Aanvullingen en correcties zijn welkom.

Tjalken




Alvorens over dit onderwerp te lezen kan het raadzaam zijn de algemene inleiding aangaande scheepstypes te lezen.

Afbeeldings bestand.

De tjalk is zowel in hout als in staal/ijzer gebouwd. Het model van de tjalk is al eeuwen geleden ontstaan, ook de term tjalk is al eeuwen oud. In de loop der tijden is er echter het nodige veranderd en verschillende 'deskundigen' zijn het dan ook niet met elkaar eens wat nu wel of niet als voorvader van de 'hedendaagse' tjalk aangemerkt moet worden.
Het huidige model is in de loop van de negentiende eeuw ontstaan. Oorspronkelijk was het een houten schip, maar bij de overgang naar ijzer en staal, traden er echter duidelijke veranderingen op. De houten tjalken waren over het algemeen wat hoekiger, wat kleiner en wat lager. De meeste waren platbodems met een hoekige kim, in staal werden het rondbodems met een ronde kim. De houten tjalken waren flink wat kleiner dan de laatst gebouwde stalen exemplaren. Een kleine houten tjalk mat slechts 10 ton, een middelgrote 20 ton en grote zeegaande zo'n 40 ton. De laatste grote stalen tjalken waren bijna allemaal meer dan 100 ton. Van de houten tjalken is er geeneen bewaard gebleven. Tot op heden heb ik nog niet genoeg informatie over houten tjalken kunnen vergaren om daarvan een redelijke beschrijving te kunnen geven.
Van Loon beschrijft een houten hektjalk van Friese oorsprong 18,5 meter lang, 3,9 meter binnen de huid (geen idee wat de buitenmaat dan zal zijn) en ruim 1,8 meter hol. Als tjalk van Groninger makelij beschrijft hij een schip van ca. 22,8 meter met een breedte van slechts 4,57 meter.
G.C.E. Crone stelt min of meer dat het boeisel op de achttiende eeuwse tjalken vanaf het berghout gezien veelal samengesteld was uit twee wat bredere dikkere gangen met daaronder twee wat smallere dunnere vullingen, zodat men vaag een indruk krijgt van drie berghouten boven elkaar.

Met tjalk wordt soms ook een hele groep van schepen bedoeld. De reden waarom men sommige schepen wel en andere kromstevens niet, tot deze groep rekent is niet altijd even duidelijk.
'Men' rekent de navolgende schepen tot de groep van tjalken:
Geen aparte scheepstypes zijn:
Tot de groep van Tjalken worden verder nog gerekend. (Hier niet beschreven.)
nb. Geografische aanduidingen willen niet zeggen dat dat scheepstype uitsluitend daar gebouwd werd.

harmonie

De Friese Tjalk 'Harmonie'

Als men het over een tjalk heeft dan praat men meestal over de Groninger of Friese tjalk.
De 'hedendaagse' tjalk is een rondgebouwd zeilschip met kromme voorstevenbalk en een duidelijke zeeg. Het berghout gaat aan kop en kont over in stuiten en sluit met slemphouten tegen de voorstevenbalk aan. Bij stalen tjalken ontbreken de slemphouten soms. Het boeisel aan kop en kont valt duidelijk naar binnen en is in de zijden duidelijk breder dan bij de stevens, waardoor de stuiten naar de stevenbalken toe iets oplopen. De boegen komen ongeveer haaks op de stevens te samen. De achterstevenbalk staat bijna vertikaal. De voorstevenbalk eindigt vertikaal. De bovenkant is vlak en loopt schuin omhoog. Vroeger werden zowel voor- als achterstevenbalk afgesloten met een houten klos, de klik of stevenklos.
De zijden van het schip staan een weinig bol, het vlak een weinig hol. De kimmen zijn vrij ruim. Het breedste punt ligt op ongeveer 1/3 van voor, het laagste punt op ongeveer 1/3 van achter. De zwaarden zijn kort en breed.
Het waren éénmasters met een strijkbare mast, die op het dek of, bij de grotere schepen, een mastdek stond. Ze voerden een gaffeltuig met bakstagen. Voor de fok werd een kluiver, op de grote schepen soms twee, op een kluiverboom gevoerd. Op de kleine kanalen voeren de schepen vaak met een vaartzeil. De luikenkap was van het friese model en de den was laag. De roef was meestal weinig verzonken.


De Groninger Tjalk kent veel meer variatie in model dan de Friese. Sommigen lijken meer op een kist met afgeronde hoeken dan op een schip met ronde vormen, anderen hebben veel vloeiender en ruimere rondingen en benaderen dan het model van de Friese Tjalk.
Een Groninger tjalk met een lengte van tegen de 25 meter, heeft een breedte van rond de 5 meter of meer en een holte van tegen de twee meter. Het laadvermogen ligt dan op meer dan 150 ton. De meest voorkomende maat lag tussen de 20 en de 25 meter.
Net zoals bij de Friese tjalk hierna, kent men ook bij de Groninger Tjalken een kleinere lichtere variant met minder zeeg en een lage roef. Men noemt het de Groninger Turftjalk.


De Friese tjalk heeft wat ruimere rondingen en vloeiender lijnen dan de Groninger. Ze hebben een duidelijker zeeg, voor en achterschip zijn meer geveegd en holte en breedte zijn vaak iets minder dan bij een Groninger tjalk met dezelfde lengte. Dit uit zich natuurlijk ook in het laadvermogen. Een Groninger tjalk draagt meer, dan een Friese met dezelfde lengte, maar de Friese tjalk is meestal een betere zeiler, zegt men. Er zijn niet zo erg veel Friese tjalken gebouwd. Degene die ik gekend heb waren allen rond de 23 m. lang.
Bij een leeg schip is het verschil tussen een Groninger en een Friese tjalk makkelijk te zien. De Friese heeft twee gangen onder het berghout, de Groninger tjalk heeft er maar één. (Sommige schepen van de bruine vloot zijn geballast, waardoor dat verschil niet meer te zien valt.) Men zegt dat de meeste Friese tjalken meer gangen in de kop hebben dan de Groningers, maar vreemd genoeg zijn er ook enkele Groninger tjalken, die juist erg veel gangen in de kop hebben en ook zijn er Friese tjalken met weinig gangen.
De Groninger en Friese tjalken waren schepen van de Zuiderzee en de Waddenzee.


Bij de kleine Friese tjalk of skūte  is de holte naar verhouding minder dan bij de grote, ook hebben ze minder zeeg, maar het opvallenste verschil is wel dat de roef vrij diep verzonken is. Tot voor kort leek de benaming van dit type verloren gegaan te zijn, en gebruikte men de term "tjalkje" of "kleine tjalk" waarschijnlijk omdat een tjalk in hoger aanzien stond dan iets dat een skūte of skūtsje genoemd werd.
De skūte is soms moeilijk van Skūtsjes en Hollandse tjalken te onderscheiden. Het verschil met het skūtsje zou moeten zijn, dat het boeisel aan kop en kont wat steiler staat; de mast zou op het dek moeten staan en er dus niet doorheen moeten steken, de mast zou van bakstagen voorzien moeten zijn en de roef is over het algemeen iets hoger dan die van het skūtsje. Zoals altijd is het echter goed mogelijk dat de meeste exemplaren van deze standaard afwijken.

NB.
Een skūtsje is dus wel een Friese Tjalk(achtige), maar een Friese Tjalk is geen skūtsje!
Naar beschrijving van het skūtsje.



Vrij nieuw (voor de stalen tjalken) lijkt de term Overijsselse tjalk te zijn. Er is mij echter geen overtuigend bewijs bekend, waaruit blijkt dat deze tjalken afweken van de Friese, soms ook Groningse types.  Er zijn in Overijssel misschien iets meer tjalken gebouwd, die wat meer aangepast waren aan de vaart op de kleinere vaarwegen (minder zeeg, lagere kruiphoogte), maar een algemeen karakteristiek verschil valt nauwelijks te ontdekken.
De houten Overijsselse tjalk scheen echter een vrij breed vlak en een licht gebogen bijna vertikaal staande voorstevenbalk te hebben. Daarmee zou het scheepje echter wel zoveel op een Overijsselse Praam gaan lijken, dat men zich af kan vragen of hier niet van hetzelfde scheepstype sprake is. Het bestaan van een ander meer op de tjalk gelijkend scheepje dat men Overijsselse tjalk noemt, schijnt voornamelijk gebaseerd te zijn op slechts één bestaand scheepsmodel.


De zeetjalk is een Groninger tjalk met als enige verschil dat er reeds bij de bouw aan de eisen die voor de zeevaart golden voldaan werd. Soms hebben ze een wat hogere kop en wat meer zeeg. Ze waren vaak wat zwaarder gebouwd (kleinere spantafstand en meer stringers), bovendien werden ze vaak door vaste water- en settelboorden ontsierd. De grootste tjalken hadden twee masten.
Behalve de echte zeetjalk kent men ook tjalken met beperkte zeewaardigheid (
in feite zijn alle grotere tjalken dat; ze waren immers geschikt om het wad, de zuiderzee en de Zeeuwse zeegaten te bevaren
.)
Voor deze zeegaande tjalken worden verschillende termen gebruikt. Tegenwoordig noemt men het graag gewoon een zeetjalk, maar ook de term Oostzeetjalk is vrij populair.


De stalen koftjalk is ongeveer gelijk aan een forse Groninger zeetjalk. Een opvallend detail is dat de kluiverboom op de stevenbalk ligt (bij tjalken ligt deze er normaal naast) en dat de stevenbalk naar voren toe uitbuigt, de kluiverboom over grote afstand steunend. Het achterschip is gepiekt. Ook onder de koftjalken kon men slechts een gering aantal met tweemasters aantreffen. Koftjalken hadden geen slemphouten.
De houten koftjalken hadden een iets ander model. Opvallend was daarbij het brede berghout, dat soms wel uit vier gangen bestond.
Zeetjalken waren vaak wit, doordat ze na het teren met kalk besmeerd werden. Ze voeren vaak met ongetaande zeilen. (nb. Sommige tjalken die men nu ziet varen, zijn ook wit, hebben ook vaste water- en zetboorden en soms zelfs het neusje van de koftjalk, maar zijn nooit als zee- of koftjalk in de vaart geweest, men wil het alleen maar zo doen lijken.)


De Zuid-Hollandse tjalk lijkt erg op de kleinere Friese tjalk, de holte is echter over het algemeen minder. Het boeisel op voor en achterschip is overal ongeveer even breed, waardoor de stuiten zowat horizontaal op de stevenbalken aansluiten. Iets wat we ook bij de Belgische kromstevens als de Otter en de Vlaamse pleit aantreffen. Bij een Friese en Groninger tjalk versmalt het boeisel naar de stevenbalken toe, waardoor de stuiten naar boven gericht zijn. Hollandse tjalken hebben wat krappere boegen met smalle gangen. De krappere boegen geven de kop vaak een beetje vierkante indruk. Het boeisel op de kop wordt vaak gedekt met een schanddeksel. Hollandse tjalken zijn over het algemeen niet groter dan 20 meter.
De stalen en houten Hollandse tjalken worden soms ook weer gezien als een groep. Daar toe behoren dan verder nog de houten Kraak, de Langedijker damschuit, de Noord-Hollandse schuit, het Noord-Hollands jacht, de Aalsmeerse bloemenschuit, de Noord-Hollandse kaag, terwijl sommigen ook het smal- en het wijdschip er bij willen trekken.

statie

De statie van een Hektjalk.

De Hektjalk of Statietjalk werd voornamelijk in Holland (Zuid en Noord) gebouwd, maar, naar men zegt, zijn er ook exemplaren van Friese werven. Ze hebben duidelijk meer holte dan de Hollandse tjalk. Het opvallendste kenmerk is echter de statie.[A>] Het boeisel van het achterschip buigt niet met de stuiten mee (althans zo lijkt het), maar loopt schuin weg naar achteren, en steekt dus achter het schip uit. De bovenkant van deze statie valt sterk naar binnen en waar de bovenkanten van beide zijden elkaar raken houdt deze abrupt op, zodat er in de achterkant een driehoekige opening ontstaat, die hennegat genoemd wordt. Het helmhout liep door deze opening en werd door de statie (een beetje) in zijn beweging beperkt. De tjalken zonder statie konden het helmhout tot buitenboord (of zelfs helemaal dwars) duwen, daarom noemde men deze tjalken ook draai-over-boord. In of tegen de bovenkant van het hennegat is vaak een houten afsluiting, soms een beetje versierd, aangebracht, dit is het hakkebord. De onderzijde van het hennegat wordt gevormd door de hekbalk. Over het nut van deze statie is men het niet eens.
Ook veel Vlaamse schepen hebben een statie. Deze is echter iets afwijkend van de Nederlandse.

boeierschuit

Een boeierschuit.

De Zeeuwse tjalk heeft weer wat meer zeeg en holte dan de Hollandse, maar ze zijn vaak ook wat kleiner. Met paviljoen(2) vaak gezien als een iets modernere variant op de Zeeuwse Poon en dan ook Paviljoenschuit of -scheepje genoemd. Als dekschip ook Boeierschuit genoemd. Boeierschuit of boeierscheepje was trouwens ook de benaming van diverse andere min of meer tjalkachtige scheepjes van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden. Dat tjalkachtig moet men in dit geval wel een beetje ruim nemen, want de lijnen van sommige van deze scheepjes doen soms meer aan die van de Friese visaken, dan aan die van de Tjalk, denken. Ongeveer sinds de jaren zeventig worden deze scheepjes door een toenemend aantal mensen, volledig foutief, boeieraak genoemd.


Ook de IJsseltjalk lijkt op de Hollandse. Ze zijn vaak wat sterker geveegd en het boveneind van de voorstevenbalk staat vaak niet helemaal vertikaal, maar helt iets voorover. Boeisel en stuiten liepen soms een beetje spits op. De mooi gelijnde exemplaren werden, volkomen terecht, IJsseljacht genoemd.
nb. Het gaat hierbij om de Hollandse, niet om de Gelderse IJssel.



Het Lemsterveerschip is een ontwerp F.N. Van Loon, die zijn ideeėn over de scheepsbouw in dit type verwezenlijkt zag. Er zijn twee schepen van dit type gebouwd, één in Zwolle, één in Lemmer. De grootste was 21,50 x 5,66 x 2,7m. (Breedte waarschijnlijk over de zwaarden gemeten) Deze verhoudingen zijn meer die van een Zeetjalk (al is de holte dan nog steeds erg fors), dan die van een tjalk van de algemene vaart. Het waren draai-over-boords. De schepen hadden een zeer breed vlak, ruime boegen en een sterk gepiekt achterschip. Ze waren uitgerust met een zeer grote roef , een erg ruim achteronder (of paviljoen?) en een ruim. Het waren éénmasters met staande-gaffel. De grootste had volgens Petrejus een mast met opgelaste steng en een grootzeil met bonnet.
Lemsterveerschip was tevens de benaming voor een aantal andere tjalkachtige beurtschepen die deze veerdienst onderhielden. Ze waren sneller dan de gewone tjalk, maar minder dan het ontwerp van van Loon.

Een ander ontwerp van van Loon was de Kamperhooitjalk. Hierover is mij echter niets bekend.
Deze tjalken waren geschikt voor de algemene vaart. Dat wil zeggen dat ze ook de Zuiderzee en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse stromen bevoeren.



Het Blokzijler jacht of mattenjacht (mattentjalk, mattenschip) was een houten tjalkje van zo'n 20 tot 35 ton groot. Ze hadden integenstelling tot de andere tjalken vaak een achterovervallende achtersteven. De meeste van deze scheepjes hadden een roef.

de rot

'De Rot', een Fries beurtscheepje.


Het Kofke of Fries Beurtscheepje is een scheepje dat zich moeilijk bij één van de scheepstypes laat indelen. Het is een echte kromsteven voor de binnenvaart, maar nogal variabel van model. Sommigen negen meer naar een boeier, sommigen naar een skūtsje en sommigen naar een tjalk. Ze waren over het algemeen niet langer dan een meter of 12.
De houten beurtscheepjes voerden een fors tuig aan een onverstaagde mast, waarvan, bij gestreken mast, de top tot achter het roer stak.  Over het algemeen reikte ook de giek tot boven het roer. Net als de skūtsjes voerden zij de fok op een botteloef en hadden ze vrij brede zwaarden. Ze waren meestal met ronde luiken gedekt. Sommige van deze scheepjes hadden een gepiekt achterschip.
Vermoedelijk, betrouwbare gegevens ontbreken nog, behoren ook de Grasboot, de Kaasjager, het Boterjacht, de Groentejager, e.d. tot dit 'type'.


De Langedijker koftjalk is een kleine tjalk van de algemene vaart. De schepen zijn maximaal ca. 13 meter lang, 3.15 meter breed met een kruiphoogte van 1.85 meter. Mij zijn nog onvoldoende gegevens bekend om het schip te kunnen beschrijven. Ook is het mij niet bekend waar het kof bij koftjalk op slaat.

Tjalk van de Haarlemmermeer.
Volgens F. Loomeijer zouden er in de wateren van de Haarlemmermeer (vanaf 1896) ook een soort paviljoentjalkjes gevaren hebben. Deze zouden voor het transport van suikerbieten bestemd geweest zijn. Ze maten 14 bij 4 meter, laadden circa 45 ton en bezaten geen gangboorden. De werf van de Weduwe Boot te Woubrugge wordt genoemd als bakermat. De liggers van de meetdiensten, noch de bouwlijsten van de werven Boot of de weinige foto's van scheepvaart in de Haarlemmermeer ondersteunen dit verhaal.




Geen echte scheepstypes zijn ondermeer de navolgende 'tjalken'.

De dektjalk is een tjalk zonder roef of paviljoen.

De draai-over-boord is een tjalk zonder statie.

De zeegaande tjalk is een Groninger of Friese tjalk die of door minder te laden of door het naderhand aanbrengen van vaste settelboorden aan de eisen voor de vaart op zee, voldeed. Het verschil tussen schepen voor het binnenwater en schepen voor op zee is eigenlijk pas ontstaan toen men, halverwege de negentiende eeuw, eisen ging stellen en men voor de vaart buitengaats en over een zeebrief moest beschikken.. Daarvoor hield alleen het gezonde verstand van de schipper, binnenvaartschepen van zee weg.

Een paviljoentjalk is een tjalk met paviljoen. Het is meestal een Hollandse tjalk. Onder de houten paviljoentjalkjes waren er echter ook van het Friese type. Deze worden door P.J.V.M. Sopers Friese jachten genoemd. Kleine paviljoen tjalkjes worden ook paviljoenschuit genoemd.

Een aardappeltjalk is een tjalk met houten dekken en een wegering waarachter stro gestopt is. Het is meestal, maar niet altijd, een Zeeuwse tjalk. In Friesland kende men het aardappelskūtsje.

Een beurttjalk kan elke tjalk zijn. Ze kwamen het meest in Friesland voor. Ze waren meestal niet meer dan een meter of 15 en waren vaak wat breder dan de plaatselijke soortgenoten.  Zie ook Kofke.
In tegenstelling tot wat er op de Wikipedia (eens) beweerd wordt (werd), is dit geen apart scheepstype en ook komt het toevoegsel "beurt" niet van "op zijn beurt via de beurs varen", maar van  "beurtdienst", "een geregelde verbindingen tussen twee of meer plaatsen onderhouden".


Het pottentjalkje, wat meestal potschip genoemd wordt, is een soort van beurttjalkje meestal voorzien van een paviljoen en een soort van vaste roef over de volle breedte van het schip op de plaats van het ruim.

Ook een kermistjalkje kan elk type tjalk, soms ook een skūtsje, zijn. Meestal koos men een niet al te groot model met een geringe holte. Vaak werden ze gewoon kermisschuit genoemd.



Het huidige 'standaardwerk' op het gebied van tjalken is "Met zeil en treil" van Frits R. Loomeijer.

top








Statistieken





v3.1 © P.I.Klein