banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.




Woordenlijst B




~baak:
vroeger het enkelvoud van baken.





~baalhaak:
zie bij zakhaak.




~baan:
1> strook zeildoek tussen twee naden van het zeil.
2> lijnbaan.





~baansplits:
lange splits in staaldraad.




~baar:
1> grote golf, door natuurlijke oorzaken ontstaan.
2> vrij onbekende term voor een ondiepte voor een riviermond.





~baard:
1> aangroeisel, in het bijzonder wier dat zich net onder de waterlijn aan het schip gehecht heeft.
2> kluisbaard.
3> brekende golf naast het voorschip, vaak de boeggolf genoemd.





~baardlaag:
laag van rijshout waarop men een krib in de rivier uitbouwt.





~baardwerk:
datgene wat met een baardlaag aangebracht is.





~backhoe:
verkorting van backhoe dredger.





~backhoe dredger, backhoe:
engels woord voor wat men in het Nederlands meestal een kraanponton of baggerponton noemt.
Het Engelse woord 'backhoe' staat voor een hydraulische graafarm welke aan de achterzijde van tractoren, wiellaadschoppen, e.d. gemonteerd is. Het is mijns inziens daarom fout een dergelijk vaartuig 'backhoe dredger' te noemen.






~backingroer:
half-nederlands, half-engels woord voor roeren, die men bij het achteruit varen gebruikt, meestal flankingroeren genoemd.





~BaCobak:
Baco staat voor Barge and Container.  Soort van duwbak, die in, voor dat doel gebouwde, afzinkbare, zeeschepen getransporteerd kan worden. Afm. 24 x 9,5 x 4,1 m. ca. 800 ton. [E> Bacoliners; foto's, film, etc. ] Gerelateerde termen: Lashbak, kopbak.





~badde:
Gronings voor brug (oeververbinding).





~bagger:
datgene wat men aan 'grond' van de bodem van het vaarwater ophaalt.





~baggeraar:
bedrijf of persoon die baggert.





~baggerbak:
1> bak(2/3), met beun, gebruikt voor het vervoer van bagger.

2> willekeurig schip dat bij het vervoer van bagger gebruikt wordt.

3> een Modderschouw of aanverwant vaartuig.





~baggerbeugel, trekbeugel:
een soort beugel, welke men bij het baggeren gebruikt. Afhankelijk van het soort werk voorzien van een scherpe rand aan de ring (wanneer waterplanten los gesneden moeten worden) en aan de ring een zak of net van grof weefsel tot fijn gaas.
Gerelateerde term: putemmer.
Ik ben me er niet zeker van of met een trekbeugel uitsluitend een baggerbeugel bedoeld wordt.






~baggerconsole:
bedieningspaneel op baggerwerktuigen waarmee het baggerproces gestuurd en gecontroleerd wordt.





~baggeremmer:
bakvormige constructie aan de emmerketting van een baggermolen.
Zie verder bij emmer.




~baggeren
1> in het algemeen: grond met een zeer hoog gehalte aan water opgraven, opscheppen.

2> de bodem van een water afgraven en het opgegravene naar elders transporteren. 

3> met een schip door (te) ondiep water, met zachte bodem, varen.





~baggergat:
1> baggerput: uitgegraven deel, waarin bagger gestort zal worden.
2> ongebruikelijke naam voor een kleigat.
3> door baggeren ontstaan grindgat, kleigat of zandput.





~baggerleven:
niet erg gangbaar begrip; het leven van de baggerwerkers.





~baggermaterieel:
alles wat voor het baggeren noodzakelijk kan zijn; baggermolens, baggervaartuigen en ook kabels, ankers, schuiten, e.d.





~baggermolen, moddermolen:
drijvendwerktuig waarmee men vaarwegen en havens uitdiept.
Zie verder bij: emmermolen.
Naar het schijnt is de emmermolen de meest gangbare molen. Het is mij niet bekend of er in Nederland nog andere baggermolens actief geweest zijn of hoe deze genoemd werden.






~baggerplan:
overzicht van op welke plaatsen/gebieden gebaggerd moet worden en tot op welke diepte dat moet geschieden. Een dergelijk plan wordt door de opdrachtgever opgesteld.





~baggerploeg, ploeg, krabbelaar:
stalen raam- of kistvormige constructie, voorzien van messen, tanden, o.i.d., waarmee de bodem van een vaarwater losgewoeld kan worden. Baggerploegen worden door ploegsleepboten gebruikt bij het ploegen of egaliseren. [A>]





~baggerploegen:
1> door middel van een baggerploeg, voortgetrokken door een sleepboot, de bodem loswoelen, opdat de heersende stroming de bagger weg zal voeren. Zie ook: krabbelaar.
2>
egaliseren.





~baggerponton:
kraanponton dat voor het baggeren gebruikt wordt.
Kraanpontons die in het baggerwezen gebruikt worden, zijn meestal voorzien van een hydraulische graafmachine. Bij de lichtere machines zijn dit meestal mobiele machines. Bij de grotere exemplaren zijn deze machines meestal vast opgesteld. Sommige mensen noemen dit een backhoe of een backhoe dredger. Behalve dan dat deze benaming geen Nederlands is, blijkt deze naamgeving eigenlijk ook nog eens fout te zijn. Zie verder bij backhoe dredger.






~baggerpraam, baggerschuit:
praam, of daarmee gelijk te stellen vaartuig, gebruikt voor het vervoer van bagger. Bijvoorbeeld een kleine baggerbak.





~baggerproces:
de voortgang van het baggeren.





~baggerschip, baggerschuit, baggerbak:
1> zelfzuigend beunschip dat bij het baggeren ingezet wordt.
2> willekeurig vaartuig dat voor het transport van bagger of het baggeren gebruikt wordt.





~baggerschuit, modderschuit:
1> kleine baggerbak.
2>
soort dekschuit met beun, die bij het transport van bagger gebruikt wordt.
3>
willekeurig vaartuig dat voor het transport van bagger gebruikt wordt.





~baggersleepboot: ploegsleepboot.





~baggerspecie, specie:
mengels van water en bagger, dat door een emmermolen of zuiger verwerkt wordt.





~baggertuig:
lelijke verkorting van wat men in het algemeen een baggerwerktuig zal noemen. (Bron: HIVA-beroepsprofiel Baggerwerker.)





~baggervaart:
de vaart (en alles wat daarbij hoort) met baggervaartuigen.





~baggervaartuig:
1> eigenlijk: elk vaaruig dat bij het baggeren betrokken is.

2> veelal: vaartuigen die bagger transporteren; een baggerschip, een baggerschuit, een baggerbak, een onderlosser, een splijtbak, e.d.





~baggerwereld:
niet duidelijk omschrijfbaar begrip. Ongeveer gelijk aan de baggervaart.





~baggerwerk:
het totaal van handelingen dat bij het baggeren verricht wordt.





~baggerwerker:
persoon die in het baggerwezen werkzaam is.





~baggerwerktuig:
willekeurig vaartuig of willekeurige drijvende inrichting voorzien van een mechanische installatie waarmee men bagger van de bodem verwijderd.
Het woord sluit andere werktuigen, die bij het baggeren gebruikt worden niet uit. Schrijvers zullen daarvoor een oplossing moeten zoeken in het gebruik van toevoegingen of tussenvoegsels, bijvoorbeeld 'drijvend baggerwerktuig', baggerhandwerktuig, enz., meestal zal echter wel uit de context blijken om welke categorie van werktuigen het zich handelt.

Gerelateerde termen: baggermolen, emmermolen, snijkopzuiger, kraanschip, veegboot, etc.





~baggerwezen:
alles wat met het baggeren te maken heeft.





~baggerzuiger:
vaartuig of drijvend werktuig dat door middel van een krachtige pomp gekoppeld aan een lange buis bagger en grond van de bodem van het vaarwater zuigt. Tegenwoordig vaak een snijkopzuiger soms ook een hopperzuiger.
De term baggerzuiger wordt zowel gebruikt voor zuigers die het in de loop der jaren in het water geraakte materiaal verwijderen als voor zuigers die het vaarwater uitdiepen.






~bagijnezeil, begijnezeil :
Tegenwoordig geschreven als bagijnenzeil of begijnenzeil?
Helaas nog niet bekend.





~bajonetsluis:
onbekende term voor een sluis, met brede kolk en 'verspringende' sluisdeuren. D.w.z. dat het ene stel deuren zoveel mogelijk aan bakboord en het andere stel zoveel mogelijk aan stuurboord (of omgekeerd) geplaatst is.





~bak:
1> de romp van het schip.

2> plomp vaartuig, meestal zonder enige opbouwen en zonder eigen voortstuwing; vaak een beunbak.

3> een duwbak.

4> de kettingbak.

5> de rug of achterzijde van iets.
EEN ZEIL BAK HOUDEN
: het zeil tegen de wind in houden. ('De fok bak houden' wordt vaak verward met de fok te loevert zetten.)
BAK LIGGEN
: a> dusdanig dat de zeilen geen wind vangen. b> achter iemand varen.

6> het gedeelte van een woonark dat de woonark drijvende houdt.

7> een verhoogd voordek of het bakdek.

8> scheepstype, beter bekend als Waal.





~bakbeest:
onbekende term (zeevaart?) voor een schip dat koplastig is.





~bakjesknapper:
bijnaam voor de Bronsmotoren die met een zogenaamd verstuiverbakje [T>] werkten.





~bakboord:
veel samenstellingen met bakboord zijn niet opgenomen
.
1> wanneer men in de gebruikelijke vaarrichting kijkt, de linkerkant van het schip. [U>] De andere zijde noemt men stuurboord.
Onder de gebruikelijke vaarrichting verstaat men de richting waarin het schip zich, behalve wanneer het aan het manoeuvreren is, beweegt.
Bakboord en stuurboord zijn dus afhankelijk van de vaarrichting! Op een heen-en-weer worden de navigatielichten dan ook 'gewisseld'. (Deze schepen bezitten vaak een dubbele verlichting, voor elke vaarrichting één. Afhankelijk van de vaarrichting wordt het ene of het andere set gebruikt.) De meeste andere schepen zullen echter, ook wanneer zij gedurende langere tijd achteruit varen, de normale verlichting blijven voeren.

BAKBOORD UIT GAAN
(stuurboord uit gaan): een bocht naar links (rechts) maken.
HARD BAKBOORD GEVEN
(hard stuurboord geven): een scherpe bocht naar links (rechts) maken.
OVER BAKBOORD DRAAIEN
(over stuurboord draaien): linksom (rechtsom) keren.
OVER BAKBOORD LIGGEN
(over stuurboord liggen): de giek naar bakboord (stuurboord) uit hebben staan.
2>
kreet waarmee men, tijdens het zeilen, andere zeilschepen, te kennen geeft, dat men voorrang heeft.





~bakboordachter:
in de vaarrichting gezien, links achteraan het vaartuig.





~bakboordachterbolder:
bolder aan bakboord op het achterschip.




~bakboordmidden:
in de vaarrichting gezien, links ongeveer midscheeps het vaartuig.





~bakboordmiddenbolder:
bolder, ongeveer midscheeps, aan bakboord.





~bakboordlantaarn, bakboordslantaarn, bakboordlicht:
de aan bakboord geplaatste, rood gekleurde, boordlantaarn.
[A> Zie ook Navigatielantaarns]
Alhoewel velen de term 'licht' gebruiken, als ze het geheel van behuizing en lichtbron bedoelen, meen ik toch dat men de voorkeur dient te geven aan het gebruik van het woord 'lantaarn'.






~bakboordlicht, bakboordslicht :
1> zie bakboordlantaarn.

2> het schijnsel van de bakboordlantaarn.





~bakboordstouw:
zie bij touw.





~bakboordvoor:
in de vaarrichting gezien, links vooraan het vaartuig.




~bakboordvoorbolder:
bolder aan bakboord op het voorschip.





~bakdek:
duidelijk hoger liggend voordek.





~bakdekker, bakdekkruiser, :
motorvaartuig met een verhoogd voordek en een daarop aansluitende stuurhut. [A>] Vooral als pleziervaartuig ingebruik geweest.
De term 'bakdekker' wordt hier gebruikt als verzamelnaam voor een aantal op elkaar gelijke types. Opname van deze types valt, mijns inziens buiten het bestek van deze site. Zie daarvoor E> oudeglorie.nl.






~Bakdekkruiser:
Zie bakdekker.





~Bakeetje:
Zie Baquet de Charleroi.





~Bakeke:
Zie Baquet de Charleroi.





~baken, baak:
1> Elk herkenbaar punt dat door een schipper ter oriëntering gebruikt kan worden.
2>
Alle, ten behoeve van de scheepvaart, in of nabij het water geplaatste voorwerpen, die voor het volgen van het vaarwater van belang zijn.





~bakenboot:
patrouillevaartuig waarmee men toezicht houdt op de bebakening.
Alleen de OPEN vaartuigen mag men boten noemen, alle andere vaartuigen zijn SCHEPEN of SCHEEPJES. [uitleg].






~bakengeld, tonnengeld:
geld dat de schippers voor het plaatsen en onderhouden van bakens(2) moesten betalen.





~bakenlijn:
denkbeeldige lijn, die een aantal bijelkaar horende bakens, met elkaar verbindt. Vergelijk: boeienlijn, tonnenlijn, lichtenlijn.





~bakenmeester:
ambtenaar, die ondermeer toezicht houdt op de bebakening.





~bakkenschipper:
het verantwoordelijke persoon op een gesleept ponton of bak(vaartuig).





~bakkenzuiger, elevator :
soort van
zandzuiger die ingericht is om bakken en beunschepen leeg te zuigen.
De bakkenzuiger is daartoe uitgerust met een zuigbuis aan de zijde van de bak. Tevens heeft de zuiger een tweede pompinstallatie waarmee water met grote kracht in het te lossen vaartuig gespoten kan worden. De meeste bakkenzuigers kunnen ook als gewone zandzuiger gebruikt worden en hebben daarvoor dus ook de normale zuigbuis.






~baklicht:
oude naam voor een, in een lichtbak geplaatst, boordlicht.





~bakloper:
1> de draad, een loper, waarmee de sleepbak van een zelflosser in het ruim getrokken wordt.

2> persoon, die achter de sleepbak loopt om deze in de juiste richting te sturen.





~bakschuit:
nog onbekend; mogelijk dekschuit met beun, mogelijk ook een synoniem voor ponton.





~Bakskes:
Zie Baquet de Charleroi.





~bakspier, fokkeloet:
lange boom waarmee het zeil, bij weinig wind, in model gehouden werd.





~bakstag:
paarsgewijs aangebrachte staaldraden of touwen, van masttop naar de boorden nabij het achterschip, die de mast bij achterin komende wind steunen. [A>]
Lang niet alle zeilschepen bezaten bakstagen. Weliswaar kan men bij het gebruik van bakstagen met een lichtere mast volstaan, maar de bakstagen zitten bij het zeilen de giek in de weg. Gewoonlijk heeft men alleen de bakstag aan loefzijde vast staan. Verandert men dusdanig van koers dat loef en lij wisselen, dan zal men voortijdig de bakstag los moeten maken, de giek over moeten laten komen en de andere bakstag, die dan dus aan loef zit, vast moeten zetten. De bakstag is meestal met een haak aan een bakstagputting gehaakt en voorzien van een takel, de bakstagstalie, zodat men de lengte kan variëren en de spanning kan regelen.






~bakstagklaploper: bakstagsklaploper.





~bakstagloper:
1> de loper van de takel, waarmee de bakstag op spanning gebracht wordt.
2>
bakstagsklaploper.





~bakstagputting:
putting voor de bevestiging van de bakstag. [nr.5 in A>]





~bakstagsblok:
blok aan de bakstag. Vaak een vioolblok.





~bakstagsklaploper, bakstagklaploper:
eigenlijk een klaploper, waarmee de bakstag op spanning gebracht wordt. Vaak echter ook gebruikt als synoniem voor bakstagstalie.





~bakstagsklaploperblok:
blok van de bakstagsklaploper.





~bakstagsmantel:
het touw, de staaldraad of soms ook een stuk ketting, tussen bakstagstalie en de masttop.





~bakstagstakel:
bakstagstalie.





~bakstagstalie, bakstagstakel:
takel waarmee de bakstag op spanning gebracht kan worden.
Vaak werd hiervoor een klaploper gebruikt. Daardoor is men bakstagsklaploper als synoniem voor bakstagstalie gaan gebruiken.






~bakstagstalieblok:
één der blokken van de bakstagstalie.





~bakstagswind:
wind schuin van achteren.





~bakzeil:
eigenlijk een zeil waar de wind 'van achteren' inkomt.
BAKZEIL HALEN
: zie bakzeilhalen.





~bakzeilhalen:
vaart moeten minderen, door de zeilen bak(5) te zetten, om een ander voorrang te verlenen. [U>]





~balansroer:
roer, waarbij de druk van het schroefwater op het gedeelte van het roerblad voor de roerkoning, bijna net zo groot is als de druk op het achterste deel. [A>]





~balenklauw:
hijshulpmiddel met tweemaal twee kleine haken waarmee ondermeer zakgoed gehesen werd.
Zie ook zakhaak.




~Balant:
zie bij Waal.





~balg:
1> tent.
2> blaasbalg.
3> geul in de buitengronden.





~balgstuw:
stormvloedkering bestaande uit een grote 'rubberen' balg, die in lege toestand in een goot dwars in het vaarwater ligt en die in opgeblazen toestand het vaarwater volledig afdamt.





~balie: grote houten kuip of ton.





~baliën:
een ton of vat, waarin het gehoosde water verzameld is, uit het schip brengen en overboord leeg kiepen.





~balkanker:
stokanker met een zware houten ankerstok.





~balkengat:
gedeelte van het vaarwater of een haven, danwel in de oever ingegraven gat, waarin men boomstammen waterde.





~balkenhaven, balkhaven:
1> groot balkengat.
2> houthaven.





~balkhaven: balkenhaven.





~balkenvlot, houtvlot:
vroeger waarschijnlijk veelvuldig als synoniem voor houtvlot gebruikt.
Eigenlijk alleen van toepassing op vlotten die met gezaagd hout samengesteld worden.





~balkenvlotter, vlotter, vlotvoeder:
iemand die werkzaam is bij het samenstellen of transporteren van balkenvlotten.
Het is mogelijk dat men niet expliciet balkenvlotten bedoelt en dat de term ook als het om de gewone houtvlotten gaat gebruikt wordt.






~balkenvlotterspoor:
los metalen, van punten voorzien, beslag, dat balkenvlotters onder hun laarzen bonden om het uitglijden op de natte stammen te voorkomen.





~balkweger:
balk in langsscheepse richting tegen de binnenzijde van de romp. Vergelijk: weger, balkwegering, binnenboord.





~balkwegering:
bovenste, meestal wat dikkere, en vaak niet uitneembare, plank van de wegering.





~ballast:
1>
gewicht dat tot doel heeft het schip zwaarder te maken of waarmee men het schip wilt trimmen.
HALF DODE BALLAST
: passagiers aan boord van een zeilschip (die indien nodig naar loef gestuurd kunnen worden).
2> slecht betaalde lading.
EEN REISJE IN BALLAST DOEN
: om niet leeg 'terug' te moeten, een slecht betalende lading vervoeren.





~ballastbak:
ongeveer midscheeps geplaatste, dwarsscheeps verschuifbare, houten kist waarin ballast, meestal in de vorm van zandzakjes, geplaatst is. De ballastbak wordt gebruikt om bij kleine, enigzins overtuigde, scheepjes, zoals bijvoorbeeld de Tjotter, het vaartuig minder scheef te doen gaan.





~ballasten:
extra gewicht, ballast, innemen of aanbrengen.





~ballastinrichting:
de term heeft voornamelijk betrekking op de pompen, kranen, aan- en afvoerleidingen die bij het ballasten gebruikt worden.





~ballastjet:
werktuiglijk aangedreven waterpomp met zeer grote capaciteit, waarmee men een schip ballast.





~ballastpomp:
pomp waarmee men ballastwater in en uit de ballastruimte kan pompen.





~ballastruimte:
ruimte die benut kan worden om ballast te bergen.





~ballastschip:
in de tankvaart: een tankschip, dat het (vervuilde) ballastwater van andere tankers overneemt.





~ballastschop, schop, schep:
zie ruimschop.





~ballasttank:
tank of afgesloten ruimte, waarin men, om het schip te ballasten, buitenwater pompt.





~ballastwater:
water dat gebruikt wordt, of gebruikt is, om een schip te ballasten.





~balschaar, slingerschaar:
werktuig, met een grote zware slinger, waarmee men staal knipt. [A>] [T>]





~bamisweer:
plaatselijke term voor herfstweer.





~band: bandstuk.





~bandrem:
ongebruikelijke term voor vang.





~bandstopper:
ongebruikelijke term voor vang.





~bandstuk, band:
deel van het boeisel, dat de linker en de rechterzijde van de rest van het boeisel, achter de steven langs, met elkaar verbindt en dat uit één stuk hout gevormd wordt.





~bandwals:
mechanische constructie, meestal voorzien van drie rollen, waarmee stripstaal en smalle stroken rondgezet werden. [A>]





~bank :
1> plaat: bij laag water droogvallend stuk.
2> bult, rug, draap: plaatselijke ondiepte.
3> verkorting van: zandbank, mosselbank, oesterbank, e.d.





~banken:
1> het schip voor onderhoud, op een bank(1) of op een daarvoor aangebrachte stelling, droog laten vallen. [A>] Gerelateerde termen: getijdewerf, kuisbank, zaat.
2> het vissen op een bank(1).





~bankstelling:
constructie van in de bodem gedreven palen met dwarsbalken, waarop men een schip kon banken(1).





~bankzand:
zand dat van een bank(1) afkomstig is.





~Baquet:
1> verkorting van Baquet de Charleroi.

2> mogelijk Franstalig synoniem van Bak (Waal).





~Baquet de Charleroi, Baquet, Bakeke, Bakske, Bakeetje, Sabot:
Belgisch vrachtschip met de maximale maten, die voor het kanaal naar Charleroi  golden. Die maat was  ca. 19,5 m. lang bij maximaal 2,8 m. breed en ca. 1,9m. diep. De tonnenmaat kwam dan op ca. 70 ton.
Het bakeetje behoort tot de groep van Walen. Zij werden eerst in hout en later ook in staal gebouwd. Het type is rond 1830 na de voltooiing van het kanaal Brussel-Charlerois ontstaan. De schepen werden met paarden gejaagd. Het schip had een vrij kort roer, met linnet. Bijboot, zeil en ankergerei schenen de schepen niet te bezitten. Bij Klein Willebroek werden de ontbrekende zaken gehuurd en voer men geladen tot aan Antwerpen. Deze smalle scheepjes waren erg instabiel en eenmaal leeggekomen voeren de schepen daarom twee aan twee. Ze werden daartoe, zowel bovenlangs, als onder de schepen door, gesjord.
Een middenstandswoning, zoals de grote soortgenoten, had deze 'balant' niet. Men moest zich in een klein en benauwd achterondertje zien te behelpen. Licht en frisse lucht kwam uitsluitend via het kleine toegangsluik in het dek binnen en met regenachtig weer was men genoodzaakt een paraplu boven de ingang te plaatsen. De vaart op het kanaal naar Charlerois wordt daarom wel 'de parapluvaart' genoemd. [A> Afbeeldingen]
[E> Vaartips.nl]
[E> binnenvaartforum]





~B.A.R.: Binnenaanvaringsreglement.





~Barckemeijer:
16de eeuws scheepstype. @verder niet bekend.





~barckhout:
oude naam voor berghout.





~Barge:
Frans woord. Midden 19de eeuw in het Nederlands gebruikt voor een (snel) stoomschip, dat een beurtdienst vaart. Later ook gebruikt voor motorbeurtschepen. In Friesland bij uitbreiding: ook een trekschuit.





~bargedienst:
een beurtdienst of een beurtvaartonderneming.





~bargelink:
internetmarktplaats voor verladers, bevrachters en vervoerders (schippers en rederijen).





~Bark:
scheepstype. Bekend als zeilend zeeschip, maar in de late Middeleeuwen mogelijk ook een type dat op het (grote) binnenwater gebruikt werd. Geen verdere gegevens bekend.





~Barkas:
1> kleine open of halfgedekte motorboot, meestal gebruikt voor het transport van personen, naar in de haven liggende zeeschepen.
2> Oorspronkelijk een open roei/zeilboot, in grootte volgend op de sloep, aan boord van zeilende zeeschepen.





~barkhout, barckhout:
oude naam voor berghout.





~Barkmeijer:
bekende familie van scheepsbouwers, met werven in Groningen en Friesland.





~barkoen:
dialect? voor perkoen.





~barleer: zie bij barlijnstoel.





~barlijn: zie bij barlijnstoel.





~barlijnstoel, barleer, barlijn:
luikenstoeltje.  Mogelijk zijn barring en barlijn (barleer) aan elkaar verwant. Barlijn en barleer zijn waarschijnlijk vormen waarbij het toevoegsel stoel is weggevallen.





~barring:
ongebruikt of waardeloos rondhout. (Zeeterm? in de binnenvaart nauwelijks bekend.)
barring is uit het Engels afkomstig en betekent onder andere: lang, regelmatig gevormd, massief voorwerp.






~barringijzer:
weinig gebruikte term voor boomijzer.





~barte:
zie bat.





~basisstation:
de plaats waarvan de tijden van hoog- en laagwater bekend zijn en van waaruit men, met behulp van het havengetal de tijden van hoog- en laagwater voor een bepaalde plaats berekend.





~bat, barte:
los 'brugdek', meestal bestaande uit slechts enkele zware planken.
Gerelateerde term: zet.





~Bazelboot: Bovenboot.





~BBZ, Vereniging voor Beroepschartervaart:
belangenvereniging voor zowel de werkgever als de werknemer in de hedendaagse chartervaart.
[E>]





~Beatrixvloed:
de stormvloed van 1 februari 1953.





~Beaufort:
Sir Francis Beaufort voerde in 1908 in meetschaal voor windsnelheden in. Zie windkracht.





~bebakenen:
het water van bakens voorzien.





~bebakening:
een aantal bij elkaar behorende bakens, waarmee de loop van het vaarwater aangegeven wordt.
AANVULLENDE BEBAKENING
: bakens van het lateraalstelsel, die niet tot de hoofdbebakening behoren. Hiertoe rekent men o.a. de jachtbebakening.
Gerelateerde term: vaarwegmarkering.





~bebakeningsstelsel, betonningsstelsel:
systeem volgens het welk bakens geplaatst worden.
Over het algemeen wordt de term betonningsstelsel gebruikt, maar feitelijk slaat de term betonningsstelsel alleen op de drijvende bakens, terwijl bebakeningsstelsel ook de vaste en op de wal geplaatste bakens omvat.





~Beckerroer, flaproer:
roer met aan de achterzijde van het roerblad een scharnierend deel dat, bij het verdraaien van het roer, sterker uitslaat dan het roer zelf.
Gerelateerde term: Optima roer.





~bed:
1> bedding.
2> bodemprofiel.
3>
zaat: bij een vastgevaren of gezonkenschip: door het schip gevormde 'kuil' in de grond.
4> kunstmatig aangebracht, of in een bepaalde vorm gebracht, gedeelte van de bodem.





~bedbeschot: kooibeschot.





~bedding:
1> bed: de bodem van een beek of rivier.
2> zie budding.





~bedekt: gedekt.





~bedelbalk, betingbalk:
dwarsscheepse, in een boog lopende, balk boven het voordek, vlak achter de voorsteven, bij onder andere het Fries jacht en de Tjotter.





~bedienpost:
CENTRALE BEDIENPOST
:
gebouw waarin een (afstands)bediening voor de gehele sluis en/of een combinatie van sluizen en/of bruggen geplaatst is.





~beding:
zie beting.





~Bedrijfsgroep Binnenscheepvaart:
1> nog niet bekend.
2> afdeling van sommige vakbondsorganisaties.





~bedrijfsrederij:
bedrijf dat een aantal schepen bezit, die (uitsluitend) voor dat bedrijf varen. [T>Bedrijfsvoeringen.]





~bedrijfsurenteller:
intrument waarmee het aantal draaiuren van een motor gemeten wordt.





~bedrijfsvaart: beroepsvaart.





~bedrijfsvaartuig, beroepsvaartuig, beroeps:
vaartuig dat beroepsmatig gebruikt wordt.[T> Bedrijfsvoeringen.]
ZEILEND BEDRIJFSVAARTUIG
: hier worden, over het algemeen, de hedendaagse, zeilende, charterschepen, in het bijzonder de schepen van 'de bruine vloot', mee bedoeld.





~bedrijfsveer:
1> vaartuig waarmee een bedrijfsveerdienst onderhouden wordt. [A>]
2> bedrijfsveerdienst.





~bedrijfsveerdienst:
door een bedrijf in standgehouden veerdienst ten behoeve van haar eigen personeel.
Gerelateerde term: personeelsbootje.





~bedschot: kooibeschot.





~Beenhakker:
stalen bijboot, met knikspantromp en luchtkisten, die tussen de tweede wereldoorlog en de jaren tachtig veel bij vrachtschepen gebruikt werd. Veel geïmmiteerd type, met, ondanks de knikspantromp, een vletachtig uiterlijk en daarom (zeer verwarrend) ook (schippers)vlet genoemd. [A>] Verwant zijn: de Turry en de Lelievlet.





~beer:
1>
beerklamp.
2>
gemetselde waterkering met scherpe bovenkant.





~beerklamp, beer:
 tegen de voorstevenbalk aangebrachte klamp, waarmee de ankerrol opgesloten ligt.




~Beerotter:
een Otter die ingericht was voor het vervoer van faecaliën.



~Beerpraam:
Praam voor het vervoer van huishoudelijk afval en beer.





~begeleidingsboot(je): zie: begeleidingsvaartuig.





~begeleidingsvaartuig, begeleidingsboot(je):
vaartuig van een overheidsdienst dat een ander vaartuig begeleid.
Het begeleidend vaartuig fungeert in de meeste gevallen als loods of als waarschuwer, bijv. omdat het begeleide vaartuig om één of andere reden slecht manoeuvreerbaar is.
Vooral tijdens de tweede wereldoorlog voeren schepen op bepaalde stukken vaarwater onder begeleiding.
De term BOOT zal, daar het vaartuig in kwestie vaak van dekken en een opbouw voorzien is, in de meeste gevallen fout zijn (uitleg).






~begijnezeil: bagijnezeil.





~begord:
BEGORD LIGGEN
: tegen de eigen ankertros, -draad of -ketting gewaaid of gedreven zijn.





~behaald: zie: geveegd.





~beheerloon:
vergoeding, die aan de strandvonder (of soortgelijk persoon dan wel instelling) bij het afhalen van aangespoelde of opgeviste goederen, betaald moet worden.





~behoud:
de afstand, die men, terwijl men één koers aanhield, afgelegd heeft. (Zeeterm?)





~behoudsorganisatie:
organisatie, die zich inzet voor het behoud van een bepaald type of een bepaalde catagorie van, vaartuigen. Veel behoudsorganisaties zijn verenigd in het F.O.N.V. .





~Beitelaak:
17de eeuws scheepstype. Geen gegevens bekend. Mogelijk gelijk aan het beitelschip.





~Beitelschip, Beytelschip, Beytel, Beitelaak:
17de eeuws en mogelijk nog ouder vrij primitief scheepstype. Nogal rechthoekige dwarsdoorsnede. Overnaadse, zijdes, achter samenkomend tegen een vertikale steven, voor aansluitend op een brede, zo'n beetje rechthoekige, sterk vooroverhellende, heve. Voerden vaak een emmerzeil en hadden vrij slanke zwaarden, die voor de mast aangehangen waren. Sommige exemplaren hadden twee zwaarden aan elke zijde.





~bek:
synoniem voor gaffelklauw.





~bekaaien:
een uiteinde van een ra, of de nok van een spriet, naar beneden trekken.





~bekaaier:
1> neerhaler.
2>gaarde(1).





~bekboord: bekkeboord.





~bekerelevator:
zie bij bunkermachine.





~bekisting:
houten schotten, die, tijdens de tweede wereldoorlog, rond stuurhut en roef getimmerd werden om de inslag van kogels en granaatscherven te dempen.





~bekkeboord, bekboord:
korte wigvormige gang. Meestal bij de aanzet van de kiel of de stevenbalken te vinden.





~bekken:
een dwars op het schip gerichte stroming corrigeren door schuin tegen de stroomrichting in te varen.
Mogelijk ook van toepassing op schuin tegen de wind in varen? Zie ook wraakhoek.





~bekklamp:
vrij onbekende naam voor een kikker.





~bekleden, woelen:
een voorwerp met (zeildoek en) dun touw of dun staaldraad bedekken.

a> Voornamelijk toegepast bij splitsen in staaldraad of Herculestouw om de splits tegen inwateren te beschermen.
De tieren worden daartoe eerst met dun touw gevuld, getrenst, deze worden met een bindsel vastgezet. Vervolgens wordt het geheel met een strook zeildoek omwikkeld, gesmart. Dit wordt met een aantal marlsteken vastgezet. Het geheel wordt tenslotte met dun touw of staaldraad omwikkeld.
Herculestouw wordt bekleed met touw schiemansgaren, staaldraad behoort met bindseldraad omwikkeld te worden.
Om de omwikkeling goed strak rond de splits te kunnen leggen, maakt men gebruik van een kleedkuil, draaier, kleedspaan, draaistok of wat inventieve geesten er nog meer voor verzonnen hebben.
Wanneer de bekleding gereed is wordt deze met lijnolie of verf waterdicht gemaakt.
Alleen stagen en soms ook staaldraadvallen worden bekleed. Hijsdraden e.d. niet.


b> Voornamelijk toegepast op harde voorwerpen; voor het mooi, voor een beter houvast, als bescherming tegen slijtage of stoten, enz. De bekleding kan in dit geval bestaan uit een eenvoudige omwikkeling met touw, welke naderhand meestal geschilderd wordt; of uit varkensruggen, katnings, al dan niet afgewisseld met turkse knopen.





~bekleding:
het resultaat van het bekleden. Zie ook woeling.





~beknijpen:
men spreekt van beknijpen, als het gedeelte van het touw waar veel spanning op staat, een ander gedeelte van het touw, het losse uiteinde bijv., vastklemt.





~bel:
zie scheepsbel.





~beladen:
1> (volt.deelw.) lading aan boord hebben.
2>
(w.w.) lading aan boord brengen.





~belanden:
ergens (tegen een oever) terechtkomen.





~Bélandre:
zie Bijlander.





~belboei:
boei voorzien van een bel, waarvan de klepel(s) of hamer(s) motorisch of door de beweging van de boei bewogen worden.





~beleggen:
een staaldraad of touw op een bepaalde manier rond een bolder, kikker, korvijnagel, e.d. leggen  (en vervolgens vastzetten). Zie ook seizen.





~belegklamp:
1> klamp, die aangebracht is om een touw op te kunnen beleggen. Meestal kikker of kruisklamp genoemd.

2> zie halve klamp.





~belegkruis:
aan of rond de schinkel(2a) bevestigde houten of metalen dwarsstuk waarop men een touw kan beleggen. [A>]
Naar het schijnt werden belegkruizen toegepast op de bakstagtalies, maar op oude illustraties treft men ze zelden aan en is de bakstagloper meestal op een kikker, die aan het bovenboord gezet is belegd.





~belegspiegel, schandspiegel:
spiegel(2) gevormd door belegstukken.





~belegstuk:
dunne houten dubbeling.





~Belgische boot:
andere naam voor Brabantse boot.





~Belgische Botter:
type Botter, met een breed boeisel en hoger voller achterschip. Alleen voor het vervoer van vis gebruikt.





~Belgische lak: zie bij lak.





~Belgisch luik:
dwarsscheeps gebogen luiken.
Tot in de 19de eeuw was dit model luiken ook in Nederland gebruikelijk, maar werd uiteindelijk geheel verdrongen door de Friese luikenkap.
Belgische luiken waren oorspronkelijk van hout. Twee gebogen balkjes met daar dwars tussen een groot aantal korte planken. Begin 20ste eeuw werden de houten luiken verdrongen door stalen. Eerst bestaande uit een staalplaat, die met hoeklijntjes in model gebracht en gehouden werd, later werden de platen, compleet met omgezette randen en verstevigings ribbels, in model geperst. De laatste ontwikkeling is de toepassing rondgebogen van aluminium golfplaat of damwandprofiel. [A>]





~Belgische luikenkap:
 luikenkap met Belgische luiken.





~Belgische spits:
het standaard type Spits.





~Belgische putter/puts: zie bij puts.





~Bellay:
fabrikant van gasgeneratoren (met dwarsvergassing).





~Bellay-koeler:
onderdeel gasgenerator: droge gaskoeler, waarbij het gas door, met water omgeven pijpen, stroomt.





~bellengordijn:
door middel van een dwars over de bodem liggende, geperforeerde pijp, waarin lucht geperst wordt, opgewekt 'scherm' van kleine luchtbellen, waarmee men tracht vermenging van het water aan de ene kant van het gordijn, met water aan de andere kant van het gordijn, te voorkomen. Gebruikt als zoutwaterkering en bij baggerwerkzaamheden.





~beloodsen:
een schipper behulpzaam zijn bij het vinden van de juiste vaarroute.





~belopen:
HET KUNNEN BELOPEN
: er in een rechte lijn naartoe kunnen varen.





~belslag:
zie klokslag.





~Beltiger bonpunter:
Beltiger punter met een bun. (In NW-overijssel spreekt men blijkbaar van 'bon' i.p.v. 'bun'.) De bun was ca. 60cm lang, die van de Giethoornse punter iets meer dan negentig.





~Beltiger punter:
sterk op de Giethoornse punter gelijkend scheepje, dat ten zuiden van Giethoorn in gebruik was. Volgens sommige bronnen zou deze punter kleiner zijn dan de Giethoornse. G.J. Schutten geeft als opvallendste verschil echter de ca. 12 cm hogere voorsteven en het daarmee gepaard gaande hogere voorschip. Ook zou de Beltiger punter uitrust zijn met een stel roeidollen.
Ook de Beltiger punter kende, net zoals de Giethoornse een variant met bun: de Beltiger bonpunter.




~beltopschoorsteen:
nog niet bekend





~beltvaarder:
1> binnenvaartschip dat in de beltvaart actief is. Voor zover bekend niet afwijkend van de andere binnen-buitenschepen die naar de wateren bij de Oostzee voeren.

2> de schipper op een dergelijk schip.





~beltvaart:
de scheepvaart tussen Nederland en de Deense oostkust.
Deze term heeft, voor zover ik weet, vrijwel uitsluitend betrekking op de vaart met binnenvaartschepen vanuit Nederland, door het Nood-Oostzeekanaal naar de Deense kust. Zie ook ommelandvaart.






~beluchting:
zie bij ontluchting.




Volgende





© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Leeuwarden.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken