banner
Naar de Verenigingssite Naar Binnenvaarttaal

De zelflosser


Tekst: Pieter Klein. Aanvullingen: Simon de Waard, Ko Blok, Kees Verheul en Fam. van der Werf, Meppel.


klipperaak disponibel
Klipperaak Disponibel. Foto: Pieter Klein. (Groot formaat)

Alhoewel vaak met elkaar verward, zijn er essentiële verschillen tussen het hijstuig en de zelflosser. Voor leken is het feit dat, bij een echte zelflosser, de giek, in gestreken toestand, vaak tot naast, of zelfs voorbij, de stuurhut steekt, of in ieder geval veel langer is dan de mast, een duidelijk waarneembaar verschil.
Een gewoon hijstuig is voornamelijk bedoelt om stukgoed te laden en te lossen, terwijl de zelflosser is ontwikkeld voor de zand- en grindvaart. Bij de eerste moet met de giek goederen uit het ruim gehesen worden. Het uiteinde van de giek moet daarom makkelijk boven het  ruim gebracht worden. Bij de tweede staat de giek constant dwarsuit en moet het uiteinde van de giek juist hoog en ver boven de wal gebracht zijn.

model van een zelflosser

Een model, met een beetje overmaatse bak, van een
overslaginstallatie/zelflosser.
Foto: S. de Waard. (Groot formaat)

Begin vorige eeuw geschiedde de zandwinning nog door beugelen. Eerst werd de zandbeugel, waarmee het zand van de bodem geschept werd, op pure handkracht aan boord gezwaaid en leeg gekiept. Het lossen geschiedde met schep en kruiwagens. Later verlichtte men het beugelwerk door gebruik te maken van  de giek van het zeiltuig waaraan een hijsinrichting bevestigd was.
Zandschipper Arie Kreuk uit Nieuwerkerk aan de IJssel begon rond 1915 te experimenteren met het aan land brengen van zand met behulp van zijn mast en giek, waaraan geladen kruiwagens en manden werden gehangen. Een jaar later ontwikkelde hij een bak, waarmee het zand uit het ruim geschept kon worden, die dan vervolgens over een draad langs de giek, boven de wal gebracht en aldaar geleegd kon worden.

De lange giek is tijdens lossen, omhoog gericht en permanent buitenboord gedraaid. De giek is, met behulp van draden, de gaarden, stevig in die stand vastgezet. Vanaf de top van de giek, over de den, naar de buitenkant van het schip, was de zogenaamde rijdraad gespannen. Deze liep net voor de berg zand of grind, die in het ruim lag, langs
Aan de rijdraad zat een, op rollen lopend, rijblok.

zandlier

De lierman links heeft zijn voet op de rem en zijn hand aan de koppelinghandel (de kluts),
waarmee het lier in of uit z'n werk gezet wordt.
Foto: Simon de Waard (groot formaat)

Dit blok kon door een trekdraad, die via de nok van de giek naar een speciaal lier, het zandlier, ging, langs de rijdraad omhoog, naar de nok van de giek, getrokken worden.
Het lier stond meestal op het mastdek en werd door een hulpmotor aangedreven. De hulpmotor stond meestal benedendeks. Behalve het lier werd daarmee ook een flinke pomp, meestal een kattekop, waarmee het water, dat uit het zand kwam lekken werd weggepompt, aangedreven.
Het lier was voorzien van een rem, waarmee men de bak, wanneer deze naar het ruim afgevierd werd, tijdig diende te stoppen. De rijdraad was meestal wel voorzien van een verplaatsbare stopper, maar het was niet de bedoeling dat deze de hele zaak in zijn volle vaart moest stuiten.

rijblok

Het rijblok afgevierd in de laagste stand; rustend
tegen een op de rijdraad aangebrachte stopper.
(groot formaat)

Onder het rijblok hing een sleepbak. Een flink stalen gevaarte ( ca 350 liter) dat in een beugel, waarin de bak kan kantelen, opgehangen is. Wanneer de bak vertikaal in de beugel hangt, wordt deze door een verende grendel geborgd. Aan de grendel is een lang touw, de pallijn, gebonden. Deze wordt door de lierman en soms door de bakloper* bediend. Wanneer de bak aan de nok van de giek is, trekt men aan het touw, de grendel opent en de bak kiept om, waardoor de inhoud uitgestort wordt.

sleepbak
Een met zand gevulde sleepbak. Duidelijk is hier de grendel
met daaraan de pallijn waarmee de grendel gelost kan worden te zien.
Foto: Simon de Waard. (Groot formaat)

Wanneer de bak aan het uiteinde van de giek en leeg gekiept is, en de rem op het zandlier los staat, zal de bak door zijn eigen gewicht, eventueel geholpen door aan een touw, de zgn. bakloper, te trekken  naar beneden gaan. Het touw wordt door de man in het ruim, doe ook al bakloper genoemd wordt, bediend. Beneden aangekomen zal de bak tijdig afgeremt moeten worden, om tenslotte tegen de stopper tot rust te komen.
De trekdraad vormt met het rijblok en een blok aan de sleepbak, het bakkenblok, een half-last takel. Daardoor zal eerst het rijblok naar beneden komen en pas daarna zal, als het rijblok tegen de stopper rust en men de trekdraad verder viert, de bak gaan zakken.
Wanneer de bak beneden aangekomen is pakt de man in het ruim, de bakloper dus, de bak aan de beugels aan de achterkant en trekt hem naar de gewenste plaats. Daarbij kantelt de bak in de uitgangspositie, waarbij de grendel sluit.

zand lossen

De bak wordt door de bakloper bij de handgrepen vastgepakt
en achter de berg zand getrokken.

Foto: Simon de Waard. (groter formaat)

Vervolgens wordt het lier in het werk gezet. De trekdraad trekt de sleepbak door het zand naar boven, tot het bakkenblok door het rijblok gestopt wordt. Wat hieronder duidelijk te zien is.

last

Het bakkenblok is tegen het rijblok getrokken.
Beide blokken zijn op de plaats waar ze elkaar raken van een vlak stuk voorzien.
 Zo voorkomt men overmatige slijtage en
ook kan de zaak nu niet op één of andere manier klem lopen.
(groter formaat)

Bij het verder indraaien van de trekdraad wordt het rijblok met daaraan de bak, langs de rijdraad omhoog getrokken. Vlak voor het uiteinde van de giek bereikt wordt, wordt het lier uit het werk gezet en de grendel wordt met behulp van het touw opengetrokken. De bak kantelt, stort leeg en zal weer een nieuwe reis naar beneden beginnen.

zelflosser lossen

Het moment waarop gelost wordt. Het touw van de grendel loopt,
evenals de trekdraad, via een blok in de mast naar het dek.
Foto: Simon de Waard. (Groot formaat)

Slechts wanneer men moet wachten met het leegstorten van de bak, zal de bak met behulp van de rem, aan het uiteinde van de giek gehouden worden.

Voor de goede orde moet er op gewezen worden dat er een verschil was tussen het rijblok wanneer men het eigen schip loste en het rijblok dat men gebruikte wanneer men een langszij liggend schip loste. In het laatste geval stond de rijdraad minder steil omhoog. De kracht die op de trekdraad uitgeoefend werd, kon in een dergelijk geval het rijblok alweer langs de rijdraad omhoog trekken voordat de bak tegen het blok zat. Om dit te vookomen gebruikte men een rijblok met twee schijven en dit vormde dan met het bakkenblok een derdehand-, in plaats van de 'gebruikelijke' halflast-, takel.

tinusb
De 'zelflosser' in de overslag met een rijblok met 2 schijven. Stenen van Ibbenburen aan het Middellandkanaal voor Musselkanaal worden gelost uit de Nooit Gedacht van Andreas van der Vlag 111 ton groot voorzien van 105 pk Bussing. Foto: Tinus Bakker. (Groter formaat)


Zelflossers werden later veelvuldig op Luxe-motors toegepast, zo vaak dat men de luxe-motor met
zelflosser, kortweg zelflosser ging noemen. Op andere scheepstypes kwamen ze ook voor maar toch waren ze daar minder gebruikelijk.
Schepen met een zelflosser deden al spoedig al weinig meer dan het vervoer van zand en grind. Sommigen kwamen zelfs als overslagschip min of meer permanent tegen de wal te liggen.
Wie in de zand en grindvaart zat, verkleinde het ruim meestal met een zogenaamd zandschot. Een dwarsscheeps schot voor in het ruim, dat van onder tot boven doorliep. Zonder zandschot moest men zo werken dat men midden in het ruim de hoogste berg zand hield. Men werkte met de bak rondom de berg. Met zandschot en zeker met een schuinschot kon men met de bak tegen het schot omhoog werken, hetgeen een stuk eenvoudiger was. Het schot voorkwam ook dat men te veel voorover laadde en als laatste, maar zeker niet minst belangrijke punt, men had voor het schot een prachtige plaats voor het opstellen van de hulpmotor.
Bij de grotere schepen kon men vaak ook een stukje aan het achter eind van het ruim missen. Afhankelijk van hoe verlegen men om ruimte zat, maakte men dan een keukentje, bergplaatsje/ diepherft of men liet als meer permanente oplossing tussen de den, op de plaats van de herften, een royale keuken/stookhut bouwen.

Met de komst van beunschepen, elevatorbakken en mobiele grijperkranen verdween langzamerhand het schip met de zelflosser. Eind jaren 70 waren er slechts nog enkelen in gebruik. Ook ontstonden er nieuwe vormen van 'zelflossers'. De meesten daarvan staan bekend als kraanschip, maar een enkele werkt nog met de ouderwetse sleepbak, maar dan in combinatie met de transportband.






De zelflosser kunt U ook op de site van de "Quo Vadis" [E>] in werkelijkheid te zien krijgen.
Directe links E> in het ruim, van boven gezien, vanuit de stuurhut gezien.

Scheepsportret: IJsselaak met zelflosser; 'Door gunst verkregen'.
Meer foto's losinstallatie.

E> Forumpost over dit onderwerp!









© 1997-heden; Vereniging 'De Binnenvaart', Dordrecht. Redactie: Pieter Klein, Ede.
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site, noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Over het algemeen zullen de inzenders van het materiaal een verzoek tot het gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)

Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,

U wordt verzocht eventuele gebreken te melden!  (meer informatie)

Mijn dank gaat uit naar allen, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.

Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.




Statistieken