Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
Ik kan me niet herinneren op oude foto's ooit een boomfok gezien te hebben. In ieder geval zijn ze tegenwoordig geen zeldzaamheid. Overstag gaan schijnt met de boomfok makkelijker en sneller te gaan, daar tegenover staat dat de fok niet zo groot kan zijn, als een fok zonder boom.
~boomgeld:
vergoeding, die men aan ingehuurde bomers betaalt.
~boomijzer,
boomstut,
boomvork,
barringijzer,
boomscepter,
scepter:
stang met gaffelvormig uiteinde of ring, waarin de kleine rondhouten, zoals de vaarboom, de pikhaaken de peilstok, geborgen worden.
~boomklok:
luidbel, die enige tijd voordat de stadsboom (of waterpoort) gesloten werd, klonk.
~boomkor:
een sleepnet dat via een dwarsscheeps uitstaande boom, voortgetrokken wordt.
~boomschip,
boomscheepje:
Belgisch motorvrachtschip genoemd naar het plaatsje Boom. Exacte gegevens onbekend. Lengte ca. 30m. breedte rond de 5 meter? Voorzijde een beetje zoals een spits maar iets minder stomp. Achterschip ongeveer zoals een spits, maar vaak? met salonroef.
[AE>binnenvaartforum]
~Boomschuit: scheepstype. Vermoedelijk een vrij breed, niet al te hol, houten schip met een vrij stompe, ronde, voor- en achterkant, vrij onopvallende stevenbalken en een berghout dat zo'n beetje tegen het bovenboord ligt. [A>] Op het achterschip is er een zeer royaal dek vanwaar het vaartuig geboomd werd. Het zelfde type vaartuig, maar dan met een gesloten dek wordt zolderschuit genoemd. Zie ook vlotschuit.
~boomstamkano:
lang slank vaartuig, gemaakt door het uithollen van een boomstam. De boomstamkano van Pesse [E>], waarvan sommige beweren dat deze ca. 8000 jaar oud is, is één der bekendste vaartuigen van Nederland.
~boordboek:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk ander woord voor logboek.
~boordcomputer:
computer die, een nog steeds groeiend aantal, gegevens, die voor het varen (en alles wat er bij hoort) van belang kunnen zijn, verzamelt, verwerkt, presenteert en bewaart.
~boordnet:
de electrische installatie aan boord van een schip.
~boordrand:
niet al te hoge opstaande rand langs de randen van het opengedeelte bij schuiten en boten.
Boordranden worden meestal in combinatie met kleine voor- en achterdekjes gebruikt. Langs het achterdek ontbreekt de boordrand meestal. De boordrand is tegen de binnenzijde van de opening en niet òp de rand van het vaartuig geplaatst en onderscheidt zich daarmee van bijvoorbeeld het opboeisel(4) en het vaste settelboord.
~boordsteunders, boordsteun:
(1 vermelding) steuntjes waarmee het boeisel, bovendeks, gesteund wordt. Zie ook schansstut.
7> Volgens landrotten en veel watersporters: een vaartuig, ongeacht of dat een bootje van 2 meter of een transatlantisch passagiersschip is. [U>]
Door veel mensen uit de binnenvaart wordt het het gebruik van het woord boot, wanneer men over een schip of scheepje behoort te spreken, als beledigend ervaren. In Rijnvaartkringen schijnt men echter weinig tot geen bezwaar tegen het willekeurig gebruik van het woord boot te hebben.
De, op diverse websites geuite, veronderstelling dat het woord 'boot' afkomstig zou zijn van het Engelse woord 'bottom' is, voor zover nu bekend, nergens op gebaseerd. Volgens de laatste ethymologische publicaties is de juiste herkomst van het woord nog steeds onzeker [E>].
8>Fam. BOOT: bekende familie in de Nederlandse binnenvaart, o.a. door de fabricage van Industrie-motoren en de bouw van Luxe-motors.
In navolgende vermeldingen zijn niet alle 'Booten', die in de scheepsbouw actief waren, opgenoemd. Over hen en alle andere 'Booten' kunt meer lezen op
[E>verenigdebooten.nl].
a>Philipus Boot 1824-1902. Vader van Dirk en Jacobus Boot. Broer van Wouter en Hendrik Boot.
b>Wouter Boot 1820-1902. In 1847 begon deze een scheepswerf aan de Heimanswetering te Woubrugge.In 1893 wordt deze werf overgenomen door zijn zoon Jacob Boot.
c>Jacobus Boot 1855-1897. Neemt in 1893 de werf van zijn vader Wouter Boot over, maar verdrinkt een viertal jaren later, waarna de werf door zijn zoon Wouter en z'n weduwe wordt voortgezet.
d>Wouter Boot (jr) 1878-1957. Zet in 1897 samen met zijn moeder de werf van z'n vader Jacobus voort. De werf te Woubrugge krijgt dan de naam
"Weduwe J. Boot - Scheepsbouwwerf 'Dageraad'
[L>Bouwlijst.]. In 1901 wordt een gedeelte van de werf overgeplaatst naar Oudshoorn (sinds 1918 deel van Alphen a/d Rijn). In 1914 wordt ook het resterende deel van de werf verplaatst. In 1947 gaat het bedrijf over naar familieleden om uiteindelijk in 1981 de poorten te sluiten.
e>Hendrik Boot 1818-1899. Sticht in 1856 de scheepswerf "
Vrijenban
", later bekend als de
Firma H. Boot & zonen
. Later onder dezelfde naam overgegaan op Th. Boot en in 1988 over genomen door Fa. H.F. Bocxe en Zonen.
Vrijenban was eerst een aparte gemeente, maar is later opgegaan in de gemeente Delft.
f>Dirk Boot (Sr) 1859-1929. Begint in 1880 een werf te Zoeterwoude-Rijndijk maar verlaat deze in 1887 en neemt dan de door zijn vader Philipus Boot in 1851 gestichte werf te Alphen a/d Rijn, Gouwsluis, over. Na 1900 staat deze werf als "
[L>Bouwlijst.]. Deze is gevestigd te Alphen a/d Rijn en wordt geleid door Dirk en zijn zoon Johannes. In 1910 wordt hier de machinefabriek "Industrie" opgericht, waar in 1913 de eerste Industrie scheepsmotor het daglicht ziet. In 1917 en 1930 werd de
motorenfabriek 'Industrie'
verder uitgebreid. Na de tweede wereldoorlog produceerde het bedrijf voornamelijk motoren met groot vermogen, voor de kust- en zeevaart. In december 1977 kwam er een eind aan het bestaan van de fabriek.
g>Johannes Boot 1886-1949. Zoon van Dirk Boot. Medeoprichter van Scheepswerf 'De Industrie' Alphen a/d Rijn en leider van machinefabriek, later motorenfabriek 'Industrie'.
h>Dirk Boot jr. Zoon van Johannes Boot. Ingenieur bij motorenfabriek 'Industrie'.
i>Jacobus Boot 1854-1924, zoon van Philippus Boot, stichtte in 1877 een scheepswerf met de naam "
Scheepsbouwerij De Waard
"
[L>Bouwlijst.]
op de Waard te Leiderdorp. De werf verdween met de aanleg van het Rijn-Schiekanaal in 1913. In 1903 was er echter al een tweede werf gesticht. De werf droeg de naam "
De Hoop
"
[L>Bouwlijst.] en was gelegen aan de Zijl bij Leiden. In 1913 neemt Philippus Boot de leiding over het bedrijf van z'n vader over.
j>Philippus Boot 1878- ??, zoon van Jacobus Boot, zet het bedrijf van zijn vader voort. In 1920 werd de naam gewijzigd in "
N.V. Gebroeders Boot
", in 1927 wordt het "
Scheepsbouw- en reparatie werf 'De Hoop' v/h Gebroeders Boot Leiden
". Tussen 1963 en de sluiting van de werf in 1979 voert de werf de naam "
~bootsman:
persoon die leidng geeft aan dekknechten/matrozen.
~bootsmanstoeltje:
een zitplank, opgehangen in twee stroppen, waarmee iemand langs de mast omhoog gehesen kan worden.
~boottocht: 1> een korte reis met een boot.
2> een rondvaart.
~boottrailer:
soort van aanhanger, met een open frame, waarop kleine vaartuigen over de weg getransporteerd kunnen worden. De meeste trailers zijn voorzien van een trailerlier waarmee het vaartuig op de trailer getrokken kan worden. Verder is het frame voorzien van transport en geleide rollen om het op en van de trailer zetten van het vaartuig te vergemakkelijken. Voor de meeste bedrijfsmatig gebruikte vaartuigen gebruikt men een kanteltrailer.
~boottrein:
een trein, die aansluiting heeft met een veerdienst.
~bootwerker:
iemand, die schepen laad of lost. (Voornamelijk zeeschepen.)
~bord: 1> onderdeel van een scheprad. 2>dwarsscheeps schot, dat de romp van bijv. Schouwen en Langedijkers, aan voor- en achterzijde, afsluit. 3> soort schoolbord in de schippersbeurs, waarop de beschikbare vrachten, vermeld werden.
~boren:
onvolledige benaming voor het boren van een gat in de scheepshuid om vervolgens met een speciaal schuifmaatje een plaatdiktemeting te verrichten. Gerelateerde termen: boorbriefje, werfrapport.
~borghoutje, slothoutje:
in het walmgat aangebracht houtje, dat moet voorkomen dat de duimen uit de vingerlingen wippen, wanneer men de roerlichter gebruikt. Konisch gevormd. Aan één kant geborgd met een werveltje (draaibaar houten klampje)
~borgklem:
klem waarmee de borg vastgeklemd werd. Een soort draadstopper.
~borglijn: 1> ijzerdraad of dun touw waarmee men voorkomt dat iets los raakt. 2>zorglijn.
~borgpen, opsluitpen:
houten of metalen pen, die tot doel heeft het losraken van bepaalde (kleine) onderdelen te voorkomen.
Borgpennen werden aan boord veelvuldig toegepast. Meestal moesten ze voorkomen dat moeren losraakten. Al naar gelang de functie van het te borgen onderdeel zijn er samengestelde woorden gevormd, die echte (nog) niet (allemaal) in deze woordenlijsten voorkomen. Dergelijke woorden zijn: ankersluitingborgpen, schroefasmoerborgpen.
Borgpennen kunnen van hout, messing, koper of staal zijn. De splitpen is een speciale vorm van de borgpen.
~botenbaas:
In de zeehavens, voornamelijk onder de havenarbeiders, gebezigde term voor degeen, die verantwoordelijk was voor de goede organisatie rond het laden van de binnenschepen.
Al noemt men het een botenbaas het waren natuurlijk schepen, die geladen werden! [lees dit]
~botenbouwer: 1> eigenlijk: iemand die de boten, die vroeger aan boord van zeeschepen gebruikt werden bouwt.
~botterfok, breefok: fok zoals op de botter gevoerd werd. Deze fok is zo groot, dat de schoothoek tot ver achter de mast (ongeveer tot halverwege de giek) reikt.
~boutziek:
op bouten en klinken, losrakend. Bij stalen schepen meestal veroorzaakt door het wegroesten van de bouten en klinken zelf of het materiaal rond dezen, bij houten schepen, doordat door roestvorming het aanliggende hout kapot gaat een vervolgens verrot.
~bouwbestek, bestek, certer:
lijst van de, voor de bouw van het schip, noodzakelijke materialen.
~bouwdok:
meestal gegraven dok, waarin bijvoorbeeld tunnelsegmenten gebouwd worden.
~bouwhelling:
gedeelte van een scheepswerf waar nieuwe schepen gebouwd worden.
~bouwkoers:
de richting waarin het schip tijdens de periode waarin het gebouwd wordt, ligt.
De bouwkoers van een stalen schip bepaalt in hoge mate de richting waarin het scheepsmagnetisme gelegen zal zijn.
~bouworde:
combinatie van vormen en gevolgde systemen volgens welke een bepaalde groep schepen gebouwd wordt.
Een bouworde kan meerdere (schepen)families omvatten. Een bouworde omvat meestal een groot aantal scheepstypes.
~bovenboot,
Bazelboot,
strekkeboot: riviersleepboot, die over voldoende motorvermogen beschikt om op de Rijn, bovenstrooms het Ruhrgebied, schepen te slepen.
De term werd voornamelijk tentijde van de stoomsleepvaart gebruikt.)
De term 'strekkeboot' is uit het Duits overgenomen.
Eigenlijk zou men het een bovensleepboot, een Bazelsleepboot of een strekkesleepboot moeten noemen.
~bovenbouw:
boven de vaste delen van het schip, uitstekend, meestal verwijderbaar, gedeelte van een opbouw. Meest voorkomend is de stuurhut-bovenbouw.
~bovenbrug:
op de stuurhut geplaatste stuurstand, navigatie- of uitkijkpost met een gesloten voorwand, of een reling, die ongeveer tot heuphoogte reikt.
~bovendek: 1>dek boven het eigenlijke dek, het hoofddek. Voornamelijk van toepassing op passagiersschepen. 2> willekeurig dek, dat duidelijk hoger ligt dan het 'gewone' dek en dat voor bepaalde, met de aard van het schip verbandhoudende activiteiten, gebruikt wordt. Bijv, een roefdek waarop een blusmonitor staat.
1> algemeen gebruikte term voor de oude houten schepen, welke in Duitsland gebouwd werden. Waarschijnlijk is de term op meerdere types, waaronder het Beitelschip, van toepassing geweest, maar welke dat precies waren is mij op het ogenblik nog niet bekend.
Veel van deze schepen hadden een brede, sterk vooroverhellende boeg en aan de voorzijde slechts een geringe diepgang. Wegens gebrek aan goede laad- en losplaatsen moest het schip namelijk vaak met de kop op de rivieroever schuiven. Het werd dan via het voorschip geladen en gelost. Om toch voldoende laadvermogen te verkrijgen hadden de latere types vaak een, naar achter toe, toenemende holte. Het achterschip was vaak over de volle breedte hoog opgebouwd, zodat men daar een onderkomen voor bemanning en eventuele passagiers had.
De belangrijkste vorm van voortbeweging was voor deze schepen het stevelen. Zowel middenvoor, als stuurboord achter, was het schip uitgerust met een grote zware roerspaan om het geheel tijdens het stevelen op koers te kunnen houden. Bij gunstige wind kon er een razeil gehesen worden.
~bovenloper: 1>hardloper. 2>ijsbreker of ijsbrekende sleepboot, die om het ijs te breken op het ijs schuift, waarna het ijs onder het gewicht van het vaartuig breekt.
~Bovenrijn,
Oberrhein:
vertaling van Oberrhein. De Rijn tussen Basel en Bingen.
Niet te verwarren met de Nederlandse Boven-Rijn.
Tegenwoordig zijn schippers geneigd om alleen het gedeelte tussen het hoger gelegen Mannheim tot aan Basel (of eigenlijk Rheinfelden, ca. 18 km. stroomopwaarts) de Bovenrijn te noemen. Vroeger was de Rijn boven Bingen echter nauwelijks bevaarbaar en lag de zaak dus anders.
Alhoewel er boven Rheinfelden nog wel scheepvaart is, geldt deze plaats momenteel als eindpunt voor de Rijnvaart. De Rijnkilometertelling begint in Konstanz
~Boven-Rijn:
officiële aardrijkskundige aanduiding voor het stuk Rijn tussen de Nederlands-Duitse grens (Spijk) en de Pannerdensekop (de splitsing met de Waal). In dit gedeelte van de Rijn bevindt zich het Bijlandsch Kanaal.
Niet te verwarren met de Duitse Bovenrijn.
~bovenrivier: 1> het gedeelte van een rivier waarop de invloeden van eb en vloed niet meer merkbaar zijn. Het gedeelte waar deze invloed wel merkbaar is noemt men de benedenrivier. 2> niet vast omschreven term: Voor sommige schippers dat gedeelte van de rivier wat duidelijk het karakter van een rivier, flinke stroomsnelheden en de ene na de andere bocht, toont.
~bovenschoor: knie aan de bovenzijde van een rust.
~bovenschutten:
minder gebruikelijke term voor opschutten.
~bovenslagdorpel,
bovenslagdrempel: slagdrempel aan de kant van de sluis waar het water het hoogst staat.
~bovensleep: 1> In de Rijnvaart: een sleep die naar boven, dus naar Duitsland, vaart. 2> Soms ook gebruikt voor een sleep, die van de Bovenrijn komt, af naar de Bovenrijn gaat.
~bovenstrijker: 1>mast, waarvan het ondereind niet door het dek heen steekt. [A>]
Het draaipunt van de mast, de mastbout ligt meestal een flink eind boven het dek. De meeste grotere vrachtschepen hebben een bovenstrijker, kleine lage scheepjes, zoals bijv. het skûtsje een onderstrijker.
De meeste zeilende schepen hebben de strijktalie bovendeks. Voor zover ik weet zijn er wel enige houten vrachtschepen met een strijktalie onderdeks geweest, maar deze types zijn reeds lang uitgestorven. Een onderdekse strijktalie vindt men op sommige schepen met een laadtuig of zelflosser.
~bovenstroom:
de stroming in de bovenste waterlaag.
~bovenstrooms:
tegen de richting van de stroom in zijnd.
Zie uitleg bij stroomopwaarts.
~bovental, bovenlast:
het aantal, boven de in de vervoersovereenkomst opgegeven, goederen. (Weinig gehoorde term. Schijnt in de turfvaart gebruikt te zijn.)
~bovenvisser:
iemand, die hoofdzakelijk op de bovenrivieren vist.
~bovenwater: 1> water dat vanuit een hoger gelegen gebied komt.
Ook opperwater genoemd.
~brandijzer: 1> gloeiend heet gestookte stalen staaf, waarmee gaten in hout gemaakt worden. 2> krom gebogen stuk staal, dat als mal voor het boegbranden dient. 3> brandmerkijzer, brandmerk: merkijzer. 4> volgens Witsen: een metalen schraag waarop het krom te branden hout rust.
~brandpan:
stalen pan aan een lange steel. In de pan is een rooster bevestigd, waarop men, tijdens het boegbranden, een houtvuur laat smeulen.
~Brandschuit: 1> scheepstype behorend tot de turfpramen.
Gestrekt, laag, vaartuig met platte bodem, hoekige kim, rechte naar buiten vallende zijdes, bijna ronde voor- en achterkant en gekromde steven.
Te onderscheiden in de Hoogeveense of Kleine brandschuit; ca. 10 ton groot, 11 m lang en 2,6 m breed, en de Meppeler of Grote brandschuit; ca. 20 ton, ongeveer 13 m lang en 3,1 m breed. De holte van deze schepen was ca. 72cm. Tussenliggende afmetingen en iets afwijkende modellen kwamen echter ook voor.
Met wat goede wil kan men een brandschuit zien als een wat eenvoudigder versie van de marktpraam zonder settelboorden.
Het vurenhouten vlak eindigde zowel aan de voor als achterzijde zowat rond, maar toch met een duidelijke puntige knik in het midden. Het was aan de achterzijde weinig, aan de voorzijde zo mogelijk nog minder smal, dan op het breedste punt. De bovenomtrek van het vaartuig had min of meer dezelfde vorm alleen waren voor en achterzijde nog ronder maar toch nog met een duidelijke knik. Voor en achtersteven stonden zowat vertikaal en waren licht gekromd. De voorstevenbalk volgde het model van de voorsteven, de achterstevenbalk was aan de achterzijde recht en stond nagenoeg vertikaal. De zijdes vielen minder dan 30 graden naar buiten, daarboven kwam een ca. 22 cm breed berghout. Over een groot deel van het schip lag het berghout recht. Het boog op minder dan twee meter van de stevens omhoog naar de punt van de stevens, die ca. 50 cm hoger waren dan de zijde. De vaartuigen hadden geen boeisel.
De schepen hadden een buikdenning maar het ruim was niet bewegerd. Wanneer ze graan moesten laden, werd het ruim gegarneerd. Ze hadden geen gangboorden, alleen een klein voor- en achterdek. Over de lading werden langsscheepse planken gelegd, zodat men toch naar voor kon lopen of kon bomen.
De Grote praam had onder het voordek een klein vooronder. De pramen werden gejaagd en hoofdzakelijk voor het vervoer van turf gebruikt. Ze voeren van de veenderijen naar de marktplaatsen Zwartsluis, Zwolle en somtijds Kampen.
Bronnen: G.J. Schutten 'Verdwenen schepen', Encyclopedie van Drenthe, e.a.
2> door Sopers als zelden gebruikt synoniem voor de gedekte Somp vermeldt.
~brandstofbunker:
opslagruimte voor een willekeurige brandstof, maar vaak bedoelt men er een kolenbunker mee.
~brandstofkolf:
naam voor de brandstofvoorraadkamer bij Kromhout brandstofvergassers.
~brandstoftoeslag:
vergoeding die men voor de te varen afstand krijgt, wanneer men in daghuur vaart.
Gerelaterde term: gasolietoeslag.
~brandstofvergasser, haard:
onderdeel van een gasgenerator. Gesloten constructie waarin vaste brandstoffen, met behulp van deze brandstoffen, dusdanig verwarmd worden dat hiervan een groot gedeelte vergast.
~brandvlag:
licht blauwe vlag, met daarin, in wit, de hoofdletter F. Deze vlag moest vroeger door tankschepen gevoerd worden.
1> willekeurig vaartuig in dienst bij de brandweer. [A>]
Gerelateerde term: hulpvaartuig.
In veel, maar niet alle, gevallen handelt het zich niet om een een open vaartuig, een boot, maar om een gedekt vaartuig, een schip! [uitleg] Brandweervaartuig is dus in de meeste gevallen een correctere term.
1a> bij de oude, in hout gebouwde scheepstypes van voor ca. 1900: een fors razeil aan de voorste mast op een schip dat een gaffeltuig voert. De breefok wordt in plaats van een normale fok gevoerd. Tussen de breefok en het schoverzeil schijnt een verschil te bestaan. Het is me echter nog niet duidelijk wat dit verschil precies is.
Verwante term: emmerzeil.
1b> bij ondermeer de Botter: een hoog smal rechthoekig zeil, aan de bovenzijde voorzien van een kleine ra, welke niet met de mast verbonden is, welk zeil, bij gunstige wind, naast de fok gevoerd wordt.
palmhouten hamer met ronde, dubbelzijdig, tapse kop [A>], soms echter ook een vrij forse houten hamer met rechthoekige kop.
In de kop van de palmhoutenhamer, zo vertelt men, werden vaak, ter bevordering van de klank, drie stukjes hertshoorn ingeslagen. Aan de klank van de hamer kon men namelijk horen of het werk vast genoeg geslagen was.
stalen beitel, die breed uitloopt. De snede van de beitel was ca. 6 cm breed en niet scherp, zodat het werk niet stuk gehakt werd. Voor het smalle werk gebruikte men een stompe snede, voor het gewone werk een beitel met één rabat. Voor het brede werk gebruikte men een rabatijzer met een dubbele rabat. [A>.C]
~breeuwmes,
kalfaatmes,
kalefaatmes:
mes dat bij voor het snijden en stoppen van het werk gebruikt wordt.
~breeuwnaad,
kalfaatnaad,
kalefaatnaad:
kier tussen twee houten delen, die gebreeuwd is. [A>]
~breeuwsel: 1> veenmos, waarmee men breeuwnaden vult. 2> willekeurig materiaal waarmee men breeuwnaden vult. Zie werk.
~breeuwstoel,
kalfaatbank,
kalefaatbank
:
eenvoudig bankje, waarvan alle drie de maten als de hoogte benut kunnen worden.
~breeuwwerk,
kalfaatwerk,
kalefaatwerk: 1>werk. 2> het resultaat van het breeuwen. 3> het werk van een breeuwer.