Geschiedenis
verbouwingen.
Het schip werd, onderbouwnummer 65, op de werf
van Barkmeijer, aan de Woudvaart in Sneek, gebouwd en in 1898
tewatergelaten. Het schip heeft
duidelijk alle
kenmerken van een Friese Tjalk. Bijna het gehele schip is opgebouwd van
7 mm dik plaatstaal, met een spantafstand
van nog geen 30 cm.
Op verzoek van schipper Winkel werd, opdat zijn vrouw
in de roef
niet gebogen
hoefde
te lopen, de roef hoger gemaakt dan gebruikelijk was. De roef had drie
ramen met blinden.
Gebouwd
als zeilschip,
werd de
Johanna
rond 1921 verbouwd tot motorschip
met hulpzeil.
Ingebouwd
werd
een 1-cylinder 15 PK HaEs motor (motorenfabriek in Meppel). De spanten
in de machinekamer
werden
gedubbeld met hoeklijn 60 x 60 en een zware (gemiddeld 12 mm dikke),
geheel
geklonken, motorfundatie gelegd. In verband met de inbouw werd de
plaats
van de roef gewijzigd, mogelijk werd deze ook 60 cm verlengd. De
achterwand kwam in ieder geval 60 cm verder naar achter te staan. De
motor werd deels
onder de roef gebouwd en daarom was het noodzakelijk een deel van de
machinekamer
te verhogen, wat resulteerde in een 'bank' tegen de voorwand van de
roef.
In deze bank was een deksel aangebracht, waardoor de cylinderkop en
zuiger
gelicht konden worden. In de zijwand van de roef, aan B.B., kwam, op de
plaats van het voorste raam, een ingang naar de machinekamer. Midden
voor
de motor werd de machinekamer 60 cm in het ruim uitgebouwd. Tussen de
herften,
voor de roef, kwam een met een hemellicht
gedekte schacht. Het helmhout werd vervangen door een Engels stuurwerk
van Ridderinkhof. Gelijktijdig werd de den
verhoogd en van mestluiken
voorzien. De tuigage werd verkleind tot een hulpzeil met een giek tot
aan
de herften. De mast werd met behulp van een sprenkel gestreken.
(Mogelijk
verdwenen toen de zwaarden en de zwaardlieren, mogelijk ook pas later.)
Volgens schipper Reinders werd rond 1956 de HaEs
vervangen door een
4 cylinder Lister van ca. 40 PK (1000 tpm.?). De roef werd vervangen
door
een gelast exemplaar met gelijke afmetingen, maar met slechts
één
i.p.v. drie ramen. Achter de roef werd een stalen stuurhut,
met houten dak, geplaatst. De stalen bovenbouw van deze stuurhut is
afneembaar.
Deze bovenbouw moet echter in zijn geheel afgenomen worden en elders op
het schip (in het ruim of of op voordek) geborgen worden. Met bovenbouw
had het schip een kruiphoogte van ca. 375 cm. Indien bovenbouw en de
spaakwielen
van het ankerlier
verwijderd
werden, bedroeg de kruiphoogte ca. 45 cm. minder. Tegelijkertijd
werden
er nieuwe voorbolders
met
gesloten bolderkasten
en nieuwe middenbolders geplaatst en werd het boeisel
in zijden verlaagd.
Rond 1964 werd het schip aan BB-zijde, net naast de achterstevenbalk,
aangevaren en werd een gedeelte van de scheepshuid en stuit
vervangen.
Volgens schipper Munnik werd de Lister rond 1967 vervangen door een
120 PK Scania dieselmotor (1800 tpm.). Deze werd in 1972, bij verkoop
aan
schipper Munnik, weer verwijderd. In 1976 werd het schip voorzien van 4
cylinder 70 PK Klöckner-Deutz, 4 SAM 517, 1200 tpm. met een
Reintjes
hydraulische keerkoppeling
met een vertraging van 2:1.
Nog enkele gegevens:
Diepgang
op de hak
van de scheg:
ca. 1m.
Diepste punt van het vlak
(ongeveer
1m voor de roef) ca. 72 cm.
Diepgang bij de loefbijter:
ca. 42 cm.
Lengte ijkschalen: 122 cm.
Minste holte:
ca. 195 cm
Plaatsing autokraan
(giek
7 m.): voorjaar 2000.
Max. snelheid: ca. 11 km/u.
|