banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst Dou





~douaneboot:
1> eigenlijk en alleen: open vaartuig dat gebruikt wordt voor het houden van toezicht op de in- en uitvoer van goederen.
Vroeger werden hiervoor inderdaad roeiboten en open 'motor'vaartuigen gebruikt. Sinds het begin van de 20ste eeuw zijn het echter voornamelijk scheepjes en ook al gebruikt men in de Rijnvaart veelvuldig de term 'douaneboot' de term douanevaartuig zou beter op zijn plaats zijn. [uitleg]

2> algemeen gebruikt als synoniem voor douanevaartuig.





~douanehaven:
niet voldoende bekend. Mogelijk een entrepôthaven.





~douanevaartuig, douaneboot:
vaartuig dat gebruikt wordt voor het houden van toezicht op de in- en uitvoer van goederen per schip. Vroeger ook klaringsvaartuig genoemd.
zie ook 'groene boot'.





~douaneversluiting:
zie verzegeling.





~dovejut, dove jut, doove jut:
1> over het algemeen een, al dan niet verplaatsbare constructie, die gebruikt wordt voor het verplaatsen van zware lasten. Meer in het bijzonder een over het boord stekende gekromde balk voor de behandeling van het anker met in het uiteinde een schijf. Een soort katbalk.
De tekenaar Rens Lensselink maakte rond 1913 tekeningen van een Drentse of Overijsselse praam die voorzien was van een dwarsscheepse balk net voorlangs de bovenzijde van het boeisel bij de steven en min of meer rustend tegen de beretanden. Het lijkt er op als of het anker hieraan gehesen en vastgezet werd. Bij deze tekeningen staat het woord Doove jut geschreven.
Over een iets andere vorm van gebruik valt op vaartips.nl wat te lezen. Het doet mij dan denken aan de ankeraak, dus aan het baggerwerk. Het "Etymologisches Wörterbuch der deutschen Seemannssprache" van Gustav Goedel uit 1902 ondersteunt dit verhaal.
Volgens dezelfde bron is de 'Dove Jut' een gekromde hijsbalk, die men buitenboord stak wanneer men het anker wenste te hieuwen. Lensselink tekent aan de achterzijde een haakje waarmee de balk aan boord vastgezet kan worden. Men zal hem tijdens het hieuwen tegen de stevenbalk gesjord hebben, om hem, als het anker boven is, zijdelings weg te draaien. Dat men de dove jut begin twintigste eeuw nog wel aantrof op de grote turfpramen en niet op de andere schepen heeft misschien te maken met de zeer volle bouw van het voorschip van deze schepen.


2> soms gezien als synoniem voor een beerklamp, snars of snoes.

3> korte boom die gebruikt werd om een touw of draad van het staande want uit te houden. Zie ook stampstok.





~dozenvaarder:
zie containerschip.





~draad:
1> staaldraad.

2> in zekere periode algemene term voor een touw, tros of staaldraad waarmee men het schip vastlegt, sleept of ankert.

3> verkorting van garendraad.





~draadbak: trossenbak.





~draadbindsel:
bindsel gemaakt met bindseldraad.





~draadboot:
zie draadsleepboot.





~draadhaspel:
meestal kleine draadtrommel, die door middel van een slinger rondgedraaid kan worden.





~draadklem:
1> zie bij kies.

2> zie draadstopper.





~draadkluis, kluisgat, kabelkluis, kluis:
opening, vaak in het boeisel of de verschansing, versterkt met een stevige ronde rand, de kluisbaard, waardoor een staaldraad gevoerd kan worden.
In P. Versnel's Vakwoordenboek ook kabelkluis genoemd.






~draadlier:
mechanisch werktuig waarmee men staaldraden kan inhalen of vieren. [A>]
Gerelateerde termen: draadrol, draadhaspel, bergingslier, davitlier, hijslier, kloklier, zeil- of tuiglier, strangenlier, strijklier, vallier, verhaallier, zanddlier en zwaardlier en zwenklier.





~draadmand: zie trossenbak.





~draadreling
afrastering, hekwerk, bestaande uit een aantal scepters waartussen één of meer staaldraden of lijnen, de relingdraden, gespannen zijn.
Draadrelingen worden in de binnenvaart niet veel toegepast. Men ziet ze onder andere toegepast als verhoging van een laag boeisel of een lage verschansing.






~draadrol:
1> draaibaar cilindervormig stuk metaal bedoelt om staaldraden (evt. ook touw of ketting) te geleiden. [A>]

2> draadschijf met kleine diameter.

3> draadtrommel.





~draadschijf, staaldraadschijf:
schijf van een blok speciaal bedoeld voor staaldraad. [A> nr.1]
Deze schijven zijn meestal van metaal en hebben een halfronde groef, die net zo breed is, als de staaldraad, waarvoor ze bedoeld zijn, dik is.






~draadshout:
hout waarvan de nerf voornamelijk evenwijdig aan de grootste lengte loopt.





~draadsleepboot, kabelsleepboot, draadboot, kabelboot:
soort kettingboot, die echter in plaats van ketting, staaldraad gebruikt.
In het duits ook hex(e) of Rheintauer genoemd.
[E> Seilschifffahrt auf dem Rhein (Wikipedia)]
Het vooral in Duitsland toegepast systeem waarbij het vaartuig zich aan een kabel voorttrekt, heeft als voordeel dat het vaartuig een grotere bewegingsvrijheid heeft dan een vergelijkbare kettingboot. Dit komt voornamelijk door het geringere gewicht, ca. de helft, die een staaldraad t.o.v. een vergelijkbare ketting heeft. De dikte van de staalkabel was ca. 36 tot 45 mm. De staalkabel had een levensduur van ongeveer 5 jaar. Teneinde zich langs de draad voort te kunnen trekken was de sleepboot voorzien van een 'kleppenwiel'. Dit wiel, een vinding van de ingenieur Fowler had een V-vormige groef die uit vele onafhankelijk scharnierende helften bestond. De druk van de draad op de onderzijde van elke klep, deed de zijkanten van de twee helften naar elkaar toe bewegen, waardoor de draad klem kwam te zitten.(meer...)
De sleepboten trokken alleen stroomopwaarts. Zij gingen vrijvarend terug. De snelheid bedroeg ca. 4 km/u en men kon tot ca. 1300 ton aan gezamenlijk laadvermogen der gesleepte schepen slepen. Volgens de Duitse Wikipedia had een draadsleepboot, voor een gelijke prestatie, slechts ca. 2/9 van het vermogen van een radersleepboot nodig. Het kolenverbruik was natuurlijk ook evenredig kleiner.
In 1873 begon men met het stuk van Emmerich tot Ruhrort, later ging men door tot Bingen. Wegens de vele draadbreuken en de hinder die de overige waterweggebruikers, in het bijzonder de vissers met hun waalschokkers ondervonden, vond deze vorm van sleepvaart op de Rijn reeds in 1905 zijn einde. Op de Main tot aan Bamberg en op de Neckar tot aan Lauffen hield dit systeem tot ca 1925 stand.
De Duitse bijnaam 'Hexe' ontleenden deze schepen aan een zetel van de uitvoerende firma, namelijk de Hexenburg te St. Goar.






~draadstopper, draadklem:
inrichting waarmee men staaldraden vast kan zetten. O.a. toegepast op strangenlieren en dan strangenklem genoemd [A>] en bij laadmasten(2) en dan hangerklem genoemd.





~draadterminal:
moderne constructie, waarmee staaldraad van een massief metalen uiteinde voorzien wordt. Zie verder bij staaldraadterminal.





~draadtrommel, draadrol, draadhaspel:
cilindrisch lichaam met (grote) flenzen, waarop een staaldraad gewikkeld kan worden.





~draadvang, trossenvanger:
naar achter gerichte haakvormige klamp of beugel op verschansing of achterroef van sleepboten. [A>]
Ondermeer wanneer een sleepboot het gesleepte vaartuig af wenst te stoppen door langs het gesleepte vaartuig achteruit te varen komt de sleepdraad in voorwaartse richting te staan. Het spreekt voorzich dat in een dergelijke situatie makkelijk schade aan de sleepboot kan ontstaan. Door de sleepdraad tijdig in de draadvang op te vangen, zal deze draad van opbouwen, relingen, e.d. vrij blijven. Zeker niet minder belangrijk is dat men voorkomt dat in het gangboord staande personen tussen opbouwen en draad ingeklemd raken.






~draadveer:
tot op heden (dec. 2010) zelden gebruikte term voor (onder andere?) een hoogkabelveer.





~draadwant:
leren want, die men gebruikt wanneer men staaldraad moet hanteren.





~draagbout:
horizontale stang die onderdeel is van een brandschraag.





~draaglap, lap:
grote roeispaan, vaak meer dan 6 m lang, die men tijdens het stevelen gebruikte om het vaartuig op koers te kunnen houden.
Op schepen met een geringe holte werden draaglappen van ca. 6 m gebruikt. Naar mate de holte toenam, nam ook de lengte van de draaglap toe. De grootsten waren ca. 9 meter lang. Op de grote houtvlotten op de Rijn, de Hollä nder kon de lengte echter oplopen tot 16 meter. Deze lappen moesten door 6 7 man bediend worden.
De draaglappen op de grote vlotten waren er uitsluitend om het vlot op koers te houden. Op kleinere vlotten en op vaartuigen werden ze ook gebruikt om (te helpen) het vaartuig voort te stuwen.
Op schepen wordt de draaglap op het voorschip vaak boeglap genoemd. Sommige schepen bezaten achterop geen roer. De draaglap op het achterschip fungeerde daar dus als roerspaan/stuurriem. Een roerspaan kan echter, in het algemeen, niet gebruikt worden om roeiende bewegingen mee te maken, hetgeen met de draaglap wel kan.

Gerelateerde term: kandelaar.





~draagvermogen:
1> het gewicht dat een drijvend voorwerp kan dragen, zonder dat het zinkt of instabiel wordt.
De term wordt meestal gebruikt voor drijflichamen, vlotten, pontons, enz., die bepaalde 'vaste' constructies, zoals bijv. loopbruggen en steigers dragen.


2> bij schepen: vaak gebruikt als synoniem voor het laadvermogen, maar eigenlijk het totale gewicht van het afgeladen schip, min het eigen gewicht van het schip.
Behalve zijn eigen gewicht en de lading draagt het schip ook al het andere wat aan boord gebracht is zoals: uitrustingstukken, brandstof, meubilair, bemanning, enz.






~draagvleugelboot:
een draagvleugelboot is over het algemeen geen boot maar een schip. [Uitleg]

vaartuig dat uitgerust is met vleugelvormige constructies, die onder de romp uitsteken waardoor, bij voldoend hoge snelheden, de romp zich geheel of gedeeltelijk uit het water verheft. [A>] Draagvleugelboten worden een enkele maal voor het vervoer van passagiers gebruikt.





~draai:
1> een draaibrug; in het bijzonder een kleine draaibrug: een draaivonder. [Gerelateerde termen >]

2>
DRAAI OP HET CASCO, DE ROMP, HET SCHIP, HEBBEN
: een blijvende torsie in de romp van het schip hebben.
Dit verschijnsel kwam vroeger vooral bij tankers vrij geregeld voor. Het ontstond doordat men bij het lossen van het schip expres het schip scheef lieten komen om de tanks verder leeg te kunnen pompen. De tegenwoordige tankers hebben een dubbele bodem en daarbij kan de tankbodem aflopend geconstrueerd worden, zodat scheef leggen niet meer nodig hoeft te zijn.
Behalve door verkeerde belading kan torsie van de romp ook ontstaan door droogvallen of het aan de grond lopen.






~draaicent: bruggeld.





~draaideur:
sluisdeur met een vertikaal scharnier an één der zijden.





~draaien:
1> keren, zwaaien, kop voor nemen: met een vaartuig een bocht van 180 graden maken.

2> varen.
Bijvoorbeeld in: we hebben 8 uur moeten draaien om hier te komen.


3> bij bruggen en sluizen: de brug of sluis wordt bediend.

4> het inwerking zijn van een machine.
DE ACCU'S VOL DRAAIEN, STROOM DRAAIEN
: met behulp van een hulpmotor de accu's opladen.





~draaier:
1> sleper:
stuk gereedschap, als vervanging voor de kleedkuil wanneer men dunne lijnen gebruikt.
Uitlopend, licht s-vormig gebogen, plat stuk staal, met daarin drie gaatjes en aan het smalle uiteinde voorzien van een draadhaspeltje of overeenkomstige constructie in hout.


2> verouderde term voor een willekeurig stuk gereedschap dat dienstig is bij het strak houden van de draad bij het bindselen of bekleden.
3> losse arbeider die op de werf bij het ronddraaien van de kaapstander actief is.
Op de werven waar men (op dat ogenblik) geen geschikt paard tot zijn beschikking had, werd het ronddraaien van de kaapstander waarmee men het schip de sleephelling optrok door een aantal mannen rondgelopen. Dit waren de draaiers.






~draaigeld: bruggeld.





~draaigroei:
eigenschap van diverse bomen om tijdens hun bestaan een verdraaiing rond de kern van het hout te vertonen.
Hout dat een sterke draaigroei vertoont is ongeschikt als timmerhout; het zal altijd scheluw trekken.






~draaiijzer:
steun waarop een lichtbak geplaatst kan zijn, waarbij het mogelijk is de steunen dusdanig te draaien dat de lichtbak verder vanuit het midden van het vaartuig komt te staan.





~draaikolk: zie bij maalstroom.





~draainagel:
vlaams? voor wartel.





~draainis: zie kakstoel.





~draai-over-boord:
zeilschip waarbij men het helmhout tot buiten het boord kan draaien. Vooral gebruikt voor tjalken om onderscheid te maken tussen hektjalken en de andere tjalken.





~draaipaal:
zie bij rolpaal.





~draairooster:
onderdeel brandstofvergasser. Langzaamdraaiende of draaibare metalen constructie waarop de brandhaard ligt. Het draairooster bestaat vaak uit meerdere excentrisch geplaatste lagen, die elk uit een aantal 'schoepen' bestaan. Het geheel heeft tot doel het aaneenkoeken van verbrandingsresten, slakken, te voorkomen en zodoende voor een betere lucht-gasstroming te zorgen.





~draairoostergenerator, draairoostergasgenerator:
brandstofvergasser waarbij gebruik gemaakt wordt van een draairooster. Onderandere Deutz en Stork produceerde dergelijke gasgeneratoren.





~draaischeerstok:
niet voldoende bekend. Vermoedelijk een bint dat, nadat de ene kant ontgrendeld is, zijdelings tegen de den weggeklapt kan worden.





~draaispil: windas.





~draaispant, steker:
spant dat haaks op de scheepshuid en daarbij duidelijk onder een hoek met de lengteas van het vaartuig staat.
HOUTBOUW: In kop of kont kan men er voor kiezen het spant zoveel mogelijk haaks op de lengte-as te houden of men houdt het spant zoveel mogelijk haaks op de huid. In het eerste geval moet dan de buitenkant van het spant sterk afgeschuind worden; dat betekent dat men veel hout verbruikt en veel werk moet verrichten. In het tweede geval wordt er veel minder hout verbruikt, maar komen de ondereinden van de spanten met elkaar in de knoei, zodat men de spanten nog maar nauwelijks tot voorbij de kim door kan laten lopen. Dat kan weer nadelige gevolgen voor de sterkte van de constructie hebben.
STAALBOUW: Bij klinkwerk is men ik kop en kont wel verplicht draaispanten te gebruiken. Bij laswerk houdt men de spanten over het algemeen haaks op de lengte-as.






~draaistok:
bij het bekleden gebruikte stok waarop het garen of draad gewikkeld wordt. In het uiteinde van de stok zijn twee of drie gaten geboord waardoor het garen of draad geleid wordt. Deze omleiding zorgt er voor dat er tijdens het bekleden voldoende spanning op het garen of de draad blijft staan. Eventueel kan over de stok een haspeltje geschoven zijn, waarop het draad dan gewikkeld is. Er zijn echter ook andere modellen in omloop geweest.
Gerelateerde termen: draaier, kleedspaan, kleedkuil.





~draaiturf:
extra turven, die de schipper gegeven werden om daarmee de bruggen in het veengebied te kunnen betalen.





~draaiuur:
een periode van zestig minuten waarin een motor in bedrijf geweest is.
Gerelateerde term: vaaruur.





~draaivonder, draai:
een eenvoudige kleine draaibrug. [A>]
Gerelateerde term: zet.





~draam, binnenboord:
1> balk langs de bovenkant van de spanten. Hierop rusten vaak de dekbalken.

2> dekweger.





~draap:
plaatselijke term voor een zandrug op de bodem van de rivier.
Gewoonlijk rug genoemd, maar eigenlijk meer vergelijkbaar met een stroombult.




~dracht: zie drecht.





~Draconeschip:
naam die men hanteerde voor experiment met het vervoer van brandstoffen in grote langwerpige met nylon versterkte zakken, die men door het water achter of langszij het schip voortsleepte. De naam Dracone verwijst naar de fabrikant van dit transportmiddel.





~drainen:
de laatste resten uit een ladingtank pompen.





~drainleiding:
pompleiding waarlangs de laatste resten uit een ladingtank gepompt worden.





~drait: zie drecht.





~drang:
de druk van het langsstromende water of schroefwater in
GEEN DRANG OP HET ROER HEBBEN
.





~drecht:
1> dracht, drait, drift:
a> algemene benaming voor natuurlijk water in Holland en Friesland.
b> vrij stromend stuk water, van redelijke omvang.

2> drift, dreef:
doorwaadbare plaats.

3> trecht:
overzetveer.





~Drechtaak:
oude benaming voor een schuit waarmee men een veerdienst onderhoudt.
Gerelateerde termen: schouw, pont.





~Drechterlandse praam, Praam van de Grootslagpolder: eenvoudige open houten schuit van ongeveer 9 bij 2,1 meter. Naar het schijnt bestond er ook nog een wat kleiener stierenpraam.
Bron: G.J. Schutten blz.264.






~Drechterlandse veldschuit, Veldschuit van de Grootslagpolder:
mogelijk de houten voorloper van de Strekerveldschuit. De tot circa 6 meter lange exemplaren werden ook Boeier, de grotere exemplaren Boeierschuiten genoemd.
Aanverwant aan dezen zijn ook de Drechterlandse Schietschuit welke te Andijk echter Houtschuit genoemd werd, de Laad en de Drechterlandse Bok.
Bron: G.J. Schutten blz.262 ev.
De genoemde Schietschuit heeft weinig te maken met het type beurtschip van die naam (>) en ook niet met de Schietschouw.

[Gerelateerde types >].




~dreef:
1> gedeelte van de rivier geschikt voor, of in gebruik bij, de drijfnetvisserij.

2> de afstand, dat een uitstaand visnet, stroomafwaarts drijvende, aflegt.

3> zie bij drecht(2).





~dreg, dregge:
stalen voorwerp met een steel waaraan vier (soms slechts drie) kruislings geplaatste, gebogen armen zitten.
Gerelateerde termen: drenkelingendreg, ankerdreg, lijkendreg, raamdreg, strangendreg, dreglijn, dreggen.




~dreganker: ankerdreg.





~dregdop(je):
kleine bolvormige messing dopje met in het midden een gat dat over de punten van een werpdreg geschoven kan worden om van deze dreg een drenkelingendreg te maken.





~dregdraad:
staaldraad aan de ankerdreg of strangendreg te maken.
Zie ook dreglijn, dregtouw.





~dregge: dreg.





~dreggen:
1> de bodem van een water met behulp van een dreg afzoeken naar gezonken voorwerpen of drenkelingen.

2> zie bij krabben.





~dreglijn:
soepele stevige lijn, die aan een dreg gebonden is.
Vroeger gebruikte men daarvoor meestal henneplijn, tegenwoordig een koord van drijvend kunststof.

Zie ook dregdraad, dregtouw.





~dregschuit:
willekeurig vaartuig dat gebruikt wordt bij het uitbaggeren van stadsgrachten.
Deze verklaring is gebaseerd op enkele beknopte beschrijvingen van afbeeldingen. De afbeeldingen zelf waren nog niet beschikbaar. De omschrijving kan dus foutief zijn.






~dregtouw:
het touw aan een ankerdreg.
Zie ook dregdraad, dreglijn.





~dreibord, driebord, :
1> kleine ankerschuit voor een vlot. (een drieplank?)

2> Eenvoudig gebouwd vrijwel symetrisch vaartuig met knikspantromp. Een beetje schouwachtig, maar zonder duidelijk voor en achterbord en daardoor veel spitser. Mogelijk ook bekend als Nachen en leinenschlepper. [E> Olivers Bibliothek]





~dreil:
plaatselijke term voor kooibodem.





~dremmelaar:
zie drimmelaar.





~drempel:
1> sluisdrempel.
2> natuurlijke of kunstmatige, plaatselijke, ondiepte over de volle breedte van het vaarwater.





~drenkeling:
iemand die te water (geraakt) is en zonder hulp de dood zou kunnen vinden.
Eigenlijk iemand die zou kunnen verdrinken, maar aangezien de meeste 'drenkelingen' door onderkoeling en niet door verdrinking om het leven komen, worden ook de hiervoor omschreven personen tot de drenkelingen gerekend.






~drenkelingendreg, werpdreg, dreg:
vrij kleine dreg, waarvan de haken in een punt eindigen. Rond de punten zijn (messing) tonnetjes geschoven, zodat de punten maar nauwelijks uitsteken. De bedoeling is dat de punten wel in kleding blijven haken, maar niet de huid van de drenkeling ernstig zullen beschadigen.





~drenkelingenhaak :
1> drenkelingenhaakstok: lange stok met aan het uiteinde een ruim gebogen stalen haak met ronde knop. Voornamelijk op reddingboten, sluizen en soms ook bruggen aanwezig.

2> alleen het metalen gedeelte van een drenkelingenhaak(stok).





~drenkelingenhaakstok:
zie bij drenkelingenhaak.





~drenkelingenplatform, drenkelingenplateau:
opklapbaar, vast, of ingebouwd plateau op geringe hoogte boven de waterlijn, aan de achterzijde of nabij de achterkant van een vaartuig.
Het drenkelingenplateau kan men op reddingboten en sommige overheidsvaartuigen aan treffen.






~Drent, Drenth:
1> Drentstuig.
2> Drentse gaffel.
3>
Drentse fok.
4> door sommige schippers soms gebruikt voor elk beetje armoedig schip.





~Drentsche: zie ook Drentse.





~Drentsche Kanaal Maatschappij:
organisatie, die in 1850 het beheer, onderhoud en de verbetering van de Hoogeveense vaart op zich nam en de Verlengde Hoogeveense Vaart aanlegde. [E>]





~Drentse boeier:
scheepstype. Bij Petrejus afgebeeld vrachtscheepje dat ook
Drentse marktpraam
genoemd wordt.
Onder Drentse marktpraam verstaat men echter een type dat te veel afwijkt van het afgebeelde vaartuigje. Dit scheepje heeft duidelijk een boeisel, maar wat belangrijker is, is dat dit boeisel aan kop en kont een redelijke breedte blijft behouden. De berghouten lopen daardoor niet zo sterk naar de stevens toe op. Al met al toont dit scheepje een veel gebruikelijker lijn dan de turfpramen. Wel lijkt de indeling van het scheepje overeen te komen met de marktpraam; een open ruim, een bewoonbaar vooronder en een zeer klein en laag achteronder. Verdere gegevens ontbreken helaas.





~Drentse bok:
scheepstype, zie bij Giethoornse bok.





~Drentse fok:
1> fok met aan de bovenzijde een kort (max. 75 cm. lang) dwarshout.
Zie ook Drents tuig.

2> lichte fok, die bij het vaartzeil hoort.

3> foutieve benaming voor een stormfok.





~Drentse gaffel, Drent:
korte rechte gaffel, vaak zonder klauw.
Zie ook Drents tuig.





~Drentse hoofdvaart:
tussen 1769 en 1780 aangelegde verbinding tussen Meppel en Assen. Eind 19de eeuw werd het kanaal nogmaals gerenoveerd. Na de tweede wereldoorlog verdween de beroepsvaart langzamerhand van het kanaal.
In oude tijden was de 'Oude Vaart' of 'Havelter Aa' een scheepvaartverbinding die ongeveer tot Oldedieverbrug bevaarbaar was. In 1614 werd tussen de Oude vaart bij Oldedieverbrug en Smilde de Heerengrift gegraven. De verbinding 'Meppeler diep', 'Oude Vaart', 'Heerengrift' werd Smildingervaart genoemd.
In 1771 was het gedeelte Meppel-Kloosterveen=Bovensmilde gereed. Het laatste deel tot Assen kwam in 1780 gereed. Pas in 1861 werd, middels de Noord-Willemsvaart, de verbinding met Groningen tot stand gebracht.






~Drentse kempenaar:
bijnaam voor een steilsteven.





~Drentse maat:
ongeveer de maat waarmee men in Drenthe kon komen. Mogelijk 27 x 5,2 x 1,55 m.





~Drentse marktpraam:
zie bij marktpraam.





~Drentse praam:
scheepstype, verwant aan de Overijsselse pramen:
Een gedekt zeilschip, meestal met luikenkap, dat in grote lijnen gelijk is aan de Drentse marktpraam. Het vaartuig heeft echter een wat voller, stomper, achterschip en een echt boeisel over de gehele lengte.
Later meer ontwikkelt naar het algemene model zoals de Overijsselse praam en wordt dan soms aangeduid als Smildiger praam.
Opvallend bij het oorspronkelijke model was dat het gangboord slechts een forse plank breed was. Hierop stond een hollijst of er was een droge naad gevormd waarop de luikenkap lag. Deze lag dus zo wat op het dek. Bron: P.J.V.M Sopers.





~Drentstuig, Drents tuig:
1> gaffeltuig met Drentse gaffel (en/) of Drentse fok.
Volgens sommige bronnen is er een periode geweest waarin men in Drente slechts één van beide zeilen voeren.


2> gaffeltuig met een vaartzeil of beter gezegd een kanaaltuig.





~dreum:
touw van mindere kwaliteit. Bij uitbreiding touw en weefselrestanten waarvan ondermeer dweilen en teer- of pekkwasten gemaakt werden.





~drevel: 1> ander woord voor duvel.
Vermoedelijk heeft het woord abusievelijk deze betekenis gekregen.


2> ander woord voor drift of por. Instrument om klinken uit te drijven.





~drevelhamer:
hamer met aan één zijde van de kop een deel dat in een stompe punt eindigt. Met de drevelhamer kunnen nagels tot ìn het hout weggeslagen worden. Ook werden deze hamers gebruikt voor het uitdrijven van klinken e.d. Mogelijk ook steelpor genoemd.
Uit sommige bronnen blijkt dat, alhoewel de hamer vaak een echte hamer lijkt, deze niet gebruikt werd om mee te slaan. De kop werd op het in of uit te drijven deel gezet en met een andere hamer werd op de achterkant van de drevel geslagen. Zo sloeg men tenminste niet zijn vingers plat als men eens missloeg. De afbeelding zou een dergelijke hamer voor het uitdrijven van klinken kunnen tonen.
Sommige bronnen houden dergelijke hamers voor een drift.






~driebladsschroef:
schroef met drie schroefbladen. [A>]





~driedekker:
bijnaam van de Urker botter.





~driedraads.....:
ongebruikelijk synoniem voor driestrengs.......





~driehoeksvaarlicht:
door P. Versnel in zijn Vakwoordenboek genoemde term voor wat men gewoonlijk de triangel noemt.





~driehoekzeil
driehoekig grootzeil waarvan de lijnen tussen de hoekpunten, een (bijna) rechthoekige driehoek vormen en de tophoek ca. 45 graden bedraagt.
De top eindigt soms niet in een echte hoek, maar in een kort 'houtje'. Zoiets als een fokkegaffel.
Het driehoekzeil werd soms gebruikt op kleine scheepjes, zoals bijv. de Grundel en de Westlander. Ook werd het in de crisistijd en de oorlog wel gebruikt om brandstof uit te sparen.






~driekleurigtoplicht, carnavalslicht:
combinatie van boordlichten en het heklicht verenigd in één lantaarn.





~driekwarter:
1> een Zalmdrijver van ca. 6,6 x 1,9m.

2> bepaalde maat 'Langedijker' praam. [A>]





~drielaagsvaart:
de scheepvaart, waarbij vrachtschepen met hooguit drie lagen containers geladen worden.





~drielasttakel: ziederdelasttakel.





~drieling:
1> type Westlander, ca. 8 tot 14m, geen roef, alleen bij de klapmutsen een boeisel, zeer eenvoudige tuigage, soms ontbrekend, meestal een overhaler i.p.v. een normaal stel zwaarden. De kleinste Drielingen worden Tweelingen genoemd. 

2> zie bij Zaans plat.

3> scheepstype: zie bij Aalsmeerse praam.

4> aan de boerenschouw verwant vaartuig uit de omstreken van Hazerswoude en Boskoop. Ongeveer 7,4 bij 2 meter groot.
Bron G.J. Schutten, blz 328.


5> mogelijk synoniem, maar soms ook verkeerde benaming voor een drieplank.

6> open vlet; ook Geepvlet genoemd. Zie bij Vlet.





~drieloper:
zie derdehandtakel.





~Drieplank:
1> gebruikt als algemene aanduiding voor diverse eenvoudig geconstrueerde open roeivaartuigen. Men kent ondermeer de Veenendaalse drieplank en de Sliedrechtse drieplank. Mogelijk wordt de term ook gebruikt voor de Boerenschouw en de Duitse Dreibord.
De bekendst drieplank is ongetwijfeld de sampan. De naam is afgeleid van het Chinese 'san ban' = drie plank.


2> mogelijk synoniem, maar soms ook verkeerde benaming voor een drieling.





~drieschijfsblok:
blok met drie schijven naast elkaar.





~drieschijfstakel:
1> volgens sommige woordenboeken: een takel met (twee) drieschijfsblokken. Een jijn dus.

2> vermoedelijk: een takel met drie schijven (verdeeld over twee blokken). Een drieloper bijv.





~driestrengstouw:
touw geslagen met drie kardelen. [A>]





~driestrengsknoop:
kardeelknoop gelegd met drie kardelen.





~drievoudige paalsteek:
paalsteek gelegd in dubbel genomen eind touw, waarbij het halende part (de lus van het dubbele eind) zo groot genomen wordt, dat deze net zo groot is als de lussen van de paalsteek zelf.





~driewandig:
van visnetten: net bestaande uit drie over elkaar liggende netten. Het binneste net, het vangnet heeft kleinere mazen, dan de daarbuiten liggende netten, de ladderings.





~driewegsluis:
schutsluis met één kolk en drie sluishoofden.
In Nederland vindt men Driewegsluizen nabij Wolvega tussen de Helomavaart en twee delen van de Linde, te Groningen (stad) tussen Eemskanaal, van Starkenborgkanaal en het Damsterdiep en te Gouda in de Breevaart, waarvan de aftakking naar het Molenvliet (al sinds 1924??) buiten gebruik is. Driewegsluizen zijn een bijzondere vorm van de komsluis.
Vierwegsluizen kent men, voor zover ik weet, in Nederland niet. De twee in Duitsland en Frankrijk gelegen vierwegsluizen zijn uitgevoerd als ketelsluis.





~drift:
1a>  door wind of stroom veroorzaakte zijdelingse verplaatsing van een varendschip. Zie ook wraak.
b> veelal ongewilde, door wind of stroming veroorzaakte,verplaatsing van voorwerpen of massa's, zoals bijvoorbeeld ijs.

2> zie bij drecht.

3> rond konisch stalen stuk gereedschap met platte punt, bestemd om klinken uit te drijven, dan ook por genoemd, of om 'onwillige' klinknagelgaten dusdanig te forceren dat de klink wel door de gaten te stelen valt. Daar een dergelijk handelen de sterkte en ook de waterdichtheid van verbinding sterk kan benadelen, ontraden diverse handboeken een dergelijke werkwijze. Voor dit werk schijnt men trouwens ook de drevelhamer te gebruiken.
Engels voor drevel.


4> zie bij drecht/dreef.





~driftig:
1> gemakkelijk door wind of stroom uit de koersgezet kunnen worden.

2> verouderde term voor gaan drijven. Bij het opkomen van de vloed werd het schip driftig.

3> verouderde term voor op drift raken of zijn. Indien, een schip driftig geworden, en op de touwen van een daarbij ten anker liggend schip, gedreven zijnde, de schipper van het eerstgemelde schip de touwen van het laatste heeft gekapt, waardoor hetzelve driftig is.....
Ondermeer gevonden in 19de eeuwse wetboeken.






~drijfaal:
geslachtsrijpe aal/paling die naar zee trekt.






~drijfanker, zeeanker:
soort sleepzak, die men op zee of zeer ruim water gebruikt om, terwijl men het schip laat deinzen, de kop op de wind te houden. Voor zover bekend, in de binnenvaart nauwelijks gebruikt. Mogelijk in Vlaanderen ook waterzeil genoemd.
Zie ook stopzak.





~drijfbaken:
soort van kleine boei.





~drijfbocht:
zie drijfvuil.





~drijfbolder:
1a> in het algemeen: elke bolder die, doordat deze op een drijflichaam aangebracht is, met de heersende waterstand op en neer gaat.
Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan de bolders die op de houten drijvende geleidewerken bij de remmingen van sommige sluizen aangebracht zijn.

b> in het bijzonder: in sommige sluiswanden aangebrachte constructies waarbij een op een drijflichaam geplaatste bolder het waterniveau in de sluis volgt. Deze constructies en het bijbehorende geleidesysteem zijn in een vertikale nis in de sluiswand weggewerkt.
Soms ook zwembolder genoemd.





~drijfboom:
1> op één of andere wijze in min of meer vaste positie gehouden, stevige lange paal of balk die in het water drijft.
Veelal gebruikt als stadsboom of rivierboom, dan soms ook voorzien van scheurbroeken (zijnde stalen pennen met weerhaken of soort gelijke constructies) en dan hekel genoemd.
Behalve als een soort slagboom, tolhek voor de scheepvaart werden drijfbomen ook gebruikt als kering voor drijvend vuil, waterplanten, als algehele versperring voor de scheepvaart en soms als bescherming van oever, vlot of steiger die als aanlegplaats fungeerde. In het laatste geval waren de palen waaraan de drijfboom verankerd was vaak tevens de meerpalen voor het schip.


2> zie kuilhout/kwakboom.





~drijfbrug:
soort ponton of vergelijkbare constructie die als oeververbinding gebruikt wordt.
Gerelateerde term: schipbrug, schol, vlotbrug.





~drijfdok:
verouderde term voor een drijvend dok.





~drijffint:
fint (vissoort) met het drijfnet gevangen. Men kent ook zegenfint en stuwfint.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~drijffok:
zie bij waterzeil.





~drijfgang:
vrij onbekende term voor de sluitgang.
Volgens G.J. Schutten zo genoemd omdat deze met grote kracht tussen de andere gangen gedreven werd. Verder echter nog geen vermeldingen van deze term in verband met de binnenvaart kunnen vinden. Ook het door hem vermelde synoniem stopgang is niet erg algemeen.





~drijfhout:
1> in het water ronddrijvende resten van bomen, takken, wortels.
zie ook zinkhout.

2> naar men zegt ook een klosje hout dat op een botter of kwak tussen het berghout en het zwaard geplaatst kan worden.





~drijfijs:
ijs, dat in de vorm van schotsen, op het water drijft.





~drijfkist:
niet bekend, maar vermoedelijk klein rechthoekig ponton.





~drijfklamp:
klamp op het boord van een botter of kwak waartegen het kuilhout/de kwakboom rust wanneer deze in vangpositie staat.





~drijfkraan, pontonkraan, laadbrug:
drijvend werktuig waarmee schepen geladen en gelost kunnen worden.
De oude drijfkraan bestaat uit een ponton met daarop, in vakwerkconstructie, een kolom waaraan een zeer forse horizontale arm bevestigd is. Onder deze arm beweegt zich een grote zware grijper. [A> drijfkraan]
De drijfkraan wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de overslag van bulkgoed vanuit zeeschepen in binnenvaartschepen.


De moderne drijfkraan is minder bijzonder. Het is gewoon een groot formaat kraan, welke op een ponton geplaatst is.





~drijfkussen:
klein drijfmiddel meestal vierkant van model en ook geschikt om op te zitten.
Naar horen zeggen wordt een drijfkussen, dat tevens als zitkussen gebruikt wordt, niet als officieel reddingsmiddel aangemerkt.






~drijflichaam:
voorwerp bestemd om een voorwerp, dier of persoon (meer) drijfvermogen te geven.





~drijflijn:
1> lijn, op regelmatige afstanden van drijvers voorzien.
Drijflijnen worden meestal gebruikt om stukken van het water voor de scheepvaart af te sluiten.
Soms gebruikt men daarvoor echter één of meerdere opeenvolgende drijfbomen.


2> lijn tussen het uiteinde van de kwakboom/het kuilhout en het oortouw/de sprinkel van het kuilnet.
Zie ook: aartouw.





~drijfmiddel:
drijflichaam bestemd voor één of meerdere personen.





~drijfnet:
1> algemene term voor een vlak visnet dat aan de bovenzijde voorzien is van drijvers en aan de onderzijde verzwaard is. Eigenlijk zou men moeten spreken van drijfwant.[Diverse termen inzake vistuig >.]
b> driewandig visnet, bestaande uit ladderingen en een vangnet, dat men met de stroom mee laat drijven. Ten westen van Gorinchem vlouw genoemd.
De bovenpees van het net is daartoe voorzien van (kurken) drijvers. De onderpees van metalen (loden of ijzeren) gewichten.


2> plaatselijk (Medemblik) synoniem voor ansjovissleepnet.





~drijfnetvisser:
1> iemand die met drijfnetten vist.

2> vaartuig van het bij 1 genoemde persoon.





~drijfnetvisserij:
het vissen met drijfnetten.
Gerelateerde term: drijven, zalmdrijver, enz.




~Drijfschuit:
Zie Zalmdrijver.





~drijftil:
(klein) losdrijvend eilandje, meestal grotendeels bestaand uit riet.





~drijfton:
1> drijflichaam dat met een lijn aan het uiteinde van de sleepkuil bevestigd was.
Bron: Kuilen en Voorhouders, door A.F.L. van Holk.


<2>2> kleine ton, boei. Zoals bijvoorbeeld de ankerboei.
O.a. genoemd in: De nieuwe wetgeving op de Rijnvaart van 1869.






~drijfvermogen :
het gewicht van de, door een bijna geheel ondergedompeld voorwerp, verplaatste hoeveelheid water, minus het eigen gewicht van dat voorwerp. Deze maat is o.a. voor reddingsmiddellen van belang.
PERSOONLIJK DRIJFVERMOGEN
: voorwerp, met een bepaalde hoeveelheid drijfvermogen, bestemd om door één persoon gebruikt te worden; meestal een reddingvest.





~drijfvleet:
vermoedelijk een aantal drijfnetten aan elkaar.





~drijfvuil:
al het drijvende vaste vuil.
Onder riviervissers voornamelijk dat vuil dat in de netten terecht komt. Door hen onderandere ook bocht, drijfbocht, knoei, stravel, pestriet en niersvuil genoemd.
Gerelateerde termen: dok, haft, meermolm, veel.





~drijfvuilboot:
zie drijfvuilschuit.





~drijfvuilrooster:
onderdeel van een veegarm. Voor de overstortrand geplaatst rooster dat grofvuil tegen moet houden.





~drijfvuilschuit, drijfvuilvisschuit:
grotendeel open schuit waarmee men het, in de stadswateren drijvend, vuil opvist en transporteert. Vaak is dit een schuit met een beun of met een ruim dat waterdicht van de ruimtes onder voor en achterdek gescheiden is. Indien gemotoriseerd ook motordrijfvuil(vis)schuit genoemd. Soms ook hanteert men de term BOOT i.p.v. SCHUIT.
Gerelateerde term: vuilvisvaartuig, afvalschuit.





~drijfwant:
zie bij visnet of drijfnet.





~drijfzeil:
ander woord voor waterzeil/stroomzeil.





~drijven
1> volledig door het water gedragen (kunnen) worden.

2> dobberen, stevelen, aandrijven, uitdrijven: een vaartuig, zonder een middel tot voortstuwing te gebruiken, laten verplaatsen.
In dit verband noemt G.J. Schutten nog een vorm van stevelen waarbij men achterstevoren vaart. Het voorschip werd dan met behulp van de ankerketting afgeremd en het achterschip, wat nu dus in de vaarrichting wees, kon dan dankzij de stroming van de rivier toch gestuurd worden. Buiten deze vermelding heb ik tot nu toe nergens anders hiervan vermelding gevonden.


3> met stevige slagen iets ergens in of uit slaan. Ondermeer van toepassing op het breeuwen waar men het werk in de naden drijft en terug te vinden in bijvoorbeeld drijfgang. (geen echte scheepsterm)

4> de drijfnetvisserij beoefenen.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.






~drijvend:
alleen door de opwaartse kracht van het water, boven water uitstekend.
DRIJVENDE BOK
: meestal kortweg bok genoemd.
DRIJVEND DOK
: zie bij droogdok(2).

DRIJVENDE INRICHTING
: in het water drijvende constructie, die in de regel niet verplaatst wordt.
Een woonark bijv. is dus een drijvende inrichting
.
DRIJVEND WANT
: zie bij visnet.
DRIJVEND WERKTUIG
: drijvende constructie, waarmee werkzaamheden in of langs het vaarwater uitgevoerd worden, in de regel niet voorzien van een voortstuwing waarmee het object over grotere afstanden verplaatst kan worden.





~drijver:
1a> flink drijflichaam, dat een voorwerp, bijv. een visnet, drijvende houdt. Ook vloot genoemd.
b> vlotter, dobber: klein drijflichaam, meestal gebruikt voor kleine netten, markeringen en vislijnen.

2> verkorting van Zalmdrijver.

3> volgens P. Le Comte en Nicolaas Witsen synoniem voor Tochtschuit.

4> volgens G.J. Schutten een (houten) schuitje waarop een schipbrug rust.





~Drijverschuit: Zalmdrijver.





~drillen:
een schip door middel van een lier of kaapstander verhalen, door een ondiepte trekken of de werf opdraaien.
Deze 17de eeuwse term is in onbruik geraakt. Tegenwoordig spreekt men wel van lieren, voortlieren en binnenlieren.
Ondermeer te vinden bij: Mr. J. van Lennep Zeemanswoordenboek 1856 en Nicolaas Witsen Aeloude en hedendaegsche Scheepsbouw en bestier.






~driltjen:
Gronings voor wegen.





~Drimmelaar, Dremmelaar, Drommelaar, Drommelaer, Drommeler, Drummeler, Drummelaar :
1> volgens sommigen: bepaald scheepstype met een gekromde voorstevenbalk. Voornamelijk van toepassing op de term drimmelaar.
Sopers denkt de Drimmelaar min of meer als voorloper van de Poon en vermoedt dat de naam ontleend is aan het plaatsje Drimmelen.
Haalmeijer en Vuik geven een beschrijving van dit 'type'. Zij baseren zich daarbij op een tekening op een kaart van Jodocus Hondius de Oude. Aangezien in diverse andere afbeeldingen op die kaart duidelijke fouten te constateren zijn, kan men de juistheid van deze weergave en daarmee de beschrijving van Haalmeijer en Vuik in twijfel trekken.


2> volgens sommigen: algemene term voor schepen met een sterk gekromde voorstevenbalk: de kromstevens. Voornamelijk van toepassing op de termen drommelaar en dremmelaar
Vaartips schrijft: "De Dremmelaar wordt in 1697 in "De Nederlandsche Scheepsbouwkonst open gestelt" in één adem genoemd met wijdschepen of potten, karveel of smalschepen en damlopers, maar verder niet omschreven."
Men stelt wel dat 'drom' verwijst naar een korte gedrongen bouwwijze, terwijl 'dremmelen' zou verwijzen naar de langzame gang van deze schepen.


3> verkorting van 'Drimmelsschip', waarbij 'dremmelaar', 'drommelaar' en 'drummelaar', als verbasteringen gezien worden.
In dit verband kan opgemerkt worden dat ook de Drimmelse aak een Drimmelsschip genoemd wordt en het verschil tussen Drimmel-aak en Drimmelaar wel erg klein is.





~Drimmeler aak:
zie Drimmelse aak.





~Drimmelse aak, Drimmeler aak, Drimmelsschip :
scheepstype, vrachtschip. Overnaads gebouwde platbodem behorend tot de aken. Door het gebruik van erg brede gangen nog al hoekige doorsnede, bijna een knikspant. Van boven gezien een nogal eivormig model. Smal toelopende heves. Voor voorzien van een kromme aangezette stevenbalk, achter een rechte iets vallende steven. Zeilscheepje met een klein ruim dat gebruikt werd voor het baggeren en voor het vervoer van zand. Afmetingen circa 10,5 x 2,7 x 1 meter.
Buiten de beschrijving en tekeningen van W.K. Versteeg heb ik geenbeschrijvingen van dit scheepstype kunnen vinden.
Het scheepstype zou in de loop van de 18de eeuw ontstaan kunnen zijn. Begin twintigste eeuw lijken zij reeds verdwenen.






~Drimmelsschip:
mogelijk een Drimmelse aak, maar mogelijk ook een kromsteven uit Drimmelen: een Drimmelaar.





~drinkwaterboot:
meestal verkort tot waterboot.
Ook al noemt men het een drinkwaterboot, het is een schip of scheepje. [uitleg].





~drinkwatermachine, drinkwatermaker:
instrument waarmee uit gefilterd buitenwater, drinkwater gemaakt wordt. Drinkwatermachines worden in de binnenvaart weinig toegepast. [T> Drinkwater.]





~drinkwaterpomp:
handpomp waarmee men drinkwater pompt. Vaak een krukpomp.





~drinkwatertank:
meestal verkort tot watertank.





~drinkwatertappunt:
meestal ingekort tot tappunt.





~drinkwatervat, drinkwatervaatje:
meestal ingekort tot watervat.





~drobbert:
andere schrijfwijze voor dryboord.





~drobbertgen:
ander woord voor dryboord.





~droem:
touw van mindere kwaliteit. Bij uitbreiding touw en weefselrestanten waarvan ondermeer dweilen en teer- of pekkwasten gemaakt werden.





~droge:
HET DROGE
: het land, de oever.
WE STAAN OP HET DROGE
: we staan (het schip staat) op de werf.
Zie ook: droge-naad-stuk.





~droge-ladingschip:
moderne naam voor een vrachtschip, dat geen beunschip, tankschip, of iets dergelijks is. [A> moderne droge-ladingschepen.]





~droge-naad-stuk, drogenaadstuk, drogenaadconstructie, hollijst, waterlijst:
Skutsjemuseum.nl.">Klik hier
voor
afbeelding
constructie waarmee voorkomen wordt dat er tussen twee houten delen een naad ontstaat waarin water zou kunnen blijven liggen. Kantdelen/lijfhouten van het dek, bovenzijdes van berghouten en karings zijn vaak als droge naad uitgevoerd.[A>]
Het droge naad stuk kan men vaak zien als een plank met een aangevormde opstaande rand. De opstaande rand kan, zoals in de afbeelding, de karing voor een luik zijn.
Bij berghouten is het drogenaadstuk een overgang naar de minder dikke huidbeplanking. Soms/vaak is er niet alleen aan de bovenzijde, maar ook aan de onderzijde een drogenaadstuk gemaakt. Mogelijk is dit gedaan omdat dit bij het breeuwen minder problemen geeft.






~droge slagen:
van motoren: na het starten slagen maken, zonder dat de smeerolie toegevloeid is. Zie ook bij : voorpompen.





~drogerijgarnaal: zie pufgarnaal.





~drom, dreum, droem:
touw van mindere kwaliteit. Bij uitbreiding touw en weefselrestanten waarvan ondermeer dweilen en teer- of pekkwasten gemaakt werden.





~Drommelaar:
zie drimmelaar.





~droog:
ondiep; in zinnen als: "dat deel van de haven is droog".

DROOG ROT
: vorm van verrotting, die veel voorkwam bij eikenhout dat onvoldoende gewaterd was. Men spreekt ook van 'het vuur zit in het hout' of van vervuring.

EEN DROOG SCHIP
: een schip dat weinig buiswater veroorzaakt en/of weinig vast water aan dek krijgt.

DROOG SLAAN
: van motoren: na het starten slagen maken, zonder dat de smeerolie toegevloeid is. Zie ook bij : voorpompen.

DROOG VALLEN
:
a> met betrekking tot de bodem van het vaarwater: bij laag waterpeil geheel of gedeeltelijk boven water komen.
b> met betrekking tot schepen: bij laag waterpeil op de bodem van het vaarwater staan en wel dusdanig dat nagenoeg het hele schip vrij van het water is.

DROOG WERK
, slatwerk: bij het graven van een kanaal of haven, eerst het kanaal of de haven graven en daarna pas water er in laten lopen.

DROOG ZETTEN
: een schip op de helling trekken, op een ondiepte droog laten vallen of ergens aan de grond zetten.

DROOG ZITTEN
: met een schip op een ondiepte vastgelopen of drooggevallen zijn.

Zie ook: droge en droge-naad-stuk.





~droogdok, droogbak:
1>  gegraven dok: bassin, dat van het vaarwater afgesloten en daarna leeg gepompt kan worden. Het dok wordt gebruikt om onderhoud of reparaties aan het onderwaterschip te verrichten. Dit soort dokken worden voor binnenvaartschepen zeer weinig gebruikt. In België waren er echter wel plaatsen waar men soms meerdere schepen tegelijk op deze wijze droog zette.
Droogbak is de 18de, 19de eeuwse term voor een gegraven dok.


2> drijvend dok: drijvende inrichting, die gebruikt wordt om schepen, geheel of gedeeltelijk boven water te heffen. Vroeger ook drijfdok genoemd.
Gerelateerde term: schepenlift, helling.





~droogleggen:
de visbun afsluiten en leegpompen.





~droogpal:
houten paal welke gebruikt wordt om lijnen, waarover men visnetten te drogen hangt, te kunnen spannen.





~droogstaan:
met het schip op de helling of het zaat staan.





~droogstijl:
paal met dwarshout waarover men de visnetten te drogen hangt.





~droogte:
(plaatselijke) ondiepte.





~droogvallen:
1> bij vallend tij, aan de grond raken of  het schip aan de grond zetten. Zie ook: banken.

2> van ondieptes: bij lage waterstandenboven water uitstekend.





~droogzetten:
1> een schip op de helling halen.

2> een schip met een dok of schepenlift, voor onderhoud, boven water brengen.
3> een schip droog laten vallen, een schip op het zaat zetten.





~droubart:
zie dryboord.


Volgende





© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Haarlem.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken