Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
Ik kan me niet herinneren op oude foto's ooit een boomfok gezien te hebben. In ieder geval zijn ze tegenwoordig geen zeldzaamheid. Overstag gaan schijnt met de boomfok makkelijker en sneller te gaan, daar tegenover staat dat de fok niet zo groot kan zijn, als een fok zonder boom.
~boomgeld: 1> vergoeding, die men aan ingehuurde bomers betaalt.
2> volgens sommige bronnen echter het geld dat men bij de passage van de stadsboom moest betalen. Een soort havengeld dus.
~boomhuis(je):
meestal niet al te groot optrekje, waarin de boomknecht verbleef.
Daar de stadsboom meestal een onderdeel was van de afsluiting van de stad, was de boom vaak een onderdeel van een waterpoort. Alleen bij de afsluitingen van ruime havens ontbrak elke vorm van bebouwing en moest er een boomhuisje geplaatst worden.
~boomijzer,
boomstut,
boomvork,
barringijzer,
boomscepter,
scepter:
stang met gaffelvormig uiteinde of ring, waarin de kleine rondhouten, zoals de vaarboom, de pikhaaken de peilstok, geborgen worden.
~boomklok:
luidbel, die enige tijd voordat de stadsboom (of waterpoort) gesloten werd, klonk.
~boomklokluiden:
het doen klinken van de boomklok.
Het boomklokluiden was vaak het vertreksein voor de nachtschuit.
~boomknecht:
door de stad aangestelde beambte welke toezicht houdt op de stadsboom, deze opent en sluit en de boomklok luidt.
~boomkor:
een sleepnet dat via een dwarsscheeps uitstaande boom, voortgetrokken wordt.
~boomschip,
boomscheepje:
Belgisch motorvrachtschip genoemd naar het plaatsje Boom. Exacte gegevens onbekend. ? Voorzijde een beetje zoals een spits maar iets minder stomp. Achterschip ook ongeveer zoals een spits, maar vaak? met salonroef.
[AE>binnenvaartforum]
scheepstype. Een vrij breed, niet al te hol, houten schip met een rond voor- en achterschip, vrij krappe boegen, kromme voorstevenbalk vaak met forse loefbijter, een stevig berghout en een laag boeisel. Geen bebouwing, zwaarden, bolders of tuigage. Gewoonlijk door bomen voortbewogen. [A>]
De oudere modellen hebben een iets oplopend voorschip met een duidelijk 'neusje'. De berghouten sluiten met slemphouten tegen de voorstevenbalk aan. Het boeisel is duidelijk aanwezig. Later wordt het model vlakker en het boeisel lager, soms is het niet meer dan een extra randje.
Dit scheepstype, wat men kan zien als een min of meer open versie van de Amsterdamse lichter/koornligter is met de opkomst van de stalen schepen in onbruik geraakt.
Er zijn een aantal varianten.
- De grotendeels open uitvoering met op het achterschip een zeer royaal achterdek vanwaar het vaartuig geboomd werd. Dit dek ligt ongeveer op gelijke hoogte met het berghout. Het voordek is beduidend kleiner en ligt ongeveer gelijk met de potdeksel.
- Een gesloten uitvoering met een verlaagd dek. De indeling is ongeveer als de open uitvoering. In het overblijvende middenstuk is echter een dek gelegd. Dit dek ligt ongeveer gelijk met de onderkant van het berghout. Mogelijk ook brouwersschuit genoemd.
- Hetzelfde type vaartuig, maar dan met een geheel gesloten dek op één niveau. Het dek ligt ongeveer gelijk met de bovenkant van het berghout of iets hoger. Dit type wordt ook zolderschuit genoemd. GJ Schutten spreekt van een Amsterdamse ronde zolderschuit. Dit type werd ook in ijzer of staal gebouwd. De stevens zijn dan vaak niet meer dan plaatstevens en de slemphouten ontbreken. Zowel het houten als het ijzeren/stalen type bestond ook met een zeer lage den met luikenkap. Het zal dan ongetwijfeld een (Amsterdamse) lichter genoemd zijn.
De voornoemde schuiten worden in geen van mijn bronnen duidelijk in één artikel benoemd èn beschreven of afgebeeld. Ik meen echter uit verhalen te kunnen afleiden dat men dit soort schuiten bedoelt wanneer men het over boomschuiten in Amsterdam heeft. Het is echter goed mogelijk dat ook diverse andere geboomde vaartuigen zo genoemd werden. Ook is het mogelijk dat deze vaartuigen nog een andere, meer aan dit ene type gebonden naam hebben.
~Boomse motor:
niet voldoende bekend. Op een Luxe motor gelijkend scheepje met een lengte ca. 30m. en een breedte rond de 5 meter.
~Boomse klipper:
niet voldoende bekend. Een klipper met een lengte ca. 30m. en een breedte rond de 5 meter. Mogelijk wordt het schip gekenmerkt door een zeer bol staand roefdek.
~boomschoot:
niet voldoende bekend, misschien een boomtalie.
~boomstamkano:
lang slank vaartuig, gemaakt door het uithollen van een boomstam. De boomstamkano van Pesse [E>], waarvan sommige beweren dat deze ca. 8000 jaar oud is, is één der bekendste vaartuigen van Nederland.
~boord:
1> een gang van een houten schip. De term boord gebruikt men meestal voor zeer brede gangen.
Vermoedelijk werd de term boord vroeger alleen voor de bovenste gang, thans het bovenboord of dolboord, gebruikt. Pas later heeft het woord een bredere betekenis gekregen.
KIEREND BOORD
: gedeelte van de scheepshuid, in de zijdes, boven het dek, wanneer dit niet tegen het dek aansluit.
~boordboek:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk ander woord voor logboek.
~boordcomputer:
computer die, een nog steeds groeiend aantal, gegevens, die voor het varen (en alles wat er bij hoort) van belang kunnen zijn, verzamelt, verwerkt, presenteert en bewaart.
~boordgeld,
rijnvaartgeld,
rijnvaartbiljet:
ten tijde van de geldzuivering van na de tweede Wereldoorlog in omloop gebracht betaalmiddel voor de internationale vaart (op de Rijn).
[E>Rijnvaart, Algemeen].
Dit geld moet niet verward worden met de 'bonnen' die (ook) vlak na de oorlog in gebruik waren. Die bonnen vertegenwoordigden bepaalde goederen; het boordgeld was een vervanging van het wettig betaalmiddel.
~boordhout:
het hout waarvan het boord, dus de scheepshuid, gemaakt is.
Alhoewel velen de term 'licht' gebruiken, als ze het geheel van behuizing en lichtbron bedoelen, is in dat geval 'lantaarn' een betere benaming. De meeste mensen verstaan echter in dit soort gevallen onder een licht een electrische 'lamp' en onder een lantaarn een petroleum'lamp'.
~boordnet:
de electrische installatie aan boord van een schip.
~boordrand:
niet al te hoge opstaande rand langs de randen van het opengedeelte bij schuiten en boten.
Boordranden worden meestal in combinatie met kleine voor- en achterdekjes gebruikt. Langs het achterdek ontbreekt de boordrand meestal. De boordrand is tegen de binnenzijde van de opening en niet òp de rand van het vaartuig geplaatst en onderscheidt zich daarmee van bijvoorbeeld het opboeisel(4) en het vaste settelboord.
~boordtelefoonboek,
boordtelefoongids
:
telefoonboek met de nummers van de mobiele telefoons der varenden en andere nummers welke voor hen van belang kunnen zijn.
Alhoewel de term boordtelefoonboek/gids suggereerd dat men een telefoon aan boord van een schip een boordtelefoon zou noemen is dat niet het geval. Men spreekt van een telefoon, een mobieltje en vroeger wel van een mobilofoon.
De 'gids' is een uitgave van van Vaart!, het 'boek' van '4com'.
~boordtouw:
buitenboord lopend touw waarmee het kuilhout in positie gehouden wordt.
7> Volgens landrotten en veel watersporters: een vaartuig, ongeacht of dat een bootje van 2 meter of een transatlantisch passagiersschip is. [U>]
Door veel mensen uit de binnenvaart wordt het het gebruik van het woord boot, wanneer men over een schip of scheepje behoort te spreken, als beledigend ervaren. In Rijnvaartkringen schijnt men echter weinig tot geen bezwaar tegen het willekeurig gebruik van het woord boot te hebben.
De, op diverse websites geuite, veronderstelling dat het woord 'boot' afkomstig zou zijn van het Engelse woord 'bottom' is, voor zover nu bekend, nergens op gebaseerd. Volgens de laatste ethymologische publicaties is de juiste herkomst van het woord nog steeds onzeker [E>].
8>Fam. BOOT: bekende familie in de Nederlandse binnenvaart, o.a. door de fabricage van Industrie-motoren en de bouw van Luxe-motors.
In navolgende vermeldingen zijn niet alle 'Booten', die in de scheepsbouw actief waren, opgenoemd. Over hen en alle andere 'Booten' kunt meer lezen op
[E>verenigdebooten.nl].
a>Philipus Boot 1824-1902. Vader van Dirk en Jacobus Boot. Broer van Wouter en Hendrik Boot.
b>Wouter Boot 1820-1902. In 1847 begon deze een scheepswerf aan de Heimanswetering te Woubrugge.In 1893 wordt deze werf overgenomen door zijn zoon Jacob Boot.
c>Jacobus Boot 1855-1897. Neemt in 1893 de werf van zijn vader Wouter Boot over, maar verdrinkt een viertal jaren later, waarna de werf door zijn zoon Wouter en z'n weduwe wordt voortgezet.
d>Wouter Boot (jr) 1878-1957. Zet in 1897 samen met zijn moeder de werf van z'n vader Jacobus voort. De werf te Woubrugge krijgt dan de naam
"Weduwe J. Boot - Scheepsbouwwerf 'Dageraad'
[L>Beperkte bouwlijst,
EL>Uitgebreid XLS-bestand met meerdere bouwlijsten].
In 1901 wordt een gedeelte van de werf overgeplaatst naar Oudshoorn (sinds 1918 deel van Alphen a/d Rijn). In 1914 wordt ook het resterende deel van de werf verplaatst. In 1947 gaat het bedrijf over naar familieleden om uiteindelijk in 1981 de poorten te sluiten.
e>Hendrik Boot 1818-1899. Sticht in 1856 de scheepswerf "
Vrijenban
", later bekend als de
Firma H. Boot & zonen
. Later onder dezelfde naam overgegaan op Th. Boot en in 1988 over genomen door Fa. H.F. Bocxe en Zonen.
Vrijenban was eerst een aparte gemeente, maar is later opgegaan in de gemeente Delft.
f>Dirk Boot (Sr) 1859-1929. Begint in 1880 een werf te Zoeterwoude-Rijndijk maar verlaat deze in 1887 en neemt dan de door zijn vader Philipus Boot in 1851 gestichte werf te Alphen a/d Rijn, Gouwsluis, over. Na 1900 staat deze werf als "
[L>Bouwlijst.]. Deze is gevestigd te Alphen a/d Rijn en wordt geleid door Dirk en zijn zoon Johannes. In 1910 wordt hier de machinefabriek "Industrie" opgericht, waar in 1913 de eerste Industrie scheepsmotor het daglicht ziet. In 1917 en 1930 werd de
motorenfabriek 'Industrie'
verder uitgebreid. Na de tweede wereldoorlog produceerde het bedrijf voornamelijk motoren met groot vermogen, voor de kust- en zeevaart. In december 1977 kwam er een eind aan het bestaan van de fabriek.
g>Johannes Boot 1886-1949. Zoon van Dirk Boot. Medeoprichter van Scheepswerf 'De Industrie' Alphen a/d Rijn en leider van machinefabriek, later motorenfabriek 'Industrie'.
h>Dirk Boot jr. Zoon van Johannes Boot. Ingenieur bij motorenfabriek 'Industrie'.
i>Jacobus Boot 1854-1924, zoon van Philippus Boot, stichtte in 1877 een scheepswerf met de naam '
Scheepsbouwerij De Waard
'
[L>Bouwlijst.]
op de Waard te Leiderdorp. De werf verdween met de aanleg van het Rijn-Schiekanaal in 1913. In 1903 was er echter al een tweede werf gesticht. De werf droeg de naam '
De Hoop
'
[L>Bouwlijst.] en was gelegen aan de Zijl bij Leiden. In 1913 neemt Philippus Boot de leiding over het bedrijf van z'n vader over.
j>Philippus Boot 1878- ??, zoon van Jacobus Boot, zet het bedrijf van zijn vader voort. In 1920 werd de naam gewijzigd in "
N.V. Gebroeders Boot
", in 1927 wordt het "
Scheepsbouw- en reparatie werf 'De Hoop' v/h Gebroeders Boot Leiden
". Tussen 1963 en de sluiting van de werf in 1979 voert de werf de naam "
een zitplank, opgehangen in een dubbele 'strop', waarmee iemand langs de mast omhoog gehesen kan worden.
De strop wordt gemaakt met één eind touw, die door de gaten in de uiteinden van de plank gehaald wordt. De uiteinden van het touw worden onder de zitplank op elkaar geplitst. Boven worden met behulp van een bindsel twee ogen gevormd. Vaak laat men het touw onder de zitplank kruisen.
~bootsmast: mast voor een klein vaartuigje, voor een boot.
~bootstouw:
minder gebruikelijk woord voor vanglijn.
~boottocht: 1> een korte reis met een boot.
2> een rondvaart.
~boottrailer:
soort van aanhanger, met een open frame, waarop kleine vaartuigen over de weg getransporteerd kunnen worden. De meeste trailers zijn voorzien van een trailerlier waarmee het vaartuig op de trailer getrokken kan worden. Verder is het frame voorzien van transport en geleide rollen om het op en van de trailer zetten van het vaartuig te vergemakkelijken. Voor de meeste bedrijfsmatig gebruikte vaartuigen gebruikt men een kanteltrailer.
~boottrein:
een trein, die aansluiting heeft met een veerdienst.
De term ottertrawl welke vooral in de zeevisserij gebruikt wordt, komt uit het Engels maar is hier plaatselijk ingeburgerd geraakt.
De borden zijn op dusdanige wijze met het schip verbonden dat deze wanneer ze door het water voortgetrokken worden, ze ieder naar een kant uit zullen scheren. Door dit uitscheren zal voorzijde van het net geopend worden. De beweging van de borden wordt door de wijdte van de opening van het net begrenst.
~boren:
onvolledige benaming voor het boren van een gat in de scheepshuid om vervolgens met een speciaal schuifmaatje een plaatdiktemeting te verrichten. Gerelateerde termen: boorbriefje, werfrapport.
~borg: 1> Zie hanger 2> willekeurige constructie die bedoelt is om een bepaald onderdeel tegen losraken te behoeden of een constructie welke aangebracht is om in geval van nood in plaats van het in ongerede geraakte onderdeel te treden.
Gerelateerde termen:
borgpen,
mastkling,
borghoutje,
zorglijn,
zorgketting,
borgtakel. borglijn.
~borghoutje,
slothoutje:
in het walmgat aangebracht houtje, dat moet voorkomen dat de duimen uit de vingerlingen wippen, wanneer men de roerlichter gebruikt. Konisch gevormd. Aan één kant geborgd met een werveltje (draaibaar houten klampje)
~borgketting: 1> ketting, die moet voorkomen dat een onderdeel of voorwerp een ongewenste beweging kan maken.
Borgkettingen werden bijv. gebruikt om aan dek gestouwde zaken, bijv. ankers, maar ook ladingen op hun plaats te houden, als ook om de beweging van bepaalde onderdelen bijv. de arm van een davit te beperken. Bij zijschroeven en soms ook lichtmasten werd eveneens ketting gebruikt om ze tot op een bepaalde stand af te kunnen vieren.
~borgpen, opsluitpen:
houten of metalen pen, die tot doel heeft het losraken van bepaalde (kleine) onderdelen te voorkomen.
Borgpennen werden aan boord veelvuldig toegepast. Meestal moesten ze voorkomen dat moeren losraakten. Al naar gelang de functie van het te borgen onderdeel zijn er samengestelde woorden gevormd, die echte (nog) niet (allemaal) in deze woordenlijsten voorkomen. Dergelijke woorden zijn: ankersluitingborgpen,
schroefasmoerborgpen.
Borgpennen kunnen van hout, messing, koper of staal zijn. De splitpen is een speciale vorm van de borgpen.
~borgtakel,
borg:
dubbelgenomen stevig eind touw, staaldraad of ketting als tweede verbinding tussen twee voorwerpen. Mogelijk alleen in de zeevaart in gebruik. In de binnenvaart zijn de termen zorglijn en zorgketting iets gebruikelijker.
~bosse:
in het vlak van het achterschip aangebrachte houten prop, welk dient om wanneer het vaartuig op de werf staat het water dat zich in het schip verzameld heeft, weg te laten lopen.
Behalve bij G.J. Schutten nog geen vermelding gevonden.
lelijke samentrekking van de woorden hotel en boot. Tegenwoordig gebruikt voor uiteenlopende vaartuigen waarop tegen betaling tijdelijk onderdak aangeboden wordt.
Aanvankelijk (1965) scheen men nog onderscheid te maken tussen een hotelschip en een botel. De laatste bestond uit een niet varend ponton waarop huisvesting geplaatst was. De eerste was een vaartuig, een passagiersschip, dat voor langere tijd stillag en voor onderdak gebruikt werd. Tegenwoordig krijgt echter van alles wat een aantal weken stil blijft liggen en een paar kamers verhuurt al snel het predikaat botel.
~botenbaas:
In de zeehavens gebezigde term voor degeen, die aan boord van het zeeschip verantwoordelijk was voor de goede organisatie rond het laden en lossen, ook ten aanzien van de binnenschepen.
Al noemt men het een botenbaas het waren natuurlijk schepen, die geladen werden! [lees dit]
Aan boord van het zeeschip had men dan nog knarren en tallymannen. Knarren stonden onder de botenbaas en hielden ieder toezicht op één ruim van het zeeschip. De tallyman, markeur of boekjesgast hield toezicht op de hoeveelheid lading die gelost werd.
~botenbouwer: 1> eigenlijk: iemand die de boten, die vroeger aan boord van zeeschepen gebruikt werden bouwt.
~bothoeken:
met hoekwant op bot en andere platvis vissen.
~bothuis(je):
gebouwtje waar bot, schol, spiering en paling verhandeld werden. Dezen werden, in bepaalde tijden, op bepaalde plaatsen, namelijk niet via de visafslag verhandeld.
Mogelijk was dit alleen een Amsterdamse kwestie.
~botkloppen: 1> vorm van ijsvisserij met onder het ijs uitgezette floddernetten, waarbij men met behulp van de bij twee genoemde handeling platvis in de netten probeert te drijven.
Een redelijke beschrijving van deze vorm van visserij vindt men in "Veertien dagen op een ijsschots" door Simon Abramsz., blz 22 in de uitgave van L.J. Veen, Amsterdam (4de druk).
2> met stukken hout op het ijs slaan met het doel de vis naar de onder het ijs opgestelde floddernetten te drijven.
Gerelateerde termen: botplompen,
klophout,
klopmolen.
~botklopper: 1> stuk hout waarmee men tijdens het botkloppen op het ijs slaat met het doel de vis naar de onder het ijs opgestelde floddernetten te drijven. Zie verder bij klophout.
met riet of tenen, dan wel met netten, gevormd schutwant op droogvallende gronden.
De uiteinden van het schutwant stonden op hoger gelegen delen dan het middenstuk. Bij voldoende hoogwater zwom de bot tot achter het schutwant. Bij het zakken van het water raakten ze binnen het perk ingesloten.
~Botpleyt:
te Huizen gebruikte term voor een bepaald scheepstype. Welk; is me helaas niet bekend.
~botplompen:
platvis opschrikken door met stokken in het water te slaan om de vis naar het net te drijven.
Zie ook botkloppen.
~botschudden:
volgens G.J. Schutten een bepaalde methode om bot te vangen.
Tot op heden, 2011, geen andere bronnen met een verklaringen in die richting kunnen vinden.
~botschuit:
te Bunschoten-Spakenburg de naam van een bepaald scheepstype. Welk, dat is me helaas niet bekend.
~botsleepnet:
lang rechthoekig sleepnet voor de botvisserij, dat door twee varende schepen voortgetrokken wordt. De verzwaarde onderzijde van het net sleept daarbij min of meer door de bovenlaag van de bodem. De bovenzijde blijft door de snelheid en door stand van de sleeplijnen vrij van de bodem.
~botterfok, breefok: fok zoals op de botter gevoerd werd. Deze fok is zo groot, dat de schoothoek tot ver achter de mast (ongeveer tot halverwege de giek) reikt.
~botterhaven:
naar het schijnt een vrij moderne term voor havens langs de kust van de voormalige Zuideerzee, waar men vroeger en soms vandaag de dag ook nog, botters kon aantreffen.
vaartuig waarmee men op platvis vist. Op de Zeeuwse stromen gebruikte men hier volgens Groenewegen vaak een Hengst voor. Het door hem afgebeelde vaartuig lijkt echter meer op een Zeeuwse schouw of op een Beijerlandse schuit.
~botvisserij:
het vangen van bot en andere platvis.
Voor het sluiten van de afsluitdijk werd de botvisserij ook op de Zuiderzee en de Waddenzee bedreven.
Bij stalen schepen meestal veroorzaakt door het wegroesten van de bouten en klinken zelf en in mindere mate door het roesten van het materiaal rond de klink. Men spreekt hier ook van klinkziek.
Bij houten schepen en ijzeren bouten wqordt het meestal veroorzaakt doordat door roestvorming het aanliggende hout kapot gedrukt wordt, waarna het verrot. Hier spreekt men ook wel van ijzerziek.
~bouwbestek,
bestek,
certer:
lijst van de, voor de bouw van het schip, noodzakelijke materialen.
~bouwdok:
meestal gegraven dok, waarin bijvoorbeeld tunnelsegmenten gebouwd worden.
~bouwhelling:
gedeelte van een scheepswerf waar nieuwe schepen gebouwd worden. Zie ook ijzerhelling.
~bouwkoers:
de richting waarin het schip tijdens de periode waarin het gebouwd wordt, ligt.
De bouwkoers van een stalen schip bepaalt in hoge mate de richting waarin het scheepsmagnetisme gelegen zal zijn.
~bouworde:
combinatie van vormen en gevolgde systemen volgens welke een bepaalde groep schepen gebouwd wordt.
Een bouworde kan meerdere (schepen)families omvatten. Een bouworde omvat meestal een groot aantal scheepstypes.
~bovenboot,
Bazelboot,
strekkeboot: riviersleepboot, die over voldoende motorvermogen beschikt om op de Rijn, bovenstrooms het Ruhrgebied, schepen te slepen.
De term werd voornamelijk tentijde van de stoomsleepvaart gebruikt.)
De term 'strekkeboot' is uit het Duits overgenomen.
Eigenlijk zou men het een bovensleepboot, een Bazelsleepboot of een strekkesleepboot moeten noemen.[T>uitleg].
~bovenbouw:
boven de vaste delen van het schip, uitstekend, meestal verwijderbaar, gedeelte van een opbouw. Meest voorkomend is de stuurhut-bovenbouw.
~bovenbrug:
op de stuurhut geplaatste stuurstand, navigatie- of uitkijkpost met een gesloten voorwand, of een reling, die ongeveer tot heuphoogte reikt.
2> willekeurig dek, dat duidelijk hoger ligt dan het 'gewone' dek en dat voor bepaalde, met de aard van het schip verbandhoudende activiteiten, gebruikt wordt. Bijv, een roefdek waarop een blusmonitor staat.
~bovengang: 1>bovenboord: gewoonlijk bovenste gang bij (open) houten vaartuigen. In sommige kringen ook de bovenste gang van de romp bij stalen vaartuigen. 2> volgens sommigen: de bovenste gang tussen kim en berghout.
~bovengangplaat:
ongebruikelijke term voor het bovenboord op eens stalen schip.
Bron: P. Versnel; Vakwoordenboek.
~bovenhoofd:
het sluishoofd aan die kant van de sluis waar het water gewoonlijk het hoogst staat.
Zie ook: sluishoofd.
~bovenkant,
bovenzijde: 1> bij sluizen: aan de zijde waar het water hoger staat.
1> algemeen gebruikte term voor de oude houten schepen, welke in Duitsland gebouwd werden. Waarschijnlijk is de term op meerdere types, waaronder het Beitelschip, van toepassing geweest, maar welke dat precies waren is mij op het ogenblik nog niet bekend.
Veel van deze schepen hadden een brede, sterk vooroverhellende boeg en aan de voorzijde slechts een geringe diepgang. Wegens gebrek aan goede laad- en losplaatsen moest het schip namelijk vaak met de kop op de rivieroever schuiven. Het werd dan via het voorschip geladen en gelost. Om toch voldoende laadvermogen te verkrijgen hadden de latere types vaak een, naar achter toe, toenemende holte. Het achterschip was vaak over de volle breedte hoog opgebouwd, zodat men daar een onderkomen voor bemanning en eventuele passagiers had.
De belangrijkste vorm van voortbeweging was voor deze schepen het stevelen. Zowel middenvoor, als stuurboord achter, was het schip uitgerust met een grote zware roerspaan om het geheel tijdens het stevelen op koers te kunnen houden. Bij gunstige wind kon er een razeil gehesen worden.
~bovenloop:
gedeelte van de rivier dat zich 'nabij' de oorsprong van de rivier bevindt. De bovenloop vaan de rivier wordt gekenmerkt door een hogere stroomsnelheid, een geringere breedte en meestal ook een minder bochtig karakter.
De bovenloop van zijrivieren hebben deze eigenschappen echter slechts in geringe mate.
2>ijsbreker of ijsbrekende sleepboot, die om het ijs te breken op het ijs schuift, waarna het ijs onder het gewicht van het vaartuig breekt.
Gerelateerde term: onderloper.
scheepstype. Aan de Keen verwante Aak (vrachtschip) van niet al te grote afmetingen. Vaartuig met ruime heves en een klaphekkenroer. Volgens de tekeningen van E. van Konijnenburg: zeilvaartuig zonder zwaarden, grotendeels open alleen voor de mast bevindt zich een klein verblijf. De voorpiek is echter weer open. Achterin bevindt zich een ruime stuurkuip. De afmetingen van het door Konijnenburg getekende vaartuig bedragen circa 15,45 bij 3,43 bij 1,42 meter.
Wat groter dan de Bovenmaasse Baggeraak was de Hedelse aak.
Gerelateerde term: baggeraak.
~bovenmaats:
met minstens één afmeting groter dan de maximaal toegstane scheepafmetingen.
BOVENMAATS BORD
: zwart bord met wit andreas kruis dat men op het voorschip diende te voeren wanneer men op de vaarweg Amsterdam-Wijk bij Duurstede-Gorkum met een bovenmaats schip voer.
Met het ingebruik nemen van het Amsterdam-Rijnkanaal in 1952 verdween dit bord. De maximale afmetingen waren 85 meter lengte en een breedte van 11,5 meter bij 2,15 meter diepgang of een breedte van 10,2 meter bij een diepgang van 2,6 meter.
~bovenreep,
bovenpees:
bovenste, vaak van drijvers voorziene, lijn door of langs de bovenkant van een visnet. Het verschil met de bovensim is me niet geheel duidelijk.
Gerelateerde termen:
loodpees,
steenreep,
onderreep,
kurkreep.
~bovenreling:
het bovenste horizontale deel van een reling.
~Bovenrijn,
Oberrhein:
vertaling van Oberrhein. De Rijn tussen Basel en Bingen.
Niet te verwarren met de Nederlandse Boven-Rijn.
Tegenwoordig zijn schippers geneigd om alleen het gedeelte tussen het hoger gelegen Mannheim tot aan Basel (of eigenlijk Rheinfelden, ca. 18 km. stroomopwaarts) de Bovenrijn te noemen. Vroeger was de Rijn boven Bingen echter nauwelijks bevaarbaar en lag de zaak dus anders.
Alhoewel er boven Rheinfelden nog wel scheepvaart is, geldt deze plaats momenteel als eindpunt voor de Rijnvaart. De Rijnkilometertelling begint in Konstanz
~Boven-Rijn:
officiële aardrijkskundige aanduiding voor het stuk Rijn tussen de Nederlands-Duitse grens (Spijk) en de Pannerdensekop (de splitsing met de Waal). In dit gedeelte van de Rijn bevindt zich het Bijlandsch Kanaal.
Niet te verwarren met de Duitse Bovenrijn.
~bovenrivier: 1> het gedeelte van een rivier waarop de invloeden van eb en vloed niet meer merkbaar zijn. Het gedeelte waar deze invloed wel merkbaar is noemt men de benedenrivier.
2> niet vast omschreven term: Voor sommige schippers dat gedeelte van de rivier wat duidelijk het karakter van een rivier, flinke stroomsnelheden en de ene na de andere bocht, toont.
~bovensalon:
voor passagiers bestemde ruimte welke zich boven een andere salon, bijv de deksalon, bevindt.
Gerelateerde termen zie: passagiersaccomodatie.
~bovenschoor: knie aan de bovenzijde van een rust.
~bovenschutten:
minder gebruikelijke term voor opschutten.
~bovensim:
lijn welke ter extra versteviging langs de bovenrand van het visnet gezet is. Indien de bovenkant van het net voorzien is van kurken/drijvers dan ook kurksim genoemd. Het verschip met de bovenreep is me niet geheel duidelijk.
Zie ook ondersim.
~bovenslagdorpel,
bovenslagdrempel: slagdrempel aan de kant van de sluis waar het water het hoogst staat.
~bovensleep: 1> In de Rijnvaart: een sleep die naar boven, dus naar Duitsland, vaart. 2> Soms ook gebruikt voor een sleep, die van de Bovenrijn komt, af naar de Bovenrijn gaat.
~bovenstrijker: 1>mast, waarvan het ondereind niet door het dek heen steekt. [A>]
Het draaipunt van de mast, de mastbout ligt meestal een flink eind boven het dek. De meeste grotere vrachtschepen hebben een bovenstrijker, kleine lage scheepjes, zoals bijv. het skûtsje een onderstrijker.
De meeste zeilende schepen hebben de strijktalie bovendeks. Voor zover ik weet zijn er wel enige houten vrachtschepen met een strijktalie onderdeks geweest, maar deze types zijn reeds lang uitgestorven. Een onderdekse strijktalie vindt men op sommige schepen met een laadtuig of zelflosser.
~bovenstroom:
de stroming in de bovenste waterlaag.
~bovenstrooms:
tegen de richting van de stroom in zijnd.
Zie uitleg bij stroomopwaarts.
~bovental, bovenlast:
het aantal, boven de in de vervoersovereenkomst opgegeven, goederen. (Weinig gehoorde term. Schijnt in de turfvaart gebruikt te zijn.)
mogelijk een bepaald type zeilend vrachtschip, maar zeker is dit niet.
Tot op heden zijn mij slechts twee vermeldingen en afbeeldingen bekend. Beide afbeeldingen tonen forse tjalkachtige schepen met twee masten. Het schip dat door Groenewegen afgebeeld wordt heeft een paviljoen en roef. De afbeelding van Le Comte lijkt een zwaarder gebouwd schip met roef en statie te tonen. Hij noemt het tevens een Gaffelaar.
De schepen zouden 60 tot 100 ton groot moeten zijn. Vooralsnog houd ik het er op dat de term Brabants beurtschip op het gebruik en niet op een bepaald scheepstype slaat. Het is dus een beurtschip van een scheepstype wat tussen Antwerpen en Rotterdam gebruikelijk was.
De Brabander heeft volgens G.J. Schutten slechts twee gangen voor kim en zij. Het brede berghout kan men eventueel als derde gang zien. Het schuitje maakt daardoor een nogal hoekige indruk. De veronderstelling dat dit type slechts een variant zou zijn van de veel vloeiender gebouwde Mariekerkse jol zoals Haalmeijer en Vuik ons willen doen geloven lijkt niet steekhoudend. Zowel Schutten als Seghers en De Bock reppen niet over de aanwezigheid van een tuigage. De laatsten hebben het nog wel over de Vlaanderse boot welke zich van de Brabander zou onderscheiden door een plat vlak.
Met een 'Belgische boot' kan ook een Schelde jol bedoeld worden.
~Brabantse Pleit:
scheepstype waarvan weinig betrouwbare gegevens bekend zijn. Sopers stelt: "..... De Brabantse pleit is dan mogelijk een voorloper van de latere (negentiende eeuwsche) 's-Gravenmoerse aak. ... ".
GJ Schutten (blz.367) schrijft echter dat het Hengstachtige typen van circa 18 x 3,2 meter waren, welke tot in de 18de eeuw, voor het vervoer van turf gebruikt werden.
scheepstype, vrachtschip. Tjalkachtig schip dat tot de Schuiten gerekend wordt. Stevig gebouwde platbodem met een breed vlak en tamelijk krappe boegen. De licht gekromde voorstevenbalk eindigt in een sterk naar binnen wijzende punt. Tot ca. 25 meter lang en 180 ton groot. De Brabantse schuit had volgens Petrejus een statie en een paviljoen, maar nooit een roef. Ze worden daarom ook Statie-paviljoenschuit genoemd. Het waren éénmasters met een gaffeltuig en werden daarom ook Gaffelschuit genoemd.
Volgens Seghers en De Bock had het schip een strijkbare mast, maar E. v. Konijnenburg tekent een schuit met een vaste mast. Haalmeijer en Vuik verwijzen meer naar een verwantschap met de Zuid-Hollandse schuiten. Zij tonen een model uit het Antwerps museum dat geen paviljoen, maar wel een statie en roef heeft. Al met al kan men weer eens stellen dat de verschillende 'schepenkenners' het weer niet volledig met elkaar eens zijn en kan men dus niet op een correcte benaming en beschrijving van de types vertrouwen.
~Brabantse Turfpont:
oud, houten scheepstype, verder geen gegevens bekend.
~braberschuit:
onbekend 18de eeuws scheepstype. Vermoedelijk een boerenschuit naar Brabants model. Circa 15 ton groot.
Het bestaan van dit type wordt gebaseerd op enkele vermeldingen in plaatselijke archiefstukken. Zie Haalmeijer en Vuik.
~bramzeil:
niet bekend wat men hier in de BINNENvaart onderverstaat.
~brandblusboot:
lekenterm voor een vaartuig dat uitgerust is met een blusinstallatie, meestal blusvaartuig genoemd.
~brandblusvaartuig:
vaartuig dat uitgerust is met een blusinstallatie, meestal blusvaartuig genoemd.
~brandbout:
combinatie van een stuk ketting en een zware stalen staaf, welke gebruikt wordt om hefbomen bij het krombranden aan hout te zetten.
Gerelateerde termen:
brandezel,
wolhaak,
schelhaak.
houten vaartuig dat bij oorlogsvoering gebruikt wordt om vijandelijke schepen en versperringen in brand te steken.
Alhoewel branders bekender zijn van de zee-oorlogsvoering zijn ze ook op het binnenwater gebruikt. Beroemd is de inzet van branders bij het beleg van Antwerpen in 1585. Deze branders hadden door de aanwezigheid van een grote hoeveelheid kruit in combinatie met grote stukken steen en schroot een verwoestende kracht. Het rechter vaartuig in de afbeelding maakt gebruik van een waterzeil/stroomzeil.
~brandezel:
stalen raamwerk dat gebruikt wordt om bij het boegbranden hefbomen aan de krom te branden gang te kunnen zetten.
Gerelateerde termen:
brandbout,
wolhaak,
schelhaak.
~brandijzer: 1> gloeiend heet gestookte stalen staaf, waarmee gaten in hout gemaakt worden.
2> krom gebogen stuk staal, dat als mal voor het boegbranden dient. Een brandroe.
~brandpan:
stalen pan aan een lange steel. In de pan is een rooster bevestigd, waarop men, tijdens het boegbranden, een houtvuur laat smeulen.
~brandroe,
brandroede,
brandijzer:
gebogen metalen staaf welke als mal voor de krom te brandengang fungeert.
~brandschraag,
brandijzer:
metalen schraag waarmee de, te buigen, gang , tijdens het boegbranden gesteund wordt.
~Brandschuit: 1> scheepstype behorend tot de turfpramen.
Gestrekt, laag, vaartuig met platte bodem, hoekige kim, rechte naar buiten vallende zijdes, bijna ronde voor- en achterkant en gekromde steven.
Te onderscheiden in de Hoogeveense of Kleine brandschuit; ca. 10 ton groot, 11 m lang en 2,6 m breed, en de Meppeler of Grote brandschuit; ca. 20 ton, ongeveer 13 m lang en 3,1 m breed. De holte van deze schepen was ca. 72cm. Tussenliggende afmetingen en iets afwijkende modellen kwamen echter ook voor.
Met wat goede wil kan men een brandschuit zien als een wat eenvoudigder versie van de marktpraam zonder settelboorden.
Het vurenhouten vlak eindigde zowel aan de voor als achterzijde zowat rond, maar toch met een duidelijke puntige knik in het midden. Het was aan de achterzijde weinig, aan de voorzijde zo mogelijk nog minder smal, dan op het breedste punt. De bovenomtrek van het vaartuig had min of meer dezelfde vorm alleen waren voor en achterzijde nog ronder maar toch nog met een duidelijke knik. Voor en achtersteven stonden zowat vertikaal en waren licht gekromd. De voorstevenbalk volgde het model van de voorsteven, de achterstevenbalk was aan de achterzijde recht en stond nagenoeg vertikaal. De zijdes vielen minder dan 30 graden naar buiten, daarboven kwam een ca. 22 cm breed berghout. Over een groot deel van het schip lag het berghout recht. Het boog op minder dan twee meter van de stevens omhoog naar de punt van de stevens, die ca. 50 cm hoger waren dan de zijde. De vaartuigen hadden geen boeisel.
De schepen hadden een buikdenning maar het ruim was niet bewegerd. Wanneer ze graan moesten laden, werd het ruim gegarneerd. Ze hadden geen gangboorden, alleen een klein voor- en achterdek. Over de lading werden langsscheepse planken gelegd, zodat men toch naar voor kon lopen of kon bomen.
De Grote praam had onder het voordek een klein vooronder. De pramen werden gejaagd en hoofdzakelijk voor het vervoer van turf gebruikt. Ze voeren van de veenderijen naar de marktplaatsen Zwartsluis, Zwolle en somtijds Kampen.
Bronnen: G.J. Schutten 'Verdwenen schepen', Encyclopedie van Drenthe, e.a.
2> door Sopers als zelden gebruikt synoniem voor de gedekte Zomp vermeldt.
~brandstofbunker:
opslagruimte voor een willekeurige brandstof, maar vaak bedoelt men er een kolenbunker mee.
Vroeger gebruikte men bij vloeibare brandstoffen soms wel de term oliebunker.
~brandstofkolf:
naam voor de brandstofvoorraadkamer bij Kromhout brandstofvergassers.
~brandstofschip:
belachelijk synoniem voor tanker.
Voor het eerst online gevonden bij RTV Utrecht op 8 september 2011.
~brandstoftoeslag:
vergoeding die men voor de te varen afstand krijgt, wanneer men in daghuur vaart.
Gerelaterde term: gasolietoeslag.
~brandstofvergasser,
haard:
onderdeel van een gasgenerator. Gesloten constructie waarin vaste brandstoffen, met behulp van deze brandstoffen, dusdanig verwarmd worden dat hiervan een groot gedeelte vergast.
~brandvlag:
licht blauwe vlag, met daarin, in wit, de hoofdletter F. Deze vlag moest vroeger door tankschepen gevoerd worden.
Tankschepen hadden bovendien de verplichting om langs de bovenrand van het vaartuig rondom een blauwe band geschilderd te hebben.
1> willekeurig vaartuig in dienst bij de brandweer. [A>]
Gerelateerde term: hulpvaartuig.
In veel, maar niet alle, gevallen handelt het zich niet om een een open vaartuig, een boot, maar om een gedekt vaartuig, een schip! [uitleg] Brandweervaartuig is dus in de meeste gevallen een correctere term.
~bras: 1a> naar achter gericht touw aan de nok van een ra.
In sommige beschrijvingen noemt men ook een naar voor gericht touw een bras.
b> aan de zijkant van een rechthoekig zeil bevestigde lijn waarmee men de stand van het kan beïnvloeden.
Gerelateerde term: breefok,
buitenbras,
binnenbras,
razeil.
4> door enkelen gebruikte term voor de aap.
Helaas dachten sommige schrijvers dat de aap ook bezaan genoemd werd en zo komt men dan ook bras als synoniem voor bezaan tegen.
1a> bij de oude, in hout gebouwde scheepstypes van voor ca. 1900: een fors razeil aan de voorste mast op een schip dat een gaffel- of sprietzeil voert. De breefok wordt in plaats van een normale fok gevoerd. Tussen de breefok en het schoverzeil schijnt een verschil te bestaan. Het is me echter nog niet duidelijk wat dit verschil precies is.
Gerelateerde termen:
binnenbras,
bovenstok,
buitenbras,
onderstok,
razeil.
bij ondermeer de Botter: een hoog smal rechthoekig zeil, aan de bovenzijde voorzien van een kleine ra, welke niet met de mast verbonden is, welk zeil, bij gunstige wind, naast de fok gevoerd wordt.
~breekcontract:
overeenkomst tussen de waterwegbeheerder en de eigenaar van een ijsbreker of ijsbrekende sleepboot over het verrichten van breekwerk indien zulks noodzakelijk mocht blijken te zijn.
~breekwater:
oude, waarschijnlijk 17de eeuwse term, voor golfbreker(2) en voor een strekdam, later ook van toepassing op golfbreker(1).
palmhouten hamer met ronde, dubbelzijdig, tapse kop [A>], soms echter ook een vrij forse houten hamer met rechthoekige kop.
In de kop van de palmhoutenhamer, zo vertelt men, werden vaak, ter bevordering van de klank, drie stukjes hertshoorn ingeslagen. Aan de klank van de hamer kon men namelijk horen of het werk vast genoeg geslagen was.
stalen beitel met stompe, brede snede. De snede van de beitel was ca. 6 cm breed en licht afgerond, zodat het werk niet stuk gehakt werd. Voor het smalle werk gebruikte men een stompe snede, deze noemt men soms ook katoenijzer. Voor het normale werk gebruikte men een beitel met één rabat, door sommigen enkelrabatijzer genoemd. Voor het brede werk gebruikte men een (gewoon) rabatijzer met een dubbele rabat. [A>.C]
Gerelateerde term: voetijzer.
~breeuwmes,
kalfaatmes,
kalefaatmes:
mes dat bij voor het snijden en stoppen van het werk gebruikt wordt.
~breeuwnaad,
kalfaatnaad,
kalefaatnaad:
kier tussen twee houten delen, die gebreeuwd is. [A>]
~breeuwsel: 1> veenmos, waarmee men breeuwnaden vult.
2> willekeurig materiaal waarmee men breeuwnaden vult. Zie werk.
~breeuwstoel,
kalfaatbank,
kalefaatbank
:
eenvoudig bankje, waarvan alle drie de maten als de hoogte benut kunnen worden.