banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst F



~fabriekslucht:
in handelsflessen verkrijgbare gecomprimeerde lucht, welke als startlucht voor langzaamlopers gebruikt wordt.




~Fallaatster:
skūtsje gebouwd bij J.O. van der Werff te Buitenst Verlaat (Drachten).




~fanaal:
oude, nauwelijks gebruikte, term voor een navigatielicht of een licht van een lichtbaken.




~Fanny:
bepaalde maat Zalmdrijver (6,2 x 1,8).




~Fast Ferry: (bedrijfsnaam)
1> onderneming, die, met zeer snelle schepen, een soort lijndiensten onderhoudt in de omgeving R'dam-Dordrecht.
2> waterbus: de schepen van deze en soortgelijke ondernemingen. [A>]




~feestvlag:
de natievlag op groot formaat, vaak aan de randen versierd en met in de witte baan een, op het vaartuig, bedrijf of de schipper toepasselijke, versiering of tekst.





~fender
van het Engelse woord fend-off, wat kurkezak, wrijfworst of stootmat betekent. Tegenwoordig bedoelt men er vaak een vaste constructie van 'rubber' aan voor- en achtersteven van sleepboten, langs steigers, op berghouten e.d. mee. [A>]





~ferrytuig: ferrietuig.





~ferrietuig, ferrytuig:
vierhoekig langsscheepszeil gelijkend op het sprietzeil. De spriettalie is echter aan de nok, i.p.v. aan het midden van de spriet bevestigd.




~feter:
ongebruikelijke schrijfwijze voor veter.





~fietserspontje:
zie fietspontje.





~fietspad:
Het fietspad
: zie bij Nederrijn.





~fietspontje, fietserspontje, fietsveer:
voetveer dat geschikt is om tweewielers te vervoeren.




~fietsveer: fietspontje.




~fietsvoetveer:
overzetdienst, die alleen voetgangers en (brom of snor)fietsen vervoert. Door velen gewoon voetgangerspontje genoemd.




~fijnmazig, kleinmazig:
van visnetten: met mazen van geringe afmeting. Netten met grote mazen noemt men wijdmazig of grofmazig.





~film:
1> dun kunststof vlies, dat, na bepaalde bewerkingen, gebruikt wordt voor het slaan van touw.

2> dunne laag olie, teer, verf, o.i.d. op het water.





~filterplaatje:
onderdeel van een plaatfilter.




~firmaboot:
zie rederijsleepboot.




~fishtailrudder:
Engels voor vissestaartroer.





~fit:
houten priem. Vroeger een belangrijk stuk gereedschap bij het maken van zeilen en het leggen van splitsen.
Gerelateerde termen: marlspijker, marlpriem, splitsijzer, splitshoorn.





~fjouweracht:
Een Tjotter met een lengte van 4,8m en een breedte van 2,2-2,4 meter. De naam is ontleend aan de oude maatgeving te weten 4 el, 8 palmen.




~flambouwen:
Zie stakelen.



~flankingroer:
1> backingroer: bijna altijd paarsgewijs aangebrachte roeren, die vlak VOOR de schroef staan en dus vooral bij het achteruitvaren effectief zijn.
2> soms, ten onrechte gebruikt voor roeren, die meer naast dan achter de schroef staan en in combinatie met het roer dat midden achter de schroef staat werken.




~flaproer: Beckerroer.




~flauw: lijgierig.




~flauwe koelte: windkracht 2.




~flauw en stil: windkracht 1.





~flessegas, flessengas:
propaan- of butaangas in stalen 'flessen', meestal met een nettoinhoud van ca. 12 kg.
Pas na WOII begon het gebruik van 'butagas' aan boord van binnenvaartschepen een beetje populair te worden. In eerste instantie werd het gas voornamelijk gebruikt voor de verlichting van enkele vertrekken (meestal alleen het woongedeelte en de eventuele keuken). Later gaat men het gas in toenemende maten ook als kookgas gebruiken. In de jaren '60 gaat men er op steeds meer schepen toe over om propaan in plaats van butaangas te gebruiken. Gasverlichting begint dan inmiddels tot het verleden te behoren.





~Flettnerroer:
type roer, dat in de binnenvaart zelden gebruikt is. Het roer had aan de achterzijde een kleine flap, bij draaiing van het roer draaide deze flap in tegengestelde richting (dus niet zoals het Beckerroer). Het langs stromende water zorgde voor een druk op dit blad en hielp op die wijze het echte roerblad te draaien. Het heeft echter bij grote roeruitslagen nauwelijks nog effect, terwijl het de stroming langs het blad wel verstoort en de gehele constructie van het roer een stuk ingewikkelder, dus onderhouds onvriendelijker maakt.





~flexibele koppeling:
met staaldraad gewapende 'rubberen' schijf, die als verbinding tussen twee draaiende delen gebruikt wordt. [T> Schroeven.] [A>]





~flikkerlicht:
lichtbaken met een bepaald lichtkarakter.





~flint, vaarboomklauw :
1> driehoekig plankje met uitstekende hoek aan het eind van een vaarboom.
De schrijfwijze VLINT die in het WNT genoemd wordt, heeft geen betrekking op het woord in deze betekenis!


2> mogelijk ook gebruikt als benaming voor een stalen punt aan het ondereind van de vaarboom, in welk geval het driehoekige plankje een vaarboomklauw genoemd wordt.




~Flora:
aanduiding voor een roerbeeld een vrouwenhoofd voorstellende. In eerste instantie alleen gebruikt voor voorstellingen van de Griekse godin, later voor elk vrouwenhoofd. Het hoofd was meestal getooid met een breedgerande hoed waarop vruchten of bloemen prijkten.




~flouw:
zie vlouw.





~F.M.H., Friesche Maatschappij tot onderlinge verzekering van schepen, Heerenveen:
Onderlinge, opgericht in 1837. In 1999 na een fusie met de Eensgezindheid opgegaan in de E.F.M.




~F.O.N.V., Federatie van Oud Nederlandse Vaartuigen:
overkoepelend orgaan waarin een aantal behoudsorganisaties verenigd zijn. [E>]






~fok, fokkezeil, stagfok
driehoekig langsscheepszeil direct voor de voorste mast. [U>]

MET DE FOK TE LOEVERT VAREN
: eventueel door middel van de fokkeloet, de fok, naar de andere kant, dan waar de giek naar toe uitstaat, varen.
DE FOK BAK HOUDEN
:  de 'achterkant' van de fok naar de wind gekeerd houden.
MET DE FOK ACHTER DE MAST VAREN
: het rustig aan doen. Men hees soms de fok op de plaats van het grootzeil, wanneer men het de moeite niet vond het veel zwaardere grootzeil te hijsen of wanneer men daarvoor (tijdelijk) niet over de nodige mankracht beschikte.
VLIEGENDE FOK
: fok waarvan het voorlijk niet met een stag verbonden is. (Kwam bij de beroepsvaart niet veel voor.)
Zie ook Drentse fok.





~fokkeboom: een fokkeloet of fokkegiek.





~fokkegaffel:
constructie, die de plaats van de tophoek van de fok in neemt. Vroeger een kort rondhout met spruit, later een breed uitlopende zeilkous of stalen beugel. Zie ook Drentse fok.





~fokkegiek, fokkeboom:
rondhout langs het onderlijk van een boomfok. (Tegenwoordig op charterschepen geregeld, vroeger echter zeer zelden, gebruikt.)




~fokkehals, fokkezeilhals:
Tegenwoordig fokkenhals en fokkenzeilhals. Belachelijk!

de voor-onder hoek van de fok.



~ fokkehuik, fokkekleed:
Tegenwoordig fokkenhuik
.
huik voor de fok.




~fokke-ijzer:
Tegenwoordig fokkenijzer
.
onbekende term voor opsteker.



~fokkekleed: fokkehuik.




~fokkeloet, loet, fokkeboom, fokkestutter, fokuitzetter, bakspier
Tegenwoordig schrijft men fokken.......
.
rondhout waarmee de fok uitgeboomd kan worden.





~fokkeluiwagen, fokkeschootoverloop :
Tegenwoordig fokkenluiwagen en fokkenschootoverloop
.
luiwagen voor de fokkeschoot. Meestal kortweg luiwagen of overloop genoemd.





~fokkemaat, fokkenist:
Tegenwoordig fokkenmaat, maar wel gewoon fokkenist
.
bemanningslid, die de fokkeschoot bediend.





~fokkemast:
term uit de zeevaart, waarmee de mast waaraan de fok gehesen wordt, aangeduid wordt. In de binnenvaart is er meestal maar één mast, dus spreekt men van 'mast'. Indien er twee masten zijn wordt de voorste mast meestal de
grote mast
genoemd.





~fokken......:
zie fokke.
Samenstellingen met fokke(n) schijnen tegenwoordig met een N geschreven dienen te worden. In de meeste teksten zult U ze echter zonder deze N tegenkomen.






~fokkenist:
watersportersterm voor fokkemaat.





~fokkeschoot :
Tegenwoordig fokkenschoot
.
1> touw waarmee de stand van de fok geregeld wordt.
2> fokkeschoottalie.

Zie ook toelichting bij schoot.





~fokkeschootblok:
Tegenwoordig fokkenschootblok
.
1> een blok van de fokkeschoot.
2> fokkeschootbovenblok.




~fokkeschootbovenblok, fokkeschootblok:
Tegenwoordig fokkenschootbovenblok
.
het blok aan de schoothoek van de fok.




~fokkeschootleioog:
Tegenwoordig fokkenschootleioog
.
klos met een gat erin, op de potdeksel van sommige kleine vaartuigen, waardoor de fokkeschoot gevoerd wordt.




~fokkeschootoverloop: fokkeluiwagen.




~fokkeschoottalie, fokkeschoot:
Tegenwoordig fokkenschoottalie
.
takel waarmee de stand van de fok geregeld wordt.




~fokkeschootval:
Tegenwoordig fokkenschootval
.
staaldraad, die vanaf een draadlier naast de mast, naar een blok in de top van de mast en vandaar naar de fokkeschoot loopt. Weinig voorkomende constructie, die slechts op enkele van de grootste zeilende vrachtschepen toegepast werd.




~fokkeschootvoetblok, luiwagenblok:
Tegenwoordig fokkenschootvoetblok
.
onderste blok van de fokkeschoottalie.




~fokkestag:
Tegenwoordig fokkenstag
.
stag waarlangs de fok gehesen en gestreken wordt. Vaak de voorstag.




~fokkestang:
Tegenwoordig fokkenstang
.
stang, die de functie van de fokkestag overneemt. Voornamelijk toegepast op Botters.




~fokkestok:
Tegenwoordig fokkenstok
.
onbekende term voor fokkeloet.




~fokkestutter: fokkeloet.




~fokuitzetter: fokkeloet.





~fokkeval:
Tegenwoordig fokkenval
.
touw of staaldraad waarmee de fok gehesen wordt.








~fokkevalblok:
Tegenwoordig fokkenvalblok
.
mastblok waardoor de fokkeval loopt.




~fokkezeil:
in onbruik geraakt synoniem voor fok.




~fokkezeilhals:
fokkehals.




~foksel:
1> Gronings? voor vooronder.
2> bemanningsverblijf onder het bakdek.




~Fox:
zie .





~
Frankrijkvaarder:
schipper of schip dat geregeld naar (Noord) Frankrijk vaart. Gerelateerde termen: spitsenvaart, vijfmeterwerk.





~Franse motor, Amerikaan, Canadier, Fransman (Fransoos) :
type vrachtschip.  Mooie welbesneden schepen. Het voorschip is vrij scherp en heeft een vooroverhellende, licht afgeronde, steven. Het achterschip heeft welwat van een spitsgat, maar dan wel sterk geveegd. Het achterschip van de kleine 'Fransman' is echter wat voller en ronder. [A> achterschip] Er zijn twee maten; het is dus een maatschip. De kleine maat 63,30 x 7,08 x 2,60 m. 720 ton, waarvan er 24 gebouwd zijn en de grote maat 73,50 x 8,16 x 2,60 m. 900ton, waarvan er  95 gebouwd zijn. Alle schepen waren uitgerust met een 480 pk Enterprise dieselmotor.
Alle schepen zijn kort na WOII, in het kader tot herstel van de Franse Rijnvaartvloot, gebouwd. Het gehele schip werd in pasklare delen, waaronder achterschepen met compleet ingerichte roeven, op Amerikaanse en Canadeese werven gebouwd. Vandaar de namen Amerikaan of in Frankrijk Canadier. Hioerna werden ze verscheept en op de Nederlandse werf 'De Biesbosch' en een drietal Franse werven geassembleerd.
[E> forum onderwerp op het binnenvaartforum.]




~Franse spits, Strasbourg spits, Straßburg spits, Straasburg spits:
Op de Belgische spits gelijkend type vaak met een soort paviljoen(2) als roef. De Franse spits heeft nog minder zeeg dan de Belgische spits; ondanks het feit dat ze als motorschip gebouwd zijn, is de kont bijna tot op de waterlijn zeer vol van bouw; het roer, de roerkoning en deels ook het roerwerk is buiten tegen de achtersteven gemonteerd. Een groot aantal zijn, als herstelbetalingsschip, kort na WOII gebouwd en waren over het algemeen van slechte kwaliteit. [A>]




~Frans-Friesemotor, Frans-Friesmotorschip:
motorschip met de lengte van de Friese maat en de breedte van de Spits, dus 31,5 x 5,05m.




~Fransman, Fransoos:
1> In de Rijnvaart bijna alle schepen, zowel vrachtschepen als sleepboten, die onder Franse vlag voeren.

2> een grote of kleine Franse motor.




~Fransoos:
zie Fransman.





~Fries aakje, visaak, Tentaak:
vissersscheepje, voor de binnenwateren, behorend tot de groep der kromstevens. Indien door Holtrop van der Zee gebouwd, ook IJlsterboot genoemd. Tussen ca. 7 en 11 meter groot. [A>]




~Fries Noord-Hollandse Stoombootmaatschappij:
in 1876 opgerichte beurtvaartonderneming (schepen: Friesland I, II, III en IV), later opgegaan in de "Nieuwe Leeuwarder Stoomboot Maatschappij". Zie ook bij Stanfries.




~Fries tjalkje:
(met de nadruk op 'je') door mij op  20-12-2007 ingevoerd begrip, waarmee de Friese tjalken, met geringe holte onderscheiden worden van de gewone Friese tjalk en het skūtsje.
Naderhand is gebleken dat dit scheepstype skūte (= fries voor schuit) of kofke genoemd dient te worden.

[S>]




~Friese aak
grote visaak (15 tot 19 meter), meestal van het type Lemmer- of Heegeraak.




~Friese boeier:
gladboordig gebouwde, fors getuigde, Boeier, die tegenwoordig als de 'standaard boeier'gezien wordt.




~Friese bok, bok:
scheepstype dat wel wat aan een Friese snik doet denken. Het is echter forser, voller en de vrij zware voorstevenbalk helt niet zo sterk voorover als bij de Snik.




~Friese gaffel, gebogen gaffel:
gaffel(2)
met S-vormige bocht.




~Friese Hooipraam:
mogelijk gewone Friese praam, mogelijk opgeboeide Friese praam.




~Friese luikenkap, friese luiken:
houten of aluminium luikenkap, die in het midden geknikt is. [A>]




~Friese kast:
1> in het algemeen: een Friese zeilkast.
2> soms: een Friese motorkast.




~Friese klipper:
1> klipper met een naar buitenvallend hek. Het is echter niet zo dat elke in Friesland gebouwde klipper een naar buitenvallend hek heeft en dat nergens anders klippers met een naar buitenvallend hek gebouwd werden, zelfs niet als men het begrip Friesland erg ruim neemt.
2> mogelijk!!! een klipper met de Friese maat.




~Friese maat:
over het algemeen bedoelt men hier de maximale, in Friesland geldende, scheepsmaat voor de klasse 1 vaarwegen (dat zijn de grootsten) mee.
Voor alle schepen gold een maximale lengte van 31,5 m. Voor niet mechanisch voortgestuwde schepen was er (anno 1930) geen officiele breedte beperking. In de praktijk (of mogelijk later vastgesteld) was de maximale breedte, afhankelijk van de vaarweg, 6,2m.
Een motorschip mocht op de klasse I vaarwegen slechts 5,4 m breed zijn.
De overige klasses waren:
klasse II: 21,50 x 3,80
klasse III: 18,20 x 3,30
klasse IV: 14,90 x 2,80
Nogmaals voor de zeilschepen golden die beperkingen niet.




~Friese maatkast:
eigenlijk zowel een Friese zeilkast, als een Friese motorkast, maar in de meeste gevallen bedoelt men alleen de Friese zeilkast.




~Friese motorkast:
motorkast met de grootste Friese maat (maximaal 31,5 x 5,4m).
Naar men beweert hebben de Friese kasten een iets afwijkend model van de kasten, die langs de grote rivieren gebouwd zijn. Dit zou zich ondermeer manifesteren in een wat voller achterschip.





~Friese pot:
scheepstype. Verwant aan de Overijsselse pot? Mogelijk ook Friese Turfpot genoemd. @Verschillen nog niet bekend.





~Friese praam, praam:
1>
de houten Friese praam heeft geen vervolg in staal gehad. Het was een tjalkachtig hekschip van ongeveer gelijke grootte als de tjalken toendertijd en lijkt in meer dan één opzicht ook sterk op dezen. Uit de schaarse bronnen valt op te maken dat de berghouten van het voorschip sterk opwaarts buigen, dat de beretanden iets zijwaarts vallen en dat het boeisel vrijwel vertikaal staat. Dit geeft het schip een beetje droevig uiterlijk; iets wat men ook bij de Drentse- en Overijsselse pramen waar kan nemen. Ook lijkt het of de stevenbalk niet de fraaie cirkelboog beschrijft, die we van de Friese schepen gewend zijn, maar slechts licht gekromd is, zoals bij de Drentse schepen. Mogelijk heeft het scheepstype zijn oorsprong in het meest zuidelijke deel, dat grenst aan Overijssel, gevonden.
Volgens LeComte zouden deze schepen ook Schute genoemd worden. Dat zou er op kunnen wijzen dat ze de voorloper van de latere skūte zijn.


2> vrij laag, gesterkt, open vaartuig, zonder boeisel, soms met settelboorden, vrijwel geen berghout, brede boegen, vaak met klein voor- en achterdekje, vaak voorzien van gaffeltuig.  De oudere exemplaren hebben soms een stevenbalkje of een plaatsteven, de nieuwere meestal een stafsteven. Al naar gelang het gebruik: koeienpraam, melkpraam, hooipraam, strontpraam, enz. genoemd. Zie ook: Praamschuit, Praamschip, Friese hooipraam.





~Friese schouw:
vrij smalle Schouw met weinig zeeg, meestal niet groter dan een meter of 6. Oorspronkelijk en ook hedentendage nog wel getuigd met een sprietzeil. [A>]





~Friese snik:
type Snik met een rond achterschip, meestal voorzien van zwaarden en tuigage. Veelvuldig als beurtscheepje in gebruik geweest.





~Friese Tjalk:
1> type Tjalk, gebouwd voor de algemene vaart. Fors gebouwde schepen met een flinke holte, mooie vloeiende lijnen en een hoge roef. Voor- en vooral ook het achterschip zijn vaak meer weggesneden en ze hebben vaak meer gangen op de boegen, dan de Groninger tjalken. Ze hebben, in tegenstelling tot de Groningers, twee gangen onder het berghout. [A>]
Vrij zeewaardig scheepstype, soms ook voor de Oostzeevaart gebruikt en daarom door de eigenaren (onterecht) soms Zeetjalk genoemd.
Lees: Inleiding tot scheepstypes en tekst TJALKEN.


2> zie skute.

3> Zeer onjuiste benaming voor een Skūtsje.





~Friese turftjalk:
naamgeving die ik, tot nu toe, alleen bij Goenewegen ben tegengekomen. Het vaartuig dat hij afbeeldt toont veel overeenkomst met de afbeeldingen die LeComte ons van Friese Tjalken geeft. Opvallend is echter het kleine smalle zwaard dat de tjalk van Groenewegen voert. Ik ga er vooralsnog van uit dat er, behalve in de lading die vervoert wordt, geen verschil is met de gewone Friese tjalk.




~Friese turfpont:
oud scheepstype. @verder niet bekend.




~Friese turfpot:
mogelijk Friese pot; zie bij pot(4).




~Friese vrachtaak:
tamelijk zeldzaam scheepstype. Min of meer het model van een Hagenaar, maar met een Tjalkachtig achterschip.





~Friese zeilkast, kastje:
Eigenlijk een in Friesland gebouwde kast met tuigage, maar in de praktijk een zeilkast met een maximale lengte van 31,5m en meestal een breedte van minder dan 6,2m.  [A>]
Naar men beweert hebben de Friese kasten een iets afwijkend model van de kasten, die langs de grote rivieren gebouwd zijn. Dit zou zich ondermeer manifesteren in een wat voller achterschip.





~Fries jacht, boeierjacht:
klein open of halfgedekt vaartuigje, met ronde vormen, behorend tot de groep der kromstevens. [A>]




~frisse bries:
windkracht 5.




~fronder:
Gronings? voor vooronder.




~frontlinie:
tijdens het admiraalzeilen, naast elkaar zeilen.




~Frontrunner:
(productnaam) vracht/containerschip gebouwd op de werf 'Veka Scheepsbouw B.V.' te Werkendam. Vrij rechthoekig model met de stuurhut voorop. Lengte 84,63 (of 110 m), breedte 11,45 m. Maximale diepgang ca. 3,5 m. Laadvermogen 2400 ton, of 3 laags 128 teu en 4 laags 172 teu. 2x 650 pk. [E>] [A> afwijkend model]




~Fuel-king:
(merknaam.) Brandstofmodificator.




~fuik:
1> pontfuik: remmingwerk in een ponthaven.

2a> rond hoepels gespannen toelopend visnet, waarin zich trechtervormige delen, kebben, bevinden en eindigend in een soort van dichtgesnoerde zak, de kruik. Vaak voorzien van uitstaande vleugels aan de eerste hoepel.
b> palingfuik, aalfuik: fuik voor de vangst van paling.




~fuikenbreien:
het maken van aalfuiken.




~Fuikenjol:
kleine Staverse jol.




~fuikenlichten:
de vis uit fuiken(2) halen. Meestal gebruikt wanneer dit door iemand, die daartoe niet gerechtigd is, gebeurt.




~fuikenlichter:
iemand, die fuiken(2), die niet door hem geplaatst zijn, leeghaalt.





~fuikenvisser:
1> iemand, die beroepsmatig met fuiken vis vangt.
2> het vaartuig dat een fuikenvisser (1) gebruikt. [A>]




~fuikenvisserij:
de beroepsmatige visserij met fuiken.




~fundatie
in of op het schip aangebrachte versteviging(en) waarop motoren en werktuigen opgesteld worden.




~ futura carrier, (futura schip):
(zeegaand) binnenvaartschip met speciale rompvorm en aandrijving. Ondanks de rechthoekige bouw heeft dit schip, dankzij een speciale constructie van het voorschip, luchtsmering en een gecombineerde aandrijving onder voor- en achterschip, een rustiger vaarbeeld, minder water onder de kiel nodig en een geringer brandstofverbruik dan vergelijkbare schepen.
[E> duitstalige beschrijving van het type, artikelen en verwijzingen op binnenvaart.informatie.nl]




~Futura tanker:
een futura carrier, dat als tankschip gebouwd is. [EA> fotoreportage van de bouw (duitstalig)]




~f.w.:
op vrachtbrieven gebruikte afkorting voor Franse wetgeving.
In de overeenkomst ging de regeling ten aanzien van los-, laad- en overligdagen meestal volgens de landelijke regeling van het land waarin de laad of de losplaats gelegen was.





Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken