Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~bries: 1>windkracht vijf of zes. 2> volgens 'van Dale's Handwoordenboek' uit 1956 een zwakke, frisse wind.
~Briggs & Stratton,
straathond,
Britse straathond:
fabrikant van motoren. In de binnenvaart vooral bekend van kleine, luchtgekoelde benzine motoren, die als, aan dek geplaatste, hulpmotor gebruikt werden. [A>]
(Britse) Straathond is de bijnaam die veel schippers aan deze motortjes gaven.
~brittelhaakdraad,
britteldraad:
staaldraad, ca. 18 mm. dik, waaraan de brittelhaak opgehangen wordt.
Gerelateerde termen: waterman (kieperdraad), strangenvissen.
De term britteldraad schijnt populairder te zijn, maar is in feite een verkorte vorm van brittelhaakdraad.
~brittelring:
betekenis onbekend.
Bron. P. Versnel Vakwoordenboek.
~brittelstrang,
brettelstrang:
los eind strang dat gebruikt wordt als er meer schepen gesleept worden dan er strangen op de strangenlier beschikbaar zijn.
~britteltouw,
bretteltouw: 1> waarschijnlijk verkeerde benaming voor britteldraad. 2> mogelijk ongebruikelijk synoniem voor bendsel.
~broeilucht:
een broeiende lucht; een bewolking, die onweer voorspelt.
~broek:
1> reim, band of touw dat rond het heleschip gelegd wordt, wanneer er stevig aan getrokken moet worden en er geen deugdelijke punten aan dek te vinden zijn.
gaffelvormig uitlaat gedeelte, waarin de giek kan rusten, aan de bovenzijde van de broekschoorsteen.
[A>]
~Broek-op-Langedijker koolschuit, koolschuit:
benaming die in de regio rond (misschien ook alleen ten noorden van) Amsterdam gebruikt werd, voor diverse Langedijker akkerschuiten, die in die omgeving (voor)kwamen.
vierkante houten schoorsteen met een verbrede bovenkant waarin de giek kan rusten. [A>]
Het bovenste deel van de schoorsteen wordt de broekkap genoemd.
Niet meer bestaand merk scheepsdiesel van Nederlandse bodem (Appingendam). [A>] Opgericht in 1906. In 1975 volgde een fusie met de BV Motorenfabriek Alphen aan de Rijn (Industrie). In 1979 kwam de fabriek in handen van de Noordelijke Ontwikkelings Maatschappij, werd de productie van Brons motoren gestopt en werden voortaan MAN motoren geassembleerd. In 1989 kwam het bedrijf in handen van Waukesha (Engine Division) onderdeel van het Amerikaanse Dresser Industries. In 2004 viel definitief het doek.
'inspuitsysteem' voor dieselmotoren, waarbij de brandstof eerst in een bakje in de verbrandingsruimte terecht komt, daar vergast en daarna tot ontsteking komt.
~broodboot:
watersportersterm. Scheldwoord voor een beroepsvaartuig.
Zowiezo wordt, door wie er verstand van heeft, de term boot, wanneer men het over een schip heeft, als scheldwoord opgevat. Waarschijnlijk gevormd naar analogie met het onder wedstrijdzeilers gebezigde scheldwoord: broodzeiler. Dat is iemand, die (tijdens 'amateur'wedstrijden) gesponsord wordt
.
~broodje:
kort balkvormig stuk lood of staal dat als ballast of voor de wegerij gebruikt wordt.
~broodwagen:
eigenlijk een Engels stuurwerk afgedekt met een houten kap, gelijkend op de bovenkant van de echte broodwagens, zoals die vroeger gebruikt werden. Meestal gebruikt voor elk willekeurig wormasstuurwerk.
~broodwinner: 1> algemene benaming voor een zeil dat bij gunstige wind aan de normale zeilvoering toegevoegd wordt. Zie breefok, topzeil, vlieger, gaffeltopzeil en aap.
soort (Amsterdamse) boomschuit of zolderschuit waarbij het laaddek een weinig lager ligt dan (de gangboorden en) de voor- en achterdekken, waarmee vaten getransporteerd werden.
Vermoedelijk gaat het hier alleen maar om een volkse benaming in verband de aanwezige lading.
verkorte vorm van brugdek(1) in de zin van het dek waarop de stuurhut staat of het dek dat vlak voor of achter de stuurhut of stuurkuip langs loopt en zo een brug tussen bakboord en stuurboord vormt.
bij stuurhutten die boven het dek geplaatst zijn: het dek voorlangs en/of naast de stuurhut, dat deels door een hoge wand of reling afgeschermd is. In sommige kringen ook wel kuip genoemd.
De eerste bruggen in deze vorm ontstonden op de eerste raderschepen. De kapitein moest door middel van gebaren en roepen zowel de machinist/stoker beneden in de machinekamer als de roerganger op het achterdek de benodigde aanwijzingen kunnen geven. Hij bevond zich daarom vlak achter de machinekamer aan dek, maar daar werd zijn uitzicht door de raderkasten gehinderd. Al spoedig maakte men daarom tussen de beide raderkasten een brug met een klein schuilhokje. De kapitein kon nu alles overzien en bovendien over de brug zelf tot de buitenkanten van de raderkasten lopen.
3> het geheel van stuurhut en brug(2).
4>
het inwendige van de stuurhut. In het bijzonder de stuurstand en datgene dat voor de navigatie van belang is.
bepaald type stoomsleepboot met een brug over bijna de gehele breedte van het schip met daarop een stuurhutje. De schoorsteen bevond zich een eind voor de brug. De stuurhut stond daardoor vrij achterlijk. De meeste van deze schepen hadden een vooroverhellende klippersteven met zware boegspriet waaraan de ankers hingen.
~bruggehoofd,
bruggenhoofd
:
met het land verbonden gesloten deel van een brug. [Gerelateerde termen>]
~bruggeld,
draaigeld,
draaicent:
geld, dat men voor de bediening van een beweegbare brug, moet betalen. [Gerelateerde termen>]
~bruggeldklomp:
beter bekend als HET klompje. Klein klompje dat met behulp van een vrij lang touw aan een lange stok bevestigd is, hetgeen door de brugwachter gebruikt wordt om het verschuldigde bruggeld te innen: te hengelen.
Gerelateerde term: tolzakje.
soort van scharnierend hekwerk, soms zelfs uitgegroeid tot een zware stalen wand, waar mee de toerit tot een brug voor het verkeer afgesloten wordt. [Gerelateerde termen>]
~brugslinger:
slinger waarmee een handbediende beweegbare brug in beweging gezet kan worden.
Over het algemeen weken deze slingers niet af van die welke voor lieren gebruikt werden. Alleen de slingers van draaibruggen waren vaak afwijkend. Deze hadden lange as met daaraan een tweedelige hefboom met twee grepen en werd vertikaal door een afsluitbaar gat in het wegdek geplaatst. Met de hefboom uitgeklapt kon men gangmaken. Vervolgens klapte men de hefboom in waardoor deze half zolang was en draaide men 'op snelheid' verder, todat men weer moest afremmen en de hefboom weer uitklapte.
~brugwachter,
bruggenwachter,
brugman,
bruggeman,
bruggenman
:
persoon, die een beweegbare brug(4) bedient. [Gerelateerde termen>]
De term brugman en bruggeman zijn zo langzamerhand bijna geheel verdrongen, door de term brugwachter. De door de taalunie in de Woordenlijst Nederlandse Taal vermeldde woorden bruggenman en bruggenwachter ben ik tot op heden nog niet in betrouwbare bronnen tegen gekomen.
Vroeger was het op het 'platte land' gebruikelijk dat de brugwachter vlakbij de brug woonde en was er geen 'hok'. In stedelijke gebieden en daar waar de brugwachter ver van de brug woonde werd een wachthuisje op, naast of vlakbij de brug geplaatst. Met de komst van electrisch bediende bruggen werd ook de bediening van de brug in het huisje ondergebracht. Met het toenemen van het wegverkeer ging men er tevens toe over het brugwachtershok op enige hoogte boven straatniveau aan te brengen. Tegenwoordig staat, door de steeds vaker voorkomende bediening-op-afstand, een toenemend aantal hokken 'leeg' en dienen ze uitsluitend tot huisvesting van de noodbediening en andere noodzakelijke installaties.
Waar men precies de grens tussen een brugwachtershok en een brugwachtershuisje moet trekken is me niet bekend.
~bruine teer: Stockholmerteer of ander uit hout gewonnen teerachtig product.
~Bruine-vloot:
de naam voor de schepen, die de laatste decennia weer in oude staat hersteld zijn en grotendeels voor verhuur met schipper gebruikt worden.
~Bruinisserjacht: Lemmeraak, die door de Bruinissers voornamelijk voor het transport van mosselzaad tussen Waddenzee en Zeeland gebruikt werd.
~brulboei: boei waarop een mistsein, een nautofoon, aangebracht is.
1>maatschip, waarmee de sluis van Klein-Willebroek gepasseerd kon worden. Maximale afmetingen: 43,5 meter lang bij ca. 7,2* meter breed. [A>]
*Sommigen zeggen maximaal 7,05m, anderen maximaal 7,3m. Ook over de lengte doen verschillende verhalen de ronde. Sommigen zeggen ca. 43,5 meter, andere hebben het over 54 meter.
2> bepaald type vrachtschip. Een wat plattere en wat langere versie van een Kempenaar. Meestal meer dan 600 ton. Met een erg platte stuurhut. Dit wegens de onderdoorgang van de bruggen van het Zeekanaal naar Brussel.
bepaald type koekoek. Kistvormig model met midden bovenop een half-ronde kap.
De gelige gewolkte ruitjes zijn niet typisch voor dit type koekoek. Wel zijn witte gewolkte ruitjes gebruikelijker (misschien zijn ze goekoper) en ook kwam het voor dat men aan de buitenzijde gewoon glas had, met aan de binnenzijde dit soort gelig glas.
~bucket:
kap of klep, die voor de straalbuis van een waterjet geschoven wordt, om achteruit te kunnen varen. [A>]
~buddeling:
Vrijwel onbekende term. Volgens sommigen vloer of vlonder in het vooronder, volgens anderen de vloer in een Zalmdrijver. Verwante term: lanen.
De term is waarschijnlijk verwant aan budding en aan de diverse bij buikdenning genoemde varianten.
~budding, bedding:
17de eeuws woord voor wat men de buikdenning zou noemen. Volgens taalkundigen een verkorting hiervan.
~buffervat, buffertank:
onderdeel van een gasgenerator, die de onregelmatigheden in het gasverbruik door de motor op moet vangen, met het doel een constante trek in de brandstofvergasser te verkrijgen. Het buffervat is meestal zo dicht mogelijk bij de motor geplaatst.
2>scheepsbuik: vroeger soms gebruikt als synoniem voor het ruim of het inwendige van de romp.
3>scheepsbuik: het deel van het schip tussen kop en kont.
Vermoedelijk is dit gebaseerd op een misvatting van buik in de betekenis van zijde.
4> de zijde van het schip.
Men mag aan nemen dat het woord buik in deze zin betrekking heeft op de zeilende zeeschepen. Dezen hadden immers erg bolle zijdes.
OP ZIJN BUIK ZEILEN
: tijdens het zeilen sterk overhellen.
~buikig:
van schepen: met een romp waarvan de grootste breedte en soms ook de grootste lengte (als men stevenbalken e.d. niet meerekent) ongeveer ter halve hoogte tussen waterlijn en dek ligt.
vloer in het ruim van een vrachtschip. Soms ook verkort tot denning. [A>nr.3]
De woorden buikdelling, buikhelling, buitdelling, buitendelling, buitendenning, buitenhelling, buidelling, buitelling, buycdenning en buyckdenningh zijn oude en/of plaatselijke varianten van het woord.
~buiketouw,
buiktouw,
rijger,
rijer,
voettouw,
bras:
1> hulplijn tussen de achterste leuver aan het onderlijk van de botterfok en enig vast scheepsdeel ter hoogte van de mast. Met deze hulplijn kan men de fok in bedwang houden wanneer men de fokkeschoot viert.
De termen 'rijger' en 'rijer' zijn plaatselijke vormen. De term 'bras' berust waarschijnlijk op onoordeelkundig gebruik van deze term.
Beschrijvingen van het gebruik van het buiketouw zijn niet altijd met elkaar in overeenstemming. In de ene beschrijving (bijv. Dorleijn) is er sprake van een touw dat permanent aan een leuver op circa 2/3 van hals zit en dat op een klamp/kikker bij de waterlijst of de mast gestoken wordt. Huitema, maar ook Dorleijn, spreken echter ook van een touw aan een ring op de overloop/luiwagen dat op deze leuver gestoken wordt.
In beide gevallen kan men de voorste helft van de fok strak houden terwijl men de schoot viert en deze voorlangs de mast naar de andere zijde haalt.
Enkele andere bronnen spreken soms over twee touwen. Hierbij gaat het dan vermoedelijk om een fokkeschoot, die men achterlangs de mast naar de andere zijde brengt en dus loshaalt van de schoothoorn. Het eerste touw zit weer op ongeveer 2/3 van de hals en het tweede bij de schoothoek. Sommigen spreken resp. van buikrijer en rijer. Met de eerste houdt men het voorste deel van de fok in bedwang en terwijl de schoot losgemaakt wordt houdt men met de tweede het achterste deel van de fok in bedwang. (Mondelinge overlevering.)
~buiskap:
constructie, die personen (een beetje) beschutting tegen overkomend buiswater geeft, vaak bestaande uit een buizenframe waarover of waar tussen zeildoek gespannen is.
~buiskleed(je): dekkleed over het voorste deel van de luikenkap om te voorkomen dat de lading door buiswater nat wordt.
stalen band rond de buitenkant van een blok. Drager van de as waarom de schijf draait. Meestal voorzien van neut, haak en/of hondsvot. [A>]
De eerste blokken met metaal beslag waren (bijna) allemaal blokken met buitenbeslag, pas later ging men er toe over blokken met binnenbeslag te gebruiken. Lees verder bij binnenbeslag.
~buitenbesturing, afstandsbediening:
systeem waarmee men motor en roer vanuit een plaats buiten de stuurhut kan bedienen.
~buitenbolder: bolder op het schip, aan de kant waarmee het schip niet tegen de wal o.i.d., ligt.
~buitenboord:
1> buiten het schip. 2> scheepshuid.Weinig gebruikte term om onderscheid te kunnen maken tussen het binnenboord, de wegering en het buitenboord, de scheepshuid. 3> de zijde van het schip, die het verst van de wal is.
~buitenboordkraan:
afsluiter welke direct verbonden is met het buitenwater.
Gerelateerde term: koelwaterkraan.
~buitenboordladder,
buitenboordsladder,
gangboordladder,
gangboordsladder:
een ladder (dus met sporten), die aan het gangboord gehangen kan worden en waarvan het ondereind door steunen op enige afstand van de scheepshuid gehouden wordt. Zie ook buitenboordtrap.
motor met aangebouwde schroefas en schroef, die meestal achter aan het vaartuig, en tegen de romp, opgehangen wordt.[A>] Niet alle samenstellingen met buitenboordmotor zijn vermeld.
De term aanhangmotor is bijna volledig in onbruik geraakt
.
~buitenboordmotorbun:
IN een vaartuig aangebrachte voorziening, waarin de buitenboordmotor gehangen kan worden.
~buitenboordmotorplank:
houten plankje waartegen de buitenboordmotor geklemd, soms gebout, wordt.
een trap (dus met treden), die aan het gangboord gehangen kan worden en waarvan het ondereind door steunen op enige afstand van de scheepshuid gehouden wordt. Zie ook buitenboordladder.
~buitenboordwater,
buitenboordswater,
buitenwater:
water van buiten het vaartuig (oppervlaktewater), dat zich ìn het vaartuig bevindt.
Meestal wordt, alhoewel minder correct, de term 'buitenwater' gebruikt.
~buitendienst:
ten tijde van de beurtvaart, in de gebieden die grenzen aan groot water, gebruikt voor die diensten, die over groot water voeren. Zie ook: zeeboot en binnendienst.
bij stalen schepen: een gang waarvan beide landen op de naast liggende gangen vallen. Zie ook: binnengang.
Bij veel oude stalen schepen is de kielgang een buitengang. De direct daarnaast liggende gang is vaak een binnengang.
~buitengij,
buitenloper:
staaldraad vanaf het uiteinde van het bovenste kuilhout, via een blok in de mast naar de buitengijlier. Plaatselijk ook buitenhoek genoemd.
Gerelateerde term: binnenhoek.
~buitengijblok,
buitenloperblok: mastblok waarover de buitengij loopt.
~buitengijlier: lier waarmee men de buitengij kan inhalen of vieren.
Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat diverse lieren gecombineerd worden tot één leer met twee of meer trommels. Hoe men een dergelijk lier in voorkomend geval noemt, zal vaak een persoonlijke zaak zijn.
~buitengrond:
(droogvallende) ruime gebieden met een sterke werking van eb en vloed.
~buitenhaven: haven aan de 'zee'zijde van een sluis.
~buitenhelling: 1> een in de openlucht gelegen helling, hetgeen de meest gebruikelijke vorm is. 2> verbastering? van buikdenning.
~buitenkant,
buitenzijde: 1a> van sluizen: de zijde van de sluis welke naar groot open water gekeerd is. b> bij de eerste of laatste sluis van een kanaal, die zijde van de sluis welke niet op het kanaal aansluit.
2> bij schepen: die zijde welke naar het midden van het vaarwater toegekeerd is; de vaarwaterzijde.
:
wanneer men de keuze heeft tussen een vaarroute over beschut water en één over groot open water, de route over het grote water volgen.
~buitenreling: reling langs de buitenrand van het vaartuig.
De term wordt ongeveer sinds de jaren '80 gebruikt om onderscheid te maken tussen een reling die langs de buitenrand staat en relingen die meer aan de binnenzijde staan. De laatste relingen treft ondermeer aan op werkschepen en patrouillevaartuigen.
~buitenschaal:
deel van een open, kunststoffen, vaartuig dat de romp vormt.
Voor schippers van de algemene vaart waren dat de schippers van de kust- en van de wad en sontvaart. Voor de regionale schippers waren dat de schippers die over de Waddenzee of Zuiderzee voeren.
~buitenvisser:
visser, die hoofdzakelijk op IJsselmeer/Zuiderzee vist. (Plaatselijk gebruik.)
~buitenvisserij:
onder riviervissers: de visserij op het IJsselmeer/Zuiderzee.
~buitenwater: 1>buitenboordswater: het water buiten het schip.
2> het water buiten de kustlijn.
~buitenwaterkoeling,
buitenboordwaterkoeling,
buitenboordswaterkoeling:
systeem waarbij de motor gekoeld wordt door buitenwater(1) door het motorblok te pompen. Meestal doorstroomkoeling genoemd.
~buizen:
regelmatig (bij elke golf) buiswater veroorzaken. [A>]
Het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) geeft diverse verklaringen voor de herkomst van het woord buis of buizen. De herkomst die mij het meest logisch lijkt is die van het woord buischen; hetgeen als verklaring "Kloppen, stooten, slaan, zoodat het een doffen klank geeft; bonzen" heeft. Een schip dat tegen de golven stoot geeft immers een doffe klank en veroorzaakt buiswater. Volgens mijn collega van Vaartips is het echter een verbastering van bruisen.
2> tegen de buitenzijde van de den aan gebrachte horizontale versteviging. Soms ook denneboomhoekijzer/hoekstaal genoemd.
Oorspronkelijk natuurlijk afkomstig van de term 'bulbijzer' in de betekenis van dekzeilrand. In eerste instantie alleen gebruikt wanneer de dekzeilrand ook werkelijk van blubijzer gemaakt was en ook daadwerkelijk gebruikt werd voor het vastzetten van dekkleden. Met het toenemend gebruik van min of meer waterdichte ruimafdekkingen en het verhogen van bestaande dennen verliest de 'bulb' een deel van zijn oorspronkelijke functie, hij is er namelijk ook voor de sterkte van de den, maar blijft de term bestaan. Bij diverse nieuwbouw schepen bestaat de bulb niet meer uit een massief profiel, maar uit een kokervormige constructie.
Naar ik me heb laten vertellen bestond er vroeger zowel ongelijkzijdig hoekstaal met kraal, als gelijkzijdig hoekstaal met kraal, als ook plat met kraal; al deze soorten worden door sommigen holland-profiel genoemd. Ook termen als kraalhoekijzer of blubhoekijzer en kraalplatijzer of blubplatijzer schijnen in gebruik geweest te zijn.
2>bulb: de dekzeilrand (, indien gemaakt van een dergelijk profiel).
bolvormig uitbouwsel onderaan de voorsteven. Een bulbsteven wordt in de binnenvaart slechts een enkele maal toegepast. [A>]
~bulkgoed,
massagoed,
hoopvracht,
stortgoed: lading, die los in het ruim gestort wordt.
Hoop vracht is een verouderde term voor massagoed, terwijl de term stortgoed door sommige gereserveerd wordt voor fijn verdeelde materialenmet een korrelgrootte van hooguit een centimeter of zo.
~bulkpartij:
hoeveelheid bulkgoed, die meerdere scheepsladingen groot is.
~bulletouw:
een haketouw, dat gebruikt wordt om tijdens een manoeuvre zeilen of rondhouten in bedwang te houden.
~bull-eye,
bulls-eye:
1>bully, bullie: lamp met een rond huis en een bol beschermglas waaroverheen een traliewerk loopt. Vaak als machinekamer- of buitenverlichting toegepast. 2> door enkelen gebruikte term, voor wat men een lichtrand noemt.
~bultzak: 1> matras. Vaak een zak gevuld met boekweitdoppen. 2>bulzak: minder gebruikelijk woord voor plunjezak.
~bulzak:
minder gebruikelijk woord voor plunjezak.
~bun,
beun:
ruimte in het schip, die in directe verbinding met het water buiten het schip staat.
De meest bekende bun is waarschijnlijk de visbun; in NW-Overijssel 'bon' genoemd, die men op veel vissersschepen vinden kon.
Ook op sommige vrachtschepen treft men een bun aan. Sommige schepen maken namelijk gebruik van een speciale vorm van motorkoeling: de bunkoeling. Op de oudere vrachtschepen trof men geregeld een koproer aan deze kon vaak, opdat deze bij geladen schip niet onder het vlak uit zou steken, in een bun worden getrokken.
Een ander type bun treft men o.a. op emmermolens en sommige zuigers aan. Het is een lange, smalle uitsparing in de romp (dus binnen de omterk van het vaartuig) waarin de zuigbuis of de emmerladder neer gelaten kan worden. Ook deze bun wordt veel te vaak beun genoemd.
Zelfs kleine vaartuigjes hebben sinds de komst van de buitenboordmotor soms een bun. Men kreeg namelijk soms last van 'te veel gewicht achterop' en maakte daarom soms een bun in het vaartuig: de buitenboordmotorbun.
Waarschijnlijk door klankverwantschap worden beun en bun, als ook samengestelde woorden met beun en bun, naast elkaar gebruikt.
Het woord beun heeft oorspronkelijk betrekking op een losse houten vloer boven de eigenlijke vloer; een vliering bijv.
De term bun is echter waarschijnlijk hetzelfde als ben; een mand.
Het is dus logisch dat de zaken die iets bevatten, zoals een ruimte in het schip, die in verbinding met het water buiten het schip staat, bun genoemd moeten worden. Terwijl ruimtes die ontstaan door het aanbrengen van een schot, beun genoemd moeten worden.
In dit verband wil ik tevens opmerken dat de eerste zandschepen vaak een los houten schot gebruikte om de ruiminhoud te verkleinen.
~bunker:
ruimte in een schip waarin de brandstof voor de voortstuwingsmachine(s) opgeslagen is. De term wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de kolenbunker op stoomschepen.
Gerelateerde term: gasoliebunker.
~bunkergiek:
eenvoudige kraanarm, op bunkertanker vaak voorzien van een loopbrug (gangway), waarmee men de slang, waardoor brandstof of smeerolie gepompt wordt, naar (hoge) schepen kan brengen. Zie ook bunkertuig.
~bunkerkolen:
steenkool van het soort als op stoomschepen voor het stoken van de ketels gebruikt wordt.
~bunkerkraan:
hijskraan, die gebruikt wordt om de kolenbunkers van stoomschepen van kolen te voorzien.
Het mechanisme bestond ondermeer uit een jacobsladder/noria met bakken, zoals ook bij emmermolens. Mogelijk ook bekerelevator en elevatortransporteur genoemd. Soms ook gebruikt om van uit het schip op de wal te lossen.
2> niet voldoende bekend. Vermoedelijk als 1 maar dan om binnenvaartstoomschepen te bunkeren, dus waarschijnlijk kleiner van formaat en een stuk minder hoog.
~bunkerolie:
stookolie van het soort als op stoomschepen gebruikt wordt.
eenvoudige hijsinstallatie, zoals die op bunkervaartuigen wel gebruikt wordt, tegenwoordig op de grotere schepen is dat een bunkergiek.
~bunkervaartuig,
bunkertanker,
bunkertankschip,
bunkerboot: tankschip, dat voor de bevoorrading van zeeschepen gebruikt wordt. [A>] De grote broer van het oliebootje.
Eigenlijk omvat de term 'bunkervaartuig' elk vaartuig, ongeacht de grootte, welk schepen van brandstof, ongeacht de soort, voorziet.
~bunschip: 1>schip met een visbun. Ook een nat schip genoemd. 2> schip voor het vervoer van vis en uitgerust met een (zeer ruime) bun. Bijvoorbeeld de Heegeraak en de ielbûs. De eersten van dit soort schepen stamt uit het begin van de 14de eeuw.
~bunschot: dwarsscheepse wand, die de voor- of achterkant, of een scheidingswand, van een bun vormt.
het Bureau Voorlichting Binnenvaart is een stichting met een breed draagvlak die de voordelen en mogelijkheden van het vervoer over water onder de aandacht brengt bij verschillende doelgroepen (verladers, brede publiek, overheid, pers). Daarnaast treedt het BVB op als intermediair tussen diverse partijen. (Citaat website.
E> )
~Burmeister & Wain,
B&W:
Deense scheepswerf en motoren fabrikant.
[A>]
~Bussing:
Duitse fabriek van dieselmotoren, die voornamelijk in vrachtwagens en bussen gebruikt werden, maar die kort na de oorlog ook veel in kleine vrachtschepen in gebouwd werden.
~Buterse punter,
Kalenberger punter:
op de Giethoornse punter gelijkend vaartuig. De verschillen tussen deze twee zijn slechts klein. Het vaartuigje is een drie tot vijf centimeter breder, het vlak een centimeter of twee. Het boeisel was drie centimeter in plaats van 2,5 cm dik en stond vertikaal. De zwaardkorf is iets verder naar achter geplaatst en zo zijn er nog een paar kleinigheden.
~Butsekop: skûtsje gebouwd op de werf van Croles te IJlst.
~b.w.:
op vrachtbrieven gebruikte afkorting voor Belgische wetgeving.
In de overeenkomst ging de regeling ten aanzien van los-, laad- en overligdagen meestal volgens de landelijke regeling van het land waarin de laad of de losplaats gelegen was.