| Aanvullingen
en
correcties zijn welkom. Bootje,
boot, schuitje, schuit, scheepje, schip!
Wat is wat? De taal kent verschillende woorden, met het doel een ander duidelijk te kunnen maken wat men bedoelt. (Echte synoniemen bestaan nauwelijks.) Het gebruik van het verkeerde woord voor een bepaald begrip, kan tot misverstanden leiden. Het feit dat men in de media veelvuldig het woord BOOT gebruikt, terwijl men het over een schip heeft, maakt nog niet dat een boot een schip is!
BOOT Een boot is dus een klein open vaartuig. Met klein bedoelt men over het algemeen minder dan 6 meter lang, maar toch zijn ook boten die flink wat langer zijn. Met open bedoelt men zonder opbouwen en zonder vaste dekken. (Ook een gangboord is een dek.) Een boot met een vast voordek (tot aan, of tot en met de achterkant van, de mast) noemt men een half-gedekte boot. Een boot met een vast voordek en gangboorden en eventueel ook een achterdek, maar zonder vaste opbouwen, noemt men een gedekte-boot. De term boot werd over het algemeen gebezigd voor vaartuigen, die bij een ander vaartuig hoorden, zoals de bijboot, die de vrachtschepen hedentendage nog steeds hebben. Schippers zeiden dan ook: "de boot komt achter het schip, behalve de sleepboot, die vaart er voor." Verder bestaat er nog een 16de eeuws type vrachtschip, dat kortweg boot (1) genoemd wordt en ook de sloep aan boord van zeilende zeeschepen werd soms kortweg boot genoemd. Het woord boot in samenstellingen Het woord boot in samenstellingen is meestal niet op zijn plaats, omdat het om een vaartuig met dekken en opbouwen gaat, zoals bijvoorbeeld in sleepboot, duwboot, rondvaartboot, veerboot, reddingboot, enz. Dat deze schepen of scheepjes boot worden genoemd, is vaak terug te voeren op het feit dat de allereerste exemplaren werkelijk open vaartuigen waren. Naarmate het type zich verder ontwikkelde kreeg het vaartuig dekken en opbouwen, maar de oude benaming bleef. Eigenlijk
waren de oorspronkelijke vaartuigen geen boten, maar schuiten, maar
daarover zo dadelijk meer.
Met het woord 'duwboot' is het een ander geval. Mogelijk is het gewoon een vertaling van het Engelse/Amirikaanse 'push-boat' of is het naar analogie met sleepboot gevormd. Het woord 'onderzeeboot' is me een raadsel. Vermoedelijk is de samenstelling met boot het gevolg van het feit, dat landrotten deze naam aan het vaartuig gaven. Termen als 'fluisterboot', 'zonnecelboot', 'woonboot', 'draagvleugelboot' zijn vermoedelijk eveneens aan het brein van een landrot ontsproten. In al deze gevallen wordt, tenzij het echt om een open vaartuig gaat, de term boot alleen in de samenstelling gebruikt. Buiten de samenstelling zijn het geen boten, maar schepen of vaartuigen. Veel schippers ervaren het als hoogst beledigend als hun schip of scheepje een boot genoemd wordt! Schuit Flinke boten, die als middel tot uitoefening van een beroep of bedrijf werden gebruikt, werden schuit genoemd. Ook nu is moeilijk aan te geven waar de grens tussen boot en schuit ligt. De meeste schuiten zijn van oorsprong open vaartuigen. Diverse schuiten zijn in later tijd ter verhoging van het (vaar)comfort soms uitgerust met een voor- en/of achterdekje en soms ook vrij smalle gangboordjes. Onder voor- of achterdek bevond zich soms een afsluitbare ruimte, maar gesloten leefruimtes of een afdekbaar laadruim ontbrak nog steeds. Veel schuiten gebruikte de gehele schuit als plaats waar lading gestuwd kon worden, bij anderen is door middel van een eenvoudige dwarsscheepse schotten hiervoor een bepaalde ruimte geschapen. Later werden er soms voor dezelfde aard van bedrijfsvoering gedekte boten/scheepjes gebruikt, maar de term schuit bleef in de benaming van die scheepjes voortbestaan. Bekend zijn onder meer de veerschuit, de dekschuit, de pakschuit en de trekschuit. Het bekende schuitje
uit "Schuitje varen, Theetje drinken" was dus een
open vaartuigje. Vermoedelijk werden de zangers hierin door een schipper
rondgevaren of was het
misschien een pieremachochel
dat ze ergens gehuurd hadden?
Wanneer een bepaald scheepstype voornamelijk gebouwd werd als schuit en deze voorzien werd van dekken en opbouwen, dan sprak men wel van een schuiteschip. Anders om, wanneer een bepaald scheepstype voornamelijk als schip gebouwd werd, dan werd de open uitvoering soms een schipschuit genoemd. In sommige samenstellingen wordt de term schuit en schip gebruikt om onderscheid te maken tussen een bepaald scheepstype in open of gesloten uitvoering. Een Snikkeschip is dus een gesloten vaartuig, een Snikkeschuit een open vaartuig. In sommige gebieden gebruikt men voor een boerenschuit de term praam of vlet. In het eerste geval omdat de meeste schuiten pramen waren en in het tweede geval in verband met de aard van het werk (het vervoer van goederen over korte afstand zie: vletten) Jacht Oorspronkelijk werd de term jacht of jager gebruikt om aan te geven dat het om een snelvarend vaartuig handelde. Ook een vrachtschip kon dus een jacht zijn, als het maar gebouwd was op snelheid en niet op laadvermogen. Later ware de meeste jachten echter speelvaartuigen, waardoor de term min of meer synoniem werd met pleziervaartuig. Schip. Een schip is dus een vaartuig met vaste dekken (waartoe ook de gangboorden gerekend worden) en vaak ook opbouwen. Kleine vaartuigen met vaste dekken (en opbouwen) noemt men dus scheepjes. De meeste hedendaagse pleziervaartuigen zijn dus geen boten, maar scheepjes! Waar men precies de grens legt tussen een scheepje en een schip is volkomen willekeurig en afhankelijk van wat men gewend is. Een tjalk van 23 meter wordt bij de Oranjesluizen te Amsterdam een scheepje genoemd, maar in de Drentse Hoofdvaart een schip. De term schip werd vroeger (voor de 17de (?) eeuw) hoofdzakelijk gebruikt voor zeewaardige vaartuigen. Schip of vaartuig? De term 'schip' wordt vaak tevens gebruikt wanneer men geen onderscheid tussen boot, schuit of schip maakt. Sommigen geven dan echter de voorkeur aan aan de term 'vaartuig'. Tegen beide termen kan men bezwaren hebben. Een boot en schuit zijn nu eenmaal geen schip, maar de term vaartuig betekent dat ook vlotten, opblaasbootjes, surfplanken enz. inbegrepen zijn. In diverse boeken kan men lezen dat bekende Friese scheepbouwers er een potje van maakten. Alle vissersvaartuigen met ronde vormen werden kortweg als Aak aangeduid. Veel op snelheid gebouwde vaartuigen met ronde vormen noemden men jacht of jager. Van de meeste overige vaartuigen staan de kleinsten (<6m) soms te boek als bootje (boatsje), de wat grotere (<12) vaak als boot (boat), de grootsten hiervan soms als grote boot (greate boat). Voor vrachtscheepjes vanaf een meter of tien twaalf hanteert men vaak de term schuitje (skûtsje) en voor de min of meer zeewaardige binnenvaartschepen de term schuit (skûtte) of grote schuit (greate skûtte), terwijl de term schip (skip) voornamelijk voor de echte zeeschepen gereserveerd scheen te worden; een uitzondering hierop vormen samenstellingen zoals Tjalkschip, Snikkeschip, enz. top
|
|||||