banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst Dou





~douaneboot:
(open) vaartuig dat gebruikt wordt voor het houden van toezicht op de in- en uitvoer van goederen per schip.
Vroeger werden hiervoor inderdaad roeiboten en open 'motor'vaartuigen gebruikt, maar sinds het begin van de 20ste eeuw voornamelijk scheepjes. Ook al gebruikt men inde Rijnvaart veelvuldig de termdouaneboot de term douanevaartuig is echter beter op z'n plaats [uitleg].






~douanevaartuig, douaneboot:
vaartuig dat gebruikt wordt voor het houden van toezicht op de in- en uitvoer van goederen per schip.
zie ook "groene boot".





~draad:
1> staaldraad.
2> touw, tros of staaldraad waarmee men het schip vastlegt, sleept of ankert.




~draadbak: trossenbak.





~draadboot, draadsleepboot :
soort kettingboot, die echter in plaats van ketting, staaldraad gebruikt.
In het duits ook hex(e) of Rheintauer genoemd.
[E> Seilschifffahrt auf dem Rhein (Wikipedia)]
Het vooral in Duitsland toegepast systeem waarbij het vaartuig zich aan een kabel voorttrekt, heeft als voordeel dat het vaartuig een grotere bewegingsvrijheid heeft dan een vergelijkbare kettingboot. Dit komt voornamelijk door het geringere gewicht, ca. de helft, die een staaldraad t.o.v. een vergelijkbare ketting heeft. De dikte van de staalkabel was ca. 36 tot 45 mm. De staalkabel had een levensduur van ongeveer 5 jaar. Teneinde zich langs de draad voort te kunnen trekken was de sleepboot voorzien van een 'kleppenwiel'. Dit wiel, een vinding van de ingenieur Fowler had een V-vormige groef die uit vele onafhankelijk scharnierende helften bestond. De druk van de draad op de onderzijde van elke klep, deed de zijkanten van de twee helften naar elkaar toe bewegen, waardoor de draad klem kwam te zitten.(meer...)
De sleepboten trokken alleen stroomopwaarts. Zij gingen vrijvarend terug. De snelheid bedroeg ca. 4 km/u en men kon tot ca. 1300 ton aan gezamelijk laadvermogen der gesleepte schepen slepen. Volgens de Duitse Wikipedia had een draadsleepboot, voor een gelijke prestatie, slechts ca. 2/9 van het vermogen van een radersleepboot nodig. Het kolenverbruik was natuurlijk ook evenredig kleiner.






~draadbindsel:
bindsel gemaakt met bindseldraad.





~draadhaspel:
meestal kleine draadtrommel, die door middel van een slinger rondgedraaid kan worden.





~draadklem:
1> zie bij kies.

2> zie draadstopper.





~draadkluis:
opening, vaak in het boeisel of de verschansing, versterkt met een stevige ronde rand, de kluisbaard, waardoor een staaldraad gevoerd kan worden.





~draadlier:
mechanisch werktuig waarmee men staaldraden kan inhalen of vieren. [A>]
Gerelateerde termen: draadrol, draadhaspel, bergingslier, davitlier, hijslier, zeil- of tuiglier, strangenlier, strijklier, verhaallier, zwaardlier en zwenklier.





~draadreling
afrastering, hekwerk, bestaande uit een aantal scepters waartussen één of meer staaldraden of lijnen, de relingdraden, gespannen zijn.
Draadrelingen worden in de binnenvaart niet veel toegepast. Men ziet ze onder andere toegepast als verhoging van een laag boeisel of een lage verschansing.






~draadrol:
1> draaibaar cylindervormig stuk metaal bedoelt om staaldraden (evt. ook touw of ketting) te geleiden. [A>]

2> draadschijf met kleine diameter.

3> draadtrommel.





~draadschijf, staaldraadschijf:
schijf van een blok speciaal bedoeld voor staaldraad. [A> nr.1]
Deze schijven zijn meestal van metaal en hebben een halfronde groef, die net zo breed is, als de staaldraad, waarvoor ze bedoeld zijn, dik is.





~draadstopper, draadklem:
inrichting waarmee men staaldraden vast kan zetten. O.a. toegepast op strangenlieren en dan strangenklem genoemd [A>] en bij laadmasten(2) en dan hangerklem genoemd.




~draadterminal:
moderne constructie, waarmee staaldraad van een massief metalen uiteinde voorzien wordt.




~draadtrommel, draadrol, draadhaspel:
cylindrisch lichaam met (grote) flenzen, waarop een staaldraad gewikkeld kan worden.




~draadvang, trossenvanger:
haakvormige klamp of beugel op verschansing of achterroef van sleepboten. [A>]




~draadwant:
leren want, die men gebruikt wanneer men staaldraad moet hanteren.




~draaglap, lap:
grote
roeispaan, vaak meer dan 6 m lang, die men tijdens het stevelen gebruikte om het vaartuig op koers te kunnen houden.
Op schepen met een geringe holte werden draaglappen van ca. 6 m gebruikt. Naar mate de holte toenam, nam ook de lengte van de draaglap toe. De grootsten waren ca. 9 meter lang. Op de grote houtvlotten op de Rijn, de Holländer kon de lengte echter oplopen tot 16 meter. Deze lappen moesten door 6 à 7 man bediend worden.
De draaglappen op de grote vlotten waren er uitsluitend om het vlot op koers te houden. Op kleinere vlotten en op vaartuigen werden ze ook gebruikt om (te helpen) het vaartuig voort te stuwen.
Op schepen wordt de draaglap op het voorschip vaak boeglap genoemd. Sommige schepen bezaten achterop geen roer. De draaglap op het achterschip fungeerde daar dus als roerspaan/stuurriem. Een roerspaan kan echter, in het algemeen, niet gebruikt worden om roeiende bewegingen mee te maken, hetgeen met de draaglap wel kan.

Gerelateerde term: kandelaar.





~draagvermogen:
1> het gewicht dat een drijvend voorwerp kan dragen, zonder dat het zinkt of instabiel wordt.
De term wordt meestal gebruikt voor drijflichamen, vlotten, pontons, enz., die bepaalde 'vaste' constructies, zoals bijv. loopbruggen en steigers dragen.


2> bij schepen: vaak gebruikt als synoniem voor het laadvermogen, maar eigenlijk het totale gewicht van het afgeladen schip, min het eigen gewicht van het schip.
Behalve zijn eigen gewicht en de lading draagt het schip ook al het andere wat aan boord gebracht is zoals: uitrustingstukken, brandstof, meubilair, bemanning, enz.






~draagvleugelboot:
een draagvleugelboot is over het algemeen geen boot maar een schip. [Uitleg]

vaartuig dat uitgerust is met vleugelvormige constructies, die onder de romp uitsteken waardoor, bij voldoend hoge snelheden, de romp zich geheel of gedeeltelijk uit het water verheft. [A>] Draagvleugelboten worden een enkele maal voor het vervoer van passagiers gebruikt.





~draai:
een draaibrug; in het bijzonder een kleine draaibrug: een draaivonder.





~draaicent: bruggeld.





~draaien:
1> keren, zwaaien, kop voor nemen: met een vaartuig een bocht van 180 graden maken.
2> varen.
3> bij bruggen en sluizen: de brug of sluis wordt bediend.
4> het inwerking zijn van een machine.
DE ACCU'S VOL DRAAIEN, STROOM DRAAIEN
: met behulp van een hulpmotor de accu's opladen.





~draaier, sleper:
stuk gereedschap, als vervanging voor de kleedkuil.
Uitlopend, licht s-vormig gebogen, plat stuk staal, met daarin drie gaatjes en aan het smalle uiteinde voorzien van een draadhaspeltje.






~draaigeld: bruggeld.





~draaigroei:
eigenschap van diverse bomen om tijdens hun bestaan een verdraaiing rond de kern van het hout te vertonen.
Hout dat een sterke draaigroei vertoont is ongeschikt als timmerhout; het zal altijd scheluw trekken.






~draaiijzer:
steun waarop een lichtbak geplaatst kan zijn, waarbij het mogelijk is de steunen dusdanig te draaien dat de lichtbak verder vanuit het midden van het vaartuig komt te staan.





~draaikolk: zie bij maalstroom.




~draai-over-boord:
zeilschip waarbij men het helmhout tot buiten het boord kan draaien. Vooral gebruikt voor tjalken om onderscheid te maken tussen hektjalken en de andere tjalken.





~draairooster:
onderdeel brandstofvergasser. Langzaamdraaiende of draaibare metalen constructie waarop de brandhaard ligt. Het draairooster bestaat vaak uit meerdere excentrisch geplaatste lagen, die elk uit een aantal 'schoepen' bestaan. Het geheel heeft tot doel het aaneenkoeken van verbrandingsresten, slakken, te voorkomen en zodoende voor een betere lucht-gasstroming te zorgen.





~draairoostergenerator, draairoostergasgenerator:
brandstofvergasser waarbij gebruik gemaakt wordt van een draairooster. Onderandere Deutz en Stork produceerde dergelijke gasgeneratoren.





~draaischeerstok:
niet voldoende bekend. Vermoedelijk een bint dat, nadat de ene kant ontgrendeld is, zijdelings tegen de den weggeklapt kan worden.





~draaispil: windas.





~draaispant, steker:
spant dat haaks op de scheepshuid en daarbij duidelijk onder een hoek met de lengteas van het vaartuig staat.
In kop of kont kan men er voor kiezen het spant zoveel mogelijk haaks op de lengte-as te houden, de buitenkant van het spant moet dan sterk afgeschuind worden, of men houdt het spant zoveel mogelijk haaks op de huid. In het laatste geval wordt er minder hout verbruikt, maar komen de ondereinden van de spanten met elkaar in de knoei, zodat men de spanten nog maar nauwelijks tot voorbij de kim kan door laten lopen. Dit alles speelt bijna uitsluitend een rol bij houtbouw.






~draaistok:
bij het bekleden gebruikte korte stok waarop het garen of draad gewikkeld wordt. In het uiteinde van de stok zijn twee of drie gaten geboord waardoor het garen of draad geleid wordt. Deze omleiding zorgt er voor dat er tijdens het bekleden voldoende spanning op het garen of de draad blijft staan. Eventueel kan over de stok een haspeltje geschoven zijn, waarop het draad dan gewikkeld is.





~draaiturf:
extra turven, die de schipper gegeven werden om daarmee de bruggen in het veengebied te kunnen betalen.




~draaivonder, draai:
een eenvoudige kleine draaibrug. [A>]
Gerelateerde term: zet.




~draam, binnenboord:
1> balk langs de bovenkant van de spanten. Hierop rusten vaak de dekbalken.
2> dekweger.




~draap:
plaatselijke term voor een zandrug op de bodem van de rivier.
Gewoonlijk rug genoemd, maar eigenlijk meer vergelijkbaar met een stroombult.



~dracht: zie drecht.




~drainen:
de laatste resten uit een ladingtank pompen.




~drainleiding:
pompleiding waarlangs de laatste resten uit een ladingtank gepompt worden.




~drait: zie drecht.




~drang:
de druk van het langsstromende water of schroefwater in
GEEN DRANG OP HET ROER HEBBEN
.




~drecht:
1> dracht, drait, drift:
algemene benaming voor natuurlijk water in Holland en Friesland.

2> drift, dreef:
doorwaadbare plaats.




~dreef:
1> gedeelte van de rivier geschikt voor, of in gebruik bij, de drijfnetvisserij.
2> de afstand, dat een uitstaand visnet, stroomafwaarts drijvende, aflegt.
3> zie bij drecht(2).




~dreg, dregge:
stalen voorwerp met een steel waaraan vier (soms slechts drie) kruislings geplaatste, gebogen armen zitten.
Gerelateerde termen: drenkelingendreg, ankerdreg, lijkendreg, raamdreg, dreglijn, dreggen.




~dreganker: ankerdreg.




~dregge: dreg.





~dreggen:
de bodem van een water met behulp van een dreg afzoeken naar gezonken voorwerpen of drenkelingen.





~dreglijn:
soepele stevige lijn, die aan een dreg gebonden is.
Vroeger gebruikte men daarvoor meestal henneplijn, tegenwoordig een koord van drijvend kunststof.






~dreibord:
1> kleine ankerschuit voor een vlot. (een drieplank?)

2> Eenvoudig gebouwd vrijwel symetrisch vaartuig met knikspantromp. Een beetje schouwachtig, maar zonder duidelijk voor en achterbord en daardoor veel spitser. Mogelijk ook bekend als Nachen en leinenschlepper. [E> Olivers Bibliothek]





~dremmelaar:
oude term voor kromsteven.





~drempel:
1> sluisdrempel.
2> natuurlijke of kunstmatige, plaatselijke, ondiepte over de volle breedte van het vaarwater.





~drenkeling:
iemand die te water (geraakt) is en zonder hulp de dood zou kunnen vinden.
Eigenlijk iemand die zou kunnen verdrinken, maar aangezien de meeste 'drenkelingen' door onderkoeling en niet door verdrinking om het leven komen, worden ook de hiervoor omschreven personen tot de drenkelingen gerekend.






~drenkelingendreg, werpdreg, dreg:
vrij kleine dreg, waarvan de haken in een punt eindigen. Rond de punten zijn (messing) tonnetjes geschoven, zodat de punten maar nauwelijks uitsteken. De bedoeling is dat de punten wel in kleding blijven haken, maar niet de huid van de drenkeling ernstig zullen beschadigen.





~drenkelingenhaak :
1> drenkelingenhaakstok: lange stok met aan het uiteinde een ruim gebogen stalen haak met ronde knop. Voornamelijk op reddingboten, sluizen en soms ook bruggen aanwezig.

2> alleen het metalen gedeelte van een drenkelingenhaak(stok).





~drenkelingenhaakstok:
zie bij drenkelingenhaak.





~drenkelingenplatform, drenkelingenplateau:
opklapbaar, vast, of ingebouwd plateau op geringe hoogte boven de waterlijn, aan de achterzijde of nabij de achterkant van een vaartuig.
Het drenkelingenplateau kan men op reddingboten en sommige overheidsvaartuigen aan treffen.






~Drent, Drenth:
1> Drentstuig.
2> Drentse gaffel.
3>
Drentse fok.
4> door sommige schippers soms gebruikt voor elk beetje armoedig schip.




~Drentsche: zie ook Drentse.





~Drentsche Kanaal Maatschappij:
organisatie, die in 1850 het beheer, onderhoud en de verbetering van de Hoogeveense vaart op zich nam en de Verlengde Hoogeveense Vaart aanlegde. [E>]





~Drentse boeier:
scheepstype. Bij Petrejus afgebeeld vrachtscheepje dat ook
Drentse marktpraam
genoemd wordt.
Onder Drentse marktpraam verstaat men echter een type dat te veel afwijkt van het afgebeelde vaartuigje. Dit scheepje heeft duidelijk een boeisel, maar wat belangrijker is, is dat dit boeisel aan kop en kont een redelijke breedte blijft behouden. De berghouten lopen daardoor niet zo sterk naar de stevens toe op. Al met al toont dit scheepje een veel gebruikelijker lijn dan de turfpramen. Wel lijkt de indeling van het scheepje overeen te komen met de marktpraam; een open ruim, een bewoonbaar vooronder en een zeer klein en laag achteronder. Verdere gegevens ontbreken helaas.





~Drentse fok:
1> fok met aan de bovenzijde een kort (max. 75 cm. lang) dwarshout.
2> lichte fok, die bij het vaartzeil hoort.
3> foutieve benaming voor een stormfok.





~Drentse gaffel, Drent:
korte rechte gaffel, vaak zonder klauw.




~Drentse maat:
ongeveer de maat waarmee men in Drenthe kon komen. Mogelijk 27 x 5,2 x 1,55 m.




~Drentse marktpraam:
zie bij marktpraam.





~Drentse praam:
scheepstype, verwant aan de Overijsselse pramen:
Een gedekt zeilschip, meestal met luikenkap, dat in grote lijnen gelijk is aan de Drentse marktpraam, maar echter een wat voller, stomper, achterschip en een echt boeisel over de gehele lengte, heeft.




~Drentstuig:
1> gaffeltuig met  Drentse gaffel (en/) of Drentse fok. Naar het schijnt mocht men vroeger in Drente slechts één van beide zeilen voeren.

2> gaffeltuig met een vaartzeil of beter gezegd een kanaaltuig.




~drevel: duvel.




~drevelhamer:
hamer met aan één zijde van de kop een deel dat in een stompe punt eindigt. Met de drevelhamer kunnen nagels tot ìn het hout weggeslagen worden.




~driebladsschroef:
schroef met drie schroefbladen. [A>]




~driedraads.....:
ongebruikelijk synoniem voor driestrengs...... .




~driehoekzeil
driehoekig grootzeil waarvan de lijnen tussen de hoekpunten, een (bijna) rechthoekige driehoek vormen en de tophoek ca. 45 graden bedraagt.
Het driehoekzeil werd soms gebruikt op kleine scheepjes, zoals bijv. de Grundel en de Westlander.




~driekleurigtoplicht, carnavalslicht:
combinatie van boordlichten en het heklicht verenigd in één lantaarn.




~driekwarter:
1> een Zalmdrijver van ca. 6,6 x 1,9m.
2> bepaalde maat 'Langedijker' praam. [A>]




~drielaagsvaart:
de scheepvaart, waarbij vrachtschepen met hooguit drie lagen containers geladen worden.




~drielasttakel: ziederdelasttakel.





~drieling:
type Westlander, ca. 8 tot 14m, geen roef, alleen bij de klapmutsen(6) een boeisel, zeer eenvoudige tuigage, soms ontbrekend, meestal een overhaler i.p.v. een normaal stel zwaarden. De kleinste Drielingen worden Tweelingen genoemd.  [S>]





~drieloper:
zie derdehandtakel.






~Drieplank:
open roeivaartuig, mogelijk gelijk aan de Boerenschouw., maar waarschijnlijker is het dat het de Nederlandse naam voor de Duitse Dreibord is.





~drieschijfsblok:
blok met drie schijven naast elkaar.




~drieschijfstakel:
1> volgens sommige woordenboeken: een takel met (twee) drieschijfsblokken. Een jijn dus.
2> vermoedelijk: een takel met drie schijven (verdeeld over twee blokken). Een drieloper bijv.




~driestrengstouw:
touw geslagen met drie kardelen. [A>]




~driestrengsknoop:
kardeelknoop gelegd met drie kardelen.




~drievoudige paalsteek:
paalsteek gelegd in dubbel genomen eind touw, waarbij het halende part (de lus van het dubbele eind) zo groot genomen wordt, dat deze net zo groot is als de lussen van de paalsteek zelf.




~driewandig:
van visnetten: net bestaande uit drie over elkaar liggende netten. Het binneste net, het vangnet heeft kleinere mazen, dan de daarbuiten liggende netten, de ladderings.




~driewegsluis:
schutsluis met één kolk en drie sluishoofden.




~drift:
1>  wraak: door wind of stroom veroorzaakte zijdelingse verplaatsing van een varendschip.

2> zie bij drecht.




~driftig:
gemakkelijk door wind of stroom uit de koersgezet kunnen worden.




~drijfanker, zeeanker:
soort sleepzak, die men op zee of zeer ruim water gebruikt om, terwijl men het schip laat deinzen, de kop op de wind te houden. Voor zover bekend, in de binnenvaart nauwelijks gebruikt.




~drijfbaken:
soort van kleine boei.




~drijfbocht:
zie drijfvuil.




~drijfhout:
in het water ronddrijvende resten van bomen, takken, wortels.
zie ook zinkhout.





~drijfijs:
ijs, dat in de vorm van schotsen, op het water drijft.





~drijfkraan, laadbrug:
drijvend werktuig waarmee schepen geladen en gelost kunnen worden. De drijfkraan bestaat uit een ponton met daarop, in vakwerkconstructie, een kolom waaraan een zeer forse horizontale arm bevestigd is. Onder deze arm beweegt zich een grote zware grijper. [A> drijfkraan] De drijfkraan wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de overslag van bulkgoed vanuit zeeschepen in binnenvaartschepen.

De moderne drijfkraan is minder bijzonder. Het is gewoon een groot formaat kraan, welke op een ponton geplaatst is.





~drijfkussen:
klein drijfmiddel meestal vierkant van model en ook geschikt om op te zitten.
Naar horen zeggen wordt een drijfkussen, dat tevens als zitkussen gebruikt wordt, niet als officieel reddingsmiddel aangemerkt.






~drijflichaam:
voorwerp bestemd om een voorwerp, dier of persoon (meer) drijfvermogen te geven.





~drijfmiddel:
drijflichaam bestemd voor één of meerdere personen.




~drijfnet:
staand driewandig visnet, dat men met de stroom mee laat drijven.




~drijfnetvisserij:
het vissen met drijfnetten.




~Drijfschuit:
Zie Zalmdrijver.




~drijftil:
(klein) losdrijvend eilandje, meestal grotendeels bestaand uit riet.





~drijfvermogen :
het gewicht van de, door een bijna geheel ondergedompeld voorwerp, verplaatste hoeveelheid water, minus het eigen gewicht van dat voorwerp. Deze maat is o.a. voor reddingsmiddellen van belang.
PERSOONLIJK DRIJFVERMOGEN
: voorwerp, met een bepaalde hoeveelheid drijfvermogen, bestemd om door één persoon gebruikt te worden; meestal een reddingvest.





~drijfvleet:
@nog niet bekend.





~drijfvuil :
al het drijvende vaste vuil.
Onder riviervissers voornamelijk dat vuil dat in de netten terecht komt. Door hen onderandere ook bocht, drijfbocht, knoei, stravel, pestriet, dok, haft en niersvuil genoemd.





~drijfvuilrooster:
onderdeel van een veegarm. Voor de overstortrand geplaatst rooster dat grofvuil tegen moet houden.





~drijfwant:
bepaald soort vistuig.




~drijven
1> volledig door het water gedragen (kunnen) worden.
2> dobberen, stevelen: een vaartuig, zonder een middel tot voortstuwing te gebruiken, laten verplaatsen.
3> (geen echte scheepsterm) met stevige slagen iets ergens in of uit slaan. Ondermeer van toepassing op het breeuwen waar men het werk in de naden drijft.





~ drijvend:
alleen door de opwaartse kracht van het water, boven water uitstekend.
DRIJVENDE BOK
: meestal kortweg bok genoemd.
DRIJVEND DOK
: droogdok(2).
DRIJVEND WERKTUIG
: drijvende constructie, waarmee werkzaamheden in of langs het vaarwater uitgevoerd worden, in de regel niet voorzien van een voortstuwing waarmee het object over grotere afstanden verplaatst kan worden.
DRIJVENDE INRICHTING
: in het water drijvende constructie, die in de regel niet verplaatst wordt.
Een woonark bijv. is dus een drijvende inrichting
.





~drijver:
1a> flink drijflichaam, dat een voorwerp, bijv. een visnet, drijvende houdt.
b> vlotter, dobber: klein drijflichaam, meestal gebruikt voor netten, markeringen en vislijnen.
2> verkorting van Zalmdrijver.




~Drijverschuit: Zalmdrijver.




~driltjen:
Gronings voor wegen.




~Drimmelaar:
oude term voor kromsteven.




~drinkwaterboot:
meestal verkort tot waterboot.
Ook al noemt men het een drinkwaterboot, het is een schip of scheepje. [uitleg].





~drinkwatermachine, drinkwatermaker:
instrument waarmee uit gefilterd buitenwater, drinkwater gemaakt wordt. Drinkwatermachines worden in de binnenvaart weinig toegepast. [T> Drinkwater.]




~drinkwaterpomp:
handpomp waarmee men drinkwater pompt. Vaak een krukpomp.




~drinkwatertank:
meestal verkort tot watertank.




~drinkwatertappunt:
meestal ingekort tot tappunt.




~droge:
HET DROGE
: het land, de oever.
WE STAAN OP HET DROGE
: we staan (het schip staat) op de werf.
Zie ook: droge-naad-stuk.




~droge-ladingschip:
moderne naam voor een vrachtschip, dat geen beunschip, tankschip, of iets dergelijks is. [A> moderne droge-ladingschepen.]



~droge-naad-stuk, hollijst, waterlijst
houten lijst, waarmee voorkomen wordt, dat er tussen een vertikaal en een horizontaal deel, een naad ontstaat. [A>]




~droge slagen:
van motoren: na het starten slagen maken, zonder dat de smeerolie toegevloeid is. Zie ook bij : voorpompen.




~drogerijgarnaal: zie pufgarnaal.




~Drommelaar:
oude term voor kromsteven.




~droog:
ondiep; in zinnen als: "dat deel van de haven is droog".

DROOG VALLEN
:
a> met betrekking tot de bodem van het vaarwater: bij laag waterpeil geheel of gedeeltelijk boven water komen.
b> met betrekking tot schepen: bij laag waterpeil op de bodem van het vaarwater staan en wel dusdanig dat nagenoeg het hele schip vrij van het water is.

DROOG ZITTEN
: met een schip op een ondiepte vastgelopen of drooggevallen zijn.

DROOG ZETTEN
: een schip op de helling trekken, op een ondiepte droog laten vallen of ergens aan de grond zetten.

DROOG WERK
, slatwerk: bij het graven van een kanaal of haven, eerst het kanaal of de haven graven en daarna pas water er in laten lopen.

EEN DROOG SCHIP
: een schip dat weinig buiswater veroorzaakt en/of weinig vast water aan dek krijgt.

droog slaan
: van motoren: na het starten slagen maken, zonder dat de smeerolie toegevloeid is. Zie ook bij : voorpompen.

Zie ook: droge en droge-naad-stuk.





~droogdok:
1>  gegraven dok: bassin, dat van het vaarwater afgesloten en daarna leeg gepompt kan worden, waarna men aan het onderwaterschip onderhoud of reparaties kan verrichten. Dit soort dokken worden voor binnenvaartschepen zeer weinig gebruikt.

2> drijvend dok: drijvende inrichting, die gebruikt wordt om schepen, geheel of gedeeltelijk boven water te heffen.





~droogleggen:
de visbun afsluiten en leegpompen.




~droogte:
(plaatselijke) ondiepte.




~droogvallen:
1> bij vallend tij, aan de grond raken of  het schip aan de grond zetten. Zie ook: banken.
2> van ondieptes: bij lage waterstandenboven water uitstekend.




~droogzetten:
1> een schip op de helling halen.
2> een schip met een dok of schepenlift, voor onderhoud, boven water brengen.
3> een schip droog laten vallen, een schip op het zaat zetten.




Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken