Verwante term: gasspindel.




~gasherft:
binnen de den gelegen ruimte waarin gasflessen opgesteld zijn.





~gasinstallatie:
1> de leidingen, drukregulatoren, kranen, schotdoorvoeren, e.d. en ook eventueel vast aangesloten verbruikers,die met de  'gasflessen' gekoppeld zijn.

2> de gasgenerator met toebehoren.





~gaskast:
in- of aangebouwde stalen kast, waarin gasflessen opgesteld zijn. [A>]





~gaskist:
op het dek geplaatste afsluitbare constructie, waarin gasflessen opgesteld zijn.[A> +tekst.]





~gaskoeler, koeler, condensator, scrubber:
onderdeel van een gasgenerator, dat het hete gas koelt en daardoor van aanwezige vluchtige verontreinigen ontdoet.
Men maakt onderscheidt tussen natte en droge koelers. Bij de natte koelers, ook koeler-reinigers genoemd, wordt er water in de hete gasstroom gebracht. Deze gaskoelers fungeren meteen als stofreiniger waardoor een cycloon overbodig wordt. De natte koelers onderscheiden zich weer door koeler-reinigers, die het gas door waterschermen of nevels leiden en koeler-reinigers waarbij het gas door een, constant met water besproeit, filtermateriaal geleid wordt. Dat filtermateriaal is meestal de cokes of antraciet, wat ook als brandstof gebruikt wordt. Het gebruikte koelwater, inclusief stof en teer, wordt via een waterslot buitenboord afgevoerd. De natte koeler-reinigers hebben een in- of aangebouwde gasdroger, waarin het gas van de aanwezige waterdamp ontdaan wordt.  
Droge koelers worden meestal wel met water gekoeld, maar het koelwater komt niet in direct contact met gas. Aangezien het meeste stof door de cycloon wordt afgescheiden en er geen water bij de gasstroom komt, is er geen afvoer met waterslot aanwezig.





~gaskoeler-reiniger:
Zie bij gaskoeler.




~gasmotor:
1> motor, die gasvormige brandstof gebruikt.
Men maakt onderscheidt tussen vol-gasmotoren, deze gebruiken een electrische ontsteking, en olie-gasmotoren, die een kleine hoeveelheid vloeibare brandstof voor de ontsteking gebruiken. Tevens kan men onderscheid maken tussen zuiggasmotoren en niet zuiggasmotoren. De motoren werden, behalve tijdens de tweede wereldoorlog, aan boord van binnenvaartschepen zelden gebruikt.
Sommige volgasmotoren startten normaal op olie en worden zodra de gasgenerator voldoende gas levert op gas overgeschakeld. Sommige olie-gasmotoren draaien stationair volledig op olie en gebruiken dan geen gas. Het te veel aan gas laat men gewoon ontsnappen.

Gerelateerde termen: trompet, gassluis, gasgenerator, draairooster, cycloon, enz.

2> voorkamermotor: dieselmotor met voorkamer, dit is tevens een motor met gasverstuiving.




~gasolie:
gebruikelijke naam voor de dieselolie, die door de beroepsvaart gebruikt wordt.





~gasolietoeslag:
@nog niet bekend.
Gerelateerde term: brandstoftoeslag.





~gaspomp:
onderdeel van een gasgenerator welke in combinatie met een niet-zuiggasmotor moet werken. Pomp/ventilator waarmee het, in de generator geproduceerde, gas naar de motor gepompt wordt.





~gasreiniger, reiniger:
toestel dat gebruikt wordt bij gasgeneratoren. Meestal wordt er voor het reinigen gebruik gemaakt van water, dat het hete gas koelt en daarom meestal gaskoeler genoemd.
Droge reinigers maakten vaak gebruik van een sterk circulerende gasstroom en werden cycloon genoemd.





~gasssluis:
onderdeel van een gasmotor. Gassluizen werden toegepast op 2takt-zuiggasmotoren waar de druk in het carter gebruikt werd om het gas aan te zuigen. Het brandbare gas mag namelijk niet in het carter komen. De onderdruk in het carter wordt daarom gebruikt om het gas in een soort buffervat, de gassluis, te zuigen, waarna de carteroverdruk het gas in de verbrandingsruimte perst
Dit systeem van ombouw tot gasmotor werd het eerst door de firma Heesen te Amsterdam, naar aanwijzingen van de Commissie voor Inbouw van Gasgeneratoren in Voertuigen toegepast.





~gasspindel:
toerentalverstelinrichting, bestaande uit een 'wiel' met daaraan wormas waarom heen een blok, dat door het draaien van het wiel op en neer bewogen wordt. Het blok is verbonden met een kabel of overbrenging die dan de brandstofpompen op de motor bedient. De gasspindel werd vooral in combinatie met langzaamlopers toegepast. Kortweg vaak 'het gas' genoemd.
[A> Aanverwante afbeeldingen]
Verwante term: gashandel, manette.





~gastankbak, gastankduwbak:
duwbak ingericht voor het vervoer van vloeibaar gas.




~gastanker, gastankschip:
tankschip speciaal gebouwd voor het vervoer van vloeibaar gas. [A>]




~gastanker:
rederij, die uitsluitend met gastankschepen vaart.





~gasverstuiving:
inspuitsysteem bij dieselmotoren waarbij de verstuiver door één opening de brandstof in de voorkamer, wervelkamer of verbrandingsruimte spuit. Gasverstuiving werkt met drukken tot 150 atm. Zie ook: drukverstuiving
Bij inspuiting in de verbrandingsruimte zelf is de bovenkant van de zuiger dikwijls zo gevormd dat er een werveling ontstaat. Bij inspuiting in een wervelkamer zorgt deze kamer voor een goede menging van brandstof en verbrandingslucht. Bij inspuiting in een voorkamer ontstaat er in de voorkamer een vermenging met een kleine hoeveelheid lucht, die tijdens de compressieslag de kamer binnengedrongen is. De hitte in de voorkamer zorgt voor de ontsteking van de brandstof. Deze ontbranding perst het resterende mengsel in de verbrandingsruimte.





~gat:
1> doorvaart tussen twee meren.
2> zeegat: doorvaart naar zee.





~gatstoemper:
zie opdrukker.



~gau:
zie gouw.




~gebbe:
viswerktuig. Groot schepnet met driehoekige vorm, meestal gebruikt voor het vangen van aasvisjes (kleine witvis).




~gebekt:
voltooid deel woord van bekken. Zie aldaar.





~gebendseld:
Germanisme van gebindseld.





~gebindseld, gebendseld:
door een bindsel met elkaar verbonden.
GEBINDSELD OOG / LUS
:
oog of lus gevormd door de tamp of het halende part tegen het staande part te bindselen.





~gebint: bint.




~geboeid:
GEBOEID LIGGEN/ZITTEN
: met een schip op een ondiepte vast geraakt zijn.




~gebritteld:
1> van strangen: in de brittelhaak gehangen zijn.
2> van schepen: door middel van een brittelhaak met de strangen van de achterliggende schepen verbonden zijn:




~gedekt :
1> bedekt: bij vaaruigen: van dekken en of gangboorden voorzien.
2> bij een stuurstand: van een dak voorzien.
Zie verder bij: dekken.





~gedekte Somp:
zie onder Somp.





~geer:
1> gilling: inname van een kleed van een zeil, om het zeil de juiste snit te geven.
2> verlengde van een vlakgang, die bij de stevens in een punt uitloopt.




~geerd:
1> neerboord, onderboord, geerde:
gedeelte van de romp tussen berghout en vlak bij onder meer de Schokker.
2> gaarde.




~geerde:
1> zandboord, geerd, kimgang:
eerste gang boven de kim.
2>gaarde.




~geering:
Zie gering.




~geerstuk:
Zie gering.





~geeuw:
zie bij gouw.




~gehaald:
zie bij geveegd.




~gehout:
dusdanig geschilderd dat het hout lijkt.




~gei:
1> giek.
2> gaffelgei.
3> achter-boven-hoek, de nok, van een gaffelzeil.




~geien:
1>
het verkleinen van het effectieve zeiloppervlak door één of meerdere lijken, naar een ander lijk te trekken.
a>
bij razeilen: het onderlijk richting ra.
b>
bij een sprietzeil: achterlijk richting bovenlijk en mast (voorlijk). Hier meer een vorm van opdoeken, dan van zeil minderen.
c> bij een gaffelzeil met strijkende gaffel: het vieren van de piekeval, waardoor de gaffel, dus het bovenlijk, tegen de mast, dus het voorlijk, komt te liggen. Hetgeen sommigen katten of als de zeilen daarbij niet vastgezet worden, afpieken of afnokken, noemen.
e> bij een gaffelzeil met staande gaffel: het achterlijk richting bovenlijk en mast trekken.

2> het, met de gaffelgei, in bedwang houden van de gaffel.








~geifok:
kleine fok.




~geilijn: geitouw.




~gein:
1> geen, genne, gene, keen, keene: natuurlijk water.
2> zie gijn.




~geirol:
horizontale spil, naast de mast, waarmee de geitouwen aangetrokken konden worden.




~geitouw:
1> geilijn: gaffelgei.
2> onjuiste naam voor katteval.




~gek, gekko, schoorsteengek:
draaibare, schuine afdekking, boven een kachelpijp, die de gesloten kant naar de wind gedraaid houdt, waardoor niet alleen het inregenen wordt voorkomen, maar waardoor tevens de kacheltrek verbetert.[A>]




~gekapseisd:
door de druk in de zeilen omgeslagen, gekenterd(1), zijn.




~gekenterd:
1> van een schip: 90 graden of meer slagzij hebbend.
2> van het tij: van eb in vloed, of van vloed in eb, veranderd zijn.




~gekield:
van een kielbalk voorzien.




~gekko: gek.




~geklonken:
door middel van klinken samengevoegd.




~geklopt:
van staal: door rondkloppen in vorm gebracht.





~geknepen:
van (vol gebouwde) achterschepen: naar ondertoe niet langer bijna haaks maar onder een steeds scherper wordende hoek tegen de achterstevenbalk aansluitend.




~gekoppeld:
GEKOPPELD VAREN
: zie bij varen.
GEKOPPELD SLEPEN
: zie bij slepen.
gekoppeld samenstel
: onder andere in het Binnenvaartpolitiereglement van 1 juli 2009 gebruikt begrip waarmee een verband van vaartuigen waarbij van gekoppeld slepen sprake is, aangeduid wordt.
In het algemeen zal het gaan om een motorvaartuig (een duwschip), dat een duwsleepschip of duwbak, langzij meevoert. Zoals wel vaker tegenwoordig in de Nederlandse wetgeving is de naamgeving ongelukkig gekozen. Beide woorden betekenen hetzelfde en geven geen enkele hint naar de wijze waarop er samengesteld of gekoppeld is.

Zie ook: koppelen, boegenvulstuk.




~geladen:
van lading voorzien.




~Gelderse Kaag:
type Kaag, echter vierkanter gebouwd, dus met meer laadvermogen bij gelijke maten.




~Gelderse samoreus:
soort Samoreus, echter lichter van bouw.




~geleidebaken, geleide baken, bolbaken:
één van de twee, op één lijn, geplaatste bakens, meestal lichten, waarmee de ligging van de vaargeul aangeven wordt. Beide lichten staan exact in het verlengde van de vaargeul.
Het voorste (het dichtst bij het vaarwater geplaatste) licht wordt het vaste licht genoemd. De achterste de de loper.
Wanneer men in het donker door de vaargeul wenst te varen dan koerst men dusdanig dat beide lichten precies boven elkaar staan. Zodra men van de koers afwijkt, ziet men de lichten niet meer recht boven elkaar. Staat het bovenste licht rechts ten opzichte van het onderste dan zit men rechts van de vaargeul, staat het bovenste links, dan zit men ook links van de vaargeul. Het komt voor dat er slechts aan één eind van de vaargeul dergelijke lichten staan. De schippers van de schepen die zich van de lichten verwijderen, moeten dus geregeld achterom kijken of zij nogwel op koers liggen.





~geleidelicht:
één van de twee, achter elkaar op één lijn geplaatste, lichtbakens, waarmee de ligging van de vaargeul aangeven wordt. Zie verder bij geleidebaken.




~geleidelijn:
denkbeeldige lijn tussen of in het verlengde van, twee geleidebakens of -lichten.





~geleidewerk:
houten, soms ook stalen, constructie die sluishoofden, pijlers van bruggen, enz. tegen aanvaringen moet beschermen. [A>]
Een geleide werk wordt vaak remmingwerk genoemd en het komt ook geregeld voor dat beide functies in één constructie verenigd zijn. Toch behoort men korte remmingen eigenlijk 'geleidewerk' te noemen.




~gelijklastig:
ongeveer horizontaal liggend. Een gelijklastig schip ligt noch voorover, noch achterover; het heeft noch koplast, noch achterlast.




~geluidssein, geluidssignaal, navigatiegeluid:
sein dat men met de scheepshoorn, stoomfluit of de scheepsbel moet of mag geven.




~geluidssignaal: geluidssein.




~geluikt:
van een luikenkap voorzien.




~gemeerd:
direct of indirect aan de oever vastgemaakt.




~generator:
1> verkorting van generatorset.
2> verkorting van gasgenerator.




~generatorgas, krachtgas:
het door een gasgenerator geleverde gas.




~generatorhout:
hout dat gebruikt werd om houtgenratoren te voeden. Helaas is me niet bekend welke houtsoorten de voorkeur hadden, wel wordt verteld dat ongeveer vuistgrote blokken veelal de voorkeur hadden. Het hout moest tevens schoon en luchtdroog zijn.



~generatorkamer:
ruimte in of op het schip waarin hulpmotoren (bijv. een aggregaat of generatorset) opgesteld staan. Zie ook: pompkamer.




~generatorset, generator:
mechanisch samenstel waarmee electriciteit, meestal 220/240V wisselspanning, opgewekt wordt
Zie verder bij aggregaat.




~genua:
soort fok waarvan de schoothoek tot achter de zijstagen reikt. (Werd in de beroepsvaart niet gebruikt.)




~gepavoiseerd:
feestelijk met vlaggen versierd.




~gepiekt:
met een, bij de kiel of kielbalk, naar beneden buigend vlak.[A>]




~gepotdekseld:
van een dek: gelijk met het bovenboord liggend en dus aan de potdeksel vast gezet.




~geraamte:
een schip in aanbouw waarbij de huid nog niet aangebracht is.




~gering:
1> geering, geerstuk: een bovenste of onderste gang, die bij de ene steven begint en niet tot de andere steven doorloopt. Geeringen liggen, integenstelling tot instekers, niet tussen doorlopende gangen in.
2> de mate waarin de kleden of banen van een zeil smaller worden.




~gesausd:
1> van schilderwerk: dusdanig beschilderd dat het blank hout lijkt.
2> van drinkwatertanks: inwendig van een laag cement voorzien.





~gestropt:
door een strop omgeven.
GESTROPT BLOK
: een blok met daar strak omheen een touw.
Gestropte blokken werden tot het eind van de 19de eeuw veelvuldig gebruikt. Voor de meeste blokken was het gebruikelijk dat ze omgeven werden door een beetje ruime grommer. Aan de bovenzijde kwam een bindsel waardoor niet alleen de grommer strak rond het blok kwam te liggen, maar er tevens een oog gevormd werd waaraan het blok opgehangen werd. Bij staartblokken wordt de strop gevormd door een nauwsluitend gesplitste lus. Jufferblokken e.d. werden direct aan de stag bevestigd, door deze er strak omheen te nemen en vervolgens te bindselen. Ook waren er blokken met twee grommers en nog diverse andere variaties.






~getaand:
met taan behandeld.




~getakeld:
1> met een takel gehesen.
2> eigenlijk: van takelage voorzien, maar vaker gebruikt in de zin van opgetuigd.
3>betakeld.




~geteerd:
1> van staal of hout: van een laag teer voorzien.
2> van touw: met bruine teer of taan geïmpregneerd.




~getijde, getij, tij:
het variëren van de waterstand van grote wateroppervlaktes, door de invloed van maan en zon.




~getijdehaven, tijhaven:
haven waar de invloed van eb en vloed duidelijk merkbaar is. Vergelijk: vloedhaven.




~getijdepaal, vloedpaal:
meerpaal, die zowat tegen de kade van getijde havens geplaatst is.[A>] Zie ook: vloeipaal.




~getijdesluis, getijsluis, tijsluis:
1> sluis, die alleen gedurende bepaalde getijstanden in gebruik is.
Meestal is een dergelijke sluis alleen tussen een paar uur voor en na hoogwater bruikbaar. De oorzaak hiervan ligt in het feit dat het goedkoper is om een sluis te maken die niet diep is, dan één die wel diep is. De diepte van een sluis op getijde water wordt bepaald door de toegelaten diepgang der schepen, plus het verschil tussen de hoge en lage waterstand. Door de sluis nu alleen gedurende een periode rond hoogwater te gebruiken is het verschil tussen de hoogste en laagste waterstand aanmerkelijk minder.


2> Soms abusievelijk gebruikt voor een zeesluis.




~getijdetafel: getijtafel.




~getijdevlot: getijvlot.




~getijdewater:
water waarop eb en vloed heersen.




~getijdewerf:
1> Oorspronkelijk werf, die het getij gebruikte om schepen droog te kunnen zetten.
2> Werf met dwarshelling, dit type helling is aan getijde water het meest gebruikt en ook omdat het voor veel echte getijdewerven, dit het typehelling dat zich het beste paste op het terrein.
Gerelaterde termen: banken, zaat, kuisbank.





~getijsluis: getijdesluis.




~getijtafel, getijdetafel, tijtafel, almanak:
boekje met tabellen, waarin de tijden van hoogwater, voor diverse getijde havens gegeven is.




~getijvlot, getijdevlot:
vlot(2) dat als drijvende steiger in een getijdehaven fungeert.




~getild:
van het vlak: naar een uiteinde toe oplopend. Zie ook: opgekimd.




~getopt:
zover mogelijk omhoog gehaald.





~getuigd:
1> opgetuigd: van tuigage voorzien.
Gerelateerde termen: tuigage, langsscheepsgetuigd, dwarscheepsgetuigd.

VIERKANT GETUIGD
: met dwarsscheepse zeilen getuigd.
2> met gehesen zeilen.



Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken