banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst D



~D1-olie:
(productnaam) sterk impregnerend conserveringsmiddel voor hout, zowel zonder als met verdere afwerkingslaag, bij voorkeur D2-olie, te gebruiken.





~D2-olie:
(productnaam) op blanke lak gelijkend conserveringsmiddel voor hout, wat als afwerking van met D1-olie behandeld hout gebruikt wordt.





~D.A.F., van Doorne's Automobiel Fabriek:
fabrikant van ondermeer scheepsdieselmotoren.
Tot scheepsdiesel omgebouwde DAF bus- en vrachtwagenmotoren werden in de jaren '70 veelvuldig gebruikt om kleine vrachtscheepjes, die voor recreatie en/of bewoning verkocht waren, van een motor te voorzien.






~daal:
te daal varen:
 op de rivieren: met de stroom mee varen.
Gerelateeerde termen: bergvaart, opvaart, afvaart, daalvaart, dalvaart.




~daalder, prop, dekdop
klein houten schijfje of korte dikke pen waarmee schroef- en klinkgaten, bij houten schepen of dekken, afgedekt worden.




~daalschutting:
op de bovenrivieren een schutting naar een lager deel.





~daalvaart, dalvaart:
de schepen, die op de grote rivieren met de stroom mee varen.
Gerelateeerde termen: bergvaart, opvaart, afvaart, te daal varen.
Welke van de twee termen is de meest juiste; dalvaart of daalvaart?
De algemene zoekresultaten van Google geven een duidelijke voorkeur voor dalvaart te zien, maar bij de zoekresultaten op gespecialiseerde pagina's ontlopen beide termen elkaar nauwelijks. De termen dalvaart en daalvaart zijn onder Duitse invloed ontstaan en om misverstanden met de Duitse collega's te voorkomen, door de Nederlandse schippers overgenomen (het zijn dus Germanismen). De Duitsers spreken van bergfarht en talfaht (spreek uit: taalfaart). Het is dus waarschijnlijk dat men oorspronkelijk van daalvaart sprak en pas later, onder invloed van het Nederlandse dal en berg, er dalvaart van gemaakt heeft. Ik geef dus de voorkeur aan daalvaart.








~dagboek:
zie journaal.





~daghuur:
in dag huur varen
: betaalt krijgen over het aantal dagen dat men verhuurd is.
Bij daghuur verhuurde men zich voor een bepaalde periode aan een reder of verlader. Men krijgt vervolgens betaalt voor elke dag dat men verhuurd is, ongeacht of men vaart of niet. Indien men vaart krijgt men per kilometer nog een brandstoftoeslag per kilometer. In veel gevallen is men vrij in het aantal dagen dat men over een reis wenst te doen. Moet een lading echter binnen een bepaalde tijd echter afgeleverd zijn, dan bekomt men een extraatje, de reizenpremie/ het streckengeld.

Gerelateerde termen: brandstoftoeslag, deklastvergoeding.





~dagmaat:
de doorsnede van het gat waardoor het licht kan vallen bij een patrijspoort of lichtrand.





~dagmotorpassagiersschip, dmps.:
een dagpassagiersschip of rondvaartboot.
De term wordt bijna uitsluitend in de vorm van de afkorting gebruikt
.





~dagpassagiersdienst:
regelmatig gehouden dienst met een dagpassagiersschip.




~dagpassagiersschip, dagmotorpassagiersschip, rondvaartboot, cruiseschip, motorpassagiersschip:
vaartuig ingericht voor het vervoer van personen en waarmee meestal meerdere uren durende rondvaarten gemaakt worden. Het dagpassagiersschip onderscheidt zich van de rondvaartboot niet alleen in formaat, ze zijn meestal groter en hoger, maar vooral ook door de aanwezigheid van een keuken en buffet aan boord. [A>] Het onderscheid zich van het rijnpassagiersschip, door de afwezigheid van de mogelijkheid tot overnachting voor de betalende gasten.
Een dagpassagiersschip kan ook als partyschip, evenementenschip, of rondvaartboot gebruikt worden en kan ook op lijn-, veer-, tram- of spoordiensten dienst doen.




~dagtank:
brandstoftanktank, die direct op de hoofdmotor aangesloten is en vanuit een voorraadtank gevuld dient te worden.
De dagtank is, min of meer, uit noodzaak ontstaan. Vooral bij de oude motoren kon de brandstof niet door het systeem zelf aangezogen worden en moest de onderkant van de tank dus boven de brandstofpompen liggen. De motoren waren hoog en dat hield dus in dat de tank ook hoog geplaatst moest worden. Voor een grote tank was daar geen plaats, dus gebruikte men een kleine tank die uit een grote tank bijgevuld diende te worden. Latere (matig-snellopende) motoren zijn vaak uitgerust met een extra pompje. Dit pompje heeft in de eerste plaats tot doel voldoende druk op de hogedrukpompen te houden, maar is tevens in staat brandstof (van geringe hoogte) op te zuigen (mits er geen lucht in de leidingen zit). In veel gevallen bleef de dagtank echter behouden. Dankzij de dagtank heeft men een beter inzicht in de brandstofvoorraad (voor die dag), het verbruik en ook zullen de meeste grove verontreinigen, die in de brandstof zitten, in de voorraadtank, de bunker, blijven zitten, waardoor de brandstoffilters minder belast worden. De dagtank dient (tegenwoordig) officieel een inhoud te hebben van 6 liter per kW motorvermogen (ca. 4,5 liter per pk). In vroeger tijd nam men op diverse schepen, er vanuit gaand dat men geen 24 uur per dag volgas voer, echter genoegen met beduidend kleinere tanks.





~dagteken, sein, dagsein:
duidelijk zichtbaar op het schip te voeren bord, vlag, bol, kegel, o.i.d. met een bepaalde betekenis. [A>]




~dagvaart:
men spreekt van dagvaart wanneer er hooguit 16 uur per dag gevaren wordt. Zie ook: continuvaart.




~dagvisserij:
visserij waarbij men de gevangen vis nog dezelfde dag aan land brengt.




~dagwerk:
de hoeveelheid turven, die een ploeg veengraver, d.i. 7 man, in één dag kon opleveren: ca. 12.500 turven. (één vermelding gevonden) [T> oude maten]




~dalvaart:
zie daalvaart.





~dam:
1> dwarsverbinding in een kettingschalm, soms toegepast bij ankerketting.

2> dijk:
tegenwoordig: waterkering of andere gesloten constructie, die een scheiding tussen het water(peil) aan de ene kant en de andere kant van de dam, te weeg brengt. In samenstellingen vaak echter iets dat er uit ziet als een dam of dijk.
Over het algemeen spreekt men tegenwoordig van een dam, wanneer er permanent water aan weerszijden van de kering zichtbaar aanwezig is. Is dat niet het geval dan spreekt men van een dijk. In feite is er echter geen verschil. Beide constructies hebben tot doel mogelijke waterniveau verschillen van elkaar te scheiden.


3> bij een blok:
de tussenschotten, die bij blokken met meerdere schijven, tussen de schijven geplaatst zijn.
Voor gerelateerde termen, zie bij blok.





~damketting, mannetjesketting, kabelketting:
ketting met dwarsverbindingen in de schalmen.  Veelvuldig gebruikt als ankerketting in de zeevaart, minder gebruikelijk in de binnenvaart.




~Damloper:
1> verzamelnaam voor diverse oude scheepstypes van tussen de 20 en 30 ton, die geschikt waren om van een overhaal gebruik te maken.
De schepen moesten dus een vrij breed vlak hebben dat, dwarsscheeps gezien, geheel of bijna vlak was. Damlopers waren wat steviger gebouwd dan andere schepen, omdat een beladen schip op de overhaal niet gesteund wordt door het water.
Voor als nog krijg ik de indruk dat de term voornamelijk gebruikt werd in de Hollandse gewesten. (Elders waren, voor zover ik weet, overhalen geen algemeen verschijnsel.) Het is dus vanzelfsprekend dat de term 'damloper' gekoppeld werd aan de scheepstypes in die gewesten. Welke scheepstypes dat precies waren en hoe ze eigenlijk wel genoemd zouden moeten worden, is mij nog niet bekend.


2> zie damschuit.
De woorden 'damloper' en 'damschuit' zijn oorspronkelijk elkaars synoniem. In later tijd heeft men een onderscheid aan willen brengen tussen de schepen, die over de dam gehaald werden, de damlopers, en schepen die, middels een sluis, door de dam (lees dijk) gingen, de damschuiten.





~damrak:
recht stuk, bevaarbaar, water dat door een dam begrensd wordt.




~Damscut:
zie Damschuit.




~Damschuit, damscut:
1> vermoedelijk sinds de 18de eeuw de naam voor schepen die in hun afmetingen beperkt werden door de aanwezigheid van een bepaalde sluis in het gebruikelijke vaargebied van deze schepen; maatschepen dus.
Als veel voorkomende maat wordt die van de damsluis te Leidsendam genoemd. Deze maat was zo belangrijk dat men Leidschendammer vaak als synoniem voor damschuit hanteert. Een andere belangrijke maat waren de doorvaartmaten van Gouda. Deze leidde tot de begrippen smalschip en wijdschip. Vanzelfsprekend zijn er ook damschuiten met andere maten; bijv. de Langedijker damschuit [A>].


2> zie damloper.
De woorden 'damloper' en 'damschuit' zijn oorspronkelijk elkaars synoniem. In later tijd heeft men een onderscheid aan willen brengen tussen de schepen, die over de dam gehaald werden, de damlopers, en schepen die, middels een sluis, door de dam (lees dijk) gingen, de damschuiten.






~damschutter:
sluiswachter op een damsluis.





~damsluis:
een sluis, die in een dam (lees: dijk) gelegen is.





~damwand:
nagenoeg vertikale wand op gebouwd uit platen staal met een speciale vorm, vroeger ook van hout.





~damwandluik:
metalen luik met damwandprofiel, waarmee het ruim afgedekt wordt.




~damwandprofiel:
een profiel dat lijkt op dat van een stalen damwand.




~dansen:
van een schip: sterk met de golfslag mee bewegend.





~datumreis, datumwerk :
een transport van goederen, dat vóór of op een vastgestelde datum op de overeengekomen bestemming dient te zijn.
Over het algemeen mocht(mag) de schipper zelf weten hoe lang hij over een reis wou(wil) doen. Men ging(gaat) er vanuit dat de schipper zoveel mogelijk wenste(wenst) te verdienen en dus de reis in de korst mogelijk tijd zou(zal) voltooien. Voor ladingen die met een zeeschip mee moeten, is het vaak noodzakelijk dat deze voor een bepaalde datum afgeleverd wordt. Een datumreis betaalt over het algemeen beter, dan een gewone reis.
Wanneer de termijn waarbinnen de lading afgeleverd dient te worden erg kort is, noemt men het een expresreis.





~datumwerk:
zie datumreis.





~dauwspoelen, dauwwassen:
'smorgens, het liefst voor zonsopkomst, het schip en in het bijzonder de houten luiken, afspoelen.
Ook nu nog, nu houten luiken in beroepsvaart, nauwlijks voorkomen, zijn sommige schippers 'smorgens druk in de weer met het schoonhouden van het schip.
De redenen voor al die activiteiten zijn de volgenden.
Vroeger:
Oud schippers zeiden dat de dauw aan je (bruine) teer (op de luiken) vreet. Dat klopt echter niet helemaal. Wel is het zo dat bij een geregeld onderhoud van de luiken de bruine (stockholmer) teer steeds vrij zacht en waterafstotend blijft. Bij dauw vormen er zich druppels de teer. Na het opdrogen laat het vuil wat zich in de druppels verzamelt heeft, kleine vlekjes op de teer achter, dit is een rot gezicht maar schaadt niet (bij andere waterafstotende oppervlaktes treed dit effect ook op, maar deze zijn of te glad, waardoor het vuil gauw weer weg is, of te hard, waardoor het vuil niet hecht, of te ruw, waardoor je het vuil niet ziet). Al dze vlekjes zijn natuurlijk een rot gezicht op een goed onderhouden schip.
Erger wordt het als in de vroege ochtend de zon schijnt. Elk dauwdruppeltje werkt als lensje als zal de teer verwarmen, een heel klein deel van de teer zal zich werkelijk oplossen, zodra men gaat varen komen de druppels in beweging en dan kan er dus inderdaad een beetje teer (in het gangboord) verdwijnen. Vele kleine beetjes vormen samen een heleboel en ook laten deze 'aangetaste' plekjes vaak een beetje ruwe kuiltjes achter, waarin zich makkelijk vuil kan verzamelen.

Tegenwoordig:
Verse dauw is vrij schoon water. Het bevat wel wat vuil (stuifmeel, roetdeeltjes, stof) maar geen agressieve chemicaliën. Het zelfde geldt voor regen, al komen daar wat meer verontreinigen in voor. Dauw en regen zijn dus opzich niet erg schadelijk voor je verf of het kunststof. Laat je je schip echt vuil worden dan moet je schoonmaakmiddellen gebruiken en de meeste daarvan zijn een ramp voor kunststof (dus ook voor verf). Door nu geregeld schoon te maken, voorkom je dat zich op bepaalde plaatsen vuil hecht. Op vertikale vlakken heb je de beruchte regenstrepen. Deze zijn, als ze de tijd krijgen om in de verf te trekken (verf is tenslotte ook poreus) zeer moeilijk weer weg te krijgen. Verder heb je natuurlijk alle hoekjes en gaatjes. Het meeste vuil komt daar terecht. Laat je het zitten, dan ontstaat er een vochtige koek, die niet alleen de verf aantast, maar ook de roestvorming bevordert. Door geregeld te dweilen hou je ook een schoon schip dus blijven ook je kleren en die van de visite schoon. Door 'smorgens te dweilen ben je ook meteen alle spinnenwebben kwijt. Al met al heb je er misschien wel meer werk aan, maar van dweilen wordt je niet vuil en het maakt geen herrie. Bikken, schuren menieën geeft wel dat soort ongerief!






~dauwwassen:
mogelijke samenvoeging van dauwspoelen en dekwassen, meestal gebruikt in de zin van 'smorgens dekwassen.





~davit:
stalen constructie waaraan zaken zoals de bijboot en het anker gehesen kunnen worden.
[A> davit met bijbootankerdavit.]
De davit bestaat over het algemeen uit een, draaibare, stevige, vertikale paal (de 'mast', staander of koning),  een vrij zware, schuinopwaarts gerichte, al dan niet beweeglijk verbonden, 'arm', giek of uithouder genoemd en een verbinding tussen de top van de koning en de nok van de uithouder.
Deze laatste verbinding bestaat meestal uit twee zware stalen strips, soms een enkele zware staaf en heel soms, bij de lichter uitgevoerde davits, uit een stuk ketting of staaldraad.
Van de nok van de uithouder lopen vaak 2 draden waarmee men de davit in een bepaalde stand kan fixeren. Bij ankerdavits noemt men deze soms stagen, het zijn echter meer een soort gaarden.







~davitlier:
klein hijslier, draadlier, vaak zelfremmend of met vang, danwel een hooiberg- of trailerlier. Zoals de naam al zegt worden deze lieren meestal gebruikt om de bijboot op te kunnen hijsen.




~debarkeren:
van boord gaan, ontschepen, soms ook lossen. In de binnenvaart wordt deze term nauwelijks gebruikt. In reglementen en voorschriften voor de binnenvaart soms wel.




~De Bug:
(merk- of productnaam) Magnetisch brandstoffilter dat tot doel heeft micro-organismen in de brandstof te vernietigen.




~declinatie, miswijzing, variatie(1):
constante afwijking van het kompas. De kombinatie van de kompasfout en de variatie(2). Zie ook: deviatie.




~decompressiehandel, kleplichter, decompressieinrichting:
voorziening op dieselmotoren, die aangeslingerd kunnen worden, waarmee voorkomen wordt, dat er in de cylinders compressie opgebouwd wordt.
AUTOMATISCHE DECOMPRESSIE-INRICHTING
: decompressie-systeem dat zich na enkele omwentelingen vanzelf uitschakelt.




~Dedemsvaartse aak:
niet bekend. Mogelijk een Hasselteraak met de Dedemsvaartse maten (Zie ook maatschip.).




~Dedemsvaartse maat:
De maten waarmee de Dedemsvaart (tot Lutterhoofdwijk, ca. 7 km. oost van Dedemsvaart) bevaren mocht worden: 40 x 5,85 x <2m. Ik heb mij laten vertellen dat men met deze maten een bocht te Hasselt niet kon nemen en dat schepen met deze lengte en een breedte tot 5,95m. van Dedemsvaart via de Lutterhoofdwijk en Coevorden moesten varen. (gegevens gebaseerd op een opgave uit 1930)




~Dedemsvaartse kast:
1> te Dedemsvaart, bij scheepswerf Peters?, gebouwde Friese motorkast (31,5 x 5,4m.)

2> maatschip. Een kast met de maximale maten waarmee de Dedemsvaart bevaren mocht worden: 40 x 5,85 x <2m.




~deek:
zie deken.




~deel:
1> een flinke plank.
2> dekdeel.





~deelbaar:
van schepen: de mogelijheid biedend het schip op een bepaalde in twee delen  te snijden zonder dat elk der delen daarbij zijn drijfvermogen verliest.
De eis tot deelbaarheid van een schip is tegenwoordig van toepassing op zeer lange schepen die de Rijn bevaren. Zij kunnen dan bij stranding in twee delen gesneden worden, zodat men het vaarwater weer eerder vrij heeft, dan wanneer dat niet het geval zou zijn.






~deelfactor, divisore:
in vroeger tijden, bij scheepsmetingen gehanteerde factor, waarmee het product van de gemeten uitwendige lengte, en inwendige breedte en holte, vermenigvuldigd moest worden om (bij benadering) de inhoud van het schip te kunnen bepalen.




~deelgenoot:
een verzekerde bij een onderlinge.


~deelgenootschap:
het deelgenoot zijn.



~deelvisser:
iemand die samen met anderen vist en als loon een deel van de vangst verkrijgt.





~defensiesleepboot:
sleepboot in beheer bij of eigendom van, het ministerie van defensie. Niet noodzakelijkwijs een binnenvaartuig.





~defensievaartuig:
vaartuig in beheer bij of eigendom van, het ministerie van defensie. Niet zoodzakelijkwijs een binnenvaartuig.





~deining:
trage lage golfslag. Op het binnenwater is er zelden deining. Alleen golven van schepen, die op grote afstand langs komen varen veroorzaken deining.




~deinzen:
het schip, door de wind achteruit laten blazen.





~dek, verdek :
1> uitwendig vast deel van een schip waarop gelopen KAN worden.
gerelateerde termen: voordek, achterdek, hoofddek, sloependek, tussendek, brugdek, plecht, roefdek.

2> bij uitbreiding de gehele bovenkant van het schip.

DE DEKKEN SPOELEN
: tijdens het zeilen zo scheef gaan dat er vast water op het dek of in de gangboorden komt, of zo zwaar geladen zijn dat het water in het gangboord staat. [A>
HET DEK TE WATER VAREN
: tijdens het zeilen zo scheef gaan dat er vast water op het dek of in de gangboorden komt.
de dekken lichten
: het aanbrengen van kalffdekken.

3> D.E.K. afkorting voor dortmund-eemskanaalschip.





~dekaak:
niet voldoende bekend. Mogelijk: een aak met een dek, een aak met een geheel gesloten dek of een aak waarvan de bewoonbare ruimtes zich benedendeks bevinden, dus geen roef of paviljoen hebbende.
De eerste verklaring (o.a. gebruikt door het WNT) lijkt me onvoldoende: de meeste aken zijn voorzien van dekken, dus de toevoeging lijkt overbodig. De tweede verklaring lijkt me wel logisch, vooral omdat de aak, zonder paviljoen of roef, door een vrij geringe holte, niet erg bewoonbaar is en dus waarschijnlijk zelden voorkwam.







~dekbaard:
weinig gebruikte term voor, rond de kettingkluis, op het dek aangebrachte kluisring.





~dekbalk:
dwarsscheepse balk of hoeklijn onder het dek. [stalen dekbalken: nr's.3 in A>.]




~dekband: ongebruikelijke naam voor dekbalk.





~dekblok:
onbeweeglijk blok waarvan de schijf haaks op de ondergrond staat. [A>] Dekblokken worden vooral toegepast om draden of touwen te geleiden. Men treft ze voornamelijk op werkschepen aan.
Voor gerelateerde termen zie bij blok.





~dekdeel, dekplank, deel:
een plank van een houten dek.




~dekdoorvoer:
op, in of onder een gat in het dek gemonteerde constructie die, een door het gat gaand touw, staaldraad, leiding of slang beschermt.





~dekdop:
1> vuldop:
in het dek aangebrachte bus, waarin een stop gedraaid wordt. Vuldoppen worden aangebracht om de tanks te kunnen vullen. [A>]

2> daalder.




~deken, deek, bundeken:
de bovenkant van een visbun.




~dekenpoot:
stevige vertikale knie, die als spant fungeert, en die op de deken geplaatst is.




~dekgang:
een strook van achter elkaar liggende dekdelen.
De term wordt zelden gebruikt
.





~dekglas, deklicht, lichtrand:
een, in het dek aangebracht, rond of rechthoekig glas.
Oorspronkelijk waren dekglazen dikke rechthoekige stukken glas, die dusdanig in de dekdelen ingelaten werden dat de bovenkant gelijk lag met het dek. Later kreeg het glas aan de onderzijde een prismatische doorsnede waardoor het licht beter door de ruimte verspreid werd.
Ook ging men, om lekkage en beschadiging te voorkomen, de naad aan de bovenzijde met dunne strippen staal, messing of koper afdekken.
Na de komst van de lichtranden gebruikte men in stalen dekken meestal van lichtranden afgeleide constructies bij wijze van dekglas. Het glas in deze lichtranden is, in afwijking van de normale lichtrand, zo dik dat de buitenzijde gelijk ligt met de bevestigingsring van de lichtrand. In veel gevallen wordt het glas alleen door zijn eigen gewicht en de stopverf of kit op zijn plaats gehouden. Slechts in een enkel geval is het glas aan de rand ingeslepen en wordt het met een extra ring vast gezet. Ook het glas van deze dekglazen is soms dusdanig gevormd dat het licht beter door de onderliggende ruimte verspreid wordt. In verband met de kostprijs van dergelijke glazen ging men er bij breuk vaak toe over dik vlak glas te combineren met een tegen de binnenzijde aangebrachte 'kap' die het licht verdeeld. Als 'kap' werden onderandere platte glazen lampenkappen, zoals van de Spitfire gebruikt.






~dekhoekstaal:
hoeklijn langs de voet van de den. Deze hoeklijn werd op veel schepen rood geschilderd. Met de komst van gelaste schepen verdween de hoeklijn, maar sommige schippers waren zo aan deze rode bies gehecht, dat ze hem bleven schilderen. [A> tekening.]





~dekhoogte:
het niveau waarop het dek ligt.




~dekhout:
hout dat voor de dekken gebruikt wordt.




~dekhuis:
1> op het dek geplaatste opbouw van redelijke omvang. Zie ook dekhut.

2> door sommigen gebruikt voor een op het dek geplaatste, of slechts weinig verzonken, roef van flinke afmetingen.




~dekhut:
1> op het dek geplaatste opbouw geschikt om personen tot verblijf te dienen. In de meeste gevallen zijn dekhutten niet erg groot, het meest zijn ze te vinden op werkschepen. Er zijn echter ook enkele gevallen waarin men twijfelt tussen de term roef of theehut enerzijds en dekhut anderzijds, in een dergelijk geval gebruiken sommigen de term dekhuis. [A>] Verwante termen: salonroef, kot, durk, theehut, dekhut, salon, dekroef, paviljoen.

2> op passagiersschepen: hut(2), die op het hoofddek staat.




~dekindeling:
1> de wijze waarop de dekken, op een schip met meerdere dekken, ten opzichte van elkaar liggen.
2> de wijze waarop de vaste delen, die op het dek staan of die door het dek steken, geplaatst zijn.
de tekening die de dekindeling weergeeft noemt men het dekplan.




~dekken:
1> van dekken en/of gangboorden voorzien.
GEDEKTE BOOT
: een boot (dus eigenlijk een geheel open vaartuig) dat grotendeels van een dek voorzien is.
HALF-GEDEKTE BOOT
: een boot, die gedeeltelijk, meestal het gedeelte voor de mast, van een dek voorzien is.

2> van een dak voorzien.
GEDEKTE KUIP
: een kuip met een dak er boven.
GEDEKTE STUURSTAND
: een stuurstand met een dak er boven.




~dekkenverf: dekverf.




~dekkleed: dekzeil.




~dekkledenverhuur, dekkleedverhuur:
bedrijf dat dekzeilen verhuurt. De term 'dekzeilverhuur' ben ik tot op heden nog niet tegen gekomen.
Het verhuur van dekzeilen was vroeger een vrij gebruikelijke aangelegenheid. Er werd niet alleen aan schippers verhuurt; er werd namelijk overal en nergens ook veel gewoon op de wal, niet alleen op kades, maar ook op bedrijfsterreinen e.d., opgeslagen.





~dekknecht, matroos:
bemanningslid dat voornamelijk aan dek werkzaam is. De term is waarschijnlijk afkomstig van uit de vaart met grote schepen (zeeschepen?), waar men, bijv. voor de machinekamer andere personeel had, dan aan dek. Zie ook schippersknecht.





~dekknie:
driehoekige steun tussen scheepshuid of spant en een dekbalk.





~deklading, deklast:
lading, die op het dek vervoerd wordt, dus zoals bij dekschuiten en pontons.
Vrij weinig gebruikte term. [A>] [T>]
Op gewone vrachtschepen kwam het vroeger geregeld voor dat deklast en deklading gecombineerd werden. Daardoor is een duidelijk onderscheid moeilijk te maken, bovendien betekenen beide woorden ook het zelfde: last is immers lading.






~deklast, bovenlast, deklading:
1> bovenlast: het gedeelte van een normale lading, dat niet onder de luikenkap van een vrachtschip past. [A>]
Op gewone vrachtschepen kwam het vroeger geregeld voor dat deklast en deklading gecombineerd werden. Daardoor is een duidelijk onderscheid moeilijk te maken, bovendien betekenen beide woorden ook het zelfde: last is immers lading. De term bovenlast is in feite een betere benaming, maar het woord is vrijwel in onbruik geraakt.

[T>]

een deklast zetten:
 een deel van de lading boven de bovenrand van de den moeten laden.
Wanneer grote voorwerpen,  of containers, of in bergen gestort zand, grind, enz. boven de den uitsteken, wordt dat geen deklast genoemd.

2> deklading.





~deklastschot:
aantal aan elkaar geklampte planken (soms afgedankte of blinde luiken), die gebruikt worden om, met behulp van deklaststutten, de den te verhogen, wanneer men een deklast moet zetten. [T>]





~deklaststut, stut:
stevige stalen constructie, die over de bovenrand van de den geschoven kan worden en waartussen men vervolgens luiken of deklastschotten plaatst. [T>]





~deklastvergoeding:
toeslag die men krijgt wanneer men in daghuur vaart en een deklast zetten moeten.





~deklegger:
ongebruikelijke naam voor dekbalk.





~deklicht:
1> lamp, die het dek verlicht.
2> soms gebruikt als synoniem voor dekglas.





~deklijn:
lijn, die in het lijnenplan het verloop van het dek aangeeft. [A>]




~dekluik:
houten of stalen, meestal scharnierende, vlakke, afdichting van een opening in het dek. Ook deksel genoemd. [A>]





~dekmatje:
spiraalsgewijs, plat op het dek gelegd, opgeschoten touw. [A>]




~dekmotor:
op het dek geplaatste motor. [A>]





~dekoog:
op het dek bevestigde vaste of beweeglijke ring, waaraan zaken bevestigd kunnen worden.





~dekopening:
opening in het dek, meestal een luikopening.





~dekplaat:
1> een der platen waaruit een stalen dek bestaat.
2> op het dek bevestigde stalen plaat, waar een onderdeel aan bevestigd of op geplaatst is.
Gerelateerde term: dekoog.




~dekplan:
tekening behorend tot het lijnenplan, waarop de indeling van het dek weergegeven is.




~dekplank:
lekenterm voor:
1> dekdeel.
2> stuurplank.




~dekroef:
vrij onbekende term voor een roef die niet verheven is, dus niet boven de luikenkap uitsteekt.




~dekronding:
dwarsscheepse bolling van een dek.




~dekruimte:
de oppervlakte van dekken en gangboorden.





~deksalon:
op passagiersschepen: een salon, die niet of nauwelijks verzonken is.




~dekschip:
1> een vrachtschip met een ruim, maar zonder roef, paviljoen of andere boven het dek uitstekende, voor bewoning geschikte, opbouwen.

2>vaartuig met een geheel gesloten dek. Moderne dekschepen worden, als ze een rechthoekige vorm hebben, pontonschepen genoemd.





~dekschuit, zolderschuit:
algemene term voor een vaartuig, zonder mechanische voortstuwing en zonder tuigage, met een, van voor- tot achtersteven, gesloten dek, dat gelijk ligt met de bovenzijde van de romp. [A>]
Zie ook Amsterdamse dekschuit, Motordekschuit. Gerelateerde term: kolenbord, beundekschuit, bakschuit(?).





~dekschuitenverhuur:
het, tegen betaling, uitlenen van dekschuiten.





~dekschuitenverhuurderij:
bedrijf dat dekschuiten verhuurt.





~deksel: klapluik.




~deksmanknecht:
officiële kwalificatie voor een, voor de binnenvaart ongeschoolde, hulp aan boord. Deze hulp dient tenminste 16 jaar oud te zijn. In de binnenvaart een vrij nieuwe (1980?) term. Gerelateerde termen: lichtmatroos, matroos, volmatroos, matroos-motordrijver, stuurman, machinist, schipper.





~deksprong:
1> de overgang tussen twee dekken, die op verschillend niveau liggen.
2> het hoogteverschil tussen twee aangrenzende dekken.





~dekstopper:
1> boegstopper:
in de zeevaart: grendel of klem waarmee de ankerketting tussen ankerlier en kettingkluis vastgezet kan worden. Voor zover mij bekend, in de binnenvaart weinig gebruikt en dan meestal een kettingstopper genoemd. [A> moderne dekstopper]

2> in de binnenvaart: soort stalen handspaak, variabel van afmetingen, waarmee men een spaakmoer los of vast kan draaien.
Er bestaan verschillende uitvoeringen;
- aan de ene zijde een rechthoekige bus, aan de andere zijde een soort handgreep.
- aan de ene zijde een rechthoekige bus, aan de andere zijde een rechthoekige of ronde pen, die in de gaten van de spaakmoer past. [A>]
- aan de ene zijde een rechthoekige of ronde pen, die in de gaten van de spaakmoer past, aan de andere zijde een soort handgreep. Ook handspaak genoemd.
- aan beide zijdes een pen, rechthoekig of rond, soms aan de ene zijde, van de steel, rond aan de andere zijde rechtoekig, vaak met één van de pennen onder een hoek van ca. 45 t.o.v. de steel. [A>] Indien beide pennen in lijn met de steel liggen, kan men het ook een handspaak noemen.

3> volgens mij oorspronkelijk gebruikt voor wat men tegenwoordig een kettingstopper of kettinggrendel noemt.




~dekstringer:
langsscheepse stalen versteviging onder of op het dek.





~dekstringerhoekstaal, dekstringer, bestekhoekstaal:
stalen, langsscheepse hoeklijn, in de hoek tussen scheepshuid en dek. Kan zowel onder- als bovendeks [nr.2 in A>] aangebracht zijn. [A>(tek.)]




~dekstut, stut:
vertikale buis of balk, waarmee een bovenliggend dek gesteund wordt.




~dektjalk:
tjalk zonder statie, roef of paviljoen.




~dekuitrusting:
volgens sommigen: alles wat zich vast of los aan dek bevindt of kan bevinden, volgens anderen alleen de losse zaken, die gewoonlijk aan dek worden gebruikt.




~dekverf, dekkenverf, antislipverf:
verf die gebruikt wordt om de dekken te schilderen.




~dekwasleiding:
stalen pijpleiding, ca. 3,5 ŕ 5 cm in doorsnede, waardoor buitenwater, om de dekken te spoelen, gepompt kan worden. Vaak tegen de buitenzijde van de den aangebracht. [A>nr.6]




~dekwaspomp:
pomp waarmee buitenwater, om het schip mee schoon te spoelen, opgepompt wordt.





~dekwassen:
het, met buitenwater, afspoelen van het schip.




~dekwasslang:
slang aangesloten op de dekwaspomp of dekwasleiding, waarmee men de dekken spoelt. [A>nr.4]




~dekwaswater:
het water waarmee men de dekken schoon spoelt. In het bijzonder het water dat een dekwaspomp oppompt, dus geen putswater.



~dekweger:
1> langsscheepse houten dekbalk.
2> draam: langsscheepse balk waarop de dekbalken rusten.




~dekwegering:
de bovenste, vaak dikkere, en niet uitneembare, houten plank van de wegering. Zie ook dekweger.




~dekwerktuig:
aan dek opgesteld mechanisch werktuig.




~dekzeil, dekkleed, kleed, presenning, afdekzeil
katoenen of kunststoffen kleed, meestal langs de randen voorzien van, met zeilkousen versterkte, gaten, o.a. bedoeld om de lading of de luikenkap af te dekken.
gerelateerde termen: dekkledenverhuur, buiskleed.

DEKKLEDEN VERZEKERING
: onder schippers gebruikte aanduiding voor een verzekeringsmaatschappij, die niet in het verzekeren van schepen gespecialiseerd of geen onderlinge is.





~dekzeilrand, bulbijzer, keggenbank:
tegen de den geklonken of gelaste rand, waarop de dekzeilen vastgezet kunnen worden.




~del:
soort zeewier in de zeeuwse wateren.




~delf, vaart:
gegraven (bevaarbaar) water.
De term vind men vrijwel alleen in plaatsnamen terug delfzijl bijv.






~DELFTship® :
tekenprogramma voor de computer waarmee men op vrij eenvoudige wijze rompvormen kan tekenen, waarop dan door het programma allerhande hydrostatische berekeningen uitgevoerd kunnen worden.
Het tekenprogramma lijkt voornamelijk ontworpen te zijn om een voorwerp te maken, waarop berekeningen uitgevoerd kunnen worden. Het programma is daardoor niet of slechts tendele geschikt om allerhande constructiedetails uit te tekenen. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat ik alleen ervaring heb met de gratis versie van dit programma.






~delte:
een kleine vaart, een sloot.





~den:
1> denneboom, rijswaring:
boven het dek uitstekende wand van het ruim.
Zie ook denning.
De term geldt ook voor de 16de eeuwse schepen, waar de den rond stond en samen met eventuele luiken een soort van huif over het ruim vormde.

In sommige oude geschriften lijkt het woord DEN vrij veel omvattend. Het valt echter altijd terug te voeren naar de bovenopening van het ruim of de afdekking daarvan, danwel naar ondersteunende balkjes.


ROEF AAN DE DEN
:
een roef, die direct achter de luikenkap begint.
De standaard roef op (bijna) alle schepen, die oorspronkelijk als zeilschip gebouwd zijn.

HOGE DEN
: rekbaar begrip. Voor ca. 1930 een den, die duidelijk boven de potdeksel of settelboorden uitstak, later een den met een hoogte van ca. 1m. of meer.
VERHOOGDE DEN
: den, die door het aanklinken of oplassen van een strook staal, hoger gemaakt is.

2> zware balk of staalprofiel, o.a. bij het bergen van schepen gebruikt.

3> zware balk als fundatie voor een helling.

4> in oude geschriften soms het ruim van een schip.

5> in oude geschriften soms het dek.

6> in oude geschriften soms elk der luiken van de luikenkap.

7> in oude geschriften soms de scheerbalk en/of een bint.



~dendeur:
oud Nederlands (17de eeuws) voor het deurtje tussen roef (den) en het vooronder. Later bekend als dievendeurtje.





~Denderpleit, bovenschip:
scheepstype, dat het midden houdt tussen een Otter en een Pleit.
Ze werden bovenschepen genoemd omdat ze regelmatig voor de Rijnvaart gebruikt werden.





~denneboom, dennenboom:
1> de den, inclusief de luikenhoofden.
2> het geheel van denneboom(1), scheerbalk en merkels.



~denning, delling, den:
1> vloer of vlonder op de bodem van een open boot.

2> oud Nederlandse vorm en/of verkorting van buikdenning.

3> oud Nederlands voor het dek van het schip. (Eigenlijk elke houten vloer, die ergens boven ligt; zoldervloer.)
Delling is mogelijk een streekgebonden 'verbastering' van denning.






~densimeter, hydrometer:
toestel om de soortelijke massa van vloeistoffen te bepalen.
Behalve de overbekende accuzuurweger had men vroeger, toen men nog geregeld het gewicht van de lading door het opnemen van de ijken bepaalde, ook een toestel voor het bepalen van de soortelijke massa van het buitenwater aan boord. Het was niet meer dan een soort dobber, die men in een puts met buitenwater liet drijven, waarna op de pen de vermenigingsvuldigings factor af te lezen was.




~denstringer:
langsscheepse versteviging van de den. Meestal uitwendig aangebracht. Vroeger vaak tevens dekzeilrand, tegenwoordig vaak ook loopbaan voor de schuifluiken(1).





~denstut:
vertikale versteviging van de den.
UITWENDIGE DENSTUT
: denstut tegen de buitenzijde van de den.
INWENDIGE DENSTUT
: soort vertikale verlenging van de dekbalken, die onder het gangboord liggen, tegen de binnenzijde van de den. [A>]





~depotbevoorading:
het aanvoeren van brandstoffen naar de verschillende brandstofdepots.





~depotwerk:
het varen met een tanker, die tot taak heeft de verschillende distributiecentra in ons land te bevooraden.





~derdehand:
1> zie derdehandtakel.

2> eenvoudig, meestal zelfgemaakt stuk 'gereedschap', dat moet voorkomen dat men voor het uitvoeren van een bepaalde arbeid een extra persoon, een derde hand, nodig heeft.
De term wordt in diverse beroepen voor uiteenlopende zaken gebruikt en is dus geen specifieke binnenvaartterm.






~derdehandtakel, derdehand, drieloper, takel:
1> een derdelasttakel bestaande uit twee blokken. Het lastblok met één schijf, hondsvot en haak en het vaste blok met twee schijven en een neut.
Gewoonlijk wanneer men over een takel of talie zonder meer spreekt, bedoelt men een derdehand.
Wanneer men een derdehand 'op z'n kop' gebruikt, wordt het een vierdelasttakel. In dat geval is namelijk ook de kracht die men op het halende part uitoefend, een kracht die de last omhoogbrengt.


2> door sommigen gebruikt als synoniem voor dubbeljol.






~derdelasttakel, drielasttakel:
takel waarbij de kracht die op het halende part uitgeoefend moet worden een derde van het gewicht van de last (plus de wrijving in de blokken) is. De term wordt echter ook gebruikt als synoniem voor derdehand, drieloper enz.




~De Steenkolen:
bijnaam van de Nederlandse Rijnvaart Vereniging.




~Detroit Diesel:
naam voor G.M. scheepsmotoren.




~deur:
zie sluisdeur.





~deutel, ark, keilpen, nagel:
eikenhouten (soms ook beukenhouten) wig, waarmee duvels geborgd werden.




~deutelen, pennen:
duvels van deutels voorzien.






~Deutz, Klöckner (Humbolt) Deutz, KHD:
1> bekende Duitse fabrikant van scheepsdiesels en hulpmotoren.
De fabriek werd in 1864 in Keulen door Eugen Langen en Nicolaus Otto onder de naam: N.A. Otto & Cie opgericht. In 1872, nadat het bedrijf 3 jaar eerder naar het plaatsje Deutz tegenover Keulen verhuisd was, wijzigde men de naam in Gasmotoren-Fabrik Deutz AG. In 1930 fuseerde men met machinefabriek Humbolt AG uit Keulen en acht jaar later ontstond een verbintenis met Klöckner-Werke AG en was Klöckner Humbolt Deutz een feit.  In 1997 volgde de laatste naamswijziging en kreeg de firma de naam: Deutz AG.
Het bekende embleem is pas sinds 1964 het algemeen logo van KHD. Daarvoor was het alleen ingebruik op Deutz voertuigen. Het embleem is dat van de, in 1936 door Humbolt-Deutz opgekochte voertuigfabriek, Magirus uit Ulm. Het embleem bestaat uit een M aan de voet van het gistileerde silhouet van de kathedraal van Ulm. Bron: Duitse Wikipedia.
Veel van de motoren zijn de 'beroemdheden' in de binnenvaart.
  • De
    Klöckner Deutz
    een 6 cylinder 116 PK dieselmotor van het type SAM117. Waarvan, naar men vertelt begin 21ste eeuw nog een ongebruikt exemplaar te koop bleek te zijn. (Van dit typebestond trouwens ook een 4 cylinder 70 PK  [A>] en een 8 cylinder 155 PK versie. )
  • De
    LIGGENDE DEUTZ
    : zoals uit de naam blijkt een motortype met liggende cylinder en verder uitgerust met kookpot en één of twee vliegwielen (resp. met de bijnaam kruiwagen of handkar). [A>]
  • De
    Blauwe deutz
     waarvan mij de gegevens nog ontbreken.
  • De
    Deutz-MWM
     een vroege samenwerking tussen deze bekende motoren fabrikanten. (In 1985 werd MWM door Deutz op gekocht.)
  • enz.?




~Deutz gasgenerator:
naam van diverse door Deutz gemaakte gasinstallaties. De meeste van deze installaties waren voor zuiggasmotoren.






~deuvel: duvel.




~deuvelen:
zie duvelen.




~deuvik:
grote houten stop, bijv. in het watervat of in het loosgat van een bijboot.



Volgende






© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken