Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~ben:
1>motkorf, motkoer:
aan een lange stok bevestigde tenen mand, waarmee men mot in de naden van het onderwaterschip trachtte te brengen.
[T>breeuwen.]
vismand. In sommige gewesten een vismand waarin vis getransporteerd wordt.
Deze manden waren niet cirkelvormig van doorsnede maar iet wat afgeplat. Daarbij stond één zijde een beetje hol op dat de mand, die met een stok over de schouder gedragen werd, goed tegen de rug lag. Bron: OudTzummarum.nl
~Benarolie:
(productnaam) op blanke lak gelijkend conserveringsmiddel voor hout.
~bendtouw:
over het algemeen touw ter dikte van schiemansgaren.
~bendsel,
bendel:
1>knittelend, bindsel:
in de Rijnvaart gebruikelijk synoniem voor het bindsel waarmee het uiteinde van de strang vastgezet werd. Soms britteltouwtje genoemd. De term is afkomstig uit het Duits.
2> in de Rijnvaart: door een eind touw met de uiteinden aan elkaar te knopen gevormde zeer ruime lus, die rond de strangen geknoopt wordt om het strangenvissen te vergemakkelijken. Ook gebruikt om in een meegeknoopt verfblik berichten te versturen.
~benedenloop,
benedenstroom:
van een rivier: volgens schippers: het gedeelte van de rivier waar deze zich sterk verbreed en/of het gedeelte waar (vroeger) de invloed van eb en vloed merkbaar is (was).
1>mannetje, bintje, berestander:
tegen de buitenzijde van het boeisel bevestigd vertikaal 'paaltje', meestal direct naast het kluisbord of bij het ontbreken daarvan, een eindje naast de steven.
[A>]
De term berestander wordt o.a. door de schrijvers J.W, van Dijk en G.J. Schutten gebruikt.
2> op een soort van sleepbeugel achter een strangenlier aanwezige opstaande paaltjes, bij wijze van draadgeleiding.
~beretandschild:
houten dwarsschot tegen de achterzijde van de beretanden.
: een schip, dat in dusdanige moeilijkheden verkeert, dat het zonder hulp verloren zou gaan, helpen of een schip dat gezonken is, boven water brengen of verwijderen. [T>Bergen.]
DE ZEILEN BERGEN
: a> de zeilenafslaan, en op een veilige plaats, bijv. in de zeilkooi, wegleggen. b> vaak gebruikt in de betekenis van de zeilen strijken en daarna opdoeken.
~berging,
scheepsberging:
het geheel van handelingen, die verricht worden bij het boven water halen en/of verwijderen van gezonken of vastgevarenschepen. Indien reeds tevoren vaststaat dat het vaartuig als geheel verloren kan worden beschouwd, spreekt men ook van wrakberging.
[T>Bergen.] [A>films]
~bergingsbedrijf,
bergingsmaatschappij,
bergingsdienst:
bedrijf, dat gespecialiseerd is in het bergen van gezonken vaartuigen en wrakken.
~bergingscontract,
bergingsovereenkomst
:
overeenkomst welke tussen de berger en het rechtspersoon dat opdracht tot de berging geeft, gesloten wordt.
~bergingscondities: 1> de voorwaarden welke in het bergingscontract genoemd worden.
2> de omstandigheden waaronder de berging plaats vindt.
~bergingsloon:
vergoeding, die men ontvangt of kan eisen voor het bergen van vaartuigen en de daarbij behorende goederen. Zie ook hulploon en tornloon.
~bergingsmateriaal:
al het materiaal dat tijdens een berging gebruikt wordt.
~bergingsmaterieel:
alle voer-, vaar- en werktuigen welke tijdens een berging gebruikt worden.
~bergingssleepboot,
bergingsboot:
een sleepboot, die uitgerust is om bij bergingen te assisteren.
De term 'bergingsboot' is een ongewenste samenvoeging van bergingsvaartuig en sleepboot. In bijna alle gevallen gaat het namelijk niet om een boot, maar om een schip [uitleg]
~Rederij Bergman:
Amsterdamse Rederij, vermoedelijk begonnen als sleepboot rederij, exploitant van diverse veerdiensten en sinds 1912 rondvaartbotenrederij. In de jaren tachtig opgegaan in rondvaartrederij Holland Internationaal.
[T> Bergmann op theobakker.net]
Zie ook: Bergmannbootje.
overzetbootje
van de Fa. Bergmann, Amsterdam, waarmee o.a. een verbinding tussen het Centraal Station en Amsterdam-N onderhouden werd. Oorspronkelijk hadden deze scheepjes ieder een eigen naam, later heetten ze 'Heen en weer' met een volgnummer I t/m VI. Deze scheepjes droegen, vanwege een reclame opschrift voor scheepjeswol, de bijnaam wolscheepjes.
[E>]
Al noemt men het een Bergmanbootje een overzetbootje het is een scheepje!
~bergreis:
een grote verplaatsing van een schip over de rivier, in het bijzonder de Rijn, die het schip naar een verder stroomopwaarts gelegen plaats brengt.
Gerelateerde term: daalreis.
~bergschuit:
niet met zekerheid bekend. De term wordt onder andere bij de beeldbank van de Gemeente Amsterdam gebruikt voor een schuit waarop een berging, bijv. voor handkarren, fietsen of materialen, aanwezig is.
~bergschutting:
op de bovenrivieren gebruikte term voor de schutting naar een hoger gelegen deel.
~Bergse schouw: Zeeuwse schouw met als thuishaven Bergen op Zoom. Het is niet duidelijk of dit echt een afwijkend type is.
~Bergse schuit,
Bergsche schuit:
nog onbekend scheepstype uit Geertruidenberg.
~bergstrang:
Term uit de Rijnvaart. Zware losse (sleep)kabel, meestal gebruikt om (op de bovenrijn) terwijl op de rivier ligt vast te maken. Indien nodig natuurlijk ook gebruikt als gewone strang.
~bergstrip:
onvoldoende bekend. Vermoedelijk een berghout wat uit niet meer dan een smalle strip bestaat.
Dergelijke berghouten treft men ondermeer aan bij knikspantrompen. Bron: P. Versnel, Vakwoordenboek.
~bergvaarder:
een schip dat te berg, dus stroomopwaarts, vaart.
boerenvaartuig gebruikt voor het vervoer van landbouwproducten en materialen. Open houten vaartuig met sterk voorovervallende licht gebogen voorsteven en sterk achterovervallende achtersteven met daaraan een bijna driehoekig roer. Redelijk smal elipsvormig vlak dat voor en achter iet wat puntig toeloopt. Zwak gebogen naar buiten vallende zijdes. Het voorschip vertoont een rond verloop, het achterschip is iets toegespitst. In het achterschip lag een bankje of stond een laag dwarsschot. Bij het voorschip bevond zich een hooggeplaatste bank en soms ook een dwarsschot. Langs de bovenrand liep een kleine dikke rand als berghout. Bij de stalen exemplaren is dit vervangen door een smal vertikaal bovenboord en is de knik voorzien van een halfronde strip bijwijze van berghout. Als voorkomende maat meldt GJ Schutten 7,6 x 2,1 x 0,65 meter (3 ton). Wat kleiner dan de Berlikumse praam was de Berlikumse boot.
De bank in het voorschip fungeerde (soms) als mastbank voor een eenvoudige mastkoker. De tuigage zal vermoedelijk uit een onverstaagde mast met een klein sprietzeiltje bestaan hebben.
Het afgebeelde stalen exemplaar maakte de indruk een spitser voorschip te hebben dan de pramen op oude postkaarten.
~Berlikumse schouw:
aan de Friese schouw verwant type open boot. Het berghout vertoont een redelijke zeeg, de bovenrand nauwelijks. Afmetingen 4,5x1,5 meter. Verder nog geen gegevens bekend.
Bron: GJ Schutten.
~beroeps: 1> in het spraakgebruik toegepast in de zin van bedrijfsvaartuig. 2> in het spraakgebruik toegepast in de zin van beroepsvaart.
~beroepsvaarder:
persoon die, of vaartuig dat, in de beroepsvaart actief is.
~beroepsvaart,
beroepsbinnenvaart,
bedrijfsvaart:
de scheepvaart van de bedrijfsmatig gebruikte schepen.
ZEILENDE BEROEPSVAART
: Sinds ca. 1970 wordt hieronder de chartervaart verstaan. Daar deze vorm van beroepsvaart jaarlijks bijna zes maanden achter elkaar stil ligt, zijn er velen die dit niet tot de echte beroepsvaart willen rekenen.
Op internet viel het eerste gebruik van dit woord te vinden op zilverzeiler.nl. Als datum wordt 7 februari 2004 gegeven. Anno 2012 lijkt het woord nog niet echt ingeburgerd geraakt te zijn.
~beseisketting,
stropketting
:
variant op de kettingleng; eind ketting voorzien van een flinke ring aan één zijde waarmee men een schuivende lus kan vormen.
Anno 2011 vindt Google geen vermeldingen van dit door G.J. Schutten vermelde woord.
~beslaan: 1> weinig gebruikte term voor opdoeken, andere bronnen stellen echter dat beslaan synoniem is met aanslaan.
~betonningsstaat:
bijlage van de zeemansgids waarin de positie en kenmerken van alle bakens, welke in het door de gids behandelde gebied voorkomen, opgenomen zijn.
~beug:
1> eigenlijk: de totale hoeveelheid in het water gebracht vistuig. a>hoekwantbeug, reep, kordeel:
vistuig, bestaande uit een lange tros, de balk, waaraan sneuen met haken verbonden zijn.(In leken taal: zeer lang stuk dik touw, waaraan zijlijntjes met haken bevestigd zijn.)
Of het verschillend gebruik van reep, beug en hoekwant uitsluitend een taalkwestie is of dat er misschien ook andere aspecten een rol spelen is mij niet geheel duidelijk.
werktuig waarmee men zand, grind, veen/turf, bagger en schelpen van de bodem opschept. Een stevige stok met aan het uiteinde een schuinweg geplaatste stalen ring waarin een zak van linnen of jute bevestigd is.
Gerelateerde termen: zandbeugel,
baggerbeugel,
baggerlap,
beugelschipper,
flodderen.
met een beugel zand, grind, veen/turf, bagger of schelpen van de bodem van het water in het schip of op de oever brengen.
De meest bekende gebruik in de binnenvaart is het beugelen van zand, waarmee ondermeer de schippers van de Hollandse IJssel 'beroemd' geworden zijn. De beugel, een, tot 10 meter lange stok, met daaraan schuinsweg een metalen ring voorzien van een zak, was in een dergelijk geval voorzien van een linnen zak. Hiermee werd het zand van de rivierboden geschraapt en naar boven gebracht. Vroeger werd deze dan met een behendige zwaai vanaf het water in het schip gebracht. Om het werk te vergemakkelijken ging men de beugel via een lijn met een handlier hijsen. De lijn liep via een grote schijf (of fietswiel) die hoog in de mast of aan de opgerichte giek hing. Men gebruikte dan een beugel met een doorsnede van ca. 40cm. De zak kon dan zo'n 70 kg zand bevatten. Op die manier laadde men zo'n 350 à 400 kg zand per uur. Met de komst van de motorlieren werden de beugels groter en kon men in kortere tijd meer laden. Bron: Binnenvaart 2010/2/blz44ev.
~beugelklem:
U-vormig gebogen stuk staal met door één van de benen een zware bout, waarmee, tijdens de bouw van het schip, de gangen tegen de spanten geklemd werden.
~beugelschipper: 1>schipper, die zelf het zand of grind beugelt.
2> nog tot in de jaren 80 gebruikte benaming voor een zandschipper.
~beugelwerk:
de arbeid die men met het beugelen verricht.
~beugen:
met de beug, in dit geval hoekwant, vissen.
~beuger:
plaatselijk (Huizen, Bunschoten): iemand die met een beughoekwant vist.
~beuling: 1> half ronde houten lijst, meestal gebruikt om de kopse kant van houten delen (bijv. van het roefdek) af te dekken.
5>bun: smalle langwerpige uitsparing in de romp van een vaartuig of ponton.
Wederom is er een verwarring met het woord bun. Het gaat hier immers om een met buitenwater gevulde ruimte, die binnen de omtrek van het schip ligt.
Dit type beun treft men aan op emmermolens en diverse zuigers.
: liggen wachten tot men via de beurs aan een reis komt. 2>
IN BEURS VAREN
: in bepaalde gebieden, in bepaalde tijden, gemaakte afspraak tussen beurtschippers dat men de gezamenlijke inkomsten, na aftrek van de algemene onkosten, onder de schippers verdeelt.
Het wordt beursbevrachting genoemd omdat de afhandeling van de bevrachting in het beursgebouw plaats vond. Omdat ieder op zijn beurt bevracht wordt, spreekt men ook wel van beurtbevrachting, toerbeurt of beursrolsysteem.
~beursplaats:
plaats waar een schippersbeurs gevestigd is.
~beurspolis:
niet voldoende bekend. Vermoedelijk een vorm van verzekering, die via de bevrachtingscommisie afgesloten werd. Of dit alleen een ladingverzekering of ook een casco en inboedelverzekering betrof is me niet bekend.
~beurtbestemming:
in officiële geschriften gebruikte term voor een beurtplaats(1).
~beurtbevrachting,
toerbeurt:
weinig gebruikte benaming voor het systeem van, of systemen gelijkend op dat van, de evenredige vrachtverdeling. Soms ook gebruikt als synoniem voor 'Evenredige vrachtverdeling', dat ook een systeem van beurtbevrachting is.
Uit deze term ontstonden begrippen 'als op de beurt varen' en 'beurtvaart'. Dat laatste geeft natuurlijk verwarring met de beurtvaart van de beurtdiensten.
~Beurtboeier: beurtschip met de kenmerken van een Boeier, maar vaak iets afwijkende verhoudingen.
~beurtdienst: 1> het, met een schip, volgens een vast traject, op geregelde tijden, vervoeren van passagiers en/of goederen. De Beurtvaart bedrijven.
Men onderscheidt het trekveer en het zeilveer, in later tijd ook de motorveerdienst en stoomveerdienst. Bij de lange trajecten over de grote rivieren en het grote open water spreekt men ook van lijndiensten.
2> een beurtvaartonderneming.
~beurtdienst De Hoog:
Goudse beurtdienst onderneming, welke diverse goederen naar diverse plaatsen zoals Rotterdam, Amsterdam, Zaandam, transporteerde. [TA>]
~beurtklipper:
schip, van het type klipper, dat voor de beurtvaart gebruikt wordt.
~beurtlijst:
bij bepaalde systemen van vrachtverdeling bijgehouden lijst, waarop de aangemelde schepen, hun eigenschappen en het tijdstip van melding bijgehouden werden. Ook beursrol genoemd.
Het systeem met beurtlijsten was zeer fraude gevoelig. Men kon zich aanmelden voordat men leeg was en men kon ook aangemeld blijven terwijl men ondertussen een op andere wijze verkegen reis uitvoerde.
De term is eigenlijk alleen van toepassing op luiken die samengesteld zijn uit een plaat met langs de randen een lange, soms heel licht gebogen, hoeklijn met dwars daartussen korte stukjes hoeklijn ter versteviging. Zij overspannen de volle breedte tussen de den in één keer. De geperste stalen luiken staan vaak zo bol dat men liever van een Belgische luikenkap spreekt.
~beurtluikenkap,
beurtkap: luikenkap met vrijwel vlakke stalen luiken; beurtluiken.
1>
eigenlijk ieder schip waarmee men beurtvaart bedrijft, dus niet alleen de zeilende, maar ook de schepen die gejaagd werden of van een mechanische voortstuwing gebruik maakten. [A>]
Gerelateerde termen:
veerschip,
jaagschuit,
doorjager,
boeglegger.
2> in de tijd van de zeilvaart gebruikt om onderscheid te maken tussen een zeilend beurtschip, kortweg beurt- of veerschip en een jaag- of trekschuit.
3> onbepaald scheepstype. De term wordt vaak gebruikt als typeaanduiding voor het, op dat moment en in dat gebied gebruikelijke, scheepstype dat voor de beurtvaart gebruikt wordt.
In de tijd van de zeilvaart in het begin vaak wijd- en smalschepen of (veer)kagen, later meer boeier- of tjalkachtig scheepjes.
Bij de komst van de stoombeurtschepen overgegaan op het daarvoor gebruikelijke type
(zie stoombeurtschip) en rond 1920 gebruikt voor op Luxe-motors of op motorscheepjes gelijkende schepen.
~beurtschippershuis:
woning van een beurtschipper, in het bijzonder een woning, vaak tevens dienend als kantoor of commiezenhuisje, tevens voorzien van een schuur die, of terrein dat, voor tussentijdse opslag van goederen kan dienen.
~beurtschouw:
de term wordt/werd als zijnde het scheepstype bij een model in het Antwerps scheepvaartmuseum vermeld. Het model toont een vaartuig van rond 1800 met een duidelijke platte heve waartegen een forse stevenbalk geplaatst is. Verdere informatie ontbreekt.
Het woord 'beurtschouw' heb ik in geen enkele andere bron kunnen vinden. Mogelijk is het woord door de bouwer van het model gevormd.
~Beurtschuit: 1> Fries scheepstype, vaak iets tussen een Boeier en een Tjalk. Beurtschuiten van rond de twaalf meter werden in Friesland ook Kofke genoemd.
niet al te grote Zuid-hollandse schuit welke voor de beurtvaart onder meer tussen Antwerpen op Lillo, Boom, Doel, Temse, enz. gebruikt werd. De beurtschuit had een gaffeltuig voorzien van staande gaffel zonder giek. Het ontbreken van de giek was een voordeel bij de passage van smalle bruggen. De zware gaffel werd met twee gaffelgaarden in bedwang gehouden. Deze gaffelschuiten verschenen vermoedelijk tegen het eind van de 17de eeuw op het toneel. Het lijkt er op dat men in de loop van de 19de eeuw de zware staande gaffel, welke ook bij het laden en lossen gebruikt werd, toch bezwaarlijker vond dan het binnenboord moeten halen van een giek en verschenen er beurtschuiten met een strijkende gaffel.
De schepen waren niet al te groot, maar hadden een forse breedte. Voorkomende maten waren 14 à 17 meter lang, tot vijf meter breed en een diepgang van 15 tot 18 decimeter. Ze maten gemiddeld 30 ton. Naar het schijnt hadden de beurtschuiten geen statie en geen paviljoen of roef. Op het helmhout preikte een fraai beschilderde klik.
~beurtvaartbordje:
naambordje van een beurtvaartdienst, of een plaatsnaambordje, dat getoont werd, wanneer er lading voor die dienst of die bestemming aangeboden werd.
Onderandere langs de Zaan scheen men van dit waarschuwingssysteem gebruik te maken. De bordjes werden door aan het water gelegen bedrijven wanneer zij wat te vervoeren hadden geplaatst. In minder drukke gebieden liep het waarschuwingssysteem soms via de brugwachter of havenmeester. Dit systeem betrof natuurlijk alleen ladingen die bij bedrijven afgehaald werden. De overige ladingen moesten altijd naar de ligplaats van het beurtschip gebracht worden.
~beurtvaartonderneming,
beurtdienstonderneming,
beurtvaartrederij,
beurtvaartdienst,
beurtdienst:
bedrijf dat met één of meerdere schepen een beurtdienst onderhoudt.
Gerelateerde term: pakschuitdienst.
~beurtvaartschip:
schip waarmee men beurtvaart bedrijft.
~beurtvaartvergunning:
vergunning die men nodig had om een beurtdienst uit te mogen oefenen.
~beurtvaartvloot:
de totale verzameling aan beurtschepen.
een scheepvaartverbinding tussen twee (of meer) plaatsen welke met behulp van meerdere schepen onderhouden wordt.
Immers een veer is een scheepvaartverbinding tussen twee of meer plaatsen en 'beurt' komt voort uit het feit dat meerdere schippers en schepen, ieder op zijn beurt, een keer voer.
Zoals zo vaak is er in de loop der tijden een zekere begripsverschuiving geweest. Ik krijg de indruk dat men in 19de eeuwse geschriften meestal van beurtveer spreekt, ongeacht het aantal schepen wat de dienst uitvoert en ongeacht het aantal plaatsen dat aangedaan wordt.
In de twintigste eeuw spreekt men meestal van een beurtveer wanneer men over groot water vaart en van beurtdienst wanneer men op het echte binnenwater blijft. Het is echter mogelijk dat dergelijke voorkeuren per streek verschilden. In plaats van beurtveer spreekt men ook wel van een veerdienst.
~bevrachter,
scheepsbevrachter,
expediteur,
inlader,
cargadoor:
persoon, die bemiddelt tussen iemand die een lading te vervoeren heeft, de verlader, en iemand die de lading vervoert, de schipper. De termen tijdbevrachter en reisbevrachter worden bijna uitsluitend in wetboeken gebruikt. Ze worden gebruikt om onderscheid te maken met een rompbevrachter en een 'gewone' bevrachter.
Gerelateerde term: foutvracht.
~bevrachting:
de bemiddeling tussen verlader en vervoerder/schipper.
~bevrachtingscommissie,
vrachtcommissie:
ten tijde van de evenredige vrachtverdeling: het, uit vertegenwoordigers van verladers, bevrachters en schippers bestaand, bestuursorgaan van de schippersbeurs.
De bevrachtinscommisies zetelden te Leeuwarden, Groningen, Veendam, Meppel, Zwolle, Dordrecht, Venlo, Maastricht, 's-Hertogenbosch, Breda, Terneuzen, Rotterdam, Leiden, Utrecht, Amersfoort, Amsterdam, Haarlem, Alkmaar.
~bevrachtingskantoor:
kantoor, waarin één of meerdere bevrachters werkzaam zijn.
~bevrachtingsovereenkomst,
bevrachtingscontract,
charterpartij,
charterparty
:
overeenkomst tussen de bevrachter en de schipper waarin ondermeer bepaald wordt waar en wanneer er geladen gaat worden, wat en (ongeveer) hoeveel er geladen gaat worden en waar er gelost zal moeten worden.
De situatie verandert als het schip geladen is. De schipper heeft dan immers een lading, die een bepaalde som geld vertegenwoordigt en die niet van hem is, in zijn bezit. De schipper krijgt dan de vrachtbrief of cognossement.
Via de beurs had men altijd een overeenkomst voor een enkele lading. Buiten de beurs om had men meestal een overeenkomst voor meerdere reizen.
~bevrachtingszegel:
zegels, die ten bewijze van betaling van de verschuldigde 'leges', beter bekend als zegelkosten, in het bevrachtingsboekje geplakt dienden te worden. [A>]
~bewegeren,
wegeren:
een schip van binnen van planken, een wegering, voorzien.
eigenlijk: de achterste, klein mast (inclusief tuigage) op zeeschepen. Ook in de binnenvaart in die betekenis gebruikt, alhoewel ik wel de indruk krijg dat de term tegenwoordig een stuk populairder is dan vroeger. [A>bezaan op kofschip.]
2>bezaantuig, bezaanstuig:
(vroeger) de tuigage, of het type zeil, dat op dat moment voor de bezaan op de zeeschepen in zwang was.
a> eind middeleeuwen: (tuigage met) latijnzeil. b> 16de eeuw, op kleine vaartuigen (jachten): tuigage met een variant op het latijns zeil met één schuin geplaatste roe. c> 17de en 18de eeuw: tuigage met staande gaffel, vaak zonder giek. d> eind 18de tot in de 20ste eeuw: tuigage met losse gaffel, in het begin soms nog zonder giek.
~bezaansstagzeil,
aap:
driehoekig zeil aan de voorstag van de bezaansmast. Slechts op enkele zeer lange zeilschepen, zoals de Keen, vond men dat er genoeg plaats was voor een voorstag en werd er ook van een bezaanstagzeil gebruik gemaakt.
~bezaansstutter,
bezaanstutter: boom waarmee de schoothoek van de aap(2) uitgehouden wordt.
~bezeilbaar:
hoedanigheid waarbij er gezeild kan worden.
De term kan ondermeer betrekking hebben op de windkracht, de windrichting, het vaarwater, maar ook op het schip zelf. In een aantal gevallen gebruikt men soms de term zeilbaar.
~bezeild: 1> met een zeilschip afgelegd hebben. 2>