Aanvullingen en correcties zijn welkom.

Bekbok/koeienschouw



Foto's en informatie: P.J. en H. van der Post, T van der Plas, de familie S v.d.Star, van Heemsbergen en de familie Bisschop. Van niet alle foto's hebben we de fotograaf of rechthebbende kunnen achterhalen. Dezen worden daarom verzocht zich te melden.


a98
Rond 1900 ontstond in de regio Leiden een stalen veeschuit van circa 14 meter lang en 2,5m breed. Het laadvermogen bedroeg ongeveer 15 ton. Opvallend bij deze schepen was het voorschip waarlangs het vee aan en van boord ging. Deze schepen vervoerden niet alleen vee tussen de verschillende weilanden, ze vervoerden ook het hooi. Ze vormden ook een belangrijke schakel met de veemarkten. Eerst voornamelijk die in Leiden en Haarlem, maar later toen de schepen gemotoriseerd werden ook Woerden en Purmerend. Onder de werven die ze bouwden bevonden zich Boot (Leiden en Alphen) en van Lent (De Kaag), maar er waren ook veel plaatselijke werfjes die zich met de bouw van dergelijke vaartuigen bezig hielden.

Inzender: P.J. van der Post.
(groot formaat)


a97
Het vaartuig ontwikkelde zich uit de houten boerenschuiten en dan voornamelijk uit wat door GJ Schutten een  Warmondse bekbok genoemd wordt. Het voorschip is daarbij door middel van een aakachtige constructie tot boven de waterlijn opgetrokken. Een bepaald stuk liet men echter open opdat het vee makkelijker van en aan boord kon lopen.
Bij de stalen schepen onderging het  achterschip wijzigingen toen men van jagen of bomen overstapte naar de motorschuit.
Latere exemplaren kregen zelfs een echte motorschepenkont. Geen van deze schuiten had gangboorden.
(meer foto's)

Inzender: P.J. van der Post.
(groot formaat)


a93
De gemotoriseerde versies van deze schepen hadden een verhoogd achterdekje of een klein roefje wat als onderkomen kon dienen, daarvoor dan een soort stuurkuip en daarvoor een machinekamertje. De motorscheepjes voeren met de voor die tijd bekende merken gloeikop- of petroleummotoren, te weten van Rennes, Kromhout, Industrie, Deutz. Het vermogen bedroeg ca. 10-30 pk. De familie Star uit Hoogmade verplaatste zich echter met een 10pk N.U.K.  De bediening van motor en roer bevond zich tussen de twee opbouwtjes.

De brug tussen wal en schip waarlangs de koeien aan boord kwamen was van stevige makelij en vaak aan weerszijden voorzien van een stevig hekwerk. Tussen de buikdenning in het schip en de opening in de kop lag eveneens een schuin oplopend plankier.
De opening in het voorschip kon met een los stalen schotje afgesloten worden.

Fragment postkaart.
Inzender: P.J. van der Post.


a96
Het vee stond dwarsscheeps opgesteld. Aan de spanten zaten op halve hoogte ringen waaraan het vee vastgebonden werd. De breedte van de schepen, zo rond de tweeëneenhalve meter, was daarop afgestemd. Bij bredere schepen plaatste men soms een koe dwars achter de anderen. Dit was echter niet zo een succes omdat deze koe door de anderen bevuild werd. De afnemers waren daar meestal niet van gediend.
Met behulp van extra constructies op het bestek kon men, vooral bij het vervoer van klein vee nog extra lading meenemen.

Inzender: P.J. van der Post.
(groot formaat)


a92
Naar men zegt stelde men de koeien liefst om en om op. Koeien kunnen echter flink eigenwijs zijn, waardoor men op de foto's soms afwijkende opstellingen ziet.

Voor het inschepen en het ontschepen moet het vaartuig vrijwel haaks tegen een oever liggen.  Tenzij die oever een landtong, een dam of iets dergelijks is, zal het vaartuig dus dwars in de vaart liggen. De vaart zal dus ter plekke voldoende breed moeten zijn.

Inzender: P.J. van der Post.
(groot formaat)


a85
Foto archief LVBHB. (groot formaat)

Bij het vervoer van en naar de markt ontstond niet alleen de behoefte aan meer beschutting voor het vee, ook zocht men naar betere mogelijkheden lading boven het vee te stouwen. Op deze oude foto van een paar schuiten bij de veemarkt zien we dat de schepen tot tentschuiten omgebouwd zijn. De koeienbruggen zijn hier ook goed te zien.
Een dergelijk druk bestaan kon men moeilijk naast het boerenbedrijf uitvoeren. Het waren daarom de plaatselijke schippers die hiermee de kost trachtten te verdienen. Tot de families die zich met dit soort vervoer bezig hielden behoorden ondermeer de familie van Staveren uit Oude Wetering, familie Klerks uit Nieuwe Wetering, van de Velde uit Koudekerk aan de Rijn en familie Bax uit Rijpwetering.


a90
Een bekbok met een motorschepenkont en roefje. Het bestek is opgehoogd met een soort steekleer waarover men dan balkjes/bintjes legt. Door daar weer een loopplank/waring op te leggen, kon men, terwijl het ruim vol stond met goederen of materialen toch van het voor- naar het achterschip. Buiten het drukke seizoen hield men zich met allerhande vormen van vervoer bezig. In de zomermaanden vervoerde men veelal hoge deklasten hooi. Het liggende haspel werd dan omhoog gebracht en men stond op de roef te sturen.

Inzender: P.J. van der Post.
(groot formaat)
Men moest 'smorgens al vroeg op de veemarkten zijn en dat betekende dat de boeren 'snachts al de koeien, die in allervroegte opgehaald werden, gereed moest zetten. Na de markt werd het eventueel gekochte vee weer meegenomen en bij de desbetreffende boeren afgeleverd.  Men had aan boord van de verbouwde schepen de mogelijkheid te overnachten, zodat er ook vee naar verder gelegen bestemming gebracht of daarvandaan gehaald kon worden. Het roefje was echter wel zeer spartaans uitgevoerd. Bij het vervoer van vee voer men vaak met voorkant open. Bij andere ladingen werd er een stalen of houten schot geplaatst en zo nodig werd er voor de kop langs een kleedje getrokken om verdere lekage te voorkomen. Voor in het ruim plaatste men eventueel een dwarsscheeps schot om bij belading het zwaartepunt voldoende ver naar achter te kunnen houden.

a88
Ook met motorschepenkont maar een slag groter is deze, tot pakschuit verbouwde, bekbok. De lengte wordt geschat op 19 à 20 meter, de breedte rond de drie-vijftien.
Het roefje begint al bruikbare afmetingen te krijgen. Men stuurt, staande op het brugdek voor het roefje, met een liggend haspel.

Inzender: Berrie van Roest.



a87
Naar mate het wegvervoer belangrijker wordt, verdwijnt een belangrijk deel van de inkomsten voor de schipper. Door zekere aanpassingen van het schip probeert men in de beurtvaart nog een inkomen te verwerven. Hier heeft men de voorzijde van de schuit netjes dichtgemaakt en  een voordek gelegd. Over het ruim is een tent geplaatst. De bekbok is daardoor een echt vrachtscheepje geworden. De gehele kleine vrachtvaart liep in de jaren zestig echter tegen zijn eind en veel scheepjes verdwenen uit de vaart.
(nog een foto)

Inzender: Berrie van Roest.

Over de levensloop van deze scheepjes is weinig bekend. De bouwlijsten van de werven waarop ze zouden kunnen voorkomen zijn meestal verdwenen. De scheepjes werden zelden officieel gemeten en bovendien zijn de omschrijvingen in de liggers van de meetdiensten weinig adequaat, zodat men moeilijk kan bepalen om welk scheepstype het werkelijk gaat. Ook het brandmerk ontbreekt bijna altijd. Men leende het benodigde geld bij particulieren, waardoor registratie bij het hypotheekkantoor (kadaster) niet noodzakelijk was.

a89
Inzender: P.J. van der Post. (groot formaat)
Na hun werkzame bestaan werden een redelijk aantal van dit soort schuitjes omgebouwd tot weekendscheepje. Met het toenemen van de welvaart raakten veel van deze eigen bouwsels echter ook weer in onbruik. Ook de voortschrijdende ouderdom van de scheepjes en het daarmee gepaard gaande onderhoud speelde daarbij natuurlijk een grote rol. Toch hebben enkele exemplaren tot op de dag van vandaag een liefhebber kunnen vinden en kan men hier en daar dit opmerkelijke scheepstype nog in levende lijve zien of er zelfs in meevaren.

a84


top




JavaScript DHTML Menu Powered by Milonic Statistieken


Valid HTML 4.01 TransitionalValid CSS!















v4.0 © P.I.Klein