Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
Woordenlijst F
~fabriekslucht:
in
handelsflessen
verkrijgbare gecomprimeerde lucht, welke als startlucht
voor langzaamlopers
gebruikt wordt.
~Fallaatster: skūtsje
gebouwd
bij J.O. van der Werff te Buitenst Verlaat (Drachten).
~fanaal:
oude, nauwelijks gebruikte, term
voor een navigatielicht
of een licht van een lichtbaken.
~Fast
Ferry: (bedrijfsnaam) 1> onderneming,
die, met zeer snelle schepen, een soort lijndiensten
onderhoudt in de omgeving R'dam-Dordrecht. 2>waterbus:
de schepen van deze en
soortgelijke
ondernemingen. [A>]
~feestvlag:
de natievlag op
groot formaat, vaak aan de randen versierd en met in de witte baan een,
op het vaartuig,
bedrijf of de schipper
toepasselijke, versiering of tekst.
~fjouweracht:
Een Tjotter met een
lengte van 4,8m en
een breedte van 2,2-2,4 meter. De naam is ontleend aan de oude
maatgeving te weten 4 el, 8 palmen.
~flankingroer: 1>backingroer: bijna altijd
paarsgewijs aangebrachte roeren, die
vlak VOOR de schroef
staan en dus vooral bij het achteruitvaren effectief zijn. 2> soms, ten onrechte
gebruikt voor roeren,
die
meer naast dan achter de schroef staan en in combinatie met het roer
dat midden achter de schroef staat werken.
~flessegas,
flessengas:
propaan- of butaangas in stalen 'flessen', meestal met een nettoinhoud van ca. 12 kg.
Pas na WOII begon het gebruik van 'butagas' aan boord van binnenvaartschepen een beetje populair te worden. In eerste instantie werd het gas voornamelijk gebruikt voor de verlichting van enkele vertrekken (meestal alleen het woongedeelte en de eventuele keuken). Later gaat men het gas in toenemende maten ook als kookgas gebruiken. In de jaren '60 gaat men er op steeds meer schepen toe over om propaan in plaats van butaangas te gebruiken. Gasverlichting begint dan inmiddels tot het verleden te behoren.
~Flettnerroer:
type roer, dat in de binnenvaart zelden gebruikt is. Het roer
had aan de achterzijde een kleine flap, bij draaiing van het roer
draaide deze flap in tegengestelde richting (dus niet zoals het
Beckerroer). Het langs stromende water zorgde voor een druk op dit blad
en hielp op die wijze het echte roerblad te draaien. Het heeft echter
bij grote roeruitslagen nauwelijks nog effect, terwijl het de stroming
langs het blad wel verstoort en de gehele constructie van het roer een
stuk ingewikkelder, dus onderhouds onvriendelijker maakt.
~flexibele
koppeling:
met
staaldraad
gewapende 'rubberen' schijf, die als verbinding tussen twee draaiende
delen
gebruikt wordt. [T>Schroeven.]
[A>]
1> driehoekig plankje met uitstekende hoek aan het eind van een vaarboom.
De schrijfwijze VLINT die in het WNT genoemd wordt, heeft geen betrekking op het woord in deze betekenis!
2> mogelijk ook gebruikt als benaming voor een stalen punt aan het ondereind van de vaarboom, in welk geval het driehoekige plankje een vaarboomklauw genoemd wordt.
~Flora:
aanduiding voor een roerbeeld
een
vrouwenhoofd voorstellende. In eerste instantie alleen gebruikt voor
voorstellingen van de Griekse godin, later voor elk vrouwenhoofd. Het
hoofd was meestal getooid met een breedgerande hoed waarop vruchten of
bloemen prijkten.
: eventueel door middel
van de fokkeloet,
de fok, naar de andere kant, dan waar de giek
naar toe uitstaat, varen.
DE FOK BAK HOUDEN
: de 'achterkant' van de
fok naar de wind gekeerd houden.
MET DE FOK ACHTER DE MAST VAREN
:
het rustig aan doen. Men hees soms de fok op de plaats van het grootzeil,
wanneer men het de moeite niet vond het veel zwaardere grootzeil te
hijsen of wanneer men daarvoor (tijdelijk) niet over de nodige mankracht
beschikte.
constructie, die de plaats van de tophoek van de fok in neemt. Vroeger een kort rondhout met spruit, later een breed uitlopende zeilkous
of stalen beugel. Zie ook Drentse
fok.
~fokkemast:
term uit de zeevaart, waarmee de mast waaraan de fok gehesen wordt, aangeduid wordt. In de binnenvaart is er meestal maar één mast, dus spreekt men van 'mast'. Indien er twee masten zijn wordt de voorste mast meestal de
grote mast
genoemd.
~fokken......:
zie fokke.
Samenstellingen met fokke(n) schijnen
tegenwoordig met een N geschreven dienen te worden. In de meeste
teksten zult U ze echter zonder deze N tegenkomen.
. takel
waarmee de stand van de fok
geregeld wordt.
~fokkeschootval:
Tegenwoordig fokkenschootval
. staaldraad,
die vanaf een draadlier
naast de mast,
naar een blok in de top
van de mast en vandaar naar de fokkeschoot
loopt. Weinig voorkomende constructie, die slechts op enkele van de
grootste
zeilende vrachtschepen
toegepast
werd.
~Frankrijkvaarder:
schipper of schip dat geregeld naar (Noord) Frankrijk vaart.
Gerelateerde termen: spitsenvaart, vijfmeterwerk.
~Franse motor,
Amerikaan,
Canadier,
Fransman (Fransoos) :
type vrachtschip.
Mooie welbesneden schepen. Het voorschip is vrij scherp en heeft een
vooroverhellende, licht afgeronde, steven.
Het achterschip heeft welwat van een spitsgat, maar dan wel sterk geveegd. Het achterschip van de kleine 'Fransman' is echter wat voller en ronder.
[A> achterschip] Er zijn twee maten; het is dus een maatschip.
De kleine maat 63,30 x 7,08 x 2,60 m. 720 ton, waarvan er 24 gebouwd zijn en de
grote maat 73,50 x 8,16 x 2,60 m. 900ton, waarvan er 95 gebouwd
zijn. Alle schepen waren uitgerust met een 480 pk Enterprise dieselmotor.
Alle schepen zijn kort na WOII, in het kader tot herstel van de Franse
Rijnvaartvloot, gebouwd. Het gehele schip werd in pasklare delen, waaronder achterschepen met compleet ingerichte roeven, op Amerikaanse en Canadeese werven gebouwd. Vandaar de namen Amerikaan of in Frankrijk Canadier. Hioerna werden ze verscheept en op de Nederlandse werf 'De Biesbosch' en een drietal Franse werven geassembleerd.
[E>
forum onderwerp op het binnenvaartforum.]
~Franse spits,
Strasbourg spits,
Straßburg spits,
Straasburg spits:
Op de Belgische spits gelijkend
type vaak
met een soort paviljoen(2)
als roef. De Franse spits heeft nog
minder zeeg dan de Belgische spits;
ondanks het feit
dat ze als motorschip gebouwd
zijn, is
de kont bijna tot op de waterlijn zeer vol
van bouw; het roer, de roerkoning en deels ook het roerwerk is buiten tegen de achtersteven gemonteerd. Een
groot aantal zijn, als herstelbetalingsschip, kort na WOII gebouwd en waren over het
algemeen van slechte kwaliteit. [A>]
~Frans-Friesemotor,
Frans-Friesmotorschip:
motorschip met de lengte van de Friese
maat en de breedte van de Spits,
dus 31,5 x 5,05m.
~Fransman,
Fransoos: 1> In de Rijnvaart bijna alle schepen, zowel vrachtschepen als sleepboten, die onder Franse vlag voeren.
~Fries Noord-Hollandse Stoombootmaatschappij:
in 1876 opgerichte beurtvaartonderneming (schepen: Friesland I, II, III en IV), later opgegaan in de "Nieuwe Leeuwarder Stoomboot Maatschappij". Zie ook bij Stanfries.
~Fries tjalkje:
(met de nadruk op 'je') door mij op 20-12-2007 ingevoerd begrip,
waarmee de Friese tjalken, met geringe holte onderscheiden worden van
de gewone Friese tjalk en
het skūtsje.
Naderhand is gebleken dat dit scheepstype skūte (= fries voor schuit) of kofke genoemd dient te worden.
~Friese
boeier: gladboordig
gebouwde, fors getuigde, Boeier,
die tegenwoordig als de 'standaard boeier'gezien wordt.
~Friese bok,
bok: scheepstype
dat wel wat aan een Friese
snik doet
denken. Het is echter forser, voller
en de
vrij zware voorstevenbalk
helt
niet
zo sterk voorover als bij de Snik.
~Friese gaffel,
gebogen gaffel:
gaffel(2)
met S-vormige bocht.
~Friese klipper: 1>klipper
met een naar buitenvallend hek. Het
is echter
niet zo dat elke in Friesland gebouwde klipper een naar buitenvallend
hek heeft en dat nergens anders klippers met een naar buitenvallend hek
gebouwd werden, zelfs niet als men het begrip Friesland erg ruim neemt. 2> mogelijk!!! een
klipper met de Friese maat.
~Friese
maat:
over het
algemeen
bedoelt
men hier de maximale, in Friesland geldende, scheepsmaat
voor de klasse 1 vaarwegen
(dat zijn de
grootsten)
mee.
Voor alle schepen gold een maximale lengte van 31,5 m. Voor niet
mechanisch voortgestuwde schepen was er (anno 1930) geen officiele
breedte beperking. In de praktijk (of mogelijk later vastgesteld) was
de maximale breedte, afhankelijk van de vaarweg, 6,2m.
Een motorschip
mocht op
de klasse I
vaarwegen slechts 5,4 m breed zijn.
De overige klasses waren:
klasse II:
21,50
x 3,80
klasse III: 18,20 x 3,30
klasse IV: 14,90 x 2,80
Nogmaals voor de
zeilschepen golden die beperkingen niet.
~Friese maatkast:
eigenlijk zowel een Friese
zeilkast,
als een Friese motorkast,
maar in de
meeste gevallen bedoelt men alleen de Friese zeilkast.
~Friese
motorkast: motorkast
met de grootste Friese maat
(maximaal
31,5 x
5,4m).
Naar men beweert hebben de Friese kasten een iets afwijkend
model van de kasten, die langs de grote rivieren gebouwd zijn. Dit zou
zich ondermeer manifesteren in een wat voller achterschip.
~Friese pot: scheepstype.
Verwant aan
de Overijsselse pot?
Mogelijk
ook Friese Turfpot
genoemd.
@Verschillen
nog
niet bekend.
de houten Friese praam heeft geen vervolg in staal gehad. Het was een tjalkachtig hekschip van ongeveer gelijke grootte als de tjalken toendertijd en lijkt in meer dan één opzicht ook sterk op dezen. Uit de schaarse bronnen valt op te maken dat de berghouten van het voorschip sterk opwaarts buigen, dat de beretanden iets zijwaarts vallen en dat het boeisel vrijwel vertikaal staat. Dit geeft het schip een beetje droevig uiterlijk; iets wat men ook bij de Drentse- en Overijsselse pramen waar kan nemen. Ook lijkt het of de stevenbalk niet de fraaie cirkelboog beschrijft, die we van de Friese schepen gewend zijn, maar slechts licht gekromd is, zoals bij de Drentse schepen. Mogelijk heeft het scheepstype zijn oorsprong in het meest zuidelijke deel, dat grenst aan Overijssel, gevonden.
Volgens LeComte zouden deze schepen ook Schute genoemd worden. Dat zou er op kunnen wijzen dat ze de voorloper van de latere skūte zijn.
vrij smalle Schouw met weinig zeeg, meestal niet groter dan een meter of 6. Oorspronkelijk en ook hedentendage nog wel getuigd met een sprietzeil. [A>]
naamgeving die ik, tot nu toe, alleen bij Goenewegen ben tegengekomen. Het vaartuig dat hij afbeeldt toont veel overeenkomst met de afbeeldingen die LeComte ons van Friese Tjalken geeft. Opvallend is echter het kleine smalle zwaard dat de tjalk van Groenewegen voert. Ik ga er vooralsnog van uit dat er, behalve in de lading die vervoert wordt, geen verschil is met de gewone Friese tjalk.
~Friese
turfpont:
oud scheepstype.
@verder niet bekend.
Eigenlijk een in Friesland gebouwde kast
met
tuigage, maar in de praktijk een zeilkast met een maximale lengte van
31,5m en meestal een breedte van minder dan 6,2m. [A>]
Naar men beweert hebben de Friese kasten een iets afwijkend
model
van de kasten, die langs de grote rivieren gebouwd zijn. Dit zou zich
ondermeer manifesteren in een wat voller achterschip.
~Frontrunner:
(productnaam) vracht/containerschip
gebouwd op de werf 'Veka
Scheepsbouw B.V.'
te
Werkendam. Vrij rechthoekig model met de stuurhut
voorop. Lengte 84,63 (of 110 m), breedte 11,45 m. Maximale diepgang ca.
3,5 m. Laadvermogen 2400 ton, of 3 laags 128 teu en 4 laags 172 teu. 2x
650 pk. [E>]
[A>afwijkend
model]
2a>
rond
hoepels
gespannen toelopend visnet,
waarin zich
trechtervormige
delen, kebben, bevinden en eindigend in een soort
van
dichtgesnoerde
zak, de kruik. Vaak voorzien van uitstaande vleugels
aan de eerste hoepel. b>palingfuik, aalfuik: fuik
voor de
vangst van paling.
~f.w.:
op vrachtbrieven gebruikte afkorting voor Franse wetgeving.
In
de overeenkomst ging de regeling ten aanzien van los-, laad- en
overligdagen meestal volgens de landelijke regeling van het land waarin
de laad of de losplaats gelegen was.