banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst E



~eb:
1> ebbe:
de periode vanaf hoogwater tot laagwater.

2> laagwater:
de lage waterstand op getijdewater.
OVER DE EB
: als, soms ook kort voordat, de vloed begint. Eigenlijk dus met laagwater en de daarop volgende vloed.

3> ebstroom.
Deze drie begrippen worden door elkaar gebruikt maar eigenlijk is de eerste betekenis de enig juiste.

Geralateerde termen: kentering, stil water, laagwaterspring, middenstand, vloed, springtij, run.





~ebanker:
Nog onbekend.





~ebben:
laagwater worden of zijn.





~ebdeur:
de deuren van een sluis aan getijdewater, die bij eb gebruikt moeten worden.
In veel gevallen zijn dit puntdeuren en staan zij met de punt landinwaarts gericht.

Gerelateerde term: sluisdeur, ebdeur.





~ebschaar:
zie bij schaar.





~ebstroom, afgaand tij:
de stroming, die een daling van de waterstand op getijdewater tot gevolg heeft.
De sterkste ebstroom treed 3 ā 4 uur na hoogwater op, de sterste vloedstroom 4 ā 5 uur na laagwater.






~Ecdis, Electronic Card Display & Information System:
Bepaalde standaard voor het vastleggen van aanvullende gegevens, die op electronische waterkaarten getoond kunnen worden.





~echt:
Zie bij hecht.





~echo:
1> verkorting van echolood. zie bij dieptemeter.

2> radarecho.





~echoën:
onvolledige benaming voor electronische plaatdiktemeting.





~echolood:
zie dieptemeter.
Verwante termen: loodlijn, loden.





~ECN:
zie electronische vaarkaart.





~ecokaart, ecocard:
kaart waarmee men de eigenbijdrage, in het kader van het scheepsafvalstoffen verdrag (S.A.V.), voor de verwijdering van oliehoudend afval kan voldoen. [E>] Opvolger van de bilgekaart. Zie ook: ecorekening.





~ecorekening, ecokaartrekening, ecocardrekening:
girale rekening waarop men een tegoed dient te hebben, wil men met de ecocard, de verplichte bijdrage voor de afgifte van oliehoudend afval kunnen betalen.





~E.D.O.S., Eerste Drentse Onderlinge Schepenverzekering:
Onderlinge uit Meppel. Later opgegaan in de F.M.H.





~eek:
1> verouderde schrijfwijze van ijk en IJker.

2a> gemalen eikenschors. Ook run genoemd.
b> geconcentreerd aftreksel van 2a. Grondstof voor taan.
Gerelateerde term: cachou.





~Eeker:
zie Turfijker.





~Eemer, Heemer:
eenvoudig, open en vrij smal vaartuig met sterk naar buiten vallende rechte stevens en een vrij plat vlak. De zijden vallen flink naar buiten. Ze deden zowel dienst in de vrachtvaart als de visserij als ook als veerscheepje.
Men stelt dat de reeds in de 13de eeuw genoemde eemer of houteemer nauwelijks afwijkend geweest zal zijn van de latere exemplaren die in de 18de en 19de eeuw en zelfs begin twintigste eeuw in staal gebouwd, nog voorkwamen.
Als voorkomende maat geeft men 6,6 tot ruim negen meter. De bij behorende breedte ligt ongeveer tussen de 1,7 en 2,30 meter.
Meer informatie is te vinden bij Maurice Kaak's Vlaamse en Brabantse binnenschepen.






~Eemschuit:
klein eenvoudig boerenschuitje. Volgens G.J. Schutten (blz 320) een Schouwtje met een kistachtig model.





~Eemspunt, Harense punt :
scheepstype, vrachtschip. Eenvoudig vaartuig met rechthoekige doorsnede. Het schip wordt gekenmerkt door een brede platte heve aan de voorzijde en een achterschip met rechtstandige vlakke boegen die samenkomen tegen een vrij iele achterstevenbalk met aangehangen roer. Het ruim is open en zonder luikenkap of gangboorden. De schepen waren soms voorzien van mast met zeil en zwaarden, maar vaker werden ze gejaagd. Achterin het schip bevond zich een roef die niet of nauwelijks boven het bovenboord uitstak met daarachter een stuurkuip.
De Eemspunt werd gebouwd te Haren Duitsland en is dus een Duits scheepstype, dat echter ook hier in Nederland en dan vooral in Drenthe en Overijssel gebruikt werd.
E. v. Konijnenburg tekent het schip, volgens mij, met een klein vooronder. G.J. Schutten (blz.401) en Haalmeijer en Vuik hebben het echter over een paardenstal in het voorschip. De paarden zouden via de brede vooroverhangende heve van en aan boord kunnen komen. De schepen zouden tussen 18 x 4 tot 26 x 5 meter gemeten hebben.
Volgens Schutten kende men aan de boven-Eems een geheel open variant van 13 x 3,8 meter, 16 ton groot. Ook noemt hij nog een Binnenschipspitspunt en een Zeespitspunt (Spitzpünte in het Duits). Van belang voor de Nederlandse binnenvaart lijken deze niet geweest te zijn en ik heb dan ook geen verdere vermeldingen van deze vaartuigen kunnen vinden.







~éénbaksvaart, 1-baksvaart:
de vaart met de combinatie van één duwboot en één bak. [A>]
Ik ben de term nog niet tegen gekomen, maar het is een logisch gevolg op de termen twee-, vier- en zesbaksvaart.






~Eendracht: Compact, de Eendracht, Wildervank 1857.
Redelijk bekende Onderlinge.





~Eengangsboot:
boot met slechts één gang tussen vlak en berghout of boeisel/bovenboord. De termen ééngangsboot en tweegangsboot zijn (ondermeer) van toepassing op het Boatsje en volgens sommige bronnen ook de Tjotter en bijbehorende varianten.





~één-handelbediening:
bedieningssysteem voor scheepsdiesels, waarbij 'gas' en keerkoppeling met één handel bedient worden.
[A> Aanverwante afbeeldingen]





~Éénmanszomp:
zie bij Zomp(Vriezeveense turfzomp).





~eenmastaak: vrachtschip van het type Aak met maar één mast.
G.J. Schutten gebruikt deze term voor de kleinere Dorstense aken.






~éénmaster:
schip met één mast. De term wordt alleen gebruikt om onderscheid tussen één, anderhalf en tweemasters te kunnen maken.





~éénpunter:
vaartuig(je) met een scherp voorschip en een spiegel.
De term wordt gebruikt voor die vaartuigen die afgeleid zijn van de zogenaamde dubbeleinders. Men kan ze beschouwen als een dubbeleinder, die aan één zijde afgekapt is. Zoiets was ondermeer om een buitenboordmotor op te kunnen hangen.
Het is mogelijk dat G.J. Schutten degene is die dit begrip aan de taal toegevoegd heeft.






~éénrompsschip:
zie enkelrompsschip.





~éénschijfsblok:
ongebruikelijke benaming voor een enkelschijfsblok.





~Eensgezindheid:
Onderlinge. Opgericht 1882. Was gevestigd in Hasselt (Ov). In 1999 gefuseerd met de F.M.H. tot E.F.M.





~Eensgezindheid Friese Maatschappij, E.F.M.:
In 1999 uit een fusie van de F.M.H. en Eensgezindheid ontstane Onderlinge. Gevestigd te Meppel.





~eer:
de golfslag en kolking rond de kop van een krib.
Zie ook kribstroom, neer.





~Eernewoudse vlotpraam:
houten Friese praam met gaffeltuig. Het vaartuig was tot de mast toe open. Voor de mast bevond zich een tent/blaasbalg of roefje. Grootte ca. 8 ton.
Bron: G.J. Schutten blz.352. Verder geen vermeldingen gevonden.






~ Eerste Nederlandse Scheepsverband Maatschappij :
oudste scheepshypotheekbank op gericht in 1899 te Dordrecht. Algemeen bekend als de Dordtse Bank.





~eertvelder, hertvelder:
mogelijk 17de-18de eeuwse variant van de Otter. Verder geen gegevens bekend.





~E.F.M.:
zie Eensgezindheid Friese Maatschappij.





~EFM Oranje Combinatie, EFM Oranje Combinatie Onderlinge Schepenverzekering U.A., E.O.C. :
per 1 juli 2014 gevormde fusie van de onderlinge verzekeringsmaatschappijen EFM en Oranje.




~eft:
zie bij heft.





~egaliseren:
na het baggeren, met behulp van een ploegsleepboot en een baggerploeg, bulten en ruggen, die in de bodem ontstaan zijn, gelijk trekken.





~eigengewicht:
het gewicht van het ledige vaartuig met alle normale uitrustingsstukken aan boord en de tanks redelijk gevuld.
Het eigen gewicht van het vaartuig is iets waarmee men alleen bij het hellingen rekening kan moeten te houden.






~eigenhandel:
lading, die door de schipper ingekocht, vervoerd en verkocht wordt.
Het gaat hier in principe om grote partijen. De kopers zijn dus meestal bedrijven. Alleen ladingrestanten en overschot werd wel aan partikulieren verkocht. In vroeger eeuwen waren vele grondstoffen eigenhandel. De laatsten die daar van overbleven waren turf en zand.

Gerelateerde termen: eigenvracht, uitventen en negotieschipper.





~eigenhandelschipper:
schipper die met eigenhandel vaart.





~eigenhandelvaart:
de scheepvaart met eigenhandel.





~eigenschokker:
riviervisser waarbij de schipper, tevens de eigenaar van het vaartuig en het visgerei is.
Zie ook kantoorschokker.
Behalve de kantoorschokker en de eigenschokker kende men ook nog vaartuigen varend met een zetschipper. De eigenaren van dit soort schepen verenigde zich soms tot een ploeg of vennootschap en vormde op die wijze eigenlijk weer een soort kantoor.






~eigenvaart:
de vaart met eigenvracht.





~Eigen Veerdienst Terschelling, EVT:
op 23 januari 2006 oprichte BV, die een veerdienst tussen Harlingen-Terschelling en Vlieland moet gaan onderhouden. E> site.





~eigenvisser:
1> drijfnetvisser, die vist in water van zijn eigen vereniging/coöperatie en de gehele opbrengst voor zichzelf mag houden.

2> eigenaar van een eigenschokker.




~eigenvracht:
lading, voor een bedrijf, die door dat bedrijf, met een schip van het bedrijf, vervoerd wordt. Vroeger vrij vaak voorkomend, later voornamelijk beperkt tot de zand- en grindvaart en de tankvaart.





~eigen-wal :
de stuurboordswal.




~eik:
bruin baaien visserskledij (jas plus broek).




~Eiker:
zie bij Turfijker.





~eikous:
gesloten, gootvormig stuk gegalvaniseerd staal dat eivormig gebogen is.
Eikousen worden meestal als staaldraadkous gebruikt. Ze zijn over het algemeen vormvaster dan de gewone puntkous. Een enkele maal ziet men ze ingebruik als touwkous.





~eind, reep:
een stuk touw soms ook staaldraad; lengte en dikte onbepaald.
Gerelateerde termen: vooreind, voordraad, achtereind, achterdraad, steekeind, achtersteekeind, spring, tros, landvast.
[U>]
HET EIND HALEN
: term uit de spanvisserij: naar het andere schip varen om de twee sleepeinden van het net bij elkaar te brengen.





~eindfok:
@niet bekend, mogelijk een geifok.





~eindhelling:
zie binnenhelling. (Vrij ongebruikelijke term.)





~eindschut:
de laatste (of eerste) sluis van een kanaal.





~eindsim:
vertikale lijn aan het uiteinde van een staand want.





~eisen:
van touw of ankertros: meer ruimte verlangen.
Of zoals het WNT het zegt: "in den scheepsterm het touw eischt, het touw heeft noodig gevierd of gestoken te worden". De term wordt zelden gebruikt






~eitje:
eivormige greep als deurkruk.





~ei van thijsse:
grote ovale verbreding van de uitmonding van een kanaal, wanneer dit op stromend water uitmondt of dit water kruist.
De afzetting van zand en slib wordt met deze constructie voorkomen. Deze constructie zorgt er namelijk voor dat het stromende water niet geremd wordt.






~ek:
oude schrijfwijze van ijk (zegt men).





~ekke:
oude schrijfwijze van ijk (zegt men).





~el:
lengte maat.
AMSTERDAMSE EL
: ca. 68 cm.
ENGELSE EL
:  ca. 91 cm. = 1 yard. Deze werd gebruikt voor zeildoek. Kort na invoering van het decimale stelsel, rond 1820, kwam 1 el overeen met 1 meter. [T>]





~Elbekahn, Elperkahn, Elbeschip :
1a> scheepstype.  Nog onvoldoende bekend. Vrij fors houten sleepschip met naar verhouding weinig diepgang.

b> in staal gebouwd sleep en motorschip. Deze schepen maten maximaal ca. 65 x 8m en hadden een diepgang van 1,8-2 meter. Het laadvermogen bedroeg dan 660 - 750 ton. Het achterschip is geveegd, maar op berghouthoogte enigzins spits. Mogelijk ook bekend onder de naam "tausend bretter".

2> Nog onvoldoende bekend.  Vrachtschip met ongeveer het model van een kast en afmetingen die afgestemd zijn op de vaart op de Elbe.





~Elbeschip:
1> een Elbekahn.

2> modern maatschip 76 x 10,5 x 2,2 meter, ca. 1000 ton laadvermogen.





~Elburgse botter:
type Zuidwal botter. Verschillen met andere Zuidwal botters nog niet bekend.





~electro-veerboot:
electrsich aangedreven pontje, vaak een kabelpontje.





~eletronische vaarkaart, ecn:
lelijk woord voor wat men een electronische waterkaart zou moeten noemen, zijnde een waterkaart die langs electronische weg afgebeeld kan worden. [E> ENC's van Europa bij RWS. ]
Gerelateerde termen: ecdis, Tresco.





~elevator:
1> oude? benaming voor een willekeurig werktuig waarmee gehesen, gezogen of opgeschept kan worden. De term komt alleen nog in graanelevator voor.
Ook de bunkermachine en de daarop gelijkende machine waarmee men vroeger beunschepen en elevatorbakken leegde, waren elevatoren.


2> zie bakkenzuiger.





~elevatoraak:
Waarschijnlijk gaat het om een vaartuig met een beun.





~elevatorbak:
beunbak vaak ook beunschip met beunwanden die, naar onder toe gezien, schuin naar binnen staan.
Door de schuine wanden ontstaat er een klein 'vloer'oppervlak hetgeen het lossen met elevatoren, grijpers, lepelgravers en dergelijke vereenvoudigd.

Gerelateerde termen: onderlosser, hennebak.





~elevatorklepbak, elevatorklepbakschip:
term uit de liggers van de meetdiensten waarmee mogelijker wijs een onderlosser met schuine beunwanden aangeduid wordt.





~elevatorklepbakschip:
zie bij elevatorklepbak.





~elevatortransporteur:
zie bij bunkermachine.





~elfkorfs:
bepaalde maat die het aantal korven/kurven, welke op het vlak rusten aangeeft. Meestal gebruikt met de toevoeging praam en van toepassing op eenvoudige open houten vaartuigen.





~elfkorfse praam, elfkorver: open houten schuit uit het gebied rond Woerden benoorden de Oude Rijn. Een dubbeleinder met vallende rechte stevens en zijden. Bij voor- en achterzijde voorzien van een weegstoel. Ze werden voor het transport van mest gebruikt. In hetzelfde gebied kende men ook een vijf-, zeven-, acht- en negenkorfse praam.
Bron: G.J. Schutten blz.288.






~elgen:
voor een werfbeurt de helling opgaan. (Overijssels?)





~elger, aalelger:
1> ijzeren hark met 20-25 zes à zeven centimeter lange tanden, die de visser over de bodem harkt of voortsleept in de hoop daarmee aal te verschalken. Zie ook aalzeilen.

2> zie aalschaar.





~elleboogponton:
twee scharnierend met elkaar verbonden pontons, die gebruikt worden om persleidingen van zandzuigers te dragen.
Gerelateerde term: leidingponton.





~ellens:
bepaalde houtmaat; zie bij spier.





~Elperkahn:
waarschijnlijk bedoelt men Elbekahn.





~embarkeren:
aan boord(4) gaan, laden, inschepen. In de binnenvaart, behalve in sommige reglementen, wordt deze term nauwelijks gebruikt.





~emer:
eenvoudige open roeivisboot met bun die gebruikt werd op de Beneden-Schelde. Voorkomende maat 7 bij 1,8 meter. Misschien verwant aan de Vlaanderse boot.
Bronnen: Seghers en de Bock, wel genoemd, maar niet beschreven. G.J. Schutten blz.270.






~emerzeil, kladzeil, sinjorenzeil:
zeil dat waarschijnlijk gelijk is aan een emmerzeil. Het zeil werd ondermeer op de Makelaarsboot gebruikt.
Het is aan nemelijk dat er een verwarring is tussen emerzeil en emmerzeil, maar de enige afbeelding die ik ken sluit een kleine variatie in de zeilvoering niet uit.
Alle drie de termen komen uit het Vlaamse taalgebied. Bron: Seghers en de Bock.





~emmer:
1> emmerzeil.

2> bak van een emmerketting.
De emmers kunnen gelast of geklonken zijn, maar ook gegoten emmers kwamen wel voor, terwijl men in 'oude tijden' zelfs houten emmers gebruikt heeft. De bovenrand van de emmer is vervangbaar en bestaat uit een harde staallegering. De inhoud van de emmers is afhankelijk van de grootte van de baggermolen. De grootsten kunnen zo'n 1200 liter bevatten. Emmers die gebruikt worden voor het baggeren van grind zijn voorzien van gaten, waardoor het meegevoerde water afgevoerd kan worden.
De stoombaggermolen 'Vooruit' gebruikte baggeremmers met een inhoud van 250 of 275 liter. De snelhied bedroeg 16 tot 32 emmers per minuut, respectievelijk in zand, in bagger.


3> alleen in verkleinvorm 'emmertje' zie bij pompemmer.





~emmerbaggermolen, baggermolen, emmermolen :
emmermolen die hoofdzakelijk gebruikt wordt om vaarwegen, havens e.d. te graven of uit te diepen.
Bij de emmerbaggermolen schraapt de emmer de lading van de bodem, waarna de lading, terwijl deze in de emmer LIGT naar boven getransporteerd wordt. De emmer is bevestigd aan de emmerketting en wordt langs de emmerladder naar boven getransporteerd. Bij de tred- en rosbaggermolens gebruikt men vaak een systeem waarbij er geen emmers maar een soort van bakvormige schotten gebruikt wordt. De schotten schrapen de lading van de grond en schuiven het voor zich uit door een goot naar boven toe. De draairichting van de 'emmerketting' is daardoor tegengesteld aan die van de mechanische baggermolen.






~emmerinhoud:
de inhoud van een emmer van een emmermolen. De inhoud varieert tussen de 250 en 1200 liter.





~emmerketting:
uit gelijkvormige schakels bestaande constructie waaraan de emmers van een emmermolen bevestigd zijn.





~emmerladder:
onderdeel van een emmermolen. De emmerladder vormt de geleiding voor de emmerketting. Het bovenuiteinde is scharnierend bevestigd in de hoofdbok, terwijl het onderuiteinde, opgehangen aan de ladderbok, tot op de gewenste diepte neer gelaten kan worden.





~emmermolen, laddermolen:
drijvend graafwerktuig dat met emmervormige bakken, bevestigd aan de emmerketting, materiaal van de bodem schraapt. Emmermolens worden zowel gebruikt voor het 'opgraven' van bagger, als van zand, grind of klei.
Gerelateerde termen: baggermolen, emmerbaggermolen, grindmolen, stoombaggermolen, stoomveenbaggermolen, tredbaggermolen, rosbaggermolen, diepmachine, hoppermolen, emmerladder, hoofdbok, ladderbok, vijfkant, trilzeef, grindemmer, baggeremmer, stortbak, stortgoot.
voorlier, voorlierman, zijlier, achterlier, achterlierman, boegbak.
Rond begin 16de eeuw ontwikkelde methode om bagger e.d. vanuit grotere dieptes omhoog te brengen. Voordien werden schepraden, schuiven, beugels en scheppen gebruikt. De emmermolen is tot na de tweede wereldoorlog volop actief geweest. Vanaf die tijd wordt het werklangzamerhand steeds meer overgenomen door zuigers en kraanschepen, maar nog steeds worden er emmermolens gebruikt. De molens werden aangedreven door mensen (slingers en tredmolens), paarden en ezels (tredmolens), stoommachines en dieselmotoren, terwijl men op stevig stromende rivieren zelfs van het stromen van de rivier zelf gebruik maakte. De emmerinhoud loopt uit een van 50 liter bij de allerkleinsten tot boven de 1000 liter bij de grootsten. De snelheid van de emmerketting loopt (voor zover bekend) uiteen van 16 tot 32 emmers per minuut. Het aantal emmers aan de ketting bedraagt 30 tot 40 stuks.

[E> Verhelderende uitleg op Stoommachineinfo.nl]






~emmertjespomp, noria:
gesloten keten met daaraan emmers, die door middel van een op het dek geplaatst rad, rondbewogen wordt. Een enkel vaartuig had zelfs een windmolentje als aandrijving.
Een emmertjespomp kan een vrij hoge opbrengst hebben, maar door zijn constructie neemt hij nogal veel ruimte in beslag. De pomp is daarom voornamelijk toegepast op de grotere en de zeegaande schepen.






~emmerzeil, emmer:
1> trapeziumvormig langsscheeps razeil waarvan de ra op circa een derde van het uiteinde aan de mast bevestigd is en waaraan geen onderra gevoerd wordt.
Dit type zeil is in Nederland nooit populair geweest en het valt (nog) niet met zekerheid te zeggen of het in de binnenvaart in gebruik is geweest. Het zeil heeft als nadeel dat bij bepaalde koersen het zeil aan loef van de mast hangt. Hierdoor drukt de mast in het zeil, hetgeen de goede werking van het zeil ernstig verstoort. Een variant op het emmerzeil is het loggerzeil. Overigens kwamen beide soorten zeilen op vroege exemplaren van loggers voor.


2> soms, mogelijk bij vergissing, gebruikt voor een dwarsscheepszeil dat aan de bovenzijde wel een ra maar onderlangs geen rondhout heeft.
Men spreekt in dit geval alleen van een emmerzeil, wanneer het zeil het grootzeil is.






~Empels kooikerschuitje:
aan de Hengst verwante open boot met een lengte van rond de vier meter. Iets groter en voorzien van een bun was de Visschuit van 's-Hertogenbosch.
Bron: G.J. Schutten, blz 272.






~endelschot:
dwarsschot in ondermeer de Giethoornse bok.





~Engelse aak
zie palingaak.





~Engelse bak, ammunitiekistje:
vrij smal, erg recht gebouwd, vrachtschip met een korte steile stafsteven, die in een zeer ruime boog naar het vlak buigt. Het voorschip is vrij scherp, het achterschip iets geveegd. Het achterschip eindigt vaak in een spiegel, maar andere vormen komen voor. Boeisels alleen aan voor- en achterschip. Oorspronkelijk waren de gangboorden tamelijk breed. Voorkomende maten ca. 38 bij 5 bij 2 ā 2,1m 250-300 ton. Vrij zeldzaam scheepstype.





~Engelse kuil:
zie bij sleepkuil.





~Engelse teer:
zie koolteer.





~Engels rood:
roestwerende verf op basis van ijzeroxides. Later geheel verdrongen door ijzermenie.





~Engels stuurwerk:
1> wormasstuurwerk, met tegengesteld gesneden schroefdraad op één as.
Het Engels stuurwerk werd in de 19de eeuw reeds op zeegaande zeilschepen toegepast. Ongeveer gelijk met de komst van de klipper rond 1880 deed het stuurwerk ook zijn intrede in de binnenvaart.

Zie ook broodwagen.
[A> Meer stuurwerken]

2> soms ook gebruikt ter aanduiding van een contrasturend stuurwerk.





~engmazig:
met kleine mazen.





~E.N.I.-nummer, European Number of Identification:
uniek 8 cijferig registratie nummer voor bedrijfsvaartuigen. Sinds 1 april 2007 de opvolger van het Europanummer. [T>]





~enkelgeslagen:
zie kardeelgeslagen.





~enkeljol,
ENKELE JOL
:
de combinatie van één blok en één loper. Dit kan dus zowel een gewone 'omleiding' van een touw (bovenste blok in afb.), als een halflasttakel (onderste blok in afb.) zijn.
In het eerste geval spreekt men ook wel van een wipper, terwijl de tweede vorm ook wel klaploper genoemd wordt. Beiden gecombineerd zoals in de afbeelding vormen een dubbeljol.






~enkellier, enkelschijfsankerlier:
lier met één nestenschijf of draadtrommel. (Weinig gebruikte term.)





~enkelrabatijzer:
zie bij breeuwijzer.





~enkelrompsschip, éénrompsschip:
goed Nederlands voor monohull; term die gebruikt wordt om onderscheid te maken tussen normale schepen en schepen met meerdere rompen.
Gerelateerde termen: meerrompsschip, catamaran, duoromp, swath.





~enkelschijfsankerlier, enkelschijfslier:
ankerlier met slechts één nestenschijf.





~enkelschijfsblok, éénschijfsblok:
blok met één schijf.





~enkelschroefs:
met één schroef ter voortstuwing.





~enkelwandig:
van schepen
: deze zijn enkelwandig wanneer er zich tussen de lading en het buitenwater slechts één waterdicht gesloten laag bevindt.
van visnetten
: eenvoudig gezegd zijn deze enkelwandig wanneer er één enkel net gebruikt wordt.
Dit is ondermeer het geval bij sommige stropersnetten. Drijfnetten zijn vaak driewandig.






~enkelwerk:
een (tandwiel) vertraging die uit slechts één stap bestaat.





~enkelwerkend:
bij pompen:

slechts gedurende de helft van de totale beweging water  pompend.
De meeste waterpompen, die met zuigers, plunjers of membramen werken, zijn enkelwerkend. De vleugelkleppomp en enkele zuigerpompen zijn dubbelwerkend.  De term is niet van toepassing op de meeste pompen met een roterend pompsysteem.

bij motoren:

alleen bij neergaande beweging van de zuiger arbeid leverend. Ze meeste motoren zijn enkelwerkend. De verbrandingsruimte bevindt zich boven de zuiger. Dubbelwerkende verbrandings motoren zijn bijna altijd twee-takt motoren.





~enkelwerks:
van lieren: een lier met slechts één vertraging.





~enkelwerksas, jaagas, aandrijfas:
de as van een anker- of tuiglier waaraan zich de jachtwielen of slinger(s) bevinden.
Zie ook dubbelwerksas.





~enkelwerkslier:
bij anker- en draadlieren: een lier met slechts één vertraging.





~Enkhuizer aak, Enkhuizeraak:
verwarrende, Friese naam, voor Enkhuizer bol.





~Enkhuizer boeier:
niet voldoende bekend. Mogelijk zeewaardig type Boeier uit ca. de 17de eeuw.





~Enkhuizer boot:
scheepstype: mogelijk een Visschuit of Binnenschuit.





~Enkhuizer bol, Enkhuizense bol, Enkhuizeraak:
scheepstype. Zie bij Wieringer bol.





~Enkhuizer kempenaar:
kempenaar met duidelijk meer zeeg, dan de normale kempenaar. Een 'krom schip' zoals men dat wel noemt.





~Enkhuizer schouw:
type Hollandse schouw, waarvan het vlak aan de voorkant in een punt eindigt, waardoor het voorbord ruitvormig is.





~Enkhuizer slag:
speciale methode om een touw op een halve klamp of op de hak van een hakblok te beleggen.





~enteren:
klimmen.
Vroeger voornamelijk gebruikt voor het langs de weeflijnen naar de masttop klimmen.






~Enters bootje:
zie bij Zomp.





~Enterse Zomp:
zie bij Zomp.





~E.N.T.O.S., Eerste Nederlandse Tentoonstelling Op Scheepvaartgebied:
tentoonstelling, alwaar diverse bedrijven die gerelateerd waren aan de scheepvaart zich presenteerde en welke in 1913 te Amsterdam-noord gehouden werd.
Op www.stelling-amsterdam.nl schrijft men ondermeer: De hoofdingang van het tentoonstelling-terrein was naast het nog bestaande Tolhuis. De tentoonstelling werd geopend door Prins Hendrik en vond plaats in het 'jubeljaar 1913', het 100-jarig bestaan van het Koninkrijk. De tentoonstellingsruimte besloeg 200.000 vierkante meter land en water met onder andere paviljoens van Nederlandse, Engelse en Duitse reders om de scheepsvaart te presenteren.






~entrepôtdok:
eigenlijk een AFSLUITBARE entrepôthaven, maar vaak gebruikt als volledig synoniem daar voor.




~entrepôthaven, entrepôtdok:
deel van de haven waar, onder toezicht van de douane, schepen met een lading, waarover nog geen invoerrechten betaald is, ligplaats krijgen.





~entrepôtpakket:
pakket met goederen die, vrij van invoerrechten, over de grens meegenomen mogen worden.





~envare:
term die gebruikt wordt in een in het latijns opgesteld document uit 1252 in zake de tollen op het Zwin, waarmee een vrij groot vaartuig met roer middenachter, een stevenroer dus, aangeduid wordt. De, uit de veertiende eeuw stammende Vlaamse, vertaling van het betreffende tekstdeel is dan: "....Een scip dat men heet eene vare dat achter heeft den roeder hangende....." Door een aantal personen wordt aangenomen dat men met een 'vare' een Ever bedoelt, andere maken van 'envare' één-varen, wat uitgelegd wordt als een schip dat door één man gezeild, gestuurd, kan worden. Dat zou dan weer in tegenspraak zijn met geschriften waarin de Ever als een doorbalkt schip, wat zo veel wil zeggen als een zeegaand schip, voorgesteld wordt.
Onder meer G.C.E. Crone besteed aandacht aan deze kwestie.






~E.O.C.:
zie EFM Oranje Combinatie.





~epirb, Emergency position indicating radiobeacon:
noodbaken dat voornamelijk aan boord van zeeschepen gebruikt wordt.





~ePK.:
effectieve paardekrachten. Het aantal PK dat aan de uitgaande as van de motor werkelijk beschikbaar is. Ook nPK, nominale paardekrachten genoemd.





~E.P.S., Ecocard Payment System:
financieel administratief systeem t.b.v. de ecokaart.





~Erdaldoos:
zie bij stuurbak.





~erf:
1> tussendek in de luikenkap.
2> herft.





~erft: herft.





~ernstvuurwerk:
pyrotechnische middelen, waarmee men noodseinen kan geven. Bijv.: vuurpijlen, parachutefakkels, handstakellichten, rooksignalen, lichtkogels e.d.





~estuarievaart, estuariumvaart :
de vaart in en buiten langs de riviermondingen. Ook estuaire vaart genoemd. Hedentendage voornamelijk gebruikt voor de vaart tussen zeebrugge en de Westerschelde.
In bepaalde periodes van onze geschiedenis was het gebied binnen onze kustlijn één grote gatenkaas en voltrok een belangrijk deel van onze 'binnen'vaart op die wateren. Pas de laatste eeuwen is er een wat striktere scheiding tussen binnen en buiten ontstaan, maar de vaart binnen de waddeneilanden, zuiderzee en op de zeeuwse stromen is meer vergelijkbaar met de estuarievaart dan met de vaart op de smalle kanalen. Ook niet elk binnenschip was geschikt voor deze grote wateren. Zij die wel geschikt waren, waagden zich tot in het begin van de 20ste eeuw ook weleens buitenom de waddeneilanden of buitenom naar de Elbe of naar Zeebrugge. Later in die eeuw verdween deze vorm van binnenvaart, maar tegenwoordig worden de laatste twee routes weer wat vaker, door daarvoor goedgekeurde binnenvaartschepen, bevaren.

Zie ook binnen-buitenvaart.





~ertsvaart:
de scheepvaart met erts.





~estuariumvaart:
zie estuarievaart.





~etappe-recht:
zie bij verbodemen.
Mogelijk ook de Vlaamse term voor wat gewoonlijk het stapelrecht genoemd wordt.





~eu-nummer:
zie europanummer.





~euralcode:
bepaalde numerieke code waarmee een stof als genoemd in het scheepsafvalstoffenverdrag aangeduid kan worden. Alle scheepsafvalstoffen hebben dus een aparte code.





~Eurofrachter:
zie eurovrachter.





~Europabak:
bepaalde maten duwbak, dus eigenlijk ook een maatschip.
Men kent de maten
I :   70,00 x 9,50 x 3,00 m, laadver­mogen ca. 1650 ton
II:   76,50 x 11,40 x 3,50 m, laad­vermogen ca. 2400 ton
IIa: 76,50 x 11,40 x 3,90 m, laadvermogen ca. 2700 ton





~Europanummer, Officieel Scheepsnummer, eu-nummer, Rijnvaartnummer:
kortere benaming voor het Internationaal scheepsregistratienummer. Een 7 cijferig nummer dat bedrijfsvaartuigen, voor de internationale vaart, zichtbaar dienen te voeren. Het nummer fungeert als een soort van kenteken voor bedrijfsvaartuig. [A>]  [T>]
Per 1 april 2007 is dit vervangen door het ENI-nummer.
Verwante termen: brandmerk, teboekstellingsnummer.





~Europaschip:
modern maatschip. Vooreerst hanteerde mende de maten: 95 x 11,5 x 2,7 m. bij een maximale kruiphoogte van 6,7m. Daarbij kwam het  laadvermogen op 2000 ton of meer. Later verdeelde men de schepen in klasse I, II en III (exacte maten nog niet bekend). Tegenwoordig hanteert men over het algemeen de C.E.M.T. klasse indeling.
Gerelateerde term: Europabak.





~Europese Binnenvaart Unie, E.B.U., European Barge Union, Europäische Binnenschiffahrts Union, Union Européenne de la Navigation Fluviale, U.E.N.F., :
Europese organisatie van alle mogelijke organisaties, ondernemingen e.d. die een binding met de binnenvaart hebben.




~Europese Schippers Organisatie, E.S.O.:
overkoeplende organisatie van Belgische, Duitse, Franse, Nederlandse en Poolse binnenvaartorganisaties. Opgericht te Brussel in 1975. [E>]





~Eurovrachter, riverliner, eurofrachter:
Type containerschip. Ca. 86 m. lang en 9,5m breed. Laadvermogen ca. 1500 ton of 90 Teu.





~E.V.: evenredige vrachtverdeling.





~evenaar:
een spruit met gelijke benen.





~evenementenschip:
in de meeste gevallen: een groot dagpassagiersschip dat aan gezelschappen verhuurd wordt. Het is echter een niet nauwkeurig omlijnd begrip. [A>] De kleinere evenementenschepen noemt men over het algemeen partyschepen.





~evenementenponton:
Ponton dat bij het houden van festiviteiten gebruikt kan worden. Het is echter een niet nauwkeurig omlijnd begrip.





~Evenredige Vrachtverdeling:
zie bij vrachtverdeling.





~evenwichtsroer, tolroer:
vrij onbekend synoniem voor een balansroer.





~evacuatieboot, evacuatieschip:
schip waarmee evacuees vervoerd worden.
De term 'evacuatieboot' wordt ondermeer gebruikt op Het Geheugen van Nederland en heeft dan betrekking op schepen waarmee evacuees van de stormvloed van 1953 vervoerd werden. Het zal een ieder duidelijk zijn dat ondanks dat men van BOTEN spreekt, het zich hier om SCHEPEN moet handelen.






~Evangelisatieschip:
vaartuig dat gebruikt wordt voor christelijke bijeenkomsten.
Gerelateerde term: kerkschip.





~Ever:
1a> gedekt zeilvaartuig voor de vrachtvaart uit de dertiende tot zestiende eeuw. In oude geschriften vaak in één adem genoemd met Koggen, Krajers, en Hulken, dus met schepen die niet alleen binnen, maar ook buiten de duinen varen. Rond 1450 stelde men een Krajer 60 tot 70 last, een Ever echter 30-40 last. Over het uiterlijk van dit schip is weinig meer bekend dan wat voor al de schepen uit die tijd gold.
Volgens sommigen is Ever een andere schrijfwijze voor het oudere envare, als ook voor de latere Duitse Ewer.
b> rond 1500 stelt men een Ever slechts een halve Kogge groot. Het is niet duidelijk of de zeegaande Ever zich ontwikkeld heeft naar een kleiner schip of dat men misschien de hierna genoemende 'koch-ever' bedoelt.
De Maritieme Encyclopedie maakt nog wel melding van een Everin de achttiende en begin negentiende eeuw, die als kustvaarder in gebruik is. Dit boek is echter erg onduidelijk in zijn onderscheid tussen zee- en binnenvaart en tussen de Nederlandse Ever en de Duitse Ewer.


2> koch-ever: een door Nicolaas Witsen genoemd vissersschip tentijde van de aanval op Waterland in 1504. G.C.E. Crone houdt het echter op een vergissing omdat het latijnse verslag spreekt van 'tocheners', zijnde tochtschuiten, wat dan gelezen zou zijn als 'kochevers'. Het voorvoegsel 'koch' houdt hij voor een verbastering van kogge. Maar een relatie tussen dit vaartuig en de Kogge lijkt hem onwaarschijnlijk. Ook volgens E.W. Petrejus was de Ever van rond 1500 een vissersschip, maar waarschijnlijk baseert hij zich op de uitlatingen van Crone.
Om de verwarring compleet te maken bestaat er ook nog een Spaarndammer roei-ever (Informacie Dordrecht 1514), een geheel open ever (misschien de staal-ever) (Keurboek C verzameld door Breen) en in het zelfde geschrift wordt de Ever ook nog als een soort van trekschuit voor maar liefst 50 passagiers genoemd. (Zie N.W. Posthumus).

3> stael-ever: een vissersschip van de Zuiderzee dat gebruikt werd bij de haringvisserij met zogenaamde staalbomen. Het zullen niet al te grote open schepen geweest zijn. Ook Nicolaas Witsen spreekt van het voorkomen van kleine vissersvaartuigen tot Enkhuizen.

Het voorkomen van zoveel verschillende vaartuigen met min of meer de zelfde naam heeft tot de nodige verwarring geleid.
Ook op Vaartips staat hierover een zeer informatief stukje. Vooral de vermelding dat een grote variëteit aan schepen Ewer/Ever genoemd wordt, onderschrijf ik geheel. De gegeven ethymologische verklaring van de benaming is naar mijn mening twijfelachtig. Men zou bijvoorbeeld ook kunnen denken aan een verbastering van het woord eemer.
Het feit dat de verschillende evers zowel geografisch als chronologisch zeer verspreid voorkomen, maakt het moeilijk te aanvaarden dat al deze schepen werkelijk aan elkaar verwant waren. Vooral het tijdsverloop moet wezenlijke veranderingen te weeg gebracht hebben. Al met al blijft de naamgeving van de verschillende vroege scheepstypes en soorten een groot raadsel. Als sterk voorbeeld daarvan kan men het voorkomen van de term Ever-aak aan het begin van de twintigste eeuw, zien.






~ever-aak, everaak:
zeer ongebruikelijke aanduiding voor een bepaald type aak. Welk type er precies bedoeld wordt is me helaas niet bekend.
De term is aangetroffen in de beeldbeschrijvingen bij het archief van Zaandam. Het gaat daarbij om een tekening van Rens Lensselink waarop de achterkant van een keenachtigvaartuig met klaphekkenroer te zien is. Buiten dit geval uit 1915 zijn er (in tekst) nog twee gevallen bekend van stalen everaken die aan het begin van de twintigste eeuw te Kampen gebouwd zouden zijn (resp. ca. 86 en 114 ton groot).






~everdoek:
lichte soort zeildoek van hennep of vlas. Geregeld voor het oplappen en reparaties gebruikt.





~expansievat:
onderdeel van een interkoeling, bunkoeling of kielkoeling systeem. Met het expansievat wordt het uitzetten en inkrimpen van de, voor de koeling gebruikte, vloeistof opgevangen.





~expediteur :
1> expediteur binnenvaart: zie bevrachter.

2> in sommige gevallen gehanteerd voor een soort van rederij, die zich voornamelijk bezig houdt met een steeds wisselend vervoersaanbod.
Zij die deze term gebruiken gaan er van uit dat een gewone rederij voornamelijk werkzaam is voor slechts enkele verladers en ontvangers. Tevens gaan zij er vanuit dat de rederij voor het grootste gedeelte vaart met eigen schepen. De expediteur werkt volgens hen voor een wisselend aantal verladers en ontvangers en vaart voor namelijk met gehuurde schepen.


3> persoon die aan de grens de papierwinkel, die bij de in en uitvoer van goederen komt kijken, regelt. [ET> Artikel Maas- en Roerbode over het Grensstation Kempen]





~expeditiekantoor:
gebouw waarin de expediteur zetelt.





~explosiemeter:
meetinstrument waarmee, afhankelijk van het type meetbuis, de aanwezigheid van bepaalde (explosieve) gassen vastgesteld kan worden. In het ADNR is bepaald, welke schepen een dergelijke meter aan boord dienen te hebben en welke niet.





~expresreis:
een reis met lading die voor een bepaald tijdstip op een bepaalde plaats dient te zijn.
Expresreizen betroffen vaak ladingen die min of meer op het laatste moment nog met zeeschip meemoesten.

Gerelateerde term: datumreis.





~ezel:
1> onder Zeeuwse vissers: de uiterton.

2> Vlaamse term voor het afneembare bovenste deel van de voorstevenbalk en steven. Dit heeft betrekking op een bijzondere voorziening die op de Denderpleit aanwezig was. De Denderpleit has ook een afneembaar deel aan de statie in het Vlaamse keet(e) genoemd.





~ezelshoofd:
1> bovenste verbinding tussen tussen steng en ondermast.
Een houten ezelshoofd valt over de dobbelsteen en wordt vaak gesteund door ezelsoren.
Een stalen ezelshoofd wordt door F. Bly een stengebeugel genoemd.


2> volgens F. Bly juist de onderste verbinding tussen steng en ondermast.





~ezelsoor, mastwang:
inmiddels vrijwel onbekende termen voor elk der kalven, die het ezelshoofd steunen.


Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Amersfoort.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

De verantwoording en rechten inzake door derden ingezonden materiaal berusten bij de inzenders!

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken