Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
Woordenlijst D
~D1-olie:
(productnaam) sterk impregnerend conserveringsmiddel voor hout, zowel zonder als met verdere afwerkingslaag, bij voorkeur D2-olie, te gebruiken.
~D2-olie:
(productnaam) op blanke lak
gelijkend conserveringsmiddel voor hout, wat als afwerking van met D1-olie behandeld hout gebruikt wordt.
~D.A.F.,
van Doorne's Automobiel Fabriek:
fabrikant van ondermeer scheepsdieselmotoren.
Tot scheepsdiesel
omgebouwde DAF bus- en vrachtwagenmotoren werden in de jaren '70
veelvuldig gebruikt om kleine vrachtscheepjes,
die voor recreatie en/of bewoning verkocht waren, van een motor te voorzien.
Welke van de twee termen is de meest juiste; dalvaart of
daalvaart?
De algemene
zoekresultaten van Google geven een duidelijke voorkeur voor dalvaart
te zien, maar bij de zoekresultaten op gespecialiseerde pagina's
ontlopen beide termen elkaar nauwelijks. De termen dalvaart en
daalvaart zijn onder Duitse
invloed ontstaan en om misverstanden met de Duitse collega's te
voorkomen, door de Nederlandse schippers overgenomen (het zijn dus
Germanismen). De Duitsers spreken van bergfarht en talfaht (spreek uit:
taalfaart). Het is dus waarschijnlijk dat men oorspronkelijk van
daalvaart sprak en pas later, onder invloed van het Nederlandse dal en
berg, er dalvaart van gemaakt heeft. Ik geef dus de voorkeur aan daalvaart.
: betaalt krijgen over het aantal dagen dat men verhuurd is.
Bij daghuur verhuurde men zich voor een bepaalde periode aan een reder of verlader. Men krijgt vervolgens betaalt voor elke dag dat men verhuurd is, ongeacht of men vaart of niet. Indien men vaart krijgt men per kilometer nog een brandstoftoeslag per kilometer. In veel gevallen is men vrij in het aantal dagen dat men over een reis wenst te doen. Moet een lading echter binnen een bepaalde tijd echter afgeleverd zijn, dan bekomt men een extraatje, de reizenpremie/ het streckengeld.
vaartuig
ingericht voor het vervoer
van
personen en waarmee meestal meerdere uren durende rondvaarten
gemaakt worden. Het dagpassagiersschip onderscheidt zich van de
rondvaartboot niet alleen in formaat, ze zijn meestal groter en
hoger, maar vooral ook door de aanwezigheid van een keuken en buffet
aan boord. [A>]
Het onderscheid zich van
het rijnpassagiersschip,
door
de afwezigheid van de mogelijkheid tot overnachting voor de betalende
gasten.
Een dagpassagiersschip kan ook als partyschip,
evenementenschip,
of
rondvaartboot gebruikt worden en kan ook op lijn-, veer-, tram-
of spoordiensten
dienst doen.
~dagtank:
brandstoftanktank, die direct op de hoofdmotor
aangesloten is en vanuit een voorraadtank gevuld dient te worden.
De dagtank is, min of meer, uit noodzaak ontstaan. Vooral bij de oude motoren kon de brandstof niet door het systeem zelf aangezogen worden en moest de onderkant van de tank dus boven de brandstofpompen liggen. De motoren waren hoog en dat hield dus in dat de tank ook hoog geplaatst moest worden. Voor een grote tank was daar geen plaats, dus gebruikte men een kleine tank die uit een grote tank bijgevuld diende te worden. Latere (matig-snellopende) motoren zijn vaak uitgerust met een extra pompje. Dit pompje heeft in de eerste plaats tot doel voldoende druk op de hogedrukpompen te houden, maar is tevens in staat brandstof (van geringe hoogte) op te zuigen (mits er geen lucht in de leidingen zit). In veel gevallen bleef de dagtank echter behouden. Dankzij de dagtank heeft men een beter inzicht in de brandstofvoorraad (voor die dag), het verbruik en ook zullen de meeste grove verontreinigen, die in de brandstof zitten, in de voorraadtank, de bunker, blijven zitten, waardoor de brandstoffilters minder belast worden. De dagtank dient (tegenwoordig) officieel een inhoud te hebben van 6 liter per kW motorvermogen (ca. 4,5 liter per pk). In vroeger tijd nam men op diverse schepen, er vanuit gaand dat men geen 24 uur per dag volgas voer, echter genoegen met beduidend kleinere tanks.
~dagteken,
sein,
dagsein:
duidelijk
zichtbaar op het schip
te voeren bord, vlag, bol, kegel, o.i.d. met een bepaalde betekenis.
[A>]
~dagvaart:
men spreekt van
dagvaart
wanneer er hooguit 16 uur per dag gevaren
wordt. Zie ook: continuvaart.
~dagvisserij: visserij
waarbij
men de gevangen vis nog
dezelfde dag aan land brengt.
~dagwerk:
de hoeveelheid turven, die een ploeg veengraver, d.i. 7 man, in
één dag kon opleveren: ca. 12.500 turven.
(één vermelding gevonden) [T>oude maten]
~dam: 1> dwarsverbinding in een kettingschalm, soms toegepast bij ankerketting.
2>dijk:
tegenwoordig: waterkering of andere gesloten constructie, die een scheiding tussen het water(peil) aan de ene kant en de andere kant van de dam, te weeg brengt. In samenstellingen vaak echter iets dat er uit ziet als een dam of dijk.
Over het algemeen spreekt men tegenwoordig van een dam, wanneer er permanent water aan weerszijden van de kering zichtbaar aanwezig is. Is dat niet het geval dan spreekt men van een dijk. In feite is er echter geen verschil. Beide constructies hebben tot doel mogelijke waterniveau verschillen van elkaar te scheiden.
1>
verzamelnaam voor diverse oude scheepstypes van tussen de 20 en 30 ton, die geschikt waren om van een overhaal gebruik te maken.
De schepen moesten dus een vrij breed vlak
hebben dat, dwarsscheeps gezien,
geheel of bijna vlak was. Damlopers waren wat steviger gebouwd dan andere schepen, omdat een beladen schip op de overhaal niet gesteund
wordt door het water.
Voor als nog krijg ik de indruk dat de term voornamelijk gebruikt werd in de Hollandse gewesten. (Elders waren, voor zover ik weet, overhalen geen algemeen verschijnsel.) Het is dus vanzelfsprekend dat de term 'damloper' gekoppeld werd aan de scheepstypes in die gewesten. Welke scheepstypes dat precies waren en hoe ze eigenlijk wel genoemd zouden moeten worden, is mij nog niet bekend.
De woorden 'damloper' en 'damschuit' zijn oorspronkelijk elkaars synoniem. In later tijd heeft men een onderscheid aan willen brengen tussen de schepen, die over de dam gehaald werden, de damlopers, en schepen die, middels een sluis, door de dam (lees dijk) gingen, de damschuiten.
~damrak:
recht stuk, bevaarbaar, water dat door een dam begrensd wordt.
1> vermoedelijk sinds de 18de eeuw de naam voor schepen die in hun afmetingen beperkt werden door de aanwezigheid van een bepaalde sluis in het gebruikelijke vaargebied van deze schepen; maatschepen dus.
Als veel voorkomende maat wordt die van de damsluis te Leidsendam genoemd. Deze maat was zo belangrijk dat men Leidschendammer vaak als synoniem voor damschuit hanteert. Een andere belangrijke maat waren de doorvaartmaten van Gouda. Deze leidde tot de begrippen smalschip en wijdschip. Vanzelfsprekend zijn er ook damschuiten met andere maten; bijv. de Langedijker
damschuit [A>].
De woorden 'damloper' en 'damschuit' zijn oorspronkelijk elkaars synoniem. In later tijd heeft men een onderscheid aan willen brengen tussen de schepen, die over de dam gehaald werden, de damlopers, en schepen die, middels een sluis, door de dam (lees dijk) gingen, de damschuiten.
nagenoeg vertikale wand
op
gebouwd uit platen staal met een speciale vorm, vroeger ook van hout.
~damwandluik:
metalen luik
met damwandprofiel, waarmee het ruim
afgedekt wordt.
~damwandprofiel:
een
profiel
dat lijkt op dat van een stalen damwand.
~dansen:
van een schip:
sterk met
de golfslag
mee
bewegend.
~datumreis,
datumwerk
:
een transport van goederen, dat vóór of op een
vastgestelde datum op de overeengekomen bestemming dient te zijn.
Over het algemeen mocht(mag) de schipper zelf weten hoe lang hij over een reis
wou(wil) doen. Men ging(gaat) er vanuit dat de schipper zoveel mogelijk wenste(wenst) te
verdienen en dus de reis in de korst mogelijk tijd zou(zal) voltooien. Voor ladingen die met een zeeschip mee moeten, is het vaak noodzakelijk dat deze voor een bepaalde datum afgeleverd wordt. Een datumreis betaalt over het algemeen beter, dan een gewone reis.
Wanneer de termijn waarbinnen de lading afgeleverd dient te worden erg kort is, noemt men het een expresreis.
~dauwspoelen,
dauwwassen:
'smorgens, het liefst voor zonsopkomst, het schip
en in het bijzonder de houten luiken, afspoelen.
Ook nu nog, nu houten luiken in beroepsvaart, nauwlijks voorkomen, zijn sommige schippers 'smorgens druk in de weer met het schoonhouden van het schip.
De redenen voor al die activiteiten zijn de volgenden.
Vroeger:
Oud schippers zeiden dat de dauw aan je (bruine) teer (op de luiken) vreet. Dat klopt echter niet helemaal.
Wel is het zo dat bij een geregeld onderhoud van de luiken de bruine (stockholmer) teer steeds vrij zacht en waterafstotend blijft. Bij dauw vormen er zich druppels de teer. Na het opdrogen laat het vuil wat zich in de druppels verzamelt heeft, kleine vlekjes op de teer achter, dit is een rot gezicht maar schaadt niet (bij andere waterafstotende oppervlaktes treed dit effect ook op, maar deze zijn of te glad, waardoor het vuil gauw weer weg is, of te hard, waardoor het vuil niet hecht, of te ruw, waardoor je het vuil niet ziet). Al dze vlekjes zijn natuurlijk een rot gezicht op een goed onderhouden schip.
Erger wordt het als in de vroege ochtend de zon schijnt. Elk dauwdruppeltje werkt als lensje als zal de teer verwarmen, een heel klein deel van de teer zal zich werkelijk oplossen, zodra men gaat varen komen de druppels in beweging en dan kan er dus inderdaad een beetje teer (in het gangboord) verdwijnen. Vele kleine beetjes vormen samen een heleboel en ook laten deze 'aangetaste' plekjes vaak een beetje ruwe kuiltjes achter, waarin zich makkelijk vuil kan verzamelen.
Tegenwoordig:
Verse dauw is vrij schoon water. Het bevat wel wat vuil (stuifmeel, roetdeeltjes, stof) maar geen agressieve chemicaliën. Het zelfde geldt voor regen, al komen daar wat meer verontreinigen in voor. Dauw en regen zijn dus opzich niet erg schadelijk voor je verf of het kunststof. Laat je je schip echt vuil worden dan moet je schoonmaakmiddellen gebruiken en de meeste daarvan zijn een ramp voor kunststof (dus ook voor verf). Door nu geregeld schoon te maken, voorkom je dat zich op bepaalde plaatsen vuil hecht. Op vertikale vlakken heb je de beruchte regenstrepen. Deze zijn, als ze de tijd krijgen om in de verf te trekken (verf is tenslotte ook poreus) zeer moeilijk weer weg te krijgen. Verder heb je natuurlijk alle hoekjes en gaatjes. Het meeste vuil komt daar terecht. Laat je het zitten, dan ontstaat er een vochtige koek, die niet alleen de verf aantast, maar ook de roestvorming bevordert. Door geregeld te dweilen hou je ook een schoon schip dus blijven ook je kleren en die van de visite schoon. Door 'smorgens te dweilen ben je ook meteen alle spinnenwebben kwijt.
Al met al heb je er misschien wel meer werk aan, maar van dweilen wordt je niet vuil en het maakt geen herrie. Bikken, schuren menieën geeft wel dat soort ongerief!
~dauwwassen:
mogelijke samenvoeging van dauwspoelen en dekwassen, meestal gebruikt in de zin van 'smorgens dekwassen.
De davit bestaat over het algemeen uit een, draaibare, stevige, vertikale paal (de 'mast', staander
of koning),
een vrij zware, schuinopwaarts gerichte, al dan niet beweeglijk verbonden, 'arm', giek of uithouder genoemd en een verbinding tussen de top van de koning en de nok van de uithouder.
Deze laatste verbinding bestaat meestal uit twee zware stalen strips, soms een enkele zware staaf en heel soms, bij de lichter uitgevoerde davits, uit een stuk ketting of staaldraad.
Van de nok van de uithouder lopen vaak 2 draden waarmee men de davit in een bepaalde stand kan fixeren. Bij ankerdavits noemt men deze soms stagen, het zijn echter meer een soort gaarden.
~debarkeren:
van boord
gaan, ontschepen, soms ook lossen.
In de binnenvaart
wordt deze term
nauwelijks gebruikt. In reglementen en voorschriften voor de
binnenvaart soms wel.
~De Bug:
(merk- of productnaam)
Magnetisch
brandstoffilter
dat tot doel heeft micro-organismen in de brandstof te vernietigen.
~decompressiehandel,
kleplichter,
decompressieinrichting:
voorziening op dieselmotoren, die
aangeslingerd
kunnen worden, waarmee voorkomen wordt, dat er in de cylinders
compressie opgebouwd wordt.
AUTOMATISCHE DECOMPRESSIE-INRICHTING
: decompressie-systeem
dat zich na
enkele omwentelingen vanzelf uitschakelt.
~Dedemsvaartse maat:
De maten waarmee de Dedemsvaart (tot Lutterhoofdwijk, ca. 7 km. oost
van Dedemsvaart) bevaren mocht worden: 40 x 5,85 x <2m. Ik heb mij
laten vertellen dat men met deze maten een bocht te Hasselt niet kon
nemen en dat schepen met deze lengte en een breedte tot 5,95m. van
Dedemsvaart via de Lutterhoofdwijk en Coevorden moesten varen.
(gegevens gebaseerd op een opgave uit 1930)
~Dedemsvaartse
kast: 1> te
Dedemsvaart, bij
scheepswerf Peters?, gebouwde Friese
motorkast (31,5 x 5,4m.)
2>maatschip.
Een kast
met de maximale maten waarmee de Dedemsvaart bevaren
mocht worden: 40 x 5,85 x <2m.
~deelbaar:
van schepen: de mogelijheid biedend
het schip op een bepaalde in twee delen te snijden zonder dat elk der
delen daarbij zijn drijfvermogen verliest.
De eis tot deelbaarheid van een schip is tegenwoordig van toepassing op zeer lange schepen die
de Rijn bevaren. Zij kunnen dan bij stranding in twee delen gesneden worden, zodat men het vaarwater weer eerder vrij heeft, dan wanneer dat niet het geval zou zijn.
~deelfactor,
divisore:
in
vroeger tijden, bij scheepsmetingen
gehanteerde factor, waarmee het product van de gemeten uitwendige
lengte, en inwendige breedte en holte,
vermenigvuldigd moest worden om (bij benadering) de inhoud van het schip te kunnen
bepalen.
~deelvisser:
iemand die samen met anderen vist en als loon een deel van de vangst verkrijgt.
~defensiesleepboot: sleepboot in
beheer bij of eigendom van, het ministerie van defensie. Niet noodzakelijkwijs een binnenvaartuig.
~defensievaartuig: vaartuig in
beheer bij of eigendom van, het ministerie van defensie. Niet zoodzakelijkwijs een binnenvaartuig.
~deining:
trage lage golfslag.
Op het binnenwater
is er zelden
deining. Alleen golven van schepen,
die op
grote afstand langs komen varen
veroorzaken
deining.
~deinzen:
het schip,
door de wind achteruit laten blazen.
2>
bij uitbreiding de
gehele bovenkant van het schip.
DE DEKKEN SPOELEN
: tijdens het zeilen
zo scheef gaan dat er vast
water
op het dek of in de gangboorden
komt,
of zo zwaar geladen zijn dat het water in het gangboord staat. [A>]
HET DEK TE WATER VAREN
:
tijdens het
zeilen
zo scheef gaan dat er vast water op het dek of in de gangboorden
komt.
~dekaak:
niet voldoende bekend. Mogelijk: een aak met een dek, een aak met een geheel gesloten dek of een aak waarvan de bewoonbare ruimtes zich benedendeks bevinden, dus geen roef of paviljoen hebbende.
De eerste verklaring (o.a. gebruikt door het WNT) lijkt me onvoldoende: de meeste aken zijn voorzien van dekken, dus de toevoeging lijkt overbodig. De tweede verklaring lijkt me wel logisch, vooral omdat de aak, zonder paviljoen of roef, door een vrij geringe holte, niet erg bewoonbaar is en dus waarschijnlijk zelden voorkwam.
~dekblok:
onbeweeglijk blok waarvan de schijf
haaks op de ondergrond staat. [A>]
Dekblokken worden vooral toegepast om draden of touwen te geleiden. Men treft ze voornamelijk op werkschepen aan.
Voor gerelateerde termen zie bij blok.
een, in het dek aangebracht, rond of rechthoekig glas.
Oorspronkelijk waren dekglazen dikke rechthoekige stukken glas, die dusdanig in de dekdelen ingelaten werden dat de bovenkant gelijk lag met het dek. Later kreeg het glas aan de onderzijde een prismatische doorsnede waardoor het licht beter door de ruimte verspreid werd.
Ook ging men, om lekkage en beschadiging te voorkomen, de naad aan de bovenzijde met dunne strippen staal, messing of koper afdekken.
Na de komst van de lichtranden gebruikte men in stalen dekken meestal van lichtranden afgeleide constructies bij wijze van dekglas. Het glas in deze lichtranden is, in afwijking van de normale lichtrand, zo dik dat de buitenzijde gelijk ligt met de bevestigingsring van de lichtrand. In veel gevallen wordt het glas alleen door zijn eigen gewicht en de stopverf of kit op zijn plaats gehouden. Slechts in een enkel geval is het glas aan de rand ingeslepen en wordt het met een extra ring vast gezet. Ook het glas van deze dekglazen is soms dusdanig gevormd dat het licht beter door de onderliggende ruimte verspreid wordt. In verband met de kostprijs van dergelijke glazen ging men er bij breuk vaak toe over dik vlak glas te combineren met een tegen de binnenzijde aangebrachte 'kap' die het licht verdeeld. Als 'kap' werden onderandere platte glazen lampenkappen, zoals van de Spitfire gebruikt.
hoeklijn langs de voet van de den. Deze hoeklijn werd op veel schepen rood geschilderd. Met de komst van gelaste schepen verdween de hoeklijn, maar sommige schippers waren zo aan deze rode bies gehecht, dat ze hem bleven schilderen. [A>
tekening.]
~dekhuis: 1> op
het dek geplaatste
opbouw van
redelijke omvang. Zie ook dekhut.
2>
door sommigen
gebruikt voor een op het dek geplaatste, of slechts weinig verzonken, roef
van flinke afmetingen.
~dekhut: 1>
op het dek
geplaatste opbouw
geschikt om
personen tot
verblijf te dienen. In de meeste gevallen zijn dekhutten niet erg
groot, het meest zijn ze te vinden op werkschepen.
Er zijn echter ook enkele gevallen waarin men twijfelt tussen de term
roef of theehut enerzijds en dekhut anderzijds, in een dergelijk geval
gebruiken sommigen de term dekhuis.
[A>]
Verwante termen: salonroef,
kot, durk,
theehut, dekhut, salon, dekroef, paviljoen.
~dekindeling: 1> de
wijze waarop de
dekken, op een schip met meerdere dekken, ten opzichte van elkaar
liggen. 2> de
wijze waarop de
vaste delen, die op het dek staan of die door het dek steken, geplaatst
zijn.
de tekening die de dekindeling weergeeft noemt men het dekplan.
~dekkledenverhuur,
dekkleedverhuur:
bedrijf dat dekzeilen
verhuurt.
De term
'dekzeilverhuur' ben ik tot op heden nog niet tegen gekomen.
Het
verhuur van dekzeilen was vroeger een vrij gebruikelijke
aangelegenheid. Er werd niet alleen aan schippers verhuurt; er werd
namelijk overal en nergens ook veel gewoon op de wal, niet alleen op
kades, maar ook op bedrijfsterreinen e.d., opgeslagen.
~dekknecht,
matroos: bemanningslid
dat voornamelijk
aan dek werkzaam
is. De
term is waarschijnlijk afkomstig van uit de vaart
met grote schepen
(zeeschepen?), waar men, bijv. voor de machinekamer
andere personeel had, dan aan dek. Zie ook schippersknecht.
Op gewone vrachtschepen kwam het vroeger geregeld voor dat deklast en deklading gecombineerd werden. Daardoor is een duidelijk onderscheid moeilijk te maken, bovendien betekenen beide woorden ook het zelfde: last is immers lading.
Op gewone vrachtschepen kwam het vroeger geregeld voor dat deklast en deklading gecombineerd werden. Daardoor is een duidelijk onderscheid moeilijk te maken, bovendien betekenen beide woorden ook het zelfde: last is immers lading. De term bovenlast is in feite een betere benaming, maar het woord is vrijwel in onbruik geraakt.
aantal aan elkaar geklampte planken (soms afgedankte of blinde luiken), die
gebruikt worden
om,
met
behulp van deklaststutten,
de
den te verhogen,
wanneer men een deklast
moet zetten. [T>]
~deklaststut,
stut:
stevige stalen constructie, die over de bovenrand van de den geschoven kan worden
en waartussen men vervolgens luiken of deklastschotten
plaatst. [T>]
~deklastvergoeding:
toeslag die men krijgt wanneer men in daghuur vaart en een deklast zetten moeten.
~dekoog:
op het dek bevestigde vaste of beweeglijke ring, waaraan zaken bevestigd kunnen worden.
~dekopening:
opening in het dek,
meestal een luikopening.
~dekplaat:
1> een der
platen waaruit een stalen dek
bestaat. 2>
op het dek bevestigde stalen plaat, waar een onderdeel aan bevestigd
of op geplaatst is.
Gerelateerde term: dekoog.
~dekplan:
tekening behorend tot het lijnenplan,
waarop de indeling van het dek
weergegeven
is.
in de binnenvaart: soort stalen handspaak, variabel van
afmetingen, waarmee men een spaakmoer los of vast kan draaien.
Er bestaan verschillende uitvoeringen;
- aan de ene zijde een rechthoekige bus, aan de andere
zijde een soort handgreep.
- aan de ene zijde een rechthoekige bus, aan de andere zijde een
rechthoekige of ronde pen, die in de gaten van de spaakmoer past. [A>]
- aan de ene zijde een rechthoekige of ronde pen, die in de gaten van
de spaakmoer past, aan de andere zijde een soort handgreep. Ook handspaak
genoemd.
- aan beide zijdes een pen, rechthoekig of rond, soms aan de ene zijde,
van de steel, rond aan de andere zijde rechtoekig, vaak met
één van de pennen onder een hoek van ca. 45 t.o.v. de
steel. [A>]
Indien beide pennen in
lijn met de steel liggen, kan men het ook
een handspaak noemen.
3>
volgens mij
oorspronkelijk gebruikt voor wat men tegenwoordig een kettingstopper
of
kettinggrendel
noemt.
~dekstringer:
langsscheepse
stalen versteviging onder of op het dek.
~dekuitrusting:
volgens sommigen: alles wat zich vast of los aan dek
bevindt of kan bevinden, volgens anderen alleen de losse zaken, die
gewoonlijk aan dek worden gebruikt.
~dekverf, dekkenverf,
antislipverf:
verf die gebruikt
wordt om de dekken
te
schilderen.
~dekwasleiding:
stalen
pijpleiding, ca. 3,5 ŕ 5 cm in doorsnede, waardoor buitenwater, om
de dekken
te spoelen, gepompt kan worden. Vaak tegen de buitenzijde van de den aangebracht. [A>nr.6]
~dekwaspomp:
pomp waarmee buitenwater,
om het schip
mee schoon te spoelen, opgepompt wordt.
:
onder schippers
gebruikte aanduiding
voor
een
verzekeringsmaatschappij, die niet in het verzekeren van schepen
gespecialiseerd of geen onderlinge
is.
tekenprogramma voor de computer waarmee men op vrij eenvoudige wijze rompvormen kan tekenen, waarop dan door het programma allerhande hydrostatische berekeningen uitgevoerd kunnen worden.
Het tekenprogramma lijkt voornamelijk ontworpen te zijn om een voorwerp te maken, waarop berekeningen uitgevoerd kunnen worden. Het programma is daardoor niet of slechts tendele geschikt om allerhande constructiedetails uit te tekenen. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat ik alleen ervaring heb met de gratis versie van dit programma.
De term geldt ook voor de 16de eeuwse schepen,
waar de den rond stond en samen met eventuele luiken een soort van huif over het ruim vormde.
In sommige oude geschriften lijkt het woord DEN vrij veel omvattend. Het valt echter altijd terug te voeren naar de bovenopening
van het ruim of de afdekking daarvan, danwel naar ondersteunende balkjes.
~denning, delling, den: 1> vloer of vlonder op de bodem van een open boot.
2> oud Nederlandse vorm en/of verkorting van buikdenning.
3> oud Nederlands voor het dek van het schip. (Eigenlijk elke houten vloer, die ergens boven ligt; zoldervloer.)
Delling is mogelijk een streekgebonden 'verbastering' van denning.
~densimeter, hydrometer:
toestel om de soortelijke massa van vloeistoffen te bepalen.
Behalve de overbekende accuzuurweger had men vroeger, toen men nog geregeld het gewicht van de lading door het opnemen van de ijken bepaalde, ook een toestel voor het bepalen van de soortelijke massa van het buitenwater aan boord. Het was niet meer dan een soort dobber, die men in een puts met buitenwater liet drijven, waarna op de pen de vermenigingsvuldigings factor af te lezen was.
2> eenvoudig, meestal zelfgemaakt stuk 'gereedschap', dat moet voorkomen dat men voor het uitvoeren van een bepaalde arbeid een extra persoon, een derde hand, nodig heeft.
De term wordt in diverse beroepen voor uiteenlopende zaken gebruikt en is dus geen specifieke binnenvaartterm.
1> een derdelasttakel
bestaande uit twee blokken.
Het lastblok met één schijf, hondsvot en haak en het vaste blok met twee schijven en een neut.
Gewoonlijk wanneer men over een takel of talie zonder meer spreekt, bedoelt men een derdehand.
Wanneer men een derdehand 'op z'n kop' gebruikt, wordt het een vierdelasttakel. In dat geval is namelijk ook de kracht die men op het halende part uitoefend, een kracht die de last omhoogbrengt.
2> door sommigen gebruikt als synoniem voor dubbeljol.
takel waarbij de kracht die op het halende part uitgeoefend moet worden een derde van het gewicht van de last (plus de wrijving in de blokken) is. De term wordt echter ook gebruikt als synoniem voor derdehand, drieloper enz.
1>
bekende Duitse fabrikant van scheepsdiesels
en hulpmotoren.
De fabriek werd in 1864 in Keulen door Eugen Langen en Nicolaus Otto
onder de naam: N.A. Otto & Cie opgericht. In 1872, nadat het
bedrijf 3 jaar eerder naar het plaatsje Deutz tegenover Keulen verhuisd
was, wijzigde men de naam in Gasmotoren-Fabrik Deutz AG. In 1930
fuseerde men met machinefabriek Humbolt AG uit Keulen en acht jaar
later ontstond een verbintenis met Klöckner-Werke AG en was Klöckner
Humbolt Deutz een feit. In 1997 volgde de
laatste naamswijziging en kreeg de firma de naam: Deutz AG.
Het bekende
embleem is pas sinds 1964 het algemeen logo van KHD. Daarvoor was het
alleen ingebruik op Deutz voertuigen. Het embleem is dat van
de, in 1936 door Humbolt-Deutz opgekochte
voertuigfabriek, Magirus uit Ulm. Het embleem bestaat
uit een M aan de voet van het gistileerde silhouet van de
kathedraal van Ulm. Bron: Duitse
Wikipedia.
Veel van de motoren zijn de 'beroemdheden' in de binnenvaart.
De
Klöckner Deutz
een 6 cylinder 116 PK
dieselmotor
van het type SAM117. Waarvan, naar men vertelt begin 21ste eeuw nog een
ongebruikt exemplaar te koop bleek te zijn. (Van dit typebestond
trouwens ook een 4 cylinder 70
PK [A>]
en een 8
cylinder 155 PK versie. )
De
LIGGENDE
DEUTZ
:
zoals uit de naam blijkt een motortype met liggende cylinder en verder
uitgerust met kookpot
en één of twee vliegwielen (resp. met de bijnaam kruiwagen
of
handkar). [A>]
De
Blauwe deutz
waarvan mij de gegevens nog ontbreken.
De
Deutz-MWM
een vroege samenwerking tussen deze
bekende motoren fabrikanten. (In 1985 werd MWM door Deutz op gekocht.)
enz.?
~Deutz gasgenerator:
naam van diverse door Deutz gemaakte gasinstallaties. De meeste van
deze installaties waren voor zuiggasmotoren.