Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~ebstroom,
afgaand tij:
de stroming, die een daling van de waterstand op getijdewater tot gevolg heeft.
De sterkste ebstroom treed 3 à 4 uur na hoogwater op, de sterste vloedstroom 4 à 5 uur na laagwater.
~Ecdis,
Electronic Card Display & Information System:
Bepaalde standaard voor het vastleggen van aanvullende gegevens, die op electronische waterkaarten getoond kunnen worden.
~ecokaart,
ecocard:
kaart waarmee men de eigenbijdrage, in het kader van het scheepsafvalstoffen verdrag (S.A.V.),
voor de verwijdering van oliehoudend afval kan voldoen. [E>]
Opvolger van de bilgekaart.
Zie ook: ecorekening.
~ecorekening,
ecokaartrekening,
ecocardrekening:
girale rekening waarop men een tegoed dient te hebben, wil men met de ecocard, de verplichte bijdrage voor de afgifte van oliehoudend afval kunnen betalen.
~E.D.O.S.,
Eerste Drentse Onderlinge Schepenverzekering: Onderlinge uit Meppel. Later opgegaan in de F.M.H.
scheepstype, vrachtschip. Eenvoudig vaartuig met rechthoekige doorsnede. Het schip wordt gekenmerkt door een brede platte heve aan de voorzijde en een achterschip met rechtstandige vlakke boegen welke samenkomen tegen een vrij iele achterstevenbalk met aangehangen roer. Het ruim is open en zonder luikenkap of gangboorden. De schepen waren soms voorzien van mast met zeil en zwaarden, maar vaker werden ze gejaagd. Achterin het schip bevond zich een roef welke niet of nauwelijks boven het bovenboord uitstak met daarachter een stuurkuip.
De Eemspunt werd gebouwd te Haren Duitsland en is dus een Duits scheepstype, dat echter ook hier in Nederland en dan vooral in Drenthe en Overijssel gebruikt werd. E. v. Konijnenburg tekent het schip, volgens mij, met een klein vooronder. G.J. Schutten (blz.401) en Haalmeijer en Vuik hebben het echter over een paardenstal in het voorschip. De paarden zouden via de brede vooroverhangende heve van en aan boord kunnen komen. De schepen zouden tussen 18 x 4 tot 26 x 5 meter gemeten hebben.
Volgens Schutten kende men aan de boven-Eems een geheel open variant van 13 x 3,8 meter, 16 ton groot. Ook noemt hij nog een Binnenschipspitspunt en een Zeespitspunt (Spitzpünte in het Duits). Van belang voor de Nederlandse binnenvaart lijken deze niet geweest te zijn en ik heb dan ook geen verdere vermeldingen van deze vaartuigen kunnen vinden.
~éénbaksvaart,
1-baksvaart:
de vaart met de combinatie van één duwboot en
één bak. [A>]
Ik ben de term nog niet tegen gekomen, maar het is een logisch gevolg op de termen twee-, vier- en zesbaksvaart.
~Eendracht:
Compact, de Eendracht, Wildervank 1857.
Redelijk bekende Onderlinge.
GJ Schutten gebruikt deze term voor de kleinere Dorstense aken.
~éénmaster:
schip met één mast.
De term wordt alleen gebruikt om onderscheid tussen één, anderhalf
en tweemasters te kunnen maken.
~éénpunter:
vaartuig(je) met een scherp voorschip en een spiegel.
De term wordt gebruikt voor die vaartuigen welke afgeleid zijn van de zogenaamde dubbeleinders. Men kan ze beschouwen als een dubbeleinder, die aan één zijde afgekapt is. Zoiets was ondermeer om een buitenboordmotor op te kunnen hangen.
Het is mogelijk dat G.J. Schutten degene is die dit begrip aan de taal toegevoegd heeft.
~egaliseren:
na het baggeren, met behulp van een ploegsleepboot en een baggerploeg, bulten en ruggen, die in de bodem ontstaan zijn, gelijk trekken.
~eigengewicht:
het gewicht van het ledige vaartuig met alle normale uitrustingsstukken aan boord en de tanks redelijk gevuld.
Het eigen gewicht van het vaartuig is iets waarmee men alleen bij het hellingen rekening kan moeten te houden.
~eigenhandel: lading, die door de schipper
ingekocht, vervoerd en verkocht wordt.
Het gaat hier in principe om grote partijen. De kopers zijn dus meestal bedrijven. Alleen ladingrestanten en overschot werd wel aan partikulieren verkocht. In vroeger eeuwen waren vele grondstoffen eigenhandel. De laatsten die daar van overbleven waren turf en zand.
~eigenhandelschipper:
schipper die met eigenhandel vaart.
~eigenhandelvaart:
de scheepvaart met eigenhandel.
~eigenschokker:
riviervisser waarbij de schipper, tevens de eigenaar van het vaartuig en het visgerei is.
Zie ook kantoorschokker.
Behalve de kantoorschokker en de eigenschokker kende men ook nog vaartuigen varend met een zetschipper. De eigenaren van dit soort schepen verenigde zich soms tot een ploeg of vennootschap en vormde op die wijze eigenlijk weer een soort kantoor.
~Eigen Veerdienst Terschelling,
EVT:
op 23 januari 2006 oprichte BV, die een veerdienst tussen Harlingen-Terschelling en Vlieland moet gaan onderhouden. E>site.
~eigenvisser: 1> drijfnetvisser, die vist in water van zijn eigen vereniging/coöperatie en de gehele opbrengst voor zichzelf mag houden.
~eigenvracht: lading, voor een bedrijf, die door dat bedrijf, met een schip van het bedrijf, vervoerd wordt. Vroeger vrij vaak voorkomend, later voornamelijk beperkt tot de zand- en grindvaart en de tankvaart.
gesloten, gootvormig stuk gegalvaniseerd staal dat eivormig gebogen is.
Eikousen worden meestal als staaldraadkous gebruikt. Ze zijn over het algemeen vormvaster dan de gewone puntkous. Een enkele maal ziet men ze ingebruik als touwkous.
in staal gebouwd sleep en motorschip. Deze schepen maten ca. 65 x 8m en hadden een diepgang
van 1,8-2 meter. Het laadvermogen bedroeg 660 - 750 ton. Het achterschip is geveegd, maar op berghouthoogte enigzins spits. Mogelijk
ook bekend onder de naam 'tausend bretter".
2>
Nog onvoldoende bekend. Vrachtschip met ongeveer het model van een kast en afmetingen die afgestemd zijn op de vaart op de Elbe.
~Elburgse botter:
type Zuidwal botter. Verschillen met andere Zuidwal botters nog niet bekend.
~electro-veerboot:
electrsich aangedreven pontje, vaak een kabelpontje.
~eletronische vaarkaart,
ecn:
lelijk woord voor wat men een electronische waterkaart zou moeten noemen, zijnde een waterkaart welke langs electronische weg afgebeeld kan worden. [E>ENC's van Europa bij RWS. ]
Gerelateerde termen: ecdis,
Tresco.
~elevator: 1> oude? benaming voor een willekeurig werktuig waarmee gehesen, gezogen of opgeschept kan worden. De term komt alleen nog in graanelevator voor.
~elfkorfs:
bepaalde maat welke het aantal korven/kurven, welke op het vlak rusten aangeeft. Meestal gebruikt met de toevoeging praam en van toepassing op eenvoudige open houten vaartuigen.
~elfkorfse praam,
elfkorver:
open houten schuit uit het gebied rond Woerden benoorden de Oude Rijn. Een dubbeleinder met vallende rechte stevens en zijden. Bij voor- en achterzijde voorzien van een weegstoel. Ze werden voor het transport van mest gebruikt. In hetzelfde gebied kende men ook een vijf-, zeven-, acht- en negenkorfse praam.
~elger,
aalelger: 1> ijzeren hark met 20-25 zes à zeven centimeter lange tanden, die de visser over de bodem harkt of voortsleept in de hoop daarmee aal te verschalken. Zie ook aalzeilen.
~embarkeren:
aan boord(4) gaan, laden, inschepen.
In de binnenvaart, behalve in sommige reglementen, wordt deze term nauwelijks gebruikt.
~emer:
eenvoudige open roeivisboot met bun welke gebruikt werd op de Beneden-Schelde. Voorkomende maat 7 bij 1,8 meter. Misschien verwant aan de Vlaanderse boot.
Bronnen: Seghers en de Bock, wel genoemd, maar niet beschreven. GJ Schutten blz.270.
~emerzeil,
kladzeil,
sinjorenzeil: zeil dat waarschijnlijk gelijk is aan een emmerzeil. Het zeil werd ondermeer op de Makelaarsboot gebruikt.
Het is aan nemelijk dat er een verwarring is tussen emerzeil en emmerzeil, maar de enige afbeelding die ik ken sluit een kleine variatie in de zeilvoering niet uit.
Alle drie de termen komen uit het Vlaamse taalgebied. Bron: Seghers en de Bock.
De emmers kunnen gelast of geklonken zijn, maar ook gegoten emmers kwamen wel voor, terwijl men in 'oude tijden' zelfs houten emmers gebruikt heeft. De bovenrand van de emmer is vervangbaar en bestaat uit een harde staallegering. De inhoud van de emmers is afhankelijk van de grootte van de baggermolen. De grootsten kunnen zo'n 1200 liter bevatten. Emmers die gebruikt worden voor het baggeren van grind zijn voorzien van gaten, waardoor het meegevoerde water afgevoerd kan worden.
De stoombaggermolen 'Vooruit' gebruikte baggeremmers met een inhoud van 250 of 275 liter. De snelhied bedroeg 16 tot 32 emmers per minuut, respectievelijk in zand, in bagger.
3> alleen in verkleinvorm 'emmertje' zie bij pompemmer.
Bij de emmerbaggermolen schraapt de emmer de lading van de bodem, waarna de lading, terwijl deze in de emmer LIGT naar boven getransporteerd wordt. De emmer is bevestigd aan de emmerketting en wordt langs de emmerladder naar boven getransporteerd. Bij de tred- en rosbaggermolens gebruikt men vaak een systeem waarbij er geen emmers maar een soort van bakvormige schotten gebruikt wordt. De schotten schrapen de lading van de grond en schuiven het voor zich uit door een goot naar boven toe. De draairichting van de 'emmerketting' is daardoor tegengesteld aan die van de mechanische baggermolen.
~emmerinhoud:
de inhoud van een emmer van een emmermolen. De inhoud varieert tussen de 250 en 1200 liter.
~emmerketting:
uit gelijkvormige schakels bestaande constructie waaraan de emmers van een emmermolen bevestigd zijn.
~emmerladder:
onderdeel van een emmermolen. De emmerladder vormt de geleiding voor de emmerketting. Het bovenuiteinde is scharnierend bevestigd in de hoofdbok, terwijl het onderuiteinde, opgehangen aan de ladderbok, tot op de gewenste diepte neer gelaten kan worden.
Rond begin 16de eeuw ontwikkelde methode om bagger e.d. vanuit grotere dieptes omhoog te brengen. Voordien werden schepraden, schuiven, beugels en scheppen gebruikt. De emmermolen is tot na de tweede wereldoorlog volop actief geweest. Vanaf die tijd wordt het werklangzamerhand steeds meer overgenomen door zuigers en kraanschepen, maar nog steeds worden er emmermolens gebruikt. De molens werden aangedreven door mensen (slingers en tredmolens), paarden en ezels (tredmolens), stoommachines en dieselmotoren, terwijl men op stevig stromende rivieren zelfs van het stromen van de rivier zelf gebruik maakte. De emmerinhoud loopt uit een van 50 liter bij de allerkleinsten tot boven de 1000 liter bij de grootsten. De snelheid van de emmerketting loopt (voor zover bekend) uiteen van 16 tot 32 emmers per minuut. Het aantal emmers aan de ketting bedraagt 30 tot 40 stuks.
~emmertjespomp, noria:
gesloten keten met daaraan emmers, die door middel van een op het dek geplaatst rad, rondbewogen wordt. Een enkel vaartuig had zelfs een windmolentje als aandrijving.
Een emmertjespomp kan een vrij hoge opbrengst hebben, maar door zijn constructie neemt hij nogal veel ruimte in beslag. De pomp is daarom voornamelijk toegepast op de grotere en de zeegaande schepen.
~emmerzeil,
emmer: 1> trapeziumvormig langsscheepsrazeil waarvan de ra op circa een derde van het uiteinde aan de mast bevestigd is en waaraan geen onderra gevoerd wordt.
Dit type zeil is in Nederland nooit populair geweest en het valt (nog) niet met zekerheid te zeggen of het in de binnenvaart in gebruik is geweest. Het zeil heeft als nadeel dat bij bepaalde koersen het zeil aan loef van de mast hangt. Hierdoor drukt de mast in het zeil, hetgeen de goede werking van het zeil ernstig verstoort. Een variant op het emmerzeil is het loggerzeil. Overigens kwamen beide soorten zeilen op vroege exemplaren van loggers voor.
2> soms, mogelijk bij vergissing, gebruikt voor een dwarsscheepszeil dat aan de bovenzijde wel een ra maar onderlangs geen rondhout heeft.
Men spreekt in dit geval alleen van een emmerzeil, wanneer het zeil het grootzeil is.
~Empels kooikerschuitje:
aan de Hengst verwante open boot met een lengte van rond de vier meter. Iets groter en voorzien van een bun was de Visschuit van 's-Hertogenbosch.
vrij smal, erg recht gebouwd, vrachtschip met een korte steile stafsteven, welke in een zeer ruime boog naar het vlak buigt. Het voorschip is vrij scherp, het achterschip iets geveegd. Het achterschip eindigt vaak in een spiegel, maar andere vormen komen voor. Boeisels alleen aan voor- en achterschip. Oorspronkelijk waren de gangboorden tamelijk breed. Voorkomende maten ca. 38 bij 5 bij 2 à 2,1m 250-300 ton. Vrij zeldzaam scheepstype.
~E.N.I.-nummer,
European Number of Identification:
uniek 8 cijferig registratie nummer voor bedrijfsvaartuigen. Sinds 1 april 2007 de opvolger van het Europanummer.
[T>]
de combinatie van één blok en één loper. Dit kan dus zowel een gewone 'omleiding' van een touw (bovenste blok in afb.), als een halflasttakel (onderste blok in afb.) zijn.
In het eerste geval spreekt men ook wel van een wipper, terwijl de tweede vorm ook wel klaploper genoemd wordt. Beiden gecombineerd zoals in de afbeelding vormen een dubbeljol.
~enkelrompsschip,
éénrompsschip:
goed Nederlands voor monohull; term die gebruikt wordt om onderscheid te maken tussen normale schepen en schepen met meerdere rompen.
Gerelateerde termen:
meerrompsschip,
catamaran,
duoromp,
swath.
~enkelwerk:
een (tandwiel) vertraging die uit slechts één stap bestaat.
~enkelwerkend:
bij pompen:
slechts gedurende de helft van de totale beweging water
pompend.
De meeste waterpompen, die met zuigers, plunjers of membramen werken,
zijn enkelwerkend. De vleugelkleppomp en enkele zuigerpompen zijn dubbelwerkend.
De term is niet van toepassing op de meeste pompen met een roterend pompsysteem.
bij motoren:
alleen bij neergaande beweging van de zuiger arbeid leverend. Ze meeste
motoren zijn enkelwerkend. De verbrandingsruimte bevindt zich boven de
zuiger. Dubbelwerkende verbrandings motoren zijn bijna altijd twee-takt
motoren.
~enkelwerks:
van lieren: een lier met slechts één vertraging.
~E.N.T.O.S.,
Eerste Nederlandse Tentoonstelling Op Scheepvaartgebied:
tentoonstelling, alwaar diverse bedrijven die gerelateerd waren aan de scheepvaart zich presenteerde en welke in 1913 te Amsterdam-noord gehouden werd.
Op www.stelling-amsterdam.nl schrijft men ondermeer: De hoofdingang van het tentoonstelling-terrein was naast het nog bestaande Tolhuis. De tentoonstelling werd geopend door Prins Hendrik en vond plaats in het 'jubeljaar 1913', het 100-jarig bestaan van het Koninkrijk. De tentoonstellingsruimte besloeg 200.000 vierkante meter land en water met onder andere paviljoens van Nederlandse, Engelse en Duitse reders om de scheepsvaart te presenteren.
~entrepôtdok:
eigenlijk een AFSLUITBARE entrepôthaven, maar vaak gebruikt als volledig synoniem daar voor.
~entrepôthaven,
entrepôtdok:
deel van de haven waar, onder toezicht van de douane, schepen met een lading, waarover nog geen invoerrechten betaald is, ligplaats krijgen.
~entrepôtpakket:
pakket met goederen die, vrij van invoerrechten, over de grens meegenomen mogen worden.
~ePK.:
effectieve paardekrachten. Het aantal PK dat aan de uitgaande as van de motor werkelijk beschikbaar is. Ook nPK, nominale paardekrachten genoemd.
~E.P.S.,
Ecocard Payment System:
financieel administratief systeem t.b.v. de ecokaart.
~estuarievaart,
estuariumvaart:
de vaart in en buiten langs de riviermondingen. Ook estuaire vaart genoemd. Hedentendage voornamelijk gebruikt voor de vaart tussen zeebrugge en de Westerschelde.
In bepaalde periodes van onze geschiedenis was het gebied binnen onze kustlijn één grote gatenkaas en voltrok een belangrijk deel van onze 'binnen'vaart op die wateren. Pas de laatste eeuwen is er een wat striktere scheiding tussen binnen en buiten ontstaan, maar de vaart binnen de waddeneilanden, zuiderzee en op de zeeuwse stromen is meer vergelijkbaar met de estuarievaart dan met de vaart op de smalle kanalen. Ook niet elk binnenschip was geschikt voor deze grote wateren. Zij die wel geschikt waren, waagden zich tot in het begin van de 20ste eeuw ook weleens buitenom de waddeneilanden of buitenom naar de Elbe of naar Zeebrugge. Later in die eeuw verdween deze vorm van binnenvaart, maar tegenwoordig worden de laatste twee routes weer wat vaker, door daarvoor goedgekeurde binnenvaartschepen, bevaren.
~Europabak:
bepaalde maten duwbak, dus eigenlijk ook een maatschip.
Men kent de maten
I : 70,00 x 9,50 x 3,00 m, laadvermogen ca. 1650 ton
II: 76,50 x 11,40 x 3,50 m, laadvermogen ca. 2400 ton
IIa: 76,50 x 11,40 x 3,90 m, laadvermogen ca. 2700 ton
~Europanummer,
Officieel Scheepsnummer,
eu-nummer,
Rijnvaartnummer:
kortere benaming voor het Internationaal scheepsregistratienummer. Een 7 cijferig nummer dat bedrijfsvaartuigen, voor de internationale vaart, zichtbaar dienen te voeren. Het nummer fungeert als een soort van kenteken voor bedrijfsvaartuig.
[A>]
[T>]
Per 1 april 2007 is dit vervangen door het ENI-nummer.
Verwante termen: brandmerk,
teboekstellingsnummer.
~Europaschip:
modern maatschip.
Vooreerst hanteerde mende de maten: 95 x 11,5 x 2,7 m. bij een maximale kruiphoogte van 6,7m. Daarbij kwam het laadvermogen op 2000 ton of meer. Later verdeelde men de schepen in klasse I, II en III (exacte maten nog niet bekend). Tegenwoordig hanteert men over het algemeen de C.E.M.T. klasse indeling.
Gerelateerde term: Europabak.
~Europese Binnenvaart Unie,
E.B.U.,
European Barge Union,
Europäische Binnenschiffahrts Union,
Union Européenne de la Navigation Fluviale,
U.E.N.F.,
:
Europese organisatie van alle mogelijke organisaties, ondernemingen e.d. die een binding met de binnenvaart hebben.
~Europese Schippers Organisatie,
E.S.O.:
overkoeplende organisatie van Belgische, Duitse, Franse, Nederlandse en Poolse binnenvaartorganisaties. Opgericht te Brussel in 1975. [E>]
~Eurovrachter,
riverliner,
eurofrachter:
Type containerschip. Ca. 86 m. lang en 9,5m breed. Laadvermogen ca. 1500 ton of 90 Teu.
~evenementenschip:
in de meeste gevallen: een groot dagpassagiersschip
dat aan gezelschappen verhuurd wordt. Het is echter een niet nauwkeurig omlijnd begrip.
[A>]
De kleinere evenementenschepen noemt men over het algemeen partyschepen.
~evenementenponton: Ponton dat bij het houden van festiviteiten gebruikt kan worden. Het is echter een niet nauwkeurig omlijnd begrip.
~evenwichtsroer,
tolroer:
vrij onbekend synoniem voor een balansroer.
~evacuatieboot,
evacuatieschip:
schip waarmee evacuees vervoerd worden.
De term 'evacuatieboot' wordt ondermeer gebruikt op Het Geheugen van Nederland en heeft dan betrekking op schepen waarmee evacuees van de stormvloed van 1953 vervoerd werden. Het zal een ieder duidelijk zijn dat ondanks dat men van BOTEN spreekt, het zich hier om SCHEPEN moet handelen.
~Evangelisatieschip:
vaartuig dat gebruikt wordt voor christelijke bijeenkomsten.
Gerelateerde term: kerkschip.
~Ever
:
nog onvoldoende bekend. Op Vaartips staat echter een zeer informatief stukje.
Vooral de vermelding dat een grote variëteit aan schepen Ewer/Ever genoemd wordt, onderschrijf ik geheel. De gegeven ethymologische verklaring van de benaming is echter twijfelachtig. Het feit dat de verschillende evers zowel geografisch als chronologisch zeer verspreid voorkomen, doet vermoeden dat er weinig verwantschap dus de verschillende evers bestaat.
~ever-aak:
zeer ongebruikelijke aanduiding voor een bepaald type ever. Welk type er precies bedoeld wordt is me helaas niet bekend.
De term is aangetroffen in de beeldbeschrijvingen bij het archief van Zaandam.
~expansievat:
onderdeel van een interkoeling, bunkoeling of kielkoeling systeem. Met het expansievat wordt het uitzetten en inkrimpen van de, voor de koeling gebruikte, vloeistof opgevangen.
2> in sommige gevallen gehanteerd voor een soort van rederij, die zich voornamelijk bezig houdt met een steeds wisselend vervoersaanbod.
Zij die deze term gebruiken gaan er van uit dat een gewone rederij voornamelijk werkzaam is voor slechts enkele verladers en ontvangers. Tevens gaan zij er vanuit dat de rederij voor het grootste gedeelte vaart met eigen schepen. De expediteur werkt volgens hen voor een wisselend aantal verladers en ontvangers en vaart voor namelijk met gehuurde schepen.
~expeditiekantoor:
gebouw waarin de expediteur zetelt.
~explosiemeter:
meetinstrument waarmee, afhankelijk van het type meetbuis, de aanwezigheid van bepaalde (explosieve) gassen vastgesteld kan worden. In het ADNR is bepaald, welke schepen een dergelijke meter aan boord dienen te hebben en welke niet.
~expresreis:
een reis met lading die voor een bepaald tijdstip op een bepaalde plaats dient te zijn.
Expresreizen betroffen vaak ladingen die min of meer op het laatste moment nog met zeeschip meemoesten.