Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~ebstroom,afgaand
tij:
de stroming, die een daling van de waterstand op getijdewater
tot gevolg heeft.
De sterkste ebstroom treed 3 à 4 uur na hoogwater op, de sterste vloedstroom 4 à 5 uur na laagwater.
~Ecdis,
Electronic Card Display Information System:
Bepaalde standaard voor het vastleggen van aanvullende gegevens, die op
electronische waterkaarten
getoond kunnen worden.
~ecokaart,
ecocard:
kaart waarmee men de eigenbijdrage, in het kader van het
scheepsafvalstoffen verdrag (S.A.V.),
voor de verwijdering van oliehoudend afval kan voldoen. [E>]
Opvolger van de bilgekaart.
Zie ook: ecorekening.
~ecorekening,
ecokaartrekening,
ecocardrekening:
girale rekening waarop men een tegoed dient te hebben, wil men met de ecocard, de
verplichte bijdrage
voor de afgifte van oliehoudend afval kunnen betalen.
~E.D.O.S.,
Eerste Drentse Onderlinge Schepenverzekering: Onderlinge uit Meppel. Later opgegaan in de F.M.H.
~Eénmanssomp:
zie bij Somp(Vriezeveense turfsomp).
~éénmaster:
schip
met één mast.
De term wordt
alleen
gebruikt om onderscheid tussen één, anderhalf
en tweemasters
te
kunnen maken.
~éénrompsschip:
goed Nederlands voor monohull;
term die gebruikt wordt om onderscheid te maken tussen normale schepen
en schepen met meerdere rompen.
Gerelateerde termen: meerrompsschip,
catamaran, duoromp, swath.
~éénschijfsblok:
ongebruikelijke benaming
voor
een enkelschijfsblok.
~Eensgezindheid: Onderlinge.
Opgericht 1882. Was gevestigd in Hasselt (Ov). In 1999 gefuseerd met de
F.M.H.
tot E.F.M.
~eer:
de golfslag en kolking rond de kop van een krib. Zie ook kribstroom, neer.
~Eerste Nederlandse Scheepsverband Maatschappij:
oudste scheepshypotheekbank op gericht in 1899 te Dordrecht. Algemeen bekend als de Dortse Bank.
~E.F.M.:
Eensgezindheid Friese Maatschappij:
In 1999 uit een fusie
van
de F.M.H. en Eensgezindheid
ontstane Onderlinge.
Gevestigd te
Meppel.
~eigenschokker:
riviervisser waarbij de schipper, tevens de eigenaar van het vaartuig en het visgerei is.
Zie ook kantoorschokker.
Behalve de kantoorschokker en de eigenschokker kende men ook nog vaartuigen varend met een zetschipper. De eigenaren van dit soort schepen verenigde zich soms tot een ploeg of vennootschap en vormde op die wijze eigenlijk weer een soort kantoor.
~eigenvracht:
lading, voor een bedrijf, die door dat bedrijf, met een schip van het bedrijf, vervoerd wordt. Vroeger vrij vaak voorkomend, later
voornamelijk beperkt tot de zand-
en grindvaart en de tankvaart.
gesloten, gootvormig stuk gegalvaniseerd staal dat eivormig gebogen is.
Eikousen worden meestal als staaldraadkous gebruikt. Ze zijn over het algemeen vormvaster dan de gewone puntkous. Een enkele maal ziet men ze ingebruik als touwkous.
:
ca. 91 cm. = 1 yard. Deze werd gebruikt voor zeildoek.
Kort na invoering van het decimale stelsel, rond 1820, kwam 1 el
overeen met 1
meter. [T>]
~Elbekahn,Elperkahn, Elbeschip:
1>scheepstype.
Nog
onvoldoende
bekend. Vrij fors houten sleepschip
met naar verhouding weinig diepgang.
De in staal gebouwde schepen maten ca. 65 x 8m en hadden een diepgang
van 1,8-2 meter. Het laadvermogen bedroeg 660 - 750 ton. Het
achterschip is geveegd, maar op berghouthoogte enigzins spits. Mogelijk
ook bekend onder de naam 'tausend bretter". 2>
Nog onvoldoende
bekend. Vrachtschip
met
ongeveer het model van een kast
en
afmetingen die afgestemd zijn op de vaart op de Elbe.
~Elburgsebotter:
type Zuidwal
botter. Verschillen met andere Zuidwal botters nog niet
bekend.
~electro-veerboot:
electrsich aangedreven pontje,
vaak een kabelpontje.
~elevator: 1> oude? benaming voor een willekeurig werktuig waarmee gehesen, gezogen of opgeschept kan worden. Alleen? nog in graanelevator gebruikt. 2> zie bakkenzuiger.
~elger,
aalelger: 1> ijzeren hark met 20-25 zes à zeven centimeter lange tanden, die de visser over de bodem harkt in de hoop daarmee aal te verschalken.
De emmers kunnen gelast of geklonken zijn, maar ook gegoten emmers kwamen wel voor, terwijl men in 'oude tijden' zelfs houten emmers gebruikt heeft. De bovenrand van de emmer is vervangbaar en bestaat uit een harde staallegering. De inhoud van de emmers is afhankelijk van de grootte van de baggermolen. De grootsten kunnen zo'n 1200 liter bevatten. Emmers die gebruikt worden voor het baggeren van grind zijn voorzien van gaten, waardoor het meegevoerde water afgevoerd kan worden.
De stoombaggermolen 'Vooruit' gebruikte baggeremmers met een inhoud van 250 of 275 liter. De snelhied bedroeg 16 tot 32 emmers per minuut, respectievelijk in zand, in bagger.
~emmerinhoud:
de inhoud van een emmer van een emmermolen. De inhoud varieert tussen de 250 en 1200 liter.
~emmerladder:
onderdeel van een emmermolen. De emmerladder vormt de geleiding voor de emmerketting. Het bovenuiteinde is scharnierend bevestigd in de hoofdbok, terwijl het onderuiteinde, opgehangen aan de ladderbok, tot op de gewenste diepte neer gelaten kan worden.
Rond begin 16de eeuw ontwikkelde methode om bagger e.d. vanuit grotere dieptes omhoog te brengen. Voordien werden schepraden, schuiven, beugels en scheppen gebruikt. De emmermolen is tot na de tweede wereldoorlog volop actief geweest. Vanaf die tijd wordt het werklangzamerhand steeds meer overgenomen door zuigers en kraanschepen, maar nog steeds worden er emmermolens gebruikt. De molens werden aangedreven door mensen (slingers en tredmolens), paarden en ezels (tredmolens), stoommachines en dieselmotoren, terwijl men op stevig stromende rivieren zelfs van het stromen van de rivier zelf gebruik maakte. De emmerinhoud loopt uit een van 50 liter bij de allerkleinsten tot boven de 1000 liter bij de grootsten. De snelheid van de emmerketting loopt (voor zover bekend) uiteen van 16 tot 32 emmers per minuut. Het aantal emmers aan de ketting bedraagt 30 tot 40 stuks.
~emmertjespomp, noria:
gesloten keten met daaraan emmers, die door middel van een op het dek
geplaatst rad, rondbewogen wordt. Een enkel vaartuig had zelfs een windmolentje als aandrijving.
Een emmertjespomp kan een vrij hoge opbrengst hebben, maar door zijn constructie neemt hij nogal veel ruimte in beslag. De pomp is daarom voornamelijk toegepast op de grotere en de zeegaande schepen.
~emmerzeil, emmer: dwarsscheepszeil dat aan de bovenzijde aan een ra bevestigd is en geen rondhout langs de onderzijde heeft.
Vergelijk: razeil.
Eigenlijk spreekt men alleen van een emmerzeil, wanneer het één der hoofdzeilen is. Een emmerzeil dat in combinatie met een langsscheepszeil aan de voorste mast gevoerd wordt, noemt men een breefok, behalve dan op de Duitse schepen, daar spreekt men vaak van een schoverzeil.
~Englandfahrt:
(Mogelijk alleen in zeer beperkte kring in gebruik geweest.)
het plan van de Duitse bezetter om met binnenvaartschepen
een
landing op de Engelse kust uit te voeren; beter bekend onder de naam:
Operatie Zeeleeuw, Operation Seelöwe. Een groot aantal
schepen werd hiervoor in beslag genomen.
de combinatie van één blok en één loper. Dit kan dus zowel een gewone 'omleiding' van een touw (bovenste blok in afb.), als een halflasttakel (onderste blok in afb.) zijn.
In het eerste geval spreekt men ook wel van een wipper, terwijl de tweede vorm ook wel klaploper genoemd wordt. Beiden gecombineerd zoals in de afbeelding vormen een dubbeljol.
slechts gedurende de helft van de totale beweging water
pompend.
De meeste waterpompen, die met zuigers, plunjers of membramen werken,
zijn enkelwerkend. De vleugelkleppomp en enkele zuigerpompen zijn dubbelwerkend.
De
term
is niet
van toepassing op de meeste pompen met een roterend pompsysteem.
bij motoren:
alleen bij neergaande beweging van de zuiger arbeid leverend. Ze meeste
motoren zijn enkelwerkend. De verbrandingsruimte bevindt zich boven de
zuiger. Dubbelwerkende verbrandings motoren zijn bijna altijd twee-takt
motoren.
~enkelwerks:
bij anker-
en draadlieren:
een
lier met slechts
één
vertraging.
~entrepôtdok:
eigenlijk een AFSLUITBARE entrepôthaven, maar vaak gebruikt als volledig synoniem daar voor.
~entrepôthaven,
entrepôtdok:
deel van de haven waar, onder toezicht van
de douane, schepen met een lading,
waarover nog geen invoerrechten betaald is, ligplaats krijgen.
~entrepôtpakket:
pakket met goederen die, vrij
van
invoerrechten,
over de grens meegenomen mogen worden.
~ePK.:
effectieve paardekrachten. Het
aantal PK
dat aan de uitgaande as van de motor werkelijk beschikbaar is. Ook nPK,
nominale paardekrachten genoemd.
~E.P.S., Ecocard Payment System:
financieel administratief systeem t.b.v. de ecokaart.
~estuarievaart,
estuariumvaart:
de vaart in en buiten langs de riviermondingen. Ook estuaire vaart
genoemd. Hedentendage voornamelijk gebruikt voor de vaart tussen zeebrugge en de Westerschelde.
In bepaalde periodes van onze geschiedenis was het gebied
binnen onze kustlijn één grote gatenkaas en voltrok een
belangrijk deel van onze 'binnen'vaart op die wateren. Pas de laatste
eeuwen is er een wat striktere scheiding tussen binnen en buiten
ontstaan, maar de vaart binnen de waddeneilanden, zuiderzee en op de
zeeuwse stromen is meer vergelijkbaar met de estuarievaart dan met de
vaart op de smalle kanalen. Ook niet elk binnenschip was geschikt voor
deze grote wateren. Zij die wel geschikt waren, waagden zich tot in het
begin van de 20ste eeuw ook weleens buitenom de waddeneilanden of
buitenom naar de Elbe of naar Zeebrugge. Later in die eeuw verdween
deze vorm van binnenvaart, maar tegenwoordig worden de laatste twee
routes weer wat vaker, door daarvoor goedgekeurde binnenvaartschepen,
bevaren.
~Europabak:
bepaalde maten duwbak,
dus eigenlijk ook een maatschip.
Men kent de maten
I : 70,00 x 9,50 x 3,00 m, laadvermogen ca. 1650 ton
II: 76,50 x 11,40 x 3,50 m, laadvermogen ca. 2400 ton
IIa: 76,50 x 11,40 x 3,90 m, laadvermogen ca. 2700 ton
~Europanummer,
Officieel Scheepsnummer:
kortere benaming voor het Internationaal scheepsregistratienummer. Een nummer dat bedrijfsvaartuigen,
voor de internationale vaart, zichtbaar dienen te voeren. [A>] [T>]
Per 1 april 2007 wordt dit vervangen door het ENI-nummer.
Verwante termen: brandmerk,
teboekstellingsnummer.
~Europaschip:
modern maatschip.
Vooreerst hanteerde mende de maten: 95 x 11,5 x 2,7 m. bij een maximale
kruiphoogte van 6,7m. Daarbij kwam het laadvermogen
op 2000 ton of meer. Later verdeelde men de schepen in klasse I, II en
III (exacte
maten nog niet bekend). Tegenwoordig hanteert men over het algemeen de C.E.M.T. klasse
indeling.
Gerelateerde term: Europabak.
~Europese Schippers Organisatie,
E.S.O.:
overkoeplende organisatie van Belgische, Duitse, Franse, Nederlandse en Poolse binnenvaartorganisaties. Opgericht te Brussel in 1975. [E>]
~Eurovrachter,
riverliner,
eurofrachter:
Type containerschip.
Ca. 86 m.
lang
en 9,5m breed. Laadvermogen
ca. 1500
ton
of 90 Teu.
~evenementenschip:
niet nauwkeurig omlijnd begrip. In de meeste gevallen een groot dagpassagiersschip
dat
aan
gezelschappen verhuurd wordt. [A>]
De kleinere
evenementenschepen noemt men over het algemeen partyschepen.
~Ever: 1>
laat middeleeuws, zeegaand,
vissersschip,
soms ook voor vrachtvaart
gebruikt en
op
het ruime binnenwater
actief.
@Geen
verdere gegevens bekend. 2>
in
de 17de eeuw, de naam van een klein type vissersschip van de
westkust van de Zuiderzee. Verder nog niet bekend.
~expansievat:
onderdeel van een interkoeling,
bunkoeling
of kielkoeling
systeem. Met het
expansievat
wordt het uitzetten en inkrimpen van de, voor de koeling gebruikte,
vloeistof
opgevangen.
2> in sommige gevallen gehanteerd voor een soort van rederij, die zich voornamelijk bezig houdt met een steeds wisselend vervoersaanbod.
Zij die deze term gebruiken gaan er van uit dat een gewone rederij voornamelijk werkzaam is voor slechts enkele verladers en ontvangers. Tevens gaan zij er vanuit dat de rederij voor het grootste gedeelte vaart met eigen schepen. De expediteur werkt volgens hen voor een wisselend aantal verladers en ontvangers en vaart voor namelijk met gehuurde schepen.
~expeditiekantoor:
gebouw waarin de expediteur zetelt.
~explosiemeter:
meetinstrument waarmee, afhankelijk van het type meetbuis, de aanwezigheid van bepaalde
(explosieve) gassen vastgesteld kan worden. In het ADNR is
bepaald, welke schepen een dergelijke meter aan boord dienen te hebben en welke niet.
~expresreis:
een reis met lading die voor een bepaald tijdstip op een bepaalde plaats dient te zijn.
Expresreizen betroffen vaak ladingen die min of meer op het laatste moment nog met zeeschip meemoesten.