banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal
Niet bij het juiste woord aangeland?
Typ het gezochte woord in het zoekvak links en klik op zoek!
Vink 'in Binnenvaarttaal' aan als U meer dan alleen een verklaring zoekt.


Aanvullingen en correcties zijn welkom!



Woordenlijst Afl



~afladen:
1> een schip tot aan het dek, het bovenboord, of de ijken beladen.

2> alle ruimte aan dek of alle ruimte aan boord(4) benutten.

3> de toelast laden.





~aflandig:
AFLANDIGE WIND
: wind, die van het land, naar het water (de zee) blaast.
Zie ook aflegger.





~afleggen:
van het land af keren, vertrekken.





~aflegger:
sterk verouderde term voor een aflandige wind.





~aflenzen:
1> lenzen.

2> al lenzend afleggen.





~afloden:
al lodend het bodemverloop van een water bepalen.





~afloop:
1> de tewaterlating. [U>]

2> de schuinte van de bouwhelling.

3> het gedeelte van oevers en kusten dat bij de wisselingen van het getij afwisselend droog en nat wordt.





~aflopen:
1>
DE HELLING AFLOPEN
: te water gelaten worden.

2> volgens Nicolaas Witsen ook afzeilen.





~afloscentrale:
soort uitzendbureau voor de binnenvaart.





~aflosmatroos:
aflosser met de functie van matroos.





~afloskapitein, aflosschipper :
schipper, die, meestal op verschillende schepen van één rederij, ingezet wordt, om de vaste schipper te vervangen.
Tegenwoordig worden dezen ook vaak via afloscentrales ingehuurd.





~aflosmachinist:
aflosser met de functie van machinist.





~aflosreis(je):
de vaartocht die men als aflosser maakt.





~aflosschipper:
zie afloskapitein.





~aflosser:
bemanningslid, dat, meestal op verschillende schepen van één rederij, ingezet wordt, om anderen te vervangen.





~aflosstuurman:
aflosser met de functie van stuurman.





~afmeerlengte:
een ligplaats voorzien van een deugdelijke oever of kade en baarbij behorende afmeervoorzieningen.





~afmeerlengte:
de voor het afmeren van schepen beschikbare lengte. Bij bunkerstations, bunkerschepen, maar ook bij kades, remmingen en rijen meerpalen, kan de beschikbare lengte meer zijn, dan de totale lengte van de afmeergelegenheid. Het vaartuig steekt dan dus uit. Zie ook kadelengte.




~afmeerpaal:
gewoonlijk meerpaal genoemd.
Men kan er namelijk zowel aan aan- als aan afmeren.






~afmeerponton:
ponton dat bedoeld is als ligplaats voor schepen. Ook aanlegponton genoemd.





~afmeerverbod:
zie bij ligplaatsverbod.





~afmeervoorziening:
over het algemeen iedere constructie waar aan een schip deugdelijk en vrij wel onbeweeglijk vastgemaakt kan worden. Bolders, meerpalen, muurpotten, meerringen, enz.




~afmeren:
1> oorspronkelijk: vertrekken. Zie toelichting bij meren.

2> tegenwoordig: een vaartuig tegen een oever, steiger, meerpalen, of langszij een stilliggend schip manoeuvreren en daaraan vast maken. [gerelateerde termen >].




~afmonsteren:
de dienstbetrekking opzeggen.
In de binnenvaart wordt deze term niet vaak gebruikt.





~afnokken:
zie nokken. [U>]





~afnummeren:
AFGENUMMERD WORDEN
: op de beurs bij het reageren op de afgeroepen reis door iemand met een lager beursnummer overtroefd worden.





~afpeilen:
met een peilstok het bodemverloop van een water bepalen.
Gerelateerde term: afloden.





~afpieken, afnokken:
zie nokken.





~afraaien: zie raaien.





~A-frame:
stalen hijsconstructie in de vorm van de hoofdletter A.





~afrijden, lenzen:
bij stormweer: met de wind en de golfslag mee varen en daarbij trachten zo min mogelijk snelheid te maken.
Afrijden heeft steeds meer de betekenis van 'een storm(bui) maar zo goed mogelijk door zien te komen' gekregen. De methodes, die men daarvoor kan gebruiken zijn legio.






~afroeien:
1> met stroom mee roeien.
2> al roeiend afleggen.





~afroep:
BEDIENING OP AFROEP
: de bediening van sluis of brug, die men ruim, meestal 24 uur, van te voren (telefonisch) dient aan te vragen.





~afschaken:
zie schaken.





~afscheep:
het met een schip wegzenden. (Verouderd.)





~afscheephaven:
de haven waar vandaan de lading verzonden wordt.





~afschepen:
met een schip afvoeren. [U>]
Zie ook: verschepen.





~afscheper:
volgens Jhr. van Lennep's zeemanswoordenboek: een bevrachter.





~afschieten:
1> het aanbrengen van (tijdelijke) houten ruimschotten.

2> zie beschieten.





~afschot:
het verval van het water.





~afschrapen: afkrabben.





~afschrappen: afkrabben.





~afschut:
het afschutten.





~afschutten, neerschutten:
het schutten naar het vaarwater met het laagste waterpeil.





~afschutting, afschut:
de schutting naar een lager peil.





~afsikkelen:
1> een stuk ketting, door het verwijderen van een sikkel, losmaken.

2> het anker en een deel van de ankerketting laten schieten, door een sikkel te verwijderen.





~afslaan:
1> aftuigen: de zeilen van de rondhouten, vallen, schoten, neerhalers, enz. los halen.

2> van vis: op de visafslag verkopen.





~afslechten, slechten:
1>
van golven: het afnemen van de golfhoogte.
2>
van houten spanten: de zijde, die tegen de scheepshuid komt, dusdanig afschuinen, dat de gangen vlak tegen het spant aan zullen liggen.





~afslepen:
1> zie wegslepen.
2> in de Rijnvaart: stroomafwaarts slepen.





~afsluitboom:
langwerpig voorwerp waarmee men de toegang tot iets tracht te beletten.
Afsluitbomen komt men in diverse vormen en maten tegen. De bekendsten zijn de slagbomen, die in een vertikaal vlak bewegen, waarmee de bruggen voor het wegverkeer afgesloten worden. Op kleine bruggen vindt men soms nog afsluitbomen, die in het horizontale vlak bewegen. Een simpele uitvoering van het brughek. Voor de, min of meer permanente, afsluiting voor de scheepvaart van kleine wateren gebruikt men tussen palen verankerde drijvende balken. De tijd dat men stadsgrachten en havens des nachts afsloot met de stadsboom, een hekel of andere balkvormige constructies is reeds lang vervlogen.





~afsluiter:
a> mechanisme om een pijp af te sluiten (een kraan).
b>
afsluiter met losse klep
: zie klepafsluiter.





~afsluiting:
DE AFSLUITING
: het moment dat de afsluitdijk gesloten werd. Mei 1932 dus.





~afsnijden:
het afbreken of beëindigen van de teelt.





~afsnijers:
die zaken aan boord van de visloggers, die in de winter maanden van boord gaan om thuis nagezien of gerepareerd te worden. Hiertoe behoren ondermeer de tonnen, netten, drijvers, kabels, enz.
Volgens Dessens in Zeilende Binnenvaart hadden de schippers van het Westland er in najaar werk aan de spullen van de Scheveningse vissers binnendoor van Vlaardingen naar Scheveningen te brengen en in het voorjaar weer om.





~afsporen:
het nauwkeurig pas maken van de hieling van de mast op de mastkoker.
Ondermeer bij de Botter werd de hieling precies pas in de iet wat konisch gevormde mastkoker gemaakt.






~afstandsbediening:
de term kan voor uiteenlopende zaken, waarmee mechanische werktuigen, op enige afstand, bediend worden, gebruikt worden. Meestal gebruikt, voor een klein vast bedieningspaneel buiten de stuurhut of een verplaatsbaar bedieningspaneel, waarmee roer en voortstuwingsmotoren bediend kunnen worden.





~afsteken:
met een scherp voorwerp, bijv. een steekijzer, verf, roest, teer en/of aangroeisel verwijderen.





~afstevenen:
1> tegenwoordig: ergens naar toe varen.

2> vroeger: vertrekken, weg varen.





~afstoppen:
1a> het met behulp van een tros, ankerketting of meerdraad afremmen van een vaartuig.
b> met behulp van een ander vaartuig, een vaartuig doen stoppen.
In de meeste gevallen zal het een sleepboot zijn, die door achteruit te slaan of door in tegengestelde richting te 'varen' het gesleepte vaartuig wil doen stoppen.


2> op stromend water stil liggen, door de stroom dood te varen of door voor anker te gaan.

3> een lek dichten.





~afstoten:
zie afduwen.





~afstrijkplaatje:
onderdeel van een plaatfilter.





~afstromen:
spuien door een schutsluis.




~afsturen, afdraaien(3), ruimen:
met wind of stroom mee draaien.





~aftakelen, onttakelen: [U>]
1> eigenlijk: de takelage, dus al het  staande en lopende want, van een schip halen.

2> vaak gebruikt als synoniem voor aftuigen (1).
Gerelateerde termen: toetakelen, optuigen, aftuigen(2).





~aftapkraan:
1> kraan aan een motor of een onderdeel van het koelwatersysteem, waardoor men het water kan laten wegvloeien.
2> kraan aan een waterzak, waarlangs men het verzamelde water en vuil kan laten afvloeien.





~aftappen:
om bevriezing van de motor te voorkomen, het koelwater uit de motor verwijderen.





~aftonnen:
afbakenen door het water van tonnen/boeien te voorzien.
Ongebruikelijke en mogelijk verouderde term.






~aftoppen:
EEN BOK AFTOPPEN
: de 'poten' (of alleen het bovenste deel daarvan) van een bok voorwaarts zover strijken, dat men onder een brug door kan.





~aftornen:
door tornen een schip vlotbrengen.





~aftrek:
plaats waar een afwatering in de rivier stroomt. Plaatselijke term onder riviervissers.





~aftuigen, kalen, aftakelen:
1> eigenlijk: de gehele tuigage, dus ook de masten, van het schip nemen. [U>]

2> vaak gebruikt als synoniem voor: het bergen van de zeilen of voor het strijken en vervolgens opdoeken daarvan.





~afvaart:
1> op de rivieren: de schepen, die met de stroom mee varen.
Gerelateeerde termen: bergvaart, opvaart, afvaart, daalvaart, dalvaart, te daal varen.

2> het vertrek van een schip, in het bijzonder een schip dat een dienstregeling onderhoudt, zoals een pont of een beurtschip.





~afvallen, ruimen, afhouden:
tijdens het varen het schip met de wind mee doen draaien.
Zie ook oploeven.





~afvallig:
zie lijgierig.





~afvaren:
1> met de stroom mee, of naar een lager kanaalpand, varen.

2> vertrekken, in het bijzonder van schepen, die volgens een bepaald tijdschema varen.

3> al varend afleggen.





~afvarig:
met de stroom mee, of naar een lager kanaalpand varende. Verbastering van afvarend.





~afvieren:
het touw, de draad of de ketting waaraan een voorwerp hangt of trekt vieren.





~afvissen:
1> doodvissen.

2> al vissend een bepaalde afstand afleggen.





~afvlakken, afslechten:
van golven: geleidelijk in hoogte afnemend.





~afvoer:
zie rivierafvoer.





~afvoerkanaal:
kanaal waarlangs water afgevoerd wordt.
In veel gevallen handelt het zich om de afvoer industrieel water, gelijk een lozingskanaal. Gaat het om de afvoer van natuurlijk water dan spreekt men ondermeer van een afwaterings- of spuikanaal.






~afwaaien:
1> het, door de wind, zijdelings verplaatsen van het voor- en/of achterschip.

2> het zakken van het waterpeil als gevolg van de wind.





~afwaaiing:
daling van het waterpeil als gevolg van de wind.





~afwateringskanaal:
kanaal waarlangs een gebied zijn regenwater kwijt raakt.





~afzakken:
door wind of stroom van de koers gezet worden.
ZICH ACHTER HET ANKER AFLATEN ZAKKEN
: de ankerketting, -tros of -draad vieren met het doel het schip op een bepaalde plaats te krijgen.
ZICH AFLATEN ZAKKEN
: het schip doelbewust door wind of stroom laten verplaatsen.





~afzeilen:
1> al zeilend afleggen.

2> met stroom mee zeilen.





~afzetpen:
pen door de aanvaarklamp bij ondermeer de Botter. [A>]
Gerelateerde term: statiepen.





~afzetten:
1> een peiling of een koers op een kaart in tekenen.

2> afduwen.

3> een ligplaats waar men heeft moeten laden of lossen ten behoeve van anderen vrij maken en direct daarna, meestal op korte afstand, weer ligplaats kiezen.
Gerelateerde term: verhalen.





~afzien: dit wordt door de Maritieme Encyclopedie verklaard met: het bepalen van de gemiddelde inzinking van een vaartuig aan de hand van de diepgangsmerken vóór en na het lossen of laden teneinde het geladen of geloste gewicht vast te stellen of te controleren. Meer gebruikelijk is het om van ijkopname te spreken. Men gebruikt daarvoor trouwens niet de diepgangsmerken maar de ijkschalen, want die zijn voor dat doel aangebracht.
Gerelateerde termen: ijkopnemer, scheepsmeting.




~afzinkbaar:
de mogelijkheid hebbend het (tot een bepaalde diepte) af te laten zinken. Meestal gebruikt voor constructies of vaartuigen, die meerdere malen afgezonken kunnen worden, zoals een
afzinkbaar ponton
en het dokschip.





~afzinken:
1> iets, meestal een bepaalde constructie, naar de bodem van het water doen zakken.

2> zinken.





~afzinklocatie:
de plaats waar iets afgezonken moet worden of afgezonken is.





~afzuiginrichting:
algemene term voor installaties die (ongewenste) lucht of vloeistof verplaatsen.
Gerelateerde termen: lensinrichting, veegarm, machinekamerventilator.





~agger:
tijdelijke rijzing van het water gedurende laagwater.





~aggregaat:
1> generatorset, generator, 220-aggregaat: combinatie van een verbrandingsmotor en een wisselstroomgenerator waarmee een wisselspanning van ca. 230V opgewekt wordt.

2> eigenlijk: een willekeurige combinatie van een aandrijvend en aangedreven werktuig. Men kent bijv. ook een pompaggregaat (meestal motorpomp genoemd) en een compressoraggregaat (meestal alleen compressor genoemd).





~A.I.S., Automatic Identification System:
systeem waarbij een zender periodiek de nautische gegevens van het schip uitzendt. Deze gegevens kunnen door andere schepen en walstations gebruikt worden om de positie, snelheid en richting van het schip op en scherm weer te geven. Anno 2006 is er sprake van dit systeem in de binnenvaart verplicht in te voeren. [E> Wikipedia, informatie.binnenvaart.nl.] [A> actueel AIS-scanner op Marinetraffic.com]





~Ajax:
tamelijk onbekend merk ruw-oliemotor.





~akenkont:
eigenlijk een achterschip zoals een aak (1), die dan ook; meestal echter, een achterschip zoals een Hasselter aak. Zie verder bij paardekont.





~akenkop:
eigenlijk een kop zoals een aak(1), welke aak dan ook, maar meestal een kop gelijkend op die van een Hagenaar [A>] of een Hasselter aak.





~akentuig:
1> gaffeltuig met korte gaffel en lange giek.

2> op een skûtsje: gaffeltuig met bakstagen.





~aker(tje):
klein cilindrisch, metalen, bekertje waarmee men, via het spongat, water uit het watervaatje kon putten.
Akertjes waren van tin of koper. Ze waren voorzien van een lange dunne steel of zaten met een fijn kettinkje aan de stop van het spongat vast.






~akkerschuit, veldschuit:
1> boerenschuit voor het vervoer van landbouwproducten, gereedschappen en arbeiders. [Gerelateerde scheepstypen/soorten >].

2> in sommige streken gebruikt als synoniem voor boerenschuit; dus zowel voor de veeteelt als voor de land- en tuinbouw gebruikt.





~aktentasje:
in sommige kringen gebruikte bijnaam voor schepen in de maat zo tussen de 38 en 50 meter. Zie ook spijkerkistje.





~alderwest:
te Enkhuizen gebezigde benaming voor de meest westelijke eindboei.
Helaas niet meer bekend.






~ Algemeenen Binnenschippers bond, ABSB:
in 1898 opgerichtte belangen vereniging van binnenschippers. Ondanks een stormachtige groei in de eerste jaren hield de bond, door, interne strubbelingen en ledenverlies (zie ook Nederlandse Binnenschippersbond), in 1905 op te bestaan.
De ABSB ontstond min of meer uit onvrede met de Algemeene Rijnschippers bond die alleen voor de belangen van de Rijnschippers opkwam.






~ Algemeene Rijnschippers bond, ARSB:
in 1898 oprichtte bond van partikuliere Rijnschippers.
Ontstaan na acties van Rijn- en binnenschippers tegen het voornemen van verladers en bevrachters om de schippers bepaalde, voor hen ongunstige, vervoersvoorwaarden op te dringen. Uiteindelijk leidde dit tot een overeenkomst bekend onder de naam: Gedeponeerde Rotterdamsche Rijnvaart Conditiën.
Deze bond heeft tot het jaar 2000 bestaan waarna zij opging in het CBRB.
Daar de ARSB zich alleen richtte op de belangen van de Rijnschippers besloten de binnenschippers tot oprichting van de Algemeenen Binnenschippers bond.






~Algemeene Schippersbond, ASB:
schippersbond die mede verantwoordelijk was voor de oprichting van de eerste schippersbeurzen.
Verder nog geen gegevens bekend.





~Algemeene Schippersvereniging, A.S.V.:
vereniging van particuliere schippers in de binnenvaart. [E>]
Min of meer naoorlogse Noord-Nederlandse voortzetting van de ASB. Opgericht eind 1945. In 1946 volgde de aansluiting van andere gewestelijke gelijkgestemde vereningen. In 1947 (ook) begonnen met het verwerven van lading voor de aangeslotn leden.Meer informatie is welkom!







~Algemeen Reglement van Politie voor rivieren en Rijkskanalen:
reglement dat het gebruik van de Rijkswateren regelde.





~Algemeen Rijnvaart Politiereglement, A.R.P.:
vaarreglement voor de Rijn, haar vervolg en de Waal.





~Alkmaar Packet:
in 1864 door C. Bosman, Alkmaar opgerichtte onderneming die vracht- en passagiersdiensten op de lijn Alkmaar-Zaandam-Amsterdam en later ook naar Haarlem en IJmuiden onderhield. De firma heeft tot 1950 bestaan.





~Alivoor:
Scheepstype. Geen gegevens bekend.





~allemanseind, allemansend, klokreep, allemanstouw:
touwknoopwerk aan een scheepsbel.
Eén van de eerste knopenboeken die ik begin jaren '70 doorwerkte en waarvan ik helaas de titel vergeten ben, gaf de volgende verklaring voor het ontstaan van dit stuk schiemanswerk. Men stelde dat de schiemannen aan boord van ze schepen soms een wedstrijdje hielden, waarbij ze hun mooiste kardeelknoop in een eind touw moesten leggen. Zo'n eindje touw werd dan omdat meerderen daar een knoop ingelegd hadden een 'allemanseind' genoemd. Ook op schoolschepen werden dit soort wedstrijden wel gehouden. De allemanseindjes vonden al spoedig een praktische toepassing in de vorm van handgreep aan diverse zaken, waaronder de scheepsbel.
In oude boeken en op oude schilderijen, dat wil zeggen van voor 1939, heb ik tot op heden echter nog geen 'allemanseindje' kunnen vinden. Van Lennep noemt in zijn zeemanswoordenboek enkel en alleen de klokreep. Een, aan de klepel gebonden, eindje touw met een enkele knoop in het einde.
Het verhaal, dat enige tijd geleden de kop opstak en waarin beweerd wordt, dat het allemansend een 17de eeuws sanitairgerief zou zijn, doet mij aan een geslaagde 1 aprilgrap denken. Ondanks het feit dat diverse personen hiervoor een bewijs hebben trachten te vinden is men daar tot op heden en voor zover mij bekend, niet ingeslaagd. Ook 'Van Dale's Groot woordenboek van de Nederlandse taal' vermeldt deze betekenis niet.
Ook het feit dat het WNT bij de oudste vindplaats van dit woord 1937 opgeeft, maakt het bestaan van een 17de eeuws allemanseind hoogst twijfelachtig. [E> Discussie hierover op Kombuispraat.com]






~allemansend:
zie allemanseind.





~allemanstouw:
waarschijnlijk door onkunde ontstaan synoniem voor allemanseind.





~Allied Rhine Tug Pool A.R.T.P:
augustus 1945 opgerichte organisatie die de beschikbare sleepkracht en scheepsruimte in eerste instantie trachtte te verdelen en te organiseren.





~almanak:
1> jaarboekje, meestal van één of andere schippersvereniging.

2> getijtafel.

3> zie Schippersalmanak.

4> Almanak voor watertoerisme: jaarboek met gegevens betreffende reglementen, vaarwegen, havens, enz. Uitgave van de A.N.W.B.





~Almanak van de Federatie van Schippersvereenigingen in Friesland:
jaarlijks door de Federatie van Schippersvereenigingen in Friesland tussen 1917 en 1933 uitgegeven boekwerkje. (Inhoud nog niet bekend.)





~alverschrapperij:
de winning van de schubben van de alver, een kleine soort karper, in verband met de productie van kunstparels waarbij gebruik gemaakt wordt van de guaninekristallen die in de schubben van deze vis voorkomen.
Vroeger vormde de vangst van alver, die ook panharing genoemd wordt, veelal een zekere bijverdienste voor de vissers die met de raamkuil en kubben visten. Door kantoorschokkers werd er echter wel stelselmatig op deze vis gevist. De vis werd voornamelijk naar Frankrijk uitgevoerd. De meeste beoefenaars van deze vorm van visserij vondt men nabij Woudrichem.






~amateurzeilen:
term uit het hedendaagse skûtsjessilen voor een zeilwedstrijd waarbij niet de gebruikelijke schipper, maar een van de bemanningsleden aan het roer staat.





~ambulanceboot:
zie ambulancemotorboot.





~ambulancemotorboot, ambulanceboot:
scheepje, soms ook een boot [uitleg!], dat voor het vervoer van doktoren en zieken gebruikt wordt.
Vroeger tamelijk riante motorpassagiersscheepjes, tegenwoordig vaak snelle rubberboten al dan niet met opbouw.
De ambulanceboot is niets nieuws; ze zijn terug van weggeweest. De GG&GD van Amsterdam had in de jaren twintig vier van een dergelijke vaartuigen en ook Rotterdam was minstens één van dergelijke vaartuigen rijk. [EA>]

Gerelateerde termen: politie-ambulanceboot, doktersboot, GG&GD-boot.





~Amerikaan:

zie Franse motor.





~amfibiebus, amphibiebus :
amfibievoertuig voor het vervoer van een redelijk aantal personen.





~amfibievoertuig, amphibievoertuig :
voertuig, dat zich zowel op het land, als in het water kan voortbewegen. Behalve bij de landmacht, in de binnenvaart nauwelijks in gebruik.





~amiraal:
van zeildoek gemaakte puts.





~Ammerstolse boot:
aan de Hollandse boot verwante maar wat grotere boot voor de zalmvisserij.
Bron: Vaartips.nl





~ammunitie....: zie ook munitie.





~ammunitiekistje :
bijnaam voor een Engelse bak.





~Amphibiebus:
zie bij Amfibiebus.





~amphibievoertuig:
zie bij amfibievoertuig.





~amphidredge:
drijvende hydraulische graafmachine, die zich met behulp van vier lange poten in bepaalde posities vast kon zetten en zich daarmee over korte afstanden kon bewegen.
Dit vaar-voertuig werd in de jaren zeventig ontwikkeld. Voor zover bekend is het nooit een erg groot succes geweest.






~Amsteltol:
elk der tollen op de rivier de Amstel. De Amsteltollen werden in 1909 opgeheven.
Tollen werden bij bijna elke gemeentegrens geheven.






~Amstelbierexpres:
naam van de motorschepen, die beurt voeren voor de Amsterdamse brouwerij 'De Amstel'.





~Amstelboot:
één der boten van de Rederij van Swieten, Amsterdam.





~Amsterdammer:
1a> type sleepboot met geringe kruiphoogte, waarvan de roef zo'n beetje van boord tot boord loopt en de gangboorden (soms over de gehele lengte, soms alleen terhoogte van de roef) min of meer door het berghout gevormd worden. [A>]

b> volgens de B.A.S.M. een groep van sleepboten met overeenkomstige kenmerken, die hoofdzakelijk onder te verdelen zijn in twee types: De stads'boot' [E>] en de strekken'boot' [E>].

2> type rondvaartboot met lage kruiphoogte.





~Amsterdammer lichter:
zie Amsterdamse lichter.





~Amsterdam-Rijnkanaal, ARkan: in 1952 'gereedgekomen' vaarweg tussen de haven van Amsterdam, de Lek bij Wijk bij Duurstede en de Waal bij Tiel. Het kanaal vormt samen met het Lekkanaal de opvolger van het Merwedekanaal.
De aanleg van het kanaal begon in 1933, maar de uitvoering liep door de Tweede wereldoorlog veel vertraging op. Het kanaal maakt vanaf Amsterdam tot de oude splitsing richting Vreeswijk gebruik van het tracé van het Merwedekanaal. Het kanaal werd verbreed, draaibruggen werden vervangen door hoge vaste overspanningen, de sluizen bij Amsterdam en Utrecht vervielen, enz. Vanaf voornoemde splitsing werd een nieuw kanaal gegraven richting Wijk bij Duurstede. Hier kruist het kanaal, onder toepassing van sluizen en de zogenaamde eieren van Thijsse de Lek, waarna het zich dwars door de Betuwe voortzet tot aan Tiel.
Alhoewel sommige bronnen melden dat het kanaal in 1952 gereed was en het kanaal op 21 mei dat jaar 'geopend' werd, was nog lang niet het gehele kanaal op de gewenste breedte. Het ging hierbij vooral nog om het gedeelte tussen Utrecht en Amsterdam. In april 1954 was men, ter hoogte van Breukelen, nog druk bezig. (De Tijd, 21-4-1954) Zomer 1959 werden de restanten van de oude Zeeburgersluis geruimd (Beeldbank Amsterdam).
In de periode 1965 tot 1981 werd het kanaal i.v.m. de opkomst van de duwvaart verbreed.






~Amsterdamsch peil: zie bij N.A.P..





~Amsterdamse aak:
zie Palingaak en/of Heegeraak.





~Amsterdamse akkerschuit:
niet voldoende bekend. Op een langedijker akkerschuit lijkend scheepstype. [Aanverwante vaartuigen >].





~Amsterdamse binnenlichter:
zie Amsterdamse lichter.





~Amsterdamse boeier, Noord-Hollandse boeier:
type Boeier. @nog niet voldoende bekend.





~Amsterdamse bok:
scheepstype. Klein zeilend vrachtscheepje sterk lijkend op de Noord-Hollandse bok echter meestal voorzien van een klein roefje, soms alleen van een paviljoen. Geen gangboorden langs het ruim, vaak wel langs het roefje. Het boeisel is terhoogte van het ruim hoger maar steekt slechts weinig boven het voor- en achterdek uit. Een echt berghout is niet aanwezig. Langs de onderrand van het boeisel is een zware lijst bijwijze van berghout aangebracht. Het vaartuigje is over het algemeen iets groter dan de Noord-Hollandse bok, maar kleiner dan de Zandbok. Sterk verwant is de Zuid-Hollandse bok.
Geregeld worden door schrijvers diverse bokken die min of meer echte vrachtscheepjes waren op één hoop geveegd, waardoor de naamgeving van dit type onduidelijk is. Noord-Hollandse bok, Amsterdamse bok en Zandbok het is allemaal lastig uit te maken wat men precies bedoelt en wie het bij het juiste eind heeft.


2> vrachtscheepje van 25 a 38 ton. Zie verder bij zandbok.





~Amsterdamse dekschuit, Dekschuit, Zolderschuit:
type dekschuit. Breed schip met knikspantromp. Breed vlak, breed naar buitenvallend onderboord, smal rechtopstaand bovenboord grotendeels in beslag genomen door een stevig berghout, laag voor- en achterbord dat door dikke constructies tegen stoten beschermd wordt, weinig zeeg, gesloten dek, voornamelijk in staal gebouwd.Volgens sommigen ook zolderbak genoemd. [A>]
De Motordekschuit is van hetzelfde model echter heeft deze een geveegd achterschip als van het motorscheepje.
Verder kent men nog modellen met een open ruim, met een beun, met vaste stalen langsscheepse schotten, met een opbouw, enz. enz.





~Amsterdamse Droogdok Maatschappij, Amsterdamshe Droogdok Maatschappij, A.D.M.:
voormalige scheepswerf gelegen aan de noordoever van het IJ te Amsterdam.
Alhoewel voornamelijk bekend van de bouw en onderhoud van zeegaande schepen hebben ook enkele binnenvaartschepen, meestal bestemd voor eigen gebruik, op de werf hun levenslicht gezien. De werf aan de Meeuwenlaan werd in 1877 gesticht en hield in 1980 na de fusie met de NDSM op te bestaan. Op de nieuwe locatie aan de Klaprozenweg blijft ze tot 1986 bestaan.






~Amsterdamse giek, Amsterdamsschuitje:
open roeischuit met naar buiten vallende rechte stevens en sterk oplopende voor en achterkant. Afmeting circa 5,1 bij 1,1 meter.
Iets groter is de Amsterdamse snip. [Aanverwante vaartuigen >].
Bron: G.J. Schutten blz 276.






~Amsterdamse groentenschuit:
slanke dubbeleinder met rechte naar buitenvallende stevens en opvallend rond uitwaaierend voor- en achterschip. Ook, afhankelijk van de grootte, acht- of negenkorter genoemd. Ca. 7,5 x 1,5 m. De vaartuigen werden geheel voorin geroeid met merkwaardig eenvoudig geconstrueerde roeispanen. Voornamelijk gebruikt voor het vervoer van groenten. [Aanverwante vaartuigen >].
Voor de termen 8 of 9 korter heb ik geen aanvaardbare verklaring kunnen vinden.






~Amsterdamse kaag:
scheepstype. Nog onvoldoende gegevens/voorbeelden bekend om deze kaag van de andere zware kagen te onderscheiden.





~Amsterdamse Lichter, Amsterdammer Lichter, Lichter:
1> Amsterdamse Binnenlichter, Amsterdamsche Binnenlighter, koornligter, kooreschuyt: 16de-17de eeuwse, plomp gebouwde, vaartuigen zonder mast en zeilen bestemd om geboomd te worden. De vaartuigen waren gedekt met een hoge ronde houten luikenkap en voorzien van een kleine roef.
Ondanks eensluidende beschrijvingen in diverse bronnen stelt dit vaartuig mij een beetje voor een raadsel. Het lijkt me te plomp en getuige de ets te groot om met succes in de Amsterdaamse grachten toegepast te worden. Nooms tekent het vaartuig met een eindeloze watervlakte op de achtergrond. Aangezien de vaartuigen geboomd moesten worden, is het echter niet waarschijnlijk dat ze buiten het Amsterdamse havengebied kwamen.


2> soort boomschuit met den en luikenkap.
Hoe dit vaartuig gewoonlijk genoemd werd, heb ik niet met zekerheid vast kunnen stellen. Waarschijnlijk werd het een schuit of een lichter genoemd.






~Amsterdamse ronde zolderschuit:
zie bij Boomschuit.





~Amsterdamse snip:
zie bij Amsterdamse giek.





~Amsterdamse vlotschuit:
scheepstype. geheel gedekte houten schuit met rechte naar buiten vallende stevens. De zijden bestaan uit twee naar buiten vallende gangen met daarop een wat minder naar buitenvallende gang die aanmerkelijk zwaarder is uitgevoerd.
De door G.J. Schutten op blz 277 getoonde afbeelding van de 'aardeschuit' toont een exemplaar met een dek dat lager ligt dan de voor- en achterplecht. De tekening toont echter geen constructie die men bij een vast dek zou verwachten. Heeft men hier te maken met een los dek, een zolder? Het lijkt er echter ook op alsof net als bij de boomschuit ook hiervan een versie met een verlaagd/verdiept dek en een versie met ruim bestond. Deze laatste staat dan misschien bekend als aardeschuit.
Een aardig model van een vlotschuit is te zien op de Maquette van Texel.






~Amsterdamse zandaak:
gladboordig gebouwd paviljoenscheepje voor het vervoer van zand vanuit de kuststreek naar Amsterdam. Het scheepje heeft echter wel steekleren en een vrij vlakke luikenkap, dus er zal niet alleen zand vervoerd zijn. Het scheepje heeft achter geen heve maar een vertikale steven. Het scheepje voert een gaffeltuig.
Bron: G.J. Schutten blz. 395, oude foto's.






~Amsterdams peil: zie bij N.A.P..





~Amsterdamsschuitje: zie Amsterdamse giek.





~amusementschip, term uit de liggers van de meetdiensten voor een vaartuig dat gebruikt tot huisvesting van vermakelijkheden en aanverwante zaken.
Gerelateerde termen: kermisschuit, theaterschip.





~A.M.V.V., Algemene Maatschappij voor Varenden:
Welzijnsorganisatie voor de binnenvaart.





~anderdaagsweer:
weer dat de ene dag totaal verschilt van een andere dag.





~anderhalf-master:
zeilend vrachtschip met twee masten, waarbij aan de achterste mast een beduidend kleiner zeil gevoerd wordt.





~anderhalf-masttuig:
een tuigage zoals een anderhalf-master. Zie ook: riviertuig.





~Andijker tuindersschuit:
aan de Strekerveldschuit verwant type boerenschuit. Verder nog geen gegevens bekend.





~angel:
ander woord voor vishaak.





~anker:
1> scheepsanker, kromme spijker, spijker: zwaar voorwerp, dat door middel van een touw, staaldraad, of ankerketting met een vaartuig, boei, of visnet verbonden is en dat moet voorkomen dat het vaartuig, het net of de boei wegdrijft. [A>] [U>]
Het is me niet bekend in hoeverre de bijnaam KROMME SPIJKER ingeburgerd was.

Men kent ondermeer: het vaaranker, het katanker, het boeganker, het plechtanker, het hekanker, het stokanker, het poolanker, het klipanker, het grondanker, het dhone-anker, het dreganker, het hadu-anker, het halanker, het noodanker, het parapluanker, het ploeganker, het ploegschaaranker, het spananker, enz. enz.
Gerelateerde termen: ankerlier, braadspil, begord, drijfanker, sikkel, dooiebed, zwijnenrug, onklaar.

STOKLOOS ANKER
: anker zonder dwarsdeel aan de ankerschacht.
VOOR ANKER GAAN
,
EEN ANKER UITBRENGEN
,
EEN ANKER STEKEN
,
HET ANKER LATEN VALLEN
,
TEN ANKER KOMEN
,
HET ANKER UITWERPEN
: ankeren.
TEN ANKER LIGGEN
,
VOOR ANKER LIGGEN
: geankerd zijn.
MET SLEPEND ANKER VAREN
,
MET PLOEGEND ANKER VAREN
: tijdens het varen, het anker over de bodem laten slepen.
HET ANKER KAPPEN
,
HET ANKER LATEN SCHIETEN
,
HET ANKER AFSIKKELEN
: met achterlating van het anker, vertrekken.
HET ANKER LICHTEN
,
HET ANKER VOORHALEN
,
ANKER OP GAAN
: vertrekken.
HET ANKER SCHEEP HALEN
: het anker aan boord halen.
EEN BLIND ANKER
: een anker, dat niet met een boei gemarkeerd is.
ACHTER HET ANKER RIJDEN
:
1> het heftig bewegen van het schip terwijl men ten anker ligt.
2> achter een krabbend anker liggen.
BIJ HET ANKER OPKOMEN
,
BOVEN HET ANKER VAREN
: het schip tot bij het anker varen, opdat men niet met de ankerlier het schip naar het anker toe hoeft te draaien.
LEIDS ANKER
: een stokanker gemaakt door de grofsmederij Leiden.

2> houten ton met een inhoud van circa 32 kg gezouten ansjovis.





~Ankeraak:
type Roeiaak, ondermeer gebruikt door baggeraars, voor het uitbrengen van ankers en ook gebruikt bij het ankervissen. De schuit is voorzien van een zware knie in het achterschip waaraan een stevige rol bevestigd is.
Daar deze aak veel gebruikt wordt door baggeraars is het niet verwonderlijk dat het meestal een (grote) Sliedrechtse roeiaak is die aan dit werk aangepast is. De foto van Jacob Olie laat zien dat achter het boeisel een extra weger aangebracht kan zijn. G.J. Schutten (blz.314) vertelt ons dat er over de leggers tot tegen de spiegel een stevig zaadhout geplaatst is.

Gerelateerde term: ankerbehandelingsschip.





~ankeragie:
meestal hertaalt als: ankergeld.
Oude Zeeuwse kronieken verhalen echter dat men ankeragie-geld dient te betalen zodra men in de Zeeuwse wateren geraakt. Ankeragie is dus eigenlijk het recht een vergoeding voor de aanwezigheid van het vaartuig te verlangen. Meer een soort vaarbelasting, volgens mij.





~ankerarm, arm:
deel van een stokanker of dreg. Het gedeelte tussen de vloeien en het ankerkruis. [A>nr.7]





~ankerbal: ankerbol.





~ankerbalk, kruisbalk, kruishout, stokankerbalk:
de ankerstok, indien deze uit een zwaar stuk hout bestaat.
Gerelateerde term: balkanker.





~ankerbedding:
de plaats waar het anker in de bodem zit.
Gerelateerde term: ankergrond.





~ankerbehandelingsschip:
motorvaartuig dat gebruikt wordt voor het verplaatsen van ankers van zandzuigers, baggermolens e.d. De opvolger van de ankeraak.
De term is uit de zeevaart (off-shore industrie) overkomen waaien.






~ankerbel:
(bij het ankerlier geplaatste) scheepsbel, die gebruikt wordt om signalen aan de sleepboot te geven.





~ankerbeting:
beting waarop men de ankertros vast zette.
Het is me niet met zekerheid bekend of een dergelijke constructie op binnenvaartschepen wel voorkwam.






~ankerbeun:
weinig gebruikt synoniem voor een ankernis.
Indien men de betekenissen van het woord beun in aanmerking neemt, kan men zich afvragen of deze term correct genoemd kan worden.






~ankerblad:
landrottenterm(?) voor (anker)vloei.




~ankerboegbak:
in de liggers van de meetdiensten gebruikte term waarmee men waarschijnlijk een boegbak van een emmermolen bedoelt.





~ankerboei:
1> boei, die de ligging van een anker markeert.
Tegenwoordig is de boei geel van kleur. Vroeger vaak wit en met rode en blauwe ringen opgesierd.


2> zie meerboei.





~ankerbol, ankerbal:
dagteken dat men moet tonen, wanneer men geankerd ligt.





~ankerboom:
lange giek bevestigd aan een korte mast waarmee bepaalde drijvende werktuigen hun ankers uit kunnen zetten.




~ankerboot:
zie ankerschuit.





~ankerbun:
weinig gebruikt synoniem voor een ankernis.
Indien men de betekenissen van het woord bun in aanmerking neemt, kan men zich afvragen of deze term correct genoemd kan worden.






~ankerdavit, kranebalk:
eenvoudige davit, waarmee men het stokanker aan boord(4) hijst. [A>]
De kleine davits waren niet meer dan een gebogen, soms dikwandige, pijp. Voor de zwaardere ankers gebruikte men massieve staaf of een davit van het soort zoals ook voor de bijboot gebruikt werden. De zeer grote zware davits zoals die op de grotere sleepschepen voorkwamen [A>] werden door hen die deze bevoeren bijna altijd kranebalk genoemd.

Gerelateerde term: ankerdavitlier, kraanbalkkoning, zwijnenrug.





~ankerdavitlier:
draadliertje aan een ankerdavit, waarmee men het anker op kan hijsen.
Dit soort liertjes worden gebruikt op schepen die stokankers met een maximaal gewicht van circa 150 kg gebruiken. Zwaardere ankers worden met behulp van de ankerlier en de neuringketting aan boord gebracht.






~ankerdraad:
staaldraad waaraan men ten anker ligt.





~ankerdraaien:
in de rijnvaart gebruikt term voor het inhieuwen van het anker.





~ankerdreg, dreganker, dreg:
stokloos anker met vier, kruislings geplaatste, ankerarmen. [A> Meer ankers]





~ankeren:
een vaartuig met behulp van een anker tegen wegdrijven behoeden. Zie ook meren. [U>] [T> Rijnsleepvaart, ankeren.]





~ankergeld:
soort havengeld, dat men (ook) wanneer men geankerd ligt, verschuldigd is. Oudere termen hiervoor zijn: ankeraagje, ankeragie en ankeraadje.
Zie ook: walgeld.





~ankergerei, ankerspul, ankertuig, ankerwerk:
alles wat bij het ankeren noodzakelijk kan zijn. 





~ankergrond, ankerbedding:
de bodem van het vaarwater. Vrijwel uitsluitend gebruikt in de combinaties goede, of slechte ankergrond. [U>]





~ankerhals:
1> de plaats waar, bij een stokanker, de stok en de ankerschacht samenkomen.

2> volgens sommige bronnen: een hoek van het ankerkruis.





~ankerhand:
zeer ongebruikelijke term voor (anker)vloei.





~ankerharp:
groot formaat harpsluiting, die gebruikt wordt om de ankerwartel met het anker te verbinden.





~ankerjuk, juk:
scharnierend deel onderaan een klip- of poolanker en aanverwante modellen.





~ankerkabel:
dikke staaldraad of tros waarmee geankerd wordt.
Gerelateerde termen: kabelgatsluik, kabelkas, kassiersmuts, enz.





~ankerketting, kabelketting:
ketting waarmee een anker aan een vaartuig, drijvend werktuig, drijvende inrichting of vistuig verbonden is.
Gerelateerde termen (die niet met anker beginnen): slampamper, duivelstoejager, braadspil, sikkel, katten, damketting.





~ankerkettingkluisgat:
eigenlijk de enige juiste benaming voor wat men een ankerkluisgat of alleen maar een kluisgat noemt. [A>]





~ankerkettingschijf:
eigenlijk een willekeurige schijf waarover de ankerketting loopt; in de praktijk echter (bijna) altijd de nestenschijf in een ankerlier.





~ankerkluis:
1> verkorting van ankerkluisgat.

2> gebruikelijk synoniem voor ankernis.





~ankerkluisgat, ankerkettingkluisgat, kluisgat, ankerkluis, schalmgat :
 versterkte opening in de romp, waardoor de ankerketting het schip verlaat. [A>]
(
Alhoewel een kluisgat niet persé voor de ankerketting hoeft te zijn, is kluisgat de meest gebruikte term voor dit onderdeel
.)
Gerelateerde term: stokankerkluisgat, kettingpijp, kettingkluis.





~ankerkluisplaat, kluisplaat:
dubbeling rond het ankerkluisgat.





~ankerkop, kop:
het uiteinde van de schacht waaraan de ankerketting bevestigd is of waardoor de ankerring steekt. [Nr 11 in A>]





~ankerkraanbalk:
ongebruikelijk synoniem voor kranebalk.





~ankerkruis, kruis:
deel van een anker. Het punt waar de ankerarmen en de ankerschacht te samen komen. [A>nr.8]





~ankerkuil, stroopnet:
1> schokkerkuil, geikuil, gijkuil: langszij een voor anker liggend vaartuig ca. 30 meter lang trechtervormig visnet, aan de voorzijde voorzien van twee horizontale bomen waarmee de voorzijde van het net, ca. 12 bij 6 meter, opengehouden wordt. [A>] In eerste instantie aan het achteruiteinde gewoon dicht gebonden, later aan het uiteinde voorzien van een 3 tot 5 meter lange fuikachtige constructie die men staart / aatje noemt.
Het net is een verdere ontwikkeling van de raamkuil (ook schokkerkuil met raam genoemd). Het net is voor 1890 tot ontwikkeling gekomen en maakte, door de goede vangsten die men er mee maakte, al spoedig grote opgang.
Dit type net wordt door een vaartuig (zie Waalschokker) langszij in positie gehouden en is samen met dat vaartuig in de rivier verankerd. De ankerkuil/geikuil wordt voornamelijk op de rivieren gebruikt.
Op het Hollands diep en westelijk daarvan noemt men de schokkerkuil, een geikuil onder een ankerkuil verstaat men dan uitsluitend een raamkuil.

Gerelateerde termen: kuilhout / kuilboom, springslot, knooppunt, visdraad, waldraad, dwarsdraad, geien, binnenhoek, binnenhoeklier, buitengij, buitengijlier, hengstetoom, mik, mikkeloper, vangpositie.

2> algemene aanduiding voor een, aan de voorzijde door een raamwerk opengehouden, kuilnet, dat met behulp van één of meerdere ankers verankerd ligt.
Gerelateerde termen: sprinkel, bliekkuil, doorschot.

3> zie raamkuil.





~ankerkuiler, ankerkuilvisser:
1> persoon die met de ankerkuil vist.
De term was voornamelijk rond en westelijk van Moerdijk in gebruik.


2> vaartuig dat voor de ankerkuilvisserij gebruikt wordt. Onder de vissers zelf meestal schokker genoemd.
De term was voornamelijk rond en westelijk van Moerdijk in gebruik.






~ankerkuilvisser, ankerkuiler:
1> persoon die met de ankerkuil vist.
De term was voornamelijk op de rivieren in gebruik.


2> vaartuig dat voor de ankerkuilvisserij gebruikt wordt. Meestal Waalschokker of kortweg schokker genoemd.
De termen waren voornamelijk op de rivieren in gebruik.






~ankerkuilvisserij, schokkervisserij:
de beroepsmatige visserij met de ankerkuil.





~ankerlantaarn:
zie bij ankerlicht.





~ankerlicht :
1> ankerlantaarn:
navigatielicht of lichten, die een vaartuig moet voeren wanneer het geankerd of gemeerd ligt. [A> Zie ook Navigatielichten]
Alhoewel velen de term 'licht' gebruiken, als ze het geheel van behuizing en lichtbron bedoelen, is in dat geval 'lantaarn' een betere benaming.


2> het schijnsel van een ankerlantaarn.






~ankerlier:
mechanisch werktuig waarmee men de ankerketting kan laten vieren of hieuwen. [A>]

ELECTRISCH ANKERLIER
: ankerlier dat door middel van een electromotor aangedreven wordt.
HYDRAULISCH ANKERLIER
: lier dat door middel van een hydraulische motor aangebreven wordt.
OLIEBAD-ANKERLIER
: ankerlier waarbij de vertraging in een gesloten kast, gedeeltelijk gevuld met olie, ondergebracht is.

Gerelateerde termen: boegankerlier, achterankerlier.





~ankerlierkap:
metalen, vroeger ook houten, constructie waarmee de ankerlier aan de bovenzijde afgedekt wordt.





~ankerlierketting:
ketting waarmee de ankerlier aangedreven wordt, danwel een ketting welke onderdeel uit maakt van de lier.





~ankerliermotor, ankermotor:
motor voor de aandrijving van een ankerlier. Vroeger meestal een losse verbandingsmotor, vaak een benzinemotortje, tegenwoordig vaak een aangebouwde electromotor, soms een hydraulische motor.
Onder de verbrandingsmotoren waren vooral Briggs & Stratton (benzine), bijgenaamd de straathond, en Petter (diesel) populair. Op grotere schepen, dus bij zware ankers, werd geregeld een liggende Deutz gebruikt.






~ankerlierschild:
schot waarin de assen van het ankerlier gelagerd zijn.





~ankerligger:
1> een vaartuig dat voor anker ligt.

2> zie opstroomligger.





~ankerlijn:
1> dunne lijn waarmee iets verankerd is.

2> boeireep.

3> neuring.





~ankerluiwagen:
zie bij luiwagen.





~ankermast:
vermoedelijk de kraakmast op het ankerschuitje van een gierpont.





~ankermotor:
ongebruikelijke verkorting van ankerliermotor.





~ankernet, ankerreep:
reepnet waarvan alleen begin en eind met behulp van ankers gezekerd zijn.
Het ankernet werd ondermeer op de Zuiderzee voor de vangst van haring en ansjovis gebruikt.






~ankerneut:
bij stokankers de verdikking op de plaats waar de stok de ankerschacht kruist.





~ankernis, kluisnis, ankerkluis:
uitsparing in de romp, waarin het anker dusdanig past, dat wanneer het anker geheel voorgehaald is, het niet buiten de romp steekt. Door sommigen (misschien onterecht) ankerbeun als ook ankerbun genoemd.
Alhoewel de term ankerkluis aanleiding tot misverstanden kan geven, is dat, voor zover bekend, toch de meest gebruikte term voor deze constructie.






~ankeroog:
opening in de ankerkop, waardoor de ankerring of -sluiting gestoken is.
Volgens Nicolaas Witsen ook neut genoemd.





~ankerop:
sein tot vertrek (van een ten anker liggend schip).
ankerop gaan
: vertrekken.




~ankerpaal:
1> ongebruikelijk synoniem voor meerpaal.

2> ongebruikelijk synoniem voor spudpaal.






~ankerpin:
stalen pen in het bovenboord, ter hoogte van de voorboeg, bij een Zalmdrijver, waarop het ankertouw vastgezet werd.





~ankerplaats:
1> plaats waar een schip geankerd is.

2> ankervak: Door de waterwegbeheerder aangewezen gebied, waar men mag ankeren.
VRIJE ANKERPLAATS
: een ankerplaats(2), waar men geen havengeld hoeft te betalen.

3> als bij punt twee, maar bestemd als ligplaats voor sleepschepen, die op het vertrek van hun sleep moeten wachten.
Voordat het zover was, werden de schepen echter vaak eerst naar de aanmaakplaats gesleept. Zie verder in de tekst: Rijnsleepvaart.






~ankerponton:
klein ponton waarmee men in de baggerindustrie de ankerdraad/boegdraad vrij van de bodem houdt. Ook boegbak genoemd.





~ankerreep:
zie ankernet.





~ankerring, roering:
ring door de ankerkop.





~ankerrol:
1>  boegrol, snarsrol, stevenrol: tegen de voorstevenbalk bevestigde schijf, waarover de ankertros, -draad of -ketting geleid wordt.

2> horizontale ankerspil, een braadspil.





~ankerschacht, schacht:
deel van het anker, waaraan aan de ene zijde de ketting en aan de andere zijde de armen of het juk bevestigd zijn. [A>nr.9]





~ankerschuit:
1> vaartuigje waarmee een vlot verankerd wordt.
Grote ankerschuit
: een ankerschuit met een laadvermogen van meer dan 1,75 ton.
Kleine ankerschuit
, ankerschuitje: een ankerschuit met een laadvermogen tot 1,75 ton.

2> schuitje waarmee een gierpont verankert is. [A>] Zie ook gierschuit(je).

3> ankerboot: forse roeiboot waarmee ankers van bijvoorbeeld baggermolens e.d. uitgebracht werd.





~ankersluiting, ankerwartel:
zware sluiting waarmee de ankerketting of -draad aan het anker bevestigd wordt.





~ankersein:
teken of licht dat men voert om de scheepvaart er te attenderen dat men voor anker ligt. Dit kan zijn een ankerbol of ankerlicht. Terwijl men vroeger op de rivieren daar ook een op halve hoogte in de lichtmast gehangen vaarvlag voor gebruikte.
De ankerboei is in feite geen ankersein. De boei vertelt alleen iets over de ligging van een anker. Volgens de letter der wet hoeft er geen schip aan vast te zitten.






~ankersluitingborgpen, ankersluitingopsluitpen:
houten of metalen borgpen, die dwars door de moer, die op de bout van ankersluiting gedraaid is, geslagen is.





~ankersmederij:
smederij waar een ankersmid werkzaam is.





~ankersmid:
oud beroep: smid gespecialiseerd in het smeden van ankers, later het werk van de grofsmederij.





~ankerspil:
1> gangspil: een vertikale spil voor het hieuwen van het anker. [T>] Gerelateerde term: kaapstander.

2> braadspil of soortgelijke constructie. [T>]





~ankerspul: ankergerei.





~ankersteek:
1> boeisteek.

2> roeringsteek.





~ankersteen:
1> zware steen bijwijze van anker (voor een klein vaartuig, boei, ton, e.d.).
Gerelateerde term: beslagsteen.

2> steen aan de onderkant van een drijfnet.





~ankerstok, ankerbalk, stok, kruishout, kruisbalk:
houten of metalen dwarsdeel aan de bovenzijde van een stokanker. [A>nr.10] Vergelijk: ankerbalk.





~ankerstokborgpen, ankerstokspie, ankerstokpen:
pen of wigvormige spie waarmee de metalen ankerstok van een stokanker tegen uitvallen behoud wordt.





~ankerstokbout:
bout met dezelfde functie als de ankerstokborgpen.





~ankerstokpen:
verkorte vorm van ankerstokborgpen.





~ankerstokspie:
zie ankerstokborgpen.





~anker-strijklier:
ankerlier met een zware draadtrommel, een strijkrol, om de mast te kunnen strijken, op de hoofdas.[A>]





~ankertalie:
takel (aan de davit) waarmee men het anker op kan hijsen.





~ankertouw:
touw tussen vaartuig en anker. Vaak gebruikt als synoniem voor ankertros.





~ankertros, ankertouw, ankerkabel:
dik touw, tussen schip en anker.





~ankertuig:
Zie bij ankergerei.





~ankervak:
op de rivieren: buiten de vaargeul liggend gebied waar geankerd mag worden.





~ankerverbod:
verbod om met een vaartuig te ankeren.





~ankerverlies:
het onbedoeld achterlaten van een anker.





~ankervissen:
het boven water halen van ankers, die schepen'verloren' hebben.





~ankervloei:
minder gebruik maar correctere benaming voor de vloei van een anker; het platte vlak waarmee het anker zich in de grond ingraaft.





~ankerwartel, ankerkettingwartel, ankersluiting:
soort van zware tweedelige sluiting, waarvan de delen ten opzichte van elkaar draaibaar zijn of overeenkomstige constructie. [A> Meer ankerspul]





~ankerwerk:
zie ankergerei.





~ankerwiep:
diagonaal over de andere wiepen geplaatste wiep.





~anode:
verkorte vorm van zinkanode.





~ansjovisbeug:
de totale hoeveelheid netten die door één visser in het water gebracht zijn.
Gerelateerde term: beug.





~Ansjovisjol:
kleine Staverse jol.





~ansjovisnet:
visnet waarmee men ansjovis tracht te vangen.
In eerste instantie gebruikte men daarvoor vaak het kuilnet, later ook drijfnetten, schakelnetten en visweren.






~ansjovisteelt:
a> de ansjovisvisserij.
b> de periode dat men op ansjovis vist.





~ansjovistijd:
de periode dat de ansjovis in de Zuiderzee aanwezig was. Deze periode liep van begin mei tot eind juni.





~ansjovisser:
hedendaagse luie vorm van ansjovisvisser. Als of men op ansjo'en vist!





~ansjovisserij:
hedendaagse luie vorm van ansjovisvisserij. Als of men op ansjo's vist!





~ansjovissleepnet:
drijfnet dat voor de ansjovisvisserij geschikt is.





~ansjovisveem:
schuur/bewaarplaats voor vaten (ankers) gezouten ansjovis.





~ansjovisvisser, ansjovisser:
persoon die op ansjovis vist.





~ansjovisvisserij, ansjovisserij:
de vangst van ansjovis en alles wat daarbij hoort.
Vroeger was ansjovis alleen te vangen met de sleepkuil. Toen eind negentiende eeuw de machinaal gebreien kantoenen netten kwamen was het ook mogelijk de ansjovis met het staand want, waaronder drijfwant te vangen.






~ansjovisvlet:
visvlet, die men bij de ansjovisvisserij gebruikte.





~antislippoeder:
fijn gemalen harde kunststof, soms staal 'splinters' of aluminium gruis.





~antislipschoeisel:
schoeisel voor zien van een speciale zool, die uitglijden op gladde stalen oppervlakten moet voorkomen.





~antislipverf:
dekverf waaraan, om een stroef oppervlak te verkrijgen, één of ander, fijn gemalen, hard materiaal toegevoegd is. Zie ook: ijzerglimmerdekverf.





~anti-wierschroef:
Zie bij wierschroef.





~Antwerpse knots:
zie knots.





~Antwerpse zandschuit:
eenvoudig zeilend vrachtscheepje met open ruim, voor- en achteronder, nagenoeg plat vlak, iets spits toelopend voor- en achterschip, getuigd met gaffeltuig zonder giek.
Bron: G.J. Schutten blz.369.






~apeklauw, apenklauw:
zie apevuist.





~apen......: zie ape...... .





~apekooi, apenkooi:
zie luikenbox.





~ape-rak, apenrak:
vrij zelden gebruikte term voor een lastig te bezeilen rak.
De Nederlandse taalunie heeft dit woord niet in zijn/haar online woordenlijst opgenomen. Ik ga er van uit dat het hier om eenzogenaamd versteende uitdrukking gaat en dat 'apenrak' een onjuiste schrijfwijze is.






~apevuist, apenvuist, apeklauw, apenklauw, klein keesje:
bepaalde (tijdelijke) knoop in het uiteinde van een werplijn. In de knoop wordt vaak een klein zwaar voorwerp gestopt.
Zoe ook: keesje.
De Nederlandse taalunie heeft dit woord niet in zijn/haar online woordenlijst opgenomen. Ik ga er van uit dat het hier om eenzogenaamd versteende uitdrukking gaat en dat de schrijfwijze met een 'n' een onjuiste schrijfwijze is.






~aPK: aspaardekrachten.





~Apol-bol:
soort van platte bollen (zie bolschip), die door de Frima A. Apol te Wirdum verhuurd werden.





~apostel:
vertikale steunbalk onder een schip dat op de werf staat.





~Aquamaster:
(productnaam?) een type roerpropeller.





~Appelse broekschuit:
niet te grote boerenschuit van de Schelde nabij Dendremonde. De boten kenmerken zich door een rechte vallende steven en een vrij brede spiegel.
Bron G.J. Schutten blz 269.





~Appelse melkschuit:
vermoedelijk niet al te veel afwijkend van de Appelse broekschuit.





~aquariumreis(je):
in sommige kringen gebruikte term voor een reis waarbij men geen diep water hoeft te bevaren. Een reisje over kanalen dus.





~ARA-gebied, A.R.A.-gebied:
het vaargebied tussen Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen.





~Arb:
een door Nicolaas Witsen genoemd scheepstype. Geen beschrijving gegeven, maar in één adem genoemd met Pleiten, Tjalken, Evers, Krayers, en Snaauwen, die hij als min of meer zeewaardige types ziet.
De naam zou in "Architectura Navalis" uit 1690 voorkomen. Aangezien de term 'Arb' een on-Nederlandse indruk maakt, vraag ik mij af of er niet 'Ark' heeft moeten staan. E.W. Petrejus denkt in ieder geval van wel. De ark, zoals men die later is gaan kennen, is echter nauwelijks een zeewaardig vaartuig te noemen, terwijl de Arb van Witsen dat toch wel scheen te zijn.






~arbeiden:
van schepen gezegd wanneer ze in zware zeegang sterk in beweging komen. Zie ook werken.
Gerelateerde termen: bokken, dompen, rollen, gieren, stampen, enz.





~Arcke, Arck:
1> Ark: scheepstype van rond 1600. Ca 40 ton. Zie ook Arb.

2> sterk verouderde term voor kleine sluis als ook voor de klinket in een sluisdeur




~arend:
vierkante, tapstoelopende, van een soort weerhaken voorziene, pen die in rondhouten gedreven wordt. De arend eindigt vaak in een (dubbel) oog (bij bijv. de lummel [A>]en de gaffelschoen-gaffelhout verbinding) of in een gaffel (o.a. bij bokkepoten).





~ark:
1> aardeschuit, grondschuit, bak: algemene benaming voor (houten), vrij brede, rechthoekige vaartuigen. Deze kunnen geheel open of half gedekt zijn.
De ark werd voor diverse doeleinden gebruikt. Over het algemeen fungeerde ze echter meer als legger dan als echt vaartuig. Vrij bekend zijn de arken die in de steden gebruikt werden voor de opslag en transport van grond en bouwmaterialen (de kalkark), maar ook voor baggerwerkzaamheden werden arken gebruikt. Zodra de afstand belangrijker werd stapte men over op smalle exemplaren of andere 'scheepstypes', zoals bijv. de modderschouw.
ir. E van Konijnenburg spreekt van een Laadbak.


2> zie arck(e).

3a> drijvend samenstelsel tot verblijf van mens of dier dienend; in het bijzonder een woonark.
Oorspronkelijk eigenlijk een houten schip, dat op het droge getrokken, als huis diende.

b> soort van vlotbatterij.
de Arke van Delft, een gebouw van twee scheepen t'zaamen geklampt, dicht geslooten, en beschermt teeghens een mosketkoeghel. 'T voerde weldigh geschut; en werd met zeilen, riemen, nocht boomen, maar binnen, door draayen van raaderen, by twaalf mannen, gedreeven.... Uit P.C. Hooft's Historiën.
Dit in 1574 samengestelde vaartuig werd dus met schepraderen die door 12 mannen rondgedraaid werden voortbewogen. Het scheen oorspronkelijk nogal zwaar bewapend te zijn, want het wilde pas een beetje vooruit komen toen men een twintigtal 'bussen' verwijderd had.


4> zie deutel.





~arken:
ander woord voor deutelen.





~ARkan:
afkorting van Amsterdam-Rijnkanaal.





~arm:
1> verkorting van ankerarm.

2> het zware schuin opwaarts gerichte deel van een davit. Vaak ook giek of uithouder genoemd.

3>
ARM TOUW
: losjes geslagen touw.





~armen-en-benenboot:
Zeeschip dat rolletjeshout aanvoert.
Bij het lossen van de gladde natte boomstammen gebeurden namelijk geregeld ongelukken waarbij men één van de genoemde ledematen brak.






~Arnemuidenaar:
zie Arnemuidense hoogaars.





~Arnemuidense hoogaars, Arnemuidenaar:
type Hoogaars met een (in de lengterichting) gebogen vlak en een wat steilere voorsteven dan de overige Hoogaarsen. Hierdoor is de kop wat hoger en heeft het scheepje wat meer zeeg. Door dit alles neemt het minder water over en is het, naar men beweert, met licht weer een wat snellere zeiler dan de overige Hoogaarsen. De schepen waren vroeger getuigd met een spriettuig en pas laat met een gaffeltuig. Het schip had geen bun. Het roer was vissend en schoof bij het aan de grond lopen langs de roerpen omhoog. Het roer had wat minder oppervlak dan dat van bijvoorbeeld de Tholense hoogaars. Vanaf circa 1860 werd de Hoogaars vooral voor de garnalenvisserij en ook de oesterteelt ingezet. De meeste schepen werden gebouwd op de scheepswerf van Meerman te Arnemuiden en waren rond de dertien meter lang en cica 4,3 meter breed.
Bronnen: zie bij Hoogaars.






~Arnhemse Scheepsbouw Maatschappij:
zie: Arnhemse Stoomsleephelling Maatschappij.





~Arnhemse Stoomsleephelling Maatschappij, A.S.M., Arnhemse Scheepsbouw Maatschappij, Scheepswerf 'De Prins':
Gevestigd in Arnhem en was gelegen aan de Rijn vlakbij de John Frostbrug. Opgericht in 1885 eigenaar: Dhr. Prins. Later is de naam gewijzigd in Arnhemse Scheepsbouw Maatschappij. In 1978 gesloten. Behalve nieuwbouw en reparatie van diverse soorten binnenvaartschepen (onder andere diverse Amsterdamse gemeente ponten) hield het bedrijf zich ook bezig met de bouw van stoommachines en bagger- en offshorevaartuigen.Tijdens het hoogtepunt had het bedrijf 600 werknemers in dienst.
[E> Kort geïllustreerd overzicht over de werf en over de stoommachinebouw.]





~A.R.P.:
zie Algemeen Rijnvaart Politiereglement.





~asbak, aschbak:
deel van de ruimte onderin brandstofvergassers. De term wordt ondermeer gebruikt bij de Kromhout-vergasser waar de totale onderruimte betaat uit de asbak, een ontslakkingsbak en een ontslakkingmond.





~asblok, asdrager, asstoel, steunlagerblok, lagerblok:
constructie die tegen of op het schip bevestigd kan worden, waarin een lager opgenomen is.
Gerelateerde term: aspot, dekpot, kussen.





~asbus:
een glijlager.





~asdrager:
zie asblok.





~asklauw:
soort pook waarmee men de ketelvuren onderhoud.





~askussen:
lagerschaal.





~asmok:
stalen emmer waarmee men as en slakken van de stookplaat naar buiten en overboord brengt.





~aspaardekrachten, As-PK's, aPK
het vermogen aan de hoofdas (krukas) van een machine, waarbij de verliezen in verband met de aandrijving van de noodzakelijke hulpmachines niet in rekening gebracht zijn. [T> PK's.]





~Aspiromatic: (productnaam)
bolvormige roestvrijstalen ventilator, die door de wind in beweging wordt gebracht. Zowel voor normale ventilatie als ter verbetering van de kacheltrek in gebruik.
[A> meer foto's 'ventilatie'.]




~As-pk, aPK:
 aspaardekrachten.





~asploeg, aschploeg, slakkenploeg:
onderdeel van brandstofvergassers die over een asschotel beschikken. De asploeg is een metalen plaat, waarmee, bij een roterende beweging van de asschotel, as en sintels uit de asschotel verwijderd worden. De 'diepte' van de asploeg, en daarmee de hoeveelheid as, die per rondgang verwijderd wordt, wordt ingesteld met de kwadranthandel.





~aspot:
asblok voor vertikale assen.





~aspraam:
praam in gebruik voor het vervoer van huisvuil.
De term schijnt vooral aan de Friese praam gekoppeld te zijn.






~asschotel, aschschotel:
onderdeel van brandstofvergassers. Langzaam draaiende of draaibare bak onderaan de brandstofvergasser, waarin zich as en sintels verzamelen. De asschotel wordt meestal in combinatie met een draairooster toegepast.





~asschuif:
onderdeel van een stoomketel: schuif, die de ruimte waar zich de as van de vuren verzamelt, afsluit.





~asschuit, aschschuit:
oude benaming van de vuilnisschuit, met dien verstanden dat men ook 'bedrijfs'afval vervoerde.





~Assendelfts melkschuitje, Assendelftse melkboot:
eenvoudig geconstrueerd houten boerenvaartuigje dat door de melkers werd gebruikt. Het vaartuigje had een lancetvormig vlak met naar buiten vallende rechte zijdes en stevens. De grootste breedte lag op iets minder dan 1/3 van de voorzijde. Achter voor- en achtersteven had men een klein dekje. Het daarop volgende spant was gevormd als truilkorf. Alwaar mogelijk werden de scheepjes door wegen/truilen voortbewogen. Afmetingen circa 5 bij 1 meter.
Opvallend bij deze scheepjes was de constructie van de zijde. Vanaf de achterzijde reikte de gang slechts tot het spant net voor het midden. Van af de voorsteven liep het tweede deel tot het spant achter het midden. Er ontstond dus een overlap alwaar beide delen op elkaar vastgezet werden.

Gerelateerde termen >





~Assendelftse praam, Assendelver:
open houten boerenschuit met rechte vallende stevens en zijdes. Voorkomende maat rond 7 bij 2 meter. Wat betreft het model een wat langere maar vooral veel bredere uitvoering van het Assendelfts melkschuitje. De zijdes bestaan uit twee (over de gehele lengte doorlopende) gangen boven elkaar. De bovenste (soms dikkere) gang is overnaads aangebracht op de onderste. Langs voor- en achterschip zijn op deze gang nog een extra schuurlijst/beuling bijwijze van berghoutje aangebracht. Dit vaartuig bezit alleen aan de voorzijde truilkorven.
Indien de beschikbare foto's mij niet bedriegen waren er verschillende manieren in gebruik waarop de bovenste gang tegen het vaartuig gezet werd. De vormgeving van de voordekjes en knieën die de truilkorf steunen lijkt typerend voor de Assendelftse modellen te zijn.

Gerelateerde vaartuigen >





~assenstuurwerk:
stuurwerk dat met assen, rollenkettingen en een haakse tandwieloverbrenging werkt. Soms ook cardanstuurwerk genoemd. [A>]





~assisteren:
1> in reglementen gebezigde term voor elke vorm slepen.

2> in het normale spraakgebruik spreekt men van assisteren wanneer het ene motorschip (vaak een sleepboot) een ander motorschip, waarvan de voortstuwing volledig werkt, helpt.
Verwante termen: slepen, achterspan, voorspan.





~asstoel:
zie asblok.





~astap:
meestal dunner uiteinde van een (cilindrisch) voorwerp, dat in een opening, lagerbus draait. Losse astappen werden ondermeer bij de braadspil gebruikt.





~aswip:
onderdeel van een stoomketel: constructie waarmee men het as onder de vuren vandaan kan halen.





~aswippen:
sintels en as uit de vuren, die onder de stoomketel gestookt worden, halen en deze in een asmok scheppen.





~atelierschip:
een schip waarin een kunstbeoefenaar zijn werkplaats heeft.





~ATIS, Automatic Transmitter Indentification System:
tegenwoordig verplichte toevoeging aan de marifooninstallatie, waarmee tijdens het zenden een, voor elke marifoon, unieke code wordt meegezonden. [E>Wikipedia]





~autoafzetplaats, auto-afzetplaats, afzetplaats:
aanlegplaats waar men de auto van en aan boord kan zetten en die voor geen ander doel gebruikt mag worden. [A> bord]





~autocarrier:
zie autotransportschip.





~auto-cleanfilter, auto-kleanfilter:
zie plaatfilter.





~autokraan:
meestal eenvoudige, hydraulische kraan, waarmee de auto van de schipper aan en van boord gezet kan worden. [A> auto aan boord]





~autoschip:
lelijke verkorting van autotransportschip.





~autosteiger:
aanlegplaats, in de vorm van een steiger, waar men de auto van en aan boord kan zetten en die in principe voor geen ander doel gebruikt mag worden.
Gerelateerde term calamiteitensteiger.





~autotransportschip, autocarrier, autoschip, ro-roschip:
vrachtschip dat ingericht is voor het transport van personenwagens. [A>]





~autoveer:
zie wagenveer.





~auwe-grootjes :
plaatselijk (Katwijk e.o.) gebruikt voor knopen die aan de speerreep en pezen van de netten blijven zitten.





~avapeur:
op drie poten staand, klein, gietijzeren kacheltje, met de vorm van een ondersteboven staande luidklok.





~avegaar:
1> lange spiraalboor voor hout aan de bovenzijde voorzien van een dwarsgreep. [A>]
(Dit soort boren werden niet alleen in de scheepsbouw gebruikt.)

2> volgens sommige schrijvers een lepelboor. [A>]





~averechts:
tegen de zon in, linksom.
Meestal betrekking hebbend op hoe touw geslagen is en opgebocht moet worden.






~averij, haakstuk, schade varen:
duidelijke schade aan het schip of onderdelen daarvan. [U>]
AVERIJ-GROSSE
: schade aan schip en lading.
gerelateerde termen: aanvaringsschade, ladingschade.





~avontuur :
op avontuur bouwen
: van scheepswerven; een schip bouwen terwijl daar nog geen koper voor gevonden is.
In veruit de meeste gevallen werd er in opdracht gebouwd. Alleen werven die kleine vaartuigen bouwden, legden in slappe tijden weleens een voorraadje aan.






~axiometer:
zie roerstandaanwijzer.





~azen:
het aas aan het visgerei bevestigen of in het visgerei stoppen.





~azer:
persoon die het aas aan het visgerei bevestigt of in het visgerei stopt.





~azersboet, spetersboet:
schuur waar de azers het visgerei van aas voorzien.





~azijnzuurhoutenopsluitpen:
één van de vele woordvarianten waarmee men een kleine houten pen, ter borging van bepaalde sluitingen, waaronder de sluiting waarmee het uiteinde van de ankerketting vastgezet werd.
Gerelateerde term: slampamper.
De meest correcte benaming van dit voorwerp schijnt 'azijnhouten (ankersluiting)borgpen' te zijn. Een uitgebreide discussie over dit onderwerp kan men vinden op Kombuispraat.






~azimuth-drive:
alles behalve goed Nederlands voor wat een roerpropeller noemen.





~azimut-pod:
zie pod-drive.





~azobé:
harde houtsoort o.a. gebruikt voor buikdenningen en remmingen.


Volgende





© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Amersfoort.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

De verantwoording en rechten inzake door derden ingezonden materiaal berusten bij de inzenders!

Deze site is geoptimaliseerd voor Firefox bij een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken