###

Bomen

###

Bomen is het vanaf het vaartuig voortduwen van het vaartuig. Men gebruikt hiervoor een lange dikke stok, de vaarboom*, waarmee men zich tegen de bodem van het vaarwater, soms ook tegen de oever of andere vaartuigen, afzet. Het bomen van kleine open vaartuigen wordt door sommigen punteren of kloeten genoemd.
Wanneer het gangboord of dek van voor tot achter vrij is en men dus niet gehinderd wordt door lading of iets dergelijks, loopt degene die boomt zo ver mogelijk naar voor en plaatst de vaarboom achterwaarts gericht in het water. Vervolgens loopt men, terwijl het uiteinde van de boom op of tegen de schouder rust en men de boom met twee handen stevig vasthoudt, langs het boord van het schip naar achter. Achter aangekomen, trekt men met een stevige ruk de stok uit de bagger. Waarna men weer naar voor loopt en opnieuw begint.
Heeft men last van de zijstagen, dan pakt men buiten de stagen lang de boom over of men begint achter de stagen en loopt van daar af naar achter.
In sommige gevallen, zoals bijvoorbeeld bij open scheepjes, legde men een lange loopplank langs de zijde, opdat men over voldoende loop kon beschikken. Er wordt wel beweert dat men op vissersschepen het zwaard afnam en dit van voordek tot in de kuip legde.
Wanneer men niet de ruimte heeft om heen en weer te lopen, bijvoorbeeld door een deklast, dan plaatst men, waar men ook staat, de stok een weinig achterwaarts en duwt de stok stevig en zo ver als mogelijk, naar achter toe, van zich af. Hoe schuiner de stok kan staan, hoe meer kracht men kan zetten. Men gebruikt dus het liefst lange vaarbomen. Lange vaarbomen zijn echter zwaar en moeilijk te hanteren zodat lengtes van meer dan acht meter nauwelijks voorkwamen. Op diep water kan men niet bomen en zal men een ander oplossingen dienen te zoeken.
Het waren meestal vrij kleine vaartuigen in smalle sloten, die bijna uitsluitend geboomd werden. Zoals bijvoorbeeld de vaartuigen van boeren die zich tussen hun landerijen heen en weer bewogen. Grotere vaartuigen (soms zelfs meer dan 25 meter) werden, meestal alleen uit noodzaak geboomd. In stadsgrachten bijvoorbeeld. Daar had men te veel last van gebouwen en vaak ook vaste bruggen om te kunnen zeilen terwijl jagen, door bomen op en schepen langs de oever, bijna onmogelijk was. Hedentendage kan men het bomen alleen nog af en toe bewonderen bij open (huur)zeilboten en wordt er ook op een enkel charterschip nog een enkele keer geboomd.

Het bomen wordt niet alleen gebruikt als belangrijkste middel tot voortstuwing, maar ook als ondersteuning bij het jagen, stevelen en het zeilen bij weinig wind en dergelijke. Soms heeft het bomen dan alleen tot taak het vaartuig in de juiste koers te houden of over de lastige punten heen te helpen, maar soms ook wordt het gebruikt bijwijze van 'hulpmotor', die er meer vaart in moet brengen.

Ook een vorm van voortstuwing, al is het dan maar een klein eindje, is het afzetten (2) van het schip met de vaarboom.

De vaarboom, ook kruisstok of kloet genoemd, is een 5 tot 8 cm dikke ronde stok met een lengte van 6 tot 8 meter met vaak aan het ene uiteinde een gaffeleind (1) , dat tegen de bodem of wal gezet wordt en aan het andere eind een druif (een peervormige knop) of een jelt (een schuingeplaatste dwarsgreep), die tegen de schouder komt te rusten. De vaarboom kon dankzij het gaffeleind ook als fokkeloet of bezaanstutter gebruikt te worden. Het gaffeleind wordt gevormd, door tegen de stok een klamp te bevestigen.


###