banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst Dru






~drubbort:
andere schrijfwijze voor dryboord.





~druebert:
andere schrijfwijze voor dryboord.





~drugsboot:
vaartuig of drijvende inrichting ingericht tot huisvesting van drugsverslaafden.
Voor zover bekend zijn het geen drugsBOTEN, maar drugsSCHEPEN [uitleg].






~druif:
ronde knop aan het uiteinde van een pikhaakof vaarboom.





~druil, bezaan(1):
1a> tuigage met een kleine achtermast, die (zowat) tegen de achtersteven geplaatst is. [A>]
b> verkorting van druilmast.
c> verkorting van druilzeil.
Een aantal samenstellingen met druil zijn niet opgenomen! Zie bij het tweede lid van de gezochte samenstelling.

Gerelateerde termen: uitlegger, bezaan.

2> verkorting van druilboom(1).





~druilboom:
1> druil: weegboom.
[Gerelateerde termen >].

2> boom waarover de schoot van de druil loopt. Zie uitlegger.





~druilen: wegen.





~druilmast:
1> druil: kleine achtermast, die (zowat) tegen de achtersteven geplaatst is.

2> weegmast.
[Gerelateerde termen >].





~druilsra:
boom waarover de schoot van de druil loopt. Zie uitlegger.





~druilsroede:
boom waarover de schoot van de druil loopt. Zie uitlegger.





~druilzeil, druil, slingerzeil:
vroeger meestal driehoekig zeil, in de vorm van een (bijna) rechthoekige driehoek met vrij scherpe tophoek, dat aan de druilmast gehesen werd, soms ook een klein gaffelzeil met vrij korte gaffel. [A>]





~drukkerknie, drukker:
tegen de buitenzijde van het schip en naast het kluisbord bevestigde hangende knie die de kraanbalk voor het anker ondersteunt.
Dit door E.W. Petrejus genoemde onderdeel treft men bijna alleen op staten- en transportjachten aan. De knie is dan meestal verwerkt in of bedekt met een beeldhouwwerkje.






~druksmeerapparaat:
op een centraalsmeerapparaat gelijkend toestel dat, middels daarop aangesloten leidingen, bepaalde punten van de motor van smeerolie kan voorzien.
Naar het schijnt is deze installatie beter in staat druk op de smeerleiding te leveren. Het systeem werkt met dubbele perspompjes met instelbare opbrengst. Het eerste pompje van elk set voorziet het smeerpunt van olie, het tweede pompje dat exact dezelfde hoeveelheid levert als de eerste, voedt de druppelaar die ter controle bovenop het apparaat zichtbaar is.
Mogelijk wordt het apparaat ook een smeerpers genoemd.






~druksmeerpot:
zie vetpot.





~druksmering:
smering met behulp van circulatiesmering of door middel van een druksmeerapparaat.





~drukverstuving:
systeem bij dieselmotoren waarbij de verstuiver via kleine kanaaltjes in verschillende richtingen schuinwaarts brandstof in de verbrandingsruimte spuit. Drukverstuiving werkt met vloeistofdrukken vanaf 150 atm. Gasverstuiving werkt met drukken tot 150 atm.
Bij inspuiting in de verbrandingsruimte zelf is de bovenkant van de zuiger dikwijls zo gevormd dat er een werveling ontstaat. Bij inspuiting in een wervelkamer (gasverstuiving) zorgt deze kamer voor een goede menging van brandstof en verbrandingslucht. Bij inspuiting in een voorkamer, eveneens gasverstuiving, ontstaat er in de voorkamer een vermenging met een kleine hoeveelheid lucht, die tijdens de compressieslag de kamer binnengedrongen is. De hitte in de voorkamer zorgt voor de ontsteking van de brandstof. Deze ontbranding perst het resterende mengsel in de verbrandingsruimte.






~drukvetpot:
zie vetpot.





~drukvulling:
systeem op dieselmotoren waarbij men met behulp van een turbo of spoelpomp de voor de verbranding benodigde lucht onder druk brengt.





~drupijzer: druppelplaat.





~drum:
(engels) in de visserij gebruikelijke benaming voor een draadtrommel.





~druppelaar:
1> druppelglas: klein reservoir waaruit, in een traag tempo, smeerolie druppelt. onder meer toegepast voor de smering van bewegende delen op langzaam draaiende machines. [A> afbeelding, film]

2> onderdeel van het centraalsmeerapparaat, bestaande uit een druppelkop en een druppelglaasje. [A>]





~druppelglas:
1> druppelvenster.

2> druppelaar.





~druppelglaasje, kijkglaasje, druppelvenster, druppelaar, druppelglas:
elk der glaasjes op een centraalsmeerapparaat, waarmee de smering gecontroleerd kan worden.
[A> Aanverwante afbeeldingen]





~druppelijzer: druppelplaat.





~druppelkop:
onderdeel van een centraalsmeerapparaat dat de druppelglaasjes op zijn plaatst houdt en via een pijpje met het oliereservoir van het apparaat verbonden is. [A>] Zie ook druppelaar.





~druppelplaat, druppelijzer, drupijzer, druppelstaal, noppenijzer, nopjesplaat, noppenplaat:
profielplaat met een stramien van kleine bolvormige oneffenheden.[A>]
De dichtheid van het aantal 'druppels' kan zeer sterk variëren. De afstand tussen de druppels is soms zeer groot, een centimeter of 4 of zelfs meer, en een enkele maal heel klein, zo rond één centimeter. Gebruikelijk is een afstand van 2,5 à 3 centimeter.






~druppelstaal: druppelplaat.





~druppelvenster, druppelglas, kijkglas:
voorziening op een centraalsmeerapparaat, in de vorm van een venstertje, waarmee de smering gecontroleerd kan worden.





~druppert:
andere schrijfwijze voor dryboord.





~dryboord, dryeboerden, droubart, drouber, drubbort, druppert, drobbert, drobbertgen, druebert:
vaartuig dat volgens Haalmeijer en Vuik in oude tolboeken tussen 1564 en 1603 vele malen vermeld wordt. Men schat deze schepen op 6 a 7,5 ton groot. Verder echter geen gegevens bekend.
Mogelijk betreft het hier een voorloper van de Duitse Dreibord, ook denkt men andere types waarbij men drie planken danwel uitgeholde boomstamdelen gebruikt heeft.
Mogelijk is het ook slechts een verwijzing naar schepen met een plat vlak, bijna rechthoekige kimmen en rechte vlakke zijdes.





~dslb:
duwsleepboot





~ d-sluiting:
sluiting waarvan de opening net zo groot is als de diameter van de boog. [A> lange D-sluitingen]
Voor aanverwante termen zie bij sluiting.





~D-stuk, D-ijzer, Halve-maan:
combinatie van een spanijzer en een half-cirkelvormige metalen strip op het uiteinde van het zwaard.
Gerelateerde term: muilband.





~dubbelangel:
fleurangel met twee haken, waaraan een aasvisje gehaakt werd, als onderdeel van een fleur. Diverse termen inzake het vistuig L> .
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~dubbelankerlier: zie dubbelschijfsankerlier.





~dubbelbreien:
met twee draden tegelijk breien. Vooral gebruikt voor randmazen, zoals de remmingmaas. Plaatselijk ook afremmen, afkammen en dubbelen genoemd. Overige termen inzake het vistuig >.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~dubbeldekker:
een dubbeldeks schip; een schip met twee dekken.




~dubbeldeks:
voorzien van een tweede dek.
Deze term, die in de binnenvaart, slechts zelden gebruikt wordt, heeft vrijwel uitsluitend betrekking op dekken van passagiersschepen die boven het hoofddek liggen en welke minstens half zo groot zijn als deze.






~dubbeleinder, tweepunter:
vaartuig met (min of meer) gelijke voor en achterkant.
De term heeft voornamelijk betrekking op de kleine smalle boerenvaartuigen met scherpe stevens, zoals bijvoorbeeld de punter.
De term wordt zelden gebruikt.






~dubbelen:
1> verdubbelen: op of tegen een deel van het schip, een soortgelijk deel plaatsen.

2> soms gebruikt als synoniem van koperen. De huid met koperplaten bedekken.

3> met twee draden tegelijk breien. Vooral gebruikt voor randmazen, zoals de remmingmaas. Ook dubbelbreien genoemd. Overige termen inzake het vistuig >.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~dubbelgereefd:
het tweede rif gelegd hebbende.





~dubbelgeslagen:
DUBBELGESLAGEN TOUW
: een kabeltros.





~dubbelhangerblok:
beetje afwijkende benaming voor een tweeschijfs hangerblok.





~dubbeling, verdubbeling:
1> het resultaat van het dubbelen.
Gerelateerde termen: huiddubbeling, spantdubbeling, vlakdubbeling, kimdubbeling, aanloop, berghoutsplaat, doodskleed, schuurplaat, zool.
.
2> datgene waarmee gedubbeld is. Een houten dubbeling (van het vlak) noemt men wel een voering. Een stalen dubbeling noemt men een dubbelplaat of heel soms een dubbelingsplaat.
Gerelateerde termen: mospapier, stort.

3> versteviging van zeildoek, zie lap.





~dubbelingsspant:
stalen spant dat ruggelings tegen een ander spant geplaatst is, ook keerspant genoemd. Spant en dubbelingsspant samen vormen een webspant.





~dubbeljol:
een takel met één loper en twee enkelschijfblokken, waarvan één met hondsvot. Een dubbeljol kan gebruikt worden als halflasttakel (links in afb.) en derdelasttakel (rechts in afb.).
Gerelateerde term: enkeljol.





~dubbelkerend:
twee waterkeringen hebbend.
DUBBELKERENDE SLUIS
: wordt gezegd van sluizen die over eb- en vloeddeuren beschikken.




~dubbellier:
soms een lier met twee draadrollen, meestal echter een dubbelschijfsankerlier.





~dubbelpal:
pal, die bestaat uit één staaf die zo gevormd is dat deze tegen twee pallen van één en hetzelfde kamrad kan rusten.





~dubbelplaat:
stalen plaat of strook die over de bestaande (stalen?) scheepshuid aangebracht is. Vaak ook (plaat)dubbeling genoemd.
In veel documenten geeft men de voorkeur aan de term dubbelplaat boven plaatdubbeling. Persoonlijk geef ik echter de voorkeur aan de laatste.






~dubbelplaatroer:
stalen roer waarvan het blad  gevormd wordt door twee vertikale stalen platen met daartussen een zekere, al dan niet gevulde, ruimte.





~dubbelrabatijzer:
zie bij rabatijzer.





~dubbelschalig, dubbelwandig:
voorzien van een binnen- en een buitenschaal, met daartussen een waterdichte ruimte. Voornamelijk toegepast bij kunststoffen bijboten.





~dubbelschijfsblok, tweeschijfsblok, katteblok:
blok met twee schijven naast elkaar.
Ook het vioolblok is eigenlijk een dubbelschijfsblok, maar wordt niet aldus genoemd.





~dubbelschijfsankerlier, dubbelschijfslier, dubbellier, dubbelankerlier, tweeschijfsankerlier, tweeschijfslier:
een ankerlier met twee nestenschijven. Niet te verwarren met dubbelwerks.





~dubbelschijfshaakblok:
dubbelschijfsblok voorzien van een haak aan één zijde.





~dubbelschijfshakblok:
hakblok met twee schijven (hetgeen vrij gebruikelijk is).





~dubbelschijfslier: zie dubbelschijfsankerlier.





~dubbelschip:
schip met een duoromp.





~dubbelschot:
het vistuig een dag, bijvoorbeeld van zaterdag tot en met maandag, in zee over laten staan.
Gerelateerde term: dagschot, schieten.





~dubbelschroefs:
met twee schroeven ter voortstuwing. [A> dubbelschroefs vrachtschip.]





~dubbelschroefsmotorschip:
een dubbelschroefsschip welke gebruikt maakt van een verbrandingsmotor.
Buiten meetbrieven en officiële stukken een weinig gebruikte term.






~dubbelschroefsschip:
schip met twee schroeven.





~dubbelschroefsstoomschip:
een dubbelschroefsschip welke gebruikt maakt van een stoommachine.
Buiten meetbrieven en officiële stukken een weinig gebruikte term.






~dubbelspijker:
door van Yk omschreven als: "Alleenlijk Dubbelspykers die men gewoon is met haar vieren op de Ruimte van een vierkante Duim in de Dubbeldeelen (dat sijn Vuure of Greine Plankjes daar mede t onder Water sijnde Deel van de om de Zuid of West vaarende Scheepen om het doorknagen van Schips vaste Huid door de aldaar in Zee sijnde Wormtjes voor te komen word bekleed) te slaan, mogen met groote Hoofden tot des te meerder Houts decking werden gemaakt ". Ofwel een soort van dolspijkers, wormnagels.
Het Online Woordenboek der Nederlandse Taal GTB INL ziet deze vuren of grenen huid als een dubbeling (Ik zou eerder willen spreken van offerhout.) en legt daarom een verbinding met de dubbelingspijker. Een term die ik tot op heden nog niet tegen gekomen ben.






~dubbelstrijkbaar:
de mogelijkheid hebbend het draaipunt, waarom de mast gestreken wordt, op twee verschillende hoogtes te hebben.





~dubbelwandig:
1> bij vrachtschepen: met de landingruimte waterdicht gescheiden, en op enige afstand, van de scheepshuid.
2> dubbelschalig.





~dubbelwerk:
een, al dan niet omschakelbare, (tandwiel)vertraging, die in twee stappen tot stand komt.





~dubbelwerkend:
bij pompen: zowel bij heengaande, als bij de teruggaande slag, water verpompend.
bij motoren: zowel bij de opgaande, als bij de neergaande beweging van de zuiger, arbeid leverend. Dubbelwerkende motoren hebben zowel boven als onderin de cilinder een verbandingsruimte. Het zijn bijna altijd 2-takt motoren.





~dubbelwerks:
van lieren: een lier met een vertraging in twee stappen.





~dubbelwerksas, tussenas:
de as tussen de enkelwerksas en de hoofdas.





~dubbelwerkslier:
1> bij lieren: een lier waarbij men uit twee verschillende vertragingen kan kiezen. [A>]
2> soms; een lier met maar één vertraging, maar met een vertraging die in twee trappen tot stand komt.

Niet te verwarren met een dubbellier!





~dumpen:
Engels woord in de binnenvaart gebruikt voor het lossen van massagoed; vooral gebruikt in het baggerwerk.





~ducdalf:
oude schrijfwijze van dukdalf.





~Duckies:
zie 'Donald Duck'.





~Duijvendijker, Duyvendijker:
1> willekeurig binnenvaartvrachtschip gebouwd op één van de werven van Van Duijvendijk (Duivendijk). Als het om na oorlogse schepen gaat dan gaat om de werven Krimpen, Ouderkerk en Lekkerkerk.

2> Duijvendijkse klipper, Duyvendijkse klipper:
Zeeuwse Klipper met zeer fraaie lijnen. Naar het schijnt was het de werf van Teunis Janszoon van Duijvendijk (1844-1918) te Opperduit-Lekkerkerk waar deze beroemde fraaie klippers gebouwd werden.





~duikboot:
schip dat in de jaren 1916-1919 het door de ASB bedongen systeem van beursbevrachting ontdoken. Mogelijk is de term slechts in sommige regio's, zoals bijvoorbeeld de veenkoloniën in gebruik geweest. Te Amsterdam scheen men de term onderzeeër te prefereren.
Bron o.a.: Hendrik A. Hachmer, Voor en tegen de wind en Als het tij verloopt, door J. Verrips.






~Duikelaar:
onbekend, bij Nicolaas Witsen genoemd scheepstype van de Zeeuwse wateren.





~duikeldam:
verlaagde dijk waar, bij te hoog water, overtollig water weg kan vloeien.
Zie ook overlaat.





~duiken:
van schepen: het voorschip (sterk) naar beneden bewegend. Het schip duikt in de golven.
Te vinden in: F.N. van Loon Beschouwing van den Nederlandschen scheepsbouw met betrekking tot deszelfs zeilaadje. Haarlem 1838.






~duiker:
1> grondzijl: vrij nauwe, soms geheel onder de waterspiegel liggende verbinding tussen twee wateren. In Groningen soms WNT Duiker I.
Gerelateerde termen: klepduiker, knijpduiker.

2> in de 17de gebruikt als synoniem voor een sluis. Het zal in de meeste gevallen betrekking gehad hebben op een overwelfde sluis.
Bron onder meer: WNT Duiker I.


3> losse doosvormige kiel, die voor het transporteren van smokkelwaar onder het schip bevestigd werd.

4> scheepsnagel met iet wat verloren kop, die makkelijk in het hout weggeslagen kan worden. De nagel werd gebruikt voor te schilderen binnenbetimmeringen.





~duikerklok:
Van onder open, maar verder geheel waterdicht gesloten ruimte, die op de bodem neer gelaten kan worden en waarin men zodoende werkzaamheden onder water kan verrichten. Het idee van de duikerklok stamt van Aristotales, echter pas in 1691 lukte het om in eniger mate onafhankelijk van de in de klok aanwezige lucht onder water te blijven. In de duikerklok heerst een druk die gelijk is aan de waterdruk buiten de klok waardoor er, bij langdurig verblijf, caissonziekte op kan treden. In Nederland wordt de duikerklok slechts mondjesmaat gebruikt. In Duitsland echter wordt het toestel vrij veelvuldig, onderandere voor het opruimen van obstakels onder water, zoals rotsblokken, gebruikt en heeft men daarvoor dan ook speciale vaartuigen, de duikerklokschepen, ontwikkeld.





~duikerklokschip, duikerschachtschip:
vaartuig, eventueel zelfvarend, waaraan een duikerklok bevestigd is of waar vanaf een duikerklok neergelaten kan worden. [A>]
Bij mijn weten komen dit soort vaartuigen in Nederland niet voor.
Erg gebruikelijk is het woord dan ook niet. Op 12 juni 2011 was er via Google slechts één vermelding buiten binnenvaarttaal van het woord te vinden. Het woord duikerschachtschip werd in het geheel niet gevonden.






~duikershelm:
behalve een onderdeel van een duikersuitrusting is het ook de naam voor wat men ook een helmgloeikop noemt.





~duikvlag: zie bij duiksein.





~duiksein:
dagteken in de vorm van een blauw-wit bord, dat gevoerd moet worden wanneer er een duiker of kikvorsman onder water werkzaam is. Vroeger een vlag.





~duim:
1> vertikale pen als onderdeel van een scharnier of draaipunt, bijv. aan een roer.

2> naam van diverse lengtematen, waaronder een inch, maar ook een centimeter. [T>]





~duimbout:
bout van een sluiting waaraan een oog of een plaatje gevormd is, zodat men de bout met de vingers aan kan draaien.





~duin:
1> zandheuvel langs de kust.
DE VAART BINNEN DE DUINEN
: oude term voor wat men binnenvaart noemt.

2> duintje: door kruiend ijs ontstane ondieptes.
Ondermeer genoemd bij: nieuwlanderfgoed.blogspot.nl






~Duitse mot:
oude houten vrachtvaarder van Duitse origine. Ook ronde Mot, Mutte of Pogge genoemd. Het type is te onderscheiden in een Binnenmot en een Buitenmot. De derde Mot is de Spitse mot; deze is wat afwijkend.
a> Binnenmot: tjalkachtige met weinig zeeg, opvallend breed berghout, erg laag boeisel, krappe voorboegen, ruime achterboegen en erg korte luikenkap. Het schip is uitgerust met een kort paviljoen, dat gezien de geringe hoogte van het boeisel nauwelijks boven het dek uitsteekt. De voor een paviljoenschip markante raampjes, die in de het berghout zitten, ontbreken echter niet. Lengtes 14 tot 16, breedtes 3,5 tot 4,5 meter.
De Binnenmotten waren naar verhouding smal en werden vooral gebruikt voor het vervoer van turf in de regio. Ze hadden een strijkbare mast met wegerij en uitwip. Verder voeren Motten en dat zullen vaak Buitenmotten geweest zijn, vanuit Oost-Friesland tot aan de Hollandse gewesten. De Buitenmot had van origine een vaste mast. De Mot is soms moeilijk te onderscheiden van de houten koftjalken van ongeveer dezelfde maat. Ze hebben dezelfde brede berghouten en naar het schijnt hebben beiden de poortjes van het achteronder niet onder maar in het berghout. De Motten hebben vaak een karakteristieke lijst rond het kluisbord.


b> Buitenmot: de Buitenmot is breder en zwaarder gebouwd dan de binnenmot. Het boeisel is hoger, vooral aan kop en kont, maar nog steeds niet echt hoog voor een tjalkachtige. Het achterschip is breder, het roer en de zwaarden zijn smaller. De mast is vast. Voor de mast is een klein kistluik, achter de mast een niet al te grote luikenkap. Het paviljoen is van normale afmetingen en het helmhout heeft dan ook de grote lengte die we bij paviljoenschepen gewend zijn.
De raampjes/poorten in het achterschip werden door ir. E van Konijnenburg ONDER het berghout getekend of dit correct is, is mij nog niet bekend. G.J. Schutten (blz.361) toont ons een afbeelding van een Buitenmot met de poortjes in het berghout.


c> Spitse mot: nogal afwijkend van zijn naamgenoten is de Spitse mot. Een schip met een puntig uitlopend voor- en achterschip voorzien van iets vallende rechte stevenbalken. Naar buitenvallende rechte zijden, met hoekige kimmen. Boeisel met normale hoogte en in lijn met de romp geplaatst. Een dekschip met korte luikenkap en strijkbare mast. Over het algemeen niet groter dan 40 ton.





~Duitse P, Peeke, Gros Numéro:
in Duitsland, tussen 1922 en midden jaren 30, gebouwde herstelbetalingsschepen, met een op een spits gelijkend model. Deze sleepschepen waren zeer robuust gebouwd en hadden in tegenstelling tot de spits ronde kimmen, waardoor ze nogal lastig te varen waren. Alle schepen, er zijn er ca. 600 gebouwd, droegen oorspronkelijk in plaats van een naam een nummer gevolgd door de letter P. De P stond voor 'péniche' hetgeen in Frankrijk de term voor spits is. In Frankrijk werden ze "Gros numero", wat zoiets als omvangrijk nummer betekent, en in Vlaanderen "Peeke", kleine P, genoemd.





~Duitse roeiaak:
door mij gehanteerde benaming voor een kleine houten roeiboot met aak-vletachtig model, dat op de Duitse benedenrijn onder andere voor de visvangst gebruikt werd.
Mocht iemand de juiste benaming weten dan wordt hij of zij verzocht dit te melden. [Contactformulier]






~Duitse zegenaak:
open houten roeiboot die gebruikt werd bij het vissen met de zegen.





~Duitslandvaarder:
1> voornamelijk in de regio Groningen gebruikte term voor scheepjes die kolen, cement, kunstmest e.d. uit de Duitse industriegebieden naar Noord-Nederland brachten.
2> de schipper van een Duitslandvaarder(1).





~Duivelander:
zie Oostduivelandse hoogaars.





~duiveljagen:
een bepaalde manier van stouwen. Zie bij traven.





~duivelsklauw:
algemene benaming voor meestal puntige, haakvormige voorwerpen bestemd om dingen vast te houden.
Gerelateerde termen: schinkelhaak, neuringkettinghaak.
a> vorkvormige 'haken' voor het gebruik op kettingen, zoals de schalmvork en de inkortklauw.

b> meestal puntige haakvormige pen met aangevormde ring, paarsgewijze gebruikt en meestal doormiddel van een ketting met elkaar verbonden.
Het geheel van haken en ketting wordt 'duivelsklauwen' genoemd. Ze worden onder meer gebruikt voor het hijsen van houten vaten en daarom ook vathaken genoemd.

dubbele duivelsklauw
als de voorgaande maar dan met twee tenen. Deze werden voornamelijk gebruikt voor het hijsen van kisten, waarbij de klauwen dan op tegenover elkaar liggende hoekpunten gezet werden. Soms kisthaken genoemd.





~duivelsklauwen:
1> verwarrende benaming voor zusterhaken.

2> combinatie van een sleng van ketting en twee duivelsklauwen.





~duivelsrak:
vaarwater met veel lastige bochten.





~duivelstoejager, duvelstoejager:
19de eeuwse term voor de sluiting of bout waarmee de ankerketting, in de kettingbak, aan het schip gezet wordt.





~duivetil: zie duiventil.





~duiventil, duivetil:
kleine stuurhut boven op de bestaande stuurhut. Meest toegepast op tot duwsleepboot verbouwde sleepboten.
Na de ombouw van een sleepboot naar duwsleepboot kreeg men te maken met het feit dat de 'dode hoek', vooral als men een ledig vaartuig moest duwen, enorm werd. Afhankelijk van wat men aan duwwerk verwachtte werden verschillende oplossingen voor dit probleem bedacht. Weinig soelaas bood het hoger plaatsen van de stuurhut. Het is daarom ook weinig toegepast. Veel goedkoper was het gebruik van de periscoop. Voornoemde oplossingen hadden echter slechts een geringe verhoging van de kijkhoogte als resultaat. Een 'duiventil' was een betrekkelijk goedkope en eenvoudige oplossing om de kijkhoogte flink te vergroten. Een voordeel was dat deze constructie redelijk licht gehouden kon worden, zodat de stabiliteit van de sleepboot niet in gevaar kwam. Een groot nadeel was de sterk toegenomen kruiphoogte. De duurste oplossing is het hefstuurhuis. Het vrij grote gewicht van deze constructie is, in verband met de stabiliteit, op kleine sleepboten, een bezwaar.






~duizendtonner:
1> schip met een laadvermogen van ca. 1000 ton.

2> een schip van het type Dortmunder.





~dukdalf, ducdalf, hanepoot:
soort meerpaal. Oorspronkelijk één enkel paal, later een zware paal, de koningspaal, schuinweg gesteund door drie of vier andere (symmetrisch geplaatste) palen.
De naam is naar men zegt een verbastering van 'Duc d'Alba', de hertog van Alva. Deze naam wordt op diverse manieren met deze paal in verband gebracht.
Nicolaas Witsen zegt: 't geen zijn naem behout van den Hertogh van Alva ..., die insgelijcks hart en onverzettelijck was, als dit paelwerk.
A. Loosjes zegt: Om hem (Alva) te vernederen, noemt men ook de groote palen Ducdalven, die ..... op een afstand gezien eenigzins de gedaante hebben van een mager menschenhoofd, dat uit een Spaanschen mantel steekt, terwijl dit ondertusschen voorwerpen zijn, die met geene achting behandeld en geheel niet ontzien worden.
De schrijver Oltmans beweert, als ik mij goed herinner, dat de Hertog van Alva, bij het beleg van Loevestein, als eerste in de geschiedenis gebruik maakte van in het water geplaatste, vrijstaande, palen.
Op de Wikipedia vertelt men dat de watergeuzen de kreet 'Duc d'Alva' riepen wanneer zij een lus rond een paal gooiden, gelijk zij ook Alva wilden strikken.
onder meer in het WNT wordt gesteld dat de schoorpalen, die de koningspaal steunen, symetrisch geplaatst dienen te zijn, daar men anders van een meerpaal spreekt. Tegenwoordig heeft men meer de neiging zware constructies, waaronder ook meerstoelen, dukdalven te noemen. Alle andere palen die geschikt zijn om een schip aan af te meren, dus ook katpalen, noemt men dan meerpalen.
De term hanepoot, die men ook wel gebruikt, slaat alleen op de schuinweg geplaatste schoorpalen en berust dus op een vergissing.






~duo-romp, duoromp:
romp, die gevormd is door twee rompen tegenelkaar te plaatsen. Slechts enkele schepen hebben een dergelijke romp. [Foto's: Calpam Twin, Dieuwertje Goedkoop.]
Gerelateerde termen: éénrompsschip, meerrompsschip, catamaran, swath.





~Durgerdammer jol:
zie bij Zaanlandse jol.





~durk:
1> dork oud Nederlands woord voor de lensruimte, bilge, de plaats onderin het schip waar het water zich verzameld.

2> in het Fries en soms ook in het Nederlands soms gebruikt voor de slaapplaats voor de knecht, dus vaak het vooronder, maar soms ook het achteronder. Soms ook geschreven als dirk.

3> durkswater oude term voor (lek)water onder in het schip. Tegenwoordig slop of lenswater genoemd.

4> plaatselijke term voor hoos/hoosgoot. Onder meer te Moerdijk gebruikt.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.

5> plaatselijk (rivierengebied?, zuid-Nederland?) synoniem voor oplanger.






~durksluik :
1> dirksluik: meestal gebruikt als synoniem voor vooronderluik.

2> vlakke afdekking op de toegang tot een durk.





~durkswater:
oude term voor (lek)water onder in het schip. Tegenwoordig slop of lenswater genoemd.





~Durmeschip:
1> 17de eeuwse vrachtvaarder van circa 18,5 bij 2,4 meter met hengstachtige kenmerken.
Behalve dan bij G.J. Schutten blz.367 geen verdere vermeldingen gevonden.


2> 15de eeuwse jaagschuit die door één of twee mannen werd getrokken.





~duvel:
1> deuvel:
houten pen, waarmee houten delen aan elkaar bevestigd worden. Nadat de duvel aangebracht is wordt hier een deutel of een ark in gedreven. Door sommigen, mogelijk bij vergissing ook drevel genoemd.
Gerelateerde termen: scheepsnagel, tolk, veer-en-duvel.

2> zie dook.

3> bepaald type stakellicht. Niet te verwarren met het vuurduveltje

nb. Beduvelen in de zin van iemand voor de gek houden, heeft met geen van deze duvels iets van doen.






~duvelen, deuvelen, pennen:
met duvels of doken aan elkaar vastmaken.
Verwante term: deutelen.





~duvelpot:
soort doofpot voor het handstakelicht, de duvel.





~duwachterschip, duwkont:
een achterschip dat de mogelijkheid biedt om het vaartuig met een duwvaartuig voort te duwen.
Deze termen ben ik nog niet in druk tegengekomen. Ik heb ze toe moeten voegen om aan duwneuzen verwante constructies op het achterschip te kunnen benoemen.






~duwbak, bak:
vaartuig zonder eigen voortstuwing, meestal zonder verblijfsruimten en met een vrij rechthoekige bouw, gebouwd om door een duwboot voortgeduwd te worden. [A>]

Zelfvarende Duwbak
: soort kruising tussen een duwbak en een duwschip. Een duwbak voorzien van een voortstuwingsinstallatie en stuurhut(je) of een duwschip zonder bewoonbare vertrekken.
Misschien had men het beter een duwlichter kunnen noemen?


Verwante termen: kopbak, lashbak, scherlastflosse, bacobak, beunbak, containerbak, europabak, luikenbak tankbak en vrachtbak.





~duwbakkenkop:
zie duwbakkenneus.





~duwbakkenkont, duwbakkont:
vlakke rechthoekige achtersteven over de gehele breedte van het vaartuig. In de begin periode van de duwvaart had het vlakke deel een hoogte overeenkomend met circa een derde van de holte. Later werd dat steeds meer. Tegenwoordig is vaak de gehele achterkant vlak, maar worden de achterste duwbakken, achterstevoren gebruikt.





~duwbakkenmodel:
ongeveer de vormen als een duwbak hebbend.





~duwbakkenneus, duwbakkensteven, duwbakkenkop, duwbakkop, beitelsteven:
 steven, die volkomen vlak is, maar sterk voorover helt en waarvan het bovenste deel vertikaal staat. [A>]





~duwbakkensteven:
zie duwbakkenneus.





~duwbakkenvleugel:
zie duwvleugel.





~duwbakkont:
het achterste deel van een duwbak. Niet te verwarren met een duwbakkenkont.





~duwbakkop:
het voorste gedeelte van een duwbak. Niet te verwarren met een duwbakkenkop (duwbakkenneus).





~duwbok:
1> mogelijk ander woord voor duwknie of voor duweplatform.

2> constructie aan de voorkant van vaartuigen bestemd voor de bevesting van gereedschappen, werktuigen, die door het water voortgeduwd moeten worden. De duwbok wordt onder meer toegepast bij maai- en veegboten.





~duwboom:
zie gierboom.





~duwboot, motorduwboot:
motorvaartuig dat gebouwd is om andere schepen, voornamelijk duwbakken, voort te duwen. [A>]
De term motorduwboot wordt bijna uitsluitend in offiële geschriften gebruikt.






~duwbooteigenaar:
reder, schipper of andere particulier, die één of meerdere duwboten in de vaart heeft.





~duwbumper:
niet bekend. Mogelijk een duwsteven, die zich over de gehele breedte van het vaartuig uitstrekt. Zie ook duwplatform.





~duwcertificaat:
verklaring dat een vaartuig andere vaartuigen voort mag duwen en welke afmetingen deze vaartuigen dan mogen hebben.
Een duwcertificaat heeft men nodig wanneer men een "groot vaartuig" wenst te duwen.

Gerelateerde termen: duwboot, duwvaart, sleepcertificaat, enz.





~duwcombinatie:
een duweenheid of koppelverband.





~duwelevatorbak:
elevatorbak die tot duwbak verbouwd is of anderzins voor de duwvaart geschikt gemaakt is.
Bijna alle elevatorbakken zonder eigen voortstuwing zullen inmiddels duwelevatorbakken zijn.






~duwen:
het met een duwboot, duwschip of opdrukker voortstuwen van één of meer andere vaartuigen. Vergelijk: opdrukken.





~duweenheid, duwconvooi, duwkonvooi, duwstel, samenstel:
combinatie van een duwboot, duwsleepboot of duwschip en één of meerdere duwbakken of een duwsleepschip. [T> 50 jaar duwvaart]





~duwconvooi:
zie duweenheid.





~duwknie, duwpaal, duwschouder, duwbok, duwstoel:
zware vertikale balk aan de voorzijde van duwboten, duwsleepboten en op sommige duwschepen. Bij sommige duwsleepschepen gebruikt men deze knieën aan de achterzijde.





~duwkonvooi:
zie duweenheid.





~duwlichter:
vooral in de Rijnvaart gebruikt synoniem voor duwsleepschip.





~duwmotorschip:
zie duwschip.





~duwmotorvrachtschip:
zie duwschip.





~duwneus:
voorsteven die voor het duwen van schepen geschikt is (gemaakt).
Zie ook duwsteven.





~duwpaal:
zie bij duwknie.





~duwplatform:
rechthoekige uitbouw aan een (bestaande) voor- en/of achtersteven om het vaartuig voor de duwvaart geschikt te maken. Mogelijk ook duwbok of duwbumper genoemd.
Gerelateerde term: duwneus.





~duwponton:
term uit de liggers van de meetdiensten waarvan niet duidelijk is welk scheepstype er mee bedoelt wordt.
ZELFVAREND DUWPONTON
: ponton voorzien van eigen voortstuwing en duwknieën (neem ik aan).





~duwschip:
1> duwmotorschip, duwmotorvrachtschip:
groot vrachtschip waarvan het voorschip geschikt (gemaakt) is om andere schepen of duwbakken te duwen. [A>]

slepend duwschip
: duwschip, voorzien van sleepaccomodatie zodat het tevens schepen kan slepen. Naar men zegt, tussen 1962 en 1984, bij de Schweizerische Reederei AG in gebruik geweest. Andere bronen melden echter een andersoortig samenstel. Zie bij leverworst.
Gerelateerde termen: duwvrachtschip, duwtankschip, koppelverband.

2> volgens een enkeling: zowel een duwsleepschip, als een duwbak met een 'normale' voorsteven.





~duwschouder:
zie duwknie.





~duwschroef:
een schroef onder het achterschip. Een normale schroef dus.





~duwsleepboot, dslb, motorduwsleepboot:
1> sleepboot die voor het duwen van vaartuigen geschikt (gemaakt) is. Eigenlijk onjuist, ook sleepduwboot genoemd. [A>]

2> vaartuig dat zowel als sleepboot en als duwboot gebouwd is. De ene helft lijkt voornamelijk op een duwboot en de andere helft voornamelijk op een sleepboot. Van dit type vaartuig zijn mij slechts twee exemplaren bekend: Piet Hein [schepenDB] en Bison [schepenDB]





~duwsleepschip, duwlichter:
sleepschip met een voor de duwvaart aangepast achterschip. Eigenlijk onjuist, ook sleepduwschip genoemd. [A>]





~duwsleepvlet:
sleepvlet met duwsteven(2). Vaak, maar eigenlijk onjuist, ook sleepduwvlet genoemd.





~duwstel, duweenheid, samenstel:
combinatie van een (echte) duwboot en één of meerdere duwbakken.





~duwsteven:
1> steven met een rechthoekige vlak met geringe hoogte over de volle breedte van het vaartuig. Ook duwbakkenneus genoemd.
Mogelijk is ook de term duwbumper van toepassing.

2> (duwpaal) constructie met één of twee, voor de steven uitstekende, duwknieën op schepen, die geen duwbakkenneus hebben, zoals bij bijv. de duwsleepboot. [A>]

3> rechthoekige uitbouw aan de bovenzijde van een normale (voor- of achter)steven. [A>]
Wanneer dit een aanpassing van een bestaand voor- of achterschip is, spreekt men vaak van duwplatform.


4> zie duwneus.





~duwstoel:
ongebruikelijke term voor duwknie.





~duwtankbak:
een duwbak voorzien van ladingtanks. Veelal alleen tankbak genoemd.
Zie ook tankduwbak en gastankduwbak.
Onder meer genoemd in de liggers van de meetdiensten.






~duwtankschip:
tankschip dat tevens een duwschip is. De term is niet erg gebruikelijk en wordt alleen gebruikt om onderscheid met duwvrachtschepen te kunnen maken. [A>]





~duwtransportbak:
in de liggers van de meetdiensten gebruikte term voor een soort ponton.





~duwvaart:
de scheepvaart met duwboten en duwbakken of koppelverbanden. [T> 50 jaar duwvaart] [A>]





~duwvaartgeschiedenis:
de geschiedenis van de duwvaart. [T> 50 jaar duwvaart]





~duwvaartproef:
soort proefvaart / vaarproef met een duwstel o.i.d., meestal bedoelt om het vaargedrag van de combinatie te kunnen bepalen. [A>]





~duwvaartrederij:
rederij, die voornamelijk duwvaartuigen in gebruik heeft.





~duwvaartsluis:
sluis die voornamelijk bestemd of ingericht is om de duwvaart ten dienste te zijn. [Gerelateerde termen >]





~duwvaartuig:
verzamelnaam voor alle vaartuigen, die geschikt zijn om om schepen voort te duwen; duwboot, duwschip en duwsleepboot.
De opdrukker wordt over het algemeen niet tot de duwvaartuigen gerekend.





~duwvaartvloot, duwvloot:
de totale verzameling van duwvaartuigen.





~duwvaartwerf:
scheepswerf, die voornamelijk duwboten, -schepen en/of -bakken bouwt.





~duwvleugel, vleugel:
paarsgewijs aan het achterschip van het geduwde vaartuig aangebrachte 'wanden', die voor een betere aansluiting op het voorschip van het duwende vaartuig moeten zorgen. Tegenwoordig spreekt men in toenemende mat van bakken met een zwaluwstaart. [A>]
Duwvleugels zijn een vrij recente ontwikkeling en hebben voornamelijk tot doel om het brandstofverbruik terug te dringen. Door deze aanpassing is de duw'bak' niet langer geschikt om door elk willekeurig vaartuig geduwd te worden, maar gebonden aan één bepaald (type) duwschip. Duwvleugels vinden daarom (bijna) uitluitend toepassing bij koppelverbanden.






~duwvloot: duwvaartvloot.





~duwvrachtschip:
vrachtschip, dat tevens een duwschip is. De term is niet erg gebruikelijk, hij wordt voornamelijk gebruikt om onderscheid met duwtankschepen te kunnen maken. [A>]





~duwwerk:
1> het varen met of beter gezegd het duwen van, duwbakken, pontons, etc..

2> de uitrusting, die in verband met de duwvaart aangebracht is.





~Duyvendijker, Duyvendijkse klipper:
zie bij duivendijker.





~d.w.:
op vrachtbrieven gebruikte afkorting voor Duitse wetgeving.
In de overeenkomst ging de regeling ten aanzien van los-, laad- en overligdagen meestal volgens de landelijke regeling van het land waarin de laad of de losplaats gelegen was.






~dwars:
onder een hoek van circa negentig graden met de lengteas van het schip.





~dwarsbroezen:
het langszij uitspoelen van de ankerkuil, bij de ankerkuil/schokkervisserij. Ook dwarsbungelen.
broezen en dwarsbroezen.





~dwarsdraad:
tros of staaldraad tussen het voordek van een Waalschokker en een vast punt de oever.
Zie verder bij visdraad.





~dwarsdrijven:
1> verlijeren.

2> wordt gezegd wanneer een schip niet aan de wind wilt zeilen. [U>]

3> al drijvend dwars op het vaarwater geraken.





~dwarsdrijver:
1> een schip dat sterk verlijerd.

2> een schip dat slecht aan de wind wilt zeilen.

3> een schip dat dwars in het vaarwater geraakt is.





~dwarsdubbeling, vlakspant:
constructie van een houten vlak waarbij de vlakdelen door, tegen elkaar aanliggende, dwarsscheepse planken bij elkaar gehouden worden.
Vergelijk: dwarsklamp.





~dwarselevator:
soort van emmerbaggermolen waarmee men elevatorbakken e.d. leeg haalt. De ladder staat in dit geval niet in de lengterichting van het vaartuig, maar dwars daarop. Vandaar de naam. Wat uiterlijk betreft makkelijk te verwarren met sommige bunkermachines.
Gerelateerde term: langselevator.





~dwarsgetuigd:
zie dwarsscheepsgetuigd.





~dwarshalen:
een vaartuig haaks op de oever leggen, bijvoorbeeld om de kop te kunnen schilderen of het schip voor een langshelling te leggen.





~dwarshangen:
het langszij uitspoelen van de ankerkuil, bij de ankerkuil/schokkervisserij. Ook dwarsbungelen, dwarsbroezen, broezen en 'achter de plank hangen' genoemd.
Gijs Sepers, Waalschokkers zijn geen schokkers, Spiegel der Zeilvaart 8/2000.
Volgens Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland maakt men bij het dwarshangen/dwarsbungelen het kuilnet los van de kuilhouten, bij het 'gewone bungelen' niet.






~dwarshelling, dwarsslede, kanthelling:
helling waarbij het schip dwarsscheeps in en uit het water gebracht wordt. [A>] De term wordt zowel voor reparatie-, als voor bouwhellingen gebruikt.





~dwarshout: ra.





~dwarsklamp, vlakspant:
constructie waarbij de vlakdelen door dwarsscheepse planken, die niet tegen elkaar aansluiten, bij elkaar gehouden worden.
Vergelijk dwarsdubbeling.





~dwarsknijp:
zie bij knijp.





~dwarskooi:
kooi haaks op de lengte richting van het schip.





~dwarskuil, wonderkuil, moordkuil :
kuilnet dat, terwijl men het schip laat verlijeren, naast het schip voortgesleept wordt. [E> Verhaal over de visserij met de MK 30]
Deze vorm van visserij werd voornamelijk met botters op de Zuiderzee uitgeoefend. De ene kant van de kuil is verbonden met het voorschip, de andere kant met het achterschip. In sommige kringen wordt aan deze kuil ook de naam wonderkuil en moordkuil gehecht. Daar men echter met slechts één schip viste en de wind alleen kon gebruiken voor het verlijeren, werden er echter kleinere vangsten gemaakt dan in de spanvisserij.
Volgens Nieuwlanderfgoed duurde het breien van een dwarskuil ongeveer 8 weken.

[Diverse termen inzake het vistuig >.]





~dwarskuiler:
vaartuig dat met de dwarskuil vist, dan wel de schipper daarvan.
Zie ook kuilvisser.





~dwarskuilvisserij:
de beroepsmatige visserij met de dwarskuil.





~dwarslier:
willekeurig draadlier, waarvan de hoofdas evenwijdig met de lengterichting van het vaartuig ligt. Soms ook zijlier genoemd.
a> draadliertje tegen het voorste luikenhoofd of vooraan op de kapdeksel, dan wel het voorste herftdek, dat op sleepschepen gebruikt wordt om de strangendreg binnen te draaien.
Aan boord van het sleepschip zelf gebruikte men soms de term strangenlier. Er kon toch geen verwarring met de strangenlier aan boord van de sleepboot ontstaan.


b> dwarsscheeps op het voordek geplaatst draadlier van redelijke afmetingen waarmee de strangendreg ingedraaid kon worden. Vaak tevens gebruikt als verhaallier.

c> draadlier van redelijke afmetingen. Bedoelt om het schip zijdelings te verhalen.
onder meer toegepast langs de randen van baggermolens, pontons e.d. en bij vrachtschepen ongeveer midden op de luikenkap.






~dwarsliggen:
1> haaks op het vaarwater of de belangrijkste vaarrichting liggen.

2> haaks op de golven, wind of stroom liggen.





~dwarsligging:
de wijze waarop het schip langsscheeps gezien uit het lood ligt. Wordt de dwarsligging groot dan spreekt men van slagzij.





~dwarsscheeps:
haaks op de lengterichting van het schip.





~dwarsscheepsgetuigd, dwarsgetuigd, vierkantgetuigd:
voorzien van een tuigage met een dwarsscheepszeil als het belangrijkste zeil.
Een schip met een gaffelgrootzeil dat een breefok voert is dus niet dwarsscheepsgetuigd.
In de binnenvaart werden over het algemeen maar aan één mast, de voorste, dwarsscheepse zeilen gevoerd. Ook gebruikte men vaak slechts één groot zeil. Alleen onder gunstige omstandigheden werd er boven dit zeil een veel kleiner toprazeil gehesen.






~dwarsscheepsschot:
schot dat dwars op de lengterichting van het schip geplaatst is. Zie verder bij schot.
De meeste dwarsscheepse die welke zich benedendeks bevinden lopen van boord tot boord en zijn tegenwoordig water- en vaak ook gasdicht.






~dwarsscheepstuig:
tuigage met een dwarsscheepszeil als belangrijkste (grootste) zeil aan de voorste mast.
Zie ook bij dwarsscheepsgetuigd.





~dwarsscheepsverband, dwarsverband, spant:
houten of metalen delen, min of meer haaks op de lengteas van het vaartuig, die de gangen van het schip, of andere delen, die de buitenkant van het schip vormen, bij elkaar houden en bijdragen tot de sterkte van het schip.





~dwarsscheepszeil:
zeil, dat ter weerszijde van de mast gespiegeld is. [A> afb. Kof.]
Dwarsscheepse zeilen die aan boord van binnenvaartschepen gebruikt werden, zijn onder meer: het razeil, het toprazeil, en de breefok.
Bijna alle dwarsscheepse zeilen zijn symetrisch en met hun bovenkant bevestigd aan een horizontaal rondhout: de ra. Het midden van de ra is in de meeste gevallen beweeglijk verbonden met een punt op zekere hoogte in de mast. Men kan stellen dat het voorgaande in de Nederlandse binnenvaart regel is. In de zeevaart treft men echter diverse andere vormen aan. Zo zijn de lijzeilen asymetrisch en niet aan de mast, maar aan het uiteinde van de ra bevestigd. Wel is het lijzeil aan bakboord het spiegelbeeld van dat aan stuurboord.

Gerelateerde term: langsscheepszeil.





~dwarsschot:
een dwarsscheeps schot.





~dwarsslede:
1> pars pro toto voor een sleephelling die een dwarshelling is.

2> elk der sledes van voornoemde helling.





~dwarsstrevel:
zie bij strevel.





~dwarsstroming:
zie dwarsstroom.





~dwarsstroom, dwarsstroming:
een stroming ongeveer haaks op het vaarwater of op de te varen koers.





~dwarsstrooms:
dwars op de richting waarin het water stroomt.





~dwarstij:
een tijstroom die dwars op de voorgenomen vaarrichting staat.





~dwarstouw:
een touw, of een landvast dat ongeveer haaks op de lengterichting van het schip staat.





~dwarstrekken:
1> het stroomafwaarts draaien van de toegetrokken zegen. De zegen komt daarmee in de positie te liggen waarin hij binnegehaald kan worden. In plaats van bijzwenken spreekt men plaatselijk ook van bijzwenken, bijkomen, bijslaan, inzwaaien, omkomen, bijzwaaienenz. [Diverse termen inzake de visserij >.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.


2> bij het achteruitslaan met schroef dermate veel last van de schroefreactie hebben dat het schip met de achterzijde sterk naar één richting wegdraait.





~dwarsuit:
DWARSUIT GAAN
: de koers negentig graden wijzigen, een scherpe haakse bocht maken.
DWARSUIT HEBBEN
: op een rechte lijn haaks op het schip hebben.





~dwarsvaart:
gegraven waterweg, meestal alleen van plaatselijk belang, die op een belangrijkere, meestal doorgaande, vaart of kanaal uitkomt. Zie ook dwarswijk.





~dwarsvallen:
ongewild zo komen te liggen dat wind en golven dwars in komen. Zie ook dwarsliggen.
Voornamelijk in relatie met het zeilen gebruikt en dan vaak in de zin van ongewild dwarsvallen.






~dwarsverband:
verkorting van dwarsscheepsverband.





~dwarsversterkingen:
die delen van het dwarsscheepsverband, die toegevoegd of extra sterk geconstrueerd zijn.





~dwarsvergasser:
gasgenerator waarbij de lucht-gasstroom vrijwel horizontaal door de brandstofvergasser gaat.





~dwarsvergassing:
bepaalde vorm van vergassing gebruikt bij gasgeneratoren.





~dwarsvissen:
vissen met een combinatie van een schutwant en een fuik met één vleugel dwars op de oever waarbij de fuik in het verlengde van het schutwant staat. Vergelijk langvissen en overige termen inzake het vistuig L> .
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~dwarswijk:
dwarsvaart die op een wijk aansluit.





~dwarszees:
dwars op de richting waarin de golven zich bewegen.





~dweil:
een oud zeil.





~dweilen:
tijdens het zeilen de giek door het water slepen.





~dweilstok:
de stok van een jacht- of stokdweil.





~dweilstokspijker:
lange gesmede, vam weerhaakjes voorziene, nagel met ronde kop waarmee de dekenstroken aan de stokdweil bevestigd worden.





~dwinger:
soort strop, gemaakt van één enkel kardeel waarvan de einden op elkaar gestoken zijn. Zie ook grommer. [Meer gerelateerde termen >]





~dwingijzer:
zie boeitang.





~dye:
zie die.


Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Haarlem.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken