banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.



Woordenlijst Bi



~BiB: binnenboordmotor.





~B.I.C.S., Binnenvaart Informatie en Communicatie Systeem:
Oorspronkelijk (1996) een, bij de Dienst Zeeland van Rijkswaterstaat ontwikkeld, elektronisch systeem om per PC en GSM-telefoon vanaf zowel het schip als de wal gegevens over ladingen en reizen van schepen door te geven aan de diverse vaarwegbeheerders en havenautoriteiten.
Inmiddels is het BICS uitgegroeid tot een veel breder pakket van nautische software voor diverse soorten gegevensuitwisseling in de binnenvaart en het short-sea verkeer. [E>]





~biels: verbastering van bilge.





~bierkof:
(schip of) beurtschip, van het type Kof, dat bier (in vaten) vervoert.





~bierschip:
(schip of) beurtschip dat bier (in vaten) vervoert.





~bies:
in een duidelijk afwijkende kleur geschilderde smalle baan.
INGESCHAAFDE BIES
: ondiepe sponning, die in een contrasterende kleur geschilderd wordt.





~Biesboschaak:
scheepstype uit de familie der aken(1). Gezien het zeer geringe aantal goede beschrijvingen dat ik van dit type gevonden heb, is het moeilijk een volledige beschrijving te geven. Op basis van de afbeeldingen van de 'Nooit Volmaakt' [A>] kan men zeggen, dat behalve de algemene kenmerken van een aak, het scheepje ons het volgende laat zien:
Tegen de vrij brede heve is een voorstevenbalk geplaatst.
De stevenbalk is vrij breed in verhouding tot z'n 'lengte' en eindigt iets vooroverhellend, dus uitstekend.
De berghouten eindigen op het voorschip bij de heve op het achterschip bij de achterstevenbalk.
Het scheepje heeft een duidelijke zeeg, waarvan het laagste punt ver naar achter ligt.
Het scheepje heeft vrij slanke binnenzwaarden.
Het boeisel is van normale breedte, maar versmalt op het achterschip vrij sterk.
De achterstevenbalk helt vrij sterk achterover.
De ronding van het achterschip eindigt voordat deze vertikaal staat.
Het roer heeft meer het model dat men op de zuidelijke vissersschepen ziet, dan het gebruikelijke roer van vrachtschepen.

Het waren grotendeels open zeilschepen. De maat liep uiteen van zo'n meter of 11 tot 20.  De kleine schepen hadden alleen een vooronder, de groten hadden ook een paviljoen. Naar men zegt, zijn ze vrij licht gebouwd en relatief breed. Ze werden voor alle in en rond de Biesbosch voorkomende werkzaamheden gebruikt, het geen inhoudt dat ze vooral in de zand-, riet- en griendhouthandel actief waren.

Deze aken worden soms ook  rietaak en Zuiderwalse aak genoemd.






~Biesboschbak:
duwbak zoals de duwbakken die door de scheepswerf Biesbosch te Dordrecht gebouwd werden.
Voornamelijk alleen gebruikt voor de vroegste exemplaren. Ca. 70 x 9,5 x 3,1 m en 1600 ton groot.





~Bieze vlet:
Type vlet gebouwd door de Firma Bieze, Zwartsluis. Vrij normaal model vlet met opstaand randje langs de hoek van de luchtkisten en opstaande 'knieën' in de hoeken daarvan. In deze hoeken zaten dan spuigaatjes en de bedoeling van het geheel was, dat het water van de dekjes niet in de boot, maar overboord liep. De opstaande rand was echter wel iets waar men zich lelijk zeer aan kon doen.




~bietencampagne:
periode van september tot ongeveer het eind van het jaar, waarin suikerbieten vervoerd worden.
Gerelateerde termen: bietenvaarder, kiepsteiger, steigerwacht, laadnet.





~bietenvaarder:
1> schip dat aan de bietencampagne deel neemt.

2> de schipper op een hiervoor genoemd schip.




~bijboot, schippersboot, roeiboot, volgboot :
kleine meestal geroeide of gewrikte boot, die bij een groter schip hoort. [A>]
De bekendste bijboot is de schippersvlet.





~bijbootdavit:
davit bestemd voor het hijsen van de bijboot. Meestal aleen davit genoemd.





~bijbootdavitlier:
draadliertje
aan of bij de bijbootdavit, waarmee de bijboot gehesen kan worden.





~bijbrassen:
de brassen zo zetten dat de wind weer optimaal in de zeilen valt. (Afkomstig van het gebruik van dwarsscheepse zeilen.)





~bijdraaien:
1> de koers veranderen, met de bedoeling een ander, varend, schip te kunnen praaien, dan wel daarbij langszij te komen.
2> de koers veranderen met het doel een ander schip te ontwijken, dus een mogelijke aanvaring te voorkomen.
3> bij een motorvaartuig, waarvan één tros op de wal vastgezet is: het schip, door schroefwerking, tegen de wal brengen.
4> het schip in de positie manoeuvreren waarin men kan gaan bijliggen.
5> een enkele maal gebruikt voor: een koers uitstippelen of een bepaalde koers varen.





~Bijer:
17de eeuws scheepstype. @Geen gegevens bekend.





~bijhalen:
1> een schip dichter tegen een schip of de oever trekken. Zie ook bijtrekken.
2> ongebruikelijke term voor het bijzetten van zeil.





~bijhouden:
1> dicht in de buurt van, liefst op gelijke hoogte met, een ander schip blijven varen.
2> koershouden.
3>
DE ZEILEN BIJHOUDEN
: bij toenemende wind geen zeil minderen.





~bijkomen:
het bij de wal komen van een schip.





~Bijlander, Bylander, Belandre, Billander, Binlander:
scheepstype uit de groep der Walen.
Volgens Seghers en de Bock sterk gelijkend op wat zij de 'Bak' noemen. De schepen hebben dus een rechthoekig model, met scherpe kimmen. Ze zijn echter kleiner dan de Waal(bak), maar wel zwaarder gebouwd. De stuiten lagen meer in elkaars verlengde en de kop helde een weinig voorover. Ze hadden geen roef. De lengte bedroegen 28 tot 34 meter, de breedte 4,6 tot 5 meter, de holte ca. 2 meter en het laadvermogen lag tussen de 160 en 280 ton. Naar het schijnt hadden de oude bijlanders zwaarden.
De naam bijlander komt van Billander, dat waarschijnlijk een verbastering van resp. Binlander, Binnenlander, Binnenlandvaarder is. Bélandre is de Franse, Bylander de Engelse term. Binlanders worden al in 1500 genoemd, maar het is waarschijnlijk dat de schepen in de loop der eeuwen de nodige veranderingen hebben ondergaan.
Enige verbinding met de term Balant, zoals Sopers veronderstelt, heb ik niet kunnen vinden.
Naar het schijnt wordt de term 'Bélandre' door de Fransen thans gebruikt voor wat men hier een Doornikker noemt. 'Peniche de Tournay' (=Doornikker), hoe Frans het ook mag lijken, is bij de Franstalige 'Binnenvaarttaal' niet bekend.






~Bijlandsch kanaal:
tussen 1773 en 1776 gegraven waterweg, tussen de Rijn ten zuiden van Lobith en Millingen. Onderdeel van de Boven-Rijn.
De Rijn splitste zich toendertijd nabij Lobith in Waal en in wat thans de Oude Rijn (Gld) heet. Beide rivieren maakten bij Lobith een grote bocht naar het noorden. Het Bijlandsch kanaal vormde een grote bochtafsnijding van de Waal, die zowel in strategisch, economisch als waterhuishoudkundig opzicht gunstig was.






~bijlbrief:
door de werf afgegeven document, dat een soort geboortebewijs van het schip is. Voorloper van de meetbrief.





~bijleggen:
fout Nederlands voor: bijliggen.





~bijlegger:
fout Nederlands voor: bijligger.





~bijliggen, bijleggen:
in stormweer, een schip dat onder zeil is, zonder dat er nauwelijks enige voortgang gemaakt wordt, zoveel mogelijk met de kop op de wind houden.





~bijligger, bijlegger:
1> een schip, dat bij een ander schip in de buurt voor anker ligt of dat langszij van een ander schip gemeerd is.
2> een schip dat in dezelfde richting vaart. Het tegengestelde van tegenligger.
Gerelateerde term: oploper.
BIJLIGGERTJE
:
vrouwlijke logée bij een alleenstaande schipper.





~Bijlmerbak:
bepaald type beunschip. [A>+tekst]




~bijloper:
scheldnaam van de vissers uit Willemstad voor die uit Moerdijk.





~bijmaken:
ongebruikelijke term voor bijzetten(1).





~bijroef:
bij schepen met een salonroef: extra roef, die tussen de stuurhut en de luikenkap geplaaatst is. Vaak gebruikt voor bewoning maar soms als wasmachinehok, fietsenberging, enz. ingebruik.
Door mij verzonnen term, nadat herhaalde pogingen om een eventueel bestaande naam te achterhalen op niets uitgelopen waren.






~bijscheppen:
lading, die anders na het lossen zou blijven liggen, bijeen scheppen zodat de losinstallatie ze kan verwerken.
Het bijscheppen en vegen is noodzakelijk bij ladingen die met een zuigbuis, grijper of losbak gelost worden. Het bijvegen en scheppen gebeurt tegenwoordig met bobcats en ruimborstels.






~bijschepper:
degene die in het ruim de lading bijschept.




~bijstaan:
van de zeilen: gehesen hebben.





~bijtrekken:
een schip met spierkracht, meestal met behulp van de pikhaak of een tros, of met behulp van een lier, tegen de wal, een ander schip, o.i.d. aantrekken.





~bijvegen:
het verwijderen van ladingresten (ruimveegsel).
Na het lossen blijft er vaak nog wat van de lading achter. In bijna alle gevallen zal dit restant verwijderd moeten worden, want bijna altijd werd er een schoon en droog ruim vereist. Nu was men daar vroeger niet zo precies in als men tegenwoordig vaak is, maar toch de ruimen moesten toch bijgeveegd zijn. In sommige gevallen kon men een beroep doen op een schoonmaakschip, maar in de meeste gevallen moest men toch zelf aan de slag. Wanneer ruimen erg vuil geworden waren ontkwam men er soms zelfs niet aan dat men de ruimen moest uitwassen (lees ook daar), daarna zat men echter wel met een nat ruim en kon men soms dagen en dagen lang geen nieuwe lading aannemen, tenzij een dergelijke lading niet vocht gevoelig was. Zo'n wachttijd werd dan meestal aangegrepen om meteen maar de binnenzijde van het vlak, dus onder de buikdenning, eens schoon te maken, want ook dat moest op gezette tijden gebeuren. Naar het schijnt dekte men een vule buikdenning ook wel eens af met een laag stro.






~bijverdienstenvisser:
iemand die door middel van de visvangst voor een deel in de kosten van zijn bestaan voorziet.
De bijverdienstenvisser bedreef voor namelijk de dobbervisserij en gebruikte slechts een zeer gering aantal fuiken.






~bijverdienstenvisserij:
beroepsmatige visserij, welke slechts tendele in het levensonderhoud van de visser en zijn familie kan voorzien.





~bijzeil, mooiweerzeil:
zeil dat alleen in bepaalde situaties, bijvoorbeeld bij weinig wind, gevoerd wordt.





~bijzetten, bijmaken:
1> van de zeilen: een (extra) zeil hijsen.
2>  ongebruikelijke term voor het schip, met vaarbomen of pikhaken, tegen de wal duwen.





~bikhamer, roesthamer:
hamer waarmee men roest en verflagen van het staal bikt.





~bikken, afbikken:
met een stuk gereedschap roest of oude verflagen van het staal afslaan.
Het meest gebruikte stuk gereedschap hiervoor is de bikhamer, in diverse soorten en maten. Voor het lastige werk in hoeken en gaten gebruikt men ondermeer oude verfkrabbers, beitels e.d.






~bil:
1> ruimte achter de wegering.
2> laaggelegen land, dat 'swinters meestal onderloopt.
3> naad, vouw.
OP DE BIL VOUWEN
: het om en om vouwen (dus zig-zag) van doek, zeilen en dekzeilen.
4> kont, achterschip.
OP DE BIL slepen
: de sleep kort achter de sleepboot hebben hangen. Zie ook billen.





~bilge, biels, hoos, lensput:
moderne term voor de plaats onder in het schip (in het bijzonder in de machinekamer) waar zich het slop verzameld.




~bilgeboekje: zie olieafgifteboekje.





~bilgeboot, milieuboot:
vaartuig dat slop en afgewerkte olie van beroepsvaartuigen ophaalt. [A>]





~bilgekaart:
een opwaardeer-chipkaart, waarmee men de eigenbijdrage, in het kader van het scheepsafvalstoffen verdrag (S.A.V.), voor de verwijdering van oliehoudend afval kan voldoen. [E>] Per 1 mei 2007 wordt de kaart vervangen door de ecokaart.





~bilgepomp:
zie machinekamerlenspomp.





~bilgewater:
half Engels woord voor slop of lenswater.





~bilgewaterpomp:
zie machinekamerlenspomp.





~Billander:
zie Bijlander.





~billen:
iets beschaafder, doch weinig gebruikt, synoniem voor kont.





~bilnaad:
zichtbare vouwnaad in een zeil.





~bindreef: bindrif.





~bindrif, bindreef:
watersportterm voor een rif dat met seizings geknoopt moet worden (wat in de binnenvaart de gebruikelijke methode is).





~bindsel
1> Veelvuldig gebruikt als synoniem voor sjorring (2).
een combinatie van een aantal dicht naast elkaar liggende rondtornen (windingen) met dun touw en een paar eenvoudige steken en/of beknijpingen, waarmee twee of meer voorwerpen met elkaar verbonden worden.


2> Eigenlijk en alleen: een sjorring met het doel twee voorwerpen strak tegen elkaar te houden.
Zie ook rekking, kruisbindsel, draadbindsel, knijpbindsel, hartbindsel, popbindsel en bindselen.

3> veelvuldig gebruikt synoniem voor takeling.

4> zie bendsel.





~bindseldraad:
7 strengs (6+1) dun gegalvaniseerd staaldraad, waarmee men staaldraad bindselt of bezet. Zie ook bindsellijn.





~bindselen, verbinden:
een bindsel aanbrengen. Zie ook: bendelen.





~bindsellijn:
lijn waarmee men bindselt of bezet. Hiervoor werden onder meer gebruikt:
a> 3 strengs Z-slag henneptouw meestal met een dikte van minder dan 4 mm.
b> kort geslagen, S-slag, geteerd hennep, manilla en ook sisaltouw met een dikte van 3 mm en meer.
c> geteerd 2 of 3 draads garen van hennep, manilla of sisal met een dikte van 3 mm of meer. Gerelateerde term: bindseldraad.





~Binger Loch:
rug van hard gesteente in de Rijn bij kilometerraai 530.8, welke eeuwen lang een grote hindernis voor de scheepvaart vormde.
Ondanks dat er reeds in de Romeinse tijd pogingen gedaan werden een doorvaartopening in deze barriere te maken, moest men tot in de zeventiende eeuw alle ladingen, die het Loch moesten passeren, over land, vanuit de schepen aan de ene zijde, in de schepen aan de andere zijde brengen.
In de zeventiende eeuw gelukte het een vier meter brede doorvaartopening in de rotsen te hakken. Veel verbetering bracht dit niet, daar de stroomsnelheden in deze opening vaak zo groot waren, dat het onmogelijk was schepen veilig door deze engte te krijgen. Tussen 1830 en 1841 slaagde men er in, om met behulp van springladingen, het gat tot 14 meter te verbreden.
Tussen 1860 en 1867 werd een tweede doorvaart gemaakt. Dit 'Nieuwe Vaarwater' werd door een kilometer lange strekdam van het eigenlijke Loch gescheiden en was in eerste instantie 90 meter breed. Tussen 1893 en 1894 werd het Loch opnieuw verbreed. Ditmaal tot 30 meter. Niet alleen de schepen, ook de rivier had nu veel meer ruimte gekregen, wat een geringere waterdiepte tot gevolg had. Tussen 1925 en 1932 werden er daarom in het Nieuwe Vaarwater een zevental kribben gebouwd. De breedte van het vaarwater werd daardoor tot 60 meter gereduceerd.
Tussen 1966 en 1974 werd de opening in het Loch opnieuw verbreed, dit maal tot 120 meter. Tevens werd het Nieuwe Vaarwater gesloten.
Tot deze laatste verbreding was het Binger Loch een soms levensgevaarlijke hindernis. Menig schip heeft er schipbreuk geleden.






~binnen:
1> op het water binnen de kustlijn.
DE VAART BINNEN DE DUINEN
: oude term voor de binnenvaart. De kust- en zeevaart noemde men de vaart buiten de duinen.

2> op kleiner water. (Meestal op rivieren, meren, kanalen, vaarten en plassen. (Dus niet op de IJsselmeer, Waddenzee, Zeeuwse stromen e.d.)
BINNEN ZIJN
: van groot open water komend; in de haven of beschut water zijn.
BINNEN DE SLUIS
: aan de kant met het kleinste water.

3> in de binnenvisserij: het water in de polders.





~Binnenaanvaringsreglement, B.A.R.:
vaarreglement, dat tussen  1897-1964 voor bijna alle binnenwateren van kracht was.





~binnenberging:
berging op het binnenwater, de open zeegaten uitgezonderd.





~binnenbeslag:
EEN BLOK MET BINNENBESLAG
, jachtblok:
een blok waarbij het beslag zich tussen de wangen en de schijf bevindt. [A>]
De eerste blokken met metaalbeslag waren (bijna) allemaal blokken met buitenbeslag, pas later ging men er toe over blokken met binnenbeslag te gebruiken. Blokken met buitenbeslag werden meestal uit één stuk gemaakt. Het beslag werd er omheen gekrompen. Bij blokken met binnenbeslag heeft men eigenlijk een metalen blok, waarbij het hout als geleiding en bescherming dient. Blokken met binnenbeslag veroorzaken minder schade als ze ergens tegenaan slaan. Ze zijn lichter en vergen minder onderhoud.





~binnenbetimmering, betimmering, beschieting, beschot, wegering, bewegering:
in bewoonde ruimtes aangebrachte houten wanden, plafonds en vast meubilair.





~binnenbeurtje:
een extra reisje van een beurtschip, tussen die van de dienstregelingen door.





~binnenboegseren:
een vaartuig boegserend naar binnen brengen.
Zie ook uitboegseren.





~binnenbolder:
de bolder op het schip, aan de kant waarmee het schip tegen de wal, kade of sluismuur ligt.





~binnenboord:
1> wegering.
2> draam: langsscheepse balk, balkweger, tegen de binnenkant van de scheepshuid bovenop de uiteinden van de spanten, bij houten schepen.
3> binnen het boord(3); binnen de omtrekken van het schip.
4> de zijde van het schip, die het dichtst bij de wal is.





~binnenboordmotor:
motor voor de voortstuwing, die ìn het schip geplaatst is. Watersportterm, die ingevoerd is om onderscheid tussen de binnenboord- en de buitenboordmotor te kunnen maken.





~binnenboot:
Ook al noemt men het een boot, het zal in bijna alle gevallen een schip of een scheepje zijn [uitleg]. Vermoedelijk is het een verkorting van binnenstoomboot
.
ten tijde van de (stoom?) beurtvaart gebruikt voor die beurtschepen, die niet over groot water voeren. Zie ook: zeeboot.





~binnenbrengen:
een vaartuig, dat in nood verkeerd heeft, in veilige haven brengen.





~binnen-buitenschip:
zie binnenbuitenvaarder.





~binnen-buitenvaarder, binnen-buitenschip, waddenkrabber :
vaartuig dat deel neemt aan de binnen-buitenvaart.
De wetgever gaat er van uit dat elk schip dat buitenvaart bedrijft een zeeschip, een schip met een geldige zeebrief, is. Vroeger kon door het ontbreken van wetgeving op dit gebied en later door onvolkomenheden in de wet, men echter ook met schepen die voor de binnenvaart bedoeld waren en geen zeebrief bezaten, buitenvaart te bedrijven. In de binnenvaart worden ook deze schepen binnen-buitenvaarders genoemd.






~binnen-buitenvaart :
de vaart met binnenvaartschepen buiten de kustlijn.
Tot in de 19de eeuw was er geen duidelijk onderscheid tussen binnen- en buitenvaart. Als de omstandigheden gunstig waren voeren binnenschepen ook buiten de kustlijn, daarbij konden aanzienlijke afstanden afgelegd worden. Nadat er eind 19de eeuw een duidelijker onderscheid tussen zeeschepen/kustvaarders en binnenvaarders komt, ontstaan er verschillende tussenvormen. Zee- en kustvaartuigen, die ook (beperkte) binnenvaart bedrijven en binnenvaartschepen, die ook (beperkte) kust- of zeevaart bedrijven. Voor deze laatste groep geldt: het aanzien van deze schepen verschilt niet veel van een flink binnenschip.
Voor de binnen-buitenvaart zijn diverse andere termen in gebruik geweest. De oudste is ommelandvaart en had voornamelijk betrekking op de scheepvaart tussen de Hanzesteden. De term ommelandvaart komt na het gereed komen van het Noord-Oostzeekanal (1895) opnieuw in zwang om daarmee onderscheid te maken tussen de vaart buitenom Denemarken heen en de vaart door het Noord-Oostzeekanaal naar de Deense oostkust, de beltvaart, de Zweedse zuidkust, de sontvaart en naar de kusten van de Oostzeelanden.
In de jaren zeventig ontstaan er opnieuw een vormen van binnen-buitenvaart de Hamburgvaart, tussen Nederland tot aan Hamburg, en de Estuarievaart, tussen Nederland en Zeebrugge, België.

Gerelateerde termen: wad en sontvaarder, kruiplijncoaster, seinecoaster.




~binnendienst:
ten tijde van de beurtvaart, in de gebieden die grenzen aan groot water, gebruikt voor die diensten, die niet over groot water voeren. Zie ook: binnenboot en buitendienst.





~binnendoor:
BINNENDOOR GAAN
:
1> voor de vaarroute, waarbij groot open water vermeden wordt, kiezen.
2> de vaarroute over het kleinste nog bevaarbare water kiezen.





~binnendrijven, indrijven:
(bijna) zonder gebruikmaking van de voortstuwing ergens invaren.





~binnengaats:
binnen de kustlijn van een land. Weinig gebruikte term.





~binnengang:
bij stalen schepen: een gang waarvan beide landen oonder de naast liggende gangen vallen.
Zie ook: buitengang.
Bij veel oude stalen schepen is de kielgang een buitengang. De direct daarnaast liggende gang is vaak een binnengang.






~binnenhalen:
1> aan boord trekken.
2> verkrijgen, bijv. een sleep of  een reisje binnenhalen.





~binnenhaven:
1> haven aan de landzijde van een sluis.
2> haven aan het binnenwater.





~binnenhelling, eindhelling:
in een loods gelegen helling. Soms ook een helling met alleen een dak er boven.





~binnenkiel:
mogelijk middenzaadhout.





~binnenkim: kimwegering.





~binnenkluiver:
achterste kluiver, indien er meer dan één kluiver gevoerd wordt.





~binnenkluiver.....: samenstellingen met binnenkluiver zijn niet opgenomen! Zie bij kluiver.





~binnenkomen:
van groot open water op beschut water komen.





~binnenlander:
zie bij binnenvaartschip.





~binnenlandsvaarder:
oude term voor een binnenschipper.
Vergelijk binnenlandvaarder.





~binnenlandsvaardersgilde:
soort vereniging van binnenschippers.





~binnenlandvaarder:
schipper die geen reizen naar het buitenland doet.
Vergelijk binnenlandsvaarder.





~binnenligger:
een schip dat tegen de wal, steiger, o.i.d. ligt en andere vaartuigen langszij heeft.





~binnenloods:
loods, die alleen binnen de zeegaten actief is.





~binnenloodsen, inloodsen:
een schip de haven in, of het binnenwater op, loodsen.





~binnenlopen:
1> invaren.
2> binnenkomen.





~binnenpleit:
term gebruikt om onderscheid te maken tussen zeegaande Pleiten en Pleiten voor het binnenwater.





~binnenschaal:
deel van een open, kunststoffen, vaartuig, dat de 'inrichting' en de dekken vormt.





~Binnenschepenwet:
Officieel Wet van 30 september 1981, houdende bepalingen ter bevordering van de veiligheid van de vaart van schepen op binnenwateren en van goede arbeidsomstandigheden aan boord van die schepen, geheten. Raamwet met daarin diverse bepalingen ten aanzien van bouw, uitrusting en bemanning van het schip. [E> wettekst, pdf-document]





~binnenschip:
1> verkorting van binnenvaartschip.
2> term die wel gebruikt wordt om onderscheid te maken tussen de vrachtschepen (van het plaatselijk gangbare type), die het kleine binnenwater bevaren en de schepen die ook de Zuiderzee, de Zeeuwse stromen, Waddenzee e.d. bevoeren.
Zo spreekt W. J. van Dijk in "De schoonheid onzer binnenschepen" niet van een skûtsje, maar van een Fries binnenscheepje.





~binnenschipper:
schipper op een binnenvaartschip. De term wordt hoofdzakelijk gebruikt wanneer men onderscheid tussen binnen- en buitenschippers wenst te maken.




~binnenschipperij:
alle particuliere schippers te zamen.
Dit is dus een verzameling éénmansbedrijfjes. De overige schippers zijn arbeiders in loondienst.






~binnensleepvaart:
de sleepvaart op het binnenwater.





~binnenslepen:
1> slepend binnenbrengen.
2> met een sleep binnenvaren.





~binnensteven, kropstuk, krophout:
verlenging van het zaadhout tot hoog in de ronding van kop en/of kont.[ Deel B in A>]





~binnenvaarder:
binnenvaartschip of de schipper daarvan. Zie ook buitenvaarder.





~binnenvaart:
1> volgens de woordenboeken: al de scheepvaart op het binnenwater.
2> in het algemeen: alles wat met de vrachtvaart op de binnenwateren te maken heeft.
DIPLOMA ONDERNEMER IN DE BINNENVAART
: niet bekend.
ONDERNEMER IN DE BINNENVAART
: de eigenaar van een bedrijfsvaartuig of van een aan de binnenvaart gerelateerd bedrijf.





~binnenvaartaangelgenheid:
een zaak de binnenvaart betreffende.





~binnenvaartboek:
boek dat de binnenvaart als hoofdonderwerp heeft.





~binnenvaartboekenschrijver:
auteur, die boeken over de binnenvaart publiceert.





~binnenvaartconflict:
een meningsverschil waarbij de binnenvaart betrokken is.
De meeste van deze conflicten gingen tussen de verladers en bevrachters enerzijds en de schippers anderzijds.






~binnenvaartinformatiesysteem:
zie R.I.S.





~binnenvaartjargon:
de terminologie van hen die in de binnenvaart werkzaam zijn.
Vrij zelden gebruikte term, die meer en meer verdrongen wordt door de woorden schipperstaal en binnenvaarttaal
.






~binnenvaartkaart:
1> waterkaart voor de beroepsvaart.
2> prentbriefkaart met een aan de binnenvaart gerelateerd tafreel.





~binnenvaartkotter:
weinig gebruikte benaming voor wat men meestal een motorkotter noemt. De term wordt bijna uitsluitend gebruikt wanneer men onderscheid tussen de zeegaande en de niet zeegaande kotter wenst te maken. Er zijn echter weinig motorkotters, die niet, in zekere mate, zeegaand zijn.





~Binnenvaartkrant:
gratis veertiendaags nieuws- en informatieblad voor de binnenvaart. [E> site, de krant]





~binnenvaartkunde:
studierichting de binnenvaart betreffende.




~binnenvaartmeting:
scheepsmeting waarbij het schip als binnenvaartschip gemeten wordt. Dit leverde vaak een grotere tonnenmaat op dan de zeemeting.





~binnenvaartmuseum:
scheepvaartmuseum, dat zich voornamelijk richt op de binnenvaart; in het bijzonder het museum van de Vereniging 'De Binnenvaart'.





~binnenvaartondernemer:
lelijk woord voor: ondernemer in de binnenvaart.





~binnenvaartplaats:
voor de binnenvaart belangrijke (haven)plaats.





~Binnevaartpolitiereglement, Binnenvaart Politie Reglement, B.P.R.:
sinds 1984, op de meeste waterwegen, m.u.v. de rivieren, geldend vaarreglement. [E>]





~binnenvaartreder:
eigenaar of hoofdverantwoordelijke van een binnevaartrederij.





~binnenvaartrederij:
rederij, die uitsluitend over binnenvaartschepen beschikt.





~binnenvaartschip, binnenschip, binnenvaarder:
1> eigenlijk: ieder schip dat gebouwd is om het binnenwater te bevaren. [L>]
ZEEGAAND BINNENVAARTSCHIP
:
vroeger: min of meer de voorloper van de coaster. Vrachtschip met beperkte zeewaardigheid, geschikt voor de kustvaart en de vaart op de Oostzee.
2> binnenlander: in het algemeen: een, voor het binnenwater gebouwd, vrachtschip. (verouderde term.)





~binnenvaartschipper:
schipper op een binnenvaartschip.





~binnenvaartschool:
instelling waar men binnenvaartkunde geeft.





~binnenvaarttanker, binnenvaarttankschip: tanker.





~binnenvaarttaal:
1> naam van het encyclopedisch gedeelte van de website van de vereniging 'De Binnenvaart'.
Eind 1997 begonnen als concept voor een woordenboekje met binnenvaarttermen. Medio 2005 online verschenen bij HetNet. Op 14 november 2006 werd het domein 'binnenvaarttaal.nl' geregistreerd. Mei 2008 volgde de opname in de websitte van de vereniging 'De Binnenvaart'.


2> synoniem voor binnenvaartjargon.
Voor zover bekend is dit synoniem onder invloed van het bestaan van het domein 'binnenvaarttaal.nl' ontstaan. De oudste vermeldingen, die tot nu toe via internet te vinden waren stammen van april 2007.






~binnenvaartterm, binnenvaartwoord:
woord of woorden, die in hoofdzaak alleen door hen, die bij de binnenvaart betrokken zijn gebruikt worden, of woorden die daar hun oorsprong gevonden hebben.





~binnenvaartvloot, binnenvloot:
1> eigenlijk: alle binnenvaartschepen.
2> meestal gebruikt voor: alle binnenvaartvrachtschepen.





~binnenvaartvrachtschip, binnenvaarder:
vrachtschip, gebouwd om de binnenwateren te bevaren.





~binnenvaartwerkgever:
werkgever van hen die in de binnenvaart werkzaam zijn.






~binnenvaartwerknemer:
iemand die in loondienst in de binnenvaart werkzaam is.




~binnenval:
zeil- of klauwval.





~binnenvallen:
met grote haast een haven binnenlopen.





~binnenvaren, binnenlopen, binnenkomen:
invaren.





~binnenveer:
beurtdienst, die op klein water blijft. Gebruikt om onderscheid te maken met een buitenveer.




~binnenvisser:
1> visser, die op het binnenwater of dicht langs de kust vist.

2> visser, die niet op de rivieren, maar in de polders vist. (In deze betekenis voornamelijk alleen onder riviervissers in gebruik.)





~binnenvisserij:
de visserij op het binnenwater.





~binnenvloot:
verkorting van binnenvaartvloot.





~binnenwater:
al het water binnen de kustlijn van een land. De Zuid-Hollandse- en Zeeuwse stromen, de Waddenzee en het IJsselmeer, ook toen het nog Zuiderzee was, behoren dus tot het binnenwater.
HET ECHTE BINNENWATER
: al het binnenwater met uitzondering van: de Zuid-Hollandse- en Zeeuwse stromen, de Waddenzee, het IJsselmeer (de Zuiderzee) en vaak ook de grote rivieren.





~Binnenwatering:
zie bij Oude Rijn(2).





~binnenwegering: wegering.





~binnenwind:
lauwe zuidelijke wind. Mogelijk alleen zeevaartterm.





~binnenzeil, vaartzeil:
een zeil van lichter materiaal dan gebruikelijk.





~binnenzeilen:
al zeilend ergens binnenkomen of invaren.





~binnenzwaard:
vrij kort en breed zwaard. Alleen wanneer men expliciet onderscheid tussen een zeezwaard en een binnenzwaard wenst te maken, gebruikt men deze term. In alle andere gevallen, zegt men zwaard.





~Binlander:
1> verkorting van binnenlander. 2> Bijlander.





~bint, gebint:
dwarsscheepse constructie tussen de den.





~bintje: beretand.





~Bitterrace:
wedstrijdevenement voor zeilende bedrijfsvaartuigen en traditionele jachten. Start en finish nabij Hellevoetsluis.





~blaasbalg, balg, tent:
opklaapbaar voordek aan de zijkanten afgesloten met zeildoek, dat als leefruimte op kleine visschuitjes, zoals het Fries aakje, moest dienen.





~blaastoeter, mondblaas, handhoorn, handscheepshoorn, handmisthoorn:
scheepshoorn, die men zelf moet blazen.





~black-out, knock-out:
Engels voor: totaal uitval. Meestal gebruikt voor het verzaken van electrische of electronische systemen.





~blad:
1> het bredere platte stuk aan het uiteinde van een roei- of wrikspaan.
2> schroefblad: deel van een schroef.
3a> roerblad: het vlak dat aan de roerkoning bevestigd is.
3b> hak, staart: het bredere deel van een houten roer.
4> ankerblad: lekenterm(?) voor vloei.





~bladriem:
roeispaan waarvan de schacht rond is en de gewenste breedte voor het blad met AANGEZETTE stukken verkregen wordt.





~bladroer:
roer gevormd door een een roerblad met daaraan een roerkoning. Vroeger soms gebruikt om onderscheid te maken tussen de gewone houten roeren en de stalen roeren.





~blaffen:
het plat op het water slaan van kop of kont. (Mij alleen bekend uit watersportkringen.)





~blaffer:
vanzelf werkend keer- of spuisluisje.





~blak:
BLAK WATER
: bijna rimpeloos water.





~blaker, walmscherm:
metalen schermpje vlak boven het lampeglas bij olielampen.





~blakte:
windstilte.





~blankwerk:
houtwerk waarvan (het belangrijk is dat) de tekening zichtbaar blijft. Het wordt dus gevernisd, gebeitst, in de was of olie gezet of in het geheel niet behandeld.





~blauw-bord :
dagteken, dat in combinatie met een wit knipperlicht getoont moet worden, wanneer men langs de bakboords wal wenst te varen. [A>nr.3]
Zie ook verkeerde-wal-varen.





~blauwvaren:
zie bij verkeerde-wal-varen.





~blazen, toeteren:
een geluidssignaal geven.





~Blazer :
1> op een zwaar gebouwde Botter gelijkend, houten vissersschip van de Waddenzee, de Noordelijke zeegaten en de kust boven de Waddeneilanden. [A>] De blazers van Paessens en Moddergat bezaten vaak twee masten, een grote mast en een druil, en waren wat groter dan de
TEXELSE BLAZER
. In tegenstelling tot de botter heeft de blazer een vrij steil staande achterstevenbalk. Een ander vrij kenmerkend verschil is het boeisel op het voorschip. De botter heeft een zeer smal boeisel hetgeen het schip zo'n sierlijk uiterlijk geeft, terwijl de blazer een fors en breed boeisel heeft, waardoor het schip veel zwaarder en stoerder lijkt.
Behalve de botter zouden ook de Dongeradeelse aak en de Wierumer aak hun invloed op het ontstaan van de blazer gehad hebben.
De
motorblazer
is (meestal) een verbouwde gewone blazer. In verband met het grote gewicht van de motor is het boeisel op het achterschip verhoogd.

2> Volgens vanDale: een kleine, licht gebouwde, Botter. Wat dus niet klopt!





~blenderschip:
tankschip dat brandstof van verschillende kwaliteiten vervoerd en bij afleveringen de verschillende kwaliteiten mengt om op die wijze de overeengekomen kwaliteit te kunnen leveren.




~bliekkuil:
ankerkuil voor de vangst van haring en sprot (schardijn).




~blijf-weg-signaal:
geluidssein bestaande uit een, 15 minuten durende herhaling, van één korte en één lange stoot.





~blind :
1> raamblinde of poortdeksel.
2>
EEN BLIND ZEIL
: een zeil, dat achter een ander zeil hangt en daardoor geen wind vangt. Niet te verwarren met een blinde!
3>
EEN BLIND SLAAN
: vooral gebruikt voor als de schroef in hoge golfslag gedeeltelijk boven water komt en dit een verhoging van het machinetoerental tot gevolg heeft. Zie ook lucht slaan.





~blinde:
1> bijzeil dat vlak achter één of meer andere zeilen hangt.
Alhoewel het zeil in de luwte van andere zeilen hangt, kan men, bij een goed gebruik van het zeil, toch nog voordeel halen uit de door de andere zeilen afgebogen luchtstromen. Het hangt er dus niet, zoals een blind zeil, maar nutteloos bij.


2> foutief synoniem voor waterzeil.

3> blind: raamblinde.





~blink:
tegen de lucht zichtbaar schijnsel van een lichtbaken of vuurtoren, die zich achter de horizon bevindt.





~blinker:
spiegelend plaatje staal of messing, dat bij petroleumverlichting, het licht in de gewenste richting weerkaatst.




Volgende





© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken