Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~B.I.C.S.,
Binnenvaart Informatie en Communicatie Systeem:
Oorspronkelijk (1996) een, bij de Dienst Zeeland van Rijkswaterstaat
ontwikkeld, elektronisch systeem om per PC en GSM-telefoon vanaf zowel
het schip als de wal
gegevens over ladingen en
reizen
van
schepen door te geven aan de diverse vaarwegbeheerders
en havenautoriteiten.
Inmiddels is het BICS uitgegroeid tot een veel breder pakket van
nautische software voor diverse soorten gegevensuitwisseling in de
binnenvaart en het short-sea verkeer. [E>]
scheepstype uit de familie
der
aken(1). Gezien het zeer geringe
aantal goede
beschrijvingen dat ik van dit type gevonden heb, is het moeilijk een
volledige beschrijving te geven. Op basis van de afbeeldingen van de
'Nooit Volmaakt' [A>] kan men zeggen, dat
behalve de algemene kenmerken van een aak, het scheepje ons het
volgende laat zien:
Tegen de vrij brede heve is een voorstevenbalk geplaatst.
De stevenbalk is vrij breed in verhouding tot z'n 'lengte' en eindigt
iets vooroverhellend, dus uitstekend.
De berghouten eindigen op het
voorschip bij de heve op het achterschip bij de achterstevenbalk.
Het scheepje heeft een duidelijke zeeg,
waarvan het laagste punt ver naar achter ligt.
Het scheepje heeft vrij slanke binnenzwaarden.
Het boeisel is van normale
breedte, maar
versmalt op het achterschip
vrij
sterk.
De achterstevenbalk helt vrij sterk achterover.
De ronding van het achterschip eindigt voordat deze vertikaal staat.
Het roer heeft meer het model dat
men op de
zuidelijke vissersschepen
ziet, dan
het gebruikelijke roer van vrachtschepen.
Het waren grotendeels open zeilschepen.
De maat liep uiteen van zo'n meter of 11 tot 20. De kleine
schepen
hadden alleen een vooronder,
de
groten
hadden ook een paviljoen.
Naar
men
zegt, zijn ze vrij licht gebouwd en relatief breed. Ze werden voor alle
in en rond de Biesbosch voorkomende werkzaamheden gebruikt, het geen
inhoudt dat ze vooral in de zand-, riet- en griendhouthandel actief
waren.
Deze aken worden soms ook rietaak
en Zuiderwalse
aak
genoemd.
~Biesboschbak: duwbak zoals de duwbakken die
door
de scheepswerf Biesbosch te
Dordrecht
gebouwd werden.
Voornamelijk alleen gebruikt voor de vroegste exemplaren. Ca.
70 x 9,5 x 3,1 m en 1600 ton groot.
~Bieze vlet:
Type vlet gebouwd door de Firma Bieze, Zwartsluis. Vrij normaal model vlet met opstaand randje langs de hoek van de luchtkisten en opstaande 'knieën' in de hoeken daarvan. In deze hoeken zaten dan spuigaatjes en de bedoeling van het geheel was, dat het water van de dekjes niet in de boot, maar overboord liep. De opstaande rand was echter wel iets waar men zich lelijk zeer aan kon doen.
~bietencampagne:
periode van september tot ongeveer het eind van het jaar, waarin suikerbieten vervoerd worden.
Gerelateerde termen: bietenvaarder, kiepsteiger, steigerwacht, laadnet.
~bietenvaarder: 1> schip dat aan de bietencampagne deel neemt.
~bijbrassen:
de brassen zo
zetten dat de wind weer optimaal in de zeilen
valt. (Afkomstig van het gebruik van dwarsscheepse
zeilen.)
~bijdraaien: 1>
de koers veranderen, met
de
bedoeling een ander, varend, schip te kunnen praaien,
dan wel daarbij langszij
te komen. 2>
de koers
veranderen met het doel een ander schip te ontwijken, dus een
mogelijke aanvaring
te voorkomen. 3>
bij een motorvaartuig,
waarvan één tros op de wal
vastgezet is: het schip,
door schroefwerking,
tegen de wal brengen. 4> het schip in de
positie manoeuvreren
waarin men kan gaan bijliggen. 5>
een enkele maal gebruikt voor:
een koers uitstippelen
of een bepaalde
koers varen.
~Bijlander,
Bylander,
Belandre,
Billander,
Binlander: scheepstype uit de groep der Walen.
Volgens Seghers en de Bock sterk gelijkend op wat zij de 'Bak' noemen. De schepen hebben dus een rechthoekig model, met scherpe kimmen. Ze zijn echter kleiner dan de Waal(bak), maar wel zwaarder gebouwd. De stuiten lagen meer in elkaars verlengde en de kop helde een weinig voorover. Ze hadden geen roef.
De lengte bedroegen 28 tot 34 meter, de breedte 4,6 tot 5 meter, de holte ca. 2 meter en het laadvermogen lag tussen de 160 en 280 ton. Naar het schijnt hadden de oude bijlanders zwaarden.
De naam bijlander komt van Billander, dat waarschijnlijk een verbastering van resp. Binlander, Binnenlander, Binnenlandvaarder is. Bélandre is de Franse, Bylander de Engelse term. Binlanders worden al in 1500 genoemd, maar het is waarschijnlijk dat de schepen in de loop der eeuwen de nodige veranderingen hebben ondergaan.
Enige verbinding met de term Balant, zoals Sopers veronderstelt, heb ik niet kunnen vinden.
Naar het schijnt wordt de term 'Bélandre' door de Fransen thans gebruikt voor wat men hier een Doornikker noemt. 'Peniche de Tournay' (=Doornikker), hoe Frans het ook mag lijken, is bij de Franstalige 'Binnenvaarttaal' niet bekend.
~Bijlandsch kanaal:
tussen 1773 en 1776 gegraven waterweg, tussen de Rijn ten zuiden van Lobith en Millingen. Onderdeel van de Boven-Rijn.
De Rijn splitste zich toendertijd nabij Lobith in Waal en in wat thans de Oude Rijn (Gld) heet. Beide rivieren maakten bij Lobith een grote bocht naar het noorden. Het Bijlandsch kanaal vormde een grote bochtafsnijding van de Waal, die zowel in strategisch, economisch als waterhuishoudkundig opzicht gunstig was.
~bijlbrief:
door de werf afgegeven
document, dat een soort geboortebewijs van het schip
is. Voorloper van de meetbrief.
~bijliggen, bijleggen:
in
stormweer, een schip dat
onder zeil
is, zonder dat er nauwelijks enige voortgang
gemaakt wordt, zoveel mogelijk met de kop
op
de wind houden.
~bijligger, bijlegger: 1>
een schip, dat bij een ander schip in de buurt voor anker ligt of dat langszij van een ander
schip gemeerd is. 2>
een schip dat in dezelfde richting vaart. Het tegengestelde van tegenligger.
Gerelateerde term: oploper.
BIJLIGGERTJE
:
vrouwlijke logée bij een alleenstaande schipper.
~bijloper:
scheldnaam van de vissers uit Willemstad voor die uit Moerdijk.
~bijmaken:
ongebruikelijke term voor bijzetten(1).
~bijroef:
bij schepen met een salonroef:
extra
roef, die tussen de stuurhut
en
de luikenkap geplaaatst is.
Vaak gebruikt
voor bewoning maar soms als wasmachinehok, fietsenberging, enz.
ingebruik.
Door mij verzonnen term, nadat
herhaalde pogingen om een eventueel bestaande naam te achterhalen op
niets uitgelopen waren.
lading, die anders na het lossen zou blijven liggen, bijeen scheppen zodat de losinstallatie ze kan verwerken.
Het bijscheppen en vegen is noodzakelijk bij ladingen die met een zuigbuis, grijper of losbak gelost worden. Het bijvegen en scheppen gebeurt tegenwoordig met bobcats en ruimborstels.
~bijschepper:
degene die in het ruim de lading bijschept.
~bijtrekken:
een schip met
spierkracht, meestal met
behulp van de pikhaak
of een tros, of met behulp van
een
lier,
tegen de wal,
een
ander schip, o.i.d. aantrekken.
~bijvegen:
het verwijderen van ladingresten (ruimveegsel).
Na het lossen blijft er vaak nog wat van de lading achter. In bijna alle gevallen zal dit restant verwijderd moeten worden, want bijna altijd werd er een schoon en droog ruim vereist. Nu was men daar vroeger niet zo precies in als men tegenwoordig vaak is, maar toch de ruimen moesten toch bijgeveegd zijn. In sommige gevallen kon men een beroep doen op een schoonmaakschip, maar in de meeste gevallen moest men toch zelf aan de slag. Wanneer ruimen erg vuil geworden waren ontkwam men er soms zelfs niet aan dat men de ruimen moest uitwassen (lees ook daar), daarna zat men echter wel met een nat ruim en kon men soms dagen en dagen lang geen nieuwe lading aannemen, tenzij een dergelijke lading niet vocht gevoelig was. Zo'n wachttijd werd dan meestal aangegrepen om meteen maar de binnenzijde van het vlak, dus onder de buikdenning, eens schoon te maken, want ook dat moest op gezette tijden gebeuren. Naar het schijnt dekte men een vule buikdenning ook wel eens af met een laag stro.
~bijverdienstenvisser:
iemand die door middel van de visvangst voor een deel in de kosten van zijn bestaan voorziet.
De bijverdienstenvisser bedreef voor namelijk de dobbervisserij en gebruikte slechts een zeer gering aantal fuiken.
~bijverdienstenvisserij:
beroepsmatige visserij, welke slechts tendele in het levensonderhoud van de visser en zijn familie kan voorzien.
~bijzeil, mooiweerzeil: zeil
dat alleen in bepaalde situaties,
bijvoorbeeld bij weinig wind, gevoerd wordt.
~bikhamer, roesthamer:
hamer
waarmee men roest en verflagen van het staal bikt.
~bikken,
afbikken:
met een stuk gereedschap roest of oude verflagen van het staal afslaan.
Het meest gebruikte stuk gereedschap hiervoor is de bikhamer, in diverse soorten en maten. Voor het lastige werk in hoeken en gaten gebruikt men ondermeer oude verfkrabbers, beitels e.d.
~bil: 1>
ruimte achter de wegering. 2>
laaggelegen land, dat 'swinters meestal onderloopt. 3> naad, vouw.
OP DE BIL VOUWEN
: het om en om vouwen (dus zig-zag) van
doek, zeilen en dekzeilen. 4> kont, achterschip.
OP DE BIL slepen
: de sleep kort achter de sleepboot hebben hangen. Zie ook billen.
~bilge, biels,
hoos, lensput:
moderne term voor de plaats onder in
het schip (in het
bijzonder in de machinekamer)
waar zich het slop
verzameld.
~bilgekaart:
een opwaardeer-chipkaart, waarmee men de eigenbijdrage, in het kader
van het scheepsafvalstoffen verdrag (S.A.V.),
voor de verwijdering van oliehoudend afval kan voldoen. [E>]
Per 1 mei 2007 wordt de kaart vervangen door de ecokaart.
~bindrif, bindreef:
watersportterm voor een rif
dat met seizings
geknoopt moet worden (wat in de binnenvaart
de gebruikelijke methode
is).
~bindsel: 1> Veelvuldig gebruikt als synoniem voor sjorring (2).
een combinatie van een aantal dicht
naast elkaar liggende rondtornen
(windingen) met dun touw en een paar eenvoudige steken
en/of beknijpingen, waarmee twee of meer voorwerpen met elkaar verbonden worden.
~bindselen,
verbinden:
een bindsel
aanbrengen. Zie ook: bendelen.
~bindsellijn:
lijn waarmee men bindselt of bezet. Hiervoor werden onder meer gebruikt: a> 3 strengs Z-slag henneptouw meestal met een dikte van minder dan 4 mm. b> kort geslagen, S-slag, geteerd hennep, manilla en ook sisaltouw met een dikte van 3 mm en meer. c> geteerd 2 of 3 draads garen van hennep, manilla of sisal met een dikte van 3 mm of meer.
Gerelateerde term: bindseldraad.
~Binger Loch:
rug van hard gesteente in de Rijn bij kilometerraai 530.8, welke eeuwen lang een grote hindernis voor de scheepvaart vormde.
Ondanks dat er reeds in de Romeinse tijd pogingen gedaan werden een doorvaartopening in deze barriere te maken, moest men tot in de zeventiende eeuw alle ladingen, die het Loch moesten passeren, over land, vanuit de schepen aan de ene zijde, in de schepen aan de andere zijde brengen.
In de zeventiende eeuw gelukte het een vier meter brede doorvaartopening in de rotsen te hakken. Veel verbetering bracht dit niet, daar de stroomsnelheden in deze opening vaak zo groot waren, dat het onmogelijk was schepen veilig door deze engte te krijgen. Tussen 1830 en 1841 slaagde men er in, om met behulp van springladingen, het gat tot 14 meter te verbreden.
Tussen 1860 en 1867 werd een tweede doorvaart gemaakt. Dit 'Nieuwe Vaarwater' werd door een kilometer lange strekdam van het eigenlijke Loch gescheiden en was in eerste instantie 90 meter breed. Tussen 1893 en 1894 werd het Loch opnieuw verbreed. Ditmaal tot 30 meter. Niet alleen de schepen, ook de rivier had nu veel meer ruimte gekregen, wat een geringere waterdiepte tot gevolg had. Tussen 1925 en 1932 werden er daarom in het Nieuwe Vaarwater een zevental kribben gebouwd. De breedte van het vaarwater werd daardoor tot 60 meter gereduceerd.
Tussen 1966 en 1974 werd de opening in het Loch opnieuw verbreed, dit maal tot 120 meter. Tevens werd het Nieuwe Vaarwater gesloten.
Tot deze laatste verbreding was het Binger Loch een soms levensgevaarlijke hindernis. Menig schip heeft er schipbreuk geleden.
~binnen: 1> op het water binnen de kustlijn.
DE VAART BINNEN DE DUINEN
:
oude term voor de binnenvaart. De kust- en zeevaart noemde men de vaart buiten de duinen.
2> op kleiner water. (Meestal op rivieren, meren, kanalen, vaarten en plassen. (Dus niet op de IJsselmeer, Waddenzee, Zeeuwse stromen e.d.)
De eerste blokken met metaalbeslag waren (bijna) allemaal blokken met buitenbeslag, pas later ging men er toe over blokken met binnenbeslag te gebruiken. Blokken met buitenbeslag werden meestal uit één stuk gemaakt. Het beslag werd er omheen gekrompen.
Bij blokken met binnenbeslag heeft men eigenlijk een metalen blok, waarbij het hout als geleiding en bescherming dient. Blokken met binnenbeslag veroorzaken minder schade als ze ergens tegenaan slaan. Ze zijn lichter en vergen minder onderhoud.
~binnenboord: 1>wegering. 2>draam:
langsscheepse
balk, balkweger,
tegen de binnenkant
van de scheepshuid bovenop
de uiteinden
van de spanten, bij
houten schepen. 3>
binnen het boord(3);
binnen de omtrekken van het schip. 4> de zijde van het
schip, die het dichtst bij de wal is.
~binnenboordmotor:
motor voor de voortstuwing,
die
ìn het schip
geplaatst is.
Watersportterm,
die
ingevoerd is om onderscheid tussen de binnenboord- en de buitenboordmotor te
kunnen maken.
~binnenboot:
Ook al noemt men het een boot,
het zal in bijna alle gevallen een schip of een scheepje zijn [uitleg]. Vermoedelijk is het een
verkorting van binnenstoomboot
De wetgever gaat er van uit dat elk schip dat buitenvaart bedrijft een zeeschip, een schip met een geldige zeebrief, is. Vroeger kon door het ontbreken van wetgeving op dit gebied en later door onvolkomenheden in de wet, men echter ook met schepen die voor de binnenvaart bedoeld waren en geen zeebrief bezaten, buitenvaart te bedrijven. In de binnenvaart worden ook deze schepen binnen-buitenvaarders genoemd.
Tot in de 19de eeuw was er geen duidelijk onderscheid tussen binnen- en buitenvaart. Als de omstandigheden gunstig waren voeren binnenschepen ook buiten de kustlijn, daarbij konden aanzienlijke afstanden afgelegd worden. Nadat er eind 19de eeuw een duidelijker onderscheid tussen zeeschepen/kustvaarders en binnenvaarders komt, ontstaan er verschillende tussenvormen. Zee- en kustvaartuigen, die ook (beperkte) binnenvaart bedrijven en binnenvaartschepen, die ook (beperkte) kust- of zeevaart bedrijven. Voor deze laatste groep geldt: het aanzien van deze schepen verschilt niet veel van een flink binnenschip.
Voor de binnen-buitenvaart zijn diverse andere termen in gebruik geweest. De oudste is ommelandvaart en had voornamelijk betrekking op de scheepvaart tussen de Hanzesteden. De term ommelandvaart komt na het gereed komen van het Noord-Oostzeekanal (1895) opnieuw in zwang om daarmee onderscheid te maken tussen de vaart buitenom Denemarken heen en de vaart door het Noord-Oostzeekanaal naar de Deense oostkust, de beltvaart, de Zweedse zuidkust, de sontvaart en naar de kusten van de Oostzeelanden.
In de jaren zeventig ontstaan er opnieuw een vormen van binnen-buitenvaart de Hamburgvaart, tussen Nederland tot aan Hamburg, en de Estuarievaart, tussen Nederland en Zeebrugge, België.
~binnendienst:
ten tijde van de beurtvaart,
in de
gebieden die grenzen aan groot water,
gebruikt voor die
diensten, die niet over groot water voeren. Zie ook: binnenboot en buitendienst.
~binnendoor:
BINNENDOOR GAAN
: 1> voor de vaarroute,
waarbij groot open water
vermeden
wordt, kiezen. 2> de vaarroute over het
kleinste nog
bevaarbare water
kiezen.
~binnendrijven, indrijven:
(bijna) zonder gebruikmaking van de voortstuwing
ergens invaren.
~binnengaats:
binnen de kustlijn van
een land. Weinig
gebruikte term.
~binnenpleit:
term
gebruikt om onderscheid te maken tussen zeegaandePleiten
en Pleiten voor het binnenwater.
~binnenschaal:
deel van een open,
kunststoffen, vaartuig,
dat de
'inrichting' en de dekken
vormt.
~Binnenschepenwet:
Officieel Wet van 30 september 1981, houdende bepalingen ter bevordering van de veiligheid van de vaart
van schepen op binnenwateren en van goede arbeidsomstandigheden aan
boord van die schepen, geheten. Raamwet met daarin diverse bepalingen ten aanzien van bouw, uitrusting en bemanning van het schip.
[E>wettekst,
pdf-document]
~binnenschip: 1> verkorting van binnenvaartschip. 2> term die wel gebruikt wordt om onderscheid te maken tussen de vrachtschepen (van het plaatselijk gangbare type), die het kleine binnenwater bevaren en de schepen die ook de Zuiderzee, de Zeeuwse stromen, Waddenzee e.d. bevoeren.
Zo spreekt W. J. van Dijk in "De schoonheid onzer binnenschepen" niet van een skûtsje, maar van een Fries binnenscheepje.
~binnenschipper: schipper op een binnenvaartschip.
De term wordt
hoofdzakelijk gebruikt wanneer men onderscheid tussen binnen- en buitenschippers wenst
te
maken.
~binnenschipperij:
alle particuliere schippers te zamen.
Dit is dus een verzameling éénmansbedrijfjes. De overige schippers zijn arbeiders in loondienst.
~binnenvaart: 1> volgens de woordenboeken: al de scheepvaart op het binnenwater. 2> in het algemeen: alles wat met de vrachtvaart op de
binnenwateren te maken
heeft.
DIPLOMA ONDERNEMER IN DE BINNENVAART
:
niet bekend.
ONDERNEMER IN DE BINNENVAART
: de eigenaar van een bedrijfsvaartuig of van
een aan de
binnenvaart gerelateerd bedrijf.
~binnenvaartaangelgenheid:
een zaak de binnenvaart betreffende.
~binnenvaartboek:
boek dat de binnenvaart als hoofdonderwerp heeft.
~binnenvaartboekenschrijver:
auteur, die boeken over de binnenvaart publiceert.
~binnenvaartconflict:
een meningsverschil waarbij de binnenvaart betrokken is.
~binnenvaartkaart: 1> waterkaart voor de beroepsvaart. 2> prentbriefkaart met een aan de binnenvaart gerelateerd tafreel.
~binnenvaartkotter:
weinig gebruikte benaming voor wat men meestal een motorkotter noemt. De term
wordt
bijna
uitsluitend gebruikt wanneer men onderscheid tussen de zeegaande en de niet zeegaande
kotter wenst
te maken. Er zijn echter weinig motorkotters, die niet, in zekere mate,
zeegaand zijn.
~Binnenvaartkrant:
gratis veertiendaags nieuws- en informatieblad voor de binnenvaart. [E>site, de krant]
~binnenvaartkunde:
studierichting de binnenvaart betreffende.
~binnenvaartondernemer:
lelijk woord voor: ondernemer in de binnenvaart.
~binnenvaartplaats:
voor de binnenvaart
belangrijke
(haven)plaats.
~Binnevaartpolitiereglement,
Binnenvaart Politie Reglement,
B.P.R.:
sinds 1984, op de meeste waterwegen,
m.u.v. de rivieren, geldend vaarreglement.
[E>]
~binnenvaartreder:
eigenaar of hoofdverantwoordelijke van een binnevaartrederij.
:
vroeger: min of
meer
de voorloper van de coaster. Vrachtschip
met beperkte zeewaardigheid,
geschikt voor de kustvaart en de vaart op de
Oostzee. 2> binnenlander:
in het algemeen: een,
voor het
binnenwater gebouwd, vrachtschip.
(verouderde term.)
~binnenvaarttaal: 1> naam van het encyclopedisch gedeelte van de website van de vereniging 'De Binnenvaart'.
Eind 1997 begonnen als concept voor een woordenboekje met binnenvaarttermen. Medio 2005 online verschenen bij HetNet. Op 14 november 2006 werd het domein 'binnenvaarttaal.nl' geregistreerd. Mei 2008 volgde de opname in de websitte van de vereniging 'De Binnenvaart'.
Voor zover bekend is dit synoniem onder invloed van het bestaan van het domein 'binnenvaarttaal.nl' ontstaan. De oudste vermeldingen, die tot nu toe via internet te vinden waren stammen van april 2007.
~binnenvaartterm,
binnenvaartwoord:
woord of woorden, die in hoofdzaak alleen door hen, die bij de
binnenvaart betrokken zijn gebruikt worden, of woorden die daar hun
oorsprong gevonden hebben.
~binnenwater:
al het water binnen de kustlijn van een land. De Zuid-Hollandse- en
Zeeuwse stromen, de Waddenzee en het IJsselmeer, ook toen het nog
Zuiderzee was, behoren dus tot het binnenwater.
HET ECHTE BINNENWATER
:
al het binnenwater met uitzondering van: de Zuid-Hollandse- en
Zeeuwse stromen, de Waddenzee, het IJsselmeer (de Zuiderzee) en
vaak ook de grote rivieren.
~binnenzwaard:
vrij kort en breed zwaard.
Alleen wanneer
men expliciet
onderscheid tussen een zeezwaard
en
een binnenzwaard wenst te maken, gebruikt men deze term. In alle
andere gevallen, zegt men zwaard.
~blaastoeter,
mondblaas,
handhoorn,
handscheepshoorn,
handmisthoorn: scheepshoorn, die men zelf
moet
blazen.
~black-out,
knock-out:
Engels voor: totaal uitval. Meestal gebruikt voor het
verzaken van electrische of electronische systemen.
~blad: 1> het
bredere platte stuk aan het uiteinde van een roei-
of wrikspaan. 2>schroefblad:
deel van een schroef. 3a>
roerblad: het vlak dat aan de roerkoning
bevestigd is. 3b>hak, staart:
het bredere deel van een houten roer. 4>ankerblad: lekenterm(?) voor vloei.
~bladriem: roeispaan
waarvan de schacht rond is en de
gewenste breedte voor het blad met AANGEZETTE stukken verkregen
wordt.
~bladroer: roer gevormd door
een een roerblad met
daaraan een roerkoning.
Vroeger soms gebruikt om
onderscheid te maken tussen de gewone houten roeren en de stalen
roeren.
~blaffen:
het plat op het water slaan
van kop of kont.
(Mij
alleen
bekend uit watersportkringen.)
~blaker, walmscherm:
metalen schermpje vlak boven het lampeglas bij
olielampen.
~blakte:
windstilte.
~blankwerk:
houtwerk waarvan (het
belangrijk is dat) de
tekening zichtbaar blijft. Het wordt dus gevernisd, gebeitst, in de
was of olie gezet of in het geheel niet behandeld.
~Blazer: 1>
op een zwaar gebouwde Botter gelijkend, houten vissersschip van de Waddenzee, de Noordelijke zeegaten en de kust boven de
Waddeneilanden. [A>]
De blazers van Paessens en Moddergat bezaten vaak twee masten, een grote mast en een druil, en waren wat groter dan de
TEXELSE BLAZER
. In tegenstelling tot de botter heeft de blazer een vrij steil staande achterstevenbalk. Een ander vrij kenmerkend verschil is het boeisel op het voorschip. De botter heeft een zeer smal boeisel hetgeen het schip zo'n sierlijk uiterlijk geeft, terwijl de blazer een fors en breed boeisel heeft, waardoor het schip veel zwaarder en stoerder lijkt. Behalve de botter zouden ook de Dongeradeelse aak en de Wierumer aak hun invloed op het ontstaan van de blazer gehad hebben.
De
motorblazer
is (meestal) een verbouwde gewone blazer. In verband met het grote gewicht van de motor is het boeisel op het achterschip verhoogd.
2>
Volgens vanDale:
een kleine, licht gebouwde, Botter. Wat dus niet klopt!
~blenderschip: tankschip dat brandstof van
verschillende kwaliteiten vervoerd en bij afleveringen de verschillende
kwaliteiten mengt om op die wijze de overeengekomen kwaliteit te kunnen
leveren.
~bliekkuil: ankerkuil voor de vangst van haring en sprot (schardijn).
~blijf-weg-signaal: geluidssein
bestaande uit een,
15 minuten
durende herhaling, van één korte en
één
lange stoot.
:
een zeil, dat achter een ander zeil hangt en daardoor geen wind vangt. Niet te verwarren met een blinde! 3>
EEN BLIND SLAAN
: vooral gebruikt voor als de schroef in hoge
golfslag gedeeltelijk boven water komt en dit een verhoging van het
machinetoerental tot gevolg heeft. Zie ook lucht slaan.
~blinde: 1>bijzeil dat vlak achter één of meer andere zeilen hangt.
Alhoewel het zeil in de luwte van andere zeilen hangt, kan men, bij een goed gebruik van het zeil, toch nog voordeel halen uit de door de andere zeilen afgebogen luchtstromen. Het hangt er dus niet, zoals een blind zeil, maar nutteloos bij.