banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst Bem




~bemanning:
allen, die op het schip aanwezig, en bij het varen betrokken zijn.
Gerelateerde termen: scheepsjongen, knecht, deksman, lichtmatroos, matroos, volmatroos, matroos-motordrijver, motordrijver, stuurman, machinist, schipper, kapitein, stoker, tremmer, meester, scheepspersoneel.





~bemanningslid, schepeling:
persoon, die deel uit maakt van de bemanning.





~bemanningsverblijf:
verblijf voor de bemanning, m.u.v. de schipper.





~bemasten:
het plaatsen van een mast.





~ben:
1> motkorf, motkoer:
aan een lange stok bevestigde tenen mand, waarmee men mot in de naden van het onderwaterschip trachtte te brengen. [T>breeuwen.]
Motkoer is het Friese woord voor motkorf


2> bin: vismand. In sommige gewesten een vismand waarin vis getransporteerd wordt.
Deze manden waren niet cirkelvormig van doorsnede maar iet wat afgeplat. Daarbij stond één zijde een beetje hol op dat de mand, die met een stok over de schouder gedragen werd, goed tegen de rug lag. Bron: OudTzummarum.nl





~Benarolie:
(productnaam) op blanke lak gelijkend conserveringsmiddel voor hout.





~bendelen:
het aanbrengen van een bendsel.





~benden:
de zeilen met bendsels vastmaken.
Bron: Nicolaas Witsen.






~bendtouw:
over het algemeen touw ter dikte van schiemansgaren.





~bendsel, bendel:
1> knittelend, bindsel:
in de Rijnvaart gebruikelijk synoniem voor het bindsel waarmee het uiteinde van de strang  vastgezet werd. Soms britteltouwtje genoemd. De term is afkomstig uit het Duits.

2> in de Rijnvaart: door een eind touw  met de uiteinden aan elkaar te knopen gevormde zeer ruime lus, die rond de strangen geknoopt wordt om het strangenvissen te vergemakkelijken. Ook gebruikt om in een meegeknoopt verfblik berichten te versturen.

3> vroeger: willekeurig kort eind touw waarmee men iets vastbindt.
Nicolaas Witsen spreekt ook van bensel en bantzel.






~beneden:
1> aan lij; lager.
Zie ook bij boven.


2> verder stroomafwaarts.





~benedendek, onderdek:
een dek, meestal het hoofddek, beneden een ander dek. Bijna uitsluitend op passagiersschepen van toepassing.





~benedendeks, onderdeks:
onder het hoofddek gelegen.





~benedendeur:
sluisdeur aan die zijde van de sluis waar het water het laagst staat.





~benedendrempel, onderdrempel:
de sluisdrempel van het benedenhoofd.





~benedenhoofd:
het sluishoofd aan die zijde van de sluis waar het water gewoonlijk het laagst staat.
Zie ook: sluishoofd.





~benedenman:
zie Zuidelijke schipper.





~Beneden-Merwede:
zie bij Merwede.





~benedenloop, benedenstroom:
van een rivier: volgens schippers: het gedeelte van de rivier waar deze zich sterk verbreed en/of het gedeelte waar (vroeger) de invloed van eb en vloed merkbaar is (was).





~benedenlangs:
aan lij.





~benedenrijn:
zie Nederrijn.





~benedenrivier:
gedeelte van de rivier, dichtbij zee, waar de invloeden van ed en vloed merkbaar zijn. Zie ook: bovenrivier.





~benedenschip:
vrij onbekende term voor een zeilschip voor de benedenrivier.





~benedensluis:
bij een trapsluis en dergelijke; de sluis van een lager gelegen niveau. [Gerelateerde termen >].





~benedenstroom: zie benedenloop.





~benedenstrooms:
op of aan een lager gelegen deel van de rivier bevindend.
Zie ook toelichting bij stroomafwaarts.





~benedentoeleidingskanaal:
toeleidingskanaal aan de kant van de sluis waar het water het laagst staat.
Gerelateerde termen: sluiskanaal, boventoeleidingskanaal.





~benedenvisser:
iemand, die voornamelijk op de benedenrivieren vist.





~benepen zijn:
onvoldoende water onder de kiel hebben om naar de bestemming te kunnen varen.
De term schijnt het eerst door Nicolaas Witsen vermeldt te zijn. Latere verzamelaars van scheepstermen lijken de term overgenomen te hebben.






~bengeldraad:
plaatselijk: gespannen lijn waaraan de eerste steken van een visnet gezet worden.
Naar men zegt werd de term te Spakenburg gebruikt.






~bensel:
zie bendsel en bindsel.





~benzineschip, benzinetankschip:
journalistenterm voor een tanker, die benzine vervoert.





~benzinetankschip:
zie benzineschip.





~beplanken:
1> het aanbrengen van de gangen bij een houten schip.

2> het aanbrengen van houten dekdelen op een houten of stalen schip.
BEPLANKT DEK
: dek waarop houten dekdelen aangebracht zijn.





~beplanking:
de scheepshuid (soms ook de dekken) van een houten schip.





~beplaten:
het aanbrengen van de de scheepshuid.





~beplating:
de scheepshuid (soms ook de dekken) van een stalen schip.





~berestander:
zie beretand.





~beretand:
1> mannetje, bintje, berestander:
tegen de buitenzijde van het boeisel bevestigd vertikaal 'paaltje', meestal direct naast het kluisbord of bij het ontbreken daarvan, een eindje naast de steven. [A>] In het Vlaams gewoon een staander genoemd.
De term berestander wordt o.a. door de schrijvers W.J. van Dijk en G.J. Schutten gebruikt.


2> op een soort van sleepbeugel achter een strangenlier aanwezige opstaande paaltjes, bij wijze van draadgeleiding.

3> Vlaamse term voor alleen de kop van de beretand. De gehele beretand noemen zij een staander.




~beretandschild:
houten dwarsschot tegen de achterzijde van de beretanden.





~berg:
TE BERG VAREN
: stroomopwaarts varen.
De term wordt voornamelijk in de Rijnvaart gebruikt.
Het tegengestelde is: te da(a)l varen.






~Berge:
zie Barge.





~bergen, vloeien:
eigenlijk: iets opruimen.
EEN SCHIP BERGEN
: een schip, dat in dusdanige moeilijkheden verkeert, dat het zonder hulp verloren zou gaan, helpen of een schip dat gezonken is, boven water brengen of verwijderen. [T>Bergen.]
DE ZEILEN BERGEN
:
a> de zeilen afslaan, en op een veilige plaats, bijv. in de zeilkooi, wegleggen.
b> vaak gebruikt in de betekenis van de zeilen strijken en daarna opdoeken.





~Bergenaar:
Zalmdrijver afkomstig uit Geertruidenberg.
Gerelateerde term: Bergse schuit




~berger, vloeier:
1> persoon die, of bedrijf dat, zich met het bergen van schepen bezighoudt.
GELEGENHEIDS BERGER
: persoon, die bij toeval bij een berging betrokken raakt. Zie ook: sjouwhaalder en haai. [T> bergen.]

2>
een goede berger:
een schip met een flinke ruiminhoud voor zijn formaat. Daar 'tegenover' stelt men een sjouwer.





~berghout, barrighout, barrikhout:
1> welling, wellingijzer: extra dikke of opgedikte gang, rondom het gehele schip, ongeveer op de hoogte waar de romp het verst, buiten de waterlijn, uitsteekt. [Tekening, foto's.]
Gerelateerde termen: beretand, schoetsel.

2> bij schepen met een knikspantromp: de hoek van twee boorden(1), die het verst buiten de waterlijn uitsteekt. Vaak voorzien van een berghoutsstrip of -lat.

3> uitstekende stootrand.[A>]

Gerelateerde termen: stuit, bergstrip, bovenberghout, onderberghout, slemphout, knevel, enz.





~berghoutsgang:
1> bij houten schepen: de gang net onder het berghout.

2> Bij stalen schepen: de gang waarop de berghoutsplaat aangebracht is. [A>tekening]





~berghoutslat, schuurlijst, beuling:
smalle lat op het berghout.





~berghoutsplaat, bergplaat, wellingplaat:
extra strook op de berghoutsgang, waarop de berghoutsstrip geklonken is en die daarmee samen het berghout vormt. [A> tekening]





~berghoutsstrip, bergplaathalfrond, beuling, beulingijzer, schuurhalfrond:
op het berghout of de berghoutsplaat aangebrachte stalen strip, bestaande uit een halfrond of platrond profielijzer. [bij nr.4 in A>]





~berging, scheepsberging:
het geheel van handelingen, die verricht worden bij het boven water halen en/of verwijderen van gezonken of vastgevaren schepen. Indien reeds tevoren vaststaat dat het vaartuig als geheel verloren kan worden beschouwd, spreekt men ook van wrakberging.
[T> Bergen.] [A> films]





~bergingsbedrijf, bergingsmaatschappij, bergingsdienst, vloeierij:
bedrijf, dat gespecialiseerd is in het bergen van gezonken vaartuigen en wrakken.





~bergingscontract, bergingsovereenkomst :
overeenkomst die tussen de berger en het rechtspersoon dat opdracht tot de berging geeft, gesloten wordt.





~bergingscondities:
1> de voorwaarden die in het bergingscontract genoemd worden.

2> de omstandigheden waaronder de berging plaats vindt.





~bergingsdienst:
zie bergingsbedrijf.





~bergingsklus:
een schip te bergen hebben.





~bergingskosten:
alle kosten die tijdens een berging gemaakt worden.





~bergingsleider:
persoon die op de plaats waar de berging plaats vindt de algehele leiding heeft.





~bergingslier:
zwaar draadlier op een bergingsvaartuig.





~bergingsloon:
vergoeding, die men ontvangt of kan eisen voor het bergen van vaartuigen en de daarbij behorende goederen. Zie ook hulploon en tornloon.





~bergingsmateriaal:
al het materiaal dat tijdens een berging gebruikt wordt.





~bergingsmaterieel:
alle voer-, vaar- en werktuigen die tijdens een berging gebruikt worden.





~bergingsmaatschappij:
zie bergingsbedrijf.





~bergingsovereenkomst:
zie bergingscontract.





~bergingsploeg:
groep van arbeiders die bij een berging werkzaam zijn.





~bergingsschip:
weinig gebruikte term voor bergingsvaartuig.





~bergingssleepboot, bergingsboot:
een sleepboot, die uitgerust is om bij bergingen te assisteren.
De term 'bergingsboot' is een ongewenste samenvoeging van bergingsvaartuig en sleepboot. In bijna alle gevallen gaat het namelijk niet om een boot, maar om een schip [uitleg]
.
BERGINGS en BRANDBLUSSLEEPBOOT
: bergingssleepboot die voorzien is van een installatie om brand aan boord andere schepen te blussen.





~bergingsvaartuig, bergingsschip, bergingsboot:
vaartuig, dat ingericht is om bij bergingen dienst te doen.





~bergingswerk, bergingswerkzaamheden:
het werk dat men bij een berging verricht.





~bergingswerkzaamheden:
zie bergingswerk.





~Rederij Bergman:
Amsterdamse Rederij, vermoedelijk begonnen als sleepboot rederij, exploitant van diverse veerdiensten en sinds 1912 rondvaartbotenrederij. In de jaren tachtig opgegaan in rondvaartrederij Holland Internationaal. [T> Bergmann op theobakker.net]
Zie ook: Bergmannbootje.





~Bergmannbootje:
overzetbootje van de Fa. Bergmann, Amsterdam, waarmee o.a. een verbinding tussen het Centraal Station en Amsterdam-N onderhouden werd. Oorspronkelijk hadden deze scheepjes ieder een eigen naam, later heetten ze 'Heen en weer' met een volgnummer I t/m VI. Deze scheepjes droegen, vanwege een reclame opschrift voor scheepjeswol, de bijnaam wolscheepjes. [E>]
Al noemt men het een Bergmanbootje een overzetbootje het is een scheepje!
[uitleg]





~bergplaat:
1> verkorting van berghoutsplaat.

2> gebogen, soms een beetje bolle, stalen plaat tegen de voorzijde van het schip waartegen de gangen aansluiten. Ondermeer voorkomend bij de Kagenaar.





~bergplaathalfrond:
zie berghoutsstrip.





~bergreis:
een grote verplaatsing van een schip over de rivier, in het bijzonder de Rijn, die het schip naar een verder stroomopwaarts gelegen plaats brengt.
Gerelateerde term: daalreis.




~Bergsche schuit:
zie bij Bergse schuit.





~bergschuit:
niet met zekerheid bekend. De term wordt onder andere bij de beeldbank van de Gemeente Amsterdam gebruikt voor een schuit waarop een berging, bijv. voor handkarren, fietsen of materialen, aanwezig is.





~bergschutting:
op de bovenrivieren gebruikte term voor de schutting naar een hoger gelegen deel.





~Bergse schouw:
Zeeuwse schouw met als thuishaven Bergen op Zoom. Het is niet duidelijk of dit echt een afwijkend type is.





~Bergse schuit, Bergsche schuit:
nog onbekend scheepstype uit Geertruidenberg.





~bergstrang:
Term uit de Rijnvaart. Zware losse (sleep)kabel, meestal gebruikt om (op de bovenrijn) terwijl op de rivier ligt vast te maken. Indien nodig natuurlijk ook gebruikt als gewone strang.





~bergstrip:
onvoldoende bekend. Vermoedelijk een berghout wat uit niet meer dan een smalle strip bestaat.
Dergelijke berghouten treft men ondermeer aan bij knikspantrompen. Bron: P. Versnel, Vakwoordenboek.






~bergvaarder:
een schip dat te berg, dus stroomopwaarts, vaart.





~bergvaart:
de schepen, die op de grote rivieren stroomopwaarts varen, de opvaart.
Gerelateeerde termen: opvaart, afvaart, daalvaart, dalvaart, te daal varen.





~bergwaarts:
op de Rijn: stroopopwaarts.





~berm:
weinig gebruikte term voor oever.





~Berkel:
merk scheepsdiesel. Voor de tweede Wereldoorlog redelijk bekend.





~Berkel zomp:
zie bij Zomp.





~Berlikumse boot:
zie bij Berlikumse praam.





~Berlikumse praam:
boerenvaartuig gebruikt voor het vervoer van landbouwproducten en materialen. Open houten vaartuig met sterk voorovervallende licht gebogen voorsteven en sterk achterovervallende achtersteven met daaraan een bijna driehoekig roer. Redelijk smal elipsvormig vlak dat voor en achter iet wat puntig toeloopt. Zwak gebogen naar buiten vallende zijdes. Het voorschip vertoont een rond verloop, het achterschip is iets toegespitst. In het achterschip lag een bankje of stond een laag dwarsschot. Bij het voorschip bevond zich een hooggeplaatste bank en soms ook een dwarsschot. Langs de bovenrand liep een kleine dikke rand als berghout. Bij de stalen exemplaren is dit vervangen door een smal vertikaal bovenboord en is de knik voorzien van een halfronde strip bijwijze van berghout. Als voorkomende maat meldt G.J. Schutten 7,6 x 2,1 x 0,65 meter (3 ton). Wat kleiner dan de Berlikumse praam was de Berlikumse boot.
De bank in het voorschip fungeerde (soms) als mastbank voor een eenvoudige mastkoker. De tuigage zal vermoedelijk uit een onverstaagde mast met een klein sprietzeiltje bestaan hebben.
Het afgebeelde stalen exemplaar maakte de indruk een spitser voorschip te hebben dan de pramen op oude postkaarten.





~Berlikumse schouw:
aan de Friese schouw verwant type open boot. Het berghout vertoont een redelijke zeeg, de bovenrand nauwelijks. Afmetingen 4,5x1,5 meter. Verder nog geen gegevens bekend.
Bron: GJ Schutten.





~bernen:
zie barnen.





~beroeps:
1> in het spraakgebruik toegepast in de zin van bedrijfsvaartuig.

2> in het spraakgebruik toegepast in de zin van beroepsvaart.





~beroepsvaarder:
persoon die, of vaartuig dat, in de beroepsvaart actief is.





~beroepsbinnenvaart:
zie bij beroepsvaart.





~beroepsvaart, beroepsbinnenvaart, bedrijfsvaart:
de scheepvaart van de bedrijfsmatig gebruikte schepen.
ZEILENDE BEROEPSVAART
: Sinds ca. 1970 wordt hieronder de chartervaart verstaan. Daar deze vorm van beroepsvaart jaarlijks bijna zes maanden achter elkaar stil ligt, zijn er velen die dit niet tot de echte beroepsvaart willen rekenen.





~beroepsvaartschip:
modern en erg ongelukkig gekozen synoniem voor bedrijfsvaartuig/beroepsvaartuig.
Op internet viel het eerste gebruik van dit woord te vinden op zilverzeiler.nl. Als datum wordt 7 februari 2004 gegeven. Anno 2012 lijkt het woord nog niet echt ingeburgerd geraakt te zijn.






~beroepsvaartuig: zie bedrijfsvaartuig.





~beroepsvisser :
1> broodvisser: iemand die zijn hoofdinkomen met vissen verdient.

2> het vaartuig dat een beroepsvisser(1) gebruikt.





~beroepsvisserij, broodvisserij:
de visserij, als broodwinning.





~beroepsvrachtvaart:
de beroepsvaart met vrachtschepen.





~beroepszeilschip:
schip dat gebruikt wordt door de zeilende beroepsvaart.





~beroepszeilvaart:
zie bij beroepsvaart/zeilende beroepsvaart.





~beruifelt:
te veel te gelijk moeten (laten) doen, waardoor men het vaartuig niet meer in de hand heeft.
De term schijnt het eerst door Nicolaas Witsen vermeldt te zijn. Latere verzamelaars van scheepstermen lijken de term overgenomen te hebben.






~bersie:
(Groningse?) verbastering van barge.





~bert:
Vlaams voor plank of bord.
Afkomstig van bret of brat hetgeen plank of bord betekent.

GEBROKEN BERT
: Vlaams voor een Friese luikenkap.





~beschieten:
1> betimmeren: het aanbrengen van een wegering of binnenbetimmering.

2> zie afschieten.





~beschieting, beschotwerk, scheepsbeschieting:
1> beschot: in sommige streken synoniem voor wegering.

2> beschot: synoniem voor binnenbetimmering.
3> houten ruimschot.





~beschoeien, schoeien:
een oever van een oeververdediging, in het bijzonder van een beschoeiing, voorzien.





~beschoeiing, schoeiing:
lage oeververdediging bestaande uit een vrijwel vertikale wand van hout, soms ook betonplaten of stalen damwand.





~beschoeiingsanker:
in de grond aangebrachte plaat of balk die via een stang met de beschoeiing verbonden is.





~beschoeiingsbord:
korte brede houten plank van een beschoeiing.





~beschoeiingshout:
hout waarvan beschoeiingen gemaakt worden.





~beschoeiingsmat:
grof, zwaar, kunststof weefsel, dat achter beschoeiingen geplaatst of onder steenstortingen gelegd wordt.





~beschoeiingsplank:
plank van een beschoeiing.





~beschoeiingsschade:
schade veroorzaakt aan een beschoeiing.





~beschoeiingswerk:
de aanleg van of het verrichten van onderhoud aan een beschoeiing.





~beschot:
1≫ oude term voor een schot of wand.
GROOT SCHOT
: een schot over de volle lengte of breedte van de ruimte loopt.
KLEIN SCHOT
: een wandje dat een klein gedeelte in een ruimte begrensd.

2> beschieting: ander woord voor binnenbetimmering of wegering.





~beschotwerk: beschieting.





~beseisketting, stropketting :
variant op de kettingleng; eind ketting voorzien van een flinke ring aan één zijde waarmee men een schuivende lus kan vormen.
Anno 2011 vindt Google geen vermeldingen van dit door G.J. Schutten vermelde woord.






~beslaan:
1> weinig gebruikte term voor opdoeken. Zie in dit verband ook beslagband. Andere bronnen stellen echter dat beslaan synoniem is met aanslaan. Zie daarvoor beslaglijn.

2> beslag(1), in het bijzonder mastbanden e.d., aanbrengen.





~beslag :
1> scheepsbeslag:houten of metalen delen die tegen, op, of om, een groter scheepsonderdeel bevestigd zijn.
Zie ook beslagdeel, giekbeslag, mastbeslag, stevenbeslag, zwaardbeslag, enz,.

2> waterdichte laag van een oeververdediging.





~beslagband:
1> seizings aan het bovenlijk van sommige sprietzeilen, waarmee men het zeil kon opdoeken. Zie in dit verband ook beslaan.

2> metalen band rond een rondhout.
Gerelateerde termen: mastband, mastbeugel, giekband.





~beslagbindsel:
raband.





~beslagblok:
zie bij blok.





~beslagdeel:
1> stuk beslag dat in combinatie met een ander stuk beslag gebruikt wordt.

2> klein stuk beslag. Meestal gebruikt om verbindingen te verstevigen of onderdelen te beschermen.





~beslaglijn:
1> zie bindsellijn.

2> lijn waarmee men een zeil aan een ra bindt. Zie ook beslagseizing.





~beslagseizing, beslaglijn:
lijn waarmee de zeilen worden beslagen/aangeslagen.





~beslagsteen:
zware ankersteen voorzien van een omgekroppen metalen band met daaraan een oog.





~beslechten:
het (met een dissel) rechthoekig hakken van een rond stuk hout. Bijvoorbeeld het hout dat voor krommers en leggers gebruikt werd.





~besomming:
de netto opbrengst van de visvangst.





~bespanting:
al de spanten te samen.





~bestek :
1> besteklijst: bij een nieuw gebouwd schip opgemaakte lijst van meegeleverde zaken en materialen.

2> bouwbestek.

3> lijst van navigatie gegevens.
BESTEK BIJHOUDEN
: de gevarenkoersen en tijden, en de gemeten of gegiste snelheden in het logboek bijschrijven.
BESTEK OPMAKEN
: aan de hand van de gegevens uit het logboek en eventueel verrichte peilingen, de positie van het schip berekenen.[U>]
GEGIST BESTEK
: een bestek, dat zonder controle door middel van peilingen, opgemaakt wordt.

4> lage opstaande rand langs het dek, die deels bestaat uit het bestekhoekstaal en meestal niet veel hoger is dan dat. [A>]
Verwante term: voetreling.





~bestekhoekijzer:
zie bestekhoekstaal.





~bestekhoekstaal, bestekhoekijzer :
bovenliggend, opstaand, dekstringerhoekstaal.
[A> tekeningen]





~besteklijst: bestek(1).





~bestemmingshaven:
de haven waar men naar toe moet.





~bestevenen:
naar toe varen, als doel nemen. [U>]





~bestillen:
van de wind: rustiger worden.





~bestort worden:
door golven overspoeld worden.





~betakelen :
1> bezetten: het aanbrengen van een takeling.

2> optakelen.

3> zie toetakelen.





~betakeling:
minder gebruikelijk woord voor takeling/bindsel.





~betakelingsijzer:
soort stalen kleedkuil voor het bekleden van staaldraad.





~betanen:
met taan bestrijken. Vergelijk tanen.





~betengelen:
bij breeuwnaden waar het aanliggende hout verrot is, dit hout weghakken en in de breeuwnaad een lat aanbrengen. [T>]
Gerelateerde term: stukkeren.





~Bètchète:
tot ca. 25 ton groot vaartuig van de Maas. Tot nu toe één vermelding [E>] gevonden.





~betimmeren: beschieten.





~betimmering, scheepsbetimmering :
1> binnenbetimmering.
SPIJKERVASTE BETIMMERING
: de binnenbetimmering inclusief al het vaste meubilair.

2> soms ook gebruik voor wegering.





~beting, beding:
1> oorspronkelijk: elke extra stevige bolder op een schip.

2> sleepbeting: constructie van twee vertikale palen of buizen met een horizontale balk of buis daartegen aan. Eigenlijk een dubbele kruisbeting, mogelijk ook H-beting, geheten. Elk der vertikale palen worden somtijds betingstijl, speen of monnik, het horizontale deel betingslaper genoemd. [A>] Gerelateerde termen: springbeting, achterbeting, voorbeting, sleepbok, tornbolder, mosselwagen.
TREKKRACHT OP DE BETING
: de kracht, die een sleepboot, wanneer deze daar met vol vermogen aan trekt, op een stilstaand voorwerp kan uitoefenen.

3> de wangen van een braadspil.

4> voorste deel van de draam.

5a> volgens G.J. Schutten: hoog in het voorschip geplaatste, dwarsscheepse balk waaraan de sleep- of ankertros of een landvast gezet werd. Zie ook betingbalk.
b> volgens Nicolaas Witsen: de betingbalk/betingslaper.

6> Vlaamse term voor een verbindingsstuk boven op de statie; ook bril genoemd.
De beting had vroeger op grote zware schepen nog een functie voor de bezaanmast, maar later wordt het meer een sierstuk, waar op hoogtijdagen een versierd hakkebord tegen geplaatst kon worden. Sommige scheepstypes met statie hebben nooit een beting gehad, bij anderen is hij in de loop der tijden soms verdwenen.
Bron: Maurice Kaak.






~betingbalk:
1> verbindingsstuk tussen de voorste dramen.

2> één van beide der voorste dramen.

3> betingslaper: horizontale deel van een beting.

4> bedelbalk.





~betingbout:
stalen pen, dwars door de kop van een beting of zware houten bolder.





~betingknie:
steun welk een betingstijl steunt.





~betingkop:
zie betingspeen.





~betingskop:
zie betingspeen.





~betingslaper, betingbalk:
horizontale balk van een beting.





~betingspeen, betingkop, betingskop, speen, monnik:
het boven de betingslaper uitstekende deel van de betingstijlen.
Betingspeen en monnik schijnen in de 17de eeuw ook wel synoniem gezeest te zijn met betingstijl.






~betingspoor:
in het schip geplaatste fundatie welke de beting(2) draagt.





~betingstijl, betingstut, staander:
de vertikale paal van een beting(2). Volgens sommigen ook speen genoemd.





~betingstuk:
niet voldoende belend. Deel van een houten beting(2).





~betingstut:
zie betingstijl.





~betonnen:
het vaarwater van drijvende bakens voorzien.
Gerelateerde term: verboeien.





~betonning:
bebakening met boeien, tonnen en drijfbakens.





~betonningsstaat:
bijlage van de zeemansgids waarin de positie en kenmerken van alle bakens, die in het door de gids behandelde gebied voorkomen, opgenomen zijn.





~betonningsstelsel: bebakeningsstelsel.





~betonningsvaartuig, boeienlegger, tonnenlegger:
vaartuig dat boeien, tonnen, drijfbakens, steekbakens, e.d. plaatst en onderhoud.
Zie ook rijksbetonningsvaartuig, gasvaartuig.





~beug:
1> eigenlijk: de totale hoeveelheid in het water gebracht vistuig.
a> hoekwantbeug, reep, kordeel: vistuig, bestaande uit een lange tros, de balk, waaraan sneuen met haken verbonden zijn.(In leken taal: zeer lang stuk dik touw, waaraan zijlijntjes met haken bevestigd zijn.)
Of het verschillend gebruik van reep, beug en hoekwant uitsluitend een taalkwestie is of dat er misschien ook andere aspecten een rol spelen is mij niet geheel duidelijk.

b> verzameling op elkaar volgende visnetten. Zie ansjovisbeug.

2> beugel.





~beugel, beug:
1> werktuig waarmee men zand, grind, veen/turf, bagger en schelpen van de bodem opschept. Een stevige stok met aan het uiteinde een schuinweg geplaatste stalen ring waarin een zak van linnen of jute bevestigd is.
Gerelateerde termen: zandbeugel, baggerbeugel, baggerlap, beugelschipper, flodderen.

2> plaatselijk: een schepnet.





~beugelaar:
1> beugelschipper.

2> baggertrekker: iemand die de beugel hanteert.





~beugelen:
met een beugel zand, grind, veen/turf, bagger of schelpen van de bodem van het water in het schip of op de oever brengen.
De meest bekende gebruik in de binnenvaart is het beugelen van zand, waarmee ondermeer de schippers van de Hollandse IJssel 'beroemd' geworden zijn. De beugel, een, tot 10 meter lange stok, met daaraan schuinsweg een metalen ring voorzien van een zak, was in een dergelijk geval voorzien van een linnen zak. Hiermee werd het zand van de rivierboden geschraapt en naar boven gebracht. Vroeger werd deze dan met een behendige zwaai vanaf het water in het schip gebracht. Om het werk te vergemakkelijken ging men de beugel via een lijn met een handlier hijsen. De lijn liep via een grote schijf (of fietswiel) die hoog in de mast of aan de opgerichte giek hing. Men gebruikte dan een beugel met een doorsnede van ca. 40cm. De zak kon dan zo'n 70 kg zand bevatten. Op die manier laadde men zo'n 350 à 400 kg zand per uur. Met de komst van de motorlieren werden de beugels groter en kon men in kortere tijd meer laden. Bron: Binnenvaart 2010/2/blz44ev.

Gerelateerde term: flodderen.





~beugelklem:
U-vormig gebogen stuk staal met door één van de benen een zware bout, waarmee, tijdens de bouw van het schip, de gangen tegen de spanten geklemd werden.





~beugelschipper:
1> schipper, die zelf het zand of grind beugelt.

2> nog tot in de jaren 80 gebruikte benaming voor een zandschipper.





~beugelwerk:
de arbeid die men met het beugelen verricht.





~beugen:
met de beug, in dit geval hoekwant, vissen.





~beuger:
plaatselijk (Huizen, Bunschoten): iemand die met een beug hoekwant vist.





~beuling:
1> half ronde houten lijst, meestal gebruikt om de kopse kant van houten delen (bijv. van het roefdek) af te dekken.

2> houten of stalen schuurlijst.
Zie ook: schuurplaat (slijtplaat), aanloopplaat, schuurstrook, (slijtstrook), slijtstrip.
3> berghoutsstrip, berghoutslat of beulingijzer.





~beulingijzer:
1> stalen schuurlijst.
2> berghoutsstrip.





~beun:
1a> een waterdicht ruim, waarvan de inhoud dusdanig is dat wanneer het ruim met nat zand gevuld is, het gewicht van de lading het laadvermogen van het schip niet te boven gaat. [A>]
Gerelateerde termen: beunschip, beunbak, splijtbak, elevatorbak, beunstoep, enz.
b> Vlaams en mogelijk ook Nederlands het ruim van een zoetwaterschip.

2a> in sommige streken en ook vroeger vaak gebruikt als synoniem voor bun.
b> tevens: smalle langwerpige uitsparing in de romp van een vaartuig of ponton, zoals men die ondermeer aantreft bij emmermolens en diverse zuigers.
Wederom is het eigenlijk een BUN want het gaat hier immers om een met buitenwater gevulde ruimte, die binnen de omtrek van het schip ligt.


3a> overdekt gedeelte voor de stuurkuip, bij sommige vissersschepen. Ondermeer te Arnemuiden ook kot genoemd.
b> Vlaams voor stuurkuip.

4> dode ruimte, zijbeun: volledig gesloten ruimte onder het gangboord, tussen ruim, beun(3) of ladingtanks en de scheepshuid.






~beunbak, zandbak, grindbak:
1> beunduwbak: duwbak voorzien van een beun(3).

2> vaartuig zonder opbouwen en voortstuwing, voorzien van een beun(3). [A>]
Zie verder ook bij beunschip.





~beunbodem:
de onderkant van de beun.





~Beunboot, visboot:
soort Zalmdrijver ongeveer 10,5 x 2,7m groot.





~beundekschuit:
dekschuit met beun(3).
Zie verder ook bij beunschip.





~beunduwbak:
duwbak voorzien van een beun(3). Zie ook bakschuit.
Zie verder ook bij beunschip.





~beunkoeler:
zie bunkoeler en de opmerking bij bun.





~beunkoeling:
zie bunkoeling en de opmerking bij bun.





~beunroer, bunroer:
koproer dat in een bun getrokken kan worden, opdat het niet onder het vlakvan het schip uit zal steken. Zie ook: ondertrekker.





~beunschip:
1> vrachtschip met een beun(3). [A>]
Beunschepen worden gebruikt voor het vervoer van nat zand, bagger en aanverwante ladingen.

Gerelateerde termen: zandhaas, zandmotor, motorbeunschip, loospoort, vloeiklep.
2>
SEMI-BEUNSCHIP
: vaartuig met een waterdicht ruim dat niet onder de gangboorden doorloopt. Vaak een containerschip.
ZELFZUIGEND BEUNSCHIP
: zie hopperzuiger.





~beunschipper, zandschipper:
schipper op een beunschip.





~beunstoep:
de hogere zij- en achterkanten van het boven het dek uitstekende deel van de beun.





~beunwand:
de wand aan de binnenzijde van de beun(4).





~beurtbevrachting:
zie bij beursbevrachting.





~beurs:
1> verkorting van schippersbeurs.
op de beurs liggen
: liggen wachten tot men via de beurs aan een reis komt.
2>
IN BEURS VAREN
: in bepaalde gebieden, in bepaalde tijden, gemaakte afspraak tussen beurtschippers dat men de gezamenlijke inkomsten, na aftrek van de algemene onkosten, onder de schippers verdeelt.





~beursbevrachting:
bevrachting via een systeem van eerlijke vrachtverdeling.
Het wordt beursbevrachting genoemd omdat de afhandeling van de bevrachting in het beursgebouw plaats vond. Omdat ieder op zijn beurt bevracht wordt, spreekt men ook wel van beurtbevrachting, toerbeurt of beursrolsysteem.

Gerelateerde term: kroegbevrachting.





~beursbevrachtingskantoor:
vermoedelijk Vlaamse term voor schippersbeurs, maar ook daar wordt deze term niet of nauwelijks gebruikt.





~beursboekje:
zie bevrachtingsboekje.





~beursdwang:
ten tijde van de EV: de verplichting die verladers, bevrachters hebben om bepaalde ladingen via de beurs te bevrachten.





~beursmeester:
voorzitter van de bevrachtingscommissie, ten tijde van de evenredige vrachtverdeling.





~beursnummer:
volgnummer dat men kreeg wanneer men zich voor een reis bij de beurs aanmeldde.
Zie ook vakantienummer en reparatienummer.





~beursplaats:
plaats waar een schippersbeurs gevestigd is.





~beurspolis:
niet voldoende bekend. Vermoedelijk een vorm van verzekering, die via de bevrachtingscommisie afgesloten werd. Of dit alleen een ladingverzekering of ook een casco en inboedelverzekering betrof is me niet bekend.





~beurspooier:
zie bij runner.





~beursrol:
Vlaamse term voor beurslijst.





~beursrolsysteem:
Vlaamse term voor het systeem van beursbevrachting.





~beurt:
1> verkorting van beurtvaart.

2>
aan de beurt zijn
: op de schippersbeurs het laagste nummer hebben.





~beurtbestemming:
in officiële geschriften gebruikte term voor een beurtplaats(1).





~beurtbevrachting, toerbeurt:
weinig gebruikte benaming voor het systeem van, of systemen gelijkend op dat van, de evenredige vrachtverdeling. Soms ook gebruikt als synoniem voor 'Evenredige vrachtverdeling', dat ook een systeem van beurtbevrachting is.
Uit deze term ontstonden begrippen 'als op de beurt varen' en 'beurtvaart'. Dat laatste geeft natuurlijk verwarring met de beurtvaart van de beurtdiensten.






~Beurtboeier:
beurtschip met de kenmerken van een Boeier, maar vaak iets afwijkende verhoudingen.





~beurtdienst:
1> het, met een schip, volgens een vast traject, op geregelde tijden, vervoeren van passagiers en/of goederen. De Beurtvaart bedrijven.
Men onderscheidt het trekveer en het zeilveer, in later tijd ook de motorveerdienst en stoomveerdienst. Bij de lange trajecten over de grote rivieren en het grote open water spreekt men ook van lijndiensten.

2> een beurtvaartonderneming.





~Beurtdienst De Hoog:
Goudse beurtdienst onderneming, die diverse goederen naar diverse plaatsen zoals Rotterdam, Amsterdam, Zaandam, transporteerde. [TA>]




~beurtdienstonderneming:
zie beurtvaartonderneming.





~beurtkap:
zie beurtluikenkap.





~beurtklipper:
schip, van het type klipper, dat voor de beurtvaart gebruikt wordt.





~beurtlijst:
bij bepaalde systemen van vrachtverdeling bijgehouden lijst, waarop de aangemelde schepen, hun eigenschappen en het tijdstip van melding genoteerd werden. Ook beursrol genoemd.
Sommige systemen met beurtlijsten waren zeer fraude gevoelig. Men kon zich aanmelden voordat men leeg was en men kon ook aangemeld blijven terwijl men ondertussen een op andere wijze verkegen reis uitvoerde.
Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte men gebruik van beurtlijsten in plaats van van het systeem van Evenredige vrachtverdeling. In deze jaren gold voor alle schepen dat ze zich op de beurtlijsten moesten laten plaatsen om voor vracht in aanmerking te komen.






~beurtluik:
vrijwel vlak stalen scheepsluik waarmee het ruim op beurtschepen afgedekt werd.
De term is eigenlijk alleen van toepassing op luiken die samengesteld zijn uit een plaat met langs de randen een lange, soms heel licht gebogen, hoeklijn met dwars daartussen korte stukjes hoeklijn ter versteviging. Zij overspannen de volle breedte tussen de den in één keer. De geperste stalen luiken staan vaak zo bol dat men liever van een Belgische luikenkap spreekt.






~beurtluikenkap, beurtkap:
luikenkap met vrijwel vlakke stalen luiken; beurtluiken.





~beurtman:
1> beurtschip of de schipper op een beurtschip.

2> zie bij Fries beurtschip.





~beurtmotor:
zie motorbeurtschip.





~beurtplaats:
1> beurtplek: plaats, die door een beurtschip aangedaan wordt.

2> (gereserveerde) ligplaats voor een beurtschip.





~beurtplek:
1> ligplaats voor een beurtschip.

2> beurtplaats.





~beurtregeling:
zie evenredige vrachtverdeling.





~beurtreis:
de reis van een beurtschip.





~beurtrol:
Vlaams voor evenredige vrachtverdeling.





~beurtschip, beurtvaarder:
1> eigenlijk ieder schip waarmee men beurtvaart bedrijft, dus niet alleen de zeilende, maar ook de schepen die gejaagd werden of van een mechanische voortstuwing gebruik maakten. [A>]
Gerelateerde termen: veerschip, jaagschuit, doorjager, boeglegger.

2> in de tijd van de zeilvaart gebruikt om onderscheid te maken tussen een zeilend beurtschip, kortweg beurt- of veerschip en een jaag- of trekschuit.

3> onbepaald scheepstype. De term wordt vaak gebruikt als typeaanduiding voor het, op dat moment en in dat gebied gebruikelijke, scheepstype dat voor de beurtvaart gebruikt wordt.
In de tijd van de zeilvaart in het begin vaak wijd- en smalschepen of (veer)kagen, later meer boeier- of tjalkachtig scheepjes.
Bij de komst van de stoombeurtschepen overgegaan op het daarvoor gebruikelijke type (zie stoombeurtschip) en rond 1920 gebruikt voor op Luxe-motors of op motorscheepjes gelijkende schepen.

Fries beurtschip
: zie aldaar.





~beurtschipper, beurtman, veerschipper, landjevaarder:
schipper op een beurtschip.





~beurtschippershuis:
woning van een beurtschipper, in het bijzonder een woning, vaak tevens dienend als kantoor of commiezenhuisje, tevens voorzien van een schuur die, of terrein dat, voor tussentijdse opslag van goederen kan dienen.





~beurtschouw:
de term wordt/werd als zijnde het scheepstype bij een model in het Antwerps scheepvaartmuseum vermeld. Het model toont een vaartuig van rond 1800 met een duidelijke platte heve waartegen een forse stevenbalk geplaatst is. Verdere informatie ontbreekt.
Het woord 'beurtschouw' heb ik in geen enkele andere bron kunnen vinden. Mogelijk is het woord door de bouwer van het model gevormd.






~Beurtschuit:
1> Fries scheepstype, vaak iets tussen een Boeier en een Tjalk. Beurtschuiten  van rond de twaalf meter werden in Friesland ook Kofke genoemd.

2> niet al te grote Zuid-hollandse schuit die voor de beurtvaart onder meer tussen Antwerpen op Lillo, Boom, Doel, Temse, enz. gebruikt werd. De beurtschuit had een gaffeltuig voorzien van staande gaffel zonder giek. Het ontbreken van de giek was een voordeel bij de passage van smalle bruggen. De zware gaffel werd met twee gaffelgaarden in bedwang gehouden. Deze gaffelschuiten verschenen vermoedelijk tegen het eind van de 17de eeuw op het toneel. Het lijkt er op dat men in de loop van de 19de eeuw de zware staande gaffel, die ook bij het laden en lossen gebruikt werd, toch bezwaarlijker vond dan het binnenboord moeten halen van een giek en verschenen er beurtschuiten met een strijkende gaffel. De schepen waren niet al te groot, maar hadden een forse breedte. Voorkomende maten waren 14 à 17 meter lang, tot vijf meter breed en een diepgang van 15 tot 18 decimeter. Ze maten gemiddeld 30 ton. Naar het schijnt hadden de beurtschuiten geen statie en geen paviljoen of roef. Op het helmhout preikte een fraai beschilderde klik.





~Beurtsnik:
Snik, in de beurtvaart.





~Beurtzomp:
zie bij Zomp.





~Beurttjalk:
beurtschip van het type tjalk. In Friesland ook Kofke genoemd.

Lees: Inleiding tot scheepstypes en tekst TJALKEN.





~beurtvaarder:
1> beurtschip.

2> een schipper op een beurtschip.





~beurtvaart:
de geregelde vaart, ongeacht het ladingaanbod, tussen twee of meer plaatsen.
beurtvaart bedrijven
: Een beurtdienst onderhouden
Het systeem van de beurtvaart is rond 1500 ontstaan. Al spoedig ontwikkelde zich dit tot een efficient transport systeem dat het grootste deel van het vervoer van goederen en personen - ook de trekschuit was immers een beurtdienst - voor zijn rekening nam. Alleen massagoederen en bijzondere vrachten werden in de 'Wilde vaart' vervoerd. Met de afschaffing van het systeem der gilden, rond 1800, ontstonden er verschuivingen in het beurtsysteem en verdween het alleenrecht dat elke dienst op zijn eigen traject had langzamer hand. De wet Openbare Vervoermiddelen uit 1880 bekrachtigde deze ontwikkeling.
[E> Zeer informatief relaas over de beurtvaart; de Amsterdamse beurtvaart in het bijzonder op Theobakker.net (pdf bestand). E> Artikel door Jan Sepp bij LVBHB.nl]
Gerelateerde termen: beurtdienst, beurtveer, beurtschip, veerschip, marktschip, dorpsschuit, wildevaart, regelvaart, relatievaart, evenredige vrachtverdeling.





~beurtvaartadres:
vervoersdocument dat in de beurtvaart gebruikt werd.
Het beurtvaartadres was een tevoren opgestelde vervoersovereenkomst met vooraf bepaalde vaste tarieven. Lange tijd bestonden er meerdere vormen naast elkaar. Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam er een uniform systeem.






~beurtvaartbordje:
naambordje van een beurtvaartdienst, of een plaatsnaambordje, dat getoont werd, wanneer er lading voor die dienst of die bestemming aangeboden werd.
Onderandere langs de Zaan scheen men van dit waarschuwingssysteem gebruik te maken. De bordjes werden door aan het water gelegen bedrijven, wanneer zij wat te vervoeren hadden, geplaatst. In minder drukke gebieden liep het waarschuwingssysteem soms via de brugwachter of havenmeester. Dit systeem betrof natuurlijk alleen ladingen die bij bedrijven afgehaald werden. De overige ladingen moesten altijd naar de ligplaats van het beurtschip gebracht worden.






~beurtvaartonderneming, beurtdienstonderneming, beurtvaartrederij, beurtvaartdienstbeurtdienst:
bedrijf dat met één of meerdere schepen een beurtdienst onderhoudt.
Gerelateerde term: pakschuitdienst.





~beurtvaartschip:
schip waarmee men beurtvaart bedrijft.





~beurtvaartvergunning:
vergunning die men nodig had om een beurtdienst uit te mogen oefenen.





~beurtvaartvloot:
de totale verzameling aan beurtschepen.





~beurtveer:
1> een scheepvaartverbinding tussen twee (of meer) plaatsen welke met behulp van meerdere schepen onderhouden wordt.
Immers een veer is een scheepvaartverbinding tussen twee of meer plaatsen en 'beurt' komt voort uit het feit dat meerdere schippers en schepen, ieder op zijn beurt, een keer voer.
Zoals zo vaak is er in de loop der tijden een zekere begripsverschuiving geweest. Ik krijg de indruk dat men in 19de eeuwse geschriften meestal van beurtveer spreekt, ongeacht het aantal schepen wat de dienst uitvoert en ongeacht het aantal plaatsen dat aangedaan wordt. In de twintigste eeuw spreekt men meestal van een beurtveer wanneer men over groot water vaart en van beurtdienst wanneer men op het echte binnenwater blijft. Het is echter mogelijk dat dergelijke voorkeuren per streek verschilden. In plaats van beurtveer spreekt men ook wel van een veerdienst.


Gerelateerde termen: lijndienst, waterbus, trekschuit.

2> soms onjuist gebruikt als synoniem voor beurtschip.
Gerelateerde termen: waterbus, trekschuit.





~beurtveerdienst:
dubbelzegging. Lelijk en foutief Nederlands voor beurtveer.





~beurtverkeer:
de scheepvaart met beurtschepen.





~beurtvervoer:
het vervoer per beurtschip.





~beurzen:
regelmatig de schippersbeurs bezoeken.





~bevaarbaar, vlotbaar:
een bepaald water of traject met het schip kunnen bevaren.





~bevaarbaarheid:
de mate waarin iets te bevaren is.





~bevaren:
1> bevletten: (ww) varen op of over.
2> (bijv.nw.) vaak, als bemanningslid, gevaren hebbend.





~bevletten:
oud Nederlands voor bevaren.
Zie ook: vletten.





~bevoorradingsvaartuig:
vaartuig dat boortorens en werkplatforms van materialen voorziet.
Alhoewel een zeegaandvaartuig beschikken dit soort schepen toch over een zogenaamde binnenmeting.





~bevrachten, afscheper:
1> het werk van een bevrachter.

2> zie bij laden.





~bevrachter, scheepsbevrachter, expediteur, inlader, cargadoor:
persoon, die bemiddelt tussen iemand die een lading te vervoeren heeft, de verlader, en iemand die de lading vervoert, de schipper. De termen tijdbevrachter en reisbevrachter worden bijna uitsluitend in wetboeken gebruikt. Ze worden gebruikt om onderscheid te maken met een rompbevrachter en een 'gewone' bevrachter.
Gerelateerde term: foutvracht.





~bevrachting:
de bemiddeling tussen verlader en vervoerder/schipper.





~bevrachtingsboekje, vrachtboekje, beursboekje:
bij een vrachtschip behorend document, dat men ten tijde van de evenredige vrachtverdeling moest kunnen overleggen om voor lading in aanmerking te komen. [A>]
Gerelateerde termen: bevrachtingszegel, zegelkosten.





~bevrachtingscommissie, vrachtcommissie:
 ten tijde van de evenredige vrachtverdeling: het, uit vertegenwoordigers van verladers, bevrachters en schippers bestaand, bestuursorgaan van de schippersbeurs
De bevrachtinscommisies zetelden te Leeuwarden, Groningen, Veendam, Meppel, Zwolle, Dordrecht, Venlo, Maastricht, 's-Hertogenbosch, Breda, Terneuzen, Rotterdam, Leiden, Utrecht, Amersfoort, Amsterdam, Haarlem, Alkmaar.





~bevrachtingscontract:
zie bevrachtingsovereenkomst.





~bevrachtingskantoor:
kantoor, waarin één of meerdere bevrachters werkzaam zijn.





~bevrachtingsovereenkomst, bevrachtingscontract, charterpartij, charterparty :
overeenkomst tussen de bevrachter en de schipper waarin ondermeer bepaald wordt waar en wanneer er geladen gaat worden, wat en (ongeveer) hoeveel er geladen gaat worden en waar er gelost zal moeten worden.
De situatie verandert als het schip geladen is. De schipper heeft dan immers een lading, die een bepaalde som geld vertegenwoordigt en die niet van hem is, in zijn bezit. De schipper krijgt dan de vrachtbrief of cognossement.
Via de beurs had men altijd een overeenkomst voor een enkele lading. Buiten de beurs om had men meestal een overeenkomst voor meerdere reizen.






~bevrachtingszegel:
zegels, die ten bewijze van betaling van de verschuldigde 'leges', beter bekend als zegelkosten, in het bevrachtingsboekje geplakt dienden te worden. [A>]





~bewaarboot:
door een analfabeet verzonnen term voor een vrachtSCHIP dat de Gemeentelijke havendienst (BBA) van Amsterdam ingericht heeft om kleine vaartuigen, waarvan de eigenaar zich niet meldt, in op te slaan.





~bewederen:
door ongunstige weersomstandigheden gedwongen worden te blijven liggen. Verouderde term. Zie ook bezet raken.
Bron: Nicolaas Witsen.






~beweerd:
zie bewederen.





~bewegeren, wegeren:
een schip van binnen van planken, een wegering, voorzien.





~bewegering:
Zie wegering.





~bewoelen:
van een woeling voorzien, misschien echter ook bekleden.





~bewoelening:
zie woeling.





~Beyeraak:
Zie Beijeraak.





~Beyerlandse boot:
zie Beijerlandse schuit.





~Beytel, Beytelschip: oude schrijfwijze van Beitelschip.





~bezaan:
1> eigenlijk: de achterste, klein mast (inclusief tuigage) op zeeschepen. Ook in de binnenvaart in die betekenis gebruikt, alhoewel ik wel de indruk krijg dat de term tegenwoordig een stuk populairder is dan vroeger. [A> bezaan op kofschip.]

2> bezaantuig, bezaanstuig:
(vroeger) de tuigage, of het type zeil, dat op dat moment voor de bezaan op de zeeschepen in zwang was.
a> eind middeleeuwen: (tuigage met) latijnzeil.
b> 16de eeuw, op kleine vaartuigen (jachten): tuigage met een variant op het latijns zeil met één schuin geplaatste roe.
c> 17de en 18de eeuw: tuigage met staande gaffel, vaak zonder giek.
d> eind 18de tot in de 20ste eeuw: tuigage met korte losse gaffel, in het begin soms nog zonder giek.
Sommige schrijvers verstaan onder een gaffeltuig/zeil een tuig/zeil met een staande gaffel en onder een bezaanstuig/zeil een tuig/zeil met een vallende gaffel.

VALLENDE BEZAAN/GAFFEL
: gaffelzeil met strijkbare gaffel. Meestal een gaffeltuig genoemd.
FRIESE BEZAAN
: gaffelzeil met strijkbare kromme (of gebogen) gaffel.
DE BEZAAN OP HAAR GAT ZETTEN
: de (bezaans)schoot sterk aanhalen.

3> onder invloed van 'vallende bezaan' en 'Friese bezaan' door sommigen ook als synoniem voor gaffel gezien.

4> soms gebruikt voor de druil.

5> plaatselijk gebruikt voor de aap(2).
Alhoewel P. Dorleijn in zijn werken over de Zuiderzeevisserij de term bezaan gebruikt en dit zeil daar ook het meest gebruikt werd, zijn er ook velen die de voorkeur geven aan de term 'aap'. De term bezaan wordt immers al veelvuldig voor twee andere zeilen/tuigages gebruikt.






~bezaan......: zie ook bezaans..... N.B. niet ALLE samenstellingen met bezaan zijn opgenomen!





~Bezaanhoogaars: zie Bezaanzeilhoogaars.





~bezaantuig: zie bezaan.





~bezaansgaffel:
gaffel van de bezaan(3).





~bezaansgat:
stuurkuip onder de bezaan(2/3).





~bezaansgiek:
de giek van de bezaan(3).





~bezaanshals:
de hals van de bezaan(3).





~bezaanshalstalie:
de halstalie van de bezaan(3).





~bezaanshijs: bezaansklauwval.





~bezaansklauwval:
de klauwval van de bezaan(3).





~bezaanslier:
tuiglier van de bezaan(3).





~bezaanslummel:
de lummel van de bezaan(3).





~bezaansmast:
1> druil: kleine achterste mast.

2> de achterste mast.





~bezaanspiekeval:
de piekeval van de bezaan(3).





~bezaansrif:
een rif in de bezaan(3).





~bezaanschoot, bezaansschoot:
schoot van de aap of van de bezaan(3). [U>]





~bezaanschuit:
algemene benaming voor Schuiten getuigd met een grootzeil voorzien van een strijkende gaffel en een giek.
Vergelijk gaffelschuit.





~bezaansstag:
een stag van de bezaan(3), meestal een zijstag.





~bezaansstagzeil, aap:
driehoekig zeil aan de voorstag van de bezaansmast. Slechts op enkele zeer lange zeilschepen, zoals de Keen, vond men dat er genoeg plaats was voor een voorstag en werd er ook van een bezaanstagzeil gebruik gemaakt.





~bezaansstutter, bezaanstutter:
boom waarmee de schoothoek van de aap(2) uitgehouden wordt.





~bezaanstuig, druil:
zie bezaan(1/2).





~bezaanswant:
het want van de bezaan(3), meestal bedoelt men uitsluitend de zijstagen.





~bezaanszeil, bezaanzeil:
1> het zeil dat aan de bezaansmast gevoerd wordt.

2> een gaffelzeil.





~Bezaanvisschuit:
andere benaming voor bepaalde Visschuiten van 't Overmaas waaronder de Scholschuit en Pernisser Bezaanschuit. Deze schepen voeren een grootzeil met giek en strijkende gaffel. Verwant is de gaffelvisschuit.





~Bezaanzeilhoogaars, Bezaanhoogaars:
Hoogaars met gaffelzeil. Bijna alle Hoogaarsen, behalve de Arnemuidense hoogaars, voeren op het laatst met een gaffeltuig.
[Zie ook Zeelandnet.nl/Jepeka E>]
Als tegenhanger geldt de Sprietzeilhoogaars.





~bezeilbaar:
hoedanigheid waarbij er gezeild kan worden.
De term kan ondermeer betrekking hebben op de windkracht, de windrichting, het vaarwater, maar ook op het schip zelf. In een aantal gevallen gebruikt men soms de term zeilbaar.





~bezeild:
1> met een zeilschip afgelegd hebben.
2>
BEZEILD ZIJN
: als bemanningslid geregeld op een zeilschip gevaren hebbend.
3>
BEZEILD ZIJN
,
HET KUNNEN BEZEILEN
: zonder overstag te hoeven gaan, ergens naar toe kunnen zeilen.
Gerelateerde term: belopen.
4>
EEN GOED BEZEILD SCHIP
: een schip dat makkelijk of snel zeilt.





~bezeildheid:
de mate waarin een schip snel of makkelijk zeilt. Verouderde term.





~bezeilen:
zeilend afleggen.





~bezet:
BEZET RAKEN/ZIJN
: ergens met een schip liggen en daar, om bepaalde redenen niet, of moeilijk, weg kunnen komen.
Vroeger uitsluitend gebruikt voor wanneer men met het schip aan de grond geraakt was. Bezeten was. Niet voor situaties waarbij het weer een rol speelde; wanneer men bewederd was.






~bezeten:
aan de grond zitten. (Verouderd.)
Bron: Nicolaas Witsen.






~bezetten:
zie betakelen.





~bezetting: takeling.



Volgende





© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Amersfoort.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

De verantwoording en rechten inzake door derden ingezonden materiaal berusten bij de inzenders!

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken