Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.
~afloskapitein,
aflosschipper
: schipper, die, meestal op verschillende schepen van één rederij, ingezet wordt, om de vaste schipper te vervangen.
Tegenwoordig worden dezen ook vaak via afloscentrales ingehuurd.
~afmeerlengte:
de voor het afmeren van schepen beschikbare lengte. Bij bunkerstations, bunkerschepen, maar ook bij kades, remmingen en rijen meerpalen, kan de beschikbare lengte meer zijn, dan de totale lengte van de afmeergelegenheid. Het vaartuig steekt dan dus uit. Zie ook kadelengte.
~A-frame:
stalen hijsconstructie in de vorm van de hoofdletter A.
~afrijden,
lenzen:
bij stormweer: met de wind en de golfslag mee varen en daarbij trachten zo min mogelijk snelheid te maken.
Afrijden heeft steeds meer de betekenis van 'een storm(bui) maar zo goed mogelijk door zien te komen' gekregen. De methodes, die men daarvoor kan gebruiken zijn legio.
~afroeien: 1> met stroom mee roeien. 2> al roeiend afleggen.
~afroep:
BEDIENING OP AFROEP
: de bediening van sluis of brug, die men ruim, meestal 24 uur, van te voren (telefonisch) dient aan te vragen.
~afslechten,
slechten:
1> van golven: het afnemen van de golfhoogte.
2> van houten spanten:
de zijde, die tegen de scheepshuid komt, dusdanig afschuinen, dat de gangen vlak tegen het spant aan zullen liggen.
~afsluitboom:
langwerpig voorwerp waarmee men de toegang tot iets tracht te beletten.
Afsluitbomen komt men in diverse vormen en maten tegen. De bekendsten zijn de slagbomen, welke in een vertikaalvlak bewegen, waarmee de bruggen voor het wegverkeer afgesloten worden. Op kleine bruggen vindt men soms nog afsluitbomen, welke in het horizontale vlak bewegen. Een simpele uitvoering van het brughek. Voor de, min of meer permanente, afsluiting voor de scheepvaart van kleine wateren gebruikt men tussen palen verankerde drijvende balken. De tijd dat men stadsgrachten en havens des nachts afsloot met de stadsboom, een hekel of andere balkvormige constructies is reeds lang vervlogen.
~afsluiter: a> mechanisme om een pijp af te sluiten (een kraan). b>
: het moment dat de afsluitdijk gesloten werd. Mei 1932 dus.
~afsnijden:
het afbreken of beëindigen van de teelt.
~afstandsbediening:
de term kan voor uiteenlopende zaken, waarmee mechanische werktuigen, op enige afstand, bediend worden, gebruikt worden.
Meestal gebruikt, voor een klein vast bedieningspaneel buiten de stuurhut of een verplaatsbaar
bedieningspaneel, waarmee roer en voortstuwingsmotoren bediend kunnen worden.
~afsteken:
met een scherp voorwerp, bijv. een steekijzer, verf, roest, teer en/of aangroeisel verwijderen.
~afstevenen: 1> tegenwoordig: ergens naar toe varen.
In de meeste gevallen zal het een sleepboot zijn, die door achteruit te slaan of door in tegengestelde richting te 'varen' het gesleepte vaartuig wil doen stoppen.
2> op stromend water stil liggen, door de stroom dood te varen of door voor anker te gaan.
~aftapkraan: 1> kraan aan een motor of een onderdeel van het koelwatersysteem, waardoor men het water kan laten wegvloeien. 2> kraan aan een waterzak, waarlangs men het verzamelde water en vuil kan laten afvloeien.
~aftappen:
om bevriezing van de motor te voorkomen, het koelwater uit de motor verwijderen.
~afvoerkanaal: kanaal waarlangs water afgevoerd wordt.
In veel gevallen handelt het zich om de afvoer industrieel water, gelijk een lozingskanaal. Gaat het om de afvoer van natuurlijk water dan spreekt men ondermeer van een afwaterings- of spuikanaal.
~afwaaien: 1> het, door de wind, zijdelings verplaatsen van het voor- en/of achterschip.
2> het zakken van het waterpeil als gevolg van de wind.
~afwaaiing:
daling van het waterpeil als gevolg van de wind.
~afwateringskanaal: kanaal waarlangs een gebied zijn regenwater kwijt raakt.
~afzakken:
door wind of stroom van de koers gezet worden.
3> een ligplaats waar men heeft moeten laden of lossen ten behoeve van anderen vrij maken en daarbij meestal op korte afstand weer ligplaats kiezen.
~afzinkbaar:
de mogelijkheid hebbend het (tot een bepaalde diepte) af te laten zinken. Meestal gebruikt voor constructies of vaartuigen, die meerdere malen afgezonken kunnen worden, zoals een
~agger:
tijdelijke rijzing van het water gedurende laagwater.
~aggregaat: 1> generatorset, generator, 220-aggregaat:
combinatie van een verbrandingsmotor en een wisselstroomgenerator waarmee een wisselspanning van ca. 230V opgewekt wordt.
2> eigenlijk: een willekeurige combinatie van een aandrijvend en aangedreven werktuig. Men kent bijv. ook een pompaggregaat (meestal motorpomp genoemd) en een compressoraggregaat (meestal alleen compressor genoemd).
~A.I.S.,
Automatic Identification System:
systeem waarbij een zender periodiek de nautische gegevens van het schip uitzendt. Deze gegevens kunnen door andere schepen en walstations gebruikt worden om de positie, snelheid en richting van het schip op en scherm weer te geven. Anno 2006 is er sprake van dit systeem in de binnenvaart verplicht in te voeren.
[E>Wikipedia, informatie.binnenvaart.nl.]
[A>
actueel AIS-scanner op Marinetraffic.com]
2> in sommige streken gebruikt als synoniem voor boerenschuit; dus zowel voor de veeteelt als voor de land- en tuinbouw gebruikt.
~aktentasje:
in sommige kringen gebruikte bijnaam voor schepen in de maat zo tussen de 38 en 50 meter. Zie ook spijkerkistje.
~alderwest:
te Enkhuizen gebezigde benaming voor de meest westelijke eindboei.
Helaas niet meer bekend.
~Algemeenen Binnenschippers bond,
ABSB:
in 1898 opgerichtte belangen vereniging van binnenschippers. Ondanks een stormachtige groei in de eerste jaren hield de bond, door, interne strubbelingen en ledenverlies (zie ook Nederlandse Binnenschippersbond), in 1905 op te bestaan.
De ABSB ontstond min of meer uit onvrede met de Algemeene Rijnschippers bond welke alleen voor de belangen van de Rijnschippers opkwam.
~Algemeene Rijnschippers bond,
ARSB:
in 1898 oprichtte bond van partikuliere Rijnschippers.
Ontstaan na acties van Rijn- en binnenschippers tegen het voornemen van verladers en bevrachters om de schippers bepaalde, voor hen ongunstige, vervoersvoorwaarden op te dringen. Uiteindelijk leidde dit tot een overeenkomst bekend onder de naam: Gedeponeerde Rotterdamsche Rijnvaart Conditiën.
Deze bond heeft tot het jaar 2000 bestaan waarna zij opging in het CBRB.
Daar de ARSB zich alleen richtte op de belangen van de Rijnschippers besloten de binnenschippers tot oprichting van de Algemeenen Binnenschippers bond.
~Algemeene Schippersbond,
ASB:
schippersbond die mede verantwoordelijk was voor de oprichting van de eerste schippersbeurzen.
Verder nog geen gegevens bekend.
~Algemeene Schippersvereniging,
A.S.V.:
vereniging van particuliere schippers in de binnenvaart. [E>]
Min of meer naoorlogse Noord-Nederlandse voortzetting van de ASB. Opgericht eind 1945. In 1946 volgde de aansluiting van andere gewestelijke gelijkgestemde vereningen. In 1947 (ook) begonnen met het verwerven van lading voor de aangeslotn leden.Meer informatie is welkom!
~Algemeen Reglement van Politie voor rivieren en Rijkskanalen:
reglement dat het gebruik van de Rijkswateren regelde.
~Algemeen Rijnvaart Politiereglement,
A.R.P.: vaarreglement voor de Rijn, haar vervolg en de Waal.
~Alkmaar Packet:
in 1864 door C. Bosman, Alkmaar opgerichtte onderneming welke vracht- en passagiersdiensten op de lijn Alkmaar-Zaandam-Amsterdam en later ook naar Haarlem en IJmuiden onderhield. De firma heeft tot 1950 bestaan.
Eén van de eerste knopenboeken die ik begin jaren '70 doorwerkte en waarvan ik helaas de titel vergeten ben, gaf de volgende verklaring voor het ontstaan van dit stuk schiemanswerk. Men stelde dat de schiemannen aan boord van ze schepen soms een wedstrijdje hielden, waarbij ze hun mooiste kardeelknoop in een eind touw moesten leggen. Zo'n eindje touw werd dan omdat meerderen daar een knoop ingelegd hadden een 'allemanseind' genoemd. Ook op schoolschepen werden dit soort wedstrijden wel gehouden. De allemanseindjes vonden al spoedig een praktische toepassing in de vorm van handgreep aan diverse zaken, waaronder de scheepsbel.
In oude boeken en op oude schilderijen, dat wil zeggen van voor 1939, heb ik tot op heden echter nog geen 'allemanseindje' kunnen vinden. Van Lennep noemt in zijn zeemanswoordenboek enkel en alleen de klokreep. Een, aan de klepel gebonden, eindje touw met een enkele knoop in het einde.
Het verhaal, dat enige tijd geleden de kop opstak en waarin beweerd wordt, dat het allemansend een 17de eeuws sanitairgerief zou zijn, doet mij aan een geslaagde 1 aprilgrap denken. Ondanks het feit dat diverse personen hiervoor een bewijs hebben trachten te vinden is men daar tot op heden en voor zover mij bekend, niet ingeslaagd. Ook 'Van Dale's Groot woordenboek van de Nederlandse taal' vermeldt deze betekenis niet.
Ook het feit dat het WNT bij de oudste vindplaats van dit woord 1937 opgeeft, maakt het bestaan van een 17de eeuws allemanseind hoogst twijfelachtig.
[E> Discussie hierover op Kombuispraat.com]
4> Almanak voor watertoerisme: jaarboek met gegevens betreffende reglementen, vaarwegen, havens, enz. Uitgave van de A.N.W.B.
~Almanak van de Federatie van Schippersvereenigingen in Friesland:
jaarlijks door de Federatie van Schippersvereenigingen in Friesland tussen 1917 en 1933 uitgegeven boekwerkje. (Inhoud nog niet bekend.)
~alverschrapperij:
de winning van de schubben van de alver, een kleine soort karper, in verband met de productie van kunstparels welke gebruik maken van de guaninekristallen welke in de schubben van deze vis voorkomen.
Vroeger vormde de vangst van alver, welke ook panharing genoemd wordt, veelal een zekere bijverdienste voor de vissers welke met de raamkuil en kubben visten. Door kantoorschokkers werd er echter wel stelselmatig op deze vis gevist. De vis werd voornamelijk naar Frankrijk uitgevoerd. De meeste beoefenaars van deze vorm van visserij vondt men nabij Woudrichem.
~amateurzeilen:
term uit het hedendaagse skûtsjessilen voor een zeilwedstrijd waarbij niet de gebruikelijke schipper, maar een van de bemanningsleden aan het roer staat.
scheepje, soms ook een boot [uitleg!], dat voor het vervoer van doktoren en zieken gebruikt wordt.
Vroeger tamelijk riante motorpassagiersscheepjes, tegenwoordig vaak snelle rubberboten al dan niet met opbouw.
De ambulanceboot is niets nieuws; ze zijn terug van weggeweest. De GG&GD van Amsterdam had in de jaren twintig vier van een dergelijke vaartuigen en ook Rotterdam was minstens één van dergelijke vaartuigen rijk.
[EA>]
amfibievoertuig voor het vervoer van een redelijk aantal personen.
~amfibievoertuig,
amphibievoertuig
:
voertuig, dat zich zowel op het land, als in het water kan voortbewegen. Behalve bij de landmacht, in de binnenvaart nauwelijks in gebruik.
drijvende hydraulische graafmachine, die zich met behulp van vier lange poten in bepaalde posities vast kon zetten en zich daarmee over korte afstanden kon bewegen.
Dit vaar-voertuig werd in de jaren zeventig ontwikkeld. Voor zover bekend is het nooit een erg groot succes geweest.
~Amstelbierexpres:
naam van de motorschepen, die beurt voeren voor de Amsterdamse brouwerij.
1a> type sleepboot met geringe kruiphoogte, waarvan de roef zo'n beetje van boord tot boord loopt en de gangboorden
(soms over de gehele lengte, soms alleen terhoogte van de roef) min of meer door het berghout gevormd worden. [A>]
b> volgens de B.A.S.M. een groep van sleepboten met overeenkomstige kenmerken, die hoofdzakelijk onder te verdelen zijn in twee types: De stads'boot' [E>]
en de strekken'boot' [E>].
~Amsterdam-Rijnkanaal,
ARkan:
in 1952 gereedgekomen vaarweg tussen de haven van Amsterdam, de Lek bij Wijk bij Duurstede en de Waal bij Tiel. Het kanaal vormt samen met het Lekkanaal de opvolger van het Merwedekanaal.
Het kanaal maakt tot de oude splitsing richting Vreeswijk gebruik van het tracé van het Merwedekanaal. Het kanaal werd verbreed, draaibruggen werden vervangen door hoge vaste overspanningen, de sluizen bij Amsterdam en Utrecht vervielen, enz. Vanaf voornoemde splitsing werd een nieuw kanaal gegraven richting Wijk bij Duurstede. Hier kruist het kanaal, onder toepassing van sluizen en de zogenaamde eieren van Thijsse de Lek, waarna het zich dwars door de Betuwe voortzet tot aan Tiel.
In de periode 1965 tot 1981 werd het kanaal i.v.m. de opkomst van de duwvaart verbreed.
scheepstype. Klein zeilend vrachtscheepje sterk lijkend op de Noord-Hollandse bok echter meestal voorzien van een klein roefje, soms alleen van een paviljoen. Geen gangboorden langs het ruim, vaak wel langs het roefje. Het boeisel is terhoogte van het ruim hoger maar steekt slechts weinig boven het voor- en achterdek uit. Een echt berghout is niet aanwezig. Langs de onderrand van het boeisel is een zware lijst bijwijze van berghout aangebracht. Het vaartuigje is over het algemeen iets groter dan de Noord-Hollandse bok, maar kleiner dan de Zandbok. Sterk verwant is de Zuid-Hollandse bok.
Geregeld worden door schrijvers diverse bokken welke min of meer echte vrachtscheepjes waren op één hoop geveegd, waardoor de naamgeving van dit type onduidelijk is. Noord-Hollandse bok, Amsterdamse bok en Zandbok het is allemaal lastig uit te maken wat men precies bedoelt en wie het bij het juiste eind heeft.
2> vrachtscheepje van 25 a 38 ton. Zie verder bij zandbok.
type dekschuit. Breed schip met knikspantromp. Breed vlak, breed naar buitenvallend onderboord, smal rechtopstaand bovenboord grotendeels in beslag genomen door een stevig berghout, laag voor- en achterbord dat door dikke constructies tegen stoten beschermd wordt, weinig zeeg, gesloten dek, voornamelijk in staal gebouwd.Volgens sommigen ook zolderbak genoemd. [A>]
De Motordekschuit is van hetzelfde model echter heeft deze een geveegd achterschip als van het motorscheepje.
Verder kent men nog modellen met een open ruim, met een beun, met vaste stalen langsscheepse schotten, met een opbouw, enz. enz.
~Amsterdamse Droogdok Maatschappij,
Amsterdamshe Droogdok Maatschappij,
A.D.M.:
voormalige scheepswerf gelegen aan de noordoever van het IJ te Amsterdam.
Alhoewel voornamelijk bekend van de bouw en onderhoud van zeegaande schepen hebben ook enkele binnenvaartschepen, meestal bestemd voor eigen gebruik, op de werf hun levenslicht gezien. De werf aan de Meeuwenlaan werd in 1877 gesticht en hield in 1980 na de fusie met de NDSM op te bestaan. Op de nieuwe locatie aan de Klaprozenweg blijft ze tot 1986 bestaan.
~Amsterdamse giek,
Amsterdamsschuitje:
open roeischuit met naar buiten vallende rechte stevens en sterk oplopende voor en achterkant. Afmeting circa 5,1 bij 1,1 meter.
Iets groter is de Amsterdamse snip. [Aanverwante vaartuigen>].
slanke dubbeleinder met rechte naar buitenvallende stevens en opvallend rond uitwaaierend voor- en achterschip. Ook, afhankelijk van de grootte, acht- of negenkorter genoemd. Ca. 7,5 x 1,5 m. De vaartuigen werden geheel voorin geroeid met merkwaardig eenvoudig geconstrueerde roeispanen. Voornamelijk gebruikt voor het vervoer van groenten. [Aanverwante vaartuigen>].
Voor de termen 8 of 9 korter heb ik geen aanvaardbare verklaring kunnen vinden.
16de-17de eeuwse, plomp gebouwde, vaartuigen zonder mast en zeilen bestemd om geboomd te worden. De vaartuigen waren gedekt met een hoge ronde houten luikenkap en voorzien van een kleine roef.
Ondanks eensluidende beschrijvingen in diverse bronnen stelt dit vaartuig mij een beetje voor een raadsel. Het lijkt me te plomp en getuige de ets te groot om met succes in de Amsterdaamse grachten toegepast te worden. Nooms tekent het vaartuig met een eindeloze watervlakte op de achtergrond. Aangezien de vaartuigen geboomd moesten worden, is het echter niet waarschijnlijk dat ze buiten het Amsterdamse havengebied kwamen.
scheepstype. geheel gedekte houten schuit met rechte naar buiten vallende stevens. De zijden bestaan uit twee naar buiten vallende gangen met daarop een wat minder naar buitenvallende gang welke aanmerkelijk zwaarder is uitgevoerd.
De door GJ Schutten op blz 277 getoonde afbeelding van de 'aardeschuit' toont een exemplaar met een dek dat lager ligt dan de voor- en achterplecht. De tekening toont echter geen constructie welke men bij een vast dek zou verwachten. Heeft men hier te maken met een los dek, een zolder? Het lijkt er echter ook op alsof net als bij de boomschuit ook hiervan een versie met een verlaagd/verdiept dek en een versie met ruim bestond. Deze laatste staat dan misschien bekend als aardeschuit.
Een aardig model van een vlotschuit is te zien op de Maquette van Texel.
gladboordig gebouwd paviljoenscheepje voor het vervoer van zand vanuit de kuststreek naar Amsterdam. Het scheepje heeft echter wel steekleren en een vrij vlakke luikenkap, dus er zal niet alleen zand vervoerd zijn. Het scheepje heeft achter geen heve maar een vertikale steven. Het scheepje voert een gaffeltuig.
~amusementschip,
term uit de liggers van de meetdiensten voor een vaartuig dat gebruikt tot huisvesting van vermakelijkheden en aanverwante zaken.
Gerelateerde termen:
kermisschuit,
theaterschip.
~A.M.V.V.,
Algemene Maatschappij voor Varenden:
Welzijnsorganisatie voor de binnenvaart.
~anderdaagsweer:
weer dat de ene dag totaal verschilt van een andere dag.
~anderhalf-master:
zeilend vrachtschip met twee masten, waarbij
aan de achterste mast een beduidend kleiner zeil gevoerd wordt.
~anker:
1> scheepsanker, kromme spijker, spijker: zwaar voorwerp, dat door middel van een touw, staaldraad, of ankerketting met een vaartuig, boei, of visnet verbonden is en dat moet voorkomen dat het vaartuig, het net of de boei wegdrijft.
[A>]
[U>]
Het is me niet bekend in hoeverre de bijnaam KROMME SPIJKER ingeburgerd was.
Daar deze aak veel gebruikt wordt door baggeraars is het niet verwonderlijk dat het meestal een (grote) Sliedrechtse roeiaak is die aan dit werk aangepast is. De foto van Jacob Olie laat zien dat achter het boeisel een extra weger aangebracht kan zijn. GJ Schutten (blz.314) vertelt ons dat er over de leggers tot tegen de spiegel een stevig zaadhout geplaatst is.
De kleine davits waren niet meer dan een gebogen, soms dikwandige, pijp. Voor de zwaardere ankers gebruikte men massieve staaf of een davit van het soort zoals ook voor de bijboot gebruikt werden. De zeer grote zware davits zoals die op de grotere sleepschepen voorkwamen [A>] werden door hen die deze bevoeren bijna altijd kranebalk genoemd.
~ankergeld:
soort havengeld, dat men (ook) wanneer men geankerd ligt, verschuldigd is. Oudere termen hiervoor zijn: ankeraagje, ankeragie en ankeraadje.
Zie ook: walgeld.
~ankergerei,
ankerspul,
ankertuig,
ankerwerk:
alles wat bij het ankeren noodzakelijk kan zijn.
~ankergrond,
ankerbedding:
de bodem van het vaarwater. Vrijwel uitsluitend gebruikt in de combinaties goede, of slechte ankergrond.
[U>]
~ankerkettingkluisgat:
eigenlijk de enige juiste benaming voor wat men een ankerkluisgat of
alleen maar een kluisgat
noemt. [A>]
~ankerkettingschijf:
eigenlijk een willekeurige schijf waarover de ankerketting loopt; in de praktijk echter (bijna) altijd de nestenschijf in een ankerlier.
~ankerkluis: 1> verkorting van ankerkluisgat.
2> gebruikelijk synoniem voor ankernis.
~ankerkuil,
stroopnet:
1>schokkerkuil, geikuil, gijkuil: langszij een voor anker liggend vaartuig ca. 30 meter lang trechtervormig visnet, aan de voorzijde voorzien van twee horizontale bomen waarmee de voorzijde van het net, ca. 12 bij 6 meter, opengehouden wordt.
[A>] In eerste instantie aan het achteruiteinde gewoon dicht gebonden, later aan het uiteinde voorzien van een 3 tot 5 meter lange fuikachtige constructie die men staart / aatje noemt.
Het net is een verdere ontwikkeling van de raamkuil (ook schokkerkuil met raam genoemd). Het net is voor 1890 tot ontwikkeling gekomen en maakte, door de goede vangsten die men er mee maakte, al spoedig grote opgang.
Dit type net wordt door een vaartuig (zie Waalschokker) langszij in positie gehouden en is samen met dat vaartuig in de rivier verankerd. De ankerkuil/geikuil wordt voornamelijk op de rivieren gebruikt.
Op het Hollands diep en westelijk daarvan noemt men de schokkerkuil, een geikuil onder een ankerkuil verstaat men dan uitsluitend een raamkuil.
2> algemene aanduiding voor een, aan de voorzijde door een raamwerk opengehouden, kuilnet, dat met behulp van één of meerdere ankers verankerd ligt.
Gerelateerde termen: sprinkel,
bliekkuil,
doorschot.
~ankerlierkap:
metalen, vroeger ook houten, constructie welke de ankerlier aan de bovenzijde afdekt.
~ankerlierketting:
ketting waarmee de ankerlier aangedreven wordt, danwel een ketting welke onderdeel uit maakt van de lier.
~ankerliermotor,
ankermotor:
motor voor de aandrijving van een ankerlier. Vroeger meestal een losse verbandingsmotor, vaak een benzinemotortje, tegenwoordig vaak een aangebouwde electromotor, soms een hydraulische motor.
Onder de verbrandingsmotoren waren vooral Briggs & Stratton (benzine), bijgenaamd de straathond, en Petter (diesel) populair. Op grotere schepen, dus bij zware ankers, werd geregeld een liggende Deutz gebruikt.
~ankerlierschild:
schot waarin de assen van het ankerlier gelagerd zijn.
~ankersein:
teken of licht dat men voert om de scheepvaart er te attenderen dat men voor anker ligt. Dit kan zijn een ankerbol of ankerlicht. Terwijl men vroeger op de rivieren daar ook een op halve hoogte in de lichtmast gehangen vaarvlag voor gebruikte.
De ankerboei is in feite geen ankersein. De boei vertelt alleen iets over de ligging van een anker. Volgens de letter der wet hoeft er geen schip aan vast te zitten.
~ankersluitingborgpen,
ankersluitingopsluitpen:
houten of metalen borgpen, die dwars door de moer, die op de bout van ankersluiting gedraaid is, geslagen is.
~ankersmederij:
smederij waar een ankersmid werkzaam is.
~ankersmid:
oud beroep: smid gespecialiseerd in het smeden van ankers, later het werk van de grofsmederij.
~antislipschoeisel:
schoeisel voor zien van een speciale zool, die uitglijden op gladde stalen oppervlakten moet voorkomen.
~antislipverf: dekverf waaraan, om een stroef oppervlak te verkrijgen, één of ander, fijn gemalen, hard
materiaal toegevoegd is. Zie ook: ijzerglimmerdekverf.
~ape-rak, apenrak:
vrij zelden gebruikte term voor een lastig te bezeilenrak.
De Nederlandse taalunie heeft dit woord niet in zijn/haar online woordenlijst opgenomen. Ik ga er van uit dat het hier om eenzogenaamd versteende uitdrukking gaat en dat 'apenrak' een onjuiste schrijfwijze is.
~apevuist,
apenvuist,
apeklauw,
apenklauw,
klein keesje:
bepaalde (tijdelijke) knoop in het uiteinde van een werplijn. In de knoop wordt vaak een klein zwaar voorwerp gestopt. Zoe ook: keesje.
De Nederlandse taalunie heeft dit woord niet in zijn/haar online woordenlijst opgenomen. Ik ga er van uit dat het hier om eenzogenaamd versteende uitdrukking gaat en dat de schrijfwijze met een 'n' een onjuiste schrijfwijze is.
~Appelse broekschuit:
niet te grote boerenschuit van de Schelde nabij Dendremonde. De boten kenmerken zich door een rechte vallende steven en een vrij brede spiegel.
Bron GJ Schutten blz 269.
~Appelse melkschuit:
vermoedelijk niet al te veel afwijkend van de Appelse broekschuit.
~aquariumreis(je):
in sommige kringen gebruikte term voor een reis waarbij men geen diep water hoeft te bevaren. Een reisje over kanalen dus.
~ARA-gebied,
A.R.A.-gebied:
het vaargebied tussen Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen.
~Arb:
volgens Haalmeijer en Vuik een door Nicolaas Witsen genoemd scheepstype. Geen beschrijving gegeven, maar in één adem genoemd met Pleiten, Tjalken, Evers, Krayers, en Snaauwen.
De naam zou in "Architectura Navalis" uit 1690 voorkomen. Aangezien de term 'Arb' een on-Nederlandse indruk maakt, vraag ik mij af of er niet 'Ark' heeft moeten staan. Dit levert tenminste wel een scheepstype dat elders ook opgesomd werd op.
~Arcke,
Arck: 1>Ark: scheepstype van rond 1600. Ca 40 ton. Verder geen gegevens bekend.
~arend:
vierkante, tapstoelopende, van een soort weerhaken voorziene, pen die in rondhouten
gedreven wordt. De arend eindigt vaak in een (dubbel) oog (bij bijv. de lummel [A>]en de gaffelschoen-gaffelhout verbinding) of in een gaffel (o.a. bij bokkepoten).
1>aardeschuit,
grondschuit,
bak:
algemene benaming voor (houten), vrij brede, rechthoekige vaartuigen. Deze kunnen geheel open of half gedekt zijn.
De ark werd voor diverse doeleinden gebruikt. Over het algemeen fungeerde ze echter meer als legger dan als echt vaartuig. Vrij bekend zijn de arken die in de steden gebruikt werden voor de opslag en transport van grond en bouwmaterialen (de kalkark), maar ook voor baggerwerkzaamheden werden arken gebruikt. Zodra de afstand belangrijker werd stapte men over op smalle exemplaren of andere 'scheepstypes', zoals bijv. de modderschouw.
E. van Konijnenburg spreekt van een Laadbak.
de Arke van Delft, een gebouw van twee scheepen t'zaamen geklampt, dicht geslooten, en beschermt teeghens een mosketkoeghel. 'T voerde weldigh geschut; en werd met zeilen, riemen, nocht boomen, maar binnen, door draayen van raaderen, by twaalf mannen, gedreeven.... Uit P.C. Hooft's Historiën.
Dit in 1574 samengestelde vaartuig werd dus met schepraderen welke door 12 mannen rondgedraaid werden voortbewogen. Het scheen oorspronkelijk nogal zwaar bewapend te zijn, want het wilde pas een beetje vooruit komen toen men een twintigtal 'bussen' verwijderd had.
type Hoogaars met een (in de lengterichting) gebogen vlak en een wat steilere voorsteven dan de overige Hoogaarsen. Hierdoor is de kop wat hoger en heeft het scheepje wat meer zeeg. Door dit alles neemt het minder water over en is het, naar men beweert, met licht weer een wat snellere zeiler dan de overige Hoogaarsen. De schepen waren vroeger getuigd met een spriettuig en pas laat met een gaffeltuig. Het schip had geen bun. Het roer was vissend en schoof bij het aan de grond lopen langs de roerpen omhoog. Het roer had wat minder oppervlak dan dat van bijvoorbeeld de Tholense hoogaars. Vanaf circa 1860 werd de Hoogaars vooral voor de garnalenvisserij en ook de oesterteelt ingezet. De meeste schepen werden gebouwd op de scheepswerf van Meerman te Arnemuiden en waren rond de dertien meter lang en cica 4,3 meter breed.
~Arnhemse Stoomsleephelling Maatschappij,
A.S.M.,
Arnhemse Scheepsbouw Maatschappij,
Scheepswerf 'De Prins':
Gevestigd in Arnhem en was gelegen aan de Rijn vlakbij de John Frostbrug. Opgericht in 1885 eigenaar: Dhr. Prins. Later is de naam
gewijzigd in Arnhemse Scheepsbouw Maatschappij. In 1978 gesloten. Behalve nieuwbouw en reparatie van diverse soorten binnenvaartschepen (onder andere diverse Amsterdamse gemeente ponten) hield het bedrijf zich ook bezig met de bouw van stoommachines en bagger- en offshorevaartuigen.Tijdens het hoogtepunt had het bedrijf 600 werknemers in dienst.
[E>Kort
geïllustreerd overzicht over de werf en over de
stoommachinebouw.]
~asbak, aschbak:
deel van de ruimte onderin brandstofvergassers. De term wordt ondermeer gebruikt bij de Kromhout-vergasser waar de totale onderruimte betaat uit de asbak, een ontslakkingsbak en een ontslakkingmond.
~asblok,
asdrager,
asstoel,
steunlagerblok,
lagerblok:
constructie die tegen of op het schip bevestigd kan worden, waarin een lager opgenomen is.
Gerelateerde term:
aspot,
dekpot,
kussen.
~asklauw:
soort pook waarmee men de ketelvuren onderhoud.
~askussen:
lagerschaal.
~asmok:
stalen emmer waarmee men as en slakken van de stookplaat naar buiten en overboord brengt.
~aspaardekrachten,
As-PK's,aPK:
het vermogen aan de hoofdas (krukas) van een machine, waarbij de verliezen in verband met de aandrijving van de noodzakelijke hulpmachines niet in rekening gebracht zijn. [T>PK's.]
(productnaam)
bolvormige roestvrijstalen ventilator, die door de wind in beweging wordt gebracht. Zowel voor normale ventilatie als ter verbetering van de kacheltrek in gebruik.
[A>meer foto's 'ventilatie'.]
onderdeel van brandstofvergassers die over een asschotel beschikken. De asploeg is een metalen plaat, waarmee, bij een roterende beweging van de asschotel, as en sintels uit de asschotel verwijderd worden. De 'diepte' van de asploeg, en daarmee de hoeveelheid as, die per rondgang verwijderd wordt, wordt ingesteld met de kwadranthandel.
onderdeel van brandstofvergassers. Langzaam draaiende of draaibare bak onderaan de brandstofvergasser, waarin zich as en sintels verzamelen. De asschotel wordt meestal in combinatie met een draairooster toegepast.
~asschuif:
onderdeel van een stoomketel: schuif, die de ruimte waar zich de as van de vuren verzamelt, afsluit.
eenvoudig geconstrueerd houten boerenvaartuigje dat door de melkers werd gebruikt. Het vaartuigje had een lancetvormig vlak met naar buiten vallende rechte zijdes en stevens. De grootste breedte lag op iets minder dan 1/3 van de voorzijde. Achter voor- en achtersteven had men een klein dekje. Het daarop volgende spant was gevormd als truilkorf. Alwaar mogelijk werden de scheepjes door wegen/truilen voortbewogen. Afmetingen circa 5 bij 1 meter.
Opvallend bij deze scheepjes was de constructie van de zijde. Vanaf de achterzijde reikte de gang slechts tot het spant net voor het midden. Van af de voorsteven liep het tweede deel tot het spant achter het midden. Er ontstond dus een overlap alwaar beide delen op elkaar vastgezet werden.
open houten boerenschuit met rechte vallende stevens en zijdes. Voorkomende maat rond 7 bij 2 meter. Wat betreft het model een wat langere maar vooral veel bredere uitvoering van het Assendelfts melkschuitje. De zijdes bestaan uit twee (over de gehele lengte doorlopende) gangen boven elkaar. De bovenste (soms dikkere) gang is overnaads aangebracht op de onderste. Langs voor- en achterschip zijn op deze gang nog een extra schuurlijst/beuling bijwijze van berghoutje aangebracht. Dit vaartuig bezit alleen aan de voorzijde truilkorven.
Indien de beschikbare foto's mij niet bedriegen waren er verschillende manieren in gebruik waarop de bovenste gang tegen het vaartuig gezet werd. De vormgeving van de voordekjes en knieën welke de truilkorf steunen lijkt typerend voor de Assendelftse modellen te zijn.
~assenstuurwerk: stuurwerk dat met assen, rollenkettingen en een haakse tandwieloverbrenging werkt. Soms ook cardanstuurwerk genoemd.
[A>]
~assisteren: 1> in reglementen gebezigde term voor elke vorm slepen.
2> in het normale spraakgebruik spreekt men van assisteren wanneer het ene motorschip (vaak een sleepboot) een ander motorschip, waarvan de voortstuwing volledig werkt, helpt.
Verwante termen: slepen,
achterspan,
voorspan.
~astap:
meestal dunner uiteinde van een (cilindrisch) voorwerp, dat in een opening, lagerbus draait. Losse astappen werden ondermeer bij de braadspil gebruikt.
~aswip:
onderdeel van een stoomketel: constructie waarmee men het as onder de vuren vandaan kan halen.
~aswippen:
sintels en as uit de vuren, die onder de stoomketel gestookt worden, halen en deze in een asmok
scheppen.
~atelierschip:
een schip waarin een kunstbeoefenaar zijn werkplaats heeft.
~ATIS,
Automatic Transmitter Indentification System:
tegenwoordig verplichte toevoeging aan de marifooninstallatie, waarmee tijdens het zenden een, voor elke marifoon, unieke code wordt meegezonden.
[E>Wikipedia]
~autoafzetplaats,
auto-afzetplaats,
afzetplaats: aanlegplaats waar men de auto van en aan boord kan zetten en die voor geen ander doel gebruikt mag worden.
[A>bord]
~autosteiger: aanlegplaats, in de vorm van een steiger, waar men de auto van en aan boord kan zetten en die in principe voor geen ander doel gebruikt mag worden.
Gerelateerde term calamiteitensteiger.
: van scheepswerven; een schip bouwen terwijl daar nog geen koper voor gevonden is.
In veruit de meeste gevallen werd er in opdracht gebouwd. Alleen werven die kleine vaartuigen bouwden, legden in slappe tijden weleens een voorraadje aan.
één van de vele woordvarianten waarmee men een kleine houten pen, ter borging van bepaalde sluitingen, waaronder de sluiting waarmee het uiteinde van de ankerketting vastgezet werd.
Gerelateerde term: slampamper.
De meest correcte benaming van dit voorwerp schijnt 'azijnhouten (ankersluiting)borgpen' te zijn. Een uitgebreide discussie over dit onderwerp kan men vinden op Kombuispraat.
~azimuth-drive:
alles behalve goed Nederlands voor wat wij een roerpropeller noemen.