Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
Woordenlijst Dou
~douaneboot:
(open) vaartuig
dat gebruikt wordt voor
het houden van toezicht op de in- en uitvoer van goederen per schip.
Vroeger werden hiervoor inderdaad roeiboten en open 'motor'vaartuigen gebruikt,
maar sinds
het begin van de 20ste eeuw voornamelijk scheepjes. Ook al gebruikt men
inde Rijnvaart veelvuldig de termdouaneboot de term douanevaartuig is echter
beter op z'n
plaats [uitleg].
soort kettingboot, die echter
in plaats van ketting, staaldraad gebruikt. In het duits ook hex(e) of Rheintauer genoemd.
[E>Seilschifffahrt auf dem Rhein (Wikipedia)]
Het vooral in Duitsland toegepast systeem waarbij het vaartuig zich aan een kabel voorttrekt, heeft als voordeel dat het vaartuig een grotere bewegingsvrijheid heeft dan een vergelijkbare kettingboot. Dit komt voornamelijk door het geringere gewicht, ca. de helft, die een staaldraad t.o.v. een vergelijkbare ketting heeft. De dikte van de staalkabel was ca. 36 tot 45 mm. De staalkabel had een levensduur van ongeveer 5 jaar. Teneinde zich langs de draad voort te kunnen trekken was de sleepboot voorzien van een 'kleppenwiel'. Dit wiel, een vinding van de ingenieur Fowler had een V-vormige groef die uit vele onafhankelijk scharnierende helften bestond. De druk van de draad op de onderzijde van elke klep, deed de zijkanten van de twee helften naar elkaar toe bewegen, waardoor de draad klem kwam te zitten.(meer...)
De sleepboten trokken alleen stroomopwaarts. Zij gingen vrijvarend terug. De snelheid bedroeg ca. 4 km/u en men kon tot ca. 1300 ton aan gezamelijk laadvermogen der gesleepte schepen slepen.
Volgens de Duitse Wikipedia had een draadsleepboot, voor een gelijke prestatie, slechts ca. 2/9 van het vermogen van een radersleepboot nodig. Het kolenverbruik was natuurlijk ook evenredig kleiner.
~draadkluis:
opening, vaak in het boeisel of de verschansing,
versterkt met een stevige ronde rand, de kluisbaard, waardoor een staaldraad gevoerd
kan worden.
Draadrelingen worden in de binnenvaart niet veel toegepast. Men ziet ze onder andere toegepast als verhoging van een laag boeisel of een lage verschansing.
~draadrol: 1> draaibaar cylindervormig stuk metaal bedoelt om staaldraden (evt. ook touw of ketting) te geleiden.
[A>]
Op schepen met een geringe holte werden draaglappen van ca. 6 m gebruikt. Naar mate de holte toenam, nam ook de lengte van de draaglap toe. De grootsten waren ca. 9 meter lang. Op de grote houtvlotten op de Rijn, de Holländer kon de lengte echter oplopen tot 16 meter. Deze lappen moesten door 6 à 7 man bediend worden. De draaglappen op de grote vlotten waren er uitsluitend om het vlot op koers te houden. Op kleinere vlotten en op vaartuigen werden ze ook gebruikt om (te helpen) het vaartuig voort te stuwen.
Op schepen wordt de draaglap op het voorschip vaak boeglap genoemd. Sommige schepen bezaten achterop geen roer. De draaglap op het achterschip fungeerde daar dus als roerspaan/stuurriem. Een roerspaan kan echter, in het algemeen, niet gebruikt worden om roeiende bewegingen mee te maken, hetgeen met de draaglap wel kan.
2> bij schepen: vaak
gebruikt als synoniem voor het laadvermogen,
maar eigenlijk het totale gewicht van het afgeladen
schip, min het eigen gewicht van het schip.
Behalve zijn eigen gewicht en de lading draagt het schip ook al het andere wat aan boord gebracht is zoals: uitrustingstukken, brandstof, meubilair, bemanning, enz.
een draagvleugelboot is over het algemeen geen boot maar een schip. [Uitleg]
vaartuig
dat uitgerust is met vleugelvormige constructies, die onder de romp
uitsteken waardoor, bij voldoend hoge snelheden, de romp zich geheel
of gedeeltelijk uit het water verheft. [A>] Draagvleugelboten worden een enkele maal voor het vervoer van passagiers gebruikt.
~draai:
een draaibrug; in het bijzonder een kleine draaibrug: een draaivonder.
~draaien: 1>keren, zwaaien,
kop
voor nemen: met een vaartuig
een
bocht van 180 graden maken. 2> varen. 3> bij bruggen
en sluizen: de brug of
sluis wordt bediend. 4>
het inwerking zijn
van een machine.
steun waarop een lichtbak geplaatst kan
zijn, waarbij het mogelijk is de steunen dusdanig te draaien dat de lichtbak verder vanuit het midden van het vaartuig komt te staan.
~draai-over-boord: zeilschip
waarbij men het helmhout
tot buiten het boord kan
draaien. Vooral gebruikt
voor tjalken om
onderscheid te maken tussen hektjalken
en de andere tjalken.
onderdeel brandstofvergasser. Langzaamdraaiende of draaibare metalen constructie waarop de brandhaard ligt. Het draairooster bestaat vaak uit meerdere excentrisch geplaatste lagen, die elk uit een aantal 'schoepen' bestaan. Het geheel heeft tot doel het aaneenkoeken van verbrandingsresten, slakken, te voorkomen en zodoende voor een betere lucht-gasstroming te zorgen.
~draaispant,
steker: spant dat haaks op de scheepshuid
en daarbij duidelijk onder een hoek met de lengteas van het vaartuig
staat.
In kop of kont kan men er voor kiezen het spant zoveel mogelijk haaks op de lengte-as te houden, de buitenkant van het spant moet dan sterk afgeschuind worden, of men houdt het spant zoveel mogelijk haaks op de huid. In het laatste geval wordt er minder hout verbruikt, maar komen de ondereinden van de spanten met elkaar in de knoei, zodat men de spanten nog maar nauwelijks tot voorbij de kim kan door laten lopen. Dit alles speelt bijna uitsluitend een rol bij houtbouw.
~draaistok:
bij het bekleden gebruikte korte stok waarop het garen of draad gewikkeld wordt. In het uiteinde van de stok zijn twee of drie gaten geboord waardoor het garen of draad geleid wordt. Deze omleiding zorgt er voor dat er tijdens het bekleden voldoende spanning op het garen of de draad blijft staan. Eventueel kan over de stok een haspeltje geschoven zijn, waarop het draad dan gewikkeld is.
~draaiturf:
extra turven, die de schipper
gegeven werden om daarmee de bruggen in het veengebied te kunnen
betalen.
~draaivonder,
draai:
een eenvoudige kleine draaibrug. [A>]
Gerelateerde term: zet.
~drecht: 1>dracht, drait, drift:
algemene benaming voor natuurlijk water in Holland en Friesland.
2>drift, dreef:
doorwaadbare plaats.
~dreef: 1> gedeelte van
de
rivier geschikt voor, of in gebruik bij, de drijfnetvisserij. 2>
de
afstand, dat een uitstaand visnet,
stroomafwaarts drijvende, aflegt. 3> zie bij drecht(2).
2> Eenvoudig gebouwd vrijwel
symetrisch vaartuig met knikspantromp. Een beetje schouwachtig, maar
zonder duidelijk voor en achterbord en daardoor veel spitser. Mogelijk
ook bekend als Nachen en leinenschlepper. [E>Olivers
Bibliothek]
~drempel: 1>sluisdrempel. 2> natuurlijke of kunstmatige,
plaatselijke, ondiepte
over
de volle breedte van het vaarwater.
~drenkeling:
iemand die te water (geraakt) is en zonder hulp de dood zou kunnen vinden.
Eigenlijk iemand die zou kunnen verdrinken, maar aangezien de meeste 'drenkelingen' door onderkoeling en niet door verdrinking om het leven komen, worden ook de hiervoor omschreven personen tot de drenkelingen gerekend.
~drenkelingendreg,
werpdreg,
dreg:
vrij kleine dreg, waarvan de haken in een punt eindigen. Rond de punten zijn (messing) tonnetjes geschoven, zodat de punten maar nauwelijks uitsteken. De bedoeling is dat de punten wel in kleding blijven haken, maar niet de huid van de drenkeling ernstig zullen beschadigen.
1>drenkelingenhaakstok: lange stok met aan het uiteinde een ruim gebogen stalen haak met ronde knop.
Voornamelijk op reddingboten, sluizen en soms ook bruggen aanwezig.
2> alleen het metalen gedeelte van een drenkelingenhaak(stok).
~drenkelingenplatform,
drenkelingenplateau:
opklapbaar, vast, of ingebouwd plateau op geringe hoogte boven de waterlijn, aan de achterzijde of nabij de achterkant van een vaartuig.
~Drentsche Kanaal Maatschappij:
organisatie, die in 1850 het beheer, onderhoud en de verbetering van de
Hoogeveense vaart op zich nam en de Verlengde Hoogeveense Vaart
aanlegde. [E>]
scheepstype. Bij Petrejus afgebeeld vrachtscheepje dat ook
Drentse marktpraam
genoemd wordt.
Onder Drentse marktpraam verstaat men echter een type dat te veel afwijkt van het afgebeelde vaartuigje. Dit scheepje heeft duidelijk een boeisel, maar wat belangrijker is, is dat dit boeisel aan kop en kont een redelijke breedte blijft behouden. De berghouten lopen daardoor niet zo sterk naar de stevens toe op. Al met al toont dit scheepje een veel gebruikelijker lijn dan de turfpramen. Wel lijkt de indeling van het scheepje overeen te komen met de marktpraam; een open ruim, een bewoonbaar vooronder en een zeer klein en laag achteronder. Verdere gegevens ontbreken helaas.
~Drentsefok: 1>fok
met aan de bovenzijde een kort (max. 75 cm. lang) dwarshout. 2>
lichte
fok, die bij het vaartzeil
hoort. 3>
foutieve benaming voor een stormfok.
~drevelhamer:
hamer met aan
één
zijde van de kop een deel dat in een stompe punt eindigt. Met de
drevelhamer kunnen nagels tot ìn het hout weggeslagen
worden.
~driehoekzeil:
driehoekig grootzeil
waarvan de lijnen
tussen
de
hoekpunten, een (bijna) rechthoekige driehoek vormen en de tophoek
ca. 45 graden bedraagt.
Het driehoekzeil werd soms gebruikt op kleine scheepjes,
zoals
bijv. de Grundel en de Westlander.
~drieling:
type Westlander,
ca. 8 tot 14m, geen roef,
alleen bij de klapmutsen(6)
een boeisel,
zeer eenvoudige tuigage,
soms ontbrekend,
meestal een overhaler
i.p.v. een
normaal stel zwaarden.
De kleinste
Drielingen worden Tweelingen genoemd. [S>]
~Drieplank:
open roeivaartuig,
mogelijk gelijk aan de Boerenschouw.,
maar waarschijnlijker is het dat het de Nederlandse naam voor de Duitse
Dreibord is.
~driestrengsknoop: kardeelknoop
gelegd met drie
kardelen.
~drievoudige paalsteek: paalsteek gelegd in dubbel genomen eind touw, waarbij het halende part (de lus van het dubbele eind) zo groot genomen wordt, dat deze net zo groot is als de lussen van de paalsteek zelf.
~driewandig:
van visnetten: net bestaande uit drie over elkaar liggende netten. Het binneste net, het vangnet heeft kleinere mazen, dan de daarbuiten liggende netten, de ladderings.
~driftig:
gemakkelijk door wind of
stroom uit de koersgezet
kunnen worden.
~drijfanker, zeeanker:
soort sleepzak,
die men op zee of zeer ruim water gebruikt om, terwijl men het schip
laat deinzen, de kop
op de wind te houden. Voor zover bekend, in de binnenvaart nauwelijks
gebruikt.
drijvend werktuig
waarmee schepen geladen en gelost kunnen worden. De drijfkraan bestaat
uit een ponton met daarop, in
vakwerkconstructie, een kolom waaraan een zeer forse horizontale arm
bevestigd is. Onder deze arm beweegt zich een grote zware
grijper. [A>drijfkraan]
De drijfkraan wordt
hoofdzakelijk gebruikt voor de overslag van bulkgoed
vanuit zeeschepen in binnenvaartschepen.
~drijftil:
(klein) losdrijvend
eilandje, meestal grotendeels bestaand uit riet.
~drijfvermogen:
het gewicht
van
de, door een bijna geheel ondergedompeld voorwerp, verplaatste
hoeveelheid water, minus het eigen gewicht van dat voorwerp. Deze
maat is o.a. voor reddingsmiddellen
van belang.
PERSOONLIJK DRIJFVERMOGEN
:
voorwerp, met een bepaalde hoeveelheid drijfvermogen, bestemd om door
één persoon gebruikt te worden; meestal een reddingvest.
~drijfvleet:
@nog niet bekend.
~drijfvuil
:
al het drijvende vaste vuil. Onder riviervissers voornamelijk dat vuil dat in de netten terecht komt. Door hen onderandere ook bocht, drijfbocht, knoei, stravel, pestriet, dok, haft en niersvuil genoemd.
~drijven: 1> volledig
door
het water gedragen (kunnen) worden. 2>dobberen, stevelen:
een vaartuig, zonder een
middel tot voortstuwing te gebruiken, laten verplaatsen. 3>
(geen echte scheepsterm) met stevige slagen iets ergens in of uit
slaan. Ondermeer van toepassing op het breeuwen
waar men het werk in
de naden drijft.
~drijvend:
alleen door de opwaartse kracht van het water, boven water uitstekend.
: drijvende constructie, waarmee
werkzaamheden in of langs het vaarwater uitgevoerd
worden, in de regel niet voorzien van een voortstuwing
waarmee het object over grotere afstanden verplaatst kan worden.
in het water drijvende constructie, die in de regel niet verplaatst wordt.
Een woonark bijv. is dus een drijvende inrichting
.
~drijver: 1a> flink drijflichaam,
dat een voorwerp, bijv. een visnet, drijvende houdt. b>vlotter, dobber: klein
drijflichaam, meestal gebruikt voor netten, markeringen en vislijnen. 2> verkorting van Zalmdrijver.
Ook al noemt men het een
drinkwaterboot, het is een schip of scheepje. [uitleg].
~drinkwatermachine, drinkwatermaker:
instrument waarmee uit gefilterd buitenwater,
drinkwater gemaakt wordt. Drinkwatermachines worden in de binnenvaart
weinig toegepast. [T>Drinkwater.]
~drinkwaterpomp:
handpomp
waarmee
men drinkwater pompt. Vaak een krukpomp.
~droge-ladingschip:
moderne
naam voor een vrachtschip,
dat geen beunschip, tankschip,
of iets dergelijks is. [A>
moderne droge-ladingschepen.]
~droge-naad-stuk,
hollijst, waterlijst:
houten lijst, waarmee
voorkomen wordt, dat er tussen een vertikaal en een horizontaal deel,
een naad ontstaat. [A>]
~droge slagen:
van motoren: na het starten slagen maken, zonder dat de smeerolie
toegevloeid is. Zie ook bij : voorpompen.
~droog:
ondiep; in zinnen als: "dat deel van de haven is droog".
DROOG VALLEN
: a> met betrekking tot de bodem van het vaarwater: bij laag waterpeil geheel of gedeeltelijk boven water komen. b> met betrekking tot schepen: bij laag waterpeil op de bodem van het vaarwater staan en wel dusdanig dat nagenoeg het hele schip vrij van het water is.
DROOG ZITTEN
:
met een schip op een ondiepte vastgelopen of drooggevallen zijn.
DROOG ZETTEN
:
een schip op de helling trekken, op een ondiepte droog laten vallen of ergens aan de grond zetten.
DROOG WERK
, slatwerk: bij
het graven van een kanaal
of haven, eerst
het kanaal of de haven graven en daarna pas water er in laten lopen.
1>gegraven
dok: bassin, dat van het vaarwater
afgesloten en daarna leeg gepompt kan worden, waarna men aan het onderwaterschip onderhoud of reparaties kan verrichten. Dit soort dokken worden voor binnenvaartschepen zeer weinig gebruikt.
2>drijvend dok: drijvende
inrichting, die gebruikt wordt om schepen,
geheel of gedeeltelijk boven water te heffen.
~droogvallen: 1>
bij
vallend tij, aan de grond
raken of het schip
aan de grond
zetten. Zie ook: banken. 2> van ondieptes:
bij lage waterstandenboven
water uitstekend.