Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~baar: 1> grote golf, door natuurlijke
oorzaken ontstaan. 2> vrij onbekende term voor een
ondiepte voor een
riviermond.
~baard: 1>aangroeisel,
in
het
bijzonder wier dat zich net onder de waterlijn
aan het schip gehecht
heeft. 2>kluisbaard. 3> brekende golf naast het
voorschip, vaak de boeggolf genoemd.
~baardlaag:
laag van rijshout waarop men een krib
in
de rivier uitbouwt.
~baardwerk:
datgene wat met een baardlaag
aangebracht is.
~backhoe dredger,
backhoe:
engels woord voor wat men in het Nederlands meestal een kraanponton of baggerponton noemt.
Het Engelse woord 'backhoe' staat voor een hydraulische graafarm welke aan de achterzijde van tractoren, wiellaadschoppen, e.d. gemonteerd is. Het is mijns inziens daarom fout een dergelijk vaartuig 'backhoe dredger' te noemen.
~backingroer:
half-nederlands, half-engels woord voor roeren, die men bij het
achteruit varen gebruikt, meestal flankingroeren
genoemd.
~BaCobak:
Baco staat voor Barge and Container. Soort van duwbak, die in, voor dat doel
gebouwde,
afzinkbare, zeeschepen getransporteerd kan worden. Afm. 24 x 9,5 x 4,1
m. ca. 800 ton. [E>Bacoliners;
foto's, film, etc. ] Gerelateerde termen: Lashbak, kopbak.
~baggerbeugel,
trekbeugel:
een soort beugel, welke
men bij het baggeren
gebruikt. Afhankelijk van het soort werk voorzien van een scherpe rand aan de ring (wanneer
waterplanten los gesneden moeten worden) en aan de ring een zak of
net van grof weefsel tot fijn gaas.
Gerelateerde term: putemmer.
Ik ben me er niet zeker van of met een trekbeugel uitsluitend een baggerbeugel bedoeld wordt.
~baggeren: 1> in het algemeen: grond met een zeer hoog gehalte aan water opgraven, opscheppen.
2> de bodem van een water afgraven en het opgegravene naar elders transporteren.
3> met een schip door (te) ondiep water, met zachte bodem, varen.
~baggergat: 1>baggerput: uitgegraven deel, waarin bagger gestort zal worden. 2> ongebruikelijke naam voor een kleigat. 3> door baggeren ontstaan grindgat, kleigat of zandput.
~baggerleven:
niet erg gangbaar begrip; het leven van de baggerwerkers.
Naar het schijnt is de emmermolen de meest gangbare molen. Het is mij niet bekend of er in Nederland nog andere baggermolens actief geweest zijn of hoe deze genoemd werden.
~baggerplan:
overzicht van op welke plaatsen/gebieden gebaggerd moet worden en tot op welke diepte dat moet geschieden. Een dergelijk plan wordt door de opdrachtgever opgesteld.
stalen raam- of kistvormige constructie, voorzien van messen, tanden,
o.i.d., waarmee de bodem van een vaarwater losgewoeld kan worden.
Baggerploegen worden door ploegsleepboten
gebruikt bij het ploegen
of egaliseren. [A>]
~baggerploegen: 1> door middel van een baggerploeg,
voortgetrokken
door
een sleepboot, de
bodem loswoelen,
opdat de heersende stroming de bagger
weg zal voeren. Zie ook: krabbelaar.
2>egaliseren.
Kraanpontons die in het baggerwezen gebruikt worden, zijn meestal voorzien van een hydraulische graafmachine. Bij de lichtere machines zijn dit meestal mobiele machines. Bij de grotere exemplaren zijn deze machines meestal vast opgesteld. Sommige mensen noemen dit een backhoe of een backhoe dredger. Behalve dan dat deze benaming geen Nederlands is, blijkt deze naamgeving eigenlijk ook nog eens fout te zijn. Zie verder bij backhoe dredger.
~baggerschuit,
modderschuit: 1> kleine baggerbak.
2> soort dekschuit
met beun, die bij het
transport van bagger
gebruikt wordt.
3> willekeurig vaartuig
dat
voor het transport van bagger gebruikt wordt.
~baggerwereld:
niet duidelijk omschrijfbaar begrip. Ongeveer gelijk aan de baggervaart.
~baggerwerk:
het totaal van handelingen dat bij het baggeren verricht wordt.
~baggerwerker:
persoon die in het baggerwezen werkzaam is.
~baggerwerktuig:
willekeurig vaartuig
of willekeurige drijvende
inrichting voorzien van een mechanische installatie waarmee men bagger van de bodem verwijderd.
Het woord sluit andere werktuigen, die bij het baggeren gebruikt worden niet uit. Schrijvers zullen daarvoor een oplossing moeten zoeken in het gebruik van toevoegingen of tussenvoegsels, bijvoorbeeld 'drijvend baggerwerktuig', baggerhandwerktuig, enz., meestal zal echter wel uit de context blijken om welke categorie van werktuigen het zich handelt.
~baggerwezen:
alles wat met het baggeren te maken heeft.
~baggerzuiger:
vaartuig of drijvend werktuig dat door middel van een krachtige pomp gekoppeld aan een lange buis bagger en grond van de bodem van het vaarwater zuigt. Tegenwoordig vaak een snijkopzuiger soms ook een hopperzuiger.
De term baggerzuiger wordt zowel gebruikt voor zuigers die het in de loop der jaren in het water geraakte materiaal verwijderen als voor zuigers die het vaarwater uitdiepen.
~bagijnezeil,
begijnezeil:
Tegenwoordig geschreven als bagijnenzeil of begijnenzeil?
Helaas nog niet bekend.
~bajonetsluis:
onbekende term voor een sluis,
met brede
kolk en 'verspringende' sluisdeuren.
D.w.z. dat het ene stel deuren zoveel mogelijk aan bakboord en het andere stel
zoveel mogelijk
aan stuurboord (of
omgekeerd)
geplaatst is.
veel samenstellingen met bakboord zijn niet opgenomen
. 1> wanneer men in de gebruikelijke vaarrichting kijkt, de
linkerkant van
het
schip. [U>]
De andere zijde noemt men stuurboord.
Onder de gebruikelijke vaarrichting verstaat men de richting waarin het schip zich, behalve
wanneer het aan het manoeuvreren is, beweegt.
Bakboord en stuurboord zijn dus afhankelijk van de vaarrichting! Op een heen-en-weer worden de navigatielichten dan ook 'gewisseld'.
(Deze schepen bezitten vaak een dubbele verlichting, voor elke vaarrichting één. Afhankelijk van de vaarrichting wordt het ene of het andere set gebruikt.) De meeste andere schepen zullen echter, ook wanneer zij gedurende langere tijd achteruit varen, de normale verlichting blijven voeren.
BAKBOORD UIT GAAN
(stuurboord uit gaan):
een bocht naar links (rechts) maken.
HARD BAKBOORD GEVEN
(hard stuurboord geven):
een scherpe bocht naar links (rechts) maken.
(over stuurboord liggen):
de giek naar bakboord (stuurboord)
uit hebben staan.
2> kreet waarmee men, tijdens het zeilen,
andere zeilschepen, te kennen geeft,
dat men voorrang heeft.
Alhoewel velen de term 'licht' gebruiken, als ze het geheel van behuizing en lichtbron bedoelen, meen ik toch dat men de voorkeur dient te geven aan het gebruik van het woord 'lantaarn'.
~bakdekker,
bakdekkruiser,
: motorvaartuig met een verhoogd voordek
en een daarop aansluitende stuurhut.
[A>]
Vooral als pleziervaartuig ingebruik geweest.
De term 'bakdekker' wordt hier gebruikt als verzamelnaam voor een aantal op elkaar gelijke types. Opname van deze types valt, mijns inziens buiten het bestek van deze site. Zie daarvoor E>oudeglorie.nl.
~baken,
baak: 1> Elk herkenbaar punt dat door een schipper ter
oriëntering gebruikt kan
worden.
2> Alle, ten behoeve van de scheepvaart,
in of nabij het water
geplaatste voorwerpen, die voor het volgen van het vaarwater van belang zijn.
De bakkenzuiger is daartoe uitgerust met een zuigbuis aan de zijde van de bak. Tevens heeft de zuiger een tweede pompinstallatie waarmee water met grote kracht in het te lossen vaartuig gespoten kan worden. De meeste bakkenzuigers kunnen ook als gewone zandzuiger gebruikt worden en hebben daarvoor dus ook de normale zuigbuis.
Lang niet alle zeilschepen bezaten bakstagen. Weliswaar kan men bij het gebruik van bakstagen met een lichtere mast volstaan, maar de bakstagen zitten bij het zeilen de giek in de weg. Gewoonlijk heeft men alleen de bakstag aan loefzijde vast staan. Verandert men dusdanig van koers dat loef en lij wisselen, dan zal men voortijdig de bakstag los moeten maken, de giek over moeten laten komen en de andere bakstag, die dan dus aan loef zit, vast moeten zetten. De bakstag is meestal met een haak aan een bakstagputting gehaakt en voorzien van een takel, de bakstagstalie, zodat men de lengte kan variëren en de spanning kan regelen.
~bakstagsklaploper,
bakstagklaploper:
eigenlijk een klaploper, waarmee de bakstag op spanning gebracht wordt. Vaak echter ook gebruikt als synoniem voor bakstagstalie.
~bakzeilhalen:
vaart moeten minderen, door de zeilen bak(5)
te zetten, om een ander voorrang te
verlenen. [U>]
~balansroer: roer, waarbij de
druk van het schroefwater
op het gedeelte van het roerblad
voor de roerkoning,
bijna net zo groot is als de
druk op het achterste deel. [A>]
~balgstuw: stormvloedkering
bestaande
uit een grote 'rubberen' balg, die in lege toestand in een goot
dwars in het vaarwater ligt en die in opgeblazen toestand het vaarwater volledig afdamt.
~balie:
grote houten
kuip
of ton.
~baliën:
een ton of vat, waarin het gehoosde
water verzameld is, uit het schip
brengen en overboord
leeg
kiepen.
~balkenvlot,
houtvlot:
vroeger waarschijnlijk veelvuldig als synoniem voor houtvlot gebruikt.
Eigenlijk alleen van toepassing op vlotten die met gezaagd hout
samengesteld worden.
Het is mogelijk dat men niet expliciet balkenvlotten bedoelt
en dat de term ook als het om de gewone houtvlotten
gaat gebruikt wordt.
~balkenvlotterspoor:
los metalen, van punten voorzien, beslag, dat balkenvlotters onder hun
laarzen
bonden om het uitglijden op de natte stammen te voorkomen.
~balkwegering:
bovenste, meestal wat dikkere, en vaak niet uitneembare, plank van
de wegering.
~ballast:
1> gewicht dat tot doel heeft het schip
zwaarder te maken of waarmee men het schip
wilt trimmen.
HALF DODE BALLAST
:
passagiers aan boord van
een zeilschip
(die indien nodig naar loef
gestuurd kunnen
worden). 2> slecht betaalde lading.
EEN
REISJE
IN BALLAST DOEN
: om niet leeg 'terug' te moeten,
een
slecht betalende lading vervoeren.
~ballastbak:
ongeveer midscheeps
geplaatste, dwarsscheeps
verschuifbare,
houten kist waarin ballast,
meestal in
de vorm van zandzakjes, geplaatst is. De ballastbak wordt gebruikt
om bij kleine, enigzins overtuigde,
scheepjes, zoals
bijvoorbeeld de Tjotter,
het vaartuig
minder scheef te doen gaan.
~ballasten:
extra gewicht, ballast,
innemen of
aanbrengen.
~ballastinrichting:
de term heeft voornamelijk betrekking op de pompen, kranen, aan- en afvoerleidingen die bij het ballasten gebruikt worden.
~ballastjet:
werktuiglijk aangedreven waterpomp met zeer grote capaciteit,
waarmee men een schip ballast.
~ballastpomp:
pomp waarmee men ballastwater in en uit de ballastruimte kan pompen.
~ballastruimte:
ruimte die benut kan worden om ballast te bergen.
~ballastschip:
in de tankvaart: een tankschip, dat het (vervuilde)
ballastwater
van andere tankers overneemt.
~bandstuk,
band:
deel van het boeisel,
dat de linker en
de rechterzijde van de rest van het boeisel, achter de steven langs, met elkaar
verbindt en dat uit
één stuk hout gevormd wordt.
~bandwals:
mechanische constructie, meestal voorzien van drie rollen, waarmee
stripstaal en smalle stroken rondgezet werden. [A>]
Belgisch vrachtschip met de maximale maten, die voor het kanaal naar Charleroi golden. Die maat was ca. 19,5 m. lang bij maximaal 2,8 m. breed en ca. 1,9m. diep. De tonnenmaat kwam dan op ca. 70 ton.
Het bakeetje behoort tot de groep van Walen. Zij werden eerst in hout en later ook in staal gebouwd. Het type is rond 1830 na de voltooiing van het kanaal Brussel-Charlerois ontstaan. De schepen werden met paarden gejaagd. Het schip had een vrij kort roer, met linnet. Bijboot, zeil en ankergerei schenen de schepen niet te bezitten. Bij Klein Willebroek werden de ontbrekende zaken gehuurd en voer men geladen tot aan Antwerpen. Deze smalle scheepjes waren erg instabiel en eenmaal leeggekomen voeren de schepen daarom twee aan twee. Ze werden daartoe, zowel bovenlangs, als onder de schepen door, gesjord.
Een middenstandswoning, zoals de grote soortgenoten, had deze 'balant' niet. Men moest zich in een klein en benauwd achterondertje zien te behelpen. Licht en frisse lucht kwam uitsluitend via het kleine toegangsluik in het dek binnen en met regenachtig weer was men genoodzaakt een paraplu boven de ingang te plaatsen. De vaart op het kanaal naar Charlerois wordt daarom wel 'de parapluvaart' genoemd.
[A>Afbeeldingen]
[E>Vaartips.nl]
[E>binnenvaartforum]
~Barge:
Frans woord. Midden 19de eeuw in het Nederlands gebruikt voor een
(snel) stoomschip,
dat een beurtdienst
vaart. Later ook gebruikt voor motorbeurtschepen.
In Friesland bij
uitbreiding: ook een trekschuit.
~Bark: scheepstype.
Bekend als zeilend
zeeschip, maar in de late Middeleeuwen mogelijk ook een type dat op
het (grote) binnenwater
gebruikt
werd. Geen verdere gegevens bekend.
~Barkas: 1> kleine open of halfgedektemotorboot, meestal gebruikt
voor het
transport
van personen, naar in de haven
liggende
zeeschepen. 2> Oorspronkelijk een open roei/zeilboot,
in grootte volgend op de sloep,
aan
boord van zeilende
zeeschepen.
~barlijnstoel,
barleer,
barlijn: luikenstoeltje.
Mogelijk
zijn barring en barlijn
(barleer) aan elkaar
verwant. Barlijn en barleer zijn waarschijnlijk vormen waarbij het
toevoegsel stoel is weggevallen.
~barring:
ongebruikt of waardeloos rondhout.
(Zeeterm? in de binnenvaart
nauwelijks bekend.)
barring is uit het Engels afkomstig en betekent onder andere: lang, regelmatig gevormd, massief voorwerp.
~barringijzer:
weinig gebruikte term voor boomijzer.
~basisstation:
de plaats waarvan de tijden van hoog- en laagwater bekend zijn en van waaruit men, met behulp van het havengetal de tijden van hoog- en laagwater voor een bepaalde plaats berekend.
~bat, barte:
los 'brugdek', meestal bestaande uit slechts enkele zware planken.
Gerelateerde term: zet.
Over het algemeen wordt de term betonningsstelsel gebruikt,
maar feitelijk slaat de term betonningsstelsel alleen op de drijvende
bakens, terwijl bebakeningsstelsel ook de vaste en op de wal geplaatste
bakens omvat.
~Beckerroer,
flaproer: roer met aan de achterzijde van het roerblad
een scharnierend deel dat, bij het verdraaien van het roer, sterker uitslaat dan het roer zelf.
Gerelateerde term: Optima roer.
~bed: 1>bedding. 2>bodemprofiel.
3>zaat:
bij een vastgevaren
of gezonkenschip:
door
het schip gevormde 'kuil' in de grond. 4> kunstmatig aangebracht, of in een
bepaalde vorm
gebracht, gedeelte van de bodem.
~Beenhakker:
stalen bijboot, met knikspantromp en luchtkisten, die tussen de
tweede
wereldoorlog en de jaren tachtig veel bij vrachtschepen
gebruikt werd. Veel
geïmmiteerd type, met, ondanks de knikspantromp, een vletachtig uiterlijk en daarom
(zeer
verwarrend)
ook (schippers)vlet
genoemd.
[A>]
Verwant zijn: de Turry
en de Lelievlet.
~beer:
1>beerklamp.
2> gemetselde waterkering met scherpe bovenkant.
~begeleidingsvaartuig,
begeleidingsboot(je):
vaartuig van een overheidsdienst dat een ander vaartuig begeleid.
Het begeleidend vaartuig fungeert in de meeste gevallen als loods of als waarschuwer, bijv. omdat het begeleide vaartuig om één of andere reden slecht manoeuvreerbaar is. Vooral tijdens de tweede wereldoorlog voeren schepen op bepaalde stukken vaarwater onder begeleiding.
De term BOOT zal, daar het vaartuig in kwestie vaak van dekken en een opbouw voorzien is, in de meeste gevallen fout zijn (uitleg).
~beheerloon:
vergoeding, die aan de strandvonder
(of soortgelijk persoon dan
wel instelling) bij het afhalen van aangespoelde of opgeviste
goederen, betaald moet worden.
~behoud:
de afstand, die men, terwijl men één koers
aanhield, afgelegd heeft. (Zeeterm?)
~behoudsorganisatie:
organisatie, die zich inzet voor het behoud van een bepaald type of een bepaalde
catagorie van, vaartuigen.
Veel behoudsorganisaties zijn
verenigd in het F.O.N.V. .
~Beitelaak:
17de eeuws scheepstype. Geen gegevens bekend. Mogelijk gelijk aan
het beitelschip.
17de eeuws en mogelijk nog ouder vrij primitief scheepstype. Nogal
rechthoekige dwarsdoorsnede. Overnaadse, zijdes, achter samenkomend tegen een vertikale steven,
voor aansluitend op een brede, zo'n beetje rechthoekige, sterk vooroverhellende, heve. Voerden vaak een emmerzeil en hadden vrij slanke zwaarden, die voor de mast aangehangen waren. Sommige exemplaren hadden twee zwaarden aan elke zijde.
~bekisting:
houten schotten, die, tijdens de tweede wereldoorlog, rond stuurhut en roef getimmerd werden om de inslag van kogels en granaatscherven te dempen.
~bekkeboord, bekboord:
korte wigvormige gang.
Meestal bij de
aanzet van de kiel of de stevenbalken te vinden.
~bekken:
een dwars op het schip gerichte stroming corrigeren door schuin tegen
de stroomrichting in te varen.
Mogelijk ook van toepassing op schuin tegen de wind in varen? Zie ook wraakhoek.
De tieren worden daartoe eerst met dun touw gevuld, getrenst,
deze worden met een bindsel vastgezet. Vervolgens wordt het geheel met een strook zeildoek omwikkeld, gesmart. Dit wordt met
een aantal marlsteken vastgezet. Het geheel wordt tenslotte met dun touw of staaldraad omwikkeld.
Herculestouw wordt bekleed met touw schiemansgaren, staaldraad behoort met bindseldraad omwikkeld te worden.
Om de omwikkeling goed strak rond de splits te kunnen leggen, maakt men gebruik van een
kleedkuil,
draaier,
kleedspaan,
draaistok of wat inventieve geesten er nog meer voor verzonnen hebben.
Wanneer de bekleding gereed is wordt deze met lijnolie of verf waterdicht gemaakt.
Alleen stagen en soms ook staaldraadvallen worden bekleed. Hijsdraden e.d. niet.
b>
Voornamelijk toegepast op harde voorwerpen; voor het mooi, voor een
beter houvast, als bescherming tegen slijtage of stoten, enz. De
bekleding kan in dit geval bestaan uit een eenvoudige omwikkeling met
touw, welke naderhand meestal geschilderd wordt; of uit varkensruggen, katnings, al dan niet afgewisseld met turkse knopen.
~beknijpen:
men spreekt van beknijpen, als het gedeelte van het touw waar veel spanning op
staat, een ander
gedeelte van het touw, het losse uiteinde bijv., vastklemt.
~belegkruis:
aan of rond de schinkel(2a) bevestigde
houten of metalen dwarsstuk waarop men een touw kan beleggen.
[A>]
Naar het schijnt werden belegkruizen toegepast op de bakstagtalies, maar op oude
illustraties treft men ze zelden aan en is de bakstagloper
meestal op een kikker, die aan het bovenboord gezet is belegd.
~Belgisch luik: dwarsscheeps
gebogen luiken.
Tot in de 19de eeuw was dit
model luiken ook in Nederland gebruikelijk, maar werd uiteindelijk
geheel verdrongen door de Friese
luikenkap.
Belgische luiken waren oorspronkelijk van hout. Twee gebogen
balkjes met daar dwars tussen een groot aantal korte planken. Begin
20ste eeuw werden de houten luiken verdrongen door stalen. Eerst
bestaande uit een staalplaat, die met hoeklijntjes in model gebracht en
gehouden werd, later werden de platen, compleet met omgezette randen en
verstevigings ribbels, in model geperst. De laatste ontwikkeling is de
toepassing rondgebogen van aluminium golfplaat of damwandprofiel. [A>]
~Bellay:
fabrikant van gasgeneratoren (met dwarsvergassing).
~Bellay-koeler:
onderdeel gasgenerator: droge gaskoeler, waarbij het gas door, met water omgeven pijpen, stroomt.
~bellengordijn:
door middel van een dwars over de bodem liggende, geperforeerde
pijp, waarin lucht geperst wordt, opgewekt 'scherm' van kleine
luchtbellen, waarmee men tracht vermenging van het water aan de ene
kant van het gordijn, met water aan de andere kant van het gordijn,
te voorkomen. Gebruikt als zoutwaterkering
en bij
baggerwerkzaamheden.
~beloodsen:
een schipper
behulpzaam zijn bij het
vinden van de juiste vaarroute.
~Beltiger bonpunter: Beltiger punter met een bun. (In NW-overijssel spreekt men blijkbaar van 'bon' i.p.v. 'bun'.) De bun was ca. 60cm lang, die van de Giethoornse punter iets meer dan negentig.
~Beltiger punter:
sterk op de Giethoornse punter gelijkend scheepje, dat ten
zuiden van Giethoorn in gebruik was. Volgens sommige bronnen zou deze punter kleiner zijn dan de Giethoornse. G.J. Schutten geeft als opvallendste verschil echter de ca. 12 cm hogere voorsteven en het daarmee gepaard gaande hogere voorschip. Ook zou de Beltiger punter uitrust zijn met een stel roeidollen.
Ook de Beltiger punter kende, net zoals de Giethoornse een variant met bun: de Beltiger bonpunter.
~beltvaart:
de scheepvaart tussen Nederland en de Deense oostkust.
Deze term heeft, voor zover ik weet, vrijwel uitsluitend betrekking op de vaart met binnenvaartschepen vanuit Nederland, door het Nood-Oostzeekanaal naar de Deense kust. Zie ook ommelandvaart.