###

het roeien

###

 Inhoud Roeien is een vaartuig met een roeispanen, welke, aan beide zijdes van het vaartuig, schuin zijwaarts in het water gestoken worden, voortbewegen.


de roeispaan/roeiriem

Een roeispaan bestaat uit een schacht met aan het ene eind een greep en aan het andere eind een blad.
Men kent twee soorten roeispanen, die met een ronde schacht, welke vaak uit één stuk gevormd worden en die met een rechthoekige schacht, waarvan het blad meestal gevormd wordt door twee aangeklampte stukken.
Spanen met een ronde schacht noemt men meestal een riem of roeiriem, is het blad gevormd met aangezette stukken dan noemt men het een bladriem.
De spanen met rechthoekige doorsnede noemt men spaan of roeispaan. Het blad wordt (bijna) altijd gevormd door aangezette stukken. Verder is de schacht, om slijtage te beperken, op het punt waar deze op het boord rust meestal met behulp van twee klampen opgedikt.

De roeispaan rust en draait op de rand van het vaartuig of in een daar aangebrachte steun.
Bij het roeien zit men met de rug naar de vaarrichting (staand roeien en verkeerd-om roeien, dus met het gezicht naar de voorkant van de boot, is wel mogelijk, maar niet gebruikelijk). Tijdens het roeien duwt men de spanen, terwijl men de grepen zover naar beneden houdt dat de bladen boven het water blijven, eerst zover mogelijk van zich af (het uiteinde met de bladen beweegt dan voorwaarts). Vervolgens laat men de grepen omhoog komen, er voor zorgend dat de bladen rechtstandig in het water zakken, en trekt de uiteinden zo veel mogelijk naar zich toe (waarbij de bladen zich door het water achterwaarts bewegen en de boot naar voren doen gaan). Daarna drukt men de grepen weer naar beneden waarna het geheel zich herhaald.
Deze serie bewegingen noemt men een slag. De beweging voorwaarts, waarbij de bladen dus door het water gaan, noemt men een haal. De beweging achterwaarts een strijk.

Vooruit roeien (zoals zo juist beschreven) noemt men daarom halen. Tilt men echter tijdens de voorwaartse beweging de bladen uit het water en drukt men ze bij de achterwaartse, in het water, dan roeit men achteruit. Achteruit roeien (als onderdeel van een manouvre of om te stoppen) noemt men daarom strijken.
Wanneer men rustig roeit en weinig kracht hoeft te zetten gebruikt men alleen de armen, anders buigt men vaak het bovenlichaam met de beweging mee.

De meeste boten tot een meter of vier kunnen slechts met één stel spanen geroeid worden. Is men met zijn tweeën dan kan men, als de spanen niet te lang zijn, ieder een spaan hanteren. Boten groter dan vier meter hebben vaak de mogelijkheid om meerdere stellen spanen te gebruiken. Grote geroeide boten, zoals die voor het vletwerk en het werk van de reddingmaatschappij gebruikt werden boden soms wel plaats aan tien roeiers met met elk een spaan.

De lengte van spaan of riem en het oppervlak van het blad zijn een kwestie van persoonlijke voorkeur. Over het algemeen is een riem of spaan ongeveer een halve bootslengte lang. Bij grote boten natuurlijk wat minder, bij kleine boten wat meer.
Omdat een spaan bij het punt waar deze op het boord rust breder is, is de afstand waarover de spaan binnenboord steekt bepaald. Daarom is er een verschil tussen spanen voor boten met één roeier per twee spanen en boten met voor elke spaan een roeier. In het eerste geval steken de grepen namelijk zover binnenboord dat deze elkaar raken of zelfs overlappen, in het tweede geval gebeurt dit bij lange na niet.
Riemen kunnen naar wens gewoon verder of minder ver buiten boord geschoven worden en hoeven dus niet verschillend te zijn.

Het roeien was vroeger een veel voorkomende bezigheid en niet alleen om zich van of naar een schip te verplaatsen. Veel voetveren werden geroeid en ook de parlevinker en de vissers deden vaak veel van hun werk roeiend. Kleinere vrachtscheepjes zoals die door boeren en tuinders gebruikt werden, hadden in het voorschip soms een plaatsje waar men kon roeien.
Bij deze scheepjes ziet men soms ook twee roeiplaatsen. Niet om met twee personen te roeien maar om in verschillende situaties een betere gewichtsverdeling te krijgen.

Had men geen zeil of stond er geen wind en moest men een breed diep water over dan moest men wel roeien, ook als men een tamelijk groot vrachtschip had. Men roeide dan natuurlijk niet vanaf het schip, maar roeide in de bijboot met het schip op sleeptouw. Boegseren noemt men dit. Een enkele maal werd er wel van af een vrachtschip geroeid, dit gebeurde bijv. wel eens tijdens het verhalen van lichters in de haven. De spanen die hiervoor gebruikt werden waren soms meer dan zes meter lang. Ook tijdens het stevelen gebruikte men eveneens een groot formaat roeispaan, een draaglap, om het schip af en toe een zetje in de juiste richting te kunnen geven. Verder werden ook vlotten, die soms enorme afmetingen hadden, geroeid.
Tegenwoordig wordt er nog maar weinig geroeid. Bijna elk vaartuig dat beroepsmatig gebruikt wordt, is van een mechanische voortstuwing voorzien. Bij de kleine vaartuigen is dit vaak een buitenboordmotor, bij de grotere in ingebouwde scheepsdiesel.


CONSTRUCTIES I.V.M. HET ROEIEN.



Om te kunnen roeien moet men in de boot kunnen zitten. Hiervoor is vaak een dwarsscheepse plank, de roeibank of doft, in de boot aangebracht. Op kleine stalen boten wordt vaak de luchtkist als roeibank gebruikt.

Verder moet er voor de spaan een soort van scharnierpunt dicht bij de rand van het vaartuig zijn. Hiervoor zijn diverse constructies, elk met de nodige variaties, verzonnen.

De dolpen.
De dolpen is stalen vertikale pen op of dichtbij de rand van het vaartuig.
Bij houten schepen zit de dolpen of rechtstreeks in de dolboom of in de dolklos.
Dolpennen zijn meestal uitneembaar gemaakt, zodat men, wanneer er niet geroeid wordt, er ook geen last van zal hebben.  Vaste dolpennen, meestal op een voetplaat gelast komen echter ook voor.
Bij stalen boten zit de dolpen soms aan een stalen plaat, welke scharnierend tegen de binnenzijde van het vaartuig aangebracht is. Men kan dan de plaat op of neer klappen. In opgeklapte stand wordt de plaat met een borgpen vergrendeld.
Tegenwoordig wordt de dolpen meestal in combinatie met een oogbout gebruikt. De daarbij gebruikte roeispanen zijn bij het draaipunt altijd voorzien van extra klampen. Dwars daar door heen is dan een oogbout bevestigd. De ring wordt rond de dolpen gelegd.

Vroeger gebruikte men wel een touw of leren riem om de spaan of riem op z'n plaats te houden.
Het ene eind van het touw of de riem wordt rond de spaan geknoopt of door een gat, wat dwars door de spaan geboord is, vastgezet. (Dit laatste kwam, i.v.m. de verzwakking van de schacht alleen bij roeispanen met een opgeklampte rechthoekige schacht voor)
Het andere eind werd aan een spant of door een gat in de dolboom vastgezet. Indien er dolpennen aanwezig waren, dan werd er een lus gevormd welke rond deze pen gelegd werd.

Het dolboord.
Het dolboord is een op de bovenrand van het vaartuig geplaatste strook waarin uitsparingen, dolgaten, voor de roeispanen aangebracht zijn. Deze uitsparingen zijn U-vormig voor riemen (dus met een ronde schacht) en rechthoekig voor spanen (dus met een rechthoekige schacht). Terplaatse van het dolgat is het dolboord vaak met een dubbeling verstevigd, of bij stalen boten met een ronde buis of staaf afgewerkt. Bij deze en ook bij de meeste van de hierna volgende constructies is de roeispaan niet met het vaartuig verbonden en kan dus, wanneer men de spaan los laat buitenboord geraken.

De roeikast.
De roeikast bestaat uit twee op enige afstand van elkaar geplaatste dolklampen. Tussen deze klampen komt de spaan te liggen. Soms is er tussen de klampen en de spaan een touwtje aangebracht. Dit touw is er niet om de spaan, tijdens het roeien, in positie te houden, maar om verlies van de spanen te voorkomen.
Op stalen roeiboten bestaat de klap meestal uit een in het model van de klamp gebogen stuk platrond
dat op het bovenboord geklonken of gelast is.
Velen hebben de gewoonte een roeikast een dol te noemen.

De dol.
Er zijn verschillende constructies, die men een dol noemt.
1> een pen met een vorkvormig uiteinde, die in een dolpot gestoken kan worden. De pen is meestal met een zorglijntje gezekerd. Dit soort dollen worden bijna uitsluitend voor riemen (dus met een ronde schacht) gemaakt.
De dolpot is een metalen bus die in de dolboom opgenomen is of d.m.v. een brede strip tegen de binnenzijde van het vaartuig bevestigd kan worden.

2> twee, op enige afstand van elkaar in de dolboom gestoken dolpennen, waartussen de spaan kan liggen. Bij stalen boten zijn deze pennen, soms ook strips, meestal aan een scharnierende plaat bevestigd of door de buis, die de bovenrand van het vaartuig vormt, gestoken.

De dolboom en de dolklos.
Bij houten boten is om overmatige slijtage van de rand en de spaan te voorkomen en om voldoende materiaal rond de dol(1) of dolpen te hebben de gehele bovenrand van het vaartuig met een, tegen de binnenzijde aangebracht, balkje verstevigd. Dit noemt men de dolboom. Een enkele maal ontbreekt een dolboom en is alleen terplaatse van de dol een dergelijke versteviging aangebracht. Dit noemt men een dolklos. Bij stalen vaartuigen bestaat de bovenrand meestal uit een flinke buis en zijn er geen extra maatregelen nodig.



###